Anders bekeken

Brabo

Monotoon kletst de rivier tegen de houten staketsels. Voor haar avondlijke wasbeurt duikt in het westen de zon roodgloeiend kopje onder. Traag klimt de maan naar haar hoogste punt, vanwaar zij als een goddelijk oog over het kampement zal waken. Het is BraboSilvius Brabo zwaar te moede. Een soldaat gaat waarheen de keizer hem in al zijn wijsheid stuurt, maar de plek van zijn dromen is dit niet:

Betreft: nederzetting Ando Verpia, gelegen aan de boorden van de rivier Scaldis, in het land der Nerviërs, gewonnen Gallisch gebied. Het wingewest behoort krachtens de Romeinse wetten aan de keizer te geven wat de keizer toekomt. Tot de stad aan deze verplichting voldoet, is het Centurio noch Soldaat van de uitgezonden legioenen toegestaan de gronden van Rome te betreden. Zo is de wet.

De Gallische goden schijnen het Romeinse bewind ongunstig gezind. Kooplui mijden de haven. De aanwerp ligt er werkeloos bij. Binnen de stadswal geurt geen verse vis, krioelt het niet van vee, pronkt de burgerij niet met de laatste mode. Nieuwe waren zijn schaars. De stad is dor en doods, Scaldis haast maagdelijk onbevaren.
De bewoners, veelal handwerkers, ambachtslui en vissers, morren. Wat nog rest van de burgerij kreunt, het gepeupel verkommert. In herbergen en taveernen vecht men om een vrouw, zieken en daklozen creveren in stoffige achterkamers of stallen. Zullen later de kroniekschrijvers ook oog hebben voor de ratten die hun snorharen likken terwijl ze snuffelen aan de rottende kadavers op de kasseien? Gaan zij gewagen van de stank die je de adem beneemt, schrijven over de misselijkmakende damp die opstijgt uit de pas gegraven riolen?

De avond is warm en windstil. Silvius ziet hoe de maan gelige vonkjes strooit over het kabbelende water. Ze wiegen op de golfslag, duiken kopje onder, verschijnen als fonkelende glimwormpjes fluks weer aan het oppervlak. In het midden, schier onzichtbaar in het donker, kabbelt een schip moedeloos voorbij, het zeil geloken, als maalt het er niet om mocht het met man en muis vergaan.
In het kamp knettert en knapt het hout in de vuren. De troepen worden dronken van de met water aangelengde wijn. Soldaten joelen en vloeken. Dobbelstenen tikken driftig tegen elkaar. Uit de afgezonderde officierstent klinkt het gekir van de weinige hoeren die de stad nog niet zijn ontvlucht. Duizenden jonge mannen, in die jaren van hun leven waarin de lust onstuimig door de lendenen raast, zijn zinnelijk en van onrust vervuld. Hier balt zich een vuist, daar blikkert een mes.
Er moet wat gebeuren. Silvius Brabo staat op en trekt de stad in.

——–

“Soldaat, drink met ons!”
Rond een vuur geschaard wenken zeven jonge mannen. Ze delen een kruik, een homp brood en wat worst. Silvius neemt een slok, spuugt hem uit. Dit brouwsel smaakt alsof de barbaren er op hun blote voeten in hebben gedanst.
“Soldaat, in de moerassen aan gindse bocht, waar de rivier zich wendt om als een woesteling haar druppels te storten in de onmetelijke zeeën, schuilt een wezen, groter dan de hoogste eik, breder dan de machtige stroom. Een reus is het. Elk binnenvarend schip sommeert hij met de hand tot stilstand. Wil de schipper binnen varen, hij overhandige  hem de helft van zijn waren. Geen zout, geen wijn, geen dierenhuid bereikt nog de stad. Hoe pekelen wij nog onze vis, vieren wij de zonnewende, kleden wij onze vrouwen?”
Silvius heft de handen, machteloos. De mannen razen tot diep in de nacht, beneveld door het zelf gebrouwen gerstenat.
“Men noemt ons de zeven schaken. Zeg ons, soldaat, met welke geschenken kunnen wij toetreden op de vaders van onze bruiden, ze onze eerbied betuigen en nederig vragen om de hand van hun dochters? Er is wijn noch olie, geen zijde of katoen bereikt nog onze stad. Niets anders rest ons nog dan bij nacht en ontij onze deernen te schaken, dit onheilsoord te ontvluchten en op het land in arren moede een leven tegemoet te zien van noeste arbeid, verstoken van alle rijkdom.”
Brabo knikt. Hier moet zonder dralen worden gehandeld.

———-

Aan de noordkant mondt de stad uit in uitgestrekte moerassen. Tussen de waterkant en het achterland welft een heuvelrij. In het donker van de nacht lijkt de bult op langzaam oplopende, zanderige duinen. Het is nochtans geen zand dat in sandalen kruipt. De tocht vangt aan langs twee aanvankelijk licht hellende uitlopers, eerder smal aan de voet, alras verbredend naarmate de hellingsgraad toeneemt. Waar de weg zich uitzet en aan hoogte wint, doemt voor het oog een ruige en grillige keten van hobbels en bulten.
Samen met zijn gezellen begint Silvius Brabo vastberaden aan de zware klim. Af en toe hindert hem het zware zwaard, nu nog in de schede. In zijn gordel bewaart hij twee messen, zijn hand omklemt een vlijmscherp gewette speer. Hij zal strijden zonder schild. Wat baat een schild in een worsteling met een reus? Zijn makkers zijn bewapend met wat ze grijpen konden, een sikkel, een knots, een riek.
Halfweg steekt hij de hand op.
“Bij Jupiter,” prevelt Silvius.
“De goden spelen een schimmenspel,” antwoordt er een.
“Niet enkel Scaldis, ook haar oevers deinen op het ritme van de maan,” zegt een ander.
“Hoort hoe de buik van de aarde grommelt, moge Wodan aan onze zijde staan,” bidt een derde.
Bij eenieder stokt de adem. De nacht is donker maar bedriegt hun ogen niet: de heuvel waar ze voor staan, beweegt! Alsof het land zich vult met asem veert de bult op en neer. Ergens sist een enorm serpent, of reutelt een stervend paard. Op en neer gaat het land, als was het Scaldis’ golfslag. Zij staan verstijfd, willen vluchten, weg van hier.

“Staan blijven,” sist Silvius Brabo dwingend, “luister goed! De goden zijn ons welgevallig. Het is niet de aarde die hier het ritme van de golven overneemt. Hier rust wie wij moeten doden, Druoon Antigoon, gewiegd door de zoete armen van Morpheus, diep in slaap en weerloos. Aan ons de overwinning. Bij Jupiter, val aan!”
Is het hun lichte loop die de kolos tot leven wekt? Verstoren de voorbarige overwinningskreten zijn dromen? Traag en loom opent hij zijn ogen. Prompt hakken twee schaken hun sikkel in zijn dwaze blik, peuteren de enorme oogbol uit de kas. Een derde doorsteekt met een riek het enorme geslacht als ploegde hij in vruchtbare grond. Antigoon brult, raast en keelt. Reeds klieft de legioensoldaat met zijn bijl een achillespees. Krijsend, schreeuwend, rollende donder over de donkere rivier, strekt de reus in volle lengte. Een heldhaftige jongeling plant in wanhoop een slagersmes in de kolossale adamsappel, kerft met een laatste haal van beide handen de keel over. De kolos wankelt, strompelt, bloedt uit lijf en gelaat. Hij raast en slaat en molenwiekt. Tenslotte, een zucht als een stormwind in een eikenbos, ploft het reuzenlijf in het kolkende water. Het zuigt de zeven jonge helden met zich mee naar onpeilbare diepten. Scaldis opent, ontvangt, slikt. De waterspiegel kleurt bloedrood,  enkel Antigoons rechterhand klauwt nog boven de golven uit, de vingers gekromd. Beschuldigend priemt zijn wijsvinger naar de oever waar in het riet verscholen zit, Silvius Brabo, enige overlevende van deze heroïsche strijd.

———-

Een hele tijd houdt hij zich stil. De laatste uren van de nacht, tot aan de dageraad en ook de ganse volgende dag. Ook die avond ziet hij hoe de zon zich weer behaaglijk onderdompelt in de rivier, hoe  de maan aan het zenit haar wachtpost bemant.
Opnieuw is het hem zwaar te moede.
Zo had hij het zich niet voorgesteld. Zeven jonge mannen, op de drempel van liefde en geluk, voor altijd verzwolgen door Scaldis’ golven. Zeven jonge maagden reeds tot het weduwschap veroordeeld, zeven vaders zuchtend en met lege handen.
Hij had zich een heldenrol gedroomd. Geschiedschrijvers zouden hem vermelden in hun kronieken, Rome hem vereren met een blijde intocht, een bronzen beeld misschien. De keizer zou hem tot senator benoemen. In zijn stoutste fantasieën zag hij de stad naar hem vernoemd: Brabo, de handwerper van Ando Verpia.
Hij ontdoet zich van zijn uniform, laat zich zakken in het koude water. Met zijn strijdbijl hakt en kapt hij op de aderen en pezen die arm en pols van de kolos aan elkaar verbinden. Hij houwt en kerft, urenlang, tot de zon hoog aan de hemel staat. Eindelijk van het dode lijf verlost, zinkt de reuzenklauw als een steen het water in. Een golfslag, een draaikolk. Silvius slikt water, komt weer boven, hapt naar adem, peddelt moeizaam naar de kant. Scaldis legt zich vredig weer te rusten.
Druoon Antigoon, de reus, is weg. Het is alsof hij nooit heeft bestaan.

———-

Men begrijpt het niet. Er varen weer boten op Scaldis. Kooplui werpen driftig hun trossen over de meerpalen aan de werf. Marskramers verkopen luidkeels wol en lederen huiden, kruiden, oliën en kazen. Terwijl ze vloeren schrobben en kleren soppen, kijken zeven jonge maagden reikhalzend in de verte, vervuld van hoop en smachtend naar de jonge helden die bij hun vaders om hun hand komen verzoeken.
Laat in de namiddag verschijnt in het kamp, bebloed en uitgeput, een soldaat.
Hij vertelt. Hoe hij twee nachten zonder ophouden op leven en dood vocht met een monsterlijke reus. Hoe hij zich verweerde als een gladiator in de arena. Hoe hij, het klinkt ongelooflijk, dat is waar, van een onachtzaamheid gebruik had gemaakt, de reus de ogen uitgestoken, eerst het rechtse, dan het linkse. Hoe Druoon Antigoon, blind en dwaas, van het moeras in de rivier gesukkeld was. Hoe hij, Silvius Brabo, het reuzenhart doorboord had, de slagader overgesneden en tenslotte de reuzenhand afgehakt. Hoe hij die met een reuzenzwaai van ver achter het hoofd naar het midden van het water had geworpen. Scaldis en de goden aan de hemel waren zijn getuigen.

Men nodigt hem van vuur naar vuur, Silvius Brabo, leg u bij ons, doe ook aan dit kampement uw relaas. Men voedert hem spek, kippenbouten en zoete druiven. Hij laaft zich aan verse wijnen. De havenstad baadt weer in overvloed en hij is de held die dat bewerkstelligd heeft. Waar hij zich ook begeeft, overal verslinden nieuwsgierige oren zijn verhaal.
Wat hij niet weet. Op een dag verschijnt aan het bivak van de Centurio schoorvoetend een vissersvrouw. Haar naam is Anna. Zij woont aan de zandvlakte, aan de binnenbocht van de rivier, waar het water al dagenlang donker kleurt. Zeven jonge mannen, zegt ze. Zeven zonder leven spoelden aan op het strand. Hun huid is grauw als zout, hun ogen kijken radeloos naar de hemel.

De officier dagvaardt de soldaat.
“Toon ons die worp, soldaat. Laat ons getuige zijn van jouw kracht en behendigheid, demonstreer hoe jij die tot in het midden van de rivier katapulteerde.” Brabo zet zich schrap, de rechtervoet vooruit, in zijn rechterhand een kei voor een katapult.
“Ver is het niet,” zegt de hoofdman.
“Dat been, zo kan men toch niet…” denkt een ander.
“Hoe groot en zwaar is de reuzenhand die een schip tot stilstand brengt?” vraagt zich een derde af.
“Een eenvoudige soldaat? En een reus? Nah,” stelt iemand bot.
“Enkel een tussenkomst van de goden kan zulke ommekeer bewerkstelligen, wij aardlingen zijn niet begunstigd met zulke bovenmenselijke vermogens,” voegt een volgende eraan toe.
“Silvius Brabo,” beslist de hoofdman, “dit is mijn verdict: teneinde uw geloofwaardigheid te ondersteunen, gelast ik u in gezelschap van twee wachters weer te keren naar de plek die u een slagveld noemt. Ik draag u op om als bewijsstuk te vergaren, de hand van het monster genaamd Druoon Antigoon. U bent vrij van laster en aantijging als u mij, voor de zon weer ondergaat, de reuzenhand voorlegt die u beweert te hebben toevertrouwd aan de schoot van de moeder en hoedster van deze stad, de eeuwig stromende Scaldis.”

———-

Het verslag van het tribunaal, gehouden in de nederzetting Ando Verpia in Gallisch bezettingsgebied, zoals terug te vinden in de Kronijken der Overheerschte Gebieden anno Imperatum Julius Caesar, meldt onderstaand vonnis:

“Overwegende dat genaamde Silvius Brabo, legioensoldaat, voor ons verschenen, beticht van beuzelarijen en verzinsels,
Overwegende de getuigenis van genaamde Anna der Linkeroever, vissersvrouw, Overwegende dat voornoemde soldaat geen toelichting wenst te verstrekken over zeven gevonden lichamen van zeven op mysterieuze wijze uit de stad verdwenen jonge mannen,
Overwegende de vraag om ter staving van zijn stellingen bedoelde reuzenhand voor te dragen
Overwegende de weigering bedoelde hand voor te leggen
bepaalt het tribunaal, als vertegenwoordiger van het hoogste keizerlijk gezag in Rome,
primo: legionair Brabo Silvius,  tot ontheffing van alle functies uit de Romeinse legioenen
secundo: legionair Brabo Silvius, tot de dood door zelfdoding. Het zwaard om dit vonnis te voltrekken te bekomen bij de griffier.”
tertio: op deze plek zal ter gedenkenis van deze grove beuzelarijen een standbeeld worden opgericht om de inwoners van deze stad te verplichten tot bescheidenheid en nederigheid in al hun doen en laten. Dit monument zal de eeuwen trotseren als Silvius Brabo, legioensoldaat en beuzelaar. Het is gezegd.”

En aldus geschiedde.

Roxanne

Beste Gordon

Je neemt het me, hoop ik, niet kwalijk dat ik je gewoon Gordon noem?
Tenslotte, hoe lang is het nu al niet geleden? Ik studeerde nog, Toegepaste Economische Wetenschappen, kan je nagaan. Heb jij dat eigenlijk ooit geweten?

Jaren tachtig, Hotel Krasnapolsky, op de Dam, tussen De Wallen en het paleis van Hare Majesteit. Jullie eerste gouden plaat. De platenmaatschappij had blijkbaar de hele bovenverdieping gereserveerd, suites, appartementen, terrassen. Wie waren daar nog meer? Als mijn geheugen niet liegt Roger Daltrey, Frieda van ABBA, de complete Golden Earring, Herman Brood uiteraard. Veel bolle mannen en chique vrouwen ook, klaar voor een liederlijke avond. Wat gebeurt in Krasnapolsky, blijft in Krasnapolsky.

Een opleiding kost een hoop geld. Die duiten verdiende ik bij Harem Escort. Een odalisk met stijl was ik, een courtisane, fijn van snit en vol van smaak. Een exquise likeurpraline, een fijnproevertje tussen stukjes chocola met botercrème. Dames van Harem deden stoep noch raam. Dat rode licht waarover jij het later had, mag onder de rubriek ‘Vrijheid van de Dichter’.

Ik was meer Debbie Harry dan Amanda Lear. Mijn benen waren te kort, mijn decolleté beloofde geen monumentale boezem. Maar ik hield van mijn lichaam en wist hoe het te gebruiken. Was jouw instrument je stem, het mijne was mijn lijf.
Ik kwam als Madonna, Like a Virgin, een Haremgrapje. Mijn haren kort, in blonde en zwarte piekjes die alle richtingen uitgingen. Korte zwarte laarsjes, zwarte nylonkousen met fijne ruitjes, rokje zedig strak tot halfweg de dijen, veel kleurtjes erin, een topje met wat uitsnijding onder de oksel, streepje zwarte beha bekoorlijk in beeld. Ach, een man heeft niet veel nodig. Op de lippen wat fijn raffinement, lichtrood van tint, subtiel camouflerende blush, zwarte eyeliner, niet te dik aangezet. Prostituée, ja, maar met klasse. Helemaal niet die ordinaire del die jij later van me maakte.

Je zei: “De wereld noemt me Sting, maar jij mag Gordon zeggen.” Als verleende je een gunst.
“De wereld kent mij als Roxanne,” antwoordde ik.
“Leuk je te ontmoeten, Roxanne,” zei je. Jouw hese stem zou zelfs in hartje winter Friesland ontdooien. Een zin van jou en de Elfstedentocht ging niet door.
“Ik vond ‘So Lonely’ fan-tas-tisch,” zei ik, “maar ik heb niet veel met muziek.” Dat vond je geestig. Het was vast niet professioneel van me, maar ik vond je schattig en lief. Mijn kennis van het Engels was eerder matig maar de taal van de liefde, dat is bekend, behoeft geen woorden. Ook niet bij doen alsof.
Er gebeurde wat moest. Het afscheid bleef vrolijk. “De do do do, de da da da, is alles wat ik je te zeggen heb,” zei je.
We vervolgden ieder ons eigen pad.

Elk beroep kent eigen wetten. Wie de bus bestuurt drinkt niet, een journalist moet inleveren voor de deadline, een tandarts ruikt niet uit de mond. Enkel rockers kennen vrijheid zonder grenzen, naar het schijnt.
Ook het spel waarin ik speel heeft ijzeren regels. Basis: word nooit verliefd op een klant. Twee: laat de klant nooit dicht bij de vrouw in jou komen.
Dat hebben we gemeen, Gordon. Zijn Sting en Gordon twee verschillende mensen, personages in een ander stuk, zeg maar, Roxanne en ik zijn dat ook. Leg ze niet op elkaar, ze passen niet.

Ik was je niet vergeten, ik dacht gewoon niet meer aan je. Maar jij, de wereldster, zocht weer contact. Dat vond ik eerst nog wel aardig. Je stuurde een boodschap in een fles, een SOS, een tikje pathetisch misschien maar ach. Ook wel lief en grappig.
Op een dag waaide er bij Harem Escort een cassettebandje binnen. ‘Every little thing she does is magic. (Voor Roxanne). X Gordon’ stond op het kaartje. Misschien wat ongewoon maar eerlijk, ik voelde me wel gevleid.
Mijn leven kabbelde verder. Ik had een heuse baan gevonden, een man ontmoet ook, Martijn. Een heel gewone man van weinig woorden, kasseilegger. We luisterden bij wijn en kaarslicht – echt waar ja, die sfeer – naar oude Hollandse platen, Boudewijn De Groot, Ramses. Robert Long ook: ‘Als ik mijn lichaam een ander wil schenken, zegt dat nog niet, dat ik niet van je hou.
Martijn begreep dat. Al verminderde de behoefte en verdween de noodzaak, ik vond het nog altijd fijn om af en toe Roxanne te zijn, alleen dat deel van mij te zijn, begeerd te worden, het spel te spelen, te genieten zonder ballast of plicht. Martijn liet me. Jouw lichaam is van jou, zei hij. We maakten plannen, hokten samen, kregen Jasmijn en Feline.

Het lichaam van een moeder is niet langer dat van de lichtvoetige lichtekooi. Ik kwam nog wel op Escort, maar minder vaak en ook klanten nam ik minder. Ik adviseerde de nieuwe meisjes, een  onervaren studente of een verveelde huisvrouw op zoek naar eigen geld, of meisjes aangespoeld uit Roemenië of Bulgarije. Ik beschouwde die hele prostitutie toch al op een bepaalde manier als een vorm van sociaal werk. Dan was ik nu, naast partner in een vermaard zakenkantoor, ook Welzijnswerker, ha.
Ondertussen kon ik zien hoe jij met je band de wereld aan je voeten legde. Ik had toen nog geen idee dat jij bij The Police het Departement Zeden behartigde.

‘I can’t stand losing you’, liet je me weten. Dat klonk fors.
Kan je verliezen wat je nooit bezat? Was ik dan ooit je eigendom? Hoe stel je je dat voor? Met geld kocht je een nacht uit mijn leven. Tijd, maar niet mij. En liefde ook niet.
Martijn, mijn rots, formuleerde een antwoord: ‘Please, don’t stand so close to me.’ Niet veel later konden we onze eigen woorden meezingen in de lift, het zwembad en de wachtkamer bij de dokter.

Wat je toen deed, was niet netjes van je, Gordon. Dat onschuldige deuntje kon andere mensen misschien bedriegen, ik hoorde je wel, luid en duidelijk:

Elke ademstoot.
Waar je staat of loopt.
Wat je ook belooft
ik hoor elk woord.
Ik heb je in het oog.

Serieus, Gordon? Echt?
Dit geef ik je mee, je had dit stalken meesterlijk vermomd. Respect, het genie van de meester. Je joeg me angst aan, jaloersheid verstikte je. De wereld echter zag er een liefdesliedje in. Verliefden prevelden het dromerig mee, paartjes kozen het als huwelijksdans. Je zachte, warme stem liet ogen stralen, harten sneller kloppen, lichamen versmelten. Zelfs in Friesland ging het zomeren.
Ik wist beter. Mijn schattige jongen van een nacht was door de rocker opgeslokt. Je voegde er nog nadrukkelijk aan toe: zie je dan niet dat jij van mij bent?

Neen, beste Gordon, ik blijf je toch maar Gordon noemen, dat zag ik niet.
Toen niet, vandaag niet, nooit niet. Een mens is van niemand, alleen van zichzelf. Ik dacht dat iemand als jij, een kunstenaar, dat ook zelf wel kon bedenken. Niet dus.
Ondanks mijn kribbigheid beslisten Martijn en ik alles maar blauwblauw te laten, niet te bijten in het aas dat jij ons toegooide. Tenslotte, je verborgen boodschap bleek ook een wereldwijd succes. Over heel de wereld zong men met je mee. Dus, redeneerden wij, goed gedaan dan, succes ermee en ajuus.

Op een keer zat ik in café ’t Aepjen, een bruine kroeg op de Zeedijk, met wat meisjes aan een tafeltje, koffietje en likeurtje erbij. Lekker. Toen krijste iemand, vanuit het niets, loeihard, mijn naam. Perplex waren we. Ik herkende je stem. Je schreeuwde. Je gilde. Niet zomaar even tussendoor, maar liefst vijfentwintig keer in drie minuten. Er was geen ontkomen aan. Je richtte je woede nu rechtstreeks op mij. Niks verpakking, weg geniale muzikant, vaarwel warme stem. Je maakte van mij een sloerie. Ik was de snol, jij de ridder op het witte paard. Je kwam redden waar niets te redden viel.
Ach, mannen en hun fantasieën.

“Roxanne,” riep je.
“Roxanne
Doe dat rode licht nu maar uit.
Berg je make-up maar op.
Die dagen zijn voorbij.
Je hoeft je lichaam niet meer te verkopen.
Ik hield van je van het eerste moment dat ik je zag.
Ik heb een beslissing genomen.
Ik zal je niet meer delen met een ander.”

Ik, ik, ik!
Wel beste Gordon, deze ik accepteert dit niet! Deze ik wordt daar integendeel heel, heel pinnig van!
Ga jij mij vertellen wat goed is en wat niet? Wie denk jij dat je bent? De Heilige Agnes?
Zelf verdien je geld als slijk met dat hese keelgeluid van je. Als ik met kut en kont hetzelfde doe, ben ik een del, een slons, een slet.
Hoe noem jij de pianist met zijn fluwelen vingers? De mannequin met haar eindeloze benen? De marathonloper? De acteur? De meubelmaker? De chirurg? Allemaal hoeren, omdat ze hun boterham beleggen met talent dat de natuur hen heeft toebedeeld?

Maar ik weet het goedgemaakt. Na al die jaren wordt het tijd om orde op zaken te stellen, vind je zelf ook niet?
Kijk. De transactie tussen hoer en klant is helder: beiden geven iets en krijgen daarvoor wat in de plaats. Dan stelt zich hier de vraag: wie werd beter van dit verhaal? Wiens bek werd met dit lied gespekt, wiens buidel gevuld?
Ik zal je vertellen, beste Gordon: niet de mijne. Niet ik ben de hoer in deze geschiedenis.
Dus, als het waar is. Als je het meent, echt bent wie je voorwendt te zijn, de nobele redder van het verdorven meisje, de ridder, de held: hier ligt je kans.
Stort dan de royalty’s die je in mijn naam tot op heden incasseerde en die je in de toekomst nog worden toebedeeld, gewoon door. Naar ‘Stichting Roxanne’, een steunfonds voor de meisjes van Harem en De Wallen.
Dan krijg jij je zin. Dan zegt dit meisje van lichte zeden het liederlijke leven adieu. Je verlangen vervuld, een madeliefje van de straat geplukt.
Iedereen tevreden, toch?

Kunnen we het hierover eens zijn?
Mijn raadsman zal de details dan graag verder met je doornemen.

Heel veel groetjes

Roxanne, zeg maar.