Op een nacht droomde ik dat ik beroemd was.
Waar ik mij vertoonde draaiden alle hoofden in mijn richting. Monden vielen stil, handen gingen als vanzelf op elkaar. Ongevraagd stonden op trein, tram en bus mensen mij hun zitje af. Ik werd genodigd op exposities en concerten, kreeg in schouwburgen de ereloge toegewezen en bij filmpremières oogstte ik meer bijval dan de makers en acteurs. De exclusiefste restaurants van het land boden mij hun beste tafels, de chef toverde uit zijn koksmuts exquise spijzen die de sommelier voorzag van flessen wijn die enkel bij kroningsfeesten en presidentiële bezoeken uit de kelder mochten. Nooit en nergens hoefde ik ook maar een schamele cent te betalen, men dankte mij integendeel bescheiden voor de tijd die men in mijn gezelschap mocht vertoeven. Mijn brievenbus kreunde onder knisperende enveloppes waarin de pikantste lingerieën zich aan me openbaarden, voorzien van de meest gewaagde foto’s waar op de achterzijde in glanzend rode lippenstift een telefoonnummer en smachtende lippen stonden getekend.
In de etalages glommen mijn boeken, mijn naam in gouden letters op het omslag. Over het hele land discussieerden leesgroepen tot diep in de nacht in openbare bibliotheken over mijn werk. Men roemde de diepe gelaagdheid en rijke taal, de ingenieuze plots, de fijnzinnige karaktertekeningen van mijn personages. Mijn oeuvre werd bekroond met zowat elke prijs die er te winnen was, het was nog slechts een kwestie van geduld voor in Stockholm mijn naam door het Nobelprijscomité zou worden afgeroepen.
Men nodigde mij in televisiestudio’s doch nooit diende ik mij smadelijk te verkleden in een panda of konijn. In ernstige praatprogramma’s dorste men naar mijn diepste roerselen, mijn inzichten zorgden voor een omslag in de publieke opinie, niet enkel bij ons, ook in de ons omringende landen. Gedragen door mijn verlichte ideeën marcheerde het land eindelijk richting betere wereld. Ik zag en vond dat het goed was, ik schitterde en straalde als een Zonnekoning op zijn troon.
Waar ging ik fout?
Was het een zaak van een mooi liedje met te korte levensduur of eenvoudigweg de hoogmoed die zoals bekend steeds de val voorafgaat? Ik weet het niet. Misschien gleed ergens van mijn tong ongepast een woord dat niet meer in dit tijdsbeeld past. Misschien stelde ik een gebaar dat in vervlogen tijden gangbaar was maar vandaag volledig uit den boze. Misschien ging ik naast mijn schoenen lopen of werd ik op een dag gewoon te oud en traag, een storend anachronisme in de tijd. Nogmaals, ik weet het niet. Het doet er ook niet langer toe. Mijn fortuin keerde. Op een dag wees het volksgericht niet langer met de duim omhoog. De guillotine werd geslepen en gehesen. Mijn hoofd lag op het blok.
Voor ik het besefte tuimelde ik van het helste licht in het donkerste duister. Trollenlegers bestookten vierentwintig op zeven mijn accounts. Roddel en laster raasden als laaiende vuren over het land. In mijn brievenbus niet langer prikkelende slipjes maar aangedikte declaraties van dure restaurants voor diners die ik me in de verste verte niet herinneren kon, er stonden wijnen op vermeld waarvan ik de namen zelfs niet luidop gelezen kreeg. Theaters en bioscopen ontzegden mij de toegang, galerijhouders lieten de gordijnen neer terwijl ik voor hun deuren stond, boekhandels en bibliotheken weerden mijn werk, stopten alles waar mijn naam op stond in kartonnen dozen en voerden het naar de ramsj. De duimpjes en hartjes op mijn sociale media smolten als sneeuw, Elon Musk verbande me hoogstpersoonlijk van X.
Ik durfde mijn huis niet meer verlaten. Aanklacht na aanklacht over ik weet al niet wat werd me ten laste gelegd door mannen en vrouwen die ik in mijn ganse leven nog nooit eerder had gezien. Ik diende vaker voor de rechter te verschijnen dan Donald Trump. Zowel mentaal als fysiek bevond ik mij al gauw ver voorbij de rand van de afgrond. Mijn beste vrienden hadden me de rug toegekeerd, mijn naasten en geliefden hadden me verlaten, ik voelde me eenzamer dan die kluizenaar na veertig jaar in zijn grot. De hamerende vraag in mijn hoofd ging al lang niet meer over of en waarom maar veeleer over wanneer en hoe. Werden het de aders van de pols in een warm bad, een pathetische sprong van het dak van de Boerentoren of ongezien zinken onder het oppervlak van een donker water?
Toen, badend in het zweet mijner angsten, schoot ik wakker.
Toen besefte ik weer hoe fijn het was om gewoon maar mij te zijn.
