Baantjes trekken

               Na de zomer heb ik het zwemmen weer opgepikt.
               Van zwemmen word ik rustig. Het is mijn detoxkuur. Na een halfuurtje crawlen ben ik gans gezuiverd. De bagger en ballast waarmee een doodgewone sterveling dagelijks wordt belaagd laat ik achter in het bad. Daarbij komt, het concept is eenvoudiger als een wiegelied. Je beweegt je door het water, op eigen tempo, van de ene kant naar de andere en dan weer terug. Heen en weer, telkens opnieuw dezelfde repetitieve beweging. Een hulpvaardige hand tekende daarenboven nog op de bodem van het bad een lange, kaarsrechte zwarte streep zodat zelfs het grootste warhoofd onmogelijk kan verdwalen.

               Terwijl ik zo mijn baantjes trek, buitelen als jonge dolfijntjes de ene na de andere gedachte door mijn hoofd. Geen idee vanwaar ze komen. Een simpel ei, denk ik ineens, kan men serveren in diverse variëteiten. Bijvoorbeeld als een spiegelei, het oog van een paard zoals wij vroeger zeiden. Of geklutst tot omelet of roerei. Tien minuten hardgekookt, kan ook. In combinatie met tomaat en garnaal, lekker. De ultieme delicatesse is natuurlijk het ei zachtgekookt, vier minuten exact. Dat snoepje bewaarden we vroeger voor op zondag. Achteraf beschouwd niet erg logisch want bij een zacht ei horen soldaatjes en op zondag aten we pistolets. Logica scoorde bij ons thuis nooit hoog op de waardenlijst.
               Mijn gedachten drijven vanzelf naar de pronkkast uit die tijd, van onder tot boven volgestouwd met trofeeën. Bekers en medailles die wij, mijn zus, mijn broers en ik in binnen- en buitenland bij elkaar vlinderden. Familie Zwemvlies noemde men ons. Terecht. Ik dreef lichter op het water dan een lelie waardoor ik ervan overtuigd raakte dat zelfmoord door verdrinking voor mij onmogelijk was. Begrippen als Duvel of Trappist behoorden toen nog niet tot mijn dagelijkse woordenschat.  

               Naarmate mijn training vordert, worden mijn armen zwaarder en mijn gedachten droever. Voor mijn netvlies zeilt het beeld voorbij van die oude vrouw die ik zag op tv. Ze huilde. Op haar borst droeg ze een pancarte van karton. Ik ben geboren onder Mussolini, ik wil niet sterven onder Meloni stond erop gestift. Mijn hart huilt met haar mee. Hoe moet dat voelen, die opnieuw opgepookte angst voor gruwel waarvan je dacht dat je er voorgoed was van verlost? Die Mussolini, stelt de nieuwe Italiaanse premier, was nog de kwaadste niet. Hij had het beste voor met zijn volk. Zijn is een bezittelijk voornaamwoord, die grammatica onderwijst men niet meer. Het volk behoort de leider toe. Die handelt en jongleert ermee naar eigen inzicht en vermogen. Mannen in de loopgraaf, vrouwen aan de haard, ik zeg maar wat.
               Dat het volk het altijd bij het rechte eind heeft, is een hardnekkig misverstand. Het kiest met de buik, analyseerde een geleerde mijnheer. Beter gebruikte het zijn verstand, denk ik dan. Dat onderscheidt ons naar het schijnt van de dieren. Onze buiken zijn Rupsen Nooit Genoeg, obees en onmogelijk te verzadigen. Ze willen meer, meer, meer, meer dan ze kunnen hebben. Als wrakhout spoelen intussen op de stranden waar wij tijdens de zomer nog lagen te bronzen in de zon, hulpeloos de lege buiken aan. Haalt ternauwernood nog het journaal. De negenenvijftig drenkelingen komen na de mening van een halfdronken toogklever over de nieuwe wereldkampioen maar nog altijd wel voor de demonstrerende vrouwen in Iran.

               Inmiddels lig ik niet langer alleen in het water. Door mijn brilletje herken ik de nieuwkomers. Sterke Jan is erbij. En kleine Ben, in een alleraardigst roze zwembroekje met flamingomotief. Hilde en Zuhal zijn er ook. Van aan de zijkant dirigeren hun coaches Sammy en Bart elkeen driftig een andere richting uit. Ze plenzen en pletsen maar zwemmen doen ze niet. Iedereen dobbert maar wat, niemand weet nog waar naartoe. Ze liggen in de weg van wie vooruit wil, meters wil maken, beter worden. Wat doen die hier toch, vraag ik me af. Hun stijl is waardeloos, hun tempo deerniswekkend, hun conditie om te huilen. Dat drift maar in het ijle, de een naar links, de ander naar rechts. Voor de zwarte streep op de bodem die wij allemaal volgen, hebben zij geen oog. Zij maken ons het zwemmen onmogelijk en geen redder die daar wat aan doet. Mocht mijn buik het hier en nu voor het zeggen hebben, ik schopte ze meteen het bad uit.

               Van onder de douche zie ik op het wateroppervlak doorzichtige hersenspinsels en gedachten drijven, decepties en onnozelheden. Zij daar, ik hier. Ik ben bevrijd. Gezuiverd in geest en lichaam. Kom maar op, wereld.

Klaaglied voor Candy

               Het kwam niet op Terzake en zat ook niet in De Afspraak, toch namen ook wij onlangs afscheid van een dierbare.
               Wij, dat zijn mijn zoon en ik.
               Haar naam was Candy.

               Het was aan het begin van deze eeuw, we hadden ternauwernood de bug overleefd. In de grote toonzaal van Vanden Borre trok ze meteen mijn aandacht. Toch stond ze daar enigszins onopvallend en bescheiden tegen een zijwand, geprangd tussen een poenige Smeg en een kille Bauknecht. Maar ze straalde als een veld zonnebloemen in hoogzomer. En hoe contradictorisch het ook moge lijken, er ging warmte van haar uit.
               Haar maten bleken ideaal. Met haar geraffineerde looks van een model uit de jaren zestig won ze in een oogopslag mijn hart. Ook hoefde je niet diep in de beurs te tasten om van haar diensten gebruik te mogen maken. In geen tijd ondertekende ik de nodige paperassen ter adoptie. Zij was de mijne, enkel de dood zou ons nog kunnen scheiden.

               Een week later stond ze in al haar geelheid glanzend in de hoek van de keuken, naast het aanrecht, verscholen onder de kleine nis voor de microgolfoven. Al gauw groeide er diep respect tussen ons twee. Wij vulden elkaar aan. Liep ik zo nu en dan weleens met mijn hoofd in de wolken, zij bleef immer koel en koud. Waar ik soms zweefde, hield zij de wortels bij de grond, waar ook de uien, selder en witlof wachten op hun grote dag. Was zij leeg en hol vanbinnen, ik vulde haar vlijtig aan en werd ik behoeftig dan ledigde zij mijn nood. Onverwacht bezoek voorzag ze zonder morren van een hapje en een drankje.

               Een fikse twintig jaar waren we bij elkaar, ons Candy en ik. Geen enkel ogenblik was ze me ontrouw, nooit liet ze me in de steek. Was ik eenzaam, ze opende gewillig haar deur en bood me troost. Witte wijn, wat Duvel, ook weleens een oude jenever van Hertekamp. Later op de avond zoemde ze me dan zacht in slaap. De hongerigen spijzen, de dorstigen laven, werken van barmhartigheid die ze van nature beheerste. Meer nog, ze vormden de ware kern van haar bestaan.  
               Soms zelfs waakte ze over me als een engelbewaarder. Als ik na weer eens een bezopen nacht wanhopig haar deur opentrok, ontstak ze wel nog haar lichtje maar schenken deed ze niets. ‘Ik ben leeg,’ zei ze dan. ‘Op. Op. Alles is op.’ Gelaten besefte ik dan dat ook deze avond voorgoed verzopen was.
               Weinig vroeg ze voor haar diensten in de plaats. Een stekker in een stopcontact. Nu en dan er met een doekje doorheen. Heel af en toe pruttelde ze weleens. Liet ik een week of drie een half gebakken stuk worst en een restje bloemkool ongemoeid, dan wasemde ze als een ruftend lijk, me er op die manier attent op makend dat liefde altijd van twee kanten dient te komen. Wie kan haar dat kwalijk nemen?

               Op een dag begon ze te schudden alsof de grond onder haar voeten beefde. Ze rilde en ratelde. Lekte als een overrijpe vrucht. Het was voor ons allemaal een schok. Samen met de magneetjes op haar kleed mijmerden we over vroeger. We poetsten haar een laatste keer tot ze weer glom zoals weleer. Zij was veel meer dan meubilair. Zij hoorde bij de familie. We zochten hulp maar vonden er geen. Het krioelt in deze wereld van de menopauzeconsulenten en excuusonderzoekers, maar niemand die je bijstaat bij het afscheid nemen van een dierbaar ding.  

               Ons Candy.
               We tilden haar met twee over haar laatste drempel. Hoe ze daar stond! Eenzaam en verlaten. Na twintig jaar ijskoud gedumpt, in een bloedloos recyclagepark in een grauwe container gestouwd, verstoten tussen ander afgeleefd klein en groot elektro. Zo mooi, zo geel en zo alleen, het zou niet mogen zijn.
               En ook wij. Vader en zoon, schouder aan schouder, elk verzonken in eigen gedachten. Het was goed zo. Meer hoefde niet. Wij hadden geen nood aan een kilometerslange queue, bloemen of gedichten, kanonschoten en parades, eindeloze redes, koningskinderen of hooggeplaatsten. We zetten geen straten af en lieten paarden en karossen ongemoeid.
               Ik aaide nog even over haar verschaalde geel en we gingen heen. In de auto speelde de radio een liedje van Iggy Pop.
               Toeval bestaat niet.

De moordenaar in mij

               Brengt de avond ongemak, nachten zijn ellende.  
               Eerst slaap ik nog als een baby. Dan schiet ik ergens in de donkerste stilte wakker. Zomaar. Er is geen reden. Ik schrikte niet op uit een kwade of opwindende droom. Er klonk nergens een verdacht geluid, geen krakend deurslot, geen gebroken keukenraam. Ik lig op mijn rug en staar dwaas het donker in. En al is hij dan weer voorbij, die mooie zomer, boven mijn hoofd klinkt pesterig het scherpe hoge zoemen van een mug.
               Dat dit geluid geen zoemen is maar slechts het heftig fladderen van ragfijne vleugeltjes, is hier en nu niet van tel. Dat muggen nachtblind zijn, met hun gegons potentiële partners tot paren inviteren, het boeit me niet. Ze doen maar, ik ben coulant. Maar waarom hier? Waarom nu? Waarom bij mij? Er is zoveel lekkerder op de wereld dan ik. Ik wil gewoon slapen.

               Een hardnekkige steekmug denkt daar anders over. Muggen houden van het kooldioxide die wij uitademen. Dit specifieke exemplaar wordt blijkbaar stapelgek van mijn nachtelijke adem. De portie look die ik vanavond nog achter de kiezen sloeg, boezemt hem geen afkeer in. Hij wil mijn oren kussen, mijn handen strelen, mijn neus kietelen. Mocht ik op dit tijdstip van de nacht niet zo chagrijnig zijn, ik beschouwde zijn drang als een compliment.
               Ik wuif hem weg. Hij danst de nacht in, keert dan weer. Dit blinde aftasten herhaalt zich. En opnieuw. En opnieuw. De intensiteit neemt toe. Het wordt persoonlijk. Een strijd, mug tegen mens. Hij of ik, op leven en dood. Ik houd me stijf en onbeweeglijk, een en al focus. Uit het duister duikt hij op, naast mijn wenkbrauw links. Pets! Een gat in de nacht. Hij probeert een riskante landing op mijn rechteroor. Pats, Boem, Paukenslag. Ik spaar het insect en ook mezelf niet. Het doet pijn. Mijn kaak gloeit. Mijn frustratie groeit. Hoe driftiger mijn slag, hoe vrolijker het muggengesnor. Dat steekt.
               Vanbinnen woedt stilaan de blinde razernij van de frontsoldaat. Ik zweer bij al wat mij lief is: dit kreng zal mijn bloed niet drinken. Krijg ik het in mijn handen, ik ruk het de pootjes en vleugels uit en voeder het kadaver aan de spin in de hoek. Verscheuren wil ik het, vermorzelen, vernietigen. Ik ben niet gek, maar die kop moet eraf. Bloed wil ik zien. Minder mug, meer slaap, zo eenvoudig is het soms.

               Ik schrik van mijn hardvochtigheid en de gruwelijke taferelen in mijn hoofd. Plots denk ik aan die documentairereeks op Netflix, I am a Killer. Getuigenissen van tot levenslange gevangenisstraf veroordeelde moordenaars. Wat dreef ze ertoe een ander het leven te benemen? Ze weten het niet. Ze begrijpen zichzelf niet. ‘Ik was iemand anders toen,’ zeggen ze. Ze blikken met ongeloof terug naar wie ze ooit waren, de gruwel die ze ooit pleegden. ‘Die schuld draag Ik voor altijd met me mee,’ zeggen ze. De een na de ander. Je kan zien dat het ze pijn doet. Wij, foutloos en rechtschapen, kunnen daarvan vinden wat wij willen. Wij hebben geen idee.
               Ben ik zelf ook tot doden in staat, vraag ik me af terwijl ik roerloos op een volgende aanval wacht. Er woont veel volk in mij, dat weet ik. Een speelvogel en charmeur. Een onnozelaar en een schoolmeester. Een dichter en een tobber. Een goede luisteraar naast een slechte verstaander. Een kok, een sportman, een dronkaard. Schuilt daartussen ook een moordenaar? Ik denk aan ‘Schuld en Boete’, een meesterwerk uit de negentiende eeuw van de Rus F.M. Dostojewski. De student Raskolnikov vraagt zich af hoe dat voelt, iemand doden. Louter uit nieuwsgierigheid klieft hij met een bijl de schedel van een oude vrouw in twee. Niet veel later reageert hij, verteerd door wroeging, opgelucht bij zijn arrestatie. Hij is blij dat de tijd van boetedoening is aangebroken.

               Deze boeiende gedachten verdrijven wel de tijd maar niet een mug. Als een gek zwaai en sla ik om me heen. De nacht is een gatenkaas. Mijn moordlust is groot, de mug echter mijn meester. Te vlug, te leep, te luchtig. Dansend in het donker is hij ongrijpbaar. Mijn woede verdampt in het ijle. Wanhopig, overwonnen, vernederd rol ik me uiteindelijk als een foetus onder de klamme lakens waar ik wanhopig tracht naar een laatste restje slaap.

               Geradbraakt rol ik In de vroege ochtend het bed uit. Een loser ben ik. Gekrenkt tot op het bot. Gehumilieerd door een ongrijpbaar zespotig monster van nauwelijks tien milligram. Ik zweer het, als ik dat ding te pakken krijg. Mijn handen jeuken.

Zie, Liefde

               Een man staat voor het venster. In de verte schuiven dichte drommen auto’s en vrachtwagens over de snelweg. De snelweg is al lang geen snelweg meer.
               Allemaal op weg naar niets, denkt de man. Hij kent zijn klassiekers. Kinderen fietsen vrolijk taterend naar school. Het is begin september, ze lopen nog over van goede moed. Ze lachen nog. Zij hebben er nog geen weet van dat de zomer langzaamaan zijn glans verliest, vanzelf in de herfst glijdt en dat daarna onafwendbaar ook de winter komt.

               De man staat en staart. Er bestaan woorden voor een dag als vandaag. Woorden die verwijzen naar geslachtsorganen. Kutdag. Klotedag. In deze genderfluïde tijden heeft een mens het voor het kiezen.
               Iedereen gaat ergens naartoe, denkt hij. Iedereen heeft wat te doen. Achter hem liggen op de tafel een ingevuld kruiswoordraadsel en een onafgewerkte puzzel. Duizend stukjes, vele tinten zwart. Hij vindt in zichzelf niet meer de lust om ermee door te gaan. Of dit klusje wel of niet wordt afgemaakt zal de wereld niet veranderen. Geen hond die het merkt, niemand die erom maalt.
               Hij vouwt zijn krant open, ergert zich meteen aan de schreeuwerige koppen. Onpeilbaar verdriet, diepste rouw. Jezus, denkt hij, het mens is 96 geworden. Mocht hij 96 moeten worden, hij zou er niet om rouwen als het dan eindelijk allemaal ophield.
               Hou op met zeuren, houdt hij zich voor, en doe iets. Hij scharrelt naar een papiertje en kribbelt enkele woorden onder elkaar.

Krakotten,
Afwasmiddel
Scheerschuim
Persappelsienen
Bananen

               In de keuken controleert hij de voorraad koffie. Eieren zijn er ook nog, hij kan voort. Hij zucht en trekt zijn schoenen aan. Onderaan het lijstje krabbelt hij

Goed humeur

               Even lacht hij om zichzelf.

               Het is nog vroeg. Veel volk is er nog niet in de winkel.
               Goedemorgen, zegt hij tegen de forse mevrouw die kruidenpotjes in de rekken zet. Ze kijkt niet van haar werk op en zegt niets terug. Hij ziet hoe aan Groenten en Fruit een vrouw driftig peer na peer bepotelt, waarna ze elke vrucht mopperig weer neerlegt. Naast haar leunt haar echtgenoot op de winkelkar. Als ogen konden doden, denkt de man terwijl hij een netje appelsienen en een tros bananen in zijn mandje legt. Ook de vurigste liefde brandt op. Wat rest is stof en as en de herinnering aan wat ooit was.
               Hij heeft zijn lijstje bijna afgewerkt. Misschien vindt hij in de boekenafdeling wel iets dat hem wat vrolijker kan stemmen. Hij neemt een boek uit het rek: Omdat we hier niet over praten, over liefdesverdriet, rouw en kwetsbaar durven zijn. Nee bedankt. De geheimen van de kostschool. Daarbij kan hij zich wel wat voorstellen. Dus nee, laat ook maar. Vrolijk wordt hij ook niet van titels als Kind van extreemrechts, Mariah Carey – Mijn Leven of Je belastingaanslag. In zijn hart wordt het donkerder en kouder dan putje winter in Siberië.

               Hij sleept zich naar de Self Scan. Geen woorden, geen contact, zo is het goed. Aan het toestel naast hem staan een man en een vrouw. Ze hebben zijn leeftijd, misschien zijn ze nog wat ouder. Zij heeft blonde krullen, draagt een bonte jurk, licht van stof met lage uitsnijding, alsof het nog volop zomer is. De man naast haar tekent hartjes op haar gebronsde rug en fluistert iets in haar oor. Even legt ze haar hoofd op zijn schouder, dan lacht ze de klaterende lach van een meisje. Het geluid parelt in de ruimte. In haar ogen schittert de zon.
Op het ogenblik dat hij hen voorbij wandelt, geven de vrouw en de man elkaar een speelse kus. Het ijs in Siberië smelt. Voor het eerst die dag voelt de man warmte door zijn lichaam stromen. Het is waar wat de schrijver schrijft, denkt hij. Het is de liefde die ons drijft.
              Buiten is de hemel opgeklaard. Tevreden wandelt de man weer naar huis. Hij heeft alles op zijn lijstje kunnen schrappen. Het wordt vandaag nog een mooie dag.

Iedereen Vis

Maandenlang hebben ze ernaar uitgekeken. In waterplas en rivier, meer of zee, poel of oceaan. Overal gonsde het van geruchten. Vandaag is het eindelijk zover.
               Robben rollen zich op zandbanken in de zon en spitsen de oren. Forellen pauzeren in de schaduw van het groen onder de oevers. Scholen haringen staken de lessen. Schaaldieren houden zich onbeweeglijk. De spanning is te snijden. Al wat vin en kieuwen heeft, in vrijheid of gevangen in aquarium of bokaal, houdt de luchtbel in de longen. Rond de Grote Schelp verenigen zich vissen van alle mogelijke vormen en formaten, geschubd of aalglad, van egaal zilver tot bont als koraal. Geen waterbewoner die van dit plechtig moment een woord wil missen.
               Vandaag is het de Grote Visverkiezing en wordt de gouden Nemo uitgereikt aan de Vis van het Jaar.

               Terwijl de rog, vorig jaar nog laureaat, schijnbaar ongeïnteresseerd met gespreide vleugels brede schaduwen werpt over het wiegende wier op de zeebodem, doorbreekt de kwieke stem van de Minister van Visserij het eeuwige zuchten van de golven. Zelfs zij klinkt opgewonden en gejaagd, als opwaaiend zand op het strand in een zilte zeebries in de zomer.
               ‘Goedkoop is hij niet, maar wel bijzonder lekker,’ drijft de minister de spanning op, ‘en van absolute topkwaliteit. Je kan hem daarenboven met veelvuldige gerechten combineren. Daarom gaat de gouden Nemo dit jaar naar…. onze Vlaamse garnaal!’

               ‘Het is de garnaal,’ fluistert het koraal.
               ‘De garnaal begot!’ vloekt de bot.
               ‘Is de garnaal Vlaams?’ vraagt de makreel. ‘Kan je dat aan hem zien?’
               ‘Is de garnaal een vis, dát is de vraag,’ gaat de kabeljauw dieper in op dit identitaire vraagstuk.
               ‘In de opdeling der soorten hoort de garnaal bij de schaaldieren,’ mengt nu de octopus zich in het gesprek. Onder de zeespiegel is de octopus vermaard voor zijn uitgebreide kennis over ongeveer alles. Hij wordt zelfs geregeld door tweepoters op het land geconsulteerd als uitslagvoorspeller van belangrijke sportwedstrijden.
               ‘Ik zwem, dus ik ben een vis,’ filosofeert diepzinnig de kwal.
               ‘Dus dan kunnen ook wij Vis van het Jaar worden,’ bedenken eendrachtig de oester en de mossel.
               ‘Maar jullie zijn toch helemaal geen vissen. Jullie zwemmen zelfs niet. Jullie weken, maandenlang zelfs,’ protesteert een toevallig voorbij deinende pladijs. ‘Waterige slijmproppen in een schelp zijn jullie, niets meer dan dat.’
               ‘Dat heet inclusie,’ poneert een enorme waterschildpad wijs. Vanwege zijn hoge leeftijd heeft iedereen veel respect voor hem. ‘Als je in hetzelfde water zwemt en dezelfde problemen kent, dan hoor je erbij. Dat is in deze moderne tijden vanzelfsprekend.’ Hij knipoogt schalks naar een elegante Sint-Jacobsschelp die lieflijk naar hem ligt te lonken en peddelt dan weer log en lijzig de duisternis in.   Boven het kabbelende wateroppervlak tekenen vrolijke dolfijntjes acrobatische salto’s.   ‘Joepie! Volgende keer worden wij de Lekkerste Vis,’ juichen zij met de ondoordachte onbezonnenheid van de jeugd.
               ‘Dat zal nooit gebeuren!’ bitst een boze schar. ‘Jullie zijn zoogdieren en dat blijven jullie. Zoogdieren baren en zogen. Vissen leggen eieren. Al gaan jullie honderd jaar in transitie, zoogdieren kunnen nooit vissen worden. Nooit. Een zoogdier is een zoogdier en een vis is een vis. Einde verhaal.’ Het wordt al snel duidelijk dat de meeste platvissen niet erg happig staan tegenover die hele zogenaamde inclusie.
               ‘Dat zie je toch verkeerd,’ weerlegt de krab. Hij zet weleens een poot aan land en ontwikkelde daardoor een bredere kijk op de wereld. ‘Vissen schieten kuit. Wie eieren legt, is een vogel.’
               ‘Eieren leggen, kuitschieten, één pot nat,’ moppert de tarbot, toevallig ook een platvis. ‘Al dat woke gedoe. Dat vissen eieren leggen, mag je dat vandaag ook al niet meer zeggen misschien?’
               Vanop een afstand kijken de jongste sprotjes met open mondjes toe. Hen is altijd gezegd dat ze nooit ofte nimmer voor een Visverkiezing in aanmerking zullen komen. Daarvoor zijn ze te onooglijk en ordinair. ‘Dan niet. Maar misschien worden wij op een dag wel de Vogel van het Jaar. Kan toch?’ Die idee doet hun gevoel van eigenwaarde zichtbaar deugd. Hun oogjes twinkelen, hun zilveren schubjes gaan spontaan glanzen van verse hoop.

               ‘Wie heeft er ooit grotere onzin gehoord?’ bast plots bars een oude haai. Meteen wordt het onder water nog stiller dan in een scheepswrak. ‘Vogel van het jaar! Bah, wat een flauwekul. Zoiets kan toch helemaal niet. Wie zou die ook moeten verkiezen? Er bestaat zelfs geeneens een Minister van Vogelarij.’
               Dit besluit maakt abrupt een einde aan de hele discussie. Diep in gedachten verzonken trekken al gauw weer alle vissen zwijgend baantjes in eigen nat.

VakantieFomo

De diploma’s zijn uitgereikt, de katers van het eindejaarsbal uitgezweet.
Op mijn geliefde radiozender mogen luisteraars hun favoriete vakantieliedjes aanvragen. Voor ik het doorheb wurmen Boney M, Gerard Cox en Madonna zich in mijn buis van Eustachius. Het leven is lijden. De televisie herneemt seizoen 1 van FC De Kampioenen.
De eerste dag van juli is meer nieuwjaar dan nieuwjaar zelf.
Het einde van een tijdperk, het begin van iets anders.

Ik ben acht of negen.
De dagen vormen een licht en eindeloos lint van landerigheid. Elke dag even leeg als de vorige. En de volgende. Ik heb geen agenda. De enige activiteit die de tijdloosheid doorbreekt is het tiendaagse Chirokamp in Kasterlee of Retie of een andere ver weg gelegen exotische plek.
Uitslapen blijft ook in de zomer des duivels kussen. De dag begint als de haan kraait.
‘Leg neer dat boek en ga buiten spelen,’ zegt mijn moeder na het ontbijt, een obligate boterham met kaas of vlees en pas daarna eentje met choco.

Ik spring de fiets op. Een oranje ding dat klein blijft terwijl ik elke dag groter word. Versnellingen heeft hij niet maar wel het stuur van een koersfiets. Daarop kleven kleine stickers. Ward Sels. Rik Van Looy, hij lijkt op mijn vader, kijkt mij vanuit de hoogte aan met misprijzende blik. Allebei dragen ze een petje van Solo Superia. Raymond Poulidor, de eeuwige tweede en Jacques Anquetil, de eeuwige eerste, groot idool van mijn broer, al prijkt zijn foto wel op mijn fiets.
Ik koers rondjes door de wijk, eenzaam, kromgebogen over mijn stuur tegen de wind. Twee grote ronden en drie kleine. Bergritten eindigen op de brug van Lucas die de Laaglandlaan over de snelweg richting Ekeren tilt. Steiler dan de brug van den Azijn of die van het Sportpaleis. Aan de eindstreep spurt ik een volledig peloton uit het wiel. Vlakke ritten win ik met een banddikte, bergritten met een straat voorsprong. Die straat heet Winkelstap. Bij aankomst mijn armen in de lucht gooien durf ik niet. Dat mag niet van mijn moeder.
Ik won toen meer Rondes van Frankrijk dan Eddy Merkcx, Bernard Hinault en Miguel Indurain later samen zouden doen.

De Tour was mysterie. We zagen weinig en fantaseerden veel.
We beleefden hem met het oor tegen de radio, ons lavend aan de klaterende woordenstroom die Jan Wauters over ons uitgoot. Viel de verbinding uit, dan kloven we de nagels van onze vingers. In de vooravond schooiden we bij onze moeder vijf frank die we spendeerden aan de extra editie van Het Volk. Daarin stonden alle uitslagen en standen en cartoons van Thomas Pips. Soms ook een foto van de winnaar van de dag, in vijftig korrelige tinten grijs.

Samen met onze onschuld verdampte ook de magie.
Vandaag wordt elke pedaalslag voorbeschouwd en uitvergroot. Er dient bij valavond in dure chateau’s te worden nagekaart aan de tafel bij Karl, met kenners bij een robuust glas wijn. Diepteanalyse van de koers. Wout staat op de pedalen en gaat dan weer zitten, drie keer in slow motion. Gezien? Mathieu drinkt. Zou hij dorst hebben gehad? Tadej knipoogt naar de camera. Ik zie daar een teken in, hij voelt zich goed, wat jij, Josée?
Vive le Velo tot je geen fiets meer kan zien of ruiken.

Daar is overigens ook geen tijd meer voor.
Een dag die geruisloos passeert, is een dag niet geleefd.
Er moet een nauwgezet reisplan worden opgesteld. Er moet worden gepakt en gezakt. Inmiddels lonken terrassen. Tijd met familie en vrienden moet worden ingehaald, bij een glas bier en een stapel braadworsten en kippenbouten op de barbecue. Vaarwel dieet van zes maanden. Zomerbars dienen aangedaan, openluchtvoorstellingen bijgewoond, kerken en musea bezichtigd. De schoondochter van de overbuurvrouw en haar gecastreerde kater kruipen in het park op een podium, niet te missen. Een woordkunstenaar op leeftijd leest bij zonsondergang voor uit eigen werk, gelieve zelf uw klapstoeltjes mee te brengen. In de stad kan men oude zwartwitfilms gaan bekijken op groot scherm in open lucht, sjaals en fleece deken gratis ter beschikking. En eindelijk is er de tijd om te gaan bungeejumpen, parapenten of kitesurfen.
Er is geweldig veel te doen en geweldig veel angst er niet bij te zijn geweest.
Druk, druk, druk.

Was het al maar weer september.
Om half zeven uit bed, van acht tot vijf op kantoor, ’s avonds een donkere Leffe en Champions League op tv.
En op zaterdag een verhaaltje uit de Sprekershoek, hè hè.

Tot dan.

De koffiezet

               ‘Je bent gek,’ zei mijn broer, ‘dat jij je daar nog druk in maakt.’
Hij zegt soms intelligente dingen, onze jongste. In zijn familie vindt hij natuurlijk genoeg sprankelende voorbeelden om van te leren.
Bovendien had hij gelijk.

               Wij pensionado’s kunnen leven als god in Frankrijk. Of Kroatië, Argentinië of Australië, god gedijt immers overal, al schittert hij heden ten dage toch voornamelijk door afwezigheid in Oost-Congo, Syrië of Oekraïne. Wij hoeven ons nergens nog over op te winden, tenzij over de prijs van het brood en de overdaad aan Ben Crabbé op tv. Al onze andere tobberijen verdampten in de tijd. Vaag herinneren we ons nog de drift en razernij van de jeugd, het verlangen ernaar echter is al lang gedoofd.

               We stonden naast de snookertafel. Het was twee tegen nul in zijn voordeel.
‘Ik kan me maar moeilijk concentreren,’ was mijn excuus. ‘Ik slaap slecht, door dat examen.’
‘Dat doe je jezelf aan,’ zei hij. ‘Doe toch rustig. Waarom je nog opjagen met al die ambities?’
Zo zijn wij. Als gans de wereld de lat hoger wil, leggen wij ze lager. Tegendraads zijn is een talent dat ons in de genen zit.
‘Alles gaat toch voorbij,’ ging hij door, ‘wat denk je dat het ook voorstelt in het licht van de eeuwigheid?’
‘Ik weet het. Je hebt gelijk,’ zuchtte ik.
De tweede keer al.

               Toen drukte hij op een van oudsher zere plek.
‘Zo een examen, wat bewijst dat ook helemaal? Een momentopname. Het resultaat hangt af van een miljoen externe factoren. Met wat geluk fiets je er fluitend doorheen, trek je de verkeerde vraag, pech gehad. Heel dat systeem moet op de schop.’
Een derde keer ‘je hebt gelijk’ kreeg ik echt niet over mijn lippen. Wat je zegt kan op een later tijdstip tegen je worden gebruikt. Ook dat kregen we bij geboorte ingelepeld. Bovendien zou het nefast zijn voor zijn toch al omvangrijke ego.
Ik deed er het zwijgen toe en stootte de eerste bal voor het derde spel.

               Thuis dacht ik: ik schrijf er een stukje over.
Maar ik hield me in. Ik dacht aan al die pubers die zich suf hadden geblokt op dingen waarvan ze zich niet konden voorstellen ze ooit nog nodig te zullen hebben en die ze morgen alweer vergeten zouden zijn. Die nachtenlang zwetend wakker lagen, verstijfd van angst voor het verdict en de ontgoocheling in de ogen van hun ouders. Want je best doen volstaat al lang niet meer, je bent zoveel waard als het cijfer op je rapport.
Ik dacht aan al die gestresseerde ouders. De mama die vrij neemt om samen met haar kroost driehoeksmeting te studeren, de papa die bij thuiskomst meteen controleert of zijn gezin wel hard genoeg heeft geleerd.
Uiteraard ging mijn medeleven ook naar die zelfs tijdens hun vakanties nog oververmoeide leerkrachten. Eerst kwellen zij hun hersens over wat op het examen te vragen, en hoe, en hoeveel. Dan al dat verbeterwerk! En elk jaar opnieuw stellen ze vast dat ondank hun loon is. Een schrale oogst na een schooljaar intensief zaaien, de rapporten een bloedbad dat roder kleurt dan de weide van Waterloo na de passage van Napoleon.
Die mensen hebben al genoeg ellende gekend, vond ik.

               Ik mijmerde nog wat over de zin en onzin der dingen, toen weer de koffiezet voor mijn geestesoog verscheen. De koffiezet, eertijds in onze leraarskamer eeuwig onderwerp van tweespalt. Bij deze discussie splitste het korps sneller in tweeën dan de zee voor Mozes.

Opdracht: Je krijgt alle materiaal en tijd die nodig is om een koffiezetapparaat in elkaar te zetten. Als je klaar bent, schenk je je leerkracht een lekker kopje koffie.

Helder. Alle kennis en vaardigheden in een duidelijke opdracht met concreet geformuleerde einddoelstelling.

               Op de dag des oordeels helaas pruttelt er geen koffie. Het mooi ogende en perfect in elkaar geflanste ding blijft dood. Oorzaak: de leerling vergat finaal ook de stekker in het stopcontact te steken.
Zegt kamp A: Ach wat. Het toestel is gebruiksklaar. Een minuscule vergetelheid, de zenuwen wellicht. Geslaagd.
Kamp B daarentegen pruttelt wel degelijk: Er is geen koffie. Einddoel niet bereikt. Niet geslaagd. Volgend jaar opnieuw.

               Daarom besloot ik hier maar niets over te schrijven. U zou me niet geloven, me ervan verdenken dit verhaal uit de duim te hebben geleuterd. Tijdens uw avondmaal zou een discussie ontstaan tussen u, uw kroost en uw partner. Polemiek, met luid geroep en slaande deuren.
En dat zou allemaal mijn schuld zijn. Die ellende wilde ik u en mij besparen.
Laat ik dus maar gewoon vertellen dat mijn broer mij met snooker heeft verslagen. Hij was de winnaar van de dag.
Een momentopname.

Schietgebedje voor de schoolmeester

          

               ‘Iedereen is het er nu wel over eens, het niveau van ons onderwijs ligt lager dan de lat voor hoogspringen in de kleuterschool’, hoorde ik. Aanleiding was een onderzoek naar de kennis van wiskunde en ICT bij twaalfjarigen.
Iedereen? Ik niet. Al ben ik natuurlijk niet iedereen.
               “Een avond waarop iedereen het eens is, is een verloren avond” stelde Albert Einstein. Albert en ik, één strijd. Het is een noodlottige speling van de tijd en een drama voor de mensheid dat uitzonderlijke geesten als de onze elkaar nooit hebben ontmoet. De wereld zou er vandaag helemaal anders hebben uitgezien en in geen enkel opzicht gelijken op het zootje dat al die doorgeleerde bollebozen ervan hebben gemaakt.

               Ik moest denken aan een collega van destijds. Je kon er gif op innemen. Naderde de dag van het eerste rapport, ongeveer begin oktober, dan zakte zijn hoofd tussen zijn schouders. Beide handen had hij nodig om het te ondersteunen: ‘Die mannen lijken helemaal niks te hebben geleerd in de Lagere School. Neen. De leerlingen van vorig jaar, die waren stukken beter.’
Elk jaar opnieuw. Veertig jaar na elkaar.
De gedachte dat de zwakken van gisteren de sterken van vandaag geworden waren en dat dus ook de dommen van vandaag de slimmen van morgen zouden zijn, bood hem geen troost. Ik probeerde nog te nuanceren, citeerde Socrates over de jeugd van tegenwoordig in de oudheid. Vruchteloos evenwel. Geloof mij op mijn woord, de leerkrachten Metaalbewerking die ik in mijn leven heb ontmoet, hechten weinig waarde aan de aforismen van een Grieks filosoof.

               Bij algemeen gejammer en geweeklaag over het onderwijs gaan bij mij vanzelf alle sirenes loeien. Meteen heeft iedereen een mening klaar. Gisteren nog was iedereen viroloog en na de zomer wordt Iedereen coach van het vaderlands voetbalelftal, vandaag is iedereen onderwijsdeskundige. Want wie ooit al eens bij de bakker over de stoep kwam, weet natuurlijk hoe je het beste brood bakt. Wie bij Ikea op een regenachtige zondag een kötbullar door de keel wrong, kan zo de meubelmakerij in. Al laat zich daar de belabberde kwaliteit van het wiskundeonderwijs wel degelijk gevoelen, altijd is er wel een vijs te weinig of te veel.
               Je merkt het vaak niet en soms valt het ook moeilijk te geloven, maar iedereen versleet weleens op de schoolbanken een stuk textiel.  En dus weet iedereen hoe dat moet, school maken. Pedagogen, experts, journalisten, politici, bakkers, gehaktballendraaiers bij Ikea, houtbewerkers en wie dan ook buitelen als gekken over elkaar om de wereld te verrijken met hun mening. Hoe hoger de leeftijd, hoe schriller de klaagzang.

               De oplossing voor het probleem is simpeler dan het wereldbeeld van Tom Van Grieken.
             Stap één: De lat moet hoger. Stel eisen. Ram hem erin, die leerstof. Meer dril, net als toen. Ordnung und Disziplin muss sein. Sofort! Wie denkt dat school ook leuk mag zijn, dwaalt. Het leven is geen speelplein en de school al helemaal niet. Kind kan je altijd nog zijn in je vrije tijd, tussen scouts, balletschool en pianoles in.
               Stap twee: red de leraar. De arme duts. Hij heeft het zo moeilijk. Hij moet zoveel en krijgt daarvoor zo weinig terug.
Verminder zijn takenpakket en vermeerder zijn loon.
Verlos hem Heer, van jaarplan, lesvoorbereiding en Smartschool.
Bevrijd hem van dat vermoeiende speelplaatstoezicht, van bijscholing en personeelsvergadering, bemoeizuchtige directies en pesterige doorlichters.
Verlos hem van vervelende ouders. Zorg dat die zich weer helemaal richten op hun kerntaak: belastingen dokken om de wedde van de leerkracht te garanderen en zich verder onthouden van elke bemoeienis met het wel en wee van hun in onnadenkende wellust verwekte vlees en bloed.

               En nu u toch met ruwe bezem de Augiasstal reinigt, Heer, veegt u meteen ook al die vervelende kinderen onder de mat.
Met hun taalachterstand, dyslexie en ontelbare leermoeilijkheden
hun karakterstoornissen, Gilles de la Tourette en borderline
hun schaar-steen-papiertherapie, agressiebeheersing en gendertwijfels
hun lege brooddozen, slonzige turnpakjes en ongewettigde afwezigheden
hun onderontwikkelde prefrontale cortex en beperkte fantasie
hun kinderachtige speelsheid en onachtzaamheid
hun co-ouderschap, twee thuisadressen en oudercontacten met vier of meer vaders en moeders
hun angst voor het klimaat, de oorlog en het leven.

Laten we het kind in het kind negeren.
Tot meerdere eer en glorie van het niveau in wiskunde en ICT.

Fantoompraatje

               Het applaus na de voorstelling dooft langzaam uit. De eerste toeschouwers verlaten de zaal. Zegt de vrouw naast me tegen haar vriendin: ‘Die schapen vond ik wel een belachelijke.’  
               ‘Anders wel een bangelijke,’ antwoordt de vriendin. Intussen rommelt ze in haar handtas, typt een code in haar telefoon en wacht. Ik wacht mee. Ik ben hun gevangene, op stoel zes van rij twee. Zolang de dames op stoelen twee en vier blijven zitten, kan ik de zaal niet uit. Als een gazelle over keuvelende oudere dames wippen, lukt me al enige tijd niet meer zo best.
               ‘Een originele, dat zeker wel,’ geeft de eerste mevrouw toe.

               Ze spreken in fantoomzinnen. Een belachelijke. Een bangelijke. Een originele. Het zelfstandig naamwoord lijkt er nog bij te zijn maar is het niet. Het is weg, als een geamputeerd lidmaat. De toehoorder mag de prothese kiezen die hijzelf het meest vindt passen.
               Het ogenblik waarop beslist werd het zelfstandig naamwoord te amputeren moet ik op reis geweest zijn. Ik heb het helemaal gemist. Net zoals toen iedereen plots noemde in plaats van heette. Of jaren later mensen allemaal ineens ergens iets hadden van. Ik kreeg er toen ook ergens wat van, op mijn systeem om precies te zijn. En helemaal toen ook dertigers en veertigers opeens alles kei begonnen te vinden. Keitof, keigezellig, keizacht. Keibelachelijk vond ik dat.

               Er is iets mis met hoe wij omgaan met onze taal. Woorden worden heden ten dage in hoge mate verwaarloosd, mismeesterd, misbruikt. Misschien is het beter ze maar helemaal te deleten. Beeld zonder klank. Net zoals in het schouwspel dat de dames en ik net hadden bijgewoond. The Sheep Song, heette het. Het Schapenlied had voor mij even goed gekund. De meerwaarde van al dat Engels in onze taal ontgaat me. Anyway, het geblaat van een kleine kudde schapen was de enige tekst uit het hele stuk. Verder zei geen enkele acteur een woord. Een idee dat navolging verdient.
               Ook zonder woorden was de vertelling helder. Een schaap wil mens worden. Dat lukt niet best. Dat had ik dat schaap vooraf ook wel kunnen vertellen. Dat had het dier veel moeite en mij zevenentwintig euro bespaard. De queeste van het beest eindigt waar het begon, bij de kudde. Die keert zich nu echter van haar af. Over de onderliggende moraal moet ik nog even denken. Dat is wel een diepe, geloof ik.

               Dat woorden overbodig zijn vindt ook Liesbeth Homans, voorzitster van het Vlaams Parlement. Het nieuwsmedium Apache stelt vragen over de vergoeding van langdurig afwezige parlementsleden, zoals Sihame El Kaouakibi. Liesbeth verstuurde prompt een e-mail naar haar medewerkers met het advies aan die vraag zelfstandig noch enig ander woord vuil te maken. Negeren, luidt het ordewoord. In een tijd waarin men alles moet kunnen zeggen, moet men ook over alles kunnen zwijgen. Toch wel een dubbele.

               Wie wél alles mag zeggen is Tom Van Grieken, voorzitter van die partij die ijvert voor vrije meningsuiting. Voor zover het tenminste haar eigen mening betreft. Hij mag een gastcollege geven aan de KUL. De universiteit verschaft hem een podium om zijn opgeblazen waanideeën over eigen volk, islamisering, omvolking en onbetrouwbare elites als waarheid uit te strooien over de hoofden van eerstejaarsstudenten. Er is veel protest tegen de invitatie. De KUL zelf zegt “het maatschappelijk debat te willen aanzwengelen.” Op Twitter, waar het vaak erger stinkt dan aan de pissijn bezijden de kathedraal na de Bollekesfeesten, orakelt een professor: ‘Hitler werd ook door het volk verkozen.’ Beetje prof leidt daaruit dan af dat het volk, als dat al bestaat, de bal weleens misslaat. Zich door oppervlakkig bekkende schijnoplossingen makkelijk om de tuin laat leiden. Of voegt eraan toe dat Hitlers eerste beleidsdaad eruit bestond elke oppositie te verbieden. Het vrije woord gebruiken om het af te schaffen, wel een paradoxale.
               Mag dan niet elke mening vrij worden verkondigd? Dat is een makkelijke. Natuurlijk wel. Graag op ietwat beschaafde wijze, dat vind ik wel een belangrijke. En ook, woorden doen ertoe. Ze zijn als kruiden, sommige zijn heilzaam, andere giftig. Je laat ze beter niet los op de achteloze luisteraar zonder kritisch wederwoord. Voor je het weet krijg je partijvoorzitters die elke week in De Zevende Dag zonder tegenspraak van jetje komen geven en verder elk debat uit de weg gaan. Fantoomdemocratie.

               ‘Kijk hier, ons Daphne.’ Met verzaligde blik duwt de ene vrouw haar Samsung onder de neus van de ander. Een ukje op een deken.
               ‘Een schoontje,’ reageert de vriendin. Ze staan eindelijk op, ik kan op zoek naar de vestiaire. Gelukkig, anders wordt ook deze avond weer een late.

Het schouwtoneel dat wij bespelen

De wereld is een schouwtoneel dat wij bespelen
Voor iedereen een luchtkasteel om van te delen
En krijgen we niet al te veel, ’t kan ons niet schelen
We vinden ook het minste deel sensationeel

(Goeiemorgen Morgen, Nicole & Hugo)

            Vrolijke vrienden waren wij toen nog. Neder gezeten in de ronde genoten we van elke stonde. Opgewekt en blij schoven we nog wat dichterbij. We dronken melk, plantten een boom, verlangden niet meer dan een bloem en wat gras dat nog groen was. Een boom. Zicht op de zee. Wereld en toekomst lagen aan onze voeten, wij zouden er wat moois van maken.
Dat voelden wij aan ons hartje.

               Het flitst allemaal door mijn hoofd terwijl ik naar comfort zoek in het rode fluweel van stoel 1, rij 9 op de parterre in de Bourlaschouwburg aan de Komedieplaats. Het zitje zakt schuin weg. Nog voor de voorstelling begint protesteert mijn rug. Nochtans hou ik van deze zaal. Van de vroegere grandeur die je nog altijd proeft, van dat schilderachtige plafond. De adem van vergane glorie walmt nog uit de gordijnen en de scène blijft een gapend gat van mysterie. De bühne, zegden mensen die ook schouwtoneel in hun liedjesteksten gewurmd kregen. De magie van de illusie, telkens weer voel ik me als het kind van toen. Als dadelijk een acteur in het spotlicht drie keer blub zegt, geloof ik dat ik naar een goudvis kijk.

               Al snel verwijlen mijn gedachten naar de trieste komedie die heden ten dage wordt opgevoerd. Deze iconische theatertempel speelt de hoofdrol. Hijgerig als een Hollandse schrijver hapt dit Toneelhuis naar een laatste luchtbel. Zuurstof kost heden ten dage drie en een half miljoen euro. De regioboekhouder houdt de vinger op de knip. Op zijn kabinet fulmineert men al jaren over die linkse subsidieslurpers die zogenaamde Kunst scheppen voor een beperkte snobistische elite. Politiek en Artistiek, het blijft een ingewikkelde relatie. Welke relatie is dat niet?
               Bedoelde elite mag bij die bedenking ook even stil blijven staan. De brochure op mijn schoot bulkt van hoogdraverig gedram: fantasmagorische scenografie, iconoclastische beeldenstorm, efemere kunstvorm. Het hoeft voor mij niet bepaald Met Nicole aan de Rol of Hugo in de Hubo te zijn, maar dit kan beter.

               Ik denk aan een ander theaterstuk, bij Phara in de studio. De acteur die het Huis verdedigt is niet woedend. Hij is strijdvaardig. Hij wikt zijn woorden, voorzichtiger dan hij het op scène zou doen. Hij zou nochtans moeten razen, men rooft het beleg van zijn boterham. Hij blijft in zijn rol, waardig en beschaafd.
Ook de journalist laat vanaf de zijlijn niet het achterste van zijn tong zien. Je hoort hoe hij luidkeels zwijgt over de olifant in de zaal: de politieke partij die de geldkraan opent of sluit als was het een sluis aan de IJzer. Wie niet de Vlaamse belangen voor het voetlicht brengt, zoekt het zelf maar uit.

               Troost vind ik in het café om de hoek. Van op een strategisch gekozen plek nip ik zuinig met kleine slokjes van mijn Duvel om zo lang mogelijk te kunnen genieten van het schouwspel dat zich afspeelt voor de tapkast. De lange blonde haren van een vrouw prikkelen mijn verbeelding. Ze wiegen als gouden golven over haar halfnaakte rug. De vrouw is slank en draagt een achteraan laag uitgesneden zwarte jurk. De jonge man met wollige zwarte baard naast haar tekent figuurtjes op haar blote schouder, haar rug, haar dij. Nu en dan leunt hij wellustig tegen haar aan. Zij rilt. Ik zie hoe hij loenst naar haar decolleté en fantaseert over wat de nacht hem nog bieden zal. Een weeë geur van testosteron walmt over de tafels. Ik probeer me te herinneren hoe het was om hem te zijn. Nicole en Hugo stonden nog op de bühne toen.

               De man fluistert iets in haar oor. Terwijl ze antwoordt draait de blonde vamp zich naar hem toe. Dit moet schoktherapie zijn. Haar gezicht vertoont meer rimpels dan het Noordzeestrand bij eb. Er zitten zwarte gaten in haar mond, ooit moeten daar tanden hebben gestaan. Over haar kin loopt een waterige lijn, speeksel of gin-tonic. Ze klinkt als een verkouden kraai in de winter. Als ze weer voor zich kijkt, draperen haar haren spontaan een verleidelijk gouden gordijn over haar schouders.

               Ontdaan klok ik de halve Duvel in een geut in mijn keel en reken af. Dit is het leven. Een doen alsof. Telkens weer verbrijzelt de waarheid met een sloophamer de verbeelding.
Dat het pijn doet voel ik aan mijn hartje.