Op zoek naar Schoonheid

Some guys have all the luck.
Het leven is een eeuwige zoektocht naar Schoonheid en Troost. Het is kunst de rozijnen te vinden in de oeverloze brij van trivia en weetjes op het wereldwijde web. Soms zit het mee. Zo stootte ik laatst pardoes op een Open Call.
‘Gewoon Oproep is ook niet verkeerd,’ bromde ik eerst nog.
De taalliefhebber in mij voelt zich alsmaar vaker als die stier in de arena, omringd door rode lappen en zigzaggende matadors. Op mijn leeftijd mag ik graag balorig worden over dingen die er verder op geen enkele manier toe doen, zoals het bovenmatig gebruik van Engelse termen waarvoor een perfect Nederlands alternatief bestaat.
Sommige jongens hebben alle geluk dus, zoiets.

Dit geheel terzijde.
Voornoemde oproep werd gelanceerd door Creatief Schrijven VZW, een platform voor lieden zoals ik, die het prettig vinden de kronkels van hun gedachten op min of meer deugdelijke wijze met de wereld te delen teneinde het bestaan van de medemens luttele ogenblikken op te vrolijken. De bede richtte zich tot bloggers en, in samenwerking met BREEDBEELD, adepten van de fotografie. Men zocht medewerkers om de World Choir Games te illustreren met woord en beeld.

De World Choir Games zijn voor het zangkoor wat de Olympische Spelen zijn voor zwemmer, kruisboogschutter of gewichtheffer. Het hoogtepunt van de carrière. De uitgelezen gelegenheid om het eigen kunnen te meten met gelijkgestemden uit alle hoeken van de wereld. Dé kans om een keer zelf voor het voetlicht te acteren. Het lot van de koorzanger is de achtergrond. Tenzij in een Griekse tragedie, krijgt hij zelden de hoofdrol toebedeeld. Die is heden ten dage weggelegd voor sporters of soapacteurs, clowns in praatprogramma’s en parlementen of aandachtzoekers op de socials.
Games en Spelen varen onder identieke vlag. Deelnemen is belangrijker dan winnen, al zal ook hier de winnaar het allemáál nemen. Ook bij deze wedstrijd hoort een vlam, is de bezetting internationaal en wordt het concours om de zoveel jaar in een ander continent georganiseerd. De vorige Games vonden in 2018 plaats in Zuid-Afrika – meer dan zevenhonderd deelnemers – de volgende gaan door in Zuid-Korea. En die van dit jaar binnenkort in Antwerpen en Gent.

Is de schrijver nu plots ook een zanger?
Geen paniek. Van stemvork of partituur begrijp ik evenveel als van de kronkels in het brein van Bart De Pauw. Een tijdlang leefde ik in de overtuiging dat diep in mij een rockster woonde, met een stem van schuurpapier en een charisma dat gletsjers doet smelten. Gelukkig brengen jaren inzicht met zich mee. Tegenwoordig verhef ik mijn stem zelfs niet onder de masserende stralen van de douche. De buurt kreunt nu al onder de aanhoudende lawaaivervuiling. Bladblazers brullen, grasmaaiers ronken en haagscharen razen, frequenter dan de gemiddelde puber aan seks denkt.
De Open Call stelde geen hoge eisen. Om een bijdrage te leveren aan dit Hoogfeest van het Zangkoor was kennis van muziek geen vereiste. Men vroeg een weinig tijd en veel goesting. Wie zich geroepen voelde, mocht een kandidatuur indienen.

De Schrijverij behoorde tot de selecte groep der uitverkorenen. Literaire doorbraak, hoor ik u denken, eeuwige roem, exuberante verloning, dat brood is gebakken, het bed gespreid. Niets van dat alles. Een ware minnaar van Schone Kunsten maalt niet om ordinair materieel gewin. Hij weet zich al voldoende beloond met een gratis toegangsticket, enige waardering en een inwijding in andere individuele expressievormen van individuele emoties.
Vorig weekend ontmoetten bloggers en fotografen elkaar. Wederom erken ik ootmoedig, ook van de wereld van het lichtbeeld at ik kaas, vlees noch vis. Foto’s worden geshopt, dat wist ik, maar de enige mij bekende lens is de contactlens en in mijn beleving gaat enkel de koffie door een filter. Er schijnen massaal veel pixels te bestaan, maar persoonlijk ken ik er niet een en van sluitertijd, groothoek of breedbeeld begrijp ik geen jota.

Wel kan ik mooi onderscheiden van lelijk. Warm van koud. Emotie van oppervlakkig. Een wereld openbaarde zich voor me toen de portfolio’s openlagen. Ik kreeg inkijk in de mens achter de lens. Zag hoe een man of vrouw achter de camera wikt en weegt, kijkt en kadert, schippert tussen kleur of zwartwit, focus of suggestie. Ik vertrok rijker dan ik was gekomen.
Het is zondermeer ontroerend te zien hoe bevlogen de liefhebber, of hij of zij schilder is of zanger, fotograaf, pottenbakker of meubelmaker, tracht naar Schoonheid in de wirwar van het bestaan, zoekt naar de bloem op de belt, de zilveren rand rond de donderwolk.
Tot zover woord en beeld. Tijd voor klank.
Let the Games begin.
Laat de Spelen aanvangen.

https://www.wcg2021.be/

Bomma zegt nee

Je hebt voldoende kilometers op je teller, zou je denken. Jou krijgen ze niet zo gauw meer op je paard. En toch, deze week.

Eerst.
Een hoop heisa over een BV en de grenzen van het fatsoen. Je wilde het negeren maar het was overal, de hele tijd. God en Kleine Pier trokken stante pede een toga over het hoofd, scharrelden zwaard en weegschaal bij elkaar en bonden zich een blinddoek voor. Wie heeft nog een wetboek nodig om recht te kunnen spreken?
Je scrolt door het oordeel des volks. Je maag tolt als een badlaken in een droogtrommel. Dat die wijven niet zoveel complimenten moeten maken. Dat ze het zelf hebben gezocht. Dat het allemaal zo erg toch niet is, een paar duizend tekstberichten, so what?
Als een ander ons op onze grenzen wijst, schreeuwen we woke en brand, maar zelf weten wij precies hoeveel die ander moet kunnen verdragen. Hoe erg moet het zijn, vraag je je af. Wie anders dan de belaagde zelf bepaalt die grens? Als ieder voor zijn eigen deur veegt, is heel de straat proper, zei de bomma vroeger.
Ooit onderrichtte je jongens van zeventien over liefde en lichamelijkheid. Zij wisten daar verbijsterend weinig over. ‘Als ze nee zegt, zegt ze nee,’ waarschuwde je. ‘dat heb je dan te accepteren. Vind je dat lastig, denk dan aan mij. Uw goesting zal rap over zijn.’ Haha en begrepen mijnheer. Doelstelling bereikt. Nooit geweten hoe vaak op zaterdagavond er ook daadwerkelijk aan jou werd gedacht.

Dan.
Die voorzitter van het Eigenbelang: ‘Als je politici minder gaat betalen, worden ze vatbaarder voor corruptie’. Dat moest even zinken. Aan uw eigen kent ge een ander, komt ook van de bomma.  Zesduizend euro elke maand, anders speelt hij vals. Zo zijn die politiekers, blijkbaar, ze zeggen het zelf. Jij bent natuurlijk betrouwbaarder dan de heilige maagd, dat spreekt, jij hebt geen zesduizend euro nodig om je boterham eerlijk te verdienen.
Een op vier gouwgenoten geeft dit creatuur een stem.
Soms wil je opnieuw geboren worden, op een plek ver van hier.

En nog.
Het land verkeert in nood, overal zoekt men centen. Jij weet ze liggen, makkelijk zat. Ruw geschat twaalfhonderd Belgen parkeren hun fortuin in een belastingparadijs, goed voor om en bij een slordige 172 miljard.
‘Legaal,’ verdedigt men, ‘gewoon de achterpoortjes van de wet.’ Dat verkleinwoord alleen al. Sluit die dan, denk je. Beetje Koninklijk Besluit is zo in elkaar geflanst, zie avondklok of knuffelcontact.
Maar neen, liever stroopt men de kei het vel af.
Het geld moet gehaald waar het zit en dat is, dat weten we allemaal, bij de Langdurig Zieke. Die moet eindelijk eens worden aangepakt. Dat stapt pas uit bed als de Gezonde al een uur nukkig in de file staat, op weg naar de dagelijkse slavenarbeid. Dat plukt de dagen, ontbijt op het gemak, eitje zacht gekookt, warme croissant erbij, kannetje koffie, krant. Dat gaapt door het raam, geeuwt nog een keer, mompelt ‘Laten we vandaag maar eens lekker niets doen. De Gezonden travakken wel voor twee.’

Jij weet beter.
Je was er niet lang geleden zelf een. Achter je de bruggen opgeblazen, voor je het gapende gat. Het vat der wilskracht leeg, de energievoorraad uitgeput. Elke volgende dag dreigde nog donkerder dan de vorige.
Je voelt nog steeds de schaamte, de machteloosheid, het pijnlijke besef overbodig te zijn. Dat loden schuldgevoel omdat je werd betaald voor werk dat je niet deed. Je was bang en onzeker, altijd benauwd voor de deurbel, ook op vrijdagavond, de controlearts slaapt nooit. Hij hoort je vijf minuten aan en beslist dan ontegensprekelijk over de rest van je leven.
‘Ga wat doen, leef’ adviseerde je psycholoog. Weer op straat, liep je dicht tegen de gevels aan, hoody over je hoofd. Je wilde niemand zien en door niemand gezien worden. Je schaamde je als je in de zon een boek las of ging fietsen.
Wat iemand een Langdurig Zieke maakt, interesseert de Gezonde niet. Een geknapte rug of geknelde zenuw, de nasleep van een officieel genezen kanker, een onzichtbare aandoening waardoor je aldoor hondsmoe bent, hem zegt het allemaal niets. Hij kent het niet, voelt het niet, moet er niet van weten. Jij bent de krekel, hij de mier. Jij zingt je door de dag terwijl hij in het zweet zijns aanschijns de ruif moet spekken die jij ongegeneerd weer leeg vreet. Na de Werkloze, de Waal en de Migrant, moet nu de Langdurig Zieke aan de schandpaal.
Bij het Laatste Oordeel vraagt men in dit land niet: ‘Ben je een goede mens geweest,’ maar wel: ‘hoeveel dagen had jij verlet?’
Wie niet werkt, is gezien.

En toen.
‘Nee,’ zeg je. ‘Het is genoeg geweest.’
Rolluik toe, flesje open. Nee, voor jou hoeft het even niet meer.’
En nee is nee.
Dat was bij de bomma ook al zo.

Tweespraak

Simon Carmiggelt was een journalist uit Den Haag. Maar veel meer dan dat was hij een begenadigd auteur. Hij publiceerde dagelijks in melancholie gedrenkte cursiefjes in de krant. Inspiratie vond hij in smoezelige kroegen, in parken en op straat. Het leven zoals het is in zwart op wit.
Soms speel ik dat ik Simon Carmiggelt ben.
Schrijven zoals hij zal ik nooit kunnen maar wat kroeglopen betreft durf ik mijn voet gerust naast de zijne zetten. Ook ik mag graag verdwalen in de kleine aders van de binnenstad. In een of andere tapperij verschuil ik me dan achter een raam vanwaar ik me vergaap aan argeloze passanten. Het schaadt niemand, het kost weinig geld en het doodt de tijd.

Aan het tafeltje naast me zat een man met een biertje. Hij leek de oerknal nog te hebben overleefd. Geruite pet op het hoofd, bussels witte haren uit de oren, hals en aangezicht verrimpeld als een uitgedroogde rivier. Zijn schildpadogen keken waterig naar overal en nergens. Af en toe mompelde hij wat tegen zijn glas. Dat kieperde hij dan met ferme slokken achterover. Een boertje, een zucht, hij hief het glas omhoog en zwaaide ermee. Meteen bracht de waardin hem een vers getapte pint.
Ze verstonden elkaar, die twee.
‘Let maar niet op Kees,’ zei ze tegen me, toen ze me een bier en een borrel bracht. ‘Hij is nogal op zichzelf maar doet geen vlieg kwaad.’
Niet letten op Kees was niet echt mogelijk. Hoe meer glazen hij de lucht in stak, hoe driester zijn discours dat alsmaar aan volume won. Veel verstond je er niet van. Een grom, een godverdomme, een stomme trut en toen, luid en helder: ‘Nelly!’. Prompt verscheen weer de herbergierster. Ze zette een nieuw glas voor hem neer en verdween opnieuw achter de tapkast.

Aan de buitenkant van het raam dropen regendruppels aarzelend naar beneden. Onderweg hielden ze nog even halt, alsof ze hun lot nog wat voor zich wilden uitschuiven, niet goedschiks wilden meedraaien in de carrousel van hun leven, van riool naar rivier naar oceaan naar wolk naar caféraam. Ik scharrelde naar mijn notitieboekje, het was een dag voor poëzie.
Kees dacht daar duidelijk anders over. Met de regelmaat van een metronoom zwaaide hij zijn lege glas in de lucht. Elke keer weer was de bazin er als de kippen bij. Hoe meer hij dronk, hoe krachtiger zijn gevloek en gescheld. Hij raakte verwikkeld in een stormachtige discussie met zichzelf.

Ook mijn glas geraakte ondertussen leeg. Maar mijn dorst was daarmee nog niet gestild.
‘Nelly,’ riep ik luid.
Het hoofd van de caféhoudster schoot van achter de tapkast omhoog. Verbijsterd keek ze me aan. Het viel me op hoe stil het plots geworden was in het café. Er klonk geen muziek, er rinkelden geen glazen, er roezemoesden geen klanten. De wereld leek even stilgevallen.
Ook Kees zei geen woord.
Ik hield mijn glas omhoog. De kroeghoudster slofte met zichtbare tegenzin naar me toe. Ze pletste mijn nieuwe pint op een bierkaartje.
‘Dat mag u niet meer doen, mijnheer,’ zei ze.
‘Hoe bedoelt u?’ vroeg ik, uit mijn lood geslagen.
‘Haar roepen. Ze hoort bij hem.’
Beduusd keek ik haar aan. Ik hoorde hoe Kees inmiddels de draad van zijn dispuut had weergevonden. Nu zuchtte ook zij. Ze ging zitten op de stoel tegenover me. Haar stem klonk verrassend zacht.
‘Nelly was zijn vrouw,’ zei ze, ‘ze is dood. Ongeveer een jaar geleden. Kanker. Enfin, niet echt. Aan de pillen die ervoor moesten zorgen dat de kanker niet zou terugkomen. Nou, die hebben hun effect niet gemist. Ze was de pijp uit voor ze weer ziek kon worden.’
Ik nipte aan mijn glas.
‘Ze kwamen hier al van toen ik nog een schoolkind was. Altijd met twee. Daar, aan dat tafeltje. En maar discussiëren, ruzie, elke dag opnieuw.’
Ze wierp een blik op de woedende Kees die nu helemaal in zijn gebekvecht verloren liep. Hij gebaarde driftig naar de lege stoel tegenover hem.
‘En nu moet hij alleen verder,’ zei ze. ‘Ocharme.’
Ze stond op.
‘Als je nog wat nodig hebt, ik heet Elize,’ voegde ze eraan toe.

Ik dronk mijn glas leeg, legde wat centen op de tafel, trok mijn jas aan en zette mijn hoed op.
De dood laat meer achter dan hij meeneemt, dacht ik.
Simon Carmiggelt zijn is soms lastiger dan je zou denken.

Iedereen ABBA

De zomer had het opgegeven.
De zon ging alsmaar vroeger slapen. De hoogste temperaturen trokken naar andere oorden. Aan de hemel schurkten wolken zich tegen elkaar aan. Af en toe stortten ze hun tranen uit. Het land rilde onder een sluier van grijze mist. Hij is weer voorbij, die mooie zomer, dacht ik mistroostig. Ik was nog lang niet klaar voor die eindeloze paternoster van natte, koude, donkere dagen.
Maar hoor!
Uit de radio klom een vrouwenstem, een sirene op een rots gelijk. In geen tijd vulde de kamer zich met warmte en liefde. Violen. Een dartele riedel op een piano. Niet langer stond hier de herfst voor de deur, maar de lente. Dank u voor de muziek, dacht ik, en voor de liedjes die we zingen en het plezier dat ze brengen. Nu zou ook gauw weer de zon gaan schijnen en het hoogseizoen een doorstart nemen. Ik betrapte mezelf warempel op enige vrolijkheid.

Dit lied. Ik had het nog nooit gehoord, toch leek het of ik het al jaren kende.
‘De nieuwe plaat van ABBA,’ zei de presentator.
ABBA? Die kende ik natuurlijk nog. Zweedse makelij, verhoudt zich tot de wereld van muziek als een Ikeazetel tot een Chesterfield. In hun fabriek produceerden zij meezingers aan de lopende band, in groter getale dan Volvo in Torslanda personenwagens afgewerkt kreeg. Elk nummer een doorslag van het vorige. Elk optreden minutieus voorgekauwd, voorspelbare dansjes, belachelijke outfits, een pastaglimlach onechter dan die van de wassen beelden bij Madame Tussauds.
Björn, Benny, Agnetha en Anne-Frid bevonden zich wat ons betrof in het spectrum tussen Klein Klein Kleutertje en Zangeres Zonder Naam. In onze platenkast kon veel, van Beethoven tot Zappa, maar schap A van ABBA bleef ongevuld. Wij, beheerders van de Goede Smaak, keken neer op de bakvissen uit Zweden als een Franse keizerin op het proletariaat. ABBA, muzak voor in de lift of het warenhuis.
 
Wij waren Kenners.
Wij veegden ons gat aan Radio 2 of Avro’s Toppop. Waren we alleen in huis, we draaiden de knop naar Veronica of Radio Noordzee. ’s Nachts luisterde je onder de deken stiekem op je krakende transistorradiootje naar Radio Luxemburg of BBC. Je speelde cassettebandjes van Woodstock. Carlos Devadip Santana, Ten Years After, Joe Cocker. Dát was muziek. De zo stoned als een garnaal halfnaakt dansende meisjes fantaseerde je er vanzelf bij.
Wij prefereerden Kunst met grote K.
Het was ons aan te zien. We droegen onze haren lang, jeans en slobbertrui, vredesketting om de nek, een drupje patchoeli op de parka. Make Love, Not War, vrede op aarde, honger en kernwapens de wereld uit. In onze bruine kroeg draaide men drieëndertigtoerenplaten van obscure bands, miskend door de goegemeente edoch door ons zeer bemind. Jethro Tull, Bad Company, Blue Oyster Cult. Ware Artiesten, Oprechte Muzikanten, gingen niet voor makkelijk geldgewin maar voor de Galerij der Schone Kunsten.

Toen troffen mij de pijlen van Agnetha. Dat is de blonde.
Ik wil u iets bekennen, maar houd het stil. Agnetha en ik, dat werd nog wat. Ik heb stiekem met haar gedanst. Een beetje verliefd, geloof ik. ‘Tot The Day Before You Came was mijn leven heel gewoon,’ zei ze terwijl haar ogen zich een weg baanden naar mijn hart. Ik werd weerlozer dan was en wist, dit gaat nooit meer weg. Dat vertelde ik aan niemand, het bleef ons geheim.
Die jaren zonken alsmaar dieper in de vergeetput van de geschiedenis. Onze jeugd, onze dromen, onze idealen, onze idolen, voorgoed voorbij, alsof ze nooit hadden bestaan. Niemand dacht aan een film over Bad Company. Op Blue Oyster Cult, The Musical blijft het wachten tot aan het einde der tijden. Monopoly-editie van Jethro Tull? Gaat niet gebeuren.
Alleen ABBA en Elvis blijven bestaan.

Vandaag zijn de jongens en meisjes van ABBA de zeventig voorbij. Ze maakten weer een plaatje, voor het plezier, zeggen ze. Het podium daarentegen, dat hebben ze wel gehad. Senioren op de scène, echt appetijtelijk oogt het niet. Gelukkig kent in deze eeuw de technologie haar grenzen niet. De bandleden laten zich digitaal klonen en projecteren. Een betere versie van zichzelf.

Handig, dacht ik eerst, nog wat extra zakgeld in de pocket, voor de kleinkinderen.
Maar ouder worden doet iets met een mens.
Ik voelde nog de warmte smeulen in mijn hart. Was nog niet vergeten hoe blij ik van dat liedje geworden was. De klankkleur van mijn jeugd. ABBA, dat is luchtig en vederlicht, een sprankel zon doorheen de wolken, een glimlach van een geliefde.
Op mijn laptop zocht ik Waterloo, Dancing Queen en The Winner Takes it All. Volume op tien.
Laat de winter maar komen.

Kabouterpraat

U kent toch die Chinese foltering?
Je zit vastgebonden op een stoel in het midden van een kamer. Een kraan lekt. Drup. Drup. Drup. Elke seconde. Je wordt gek in je hoofd.
Dit is ook zo. Telkens opnieuw schiet dezelfde zin door mijn gedachten. Keer op keer. Elke dag weer. Ik had hem liever niet gelezen. Maar hij zit erin en nu moet hij eruit.
Dit ei moét ik leggen.

In mijn Wekelijkse Bijdrage tot de Schone Letteren zou het deze week gaan over Shuggie Bain, je weet wel, die doorlezer waar Douglas Stuart tien jaar op zwoegde, vierhonderdvierenveertig pagina’s en hij kreeg ze nog aan de straatstenen niet verkocht.
Hard gewerkt, geen profijt. Ach, het lot. Grilliger dan een dwarrelend blad in de wind.
Ook Shuggie Bain trok geen winnend strootje. Kansloos vanaf de eerste klets op de poep. Het zou de laatste niet zijn. Een Oliver Twist van zijn tijd. Vader een rokkenjager, verdwenen met de noorderzon. Moeder verzuipt in een moeras van blikken pils en ander geestrijk vocht, laat zich willoos gebruiken door geile opportunisten, verslikt zich in een cocktail van zelfbeklag en onmacht. Een ziel donkerder dan de diepste zee. Ze overleven in een getto in Glasgow waar gedesillusioneerde huisvrouwen krijsen en roddelen en werkloze mannen zich elke dag het lazarus zuipen. Shuggie, een bedeesd kind, speelt liever met de poppen. Wil graag danser worden. Wordt nogal eens in elkaar geslagen. Een kind zonder hoop, glorie of toekomst. Geboren op de foute plek bij de foute mensen.
Een meeslepende vertelling.
Daarover dus zou het gaan.

Blader ik die zaterdagochtend tijdens het ontbijt in mijn krant.
Komt dit: “Als u heel uw leven keihard werkt en nog altijd nergens bent geraakt, dan hebt u iets verkeerd gedaan.” Een mens moet Ergens geraken. Ergens ligt op de weg van Nergens naar Nieverans.
Ik slik door. Weg spek, weg ei, weg koffie.
‘Welke nitwit … ’ pruttel ik.
Het hoofd van een kabouterdorp, zo blijkt. De Plop der Ploppen. Eigenaar van een pretpark, een productiemaatschappij, een boot, een villa in het Zuiden. Bij elkaar geschaard door noeste arbeid. Veel zweet, veel glorie. Het weze hem, geloof mij, zeer gegund. I don’t care too much for money. Money can’t buy me love.

Maar ik dacht: ‘Ook de kabouter die zich een reus waant, blijft een kabouter.’
En ook: ‘In your face, stratenmakers en zakkendragers, verpleegsters en betonbekisters. Dakwerkers, havenarbeiders, buschauffeurs, postbodes, kleuterjuffen. Hoe hard jullie ook werken, jullie doen vast wat verkeerd.
De Opperplop is geen lezer, bekent hij: ‘Op mijn nachtkastje ligt de zapper. Ook wel de biografie van Barak Obama maar de letters zijn klein en het papier is nogal dun, dus ik weet niet of ik het zal uitlezen.’
Toch doen ook alvermannetjes er goed aan af en toe een boek te lezen. De lettergrootte in mijn Shuggie-exemplaar is twaalf. Dat is groter dan de gemiddelde dwerg. Ook is het papier dik en stevig. Beetje Brilkabouter vindt er zijn weg. Boeken verbreden je kijk op de wereld, hoe klein je ook bent. Je leert bij, leeft je in, begrijpt dat in dit ondermaanse tranendal niet iedereen dezelfde kaarten krijgt.

Het gemiddelde dwerggewicht is twee milligram. Dat is wetenschappelijk bewezen. Deze Kabouterleider weegt naar men zegt driehonderd miljoen. Allemaal dubbel en dik verdiend. Komt geen geluk bij kijken. Niks geboren op de juiste plek, het goede moment.
Hard werken, dat is het hele eieren eten.
Tuurlijk. Dat u en ik daar nooit zelf zijn opgekomen.
Hard werken, dat is programma’s aan elkaar praten op televisie. In een kinderprogramma doen of je praat met een hond met dyslexie. Meisjes kinderliedjes laten zingen. Op een boot klessebessen over gebakken lucht. Je als een Pfaff tentoonstellen in je huis. Lummelen in een televisiekeuken met vaatdoek of schuimspaan in de hand of onhandig een champignon vierendelend.
Daar kunnen wij allemaal een punt aan zuigen, spitser dan de Eifeltoren.

Wat deden wij verkeerd, u en ik?
Voor mezelf kan ik wel een en ander bedenken.
Maar voor de bejaardenhulp die haar kinderen vanavond geen sprookje voorleest omdat ze de hand vasthoudt van een verlaten ouderling in zijn laatste nacht?
Voor de bouwvakker op de werf die in elkaar stort?
De leerkracht die op zaterdag het feest verlaat na dat tekstbericht van een desperate leerling?
Waar zat de fout van de brandweerman toen hij een laken drapeerde over de stukken lichaam van die jongen die te snel de bocht inging?
Of van de gepensioneerde poetsvrouw, ze zou mijn moeder kunnen zijn, die haar centen telt en vaststelt dat ze het de komende maand met zeven euro per dag zal moeten rooien?
Dat is een euro te weinig voor een ballon in Plopsaland.

Shuggie Bain, slot: “Hij stak zijn kin vooruit en draaide vol bravoure een rondje op zijn glimmende hakken.”
Hij is Ergens geraakt.
Maar dat begrijpt die kabouter niet.

Verandering

‘Niet elke verandering is een verbetering,’ zei het kuiken toen het uit het ei brak.
‘Welkom in mijn wereld,’ antwoordde ik.
Je kan je vragen beginnen stellen als iemand gesprekken gaat voeren met pas uitgebroed pluimvee. Misschien hapert er wat aan ’s mans geestelijke gezondheid. Misschien is hij grenzeloos eenzaam, kan ook. Conclusies zouden in dit geval echter overhaast en voorbarig zijn. Een mens doet er beter aan zich grondig te informeren vooraleer zich een mening te vormen.
‘Toevallig,’ ging ik enthousiast verder, ‘las ik deze zomer enkele boeken die het op een of andere manier over verandering hadden.’
‘Lezen, daar begin ik niet aan,’ piepte de kleine pluizenbol schril, ‘ik heb wel wat anders te doen.’ En hij hipte zijn bestemming achterna.

Jammer.
Volgaarne had ik hem verteld over de onfortuinlijke Gregor Samsa uit Franz Kafka’s De Gedaanteverwisseling. Kafka is die kerel die er te pas en te onpas wordt bijgehaald om aan te geven hoe absurd en ondoorgrondelijk een situatie wel is, zoals in “De communicatie van Jan Jambon is pure Kafka”. Je hoeft geen Kafkaconnaisseur te zijn om te begrijpen wat wordt bedoeld.
Gregor Samsa dus, ontwaakt op een ochtend als een insect. Dat vergt enige flexibiliteit van een mens, u kan zich dat voorstellen. Ook van de lezer. De vertelling is evenwel zo verfijnd en tot in de kleinste details uitgewerkt dat je er graag in wil meegaan. Onvervalst leesplezier. Bevreemdend, absurd, tragisch en grappig tegelijk, subliem verwoord bovendien. Neen, Franz Kafka, onthoud die naam, van die jongen horen we nog.

Langzamer en over hobbelige paden verloopt de ontbolstering van Shuggie Bain. Shuggie wordt groot in vierhonderdvierenveertig pagina’s, een kansarm kind, verlegen, moeder drinkt, vader weg, speelt liever met de poppen dan voetbal. Doorheen alle ellende blijft Shuggie een mens van goede wil die zich een weg zoekt in dit bestaan. Verplichte lectuur voor eenieder die vandaag de dag toetert dat we in de hel leven.
Douglas Stuart schreef tien jaar aan zijn magnum epos dat vervolgens door tweeëndertig uitgeverijen werd afgewezen. Kuikens zitten overal. Shuggie Bain verdient meer dan enkele regeltjes op een obscure blogpagina. Daarom eerstdaags een uitgebreide bespreking, tenzij er iets anders in de plaats komt. Intussen, wees geen uitgever van tweeëndertig in een dozijn. Lees dit boek, leef u in en laat u raken.

Nog subtieler de evolutie in De Jaren van Annie Ernaux, of hoe een gewoon meisje een grote dame wordt. Op de achtergrond het woelige Frankrijk van halfweg vorige eeuw tot aan het begin van de huidige. Op de voorgrond de fait divers in het alledaagse leven van een vrouw, haar liefdes en desillusies, haar kruispunten en keuzes. Soms lacht het leven, soms geselt het. Wie ouder is dan vijftig, lees, leer en herinner. Je persoonlijke flashbacks komen er vanzelf gratis bij.

Twijfel bij Sofie Lakmaker in De Geschiedenis van mijn Seksualiteit. Over hoe ze het eerst nog met jongens probeerde maar al snel doorhad dat zij voor de vrouwenliefde was voorbestemd. Over haar looks en gender. Haar openhartige queeste is warrig en ingewikkeld en leidt langs mannen, vrouwen, mislukkingen en filosofische beschouwingen. De vertelling dendert als een op hol geslagen paard, zij wordt volwassen in een pakkend slotakkoord. Het debuut van het jaar, naar men zegt. Soms heeft men gelijk.
Sofie heet Tobi, inmiddels. U hebt daar vast een mening over. Fijn, zolang u die maar voor uzelf houdt. Het zijn uw zaken niet, de mijne evenmin.

Drastischer wordt het niet, denk je dan.
Tot je ‘Is dit een mens’ in handen krijgt. Primo Levi schildert met fijn penseel het dagelijkse leven in Auschwitz, hard en onmeedogenloos. Hij spaart geen details.
Je kan dit boek benaderen op twee manieren, onverschilligheid is daar niet bij. Ofwel wapen je je met de afstand van de chirurg die bij een kind een tumor gaat verwijderen. Ofwel laat je je drijven op je inlevingsvermogen. Doe je het tweede, dan ben je na het lezen van dit boek niet meer dezelfde. Ook een overschot aan empathie is soms een zware last om dragen.

Zo ging ook deze mooie zomer weer voorbij.
Thuis probeerde ik nog uit te vlooien waarmee kuikens, als ze dan toch geen boeken lezen, zoal hun dagen vullen. Ik stootte op gruwelijke beelden van pluimvee in braadsledes, met krieltjes, met abrikoos en pistachenoten, met koude aardappelen of op Surinaamse wijze. Presentaties waarvan men in Auschwitz nooit durfde dromen.
Die verandering vond Pluizenbol vast ook geen verbetering,’ bedacht ik bitter.
Als vanzelf dwaalden mijn gedachten naar de ultieme metamorfose die ook ons allen aan het eind te wachten staat.
Benieuwd of het dan beter is.

Klassiek in de stad

               Die zondag droeg de ochtendstond waarlijk goud in de mond. De zon strooide gulle stralen, het land ontwaakte in warmte en welbehagen.  Een dag om te plukken.
               ‘Eindelijk,’ zegden wij terwijl we nog slaperig een warm broodje naar binnen werkten, ‘toch nog een sprankel zomer.’
               ‘Opgepast,’ waarschuwde prompt een roedel dermatologen op de radio. ‘Door de barre zomer is onze huid niet gewapend tegen de ongenade van de zon. Wees voorzichtig! Blijf in de schaduw! Besmeer uzelf als was u een verroeste ketting!’ Men mompelde nog wat onduidelijks over Uv-stralen en huidkankers en herhaalde deze onheilstijding elk half uur.

               ‘Fakking Jezus Christus en zijn veertig maagden!’ sakkerden wij. ‘Mogen wij nu eens voor één enkele keer eenvoudig en onbekommerd genieten van een mooie dag alstublieft?’ Het is altijd wel wat. Een virus, of iets in de lucht of in de grond; het eten waar je destijds groot en sterk van werd, wordt ongezond verklaard of schadelijk voor de planeet; groenten bevatten dioxines, fruit is te zoet; beweeg maar ook weer niet te veel. Het houdt niet op. Dingen die het leven mogelijk draaglijk maken zoals – ik doe een greep – seks, drugs en rock & roll maken je ziek en worden strafbaar. Wie oud wil worden, plant zich best in de schaduw van een boom en laat zich bijstaan door diëtiste en lijfarts. Zo geruisloos mogelijk leven uit angst voor de dood. Terwijl wij weten, aan het einde van de reis wacht onherroepelijk Hein met de zeis.
               De nieuwslezer stoorde zich niet aan ons gelamenteer. Hij ging koelbloedig door met zijn dagelijkse lijst van ellende. New York stond onder water. In een ver land ontneemt men vrouwen hun bestaan. Ergens in Afrika is een staatsgreep aan de gang. Het fragiele streepje goede luim dat schuchter als een late zomerbloem de kop had opgestoken, werd prompt weer met het gras gelijk gemaakt.

               Met alle Chinezen, dachten wij. De voeten bloot in de Birkenstocks fietsten wij de stad in. Deze dag zou de wereld aan ons voorbijgaan. Hij bevat meer triestheid en ellende dan onze frêle schouders dragen kunnen. Vandaag nemen wij een dag congé payé. Rijk der Vrijheid, wij komen eraan.
               Was het die optimistische insteek die ons bij aankomst aan het Sint-Jansplein applaus opleverde? Klaterend handgeklap toen we onze rijwielen stalden aan de rand van deze pittoreske pleisterplaats. De terrassen waren ondanks het vroege uur al flink bezet. Mensen liepen opgewekt af en aan. Vooraan een podium, Rock Werchter Main Stage gelijk. Het middenplein volgestouwd met stoelen. Dames droegen frivole jurken en kleurrijke hoeden. Ze waaierden koket met programmaboekjes als waren ze Oosterse courtisanes. Heren droegen elegant fluitglazen aan waarin bubbels sprankelend een weg zochten naar de hemel. Zo gaat het in dit land: is de stemming opperbest, men heffe het glas. Is ze dat niet, evenzeer.

               Natuurlijk had dit jolijt niets met ons vandoen. Op het podium was het drukker dan tijdens de Rubensmarkt in hoogzomer. Achteraan tot in de coulissen gevuld met muzikanten en instrumenten: van triangel tot grosse caisse, met violen, cello’s en contrabas en god weet welke toeters en bellen nog. Vraag het mij niet, ik ben een leek, kan amper een bombardon onderscheiden van een cymbaal. Op de achterste rijen een machtig koor, tal van zoetgevooisde mannen en vrouwen in galakostuum of avondjurk. Vooraan driftig een dirigent, nu eens bijgestaan door een sopraan wier stem verder droeg dan de beiaard uit de Onze-Lieve-Vrouwetoren, dan weer door een tenor of bariton die je ingewanden van plaats deden wisselen. Delicieuse klanken verspreidden zich als een duur parfum over het gehoor van het talrijke publiek.
               Opera Ballet Vlaanderen speelde ten dans. Ontroering welde in onze ogen. Die hemelsblauwe lucht, die soepele mensen, die stemmen als van engelen naast de troon. Noem mij geen kenner van het klassieke repertoire, maar voor een streepje Mozart of een aria uit La Traviata mag men me altijd storen in mijn slaap. Weill, Mozart, Puccini, Verdi, een flard Wagner als slagroom op de taart, al dat schoons werd ons zomaar in de trommelvliezen gegoten, op zomaar een plein op zomaar een dag. Om met hun naar diesel happende motoren die fijne akoestiek vooral niet te storen, reden zelfs de bussen van De Lijn een eindje om.

               Veel sneller dan verhoopt was ook dit feest even later weer voorbij. Zoals in het leven zelf, waren wij hier toevallige passanten geweest. Stilzwijgend en nog naar adem happend stapten we weer op de fiets. We trapten welgezind de toekomst tegemoet, zonder doel, we zouden gaan naar waar de wind ons waaien zou.
               Zo werd het toch nog een fijne dag.

Bens plan

Het is een traditie.
Aan de vooravond van 1 september richt de Minister van Onderwijs zich tot de natie. Ik weet nog, Marleen Vanderpoorten. Dat was toch helemaal je oma die je aanmaande heel braaf te zijn en flink je best te doen op school. En Frank Vandenbroucke. Op het schoolmeestertimbre van zijn stem viel je meteen in slaap, zodat je het nieuwe schooljaar met een frisse kop kon beginnen. Van Hilde Crevits herinner ik me enkel nog het afgedragen Chiromeisjesuniform.
Nu is er Ben.
Ben doet het anders. Ben speecht niet. Ben laat zich ondervragen als bij een mondeling examen. Hoe hij daar dan staat. In dat blauwe pak, de ene voet in een wit laarsje, de andere in een geel, slim brilletje op de neus, haartjes met speeksel of brillantine gladgestreken. Bert Bibber in Plopsaland. Heerlijke televisie. Ik zie hem zo in de klas, op de eerste bank, zwaaiend vingertje in de lucht: ‘Mijnheer, mijnheer, ik weet het, ik weet het.’ Of ook: ‘Meester, ze hebben kauwgom in mijn haar geplakt.’

Ben is trots.
Ook de scholen mogen toetreden tot Het Rijk der Vrijheid. De mondkap gaat op de schop. Het grut kan weer pesterig de tong uitsteken, spuwen op de grond of lippendienst bewijzen aan de leerkracht. Fier toont de dertienjarige het dons op de bovenlip. Er wordt weer vrijelijk in de neus gepeuterd. Uit de gruizels tussen kronen en bruggen in de kindermond leidt de leerkracht af welke chips er tijdens de pauze werden gesmikkeld.
Maar er is een maar.
‘De lat moet hoger,’ zegt Ben. ‘Gespeelde tijd is verloren tijd. Ook de twee- en driejarigen moeten aan de bak. Gedaan met duimzuigen en pamperen. Voor je zesde levensjaar beheers je best een landstaal of twee en de maaltafels tot twintig.’ Er zijn er die beweren dat de jeugd van tegenwoordig het gemakkelijk heeft. Zij dwalen. Plezier op school is keihard vorige eeuw. Gelukkig is er ook een troost. Hoe hoger op de sociale ladder, hoe lager de lat. Ook daar geeft Ben graag het voorbeeld.

Verlekkerd kijkend naar de camera, verliest Ben de nieuwe leerling uit het oog. Covid heet die. Hij komt uit een ver land, zit alleen aan een bankje, achteraan in de klas. Op de muur achter hem prijkt een pancarte in kalligrafisch schrift:

               Werkmethode regel 1

               ‘Met passen en meten
                wordt veel tijd versleten
                maar als men ’t niet doet
                is ’t werk niet goed’

Covid is een leerling van het zwijgzame type, zo onopvallend dat hij haast onzichtbaar wordt. Als je niet beter wist, je zou denken dat hij er niet was.

‘Waarom niet in elke klas een CO2– meter om de luchtkwaliteit te meten?’ durft de journalist.
‘Ach, meten, meten,’ snuift Ben verveeld, terwijl hij even de grimeuse wenkt. ‘Wat ben je daarmee? Dan stel je vast: die kwaliteit is niet goed. En dan? Is daarmee het probleem opgelost? Ik dacht het niet. CO2-meters? Neen. In een varkensstal, alla, maar niet in een klaslokaal.’

Natuurlijk lieten de Mainstream Media deze ronduit grensverleggende pedagogische visie onderbelicht. Het gaat hier nochtans om een radicale omwenteling in school en maatschappij. Vanaf heden is meten om te weten voor eeuwig en altijd old skool. Compleet achterhaald.  Beter is het niet te meten, niet te weten. Wat niet weet, niet deert.

Zoals zo vaak, heeft Ben ook nu gelijk.
Waarom de dingen ingewikkeld maken als het ook simpel kan? Waarom nog langer tijd en geld verspillen aan alarmsystemen of rookmelders? Koortsthermometers? Zwangerschapstests? Gedaan ermee. En veeg je met die preventieve mammografie en darmkankerscreening die knobbels uit je borst of gat misschien? Vaarwel ook technische en alcoholcontroles. Bodemonderzoek, overstromingsgevaar, risicokruispunt: schluss damit! Al wat ruikt naar Werkmethode regel 2: Voorkomen is beter dan genezen, weg ermee!
Voor ons even schrikken, voor Ben slechts een kleine stap, voor de mensheid een reuzensprong.

Men zegt dat de jeugd dommer wordt. Weer dwaalt men.
Dat bleek meteen die eerste schooldag, zo meldden ons talloze leerkrachten. Want zoals altijd is het de leerkracht die de vernieuwing ploeterend op het veld dient uit te zweten. En als daaruit profijt te halen valt, dan hebben die puistenkoppen het allemaal gehoord. Zo getuigt ook mevrouw K.O. uit Malle, klasleraar van een tweede jaar secundair:   
‘Jongens en meisjes, er is een batterij belangrijke dingen die jullie moeten weten om dit schooljaar te kunnen slagen.’
 ‘Dat ziet u verkeerd, juf. Dat moet helemaal niet. De Minister heeft het gisteren nog zelf gezegd: weten lost het probleem niet op. Wie niet weet, hoeft niets te doen.’
Waarop ze meteen constructief een tegenvoorstel aandroegen:
 ‘Juf, volgens de nieuwe richtlijn is het misschien beter dit schooljaar maar stilletjes te laten passeren? Wij hoeven niets te weten, dus u hoeft ook niets uit te leggen. Bespaar u de moeite. Zet u aan uw laptop, koop online een kleedje voor de eindejaarsfeesten. Wij houden ons wel in stilte bezig. Mogen wij dan onze gsm gebruiken?’
 ‘Doe maar,’ zei de juf.
Iedereen gelukkig.
Dank u Ben.

Uitgesteld

Plannen.
Wat je allemaal zou gaan doen tussen juni en september. Tweeënzestig dagen vrij in doen en laten, zonder opdracht of verplichting. Nu zou het gaan gebeuren, eindelijk! Je had een doel, een missie. Sinds decennia rijpen meesterwerken in je hoofd. De in de loop der jaren gezaaide kiemen waren tot volle wasdom uitgegroeid, je hoefde enkel nog de oogst bij elkaar te scharrelen. Fluitje van een cent.

De beste versie van jezelf zou eindelijk in het spotlicht treden. Je briljante gedachten zou je in lyrische bewoordingen vertalen. Een rauwe vertelling ging je doorweven met fijndradige intriges, pittig kruiden met hier een snuif geweld en daar een scheutje seks. Personages tot leven wekken, grote en kleine zielen, kwezels en helden, vromen, ploerten en perverten.
Je zou graven in de diepste krochten van je ziel, openhartig zijn en daardoor snaren raken, mensen doen lachen en huilen tegelijk. Lezers zouden opkijken en vanuit het hart verzuchten: ‘Waarlijk, dit had ik niet zien komen.’ Ze zouden de smaak van de laatste zin, het laatste woord, de laatste letter, op hun tong laten smelten, het boekwerk op hun schoot, de kaft ingetogen aaien en met bezwaard gemoed beseffen dat ze een avontuur hadden beleefd dat nu helaas voorbij was. Een beleving die ze nog lang zou heugen.
Neen, je ging niet voor kleine doelen.

Tot zover het plan.
Je had daar niets voor nodig. Drie d’s slechts: Daadkracht, Doorzetting, Discipline. Toevallig drie eigenschappen die de Schepper ronddeelde tijdens jouw plaspauze. Je kent ze wel, misschien behoren ze zelfs nog tot je huisraad, je bewaart ze echter niet in de bovenste la. Pronken in je vitrinekast doen ze al helemaal niet.
Het is waar. Tussen droom en daad, je kent die riedel, staan feesten in de weg, verleiding en excuses die bedacht zijn om zich ervan te bedienen. Als de weg naar de hel daadwerkelijk met goede voornemens wordt geplaveid, dan ken jij alvast je bestemming in je volgende leven.

Scheen de zon , dan was het te warm om te gaan zwoegen aan je bureau. Met je laptop naar een park of terras vond je te aanstellerig. Er was ook altijd wat te doen. Het EK waar het dreamteam het weliswaar alweer liet afweten maar waarvan je toch elke wedstrijd moest hebben gezien. De Tour de France, waarvan je geen seconde mocht missen, je staarde naar die betoverende landschapsbeelden als een vis in een aquarium.
Op je linkerschouder draag je inmiddels een tatoeage: ik ♥Netflix. Op regendagen je steun en toeverlaat. Je moet elke reeks hebben gezien, kwestie van te kunnen meepraten. The Crown, The Fall, After Life, Peaky Blinders. Waarom tellen al die series zo oneindig veel episodes? Je bestudeerde zogenaamd verhaallijnen en dialogen, goed bestede tijd, zo maakte je jezelf wijs.
De stilaan stof vergarende boeken moesten eindelijk ook gelezen. Studiemateriaal. Shuggie Bain zakte haast, het lange wachten beu, door je boekenplank. Dat oude verhaal van Kafka ging je extra bestuderen en – eindelijk – vergaarde je voldoende moed om je te wagen aan Primo Levi. Je wilde Sofie Lakmaker leren kennen en Annie Ernaux en de succesformule ontrafelen van De Zeven Zussen.
Tussendoor moest je Nina goud zien halen en Nafi als een keizerin zien stralen. Je volgde winnaars en verliezers, hoorde woorden van lof en vernedering. Je zou geen tijd verliezen aan vulgair gezwets van off screen journalisten of gewezen staatssecretarissen. Je sloeg jezelf in de ban van Twitter en Facebook, ook geen LinkedIn of Instagram. Een mens merkt pas hoe verslaafd hij aan de dingen is, als hij probeert ze niet meer te gebruiken.

Natuurlijk ging je ook nog reizen, het mocht immers weer. Je zocht de bron van de schönen blauen Donau en volgde haar grillige loop. De monding haalde je niet, die bleek net als je droom verder weg dan je had ingeschat. Je wandelde, fietste en fantaseerde langs haar oevers, vergaapte je aan abdijen en kastelen en degusteerde op Bourgondische wijze Sachertorte, Kaiserschmarrn en droge witte wijn.
Ook mocht je weer mensen zien. Je familie bleek groter dan je je nog herinnerde en je had meer vrienden dan je dacht. Iedereen wilde met je klinken, in ruil voor een kwinkslag of spitsvondigheid. Je dobberde op de bubbels terwijl je al een leven lang weet, de dag begint niet met de ochtendstond maar de avond ervoor.

Nee, dat het ook deze keer weer niet lukte, ligt niet alleen aan jou.
Gelukkig is het haast september. De wereld hervalt in haar chaotische regelmaat. Er komt weer tijd vrij, eindelijk. Nu gaat het gebeuren.
Reken maar van yes.

Het meisje A (2)

‘Papa, je bent een held,’ zei ze.  
Zij praat graag in de overtreffende trap, mijn dochter. Met hyperbolen, alles is avontuur in haar leven en haar Renault Clio noemt ze Turbo.
Dat ik haar leven had gered, zei ze nog.
Alsof ik haar nog net op tijd had weggeplukt vanop de richel van de afgrond, seconden voor de fatale tuimelperte in een gitzwarte diepte. Of ze zonder mijn tussenkomst een trauma zou hebben opgelopen dat haar elke komende dag van haar leven zou opjagen en voor altijd in een houdgreep houden. Ze was die dag weliswaar nog altijd jong en veelbelovend maar evengoed een vrouw op de rand van een zenuwinzinking.

Ik had nochtans geen heldendaad verricht.
‘Ken jij iets van banden?’ had ze ge-sms’t. Zij telefoneert niet, zij behoort tot de WhatsApp/Instagram/TikTok-generatie.
‘Ik heb ooit nog bijna in een band gezongen 😉’ stuurde ik terug.
‘….’ Zij is ook het type dochter dat dad jokes keihard negeert.
‘Ik ken de zus van Michelin. Micheline.’ probeerde ik weer.
‘…’
‘Dat schept toch ook een band. 😊😊’
‘… ‘
‘Waarom? Wat scheelt er?’
‘Turbo platte band. Domper op de sfeer. Mentale breakdown.’
‘Ik kom eraan.’

Iedereen die mij ooit heeft betrapt met een schroevendraaier in de hand weet, ik ben geen technisch mirakel. Niemand roept ooit mijn hulp in bij de bouw van zijn huis of de aanleg van een vijver in de tuin. Hoofd en voeten zijn ok maar mijn beide handen staan averechts. Als ik in de slaapkamer van dit huis de stofzuiger inplug, vallen in de ganse wijk televisietoestellen en diepvriezers zonder stroom.
Maar als je kind je roept, dan ga je.

Voor allebei werd het een ontdekkingstocht.
Ik: ‘Waar bewaart Turbo de krik?’
Zij: ‘Geen idee.’
‘Kijk eens in het boekje.’
‘Het boekje zegt: Onder de mat in de koffer. Huh? Gaat die mat er dan uit? Wist ik niet haha. Ha, kijk hier: een krik.’
‘Ligt er geen reservewiel bij?!?!’
‘Onderaan de wagen. Weet ik van de meneer van de Controle.’
‘Hoe maak je dat los?’
‘Geen idee.’
‘Kijk eens in het boekje.’
‘Het boekje zegt je moet daaraan draaien en dan aan dit kabeltje trekken.’
‘Dat draait zot!’
‘Trekken aan dat kabeltje. Papa!!! Heb jij nu echt die kabel helemaal losgetrokken? Wacht, laat mij. Kijk, los.’
‘Hoe deed je dat?’
‘Weet niet. Ineens viel dat wiel op de grond, haha…’
‘Ok. De krik moet hier, dat weet ik toevallig. Een handyman weet nu eenmaal zo’n dingen. Ontbreekt er niet nog ergens een stuk? Ik kan die bouten niet met blote handen losdraaien, hoor.’
‘Koffer is leeg.’
‘Hoe bedoel je, leeg? Kijk dan nog een keer, deze keer met je ogen open.’
‘Leeg is leeg, ik zeg het toch.’
‘Hoe kan… Wacht…Misschien als ik het zo … Aha!’
‘Goed gedaan papa.’
‘Niet te vroeg juichen, van de vier bouten is er altijd eentje …. Au, mijn rug. Au au au. Maar opgeven staat niet in ons woordenboek, hé. En hopla, nu is het kinderspel.’

Toen sprak ze dus die magische woorden: ‘Papa, je bent een held.’
Woorden die een vaderhart doen smelten.
Terwijl ook u wel beter weet. Weer een hyperbool. Een schromelijke overdrijving. Ik mag dan vele dingen zijn, een held ben ik niet. Ik ben meer als die trompetter, hij had geen geld, was geen held en hield niet van het krijgsgeweld. Beitel dat maar op mijn zerk.
Nog nooit redde ik iemands leven, stond ik ongewapend voor de loop van een tank met een roos in mijn hand of riskeerde ik lijfstraf en gevangenis voor de vrijheid van mijn mening. Nooit knielde ik in een vijandig stadion met het hoofd gebogen en de vuist hoog om mijn punt te maken. Zelfs gezeten aan mijn schrijftafel, anoniem en ongezien, steek ik nog mijn nek niet uit. Hoe weerzinwekkend en pervers ook de praatjes van de trol op mijn sociale media, ik zwijg. Ik huldig dat oude en weinig bekende zegswijs uit het China van Confucius: Bij dronkenschap of hectiek, houd u ver van polemiek.

Neen, je mag veel van me zeggen, maar een held ben ik niet.
Maar een fiere vader was ik wel.
Fier genoeg om met een heerlijk gevoel de vakantie in te gaan.