De Denker en de Drinker

          ‘Ik denk, dus ik ben,’ zei de filosoof.
          Lap! Daar heb je hém weer. Zit je gezellig met elkaar enkele biertjes in te nemen en wat doordeweeks te wauwelen over voetbal, vrouwen, wereldleed en politiek en net wanneer je denkt, deze avond wordt nog best gezellig, dropt de Denker een of andere dooddoener in je glas. Weg sfeer.

          Deze keer zou ik me niet zomaar laten doen. Een adder in het gras zou ik wezen, een luis in de pels, jeuk op zijn rug. Ik nam een flinke teug en vroeg:
    ‘Wát ben je dan precies?’
          ‘Wie,’ corrigeerde prompt de filosoof. Hij krauwde in zijn baard. Volgens de overlevering en ChatGPT had de filosoof geen baard maar we weten allemaal dat AI hallucineert. Alle mannen hebben baarden, uitgezonderd hier en daar een melkmuil. Sommige vrouwen overigens ook maar daar hoor je nooit iemand over. Hoe dan ook, ik herken een baard wanneer ik er een zie. Misschien had de filosoof zich die avond toevallig niet geschoren, hij was tenslotte filosoof.
          ‘Wat,’ antwoordde ik, ‘soms ben je bijvoorbeeld een auto.’ De Denker trok de rechterwenkbrauw op.
          ‘Ik denk. Ik ben. Wie dus,’ hield hij vol. Hij klonk een tikje kregelig.
          ‘Dan zeg je: ik vond in jouw straat geen plaats, daarom sta ik nu bij de slager om de hoek,’ ging ik door. Nu ging ook de linker wenkbrauw in de hoogte. Wellicht bedacht de filosoof dat door de drank mijn brein beneveld was. Dat was helemaal niet het geval. Ik stond integendeel op scherp.
          ‘Of je zegt: ik lig snooker. Dan ben je een witte biljartbal,’ zei ik ietwat overmoedig. Er kon alvast geen glimlach bij hem af.
          Hij wenkte de waardin: ‘Jeanne, doe ons er nog eens twee.’ Ik kende Jeanne al jaren. Lang geleden was zij een onbereikbare liefde. Een natte droom was zij toen nog, een sierlijke zwemster ook en een hoogst verleidelijke danseres op discodeunen. Nu was ze naast cafébazin ook moeder van twee kinderen, verwoed lezeres van dikke boeken en Voorzitster van de Vereniging voor Het Behoud van de Blanke Berk in haar straat. Routineus plantte zij twee volle glazen voor ons neer.

          Ik heb een hekel aan relaties op gespannen voet, ik ben meer een man van lichte tred, dus ik zei toegeeflijk:
          ‘Ok. Ik ga met je mee. Een mens kan auto noch biljartbal zijn. Omgekeerd zijn auto’s en biljartballen ook geen mensen. Denken kunnen zij immers niet. Dat betekent, hoewel je ze met je blote oog kan zien, ze kan bevoelen en betasten, zijn ze strikt genomen niet.’ Nog steeds keek hij me aan of ik in tongen sprak, dus daar voegde ik nog aan toe:
          ‘Alleen mensen kunnen denken. Ik denk, dus ik ben een mens. Ik snap het. Maar toch: wie ben je dan?’
          ‘Aha,’ riep hij uit. Eindelijk had ik de juiste kaart op de toog gelegd. Hij rechtte zijn rug, zijn ogen lichtten op, zijn tong kwam los:
          ‘Je bent …,’ hier liet hij om de spanning op te drijven een pauze vallen, ‘… wie de ander in je ziet.’
          Lap! Een tweede keer. Had hij me het Chinese alfabet van achteren naar voren opgezegd, ik had er even weinig van begrepen.
          ‘Hoezo?’, zei ik, ‘Ik ben toch gewoon maar wie ik ben? Altijd. Overal. Mijn kwaliteiten – mocht ik die al hebben – en mijn gebreken – die ik bezit in overvloed – neem ik toch overal met me mee?’
          ‘Dat denk jij,’ antwoordde hij opgewekt. ‘Dat ziet een ander toch wel anders. Stel, je staat in de fitness op de loopband. Wie denk je dat men in jou ziet? Een schrijver? In geen geval. Een atleet? Nog minder. Men ziet een oude, licht obese man die zich staat af te beulen als een gek in de hoop het onafwendbare verval nog jaren voor zich uit te schuiven.’ Niet bepaald een filosofische gedachte. Hij had duidelijk geen idee van de impact van zijn woorden. De filosoof mocht dan slim zijn en welbespraakt, een empathisch wonder was hij niet.
          ‘Dat vind ik nogal vergezocht,’ aarzelde ik.
          ‘Kijk,’ zei hij. Hij was een schoolmeester geworden nu. ‘Als je wandelt, ben je een voetganger. Op de fiets een fietser. In de auto een bestuurder en dus een potentieel gevaar. In de trein de dupe van alweer een staking. En ga je vliegen, dan ziet men jou als egoïstische klimaatvervuiler.’
          Nu was ik mee. Meer dan dat. Ooit had ik een essay geschreven over de vrijheidsstrijder die door de vijand steevast terrorist wordt genoemd terwijl terreur in uniform zelfverdediging of ordehandhaving heet.

          Lang en diep staarde de filosoof in zijn glas. ‘In de ogen van de ander verandert de mens makkelijker en vaker van gedaante dan een kameleon van kleur.’
          ‘Ha,’ riep ik toen, ‘Ik denk. Dus ik ben een kameleon. Daar drink ik op. Jeanne!’
          Want die avond wilde ik niets liever zijn dan de leeghoofdige toogfilosoof die de wereld altijd al in mij had gezien.

Etiquette

                    Ze drinkt haar thee met de pink omhoog. Oogschaduw, lippenstift, blush. Haar kapsel de kleur van een blauwe reiger. Verkreukeld vel over been. Dicht bij de negentig, toch fonkelen nog altijd haar ogen als sterren in een winternacht. Ze weet dat zwijgen goud is, ze kiest voor zilver met een stem die nog altijd verleiden kan.

          Ze wijst naar een man met een pet aan een tafeltje verderop in de cafetaria die zij Ons Restaurant noemt. Ze kijkt naar de hemel, haalt haar neus op, knikt van neen. Misprijzen zonder woorden.
          ‘Tja,’ zeg ik, ‘de mode, niet?’
          ‘Ik weet het hoor,’ antwoordt ze, ‘ik stam uit een vergeten tijd.’ De tijd van mijn ouders. ‘Toen liepen enkel boefjes met zo’n ding op hun hoofd. Kwajongens, snotneuzen. Maar nu?’ Ik geniet van de nostalgische klank van haar woorden. Klinkt stukken beter dan tuig of criminelen.
           ‘Denkt zo een uitgezakte veertiger met bolle buik nu werkelijk dat een pet met Old Fuckers Club erop zijn dikke kop en kale kruin jonger doet lijken?’ Ze krijgt het vulgaire opschrift nauwelijks door de keel. ‘Godgeklaagd, als je het mij vraagt.’ Het kopje en haar pink gaan weer de hoogte in, ze drinkt alsof de goden het drankje speciaal voor haar hebben gebrouwen.
           ‘Gisteren zag ik op de televisie een komiek, zogenaamd. Leren hesje zonder mouwen, oorbel, tatoeages. Een uur lang schelden, schreeuwen, bulderen, ik kreeg er hoofdpijn van. Dan denk ik toch, geef mij maar weer een Hermans of een Sonneveld. Rustig en bedaard, altijd netjes in het pak. Die hadden het niet nodig hun eigen lachband te moeten zijn. Een monkellachje was genoeg.’ Monkellachje, weer zo’n woord.

          Ze daalt af langs de lange Laan der Herinneringen. Plots stokt ze. Ze kijkt verbijsterd, hapt naar adem, even vrees ik dat ze nog blauwer zal uitslaan. Ook ik zie de Pettenman druk met zijn telefoon in de weer terwijl de vrouw tegenover hem doelloos om zich heen gaapt.
           ‘Goede manieren zijn naar de genoffels,’ zucht mijn blauwe reiger. Genoffels. Een bloem. Geen geslachtsorgaan, een verademing. ‘Boertigheid is de norm vandaag.’ Aangemoedigd door mijn zwijgen gaat ze door:  
          ‘Vroeger. Een man vroeg je uit op restaurant. Dat was een feest. Een traktatie. Verwennerij.’ Ze huivert van plezier. Inmiddels heeft de vrouw van de man met de pet ook haar telefoon opgeduikeld.  
          ‘Bij binnenkomst nam hij je jas aan en schoof je stoel naar achteren zodat je makkelijk kon gaan zitten.’
          ‘Nogal neerbuigend, niet?’ pruttel ik, ‘seksistisch bijna. Een vrouw is best zelf in staat haar jas uit te doen en op een stoel te gaan zitten, zou ik denken.’
          ‘Daar gaat het toch niet om,’ bijt ze me toe, feller dan je van een breekbaar besje zou verwachten. ‘Natuurlijk kan een vrouw voor zichzelf zorgen. Oneindig beter dan menig man, neem dat maar van me aan.’ Menig man, wie zegt dat nog?
          ‘Weet je waar het wél om gaat?’ Antwoorden is geen optie, ik wacht geduldig tot het komt.
          ‘Het gaat erom gezien te worden,’ zegt ze. ‘Etiquette lijkt een spel, een vormelijkheid, dat is het niet. Het is een uiting van respect. Iemand laat je merken dat hij wat voor je over heeft, moeite voor je wil doen.’ Voor de tweede keer haalt ze haar neus op. ‘Wie te laat verscheen op een afspraakje of in een hemd of godbetert met een stomme pet op zijn hoofd, stuurde ik meteen terug naar zijn grot.’

          Ze legt haar gemanicuurde handen op de tafel. Nagels bloedrood, aan elke vinger een ring, zilveren horloge met wijzerplaat. Ze buigt voorover en fluistert:
          ‘Ooit was er een man, … de nacht van mijn leven.’ Ze aarzelt een seconde en dan, betrapt: ‘Waarom vertel ik jou dit? Heb jij wat in mijn thee gedaan?’ Alsof ze het fijn zou vinden dat iemand er alles voor over zou hebben haar haar intiemste geheimen te ontfutselen.
          ‘Een héérlijke man. Meteen toen hij me zag, nam hij zijn hoed voor me af. Opende de deur van het restaurant, liet me voorgaan. Hielp me uit mijn jas, gaf me aan tafel de beste plek met zicht op de hele zaak. Ik woonde toen nog bij mijn ouders maar had al een eigen baan, toch liet ik hem betalen. Waarom ook niet? Het hoorde bij het spel.’ Hoewel ze nog altijd naar me kijkt, geloof ik niet dat ze me ziet. Ze vertoeft op een plek een halve eeuw of langer geleden in de tijd.
          ‘Het regende die avond,’ lacht ze. ‘Hij hield het portier van de auto voor me open, hief de paraplu boven mijn hoofd terwijl hijzelf helemaal doorweekte. Toen legde hij zijn jas over een plas. Het hielp niet, mijn voeten werden even nat, maar het ging om het gebaar. Bij het afscheid ook geen klef, opdringerig gesmeek. Neen, een lichte handkus, een warme oogopslag waarin je kon leren zwemmen en de onuitgesproken belofte voor een volgende keer. Ik weet nog goed: ik kroop in bed die avond en dacht: als hij me vraagt, zeg ik ja.’
          Dan valt ze stil.
          ‘En toen?’ moedig ik aan.
          ‘Dat heb ik gedaan.’ antwoordt ze vlak. ‘In de volgende vijftig jaar heeft hij geen enkele keer nog voor me zijn jas over een plas gelegd.’
          Plots is het meisje een oude vrouw geworden.   

Queen Esther

          Mocht John Irving geen schrijver zijn geweest, hij was vast leraar geworden.
          Ook een nobel beroep. Net als schrijvers beroeren leraren geesten, harten en zielen. Net als schrijvers willen leraars verleiden, inpalmen, het publiek aan zich binden. Allebei maken ze nieuwsgierig, stellen ze vragen, zetten ze aan tot denken. Liefst verpakken ze hun boodschap in een mooi verhaal dat erin gaat als zoete koek. A teaspoon of sugar makes the medicine go down leerden we van Mary Poppins al, wat dorre schoolfrikken en uitgedroogde pedagogen daarvan ook mogen vinden. Een saai boek leg je weg, een vervelende leerkracht pest je de klas uit.
          Groot verschil: een schrijver stelt vragen, de leerkracht kent ook de antwoorden.

          Maar dus, John Irving.
          Zijn laatste werk, Queen Esther, werd met gemengde gevoelens onthaald. Hij is te oud, werd gezegd, hij heeft het niet meer. Lees eerst het boek, vel dan je oordeel, zegt daarover de auteur. Dat heb ik dus gedaan. Met graagte. Ik ben immers fan.
          Toch moet ook deze fan erkennen: in het steekspel met de schrijver won in Queen Esther de schoolmeester het pleit. Het verhaal gaat gebukt onder de leerstof, die ligt er twee vingers dik bovenop. Queen Esther is meer lesonderwerp dan roman.
          De les van vandaag, zegt Meester John, gaat over de toestand in het Midden-Oosten. Omstandig legt hij uit hoe twee partijen aanspraak maken op hetzelfde stukje land. Zij gebruiken daarvoor exact hetzelfde argument: – wij woonden hier eerder -, en dezelfde slogan: – From the river to the sea (wat betekent, verduidelijkt Meester John voor wie tijdens de les aardrijkskunde stiekem appjes zat te sturen, van de Jordaan tot de Middellandse Zee). Die patstelling, besluit Meester John, blokkeert elk mogelijk compromis. ‘Dus dat twee-statenland van jou, De Schrijver, schrijf dat maar op je buik. Gaat niet gebeuren.’
          Dan gaat de bel.

          Je zou toch denken: voor een meesterschrijver een conflict om duimen en vingeren af te likken. Dat was geloof ik oorspronkelijk ook de bedoeling. Schrijver John graaide nog een keer in de vertrouwde trukendoos die hij al sinds zijn eerstgeborene, De Beren Los uit 1968, met zich meezeult.
Dus ja, ook in Queen Esther worstelaars, alleenstaande moeders, adoptiekinderen. Een pension in Wenen ook weer, kleine, bescheiden mannen en grote, trotse vrouwen. Ook in Queen Esther gaat het hoofdpersonage boeken schrijven. Ook in Queen Esther talloze herhalingen met droogkomisch effect, een bezoekje aan de Amsterdamse Wallen met zijn prostituees en tatoeageshops. Geen beer deze keer, wel weer een hond. De hond in Queen Esther heet Hard Rain, naar het liedje van Bob Dylan. (Mijn altijd favoriete Irvinghond is Sorrow – Treurnis, vertaalt Meester John – uit Hotel New Hampshire, met het onsterfelijke Sorrow floats – Treurnis komt altijd weer, verduidelijkt Meester John voor de Engels-onkundigen.)
          Queen Esther leerde me een habbekrats Hebreeuws en een mondje Duits. Als een vogel vloog ik over de tijdlijn van de geschiedenis van het Joodse volk. Of ik wilde of niet, Meester John vond dat ik haar pijn ook moest voelen. Ergens onderweg verliest Queen Esther in onduidelijke omstandigheden een arm. Iedereen die haar ontmoet voelt die stekende pijn. Twee vingers dik dus, ik zei het al.      
          Het spijt me, maar neen.
          Ik werd door Queen Esther niet weggeblazen zoals door De Wereld volgens Garp.        
          Ik bleef in Queen Esther niet bladeren en bladeren, vergat niet tijd en plicht, verscheen niet te laat op een afspraak zoals me wel overkwam bij De Regels van het Ciderhuis.
          Ik heb niet na Queen Esther twee dagen lang gehuild zoals na Tot Ik Jou Vind. Een leerboek ontroert nu eenmaal duizend keren minder dan een leesboek.

          Tegen de stroom in laat Meester John Joodse stemmen aan het woord. Overtuigingen en twijfels, argumenten en excuses. Dat schuurt een beetje, in deze tijden van Gaza als openbaar abattoir. Dat een kunstwerk dwingt tot luisteren naar de stem van de andere kant, is echter toch vooral een meerwaarde. Het is goed in ‘t eigen hert te kijken, maar soms nog beter in dat van de ander.
          Neen. Queen Esther is niet John Irvings beste boek. Het verhaal lijkt soms nergens naartoe te gaan, te vaak dwarrelen gedachten van te veel personages als boomblaadjes in de herfst door elkaar, te dik ligt de les er bovenop, te weinig maken de personages aan het lachen of huilen, werd ik verrast, verbaasd, verdwaasd, verbijsterd.
          Maar ook het niet-beste boek van Meester John Irving blijft nog altijd wel een boek van Meester-Schrijver John Irving. Dus je gaat mij niet horen zeggen dat je er maar beter niet aan begint. Integendeel.
          Zoals de grootmeester het zelf zegt: lees.
          En oordeel dan zelf.

Met alle Chinezen

          Op een avond ging de telefoon.
          Mijn beltoon is de titeltrack van Peaky Blinders, een serie waarin niets ontziende schurken plunderen, roven, stelen, dus ja, ik weet het, ik was gewaarschuwd. Toch nam ik op.
          Met het enthousiasme van een sprekende klok beweerde een vrouw te spreken namens mijn bank. De cyberbeveiliging had een verdachte transactie geblokkeerd. De over te maken som was tienmaal groter dan het saldo op mijn rekening. Wellicht was hier fraude in het spel. Dat leek me wel zeker. Ik had die dag zelfs helemaal geen aankopen gedaan.
          ‘Dank u wel,’ prevelde ik. Om te weten hoe het met mijn bankkaart verder moest, raadde ze me op toets 1 te drukken.

          Zegt u maar niets. Ik weet het zelf ook wel.

          1, drukte ik. Een van mijn vele zwakheden is dat mijn hart het nogal makkelijk wint van mijn verstand.
          ‘Goedenavond,’ begroette me een vriendelijke mannenstem met Hollands accent, ‘zegt u het maar.’
          ‘Zegt u het maar,’ pareerde ik meteen, pissig omdat ik weer ergens was verzeild waar ik helemaal niet wilde zijn.
          ‘U heeft mij gebeld,’ bleef de man rustig.
          ‘Omdat u mij gebeld heeft,’ kaatste ik meteen terug. Een beetje bot, maar toch ook met reden. In mijn filosofie heeft een man het recht om ’s avonds ongestoord naar pulp op televisie te liggen gapen. Wordt deze jongen in die bezigheid gestoord, dan kan hij daar behoorlijk pissig van worden. U kent natuurlijk enkel maar mijn zachte kant, weet dat er ook een pitbull in mij woont die vervaarlijk durft bijten en niet meer loslaat. Had ik u al gezegd dat het inmiddels tegen tienen was?
          ‘Even kijken,’ zei de man, onverstoord als een slangenbezweerder op een spijkerbed. ‘U belt met dit nummer. De Schrijver, klopt dat? Goed zo. Uw rekeningnummer begint met de cijfers 1 2 3 4, klopt dat ook?’ Ik ben niet dom. Onder geen enkele voorwaarde geef ik het nummer van mijn rekening door via de telefoon. Maar deze noorderling kende het blijkbaar toch al.
          ‘Klopt,’ zei ik.
          ‘Goed zo,’ zei de man weer. ‘U bent duidelijk het slachtoffer van phishing.’ Plots voelde ik me een geel plastieken eendje met een ring op mijn rug en een nummer op mijn buik, drijvend in een bassin met stromend water. Wie zijn hengel door het haakje krijgt, vist naar een vette prijs.
          ‘Zullen we die transactie dan meteen maar annuleren?’ vroeg de man.
          ‘Knap dat jullie dat meteen hebben opgemerkt,’ antwoordde ik opgelucht. Zijn warme stem, de besliste aanpak waaruit kennis van zaken sprak, ik voelde me in veilige handen. Soms heeft ook een man dat nodig.
          ‘Weet u wat nu het probleem is?’ vroeg de man. Dat wist ik niet. Voor zover ik wist, had hij het probleem net al opgelost.
          ‘Mensen met slechte bedoelingen zijn blijkbaar op een of andere manier aan uw rekeningnummer geraakt. Misschien is het maar best uw kaart meteen ook maar te blokkeren. Dan ontvangt u binnen een dag of twee, drie van ons een nieuwe. Kan u dat overleven?’ Natuurlijk kon ik dat. Ik weet plekken op de wereld waar men erger dingen moet doorstaan. Minneapolis, om zo maar wat te noemen.
          ‘U doet maar,’ zei ik. Dat leek me slim. Ook met weinig geld op de bank weet je niet wat gehaaide criminelen met je bankkaart kunnen uitspoken. Plunderen. Roven. Stelen. Bovendien fantaseer ik al een leven lang over het onthechte bestaan van de dichter die leeft van ochtenddauw, liefde en honing uit de hemel. Daar kreeg ik nu alle kansen toe.
          ‘Ogenblikje,’ zei de mijnheer, nog altijd even kalm en bedaard. ‘Dan zou u nog een dingetje voor me moeten doen. Kan u voor mij de resterende cijfers van uw rekeningnummer even dicteren?’ Net zoals mijn liefde voor de medemens overschat men soms ook mijn domheid. Alles in dit leven is begrensd. In mijn hoofd zag ik de Peaky Blinders op oorlogspad.
          ‘Dat kan ik zeker …,’ antwoordde ik achteloos.
          ‘Dan heb ik dus 1 2 3 4,’ zei de man.
          ‘En dan veel vijven en zessen,’ vulde ik aan. Ik liet die cijfers even zinken. Aan de andere kant van de lijn bleef het stiller dan een nachtelijk sneeuwlandschap in de Stille Kempen.
          Toen hoorde ik de klik.

          Voor alle zekerheid de volgende dag toch maar even naar mijn bankkantoor gebeld.
          ‘Alles in orde hoor,’ verzekerde die vrouw. Ze lachte: ‘Over die habbekrats op uw rekening hoeft u zich absoluut geen zorgen te maken.’
          Goed gedaan, schrijvertje, klopte ik mezelf op de borst. Wie mij wil vissen, zal toch in een betere hengel moeten investeren.

Niet zomaar wat Beste Wensen

Lijstjes maken! Lijstjes maken!
Ik zou aan mijn plicht verzaken
om de mensen en de dingen
prompt in een top tien te wringen.

Beste boeken, series, platen,
koks, tv-quizkandidaten …
’t Moeilijkst zijn politici –
kom niet eens aan een top drie …

                              Stijn De Paepe

          In de aanloop naar een nieuw jaar hangt een onweerstaanbare dwang om lijstjes op te maken in de lucht.
          Boodschappenlijsten, soms twee drie vellen lang, terwijl toch woorden als kalkoen, kreeft en kaviaar niet zo moeilijk te onthouden zijn.
          Cadeaulijstjes. Je ziet je familie niet vaak doorheen het jaar maar als de kurken van de flessen gaan dan staan ze daar. Iets groots voor de bébé, iets kleins voor de pepe. Mits wat geluk krijg je zelf ook wat mee. Houd de komende dagen eBay in de gaten, daar vallen vast gouden zaken te doen.
          Lees-, kijk- en luisterlijstjes. Iemand las dit jaar tweehonderdtwintig boeken. Flinke jongen, denk ik zo. Daar zat vast Paul van Ostaijen, de dichter die de wereld wilde veranderen niet tussen, of Vrouw op de Vlucht voor een Bericht. Voor allebei had ik zelf een volle maand nodig. Sommige mensen maken dan een klassement, alsof cultuur een competitie is. Dit boek was het mooiste, deze film de beste, die plaat de meest ontroerende. Hoe je dat meet, geen idee. Maar ach, een man moet doen wat hij denkt te moeten doen. In Soedan en Palestina gebeuren erger dingen.

          Lijstjes die je helaas veel minder ziet, zijn die met wensen. Alsof we het verleerd zijn elkaar wat moois te gunnen.
          ‘De beste wensen,’ krijgen we nog weleens door de strot. Een passe-partout, lekker makkelijk en lui. Wat zou dat zijn, de beste wens? Waarom zou ik gun jou dit jaar de Lotto beter zijn dan ik hoop dat je die promotie krijgt? Even persoonlijk als het beste boek, het boeiendste programma, de lekkerste maaltijd.
          Daarom zeggen we ook weleens: ‘Alles wat je jezelf wenst.’ Nog makkelijker, nog luier. Dat we ons dan niet meteen in een hoekje wat gaan staan schamen, dat is toch nauwelijks te bevatten? Want wat je werkelijk zegt is: ‘Weet jij wat jij met je beste wensen doet? Verzin ze zelf. Van deze boer geen eieren.’ Als troostprijs stop je daar dan gauw een pakje bij. De duurste fles. De warmste skihandschoenen. Het voordeligste streamingsabonnement voor drie maanden.
          Dooddoener onder de dooddoeners is natuurlijk die eeuwige Goede Gezondheid. Is dat zelfs een wens? Een goede gezondheid, dat is toch gewoon de basis van de basics van het leven? Het uitgangspunt. Dat spreekt vanzelf, hoeft helemaal niet gezegd. Wie iemand geen goede gezondheid wenst is ronduit een barbaar, een misplaatst misbaksel met een slecht karakter of president van een groot land.

          Dat alles kan dus beter.
          De Sprekershoek wil graag het voorbeeld geven. Een concrete wens waar u werkelijk wat aan heeft en zelf aan kan werken. Komt-ie. Ta-dam.
          De Sprekershoek wenst u voor 2026 een efficiënte, heldere en nauwkeurige communicatie met ieder die u op uw pad ontmoet. Problemen immers los je op met praten. Ook makkelijk, hoor ik u denken. Daarom hierbij enkele kleine tips.
          Tip 1: Lees u in voor u een discussie begint. Altijd handig te weten waarover je praat. Lees bovendien ook elke week een stukje in De Sprekershoek. Bij het beste dat het net te bieden heeft.
          Tip 2: Luister naar uw opponent. Herhaal een argument vooraleer u het wil weerleggen. Dan weet je dat je allebei over hetzelfde praat.
          Tip 3: Spreek met twee woorden. Blijf beleefd, ga niet schelden. Niet meteen van wakke wokie of linkse rat, rechtse trol of fascist. Een kleine moeite, een wereld van verschil.
          Tip 4: Schrijf. Orden uw gedachten. Neem de tijd daarvoor. Een brief in plaats van mail. Een kattenbelletje in plaats van een bericht. Een verjaardagskaart in plaats van een WhatsApp. Of een boek. Ha!

          Kleine adviezen. Stapstenen echter naar een betere wereld. En nu we toch bezig zijn, een laatste. Tip 5, zo u wil. Let op uw woorden. De Sprekershoek wil pleiten voor een officieel eerherstel in 2026 voor het bijvoeglijk naamwoord.
          Dat zit zo: het bijvoeglijk naamwoord zegt iets meer over het woord waar het bijstaat: we verwelkomen het nieuwe jaar op de rode loper. Op zichzelf heeft het geen betekenis. Wat wil dat zeggen: dat is een zure, een moeilijke, een lekkere? Lege taal. Een keizer zonder kleren.
          En ook: meer door minder. Gebruik het bijvoeglijk naamwoord niet te veel. Ga na of het echt nodig is. Gisteren nog las ik: Dader van brutale verkrachting opgepakt. Hoezo delen we tegenwoordig verkrachtingen op in brutaal en niet-brutaal? Wat vindt de gemiddelde vrouw op straat daarvan? Ik bedoel maar, een ongelukkige val, zinloos geweld, de ijdele president.
          U hoort het zelf.

          Ziedaar, lieve lezer en lezeres, de tips van De Sprekershoek voor een beter leven.
          Met daarbij natuurlijk voor 2026 de allerbeste wensen, alles wat u uzelf wensen kan en een goede gezondheid want dat is toch het begin van alles.