Zweeds raadsel

‘De mens, ge kunt daar niet aan uit.’
Het is het soort gedachte dat ik graag zelf zou verzinnen maar helaas, de grote Gerard Walschap was me voor. Jammer. Het is een prachtige frase, vol van waarheid bovendien.
Als in de nacht mijn lijf aan rusten toe is, woekert de geest onverdroten voort. Als onkruid tieren in mijn hoofd wilde dromen en fantasieën. Een wirwar van heldere gedachten en bevlogen zinnen, kriskras door elkaar. Het is drukker in de nevelen van mijn slaap dan in Wijnegem Shopping op zaterdagmiddag. Maar ‘s ochtends voor het witte blad is elk woord gevlogen. Ge kunt daar niet aan uit.

De plek waar mijn verbeelding woont, de frontale cortex, trekt zich op gang als een stoomtrein uit de negentiende eeuw. Ik voeder hem met raadsels, als brandstof. Synoniem voor ‘bouwwerkzaamheid’, vijf letters, zeg ik hardop. De tweede is een e, de laatste een r. Knoflooksaus, ook vijf letters. Zeehond moet in zes. Enkele ogenblikken later heb ik met heier, aioli en oorrob genoeg kapstokken om een mysterieus kortverhaal aan op te hangen, al verwacht u daar net als ik best niet te veel van.
Intussen wordt de koffie koud en speelt op de radio een gewezen staatssecretaris een plaat die al lang is grijs gedraaid. Zijn voorzitter zou verzuchten: ‘Zet ze af!’
Hoe zou dat voelen als men je enkel nog vraagt om wat je ooit was? Ik zou het niet weten, terwijl ik nochtans ervaringsdeskundige ben. Ik ben ex van vele dingen maar niemand vraagt mij wat. Rood in vier letters is blos. Even denk ik aan opwinding maar dan hoor ik de gewezen beleidsman orakelen en weet ik, het is het rood van plaatsvervangende schaamte. Het is heel erg allemaal, zegt hij. Heel, heel erg. Kouwe drukte in vijf letters trouwens is poeha. Mest in vier is gier.

Erg. Mijn Zweeds raadsel vraagt het niet, maar het had gekund: algemeen gedeeld gevoel van onbehagen, drie letters.
Erg is het voor de bejaarde in het zorgcentrum. Voor de politieker en de wetenschapper die men niet gelooft. Voor de gepensioneerde die het huis niet mag verlaten. Voor de overvraagde ziekenzorger,  voor de koerier die nooit de handen op elkaar krijgt. Thuiswerken is ook erg, je mist toch de werkvloer. De mens, ge kunt daar niet aan uit. Eens op de werkvloer wil hij het liefst zo gauw mogelijk naar huis.
Het is dramatisch erg voor de chef van het restaurant en de patron van de kleine kroeg. Voor de acteur en de zanger. Voor de kotstudent, de museumbezoeker, de schoonheidsspecialiste. Pijnlijk erg is het ook voor de jongen die achttien wordt en zich met zijn vrienden niet kan gaan bedrinken en voor het meisje dat haar lief mist. Omgekeerd evenzeer, all gender is equal. Dat, of iets van die strekking, komt van George Orwell en ook dat had ik graag zelf in primeur bedacht.
Erg wordt het ook voor Sinterklaas en de kerstman en voor het grote familiefeest bij de jaarwende. Zelfs wie daar telkens tegenop ziet, vindt het erg dat het dit jaar niet kan. Nu zijn we ook officieel gevaarlijk voor elkaar. Goed, de familie is niet leuk en oma wordt oud, maar de drank is gratis, toch erg dus dat het feest niet doorgaat. Karaoke, nu we het er toch over hebben, is het zevenletterwoord voor meezingfestijn.

Het ergst van al misschien, voor iedereen is het ook waar. Elk huis draagt echt zijn kruis. Het ene leed is niet groter of kleiner dan het andere. Ik ben ziek maar dat is niet erg want de buurman is zieker, is een redelijk onzinnige visie. Dat maakt jou niet minder ziek. Er bestaat niet zoiets als een wedstrijd in ergheid. Ook niet in mijn raadsel. Laag is vuig, dat wel. Echo in zes letters: nagalm.
Terwijl de vakjes zich gestaag vullen met letters die weer andere woorden aanreiken, erger ik me van langsom meer aan al die ergheid. De radio staat al lang uit. Het laatste ergs was het erg te veel. Fernand Huts koopt de Boerentoren. Kevin De Bruyne onderhandelt over een verbetering van zijn contract. Zijn brutominimumloon zou nu driehonderdzestigduizend euro per week bedragen.

Zeven letters: eenmalige coronapremie van drieëndertig euro waarmee een kansarm gezin een week lang de kinderen eten kan geven?
Aalmoes.
Aanstootgevend erg.

Welterusten, mijnheer de president

De president is boos.
Driftig als een kleuter met een rammelaar zwaait hij met zijn IPhone 12 Pro. Dikke vingers twitteren woedend hoofdletters de wereld in. FRAUDE, BEDROG, SCHANDE.
Hij wil niet uit zijn kamer maar mama Melania zegt dat het moet.  NEE. NEE. NEE. Kom op, buiten spelen, gezonde lucht zal je goed doen, ver weg van camera en LAMESTREAM-media. Naar het golfcourt, waar men de andere kant opkijkt als hij een balletje verlegt, of er eentje put met de handen. Daar, op eigen terrein, voelt hij tenminste nog wat respect. Met eerbied kijkt men er naar de oude, witte, rijke man, eigenaar van een wereldwijd zakenimperium en verdiensten zonder weerga voor het vaderland. Men knijpt een oogje toe en klopt hem na afloop op de schouders. Hij juicht: ‘IK BEN DE WINNAAR! DE ENIGE ECHTE!’
‘Het is waar,’ antwoorden zij. ‘De wereld zit vol bedriegers.’

Hij begrijpt het niet.
Heeft hij dan niet zijn stinkende best gedaan? Hij is van kop tot teen what you see is what you get. Hij zegt wat hij denkt en hij doet wat hij zegt. Een man uit een stuk. Zoals zijn vader het hem destijds heeft geleerd: ‘Er zijn twee soorten mensen op de wereld. Er zijn killers en er zijn losers.’ Hij is een killer. Kent geen twijfels, geeft nooit een falen toe. Ook dat rare Chinese virus schudde hij moeiteloos van zich af. Een killer wint, of sterft in het harnas. In de tegenstrever je meerdere erkennen staat gelijk aan onverdraaglijk en onherstelbaar gezichtsverlies.
Hij schrapte samenwerkingsverbanden en klimaatakkoorden, precies zoals hij had beloofd. Hij stopte de toevloed van inwijkelingen, zonder pardon, al moest hij daarvoor gezinnen uit elkaar rijten, kinderen scheiden van hun moeders. Hij diende het hogere goed. Hij bakkeleide met alle andere groten der aarde, alles voor dat ene doel: Make America Great Again.
En nu dit.
In de war, dat is hij. En velen met hem. Zeventig miljoen kiezers kunnen niet verkeerd zijn. Wij hier, op dat oude en vermoeide continent, zien dat anders. Wij herinneren ons nog 1933, bij de Oosterburen. Al lijken dat ook hier steeds meer mensen te vergeten.

Hij schudt het hoofd.
De waarheid onder ogen zien, kan hij niet. Dat niet zijn bestuur op het kapblok ligt, maar hijzelf. Zijn botte boertigheid, zijn plompe ongemanierdheid. De zelfvoldane blik en wapperende handjes. De stank van de eigen lof. Het schelden en het tieren, het aanhoudend puberaal kwetsen.
Hij ziet niet dat de mens in de straat op een dag genoeg krijgt van vuilbekkerij en ranzigheid, de buik vol heeft van zomaar schofferen en pikeren. Sleepy Sloppy Joe, Corrupt Hilary. Eerst is dat nieuw en leuk en oh my god wat durft hij allemaal maar na een tijdje weet de kiezer, er zit meer inhoud in een lege doos.
Niet zijn beleid heeft de verkiezing verloren, de dorst naar fatsoen heeft gewonnen.  

De president is boos.
Wij likkebaarden bij dit schouwspel. Kijken meewarig toe hoe het balorige kind weigert zijn speeltje af te geven. Heerlijk spektakel. Wij voelden hem allemaal, een week geleden, die zucht van opluchting. Een vlinder bewoog haar vleugels in de studio’s van CNN in Atlanta, Georgia, VS, en ontstak een tsunami van opwinding die alle stranden van de wereld overspoelde.
‘Hij gaat eraan,’ lachten wij, ‘die bullebak, de pestkop op de speelplaats met zijn grote muil en dat rare haar. Dat hij dat fake glimlachende ijskonijn van hem maar meeneemt. Het is voorbij.’

Wij zien de toekomst weer vrolijk tegemoet.
Opgeruimd staat netjes, ander en beter. Wie die ander is, of hoe hij denkt, het interesseert ons niet. Zijn mening over gendergelijkheid of Black Lives Matter, economie of migratie, ach, wat zou het. Binnen- of buitenlands beleid? Boeien!
Hij is the new kid. Bijna tachtig. Vriendelijk, zo op het eerste gezicht, met een minzame glimlach op de lippen. Chill. Misschien bezit hij niet het redenaarstalent van zijn vroegere baas, maar hij klinkt rustig, welopgevoed, spreekt wijze woorden, precies wat je van een president mag verwachten.

Wie van ons maalt om dat rare appendix aan die zegespeech?
God bless America and god bless our troops. Een extra bede voor de gewapende troepen. Misschien stuurt hij ze wel, zoals ontelbare illustere voorgangers deden, naar verre oorden. Nucleaire schepen richting Cuba, adviseurs naar Vietnam, vliegdekschepen naar Irak of Afghanistan en Special Forces naar Jemen of Syrië. Een invasie links, een bommentapijt rechts, ergens moet een demonstratie uit elkaar worden geranseld, hij doet maar, ons laat het onverschillig.
Als hij maar zijn manieren houdt en met twee woorden spreekt.

Beste Covid

Beste Covid

U kent mij niet. Daarvoor prijs ik mij gelukkig. Met uw permissie wil ik dat graag zo houden. Dank u wel.
Ook ik ken u niet echt, al hoor ik dagelijks veel over u praten. Meer dan ik leuk vind, geef ik toe, en weinig fraais bovendien. U doet me denken aan die Sniper uit die documentaire op televisie. Niemand weet wie u bent. U verplaatst zich ongezien en geruisloos. Iedereen is prooi, niemand veilig, uw methode stoelt op blinde willekeur. Voor je beseft dat je getroffen bent, bent u al verderop aan de slag. Traceerbare sporen laat u nauwelijks na. Kortom, u zaait koud en kil terreur.
Hoe ziekelijk ook, u kiende dit perverse plan uit tot in de meest minuscule finesses. De uitvoering verloopt vlekkeloos. Wederom proficiat.
Het werkt.
Het doet pijn.

Wij noemen u het. Net als bij de engelen valt uw sekse moeilijk te bepalen. Uw bloeddorstige moordlust doet neigen naar een hij. De slinksheid en het geduld van uw onderneming suggereren eerder een zij. Intussen, beste het, tollen onze hoofden van de vragen. Wat drijft u? Welke doelen streeft u na? Hoelang denkt u nog te blijven? Wanneer is het genoeg? Voor ons, nietige mens, bent u een enigma.
Ik laat me vertellen dat u vanuit het verre Oosten het continent kwam ingevlogen. Chique, niet iedereen kan zich die reis permitteren. Dat verklaart misschien die langdurige omzichtigheid waarmee wij u behandelden. Wij begroetten u halfslachtig, god ja, het zal zo’n vaart niet lopen. Het valt wel mee. Andere gelukzoekers genieten minder compassie. Het mag gezegd, sneller dan het licht verwierf u zich in onze maatschappij een plek. Onze bewindslui talmden, legden u zo min mogelijk in de weg. Hoe kreeg u hen zover? Zieken en gezondheidswerkers liet men in de steek, offers op het altaar van de economie. Ach, een rondje applaus, een kaars voor het raam, het maakt veel goed. Al knipperden alle lichten rood, driftig marcheerden wij door, op weg naar school en werkplek, als een kudde naar de afgrond.
Uw verdienste. Opnieuw, oprechte felicitaties.

Wij praten echter over u in mineur.
U kleurt dit aflopende jaar met angst, paniek en wanhoop. Ongevraagd breekt u in onze levens in. U ontwricht, maakt ziek, doodt. U beroept zich daarbij niet op een hogere god. Integendeel, de oppermacht die met stuitend gemak oordeelt over leven en dood, bent u zelf. U hamert daarbij geen standbeelden van sokkels, plant geen vlaggen. Een kille sluipmoordenaar, meer bent u niet. Wij kijken als konijnen voor een lichtbak bewegingloos toe. Wie hooghartig en hardnekkig uw bestaan ontkent, penaliseert u zonder genade. Menig bezoeker van clandestiene partijtjes in shishabar of loft verwijst u naar het beademingsapparaat of de intensieve zorg, vooropgesteld dat daar nog een bed te vinden is. Scholen tovert u om tot broeihaarden. Kinderen, naïef en onschuldig, transporteren u onwetend tot bij hun verzwakte grootouders. Ook daar kent u geen mededogen.
Hoe geniet u daar eigenlijk van?

Beste Covid
Mag tussen deze vragen misschien een kleinigheidje over mijzelf?
Ik ben iemand van het halfvolle glas. Ik kijk graag door het donker van de buitenkant naar het warme licht vanbinnen. U raadt het! Ook in u ontdekte ik het goede. U bent een het met een missie. Een wijze meester uit het Oosten die ons attendeert op onze tekorten. Wax on, wax off, die kerel, met de looks van deze tijd. U leert ons een lesje. Ervaringsgericht, zonder verdere toelichting. Een goede verstaander en een half woord, toch? U bent die onderwijzer van weinig woorden en de harde hand.

Dus, wat heeft wij geleerd, hm?
Dat eendracht macht maakt. Hoe meer sprekers, hoe groter kakofonie. Al helemaal met die kakelende Ben ertussendoor. Hoe minder stemmen, hoe helderder de boodschap. Dat is één.
Twee. Een oefening in bescheidenheid. Niet elke individuele mening doet ertoe. Soms doen we er collectief beter aan onze persoonlijke opinie te bergen op een donkere plek, zelfs voor de zon niet toegankelijk.
Drie. Hou het simpel, niet moeilijk maken. Een paar belachelijke regeltjes. Een kind van de kleuterschool kent ze uit het hoofd.

  1. Was je handen.
  2. Houd afstand.
  3. Beperk het aantal mensen dat je ziet.
  4. Draag waar nodig een mondkapje.

Zoals mijn leraar Frans vroeger altijd placht te zeggen: ‘Moeilijk? Helemaal niet moeilijk. Zelfs heel gemakkelijk.’

Beste Covid  
Uw boodschap is gehoord. Nu, hier en overal.
Daarom wil ik hierbij graag een bescheiden voorstel doen.
Stel, wij doen wat u ons opdraagt. Allemaal. Niet van harte maar omdat het moet. Voor onszelf en voor elkaar. Zolang het nodig is. Kunnen we dan afspreken dat u de planeet verlaat? Voor eeuwig en altijd?  
Daarvoor een laatste keer: welgemeende dank!
U de hand schudden doe ik niet. Maskers af, open vizier. Ik vertrouw op uw woord.
En wens u hierbij alvast een behouden terugreis.

Wat Alleen Elvis kan

Traagheid is van al mijn ondeugden wellicht de mooiste. Niet dat ik een laatkomer ben, dat is het niet. Als Covid het toestaat, date me en u zal merken, Erik Optijdkomers, dat is mijn naam.
Wat ik wil zeggen is, veel dingen mogen van mij gerust wat langer duren. Ik verkies de fiets boven de auto. Ik wandel liever dan dat ik ren. Het hoogtepunt is nog altijd maar een punt, het laatste bovendien, het einde van de reeks. Het pad er naartoe is avontuur, een weg met vele kronkels. Honderd en drie jaar oud moet ik worden om alles te doen wat ik gedaan wil krijgen. Langzaam, op eigen tempo. Take your time, think a lot, dat is mijn motto. Opgepikt bij Cat Stevens, een zanger die ook heel lang moest denken en zich dan Youssef noemde. Persoonlijk vind ik Cat voor een popartiest beter bekken.

Het duurt bij mij gewoon een tijdje voor de ernst van de toestand tot me doordringt. Eerlijk, pas op het ogenblik dat ik zelf mijn portefeuille bovenhaalde om de pakjes te betalen, besefte ik dat de sint niet echt bestond. En toen die twee vliegtuigen Amerikaanse wolkenkrabbers doorboorden, realiseerde ik me slechts in de late avond dat het hier geen brute pech betrof. Ik dacht een ganse dag, shit happens, een ongeluk komt nooit alleen. Zo geloofde ik dus ook jarenlang dat Elvis dood was en god leefde. Tot Luc De Vos en Thomas Vanderveken me van het omgekeerde overtuigden. Elvis leeft, weet ik nu. Dat wij elk jaar gods zogenaamde wedergeboorte vieren, beschouw ik sindsdien als een creatief excuus voor een vet feest.

Precies omdat alleen Elvis blijft bestaan, vind je me elke herfstige zaterdagavond geketend aan mijn scherm. Dan trakteert Thomas een genodigde een glas water, soms een wijntje. De gast toont zich nerveus doch meegaand. Thomas echter is nog een gastheer van de oude stempel. Hartelijk. Hij schept rust, bruuskeert nooit, luistert geïnteresseerd, reageert alert. Het gaat niet om hem. Mensen mogen in volzinnen praten, hij gunt ze de tijd.
Veel lijkt het niet om het lijf te hebben. Twee sprekende hoofden, af en toe wat beelden, anderhalf uur lang. Ik mag daar graag naar kijken. Het programma heeft mijn tempo. Achteroverleuntelevisie. Tegelijk flitst en knettert het. Je binnenste keert zich naar buiten. Ik herinner me Ilja Pfeiffer die het beeld aanreikte van een dokter op een aangespoelde vluchtelingenboot voor de Italiaanse kust. Het kille besef rond mijn hart. Dit is een misdaad tegen de mensheid. Waarom doen wij met zijn allen niets? De conversaties gaan namelijk ook altijd ergens over. Een lang, traag, ouderwets maar heus gesprek. Voor wufte smalltalk wendt men zich beter tot Gert en hoe-heet-die-andere-knaap-op-die-boot? Bart?
Elke genodigde heeft een verhaal. Of twee of drie. Je hoeft het er trouwens niet mee eens te zijn, misschien zelfs beter van niet. Van andere standpunten steek je nog wat op. ‘Lees je ongans’, adviseerde Tommy Wieringa onlangs. Ok, rare zegging wel. En ook: ‘Als je boek helemaal klaar is, je bent tureluurs gezwoegd en helemaal uitgetikt, begin dan van voren af aan. Tik het nog een keer over, om elk woord uit te puren.’ Lijkt mij moeilijker dan op dezelfde dag de Mont Ventoux langs drie zijden op te fietsen. Maar hij weet het natuurlijk best. Hij is de man die meer boeken slijt dan de bakker broodjes.

Deze week verschilde ik graag af en toe van mening met mevrouw Ine Van Wymeersch, Procureur des Konings van Halle-Vilvoorde. Ze zette me aan het denken over levenslang gekoesterde zekerheden. Ze droeg ook argumenten aan. Aan het eind nam ik mijn hoed af en boog ik ootmoedig het hoofd. Zij weet natuurlijk van veel dingen veel meer dan ik. Beroepshalve vertoeft ze veel vaker dan goed kan zijn in de donkerste krochten van het menselijke zijn.
Beklijvende beelden droeg ze aan. Over Huiselijk Geweld (fragment ‘De Twaalf’). Levenslange Internering (fragment ‘9999’, te bekijken op VRT Nu, tip met stip!) Gelukkig bestaat ook het leven van een procureur uit meer dan ellende alleen. Sport (de gouden dames van Peking) en Vrolijkheid (Xavier De Baere, Professionele Afscheidsnemer) verluchtten de boel.
‘Cynisch word ik nooit,’ zei ze aan het eind.
Exact het voornemen dat ik ook zelf lang geleden maakte, toen ik er rijkelijk laat achter kwam dat de wereld niet is geboetseerd met onze kinderdromen. Dus kreeg ik ook het slotakkoord nog wel verteerd. Voor de honderdste aflevering had men aan Stephen Fry gedacht. Hij komt niet, Covid zegt nee.
Ze vragen wel iemand anders, dacht ik.
In bed begon ik alvast een aantal fragmenten te selecteren.

Gelukkig zijn

Die middag kropen de regenbuien vermoeid achter het wolkendek. Tijd voor een verkwikkende powernap. En er dan weer flink tegenaan. Eenzaam bleef de wind buiten spelen. Verveeld woei hij op zijn hardst. Hij blies de bomen kaal. Aangename omstandigheden, vond ik, om een copieuze brunch te verwerken met een fikse wandeling in bronsgroen eikenhout.
Groot noch klein wild op mijn pad. Of het naamwoord zou enigszins spreekwoordelijk moeten verwijzen naar de groep jonge meisjes die me opgewekt en vrolijk zingend tegemoet stapte. Allemaal droegen ze onder hun grijze hemd een onelegant doch zedig kaki rokje. Speels en blinkend van levenslust dansten ze om de plassen heen, hun geestdrift omgekeerd evenredig met hun levensjaren.
De schelle stemmen deden, welja, een belletje rinkelen. Deze melodie hadden wij ook nog gekweeld, destijds, in de dagen dat we zelf net zo onschuldig hosten in de bossen, de billen rood van de kou en geperst in nauwe, haast de testikels afknijpende korte broek.

If you ’re happy and you know it
clap your hands
HIP HOI

Dit vers diende diverse keren herhaald, wellicht om de mindere verstaander te plezieren. Het HIP HOI slingerde er als een juichkreet achteraan. Als tussenspel volgde een subtiel

If you ’re happy and you know it
then you ’re face will really show it
If you ’re happy and you know it
clap your hands
HIP HOI

Zongen wij vroeger niet: and you really want to show it? Zeker herinner ik het me niet en enkel een dwaas vertrouwt zijn geheugen. De overgave waarmee ze van hun geluk kond deden, werkte op mijn gemoed als een winnend doelpunt in de extra speeltijd. Nog altijd kleuren jonge mensen de grijsheid van ons bestaan met een aanstekelijke vreugde en vrolijkheid. Zelfs in dit kille bos waar de bladeren mistroostig afscheid namen van de bomen.
Enthousiast serveerden de meisjes de aanzwellende groep omstaanders diverse suggesties om geluk te uiten. We werden gemaand te klappen in de handen en de aarde met de voeten plat te stampen, op het eigen hoofd te tikken, rondom rond te draaien en af te sluiten met een welgemeend Hello. Zelfs in Covid-tijden niet een gangbare methode om iemand te begroeten. Maar leuk was het zeker. Het bos kleurde vijfhonderd tinten. Mijn hart werd warm en blij.
Een van de meisjes, blonde vlechten, lachte me toe.
‘Kom mijnheer, meedoen,’ riep ze en ze danste een rondje.
Met geestdrift zette ik een stap naar voren. Toen stelde ik me voor dat het schouwspel redelijk gênant zou zijn en de omstaanders allerminst plezieren. Ik weerstond de innerlijke dwang. Glimlachend monsterde ik de andere toeschouwers. Een man en een vrouw op leeftijd keken arm in arm woordeloos toe, de monden verstoken achter een blauw doekje. Een man, een vrouw, een kind haastten zich naar de nabije speeltuin, naast het hertenparkje. Zij hadden tijd noch oog voor de danseuses. Vier jongelui fietsten druk pratend voorbij. Een vrouw in jogging, ver van de topconditie verwijderd, sjokte haar loopschema bij elkaar. Een paartje passeerde met driftige tred. Hun zwijgen schreeuwde ongenoegen.

Achter diepe fronsen op mijn voorhoofd vochten vragen, meningen en filosofische overpeinzingen om voorrang. Waarom werden deze toehoorders niet net zo vrolijk? Waarom vertoonde niemand tekenen van blijdschap? If you ’re happy, begonnen de meisjesstemmen achter me weer. Wat ontberen wij toch om gelukkig te zijn, vroeg ik me af? Beschikken wij dan al niet over alle voorwaarden daartoe, of toch, geef toe, heel veel? Zoveel plekken op de wereld waar men het met minder stellen moet. ‘Mensen op andere continenten,’ zo zeggen wij, ‘zijn arm maar gelukkig.’ Waarom wij dan niet?
Het gezang achter me verstilde. Nog een flauw, and you know it, waaide me achterna. Ik was weer alleen met het geruis van de vallende bladeren. Ook een ontroerend gezang. Misschien is het dat, dacht ik. Geluk moet je herkennen. Inzien dat je het hebt. Het waarderen en omhelzen. Aanvaarden dat dit het wel ongeveer zal zijn. Misschien, zo redeneerde ik, zit in het niet herkennen van je geluk, nog diepere tristesse vervat dan in helemaal niet gelukkig zijn. Het is als zitten op een berg geld en niet in staat zijn het te laten rollen. Misschien is ons geluk zo klein en gewoon geworden, dat we het niet langer opmerken. Stromend warm water. De knop van een lichtschakelaar. Een meisje met vlechtjes dat naar je lacht.

Als een kind in een zedig rokje klapte ik in mijn handen. Stampte de zolen uit mijn schoenen en draaide een keer om mijn as. Bij de bakker kocht ik voor thuis twee koeken met pudding. Voor allebei een.
Hip Hoi.

Neus, keel en oren

De deur draait me van de regen in een klinische kilte.
Ik ontsmet mijn handen. Of ik een afspraak heb, vraagt een meisje in groene schort vriendelijk. Die heb ik, dus ik mag door. Een ander meisje, even groen, wijst naar een machine. Ze hoeft niets te zeggen, ik ben nog jong genoeg om de gleuf te vinden waarin ik met vaste hand mijn identiteitskaart steek. Het toestel stelt vragen, ik antwoord bot met ja of nee.
Ik mag verder.
Mijn identiteit blijft in de machine achter. Vanaf hier ben ik een streepjescode op flinterdun papier, als een gehoorzame robot Route 41 aflopend tot aan mijn bestemming. De plafonds zijn te hoog, de muren te wit, het licht te hard. Strakke verpleegstersuniformen camoufleren de vrouwen die erin wonen. Zij mogen weer zichzelf worden als ze zich straks ontdoen van crocs en broekpak. In dit huis doet men niet aan luchtigheid of opsmuk. Lachen, zingen noch dansen toegestaan. Ook de patiënten kleden zich daarnaar. Geen maatpak of baljurk, Italiaanse schoen of naaldhak. Schreeuwerige shorts, smakeloze joggings, versleten sneakers.

Minder zitplaatsen dan mensen in de wachtzaal. Niemand praat. Een man wiebelt op zijn stoel. De zitting zucht mee, alsof haar een wind ontsnapt. Ik moet erom lachen, maar zelfs achter mijn masker houd ik de lippen stijf.
Een assistente roept een naam. Een tweede keer. Een oude vrouw schuifelt naar haar toe. De man op de stoel kreunt. Moppert, schijnbaar tegen zichzelf maar met voldoende aplomb zodat iedereen het hoort: “Ik wacht hier al drie kwartier, dat kan toch niet.” Dat kan makkelijk. Mensen zeggen vaker dat iets niet kan op het ogenblik dat het gebeurt. Dat vind ik vreemd.
Niemand kijkt op, niemand troost hem.
“Hoe is dat mogelijk,” zegt de man. Hij weet nu dat het inderdaad kan maar begrijpt niet hoe het komt. Hij klinkt boos. Boos zijn mag, vandaag. Het is een emotie die kritiekloos wordt aanvaard. De tot over de oren verliefde schreeuwt zijn hartstocht niet meer, zoals wij destijds, luidkeels van de daken. Hij bergt het sentiment veilig in het hart, houdt het daar vast uit angst het weer kwijt te raken. Woede echter mag je delen. Ontevreden zijn we graag. Verderop in mijn straat hangt een leeuwenvlag voor het raam. Op de achterruit van de SUV op de oprit kleeft de slogan #niet mijn regering. De sticker is ouder dan bedoelde bewindsploeg zelf. Preventief boos, het is ok.
Jeremiëren hoort in onze canon.

Een man in jeans en hemd zegt mijn naam. Als een schaap volg ik hem. Hij kruipt achter een breed scherm, we houden onze maskers op.
“Vertel het eens,” zegt hij. Zijn stem ontspringt uit een onbekende bron. Ze klinkt vreemd. Raadpleeg jezelf eens een keer, denk ik. Soms wil ik dat mijn gedachten een dagje vrij nemen, zodat ik met mensen kan praten zonder kronkels in mijn hoofd.
Ik vertel het. Dat mijn huisarts vond dat ik naar hier moest komen. De man kijkt naar overal maar niet naar mij. Aan niets kan ik zien of hij mij hoort. De assistente die het oude vrouwtje sommeerde, komt het kabinet binnen. Waar is het dametje naartoe? Hier is ze niet en ik zag ze ook niet de deur uit gaan. Mijn ogen tasten de muren af, zoeken een verborgen vuilschuif op mensenmaat, waarlangs niet meer te genezen patiënten worden geloosd. Een besparing in de gezondheidszorg, we moeten allemaal offers brengen, nu, met die Covid.

De arts legt een lat op mijn tong. “Zeg eens i”, zegt hij. De vooruitgang, denk ik, vroeger was het ‘a’.
‘i-i-i’, zeg ik dom.
“Even met een camera in je neus”, kondigt hij aan. Het voelt erg vervelend.
“Ooit je neus gebroken?” vraagt hij. Dat heb ik niet. Mijn tussenschot staat scheef, blijkt. Ook dat klinkt vervelend. Mijn neus mag dan geen adonisallures hebben, hij is – was – wel een van de weinige zekerheden in mijn leven. Niemand maakte er ooit een denigrerende opmerking over. Dat houvast maait de man met de camera met een ampele zin onderuit.
Met een fijn lampje exploreert hij mijn oor.
“Ben je een zwemmer?” vraagt hij.
Een wonderlijke vraag. In twee zinnen vat ik mijn zwemcarrière samen, meer valt er niet over te zeggen. Hij knikt, had het al in mijn oren gelezen.

“Niet meer dan wat typische ongemakken, eigen aan de leeftijd,” zegt hij. “Medicijnen kunnen, maar echt helpen doen ze niet.”
“Liever niet,” antwoord ik, “dan lijk ik bij het ontbijt een oud mannetje. Eentje voor de bloeddruk, eentje voor de stoelgang, eentje voor het hart, laat maar.”
Hij lacht: “U mag niet klagen, mijnheer.”
“Ik weet het,” zeg ik. “Dat is het niet. IJdelheid, Uw naam is Vrouw, zegt men. Volgens mij heeft men ongelijk.”
Lachend opent hij de deur. We geven elkaar geen hand.
Weer in de buitenlucht mag het masker af.
Het regent niet langer. Het wordt vast nog een mooie dag.

Bompa Laweit

Mannekes, luistert.
Ik ben niet zo van die goede ouwe tijd en zo, maar nu moet er toch teen en tander van mijne lever.

Ik had slecht geslapen.
Ok. Dat gebeurt wel meer als ik gedronken heb. Eigen schuld. We waren gaan eten bij de Kroaat. Ge kent dat. Aperitief. Wijn. Nog wijn. Pousse-café. Duveltje. Thuis nog een borrel. Pakt dat het een uur of twee was toen ik gelijk ne zandzak in mijn bed viel. Maar dan. Ge slaapt wel, maar ge rust niet uit, snapt ge? Ge slaapt gewoon uw roes uit. Maar de zondag was het koers en voetbal dus ik ging toch heel de dag voor den teevee hangen. Dus, ja.
Maar ’s morgens. Jongens, jongens. Ik dacht, dat is hier een Marokkaanse trouw of wat? Tuten, claxonneren, manmanman. Zot wier ik. Ik rol uit mijne tram, zien door de venster. De parking van de Carrefour. Allemaal auto’s. En vlaggen. Een laweit, jongens toch. Allé, ik spreek nu niet voor mijn eigen, maar als ge met de nacht hebt gestaan, dan hebt ge het toch maar schoon aan uw pietje. Een demonstratie, zeiden ze op de radio.

Ik ben van de oude stempel, ik weet het. Maar ik heb van zijn leven ook dikwijls betoogd. Ge wilt niet weten voor wat dat ik allemaal op straat gekomen ben.
Ik weet nog, de eerste keer. Tegen de dertig miljard van Vanden Boeynants. Als ik het goed rappeleer, gingen ze straaljagers kopen. Mijne kameraad, de Flip, had me daar mee naartoe gesleurd. Ambras thuis gast, met ons vader. We gingen toen ook staken op school. Dat is de enige keer in mijn leven dat ons vader mij naar school heeft gebracht. Ik was zestien jaar!
Daarna, kernwapens. Weet ge dat nog? Driehonderdduizend man. Of vierhonderd, ik wil het kwijt zijn. De trein stampens vol. Ge moest een halve dag wachten in Brussel Noord voor ge mocht vertrekken. Maar wij trokken ons daar niks van aan, de Flip en ikke. Wij trokken op kroegentocht. Van de Noord naar de Zuid. De cafés bleven toen nog open bij betogingen, dat was een feestdag. Dat is vandaag wel anders. We hadden afgesproken om in ieder café onderweg één pint te drinken. Zat dat wij waren, man, echt, niet te doen. En wat we niet wisten, de nacht ervoor had den Amerikaan die raketten al binnengevlogen. Die stonden er al voor dat ons eerste pint getapt was. Op het werk vroeg de dag daarna iemand hoeveel de Russen ons hadden betaald om tegen de Amerikanen te betogen. Betaald? Mijn oor, een bom geld heeft ons dat gekost.

Ja, ja. Ik heb dikwijls meegelopen. Na zwarte zondag. Tegen le bruit des bottes in tstad. Voor homorechten, ook met de Flip. En voor het werk ook een paar keer. Ik stond in het onderwijs. Dat is nu niet meer nodig, ze hebben daar nu den Ben Weyts, haha. Grapke hé mannen. Hey, we mogen toch nog wel eens lachen hé.
Tegen de oorlog in Irak. Ook geen avance. Maar van de week zag ik een documentaire, Once Upon a Time in Irak. Dan ziet ge dat we toch gelijk hadden, toen. Nu zeggen ze het zelf, we invented ISIS! Daar zijt ge vet mee, natuurlijk. En ginder al helemaal.
De Witte Mars heb ik niet meegedaan, daar was zo al volk genoeg. Maar tegen de bezetting van Palestina. Tegen Oosterweel. Tegen Zinloos Geweld ook nog. Dat klinkt nu nogal onnozel, protesteren tegen iets waar nu echt iedereen tegen is. Ne mens denkt niet altijd even goed na. Voor het klimaat ook nog, een paar keer.
Ik vond dat altijd wel een feestje, betogen. Op de trein al. Veel volk altijd. Roepen, zingen, pintje pakken, sfeer. ’s Avonds toch een beetje als een gekookte patat naar huis. En dan de dag daarna in de gazet, er waren zoveel betogers maar de rijkswacht heeft er maar zoveel gezien. Er zit een mol bij de rijkswacht, zeiden wij toen. Jaja, wij lachten wat af.

Maar van de week check dees: “Later vertel ik mijn kleinkinderen trots dat ik tussen die 15000 Vlamingen stond.” Straf toch, niet? Ok, ieder zijn gedacht. Hij denkt zo, ik denk anders. Geen probleem, leven en laten leven, zeg ik altijd.
Maar zegt nu zelf. Ge stapt in uwe auto. Ge rijdt naar de parking van de Carrefour. Ge doet een babbeltje. Terug in uwe auto. Naar Brussel. Achter ander auto’s, zodat ge niet verloren rijdt, want vandaag de dag kunt ge zelfs uw GPS niet meer vertrouwen. Daar rijdt ge weer een parking op. Ge stapt uit, roept een beetje, zwaait wat met uw vlag of uwen arm. Ge stapt in en ge rijdt terug naar huis. Op tijd voor de koers.
Trots? Zwanst nu niet hé.
Wat gaan die zeggen, die klein mannen: “Amai, Bompa. Naar Brussel met den auto? Gij waart nogal ne kerel, gij”?
Allé komaan. Ni zwanzen hé.

Strapdag

Dit land is het noorden kwijt.
Dat slaat geenszins op dat gedoe over die Vlaamse minderheid in de nieuwe Belgische regering. Dat interesseert mij niet. Het is de gekende handigheid: kijk, daar, een ongemak dat er geen is. Zo vergeet je die andere hoek, waar problemen zich sneller opstapelen dan nieuwe Covid-maatregelen.
Neen, de aanvangszin dient spreekwoordelijk geïnterpreteerd. Als in: we weten het niet meer. We zoeken de kluts. Beseffen niet meer wat wezenlijk is. Onze collectieve lijst der prioriteiten raakte in de war. Iemand haspelde hem door elkaar. De politiek? De media? Wij?

Een recent voorbeeld. De achttiende dag van de lopende maand, de site van de publieke omroep. Items: een jongen wordt gemist. De Tour nadert haar ontknoping. De formatie zit in het slop. Sneller dan een virus hoppen van WhatsApp naar WhatsApp beelden van bekende mannen, zwaaiend met hun flieter. Onderaan op het scherm, nauwelijks nog in beeld:
Fietsster (12) omgekomen bij ongeval in Zwevegem: 6e dodelijke ongeval met fietsers in de regio sinds september.

Dat meisje, weet u nog?
Wellicht. Een meisje van twaalf, dat kruipt onder de huid. Andere vragen dringen zich op. Die andere vijf, wie zijn ze? In welke regio precies speelt deze gruwel? Hoe dichtbevolkt is die kant van het land? Zes, op achttien dagen, toch wat van het slechte te veel, niet? Doet ook iemand daar wat aan?
De eerste was een man, vijfentwintig. Koersfiets op, oortjes in, zelden een goed idee. Hij negeerde een voorrang. De chauffeur die hem aanreed had niet gedronken, reed niet te snel. Het artikel vermeldt niet hoe die man verder moet met het besef dat onder de wielen van zijn wagen een onbekende het leven liet.
Drieënzeventig was de tweede. Trok er graag nog samen met moeder de vrouw op uit. Een elektrisch minifietsje, net zo handig. Zijn laatste tocht eindigde abrupt onder een vrachtwagen. In het aardedonker van de nacht passeren haar telkens weer dezelfde beelden. Zij bleef ongedeerd, meldt de correspondent. Hoe ongedeerd zou dat zijn?
Nummer drie, negenentachtig. “Zo kras, we dachten dat hij wel honderd zou worden,” vertellen de buren. Niet dus. Bij het dwarsen van de weg landde hij op de voorruit van een bestelwagen. “In onze straat wordt wel vaker veel te snel gereden,” zeggen ze er nog bij. Negenentachtig, ach, eens moet het toch gebeuren, hoorde je denken tussen de regels door.
Een ondernemer sluit even de deuren. De beslommeringen uit het hoofd laten waaien. De zon lokt als de Lorelei. Kansen moet je grijpen. De aanhangwagen toont geen ontzag voor zijn dure racefiets. Wat vertelt mama bij het avondmaal aan haar zonen van zes en negen? Met welke woorden?
Vijf. Weer een man, zesenzeventig. Bij het oversteken onder de aanhangwagen van een tuinaannemer gesukkeld. Aan de fietsoversteekplaats. Maar ja, hoe gaat dat? Slechts aan één zijde van de straat ligt een fietspad. Mogelijk speelde dat een rol, denkt de politie.
Kato werd twaalf. Fietste met een vriendin op weg naar school, waaide onder de wielen van een truck. Op strapdag, de dag dat men scholieren aanmoedigt stappend of trappend naar school te gaan. Je wil het je niet inbeelden. Hoe zou het nog zijn met de vriendin? Twee dagen later is er een voetbalwedstrijd in de buurt. In minuut twaalf krijgt Kato zestig seconden stilte. Applaus ook. Een spandoek: ‘Rust Zacht, Kato’. Zelfs de commentatoren doen er even het zwijgen toe. Dan gaat de wedstrijd vrolijk door, de belangrijkste bijkomstigheid van de wereld.

Prioriteiten.
Als weer een kind van twaalf haar bestemming niet bereikt, hebben niet de spannendste wedstrijd, de tot in de diepste treurigheid aanslepende regeringsvorming of enkele piemelzwaaiende BV’s, recht op de grootste aandacht. Alleen dat kind. Tot op de dag van vandaag is een fietser op de weg nog altijd meer risicopatiënt dan mijn grootmoeder op de Covidafdeling. De nevenschade talloze malen groter. Tijdlozer ook, levenslang en onherstelbaar.
Waar mensen zijn, worden fouten gemaakt. Wie zonder zonde is, u kent dat. Maar het blijft de verdomde plicht van een overheid ervoor te zorgen dat kinderen ongeschonden op school geraken, gepensioneerden op gepensioneerdentraagheid de straat kunnen oversteken, sporters kunnen sporten. Het leven van de burger hoort bovenaan de lijst, niet de grootte van de taalgroep in het parlement. Wij betalen onze bestuurders om te zorgen voor een ordentelijk ruimtelijk beleid. Een infrastructuur die levens redt en niet kost. Het is de opdracht van de journalist hardnekkig te blijven hameren op die nagel, eerder dan een podium te knutselen voor elke zichzelf bevlekkende bekende nitwit.
Of moeten wij, zoals een naar verluidt groot staatsman suggereert, ook gewoon maar even op de knieën en doorslikken?

Herfst

Veel wandelaars zijn er niet in het park vandaag. Nochtans zindert de zomer nog na, een uitdovend vuur. Ik zit op een bank aan de vijver. Een paartje slentert voorbij. De liefde is nog pril, lees ik in hun ogen. Een trotse oma met een kinderwagen, een vermoeide jonge vrouw ernaast. Een andere vrouw, alleen op een bank. Ik ken haar niet. Ze lijkt onvolledig. De najaarswind waait haar gemis langs me heen. Ik sla mijn benen over elkaar, open het boek. Dit had ook in mijn tuin gekund, maar ik hou ervan op te lossen in de open ruimte waar ik, schuilend achter het gedrukte woord, de bewegingen van passanten gadesla en flarden van hun zinnen vang. Alles is materiaal en alle materiaal is recycleerbaar.

Het boek leidt me naar een strand. Twee mannen wandelen langs het water. Ze herinneren. Loopbanen, levens, liefdes. Ik hoor de golven en de meeuwen, adem het zilt in mijn longen, deel hun passies, schuif met ze mee aan tafel, proef garnalen en Rodenbach.
Een basstem zet me bruusk weer op mijn bank.
“Hey. Lang geleden. Stoor ik?” Een retorische vraag.
“Ja. Neen,” stotter ik. Ja, het is lang geleden. Nee een beleefdheids-nee.
Hoe het met me gaat? Goed, en met hem? Oh, ca va. Het lichaam hapert wat, hier en daar. Drie jaar met pensioen, alweer. Maar hij klaagt niet, heeft altijd goed de kost verdiend. Kinderen allebei het huis uit. Ook de vrouw zit thuis, werk onbekwaam, een toestand. Maar het is zoals het is, we leven nog, ha. Anderen zijn al lang weg.
Elke dag verzilvert hij zijn ZOO-abonnement. Toch altijd een paar uurtjes buiten.
“Gelukkig maar, ” zegt hij. Want de hele dag thuis, daar wil hij liever niet aan denken. Nee, hem zie je nog zo gauw niet wegzakken in het leder van de televisiebank. Fascinerende wereld, de ZOO. En of ik me x nog herinner? Die racet en rent alsof hij nog altijd twintig is. Beetje zinloos, als je het hem vraagt, de Tour de France gaat hij niet meer winnen. Ach, ieder zoekt een bezigheid om de tijd te vullen, toch? Nee, het zwarte gat, daar moet je bij hem niet mee aankomen. En ik?

Ach. Ik zit op een bankje en blader in een boek.
“Ja,” zegt hij. “Zoveel is er ook niet te doen, met de Covid. En voor mensen van onze leeftijd al helemaal niet.” Tussen zijn woorden sijpelt een nostalgisch verlangen naar meetellen, belangrijk zijn.
“Dieren in een kooi doen mij al gauw aan oude mensen denken,” zeg ik. “Ook voor de leeuw achter tralies moeten de dagen eindeloos leeg lijken. Nog saaier dan fietsen op rollen.”
Verveling? Kent hij niet. Met boeken lezen je tijd verdoen, dát lijkt hem pas vervelend. Pas op, ieder het zijne, daar niet van, maar hem lijkt het de saaiste weg naar het eindstation.
Ik vertel maar niet over het boek op mijn schoot. Dat ik het gisteren heb uitgelezen en er vandaag opnieuw in ben begonnen. Niet alleen omdat het zo mooi is. Dat is het zeker wel, daarover misschien een andere keer. Maar omdat ik het wil doorgronden. Ontrafelen. Hoe is het gemaakt? Volgens welke structuur? Waar geven de auteurs – de twee wandelaars hebben het boek ook samen geschreven – welke informatie vrij? Welke beelden gebruiken ze? Welke hints heb ik bij een eerste lezing gemist? Ik bestudeer het geraamte onder de woorden, de paspop waarover de schrijvers het kleed drapeerden.

“Salut,” lacht hij, even prompt als hij gekomen is, “de flamingo’s wachten.”
Ik heb hem niet verteld over wat ik nog allemaal wil. Over hoe belangrijk dromen is, fantaseren, ook in de nadagen van ons leven. Over de kansen die deze fase ons nog biedt. Leven is een werkwoord. Je moet het leven, of het leeft jou. Ha, zulke pseudo-intellectuele diepzinnigheden verzinnen vind ik ook een vorm van vermaak.
Ik droom dat op een dag, ooit, ergens, iemand – altijd droom ik een vrouw – op een bank in een park met een zucht een roman dichtklapt. Met vochtige ogen monstert ze nog even de achterflap. Een rimpelige, grijze man. Twinkel in de ogen, beetje raadselachtige glimlach op de lippen. Een ultra-laatbloeier, staat erbij. Weer zucht de vrouw.

De wind wordt fris.
De herfst staat voor de deur. De as van de zomer gloeit na, de winterkou soest afwachtend onder een behaaglijk bladerdek. Het pad tussen de twee tooit zich in bedrieglijk warme kleuren.
Ik sta op en fiets naar huis.
De tijd is kort. En er valt nog heel veel te doen.

Etiketten

“Kijk, je staat in de krant!”
Anna Lyste, hoofd van de redactie Politiek bij De Schrijverij, prikte met haar wijsvinger naar een vette kop.
De Vlaamse kijker wil Vlaamse programma’s zien’, las ik.
“Waar iets vandaan komt, maakt mij niets uit,” antwoordde ik, “Babylon Berlin uit Berlijn, Years and Years uit Manchester, Over Water uit de haven, in mijn huiskamer kan je de ganse wereld zien.”
Anna zelf komt uit Roemenië, ze heeft het juk van Ceauşescu nog meegemaakt. Ze voelt zich nauw verbonden met haar geboorteplek. Dat is niet een sentiment dat we delen.
“De Vlaamse kijker, dat ben jij toch?” hield ze aan.
Een Vlaamse kijker, dat ben ik. De Vlaamse kijker bestaat helemaal niet, zomin als de Vlaamse kiezer of de Vlaamse frietenbakker. Er zijn zes miljoen Vlamingen, geen twee ervan dezelfde. Gelukkig maar.”
“Voor iemand die niet bestaat, komt hij toch vaak in het nieuws,” bleef ze koppig.

Daar had ze een punt.
Toen we nog kinderen waren, leek het allemaal onschuldig. Wij waren wie we waren, en anderen waren anders. We dichten mensen uit andere landen aparte eigenschappen toe, karaktertrekken die spot of minachting in zich droegen, waardoor zij op de schaal der menselijke volmaaktheid steevast  voor ons moesten onderdoen.
Nederlanders waren gierig, terwijl wij toch vooral gulle Uilenspiegels waren. Dat bleek meestal niet uit de grote geldinzamelacties op televisie, bij een watersnood of uitzonderlijke droogte in een verafgelegen land. Ho maar, zegden wij dan, wij zijn wel met minder. Wij bevroedden niet dat nog kleiner worden ooit het hoogste doel zou worden van deze kleikluit aan de zee.
Duitse teams pletwalsten als een perfect getunede strijdmacht over gras en tegenstrever. Opgeven stond niet in hun vocabularium, de strijd tot aan het gaatje. Een residu uit de oorlog, monkelden wij, die wij toch maar mooi gewonnen hadden.
Voor het gemak gooiden wij Fransen, Italianen, Spanjaarden en Grieken op een hoopje. Zij sleten zomers lang lui in de zon, laafden zich aan pastis, ouzo en witte wijn. Daardoor bleven hun straten stoffig en de mensen arm. Bij ons daarentegen was luiheid des duivels kussen, wroette men zich van school tot graf naarstig in het zweet. Arbeiden als hoogste deugd, naast devote onderdanigheid en een keurig gemaaid gazon.
Engelsen waren raar maar geestig en Schotten droegen onder de neus een dikke rosse snor en onder hun kilt geen onderbroek, zowel de mannen als de vrouwen.

Een mens groeit daaruit.
Op een dag gooi je die kinderlijke vooroordelen overboord. Ook Schotten hijsen zich strak in het pak, ontelbare Duitsers hebben een fluwelen inborst en in het warme Zuiden dient men eveneens te ploeteren voor de kost. Wat mensen voelen, komt overal ter wereld op hetzelfde neer. We delen dezelfde zijn en dezelfde vreugdes. Wereldwijd maken moeders zich zorgen om hun kind, doet liefdespijn pijn en rouwt men om de dood. Honger klauwt in elke maag even grimmig. Ieder streeft naar geluk en over de hele wereld bezoekt men toilet en sterfbed.

“Hier weer,” spotte Anna: ‘De Vlaming heeft hier niet voor gekozen.’
“Dat zal een andere Vlaming zijn,” mompelde ik gelaten.
Ik voel geen affiniteit met de Vlaming die op de zeedijk tegen zogeheten straffeloosheid marcheert terwijl hij ongestraft een scabreuze leus scandeert. Noch met de Vlaamse mandataris die zesduizend euro per maand opstrijkt om zwaaiend met een dweil een collega te beschimpen die, na anderhalf jaar, wél overweegt te doen waarvoor hij verkozen werd. Niets heb ik met de weerzinwekkende oprispingen uit Vlaamse hoek als de brand uitslaat in een vluchtelingenkamp. Ik keer mij af, vervuld van walg en aversie.
“Waar stond die Vlaming toen de emotionele intelligentie werd geveild? Hoe kan je niet de pijn voelen van wie ginds probeert te overleven en opgejaagd weer verder moet, zonder have, huis of goed?” fulmineerde ik. “Men noemt hen parasieten, per definitie illegaal en crimineel. Tot in de hoogste regionen toetert men mee. Onze onschuldige vooroordelen van weleer muteerden, als een kwaadaardig virus. Men kleeft labels op de ander, dat maakt het makkelijk en overzichtelijk. Men kwetst, vernedert, beledigt. Walen zijn profiteurs, Marokkanen dieven, ga zo maar door.”

 “En jij?” pareerde Anna mijn tirade.
“Jij doet toch precies hetzelfde? Jij giet die Vlaming toch ook in een mal en kleeft er het etiket ‘onverdraagzaam’ op. Dat maakt jou zelf lekker superieur. Jij oordeelt en veroordeelt net zo goed,  alsof je de hoogste rechtbank van het morele landschap voorzit.”
“Nuance,” antwoordde ik. “Mij gaat het om de daad, niet de afkomst van de dader. Soms is gedrag gewoon verwerpelijk, of het nu komt van een studentendoper, een politieagent of een inwijkeling.  Net als vroeger, op school, daar kreeg de leraar van mij ook niet altijd gelijk, daardoor trouwens dat ik…”

“Hé ja, daar zijn we weer, “ onderbrak ze, “dat verhaal. Bedankt voor de les hoor, schoolmeester.”
En ze lachte haar meest innemende lach waarvan ik vanbinnen weker werd als een weekdier in de sauna, zoals dat gaat, bij oude witte mannen.