Recht van Antwoord

Roxanne

Beste Gordon

Je neemt het me, hoop ik, niet kwalijk dat ik je gewoon Gordon noem?
Tenslotte, hoe lang is het nu al niet geleden? Ik studeerde nog, Toegepaste Economische Wetenschappen, kan je nagaan. Heb jij dat eigenlijk ooit geweten?

Jaren tachtig, Hotel Krasnapolsky, op de Dam, tussen De Wallen en het paleis van Hare Majesteit. Jullie eerste gouden plaat. De platenmaatschappij had blijkbaar de hele bovenverdieping gereserveerd, suites, appartementen, terrassen. Wie waren daar nog meer? Als mijn geheugen niet liegt Roger Daltrey, Frieda van ABBA, de complete Golden Earring, Herman Brood uiteraard. Veel bolle mannen en chique vrouwen ook, klaar voor een liederlijke avond. Wat gebeurt in Krasnapolsky, blijft in Krasnapolsky.

Een opleiding kost een hoop geld. Die duiten verdiende ik bij Harem Escort. Een odalisk met stijl was ik, een courtisane, fijn van snit en vol van smaak. Een exquise likeurpraline, een fijnproevertje tussen stukjes chocola met botercrème. Dames van Harem deden stoep noch raam. Dat rode licht waarover jij het later had, mag onder de rubriek ‘Vrijheid van de Dichter’.

Ik was meer Debbie Harry dan Amanda Lear. Mijn benen waren te kort, mijn decolleté beloofde geen monumentale boezem. Maar ik hield van mijn lichaam en wist hoe het te gebruiken. Was jouw instrument je stem, het mijne was mijn lijf.
Ik kwam als Madonna, Like a Virgin, een Haremgrapje. Mijn haren kort, in blonde en zwarte piekjes die alle richtingen uitgingen. Korte zwarte laarsjes, zwarte nylonkousen met fijne ruitjes, rokje zedig strak tot halfweg de dijen, veel kleurtjes erin, een topje met wat uitsnijding onder de oksel, streepje zwarte beha bekoorlijk in beeld. Ach, een man heeft niet veel nodig. Op de lippen wat fijn raffinement, lichtrood van tint, subtiel camouflerende blush, zwarte eyeliner, niet te dik aangezet. Prostituée, ja, maar met klasse. Helemaal niet die ordinaire del die jij later van me maakte.

Je zei: “De wereld noemt me Sting, maar jij mag Gordon zeggen.” Als verleende je een gunst.
“De wereld kent mij als Roxanne,” antwoordde ik.
“Leuk je te ontmoeten, Roxanne,” zei je. Jouw hese stem zou zelfs in hartje winter Friesland ontdooien. Een zin van jou en de Elfstedentocht ging niet door.
“Ik vond ‘So Lonely’ fan-tas-tisch,” zei ik, “maar ik heb niet veel met muziek.” Dat vond je geestig. Het was vast niet professioneel van me, maar ik vond je schattig en lief. Mijn kennis van het Engels was eerder matig maar de taal van de liefde, dat is bekend, behoeft geen woorden. Ook niet bij doen alsof.
Er gebeurde wat moest. Het afscheid bleef vrolijk. “De do do do, de da da da, is alles wat ik je te zeggen heb,” zei je.
We vervolgden ieder ons eigen pad.

Elk beroep kent eigen wetten. Wie de bus bestuurt drinkt niet, een journalist moet inleveren voor de deadline, een tandarts ruikt niet uit de mond. Enkel rockers kennen vrijheid zonder grenzen, naar het schijnt.
Ook het spel waarin ik speel heeft ijzeren regels. Basis: word nooit verliefd op een klant. Twee: laat de klant nooit dicht bij de vrouw in jou komen.
Dat hebben we gemeen, Gordon. Zijn Sting en Gordon twee verschillende mensen, personages in een ander stuk, zeg maar, Roxanne en ik zijn dat ook. Leg ze niet op elkaar, ze passen niet.

Ik was je niet vergeten, ik dacht gewoon niet meer aan je. Maar jij, de wereldster, zocht weer contact. Dat vond ik eerst nog wel aardig. Je stuurde een boodschap in een fles, een SOS, een tikje pathetisch misschien maar ach. Ook wel lief en grappig.
Op een dag waaide er bij Harem Escort een cassettebandje binnen. ‘Every little thing she does is magic. (Voor Roxanne). X Gordon’ stond op het kaartje. Misschien wat ongewoon maar eerlijk, ik voelde me wel gevleid.
Mijn leven kabbelde verder. Ik had een heuse baan gevonden, een man ontmoet ook, Martijn. Een heel gewone man van weinig woorden, kasseilegger. We luisterden bij wijn en kaarslicht – echt waar ja, die sfeer – naar oude Hollandse platen, Boudewijn De Groot, Ramses. Robert Long ook: ‘Als ik mijn lichaam een ander wil schenken, zegt dat nog niet, dat ik niet van je hou.
Martijn begreep dat. Al verminderde de behoefte en verdween de noodzaak, ik vond het nog altijd fijn om af en toe Roxanne te zijn, alleen dat deel van mij te zijn, begeerd te worden, het spel te spelen, te genieten zonder ballast of plicht. Martijn liet me. Jouw lichaam is van jou, zei hij. We maakten plannen, hokten samen, kregen Jasmijn en Feline.

Het lichaam van een moeder is niet langer dat van de lichtvoetige lichtekooi. Ik kwam nog wel op Escort, maar minder vaak en ook klanten nam ik minder. Ik adviseerde de nieuwe meisjes, een  onervaren studente of een verveelde huisvrouw op zoek naar eigen geld, of meisjes aangespoeld uit Roemenië of Bulgarije. Ik beschouwde die hele prostitutie toch al op een bepaalde manier als een vorm van sociaal werk. Dan was ik nu, naast partner in een vermaard zakenkantoor, ook Welzijnswerker, ha.
Ondertussen kon ik zien hoe jij met je band de wereld aan je voeten legde. Ik had toen nog geen idee dat jij bij The Police het Departement Zeden behartigde.

‘I can’t stand losing you’, liet je me weten. Dat klonk fors.
Kan je verliezen wat je nooit bezat? Was ik dan ooit je eigendom? Hoe stel je je dat voor? Met geld kocht je een nacht uit mijn leven. Tijd, maar niet mij. En liefde ook niet.
Martijn, mijn rots, formuleerde een antwoord: ‘Please, don’t stand so close to me.’ Niet veel later konden we onze eigen woorden meezingen in de lift, het zwembad en de wachtkamer bij de dokter.

Wat je toen deed, was niet netjes van je, Gordon. Dat onschuldige deuntje kon andere mensen misschien bedriegen, ik hoorde je wel, luid en duidelijk:

Elke ademstoot.
Waar je staat of loopt.
Wat je ook belooft
ik hoor elk woord.
Ik heb je in het oog.

Serieus, Gordon? Echt?
Dit geef ik je mee, je had dit stalken meesterlijk vermomd. Respect, het genie van de meester. Je joeg me angst aan, jaloersheid verstikte je. De wereld echter zag er een liefdesliedje in. Verliefden prevelden het dromerig mee, paartjes kozen het als huwelijksdans. Je zachte, warme stem liet ogen stralen, harten sneller kloppen, lichamen versmelten. Zelfs in Friesland ging het zomeren.
Ik wist beter. Mijn schattige jongen van een nacht was door de rocker opgeslokt. Je voegde er nog nadrukkelijk aan toe: zie je dan niet dat jij van mij bent?

Neen, beste Gordon, ik blijf je toch maar Gordon noemen, dat zag ik niet.
Toen niet, vandaag niet, nooit niet. Een mens is van niemand, alleen van zichzelf. Ik dacht dat iemand als jij, een kunstenaar, dat ook zelf wel kon bedenken. Niet dus.
Ondanks mijn kribbigheid beslisten Martijn en ik alles maar blauwblauw te laten, niet te bijten in het aas dat jij ons toegooide. Tenslotte, je verborgen boodschap bleek ook een wereldwijd succes. Over heel de wereld zong men met je mee. Dus, redeneerden wij, goed gedaan dan, succes ermee en ajuus.

Op een keer zat ik in café ’t Aepjen, een bruine kroeg op de Zeedijk, met wat meisjes aan een tafeltje, koffietje en likeurtje erbij. Lekker. Toen krijste iemand, vanuit het niets, loeihard, mijn naam. Perplex waren we. Ik herkende je stem. Je schreeuwde. Je gilde. Niet zomaar even tussendoor, maar liefst vijfentwintig keer in drie minuten. Er was geen ontkomen aan. Je richtte je woede nu rechtstreeks op mij. Niks verpakking, weg geniale muzikant, vaarwel warme stem. Je maakte van mij een sloerie. Ik was de snol, jij de ridder op het witte paard. Je kwam redden waar niets te redden viel.
Ach, mannen en hun fantasieën.

“Roxanne,” riep je.
“Roxanne
Doe dat rode licht nu maar uit.
Berg je make-up maar op.
Die dagen zijn voorbij.
Je hoeft je lichaam niet meer te verkopen.
Ik hield van je van het eerste moment dat ik je zag.
Ik heb een beslissing genomen.
Ik zal je niet meer delen met een ander.”

Ik, ik, ik!
Wel beste Gordon, deze ik accepteert dit niet! Deze ik wordt daar integendeel heel, heel pinnig van!
Ga jij mij vertellen wat goed is en wat niet? Wie denk jij dat je bent? De Heilige Agnes?
Zelf verdien je geld als slijk met dat hese keelgeluid van je. Als ik met kut en kont hetzelfde doe, ben ik een del, een slons, een slet.
Hoe noem jij de pianist met zijn fluwelen vingers? De mannequin met haar eindeloze benen? De marathonloper? De acteur? De meubelmaker? De chirurg? Allemaal hoeren, omdat ze hun boterham beleggen met talent dat de natuur hen heeft toebedeeld?

Maar ik weet het goedgemaakt. Na al die jaren wordt het tijd om orde op zaken te stellen, vind je zelf ook niet?
Kijk. De transactie tussen hoer en klant is helder: beiden geven iets en krijgen daarvoor wat in de plaats. Dan stelt zich hier de vraag: wie werd beter van dit verhaal? Wiens bek werd met dit lied gespekt, wiens buidel gevuld?
Ik zal je vertellen, beste Gordon: niet de mijne. Niet ik ben de hoer in deze geschiedenis.
Dus, als het waar is. Als je het meent, echt bent wie je voorwendt te zijn, de nobele redder van het verdorven meisje, de ridder, de held: hier ligt je kans.
Stort dan de royalty’s die je in mijn naam tot op heden incasseerde en die je in de toekomst nog worden toebedeeld, gewoon door. Naar ‘Stichting Roxanne’, een steunfonds voor de meisjes van Harem en De Wallen.
Dan krijg jij je zin. Dan zegt dit meisje van lichte zeden het liederlijke leven adieu. Je verlangen vervuld, een madeliefje van de straat geplukt.
Iedereen tevreden, toch?

Kunnen we het hierover eens zijn?
Mijn raadsman zal de details dan graag verder met je doornemen.

Heel veel groetjes

Roxanne, zeg maar.