Jagger

Ik een stiltezoeker. De radio staat hier vaker uit dan aan. Bromt en knettert het op de straat, achter dikke deuren en dubbel glas blijft het stil. Enkel het gezoem van de laptop en het gefluister in mijn hoofd baren enig geroezemoes. In deze atmosfeer van geluidloosheid ontmoet een mens zichzelf.

Een vitalo ben ik ook nog, naar het schijnt.
Je denkt al gauw aan een granenkoekje of een vibrator, maar ik ben geen van beide. In Nederland omschrijft men met deze gekunstelde letterbrij de zogenaamd actieve oudere. Het kind moet een naam hebben, de oudere ook. Men bedoelt die krasse meiden en rakkers voorbij de vijfenvijftig die desondanks nog enige vorm van activiteit vertonen. Ze hebben er tijd en duiten voor, goesting en gezondheid.
In Vlaanderen maakt men daar nu jagger van. Belachelijk veel beter, ik voel het aan mijn lippen. Men deed eerder wat lacherig over de zestigjarige wielertoerist met gebronsde kuiten: kijk hem daar, papa wordt ouder maar geeft nog niet toe. Dat was lichtjes tegen het zere been. Blijft de vraag: waar is die markering voor nodig?

Laatst raakte ik op een feestje aan de praat met een vrouw, ze zal ergens halfweg de dertig zijn.
“Ik mag dit eigenlijk niet vragen,” zei ze, “maar hoe oud ben jij precies?”
Informeren naar de leeftijd van een jagger hoort blijkbaar niet. Alsof daar een of andere belediging in schuilt. Het voelde even alsof ikzelf, in hoogsteigen persoon, verantwoordelijk was voor de overbevolking op de aardkloot. Dat ik daar best wel beschaamd mocht over zijn. En dat daarvoor een oplossing bedenken heus niet zo’n moeilijke opdracht was. Je staat tenslotte toch al dichter bij graf dan wieg.
“Eenenzestig,” antwoordde ik. Methusalem leek jonger.
Wat dacht ze te zien? Welke eigenschappen kleefde ze spontaan op deze herfstbloeier? Oud en traag? Wellicht. Stram van lijf? Kort van stof? Vervuld van weemoed naar eerdere tijden, de geest verroest? Een museumstuk, verpakt in olifantenvel, immuun voor alle leed op de planeet en ver daarbuiten. Heeft zo’n jagger ook nog seks? Hoe goor is dat, zelfs? Bwèikes.

Het gesprek stierf een welkome dood. Ik bestelde een Duvel en sloot mijn ogen. Ben jij anders misschien, vroeg ik me af.
Ik verzon een kleuter, een meisje. Schattig, associeerde mijn hoofd. Misschien kliedert ze haar papjes op het vast tapijt, krijst ze mama en papa moedwillig urenlang uit hun slaap, pist en kakt ze als een wild dier in het oerwoud en propt ze wellustig een pietluttig vingertje in oma’s nog niet blinde oog. Schattig.
Op de dansvloer pronkten meisjes van nog geen twintig met borsten en billen. Haantjes met baard en haarknot schokten obsceen de heupen. De schaamteloosheid van de jeugd. Dat wordt weer smossen en kotsen, straks, dacht ik achteloos. En dan morgen in bed liggen stinken tot de vroege namiddag.
Aan tafeltjes rondom de vloer keken dertigers en veertigers zwijgend toe. Enkele vrouwen schopten hun schoenen aan de kant en mengden zich in het jonge geweld. Mannen, buiken met enige zwelling, namen nog een sterk biertje in. Zij keken vertoornd naar hun vrouw en met onverholen blik naar de vriendin. Dat wordt weer ruzie, dacht ik, als de babysit naar huis is en de jongste zich uit een nachtmerrie brult.

Ik ben natuurlijk geen haar beter dan u. Ook ik observeer en evalueer schaamteloos de zogenaamde trots der schepping. We labelen ons het pleuris, kleven etiketten op geboortegrond en huidskleur, rijkdom en geslacht, geloof, overtuiging of leeftijd. We strooien met vooroordelen als met confetti op oudejaarsnacht. De jeugd van vandaag is verwend, pubers zijn balorig. Een twintiger leeft onverschillig, een dertiger zwoegt en ploetert. De veertiger koopt een dikke moto, de vijftiger zoekt een jong nieuw lief. De zestiger wordt onstuitbaar een vitalo.
Of een jagger, godbetert.

‘En wat toen? Te doen?’ vraagt de dichter.
Komt de dag. Je weet amper zelf nog wie je bent. Het etiket op je voorhoofd blijft onbeschreven.
De groep zonder naam. Van Paula en Lutgart. De groep waarvoor het mag stoppen. Het is genoeg geweest, klaar. Politici, filosofen en tooghangers praten over je, jouw mening doet er al een hele tijd niet meer toe.
Wat ben jij nog? Een afwachter? Een mortalo, ha!
Ja ja, met deze jagger kan je lachen. Zet me op een feestje en de pret kan niet op.

Ik leeg mijn glas, wend me af, zoek in huis de stilte op.
Om te gaan kijken wie ik ben.

Vooruitgang

De man in de zelfscanafdeling stond wat onwennig te draaien.
Uit zijn blauwe winkelmandje plukte hij een klein broodje, wit, gesneden.
Dat schoof hij over de zwarte bodemplaat, zoals hij de kassiersters zo vaak had zien doen. Er gebeurde niets. Hij wiegelde met het broodje voor het scherm. Nog steeds niets. Nadrukkelijk legde hij het weer op de plaat, drukte het stevig aan en schuifelde het hoopvol heen en weer. Hij keek naar het broodje, naar het scherm, naar het broodje. Er gebeurde nog altijd niets.

“Dat spel marcheert niet,” zei hij tegen zichzelf, luid genoeg voor de omstaanders om te horen. Achter zijn oorschelpen zaten twee hoorapparaatjes weggemoffeld. Borstels pierden uit zijn oren, zijn witte haardos kranste stekelig om zijn hoofd. Dikke brillenglazen bedekten waterige ogen. Hij fronste zijn voorhoofd, rimpel op rimpel op rimpel.

De toezichthoudende caissière in donkerblauw uniform schoot hem ter hulp.
“Dit is de scanner, meneer,” demonstreerde ze, “en die houd je op deze manier voor de streepjescode op de verpakking. De rest gaat allemaal vanzelf.”
“Ha, zo, merci,” zei de man. Fijne zweetdruppeltjes glansden op zijn voorhoofd. “Als je dat niet weet, dan gaat het niet, hé juffrouw.” Het was jaren geleden dat iemand haar nog juffrouw had genoemd. Ze glimlachte flauwtjes en nam weer plaats achter haar toonbank. Als een schooljuf bij een examen overschouwde ze de stuntelende klanten.

De man mikte met het scannerpistool op een kartonnetje met eieren. Piep, zei het scherm. Hij keek opgelucht. Smeerkaas. Piep, zei het scherm weer. Het televisietijdschrift draaide hij om en om. Het scherm bleef stom. Hij probeerde nog een keer, richtte doelbewust op de rij streepjes. Piep, hernam het scherm. Hij zuchtte, diepte een kleine bloemkool uit zijn mandje. Ook tussen het groene loof verstopte zich geen barcode. Met smekende ogen zocht hij de blik van de kassierster.

“Het is allemaal te moeilijk geworden, juffrouw.” murmelde hij. “Vroeger legde je alles gewoon op de band. De kassierster deed dan de rest. Je moest alleen nog maar inladen, ondertussen kon je nog gemakkelijk een babbeltje doen.”
“Voilà mijnheer. Alles staat erop,” zei de kassierster terwijl ze alweer de weg inzette naar haar uitkijkpost.
“Het is toch waar hé mijnheer,” sprak de man me aan. Hij noemde me net geen jongeman. “Je moet tegenwoordig alles zelf doen. Ze maken het met al die nieuwe dingen een mens toch veel te moeilijk.” Hij zuchtte weer en tilde zijn half gevulde boodschappentas van de grond.

Ik dacht aan de laatste jaren van mijn moeder, hoe ze toen onbegrijpend naar de wereld keek. Op een keer had ze gevraagd: “Die www op de tv, wat wilt dat eigenlijk zeggen? Dat is er ineens en niemand legt uit wat dat is.” Hoewel ze uiteindelijk toch nog 2015 haalde, heeft ze met internet nooit kennisgemaakt.
Op een dag namen we haar mee met de wagen om nog een keer Bokrijk te gaan zien. “Neem de volgende rotonde, tweede afslag links,” commandeerde Lucy, de dame met Vlaams-Nederlandse tongval vanuit de GPS.
“Kan die madam ons zien? Hoe weet die waar wij zitten?” vroeg mijn moeder.
De wereld volgde paden die zij met haar oude knoken niet meer kon belopen.

De man naast me ook niet.
Hij stootte zijn tas tegen het klapdeurtje aan de uitgang. “Juffrouw, dat ding gaat niet open,” riep hij. Hij had het helemaal gehad nu, wierp zijn schaamte af. Hij wilde naar huis, in zijn pantoffels met de papieren krant op schoot.
“Je moet wel eerst betalen hé meneer,” riep de kassierster vanop haar troon, “dan rolt er een kasticket uit de machine. Als je dat scant, draait het deurtje vanzelf open.” Je hoorde dat ze dit verhaal niet voor het eerst vertelde.

“Godverdomme,” vloekte de man. “Ik vergeet gewoon te betalen! Ik ben helemaal de kluts kwijt, juffrouw.” Zijn stem brak.
Ze smolt. “Kom maar mijnheer,” zei ze. Ze bracht hem aan de arm weer naar het scantoestel. Ze bespeelde een paar icoontjes op het scherm, wees hem de gleuf voor zijn bankkaart, nam het ticket en leidde hem weer naar de uitgang. “Alles bij, mijnheer, niets vergeten?” vroeg ze.
Onder haar uniform verborg zich nog steeds een vriendelijk meisje.
“Nee nee,” lispelde hij. Het deurtje klapte open, de grijsaard slofte richting pantoffels.

Ze draaide zich om, bekeek de gapende omstaanders.
“Op een dag is het onze beurt,” zei ze.

Woordangst

Ik ben bang van een boek.
Kan dat? Je kan schrik hebben van dieren, ja. Van mensen, zeker. Maar van dingen? Een ding op zich is dood, is niets. Een keukenmes in een blok is even boosaardig als een pasgeboren baby. Pas als een dronken kok ermee begint te zwaaien, wordt het gevaarlijk.

Het boek is niet eens dik of zwaar, amper tweehonderd pagina’s.
De flap is zwart. In rustige witte letters, Times New Roman, de naam van de auteur, titel en ondertitel. Dat avondwit op nachtzwart beangstigt een beetje. Hier geen kleur, zelfs geen grijs. Tussen auteur en titel de contouren van een gezicht. Geen gerimpeld voorhoofd, geen neus, geen ogen, geen vlekjes of puistjes. Het gelaat als een vel papier, vol met handgeschreven, niet te ontcijferen woorden. Twee dikke strepen rode verf bedekken de mond. Je ziet geen lippen, geen tanden, geen lach, enkel die twee ruwe, dikke vegen. Monddood.

Het boek heet ‘Ik zal de wereld nooit meer zien’. Ahmet Altan is de schrijver. De ondertitel: Aantekeningen uit de gevangenis.
Je weet nu al: dit boek vertelt een verhaal. Niet een verhaal waarbij je opgewonden raakt of niet kan stoppen met lezen voor je weet wie het gedaan heeft. Maar een echt verhaal, een dat moet verteld worden. Omdat de wereld hoort te weten hoe het is, in dat land van Erdogan, in die gevangenis. Het enige dat de gevangene nog kan, is het woord verspreiden. Hij is niets meer, heeft geen ogen, geen neus, geen gezicht. Hij is alleen nog stem. Met rode verf probeert men ook die te smoren. Maar het woord laat zich niet vangen, sijpelt overal doorheen.

Tijdens een avond in een bruin café vertelde iemand me over dit boek.
“Mijn vrouw,” zei hij, “leest nooit boeken.”
Anekdotes over echtgenotes doen het altijd goed. Dat belooft lachen.
“Ikzelf lees altijd en overal. In bad, bed, op het toilet.” Herkenbaar.
“Na dit boek ging dat niet meer,” ging hij door. “Het bleef zinderen in mijn hoofd. Ik kan een flinke zeur zijn af en toe en bleef er maar over doordrammen.” Nog steeds herkenbaar.
“Tijdens  een wandeling met mijn vrouw, ik had het al minstens een week uit, opnieuw. Dit boek kleeft aan me, vertelde ik haar. Ik krijg het niet van me afgeschrobd, het zit op en ook onder mijn huid. Ik weet niet wat ik hiermee moet.”
Ze antwoordde: “Lees dan zulke dingen niet.”
Je begrijpt haar, zij bewaakt de rust in huis. Maar je weet natuurlijk dat haar voorstel geen optie is.

Dat vertelde ook Erik Vlaminck, voorzitter van PEN Vlaanderen. PEN ijvert voor vrije meningsuiting, ook hic et nunc een belangrijk goed waar we zuinig op moeten zijn. PEN zet zich in voor vervolgde auteurs en verzet zich tegen elke vorm van censuur.
Ik probeer me voor te stellen hoe dat is, een vervolgde auteur zijn. Waar haal je de moed om te blijven spreken? Je taal wordt verkracht, je woorden verdraaid, misbruikt, in andere contexten geplaatst.
Je weet dat.
Je blijft doorgaan, welke prijs je ook betaalt, al kost het je je vrede, je vrijheid, je leven.

Zelf ben ik niet zo’n held. Ik schrijf soms een onnozel verhaaltje. Hier en daar voelt een Langteen zich aangesproken. Men weent, dreigt wat, een telefoontje, een sms’je, een mail. En ik zwijg. Ik blijf zwijgen tot op de dag dat ik me veilig weet. Laf misschien, het zij zo, het heldendom is niet aan mij besteed.
Echte helden, echte schrijvers ook, laten zich het zwijgen niet gelasten.

PEN-auteur Peter Theunynck schreef daarover een gedicht, ‘Vink’.
Dat deed hij voor Ashraf Fayadh, een Palestijns dichter die wegens godslastering in Saudi-Arabië tot onthoofding werd veroordeeld. Die straf zette men om in acht jaar gevangenisstraf en achthonderd zweepslagen, toe te dienen op zestien verschillende tijdstippen.
Lees deze laatste zin nog een keer.

Vink

Voor Ashraf

Een vink blijft zingen
achter tralies.

Een vink blijft zingen
met een kap op de kooi.

Een vink blijft zingen
op water en brood.

In het holst van de winter
blijft de vink zingen.

Schroei haar ogen dicht
en zingen doet de vink.

God schiep de vink
om te zingen.

Peter Theunynck (Uit: Tijdrijder, Wereldbibliotheek, Amsterdam)

En nu, laat me, ik ben er even niet. Ik ga de wereld zien zoals Ahmet Altan het doet. Vanuit zijn  gevangenis.

Wat we zelf doen

U moet me geloven.
Heel graag had ik u op deze pagina een vrolijk discours geboden, doorspekt met woorden van blijdschap en genoegen.
Zeer zeker had ik gehoopt met u mijn contentement te kunnen delen over de dagen van vreugd en welbehagen die ons de komende vijf jaren staan toe te lachen.
Volgaarne zou ik u, weliswaar spreekwoordelijk maar niettemin smeltend van hartstocht, hebben omarmd om samen de polonaise te dansen op de tonen van een onverslijtbaar Zo Ne Goeie Hebben Wij Nog Niet Gehad.

Helaas.
Het is me vandaag droef te moede.
Het zal wel toeval zijn, maar precies op het ogenblik dat de schouw van de statige ambtswoning op het Martelaarsplein witte rook uitwasemde en het Habemus Papam over het land schalde, begon de hemel zachtjes te huilen. Misschien had ook het zwerk gehoopt dat over deze morzel grond, de grootte van och heer ocharme een kinderzakdoekje, een boodschap van Verlichting zou weerklinken. Allen zijn wij broeders, Vrijheid, Gelijkheid, Broederlijkheid weze onze leus. Echter, nog steeds pleuren de wolken zonder ophouden zure tranen over het grondgebied.

Ten tweede male, helaas.
Ik moest denken aan mijn vader. Bij leven zou hij vandaag zijn negenentachtigste winter afwachten. Echter, hij keerde al weder tot stof en as. Vergis u niet, de herinnering verplettert mij niet met groot verdriet. Er werden de voorbije jaren in dit huis geen tranen over zijn verscheiden geplengd. Voor menig buitenstaander wellicht moeilijk te bevatten doch wie beschikt over enig inzicht in de familiekroniek, kijkt niet verbijsterd op.
Het is de laatste verzuchting op zijn sterfbed die door mijn gedachten dwaalt: “Als ik ergens spijt van heb,” zei hij, “dan wel dat ik Vlaanderen nooit onafhankelijk heb gezien.” Er waren, zelfs nog op dat moment, dwingender excuses te bedenken die me wellicht milder hadden gestemd. Het zij zo. De dood sluit elke herkansing meedogenloos uit.

Een anekdote, u moet me geloven.
Ik leerde het toetsenbord bepotelen op een groene Olivetti 46, gesteund door de handleiding ‘Typ Gezwind, Tienvingerblind’, bij een leraar die P. Jambon heette. Uit te spreken op zijn Frans, jean-bon. Dat klonk statig, rook naar gezag. Vandaag horen we ‘jam’-‘bon’ te zeggen, als een halfslachtig oordeel over een kwakje aardbeienconfituur. De vrouw van die leraar overigens, heette Vanespen. Op een roze tekenblad van dun karton tekenden wij in sierlijke letters de namen van de echtelieden, h inclusief. Voor op de deurbel, schreven we erbij. Met een rekkertje schoten we de prop naar het bord. Flauw, reageerde hij dan. Wellicht had hij gelijk, maar wij vonden het grappig.

Helaas, driewerf.
De nieuwe leider kondigde een lustrum aan van kou en kilte. Hijzelf ziet dat anders. Hij troggelt van de toch al kale kip de laatste duiten af, bergt de boei waaraan de vluchteling zich nog kon klampen, metselt een extra stenenrij op de muur die de behoeftige scheidt van de vetpot en declameert: “We zijn een natie, warm en gastvrij. Excelleren gaan we, ze zullen ons niet temmen.” Hij orakelt en oreert, probeert het volk te paaien met dure slogans. Onderaan de woordenbrij pulseren de drie woorden waar zijn beleid op steunt en die hij vruchteloos probeert te maskeren: eigen volk eerst.

Ik weet niet wie dat is, eigen volk. Die liefde voor het vaderland is mij onbekend. Wie claimt verdienste over de akker waarop zijn vader zaaide? Wat is een mens meer dan het snelste zaadje uit de zondvloed van de dag? Hoe ijdel is hij die gelooft dat zijn geboorteplek een geschenk is, exclusief voor hem voorbehouden, waar alleen hij en hij alleen recht op heeft? Hoeveel heilige gronden telt deze gestaag opwarmende planeet, deze minuscule stip in een uitspansel waarvan men de grenzen niet kent?

Dit is een land van stickers op autoruiten: VTM Kleurt Je Dag, Ik Ben Vlaming en Ik Ben er Fier op, Plopsaland.
Een land waar men bakkeleit en hakketakt over de kleur op het lint om de buik van de burgemeester. Waar men strijdt voor Zwarte Piet en varkensvlees. Een natie die klauwt en brult naar al wat vreemd is: kleur van vel, klank van taal, dracht van kleren, plek van herkomst, vorm van liefde, geslacht, geloof, overtuiging.

Ergens in Brasschaat, in een door groen omzoomde villa vullen de tonen van La Traviata de ruimte. Cognac walst in het bolle glas. Uitkijkend over de tuin vraagt de bewoner zich af: Armoede, bestaat dat?
Hij gelooft: Wat we zelf doen, Doen we beter.
Hij dwaalt.

Vogels moeten vliegen

Ze zegt: het is tijd.
Grote woorden maakt ze er niet aan vuil, het staat immers sinds ze zich heugen kan in haar sterren geschreven. Ze wist altijd al dat dit zou gebeuren. Niet of, vroeg ze zich, maar wanneer. En dat is nu.

Haast zesentwintig is ze.
Het nest is te klein. Ze heeft genoeg van rondjes draaien op de paardjesmolen rond de eeuwenoude kerktoren in het midden van het dorpsplein. Rond en rond en rond en nergens heen. Dat pad is plat. Betrapt en betreden door altijd dezelfde mensen, dezelfde dingen, dezelfde zinnen. Generaties deden haar dat al voor, generaties zullen volgen. Maar niet zij. Vogels moeten vliegen.

Morgen spreidt ze haar vleugels.
Naar Voelspriet of Nelspruit of zoiets, een of ander oord waarvan in deze contreien nog geen sterveling heeft gehoord. Het zwarte continent trekt aan haar als zwaartekracht. In de luchtstroom van de gierzwaluw ontvlucht ze de Noordse winter, naar het diepe Zuiden waar ook de zomer zich met lome tred op gang trekt. De zon reist met me mee, zegt ze en ze lacht. Warmen jullie je maar aan elkaar.
Ze gaat er luistervinken in het oerwoud, wil weten wat leeuwen brullen naar elkaar. Ze zal trompetten met de olifant en de ossenpikkers turven die zich tegoed doen op de schoften van buffel en nijlpaard. Samen met de giraffen wil ze eten van de hoogste bladeren. Ze gaat de slangen bezweren die zich ongenodigd in haar slaapplaats hebben genesteld.
Ze wil versmelten met een wereld die nog is zoals hij werd bedoeld, hem behoeden voor de alles verterende vernielzucht van het beest dat mens heet.

Dagen vullen zich met afscheiden en loslaten. Met eenzelfde zwaai moeten draden worden doorgeknipt en ankers uitgeworpen. Er dienen voorbereidselen getroffen. Injecties ingespoten, documenten opgemaakt. Bankrekeningen afgesloten, abonnementen opgezegd. Veel, heel veel wordt er geknuffeld. Beloftes gemaakt, we komen af, we gaan zeker skypen, een dagboek wordt verwacht.
Er moet ook ver vooruit gedacht, voor later, je weet maar nooit, een jaar is zo voorbij. Ook dan zal nog altijd het nest te klein zijn. Als ik dan toch niet daar, waar dan?
Hoeveel schier onzichtbare draden, kleverig als het web van een spin, lijmen ons aan de bodem waarop men ons geworpen heeft? Scherven van twijfels liggen als versplinterd glas aan haar voeten. Ze stapt er overheen, de lichte tred van de jeugd. Roekeloos en zonder zorgen zweeft ze haar dromen tegemoet. Ginds, achter verre einder en dan nog verder, straalt in een rode gloed haar toekomst. Niets of niemand, mens noch maatschappij, zal staan tussen haar en haar wereld. Ook de Liefde dient zich te bewijzen.
Ieder moet zijn dagen slijten en mijn dagen zijn van mij, zegt ze. Je wil toch niet aan het eind spijt over de tijd die je verloor met niet te doen wat je graag had gedaan?

Dagen lossen op in de tijd. Ze past haar kleren in een koffer die zich al wekenlang laat vullen en weer leegmaken, denkt aan dingen die ze zeker niet mag vergeten. Winkels worden bezocht, vriendinnen nog een laatste keer omarmd. De dag van Vaarwel Het Ga je Goed komt plots sneller dan verwacht, het leek eerst zo lang te duren.
Hoe lang ze gaat weet ze niet en ook hoe ver is nog onzeker. Ze denkt aan platte liedjes, afscheid nemen bestaat niet maar zij weet beter. Ze knuffelt mensen waarvan ze weet dat het de laatste keer kan zijn, die ze nooit meer in de ogen zal kunnen kijken. Dit begin is, cliché, ook een einde.
Heimwee beschouwt ze als een zinloos verlangen dat je geheugen je voorliegt. Een misleidend gezucht naar een plek en een tijd die nooit waren hoe je hoofd het zich verbeeldt.
Missen doe je pas als je niets beters omhanden hebt, des avonds, want het wordt er vroeg aardedonker. Ze redt zich wel, is het niet goedschiks, dan wel anderzijds.
Eenzaam zijn vreest ze niet. Hoe kan je eenzaam zijn in al dat leven? Temeer, de wereld is een dorp, thuis nooit ver. Ook Afrika kent internet.

Ze is klaar, warm van woorden, gekregen van mensen die ze met blinkende ogen achterlaat. Ze klappert even met haar vleugels, speels en energiek en roltrapt naar de tarmac. Ze wuift en lacht.
Morgen staat voor de deur.

#Hoaxen

“#HoaxenAlsVB al gezien?”
De twee jonge mannen aan het tafeltje schuin voor me, spelen met hun telefoon. Het glinsterende glas van het terras weert de wind, de zon warmt ons behaaglijk op. De tafeltjes staan op elkaar geprakt, het was wurmen voor een stoeltje.
Vooralsnog vergun ik ze geen aandacht. Ik nip dromerig van mijn Triple d’Anvers, geniet nog na van het zogeheten audiovisueel spektakel dat ik afgelopen weekend met fascinatie had gadegeslagen. Mijn stad, wispelturige metropool onder de Onze-Lieve-Vrouwetoren, herdacht het einde van de Tweede Wereldoorlog. Precies vijfenzeventig jaar geleden ranselden vereende krachten de Duitse bezetter uit haar straten en stegen, haar kieren en krochten. Het werd een beklijvende projectie op de façade van het pronte stadhuis.

“Op Twitter,” gaat de man door.
“Jij zit toch al op Facebook? En Instagram? LinkedIn? Pinterest? YouTube?” pruttelt de ander. En het leven, denk ik, niet vergeten. Je zit ook voor ongeveer tachtig jaar gelijmd op het platform dat wij Leven noemen.
Mijn hoofd herbeleeft de beelden van het Bevrijdingsfeest, in zwartwit, over de volle 76 meter gevelbreedte, gesplitst in drie panden. Het thema: Altijd Vrij, Nooit Vanzelfsprekend. Op een podium aan de voet imiteerden met weidse gebaren acteurs de dagen in oorlogstijd. Bezetting, honger, schaarste, het opspelden van de Davidster, het af- en aan gerij van vrachtwagens en treinen. Terwijl op de gevel zich langwerpige SS-panden ontrolden en wat we niet collaboratievlag mogen noemen, verhaalden Tourist LeMC en anderen over het stadse leven, hier en toen. Over twijfel en innerlijke strijd, welke kant te kiezen, welke prijs te betalen, over schaamte en wraak. Barre tijden zijn het geweest en het leven moeilijk. Aan het eind: 1944, Britten, Amerikanen en Canadezen. Altijd Vrij, Nooit Vanzelfsprekend.

“Twitter is echt lachen,” gaat de sociale mediaman veel te luid verder. Facebook is voor de vrienden maar Twitter, dat is voor de vijanden.” Zulke zinnen doen mijn oren groeien.
De Twitteraar gaat nu helemaal op in zijn eigen lied: “Filip Dewinter en Dries Van Langenhove hadden een filmpje rondgestuurd van camions waar allemaal mensen tussen liepen. Daar stond iets bij als: moedige Nederlandse trucker laat zich in Calais niet intimideren door blokkeervluchtelingen en crimigranten, zoiets. Maar dat had daar helemaal niks mee te maken, dat was een filmpje van Gele Hesjes in Luik. Dat is framing, compleet fake, snap je? Een hoax, zoals ze zeggen!”
Framing, fake, een hoax. Toen ik nog een korte broek droeg, noemden we een verhaal vertellen dat niet waar was, liegen. Achterklap. Kwaadsprekerij. Alsof in een modern kleedje bedrog minder erg lijkt.

Niemand kan op dit vlak levenslang onschuldig pleiten, bedenk ik. Zelf zweer ik In principe ten allen tijde bij de waarheid en niets dan de waarheid. Edoch! Als elke leugen met de doodstraf werd bestraft, ik bestond al lang niet meer. Het probleem van de overbevolking was als vanzelf van de baan. De waarheid verbloemen ligt in de aard der mensen ingebed.
Als kind verveelde ik mijn moeder na school vrijwel dagelijks met vertelsels. In een groot gezin heb je fantasie nodig om te worden opgemerkt. Die ene met nul fouten op dat dictee? Moi! Wie vloog het hoogst over plint en bok in de turnles? Yep! Wie mocht de priester vertolken bij het naspelen van de heilige mis en kende de gehele liturgie uit het hoofd? Hier se, Bibi!
Na een vakantie aan zee met de mutualiteit, ik was een jaar of elf, kwam ik thuis met een boek, de eerste prijs bij de zwemwedstrijd op de sportdag aldaar. Ze geloofde me niet. Dat krijg je als je altijd maar fantasietjes vertelt, zei ze. Als je verhaaltjes wil verzinnen, ga dan boeken schrijven.

Ik moet verder. “En nu is #HoaxenAlsVB trending,” hoor ik nog, “hier, kijk hier. Echt lachen, maat.”
Trending? Lachen? Laat maar. Ik vind dit niet om te lachen. Dit is boosaardig en intriest. Dit is ver voorbij de haatzaaierij, die zaden zijn eerder al gezaaid. Dit is bemesten, aanwakkeren, besproeien met groeihormoon in de hoop dat.. Ja, dat wat?
Altijd vrij, nooit vanzelfsprekend. Nooit.

Ik vraag de rekening.
Ik herinner me niet meer hoeveel hoeken van kamers ik ooit van heel dichtbij heb gezien, met hoeveel pedagogische tikken mijn fantasieën zijn betaald. Dat mag vandaag niet meer, dat vind ik ook.
Maar soms, zoals in Nu, voor de Parlementair Onschendbare Blokkeerpolitiekers en Criminformanten, wil ik ook van dát principe graag een keertje afwijken.
En het mag hard zijn.

 

Loslaten

De trein zucht, als torst hij een bezwaard gemoed. Zijn snuit, een slangenkop, kijkt sissend in het zwarte gat van de tunnel waarin hij straks moet verdwijnen. Langzaam vult zijn langgerekte lijf zich met argeloze passagiers, in zichzelf gekeerd, op weg naar ergens, een doel misschien.
Het hoofd van een man steunt tegen het raam. Zijn ogen staren, zien niets.
“De meneer kijkt verdrietig,” fluistert aan de overzijde van het gangpad het meisje tegen haar mama. Die tuit haar lippen en drukt er haar wijsvinger tegen: “Ssst, zo’n dingen zeg je niet.” Naar kinderen wordt zelden geluisterd.

Weifelend en kreunend sleept de slang zich traag over de rails, verdwijnt als een schaduw in het donker van de lange pijp. Arm in arm met het versnellende ritme klinkt ook luider het geluid: te–dem, te–Dem, Te-Dem, TeDEM, TEDEM. Pas waar het zwart van de tunnel en het melkwitte septemberlicht in elkaar overlopen, ontwaakt de man uit zijn verdoving, een boreling op zoek naar licht en lucht.
Wat voorbij is, ettert nog daar, voorbij het donker achter hem. Aan de hemel ziet hij hoe traag een kleine stip voorbij glijdt. Een oud liedje in zijn hoofd: ‘Dan plukte mijn hand hem uit de lucht en ik bracht jou weer bij mij terug. Als ik god was.’ Waarom zou god zoiets doen, vraagt hij zich af? Als hij de afloop toch al kent? What is the fucking point?

Het landschap raast voorbij. Een weide, bomen, een huizenrij, koeien. De laatste weken, de weken die de herinnering aan het afscheid oppookten, waren ook dit jaar weer, zoals elk jaar, als blootsvoets stappen over een kiezelstrand, scherpe venijnige steentjes die telkens weer op dezelfde plek dezelfde nog altijd rauwe wonden openrijten.
Alles gaat voorbij, zeggen ze. Er komt altijd weer iets anders in de plaats. Ze zeggen: blijven stilstaan heeft geen zin, het leven gaat door. Laat het los. Hoe dat moet, zeggen ze er niet bij.

Het melkwit verdonkert, de lucht kleurt grijzig. Het begint flauw te miezeren. De zon is al met vakantie, bedenkt hij. De zwaluwen zijn het land al uit en de kinderen weer op school. De bomen laten hun gebladerte los, de herfst komt vroeg dit jaar. Kastanjes bedekken als een bedsprei het plaveisel, overal vind je eikels. Hij monkelt.
De tijd vliegt. Het ene seizoen volgt op het andere, onafwendbaar, alles is altijd nieuw en tegelijk blijft alles ook altijd hetzelfde. Niets staat ooit stil, de wereld is altijd in beweging en niets verandert. Of toch? Alles komt ook altijd terug. Volgend jaar zijn er weer zwaluwen, dragen de bomen weer vrucht en blad, wordt het weer zomer. Alleen wat nooit beweegt, verdort en gaat dood.

In de verte ziet hij hoe de miezer verstuift en oplost, de zon een straaltje door het grijs prikt en de hemel kleurt met een streepje blauw. Misschien zit er nog wel een mooi nazomertje in, denkt hij.
De trein vermindert vaart, hakkelt, stopt. De man staat op. Hij rekt zich uit, maakt zich groot, schudt de stramheid uit zijn lijf, neemt zijn koffer, knikt naar de mama en het meisje en stapt naar de uitgang.
“Waarom lacht de meneer, mama?” vraagt het meisje.
De mama leunt met haar hoofd tegen het raam. Ze heeft niets gehoord, niets gezien.