Lampje

Een boek kan je niet beoordelen op de omslag. En een grijze ochtend kleurt ook niet de hele dag. Dikke regenwolken gijzelen het land. Humeur en goede voornemens snakken naar warmte en licht. Originele nachtelijke vondsten versmoren onder een deken van mistroostigheid.

Koffie, geen suiker.
Facebook. Twitter. Nieuws. Een filmpje, vier jaar Trump in zes minuten. Dat kan er nog wel bij.
In mijn mailbox vraagt een lezer: ‘Hoe koop jij je boeken?’
Ik weersta de drang om te antwoorden, ‘Online of in de winkel en soms pik ik er wel eens eentje.’ Ook voor flauwe grappen is de dag te grauw.

‘Ik heb vier criteria,’ schrijf ik.
‘Voor sommige auteurs tast ik automatisch in de beurs. Zeg Brouwers en ik koop. Irving of Bukowski, ik wil elk woord van ze.
Soms publiceert een krant nog wel eens een literatuurbijlage. Subjectief, ongetwijfeld, en je mag je gerust afvragen hoeveel hype erachter verscholen zit. Plots weer iedereen Lize Spit of Griet Op de Beeck! Maar heel vaak is de jubel ook terecht.
Criterium drie klinkt wat wiebel. Bestsellerslijsten in boekhandels. Een enigszins bizarre invalshoek, ik geef het toe. In mijn puistentijd stond ABBA altijd nummer 1 in TOPPOP maar ik vond ze helemaal niets. Ik was nog Voorvechter van de Verzetsgroep Weg Met ABBA. Ach, heerlijk toch, de luxe van de jeugd om met volle overgave mallotige dingen te doen.
Vier, tja, de kaft. Ik weet het, flapteksten gaan nog creatiever om met de waarheid dan Donald Trump, en toch.’

‘Koop je dan nooit een boek waar je achteraf spijt van hebt?’ luidt de bijvraag.
Spijt is een sentiment waar ik me zo min mogelijk aan wens te bezondigen. Je doet wat je doet en je weet zelden hoe het uitpakt, dat is in een notendop zo een beetje hoe ik het leven zie.
Rond de jaarwisseling las ik De Goede Zoon van Rob van Essen. Libris Literatuurprijs gewonnen, dus ja. Het hoofdpersonage overschouwt leven en lot in een uitgesponnen dialoog met zijn zelfrijdende wagen. Goed gevonden, bevreemdende sfeer, knappe compositie, rijke taal. Maar ook, het raakte niet. Nogal ingewikkeld allemaal, mijn brein had meer werk dan mijn hart. Spijt niet dus, maar na de laatste bladzijde zong ik ook geen halleluja.
Daarna speelde ik op zeker met Het Labyrint der Geesten door Carlos Ruiz Zafon. Indrukwekkende finale van een vierluik, zegt de flap. Indrukwekkend slaat wellicht op het volume. Ik bleef maar pagina’s omslaan en me afvragen waarom ik dat deed. Was het een dag voor flauwe grappen, hier zou staan: om verder te lezen, tiens. Niets in het boek echter spoorde me daartoe aan. Bombastische taal en dure woorden, gezwollen zinnen van een halve pagina, gespreid op een bed van flauwe humor en overgoten met een saus van geforceerde spanning. Elk personage een karikatuur. Elke vrouw rondborstig en verleidelijk of net helemaal niet, elke man pervert of held. Het einde heb ik niet gehaald.
Spijt om de vervlogen tijd, het had gekund, maar is in het licht van de eeuwigheid niet al onze tijd bij voorbaat al verloren?

Criterium vijf moet nog vermeld. Ik volg een cursus, mijn spons tegen de uitdroging van de oude dag. Soms hoort daar een opdracht bij: lees. Deze week Lampje, door Annet Schaap. Ik had nog nooit van de mevrouw gehoord, terwijl op quizavonden de literatuurvragen toch steevast mijn richting uitwaaieren.
Een kinderboek. Over een meisje, een vuurtoren, een monster en een spookhuis. Over zee en wind en vaders en moeders. In jaren had ik geen kinderboek meer gelezen maar het kind in mij is, halleluja, nog springlevend.
Of moet ik zeggen: door Annet Schaap weer tot leven gekust? Ik dacht, ik heb het intussen allemaal wel gehoord, gezien, gesnoven en geproefd. Niets verrast of ontroert mij nog.
Fout dus. Korte zinnen, eenvoudige taal. Weinig woorden die veel zeggen. Elke pagina haast een gedicht. Ik werd nieuwsgierig naar dat meisje, zocht mee met haar naar lucifers en oplossingen. Ongemerkt gleed ik van het ene hoofdstuk in het andere, in bed, op toilet, terwijl de aardappelen pruttelden. Ik raakte aan haar gehecht, ging van haar houden en hoopte verhit dat het aan het eind allemaal nog wel goed zou komen.
En ik leerde. Het hoeft allemaal niet zo, die Grote Literatuur in Ingewikkeld Plot met Florissante Frasen. Gewoon kan ook. Gewoon wordt hier ongewoon mooi.
De schrijfster schreef dit boek met veel plezier. Het spat ervan af, eerst op je huid en dan eronder.
Driehonderdvierentwintig pagina’s later kijk ik weer op.
Buiten miezert het nog, maar hierbinnen schijnt de zon.

Coupe Militaire

Soms duiken zomaar uit het niets mensen op die er al lang niet meer zijn. Alsof ze van over het graf de herinnering aan hun vroegere bestaan levend willen houden, bang om ooit te worden vergeten. Ik ben er nog, zeggen ze, en voor altijd. De vrouw aan de overkant van de straat die verschrikkelijk op mijn moeder lijkt. De stem van mijn maatje in mijn oor terwijl ik naar een film kijk: ‘Pakt er een pintje bij.’
En vandaag, in Tempore Covid 19, mijn broer. In de badkamer, tijdens het tandenpoetsen. We monsteren samen mijn Coupe Corona. Je zou het onder zijn gezwollen walrussnor nooit hebben vermoed, maar de jonge versie van mijn broer volgde een kappersopleiding. Hij ging daarna ook bij een dameskapper aan de slag. En tijdens zijn legerdienst knipten zijn handen menige schachtenkop.
‘Gast,’ zegt hij, op die autoritaire toon die ik van hem gewend ben, ‘dat trekt op niets.’ Mijn broer was nooit een zachte heelmeester, zalven was niet aan hem besteed.

In die dagen droegen wij onze haren lang en de broekspijpen breed. Langharig Werkschuw Tuig noemde men ons, een titel die we droegen als een geuzennaam. Lang, maar proper, verdedigden we ons, als ouderen afkeurend mompelden dat het in hun tijd niet waar geweest zou zijn.
Haarlengte was meer dan mode, het was revolte. Zij met zeggenschap over je haartooi, je moeder, stuurde je om de zoveel weken naar de kapper: ‘Zeg maar dat er een goed stuk af mag.’ Per definitie verkeerd: wat goed is, moet je behouden.
Voor de man met de tondeuse vertaalde jij dat bevel als: ‘Alleen de puntjes, aub.’ Hij geloofde je niet, maar jij had de centen in jouw binnenzak. Wat kon het hem schelen? In het slechtste geval stond je er binnen de kortste keren weer, met dezelfde boodschap en hetzelfde bedrag.

Die werkethiek hanteerde ook mijn broer in de kazerne.
Een dienstplichtige kreeg de vrijheid zich onder de burgers te begeven van vrijdag 20.00 u tot zondagavond 18.00 u. Voor hij de kazerne mocht verlaten, diende hij een keuring te passeren. De snit moest tot twee vingers boven de oren. Wie zijn haren langer droeg, kreeg uitgangsverbod.
De soldaat in spagaat. Aan de ene kant een omhooggevallen korporaal die op zijn strepen stond, aan de andere het lief. Zij hield niet zo van korte kopjes, het leger accepteerde geen andere. Daartussen stond de kapper. Enkel zijn slim gebruik van schaar en scheermes kon de kloof tussen beide partijen overbruggen. Dus bezocht je eerst hem.

‘Niet te kort,’ zei je. Je stak hem vijf frank toe, een beloning voor zijn bereidwilligheid de orders van jullie beider oversten te dwarsbomen.
‘Geen probleem,’ antwoordde mijn broer. Hij vervulde al je wensen. Niet hij was de barrière, dat was het korporaaltje aan de poort. Had die een pestbui of geen lief, hij legde twee vingers achter je oor, keek je boos aan en oordeelde: ‘Te lang. Terug.’
Voor een schacht gevreesder vonnis dan veertien dagen corvee. De idee dat de liefde van zijn leven, of tenminste toch die maand, zonder hem T-Dansant en Chirofuif zou afschuimen! Of wie weet, triljoenen keren erger, samen met die nitwit uit de volksdans, een langharige dienstweigeraar die zijn burgerdienst vervulde in Jeugdhuis Trefpunt en ’s nachts gedichten schreef. Terwijl jij intussen met een tandenborstel de voegen tussen de vloertegels zat te schrobben.
Je richtte al je hoop op de haarstilist.
‘Help me,’ smeekte je, ‘Ik mag niet buiten.’
‘Ik wel,’ antwoordde mijn broer. ‘En wel nu. Ik heb ook een lief, en een geweldige dorst bovendien.’
Naar het schijnt werden achter de kazernemuren tranen gestort. Soldaten vielen wanhopig op de knieën, klampten zich vast aan zijn kaki uniformbroek, poetsten ongevraagd zijn bottines. Mijn broer liet zich niet vermurwen, hij hechtte zeer aan zijn vrijheid.
‘Ik geef je er twintig frank voor,’ probeerde je wanhopig en ten einde raad.
Magische woorden. Vandaag een halve euro, toen de waarde van twee pinten. Drie minuten werk, een halve centimeter haar.

Hij kwam vaak erg laat thuis, vrijdags. Ik zie hem soms nog de kamer binnenwandelen, in dat uniform dat hem nooit helemaal paste.
‘Kom gast, zei hij, ‘We zijn weg, een biljartje doen.’
‘Sorry,’ antwoordde ik noodgedwongen en naar waarheid, ‘ik heb geen geld.’
‘Niet nodig,’ veegde hij mijn argument onder de mat, ‘ik heb genoeg.’
Met een schelmenblik toverde hij uit het zakje van zijn hemd een bundel briefjes van twintig, als een gangster uit The Godfather.
Missen vermomt zich, net als liefde, in veel gedaanten.

Kutjaar

Onopvallend vloeide het ene jaar in het andere, als een rivier in de zee.
Een kutjaar, declameerde Josse De Pauw elke dag, elk uur, op elke zender. Het moest met kut en klote want als het minder gaat, sleept men er de schaamstreek bij. Het voortplantingsorgaan als oorzaak van alle volgende ellende.
Merkwaardig. Alsof we met gedurfde woorden het kwaad kunnen bezweren. Pubers tikken we ervoor op de vingers, maar bij een gelouterd artiest krijgt platvloerse taal een artistiek aureool. Dan wordt ook een kakmachine kunst. De verbeelding aan de macht.

Het waait wel over, dachten wij.
Een vleermuis met een virus, typisch iets voor daar. Hebben ze tenminste een reden voor die stomme mondmaskers die ze daar altijd dragen. Ze bekijken het maar. Aids en ebola in Afrika, eigen schuld, dikke bult. Wij laten ons geen angsten aanpraten. Wij staan daar boven. Wij zijn vrij en ongenaakbaar. Leve onze ski’s en onze schnaps, onze citytrips en goedkope vluchten. Op pistes en in vertrekhallen drumden we ons een weg terwijl we ons het pleuris ergerden aan elkaar. Allemaal op weg naar niets, op hetzelfde tijdstip naar dezelfde plek op dezelfde manier. Deze kleine genoegdoeningen zijn verdiend, een beloning aan onszelf, noeste zwoegers die we zijn.

Het vlindereffect van de vleermuis.
Het leek nog leuk en aardig eerst. Spannend. Extra vrije dagen, vaak vergoed, quality time in eigen huis, gezellig. Eindelijk tijd om dat boek te lezen, die puzzel te leggen, samen te zijn.
Helaas, het leven is een luchtbel, gevuld met illusie en blind geloof. Hoe lang valt dat gejengel te verdragen? Hoe zwaar weegt dat blok aan je broekspijp dat je achtervolgt tot in de kleinste kamer?
En ja, het is waar, in een beneveld moment beloofde je inderdaad ooit eeuwige trouw, in goede en slechte tijden, zeker. Wist jij veel. Over okselgeuren en darmgeluiden, de klok rond en zeven op zeven, repte men toen met geen woord.

Als om ons geduld te testen verzon men altijd weer nieuwe regels. We begrepen het niet meer, stelden vragen. Als ik niet mag zwemmen, mag ik dan pootjebaden? Is een frietkot een restaurant? Uit hoeveel mensen bestaat een bubbel van vier? Wie zorgt er voor onze oudjes? Nee sorry, wij zelf echt niet. Geen tijd. Het huis is ook te klein, er is het werk, de kinderen, de weekendtrips, de sauna. Ik klap vanavond wel even in mijn handen, is dat ok?
Ons geduld bereikte haar buitengrens. Dat vaccin, hoelang gaat dat nog duren? Wij zullen wel weer achteraan in de rij staan, zeker, in dit apenland? Hoezo het is er al? Zo rap, dat kan niet, is dat wel fatsoenlijk onderzocht? Hmm, misschien liever nog wat afwachten. Wàblieft? Dat oud ijzer van zesennegentig krijgt voorrang? Serieus?
We verlangden naar kroegen en restaurants. De cinema, het pretpark en de kapper. Het mocht niet. Een van de meest duistere jaren uit ons bestaan, oordeelden we. Op radio en televisie zegden ze het ook. Kutjaar, ze ramden het erin met de voorhamer.

Kalm blijven, lachte de uitverkorene van zesennegentig terwijl hij zijn mouw opstroopte. Ik heb erger gekend. We eten vandaag toch geen beschimmeld brood, of overrijpe aardappelen in uiensaus met een blad verlepte sla? Er is genoeg toiletpapier voor iedereen. Geen dreiging van oorlog of geweld. Het probleem is zo gekomen, op een dag is het ook weer weg. Hier een ader, spuit de genezing er maar in, op naar de honderd.
Troost vonden we in ketokuur en mindfulness. In kookboeken van Pascal Naessens en knutseltips op Dobbit TV. Hoe reinig ik mijn gevel, hoe zet ik een veranda? Dingen die je altijd al wilde doen, als je ooit eens vijf minuten tijd had. We gingen e-biken en leerden fitnessen op een matje in eigen huis. We verkenden de bossen van Vlaanderen. We ontdekten Netflix. Breaking Bad. Better call Saul. The Queens Gambit. Donkere lange dagen op de sofa, knabbeltje, borrel.

Dit huis wisselde van jaar tijdens House of Cards. Over intriges en corruptie in het Witte Huis, manipulatie en meedogenloosheid. Na aflevering zestig, killer en kouder was de sfeer tussen de president en oppositie nog nooit, zapten we even terug naar de echte wereld. In het journaal herkenden we het kaartenhuis uit de serie. We herkenden de acteurs, de president en zijn entourage, andere gezichten, zelfde machtswellust.
We zagen hoe fictie overvloeide in realiteit, zoals het ene jaar in het andere.
Er was niets veranderd.