Gastenhoek

De kracht van verandering

Tien jaar is een hele tijd… Wat voor een dag was dit in 2009? Ik kijk naar mijn hond, die in een onbekommerde diepe slaap verzonken is, al zucht ze daarbij af en toe hartverscheurend. Zij was nog lang niet geboren, want onlangs is ze pas vier geworden. Waar was ik, wat deed ik? Google leert mij dat 11 oktober 2009 – godbetert – een zondag geweest moet zijn. Ooit zag ik een documentaire over iemand op het autismespectrum die dat uit zijn hoofd wist.

Op 11 oktober 2009, zo lees ik verder, is Pater Damiaan in Vaticaanstad heilig verklaard, en twee dagen eerder kreeg Barack Obama, als zittende president van de Verenigde Staten, wat prematuur de Nobelprijs voor de Vrede toegekend. Enkele dagen later stemden de Sinjoren in een volksraadpleging tégen de aanleg van de Oosterweelverbinding; intussen zijn de werken in een voorbereidende fase volop van start gegaan. Jazeker, tien jaar is een hele tijd…

De zwarte labrador Lennox, die mijn bestaan op in- en aangrijpende wijze op andere rails wist te zetten, was toen nog in de fleur van zijn leven. Mijn vader daarentegen lag al meer dan een jaar onder de zoden. Ze hebben elkaar goed gekend, die twee, en er was een onuitgesproken band, dat kon je duidelijk zien. Tijdens voetbalwedstrijden op tv lag Lennox steevast aan zíjn voeten, nooit aan de mijne. Ik heb het hen intussen vergeven. Ja, tien jaar is een hele tijd…

Niet dat iets van dat alles me op welke wijze dan ook helpt om me voor de geest te halen wat voor een mens ik toen was. Je bent geneigd te denken: dezelfde als vandaag, toch? Daar ben ik niet zo zeker van… Misschien was ik op 11 oktober 2009 een veel genietbaarder mens dan vandaag, of net niet. En op 21 oktober? We zullen zien. Al ontbreekt elk referentiepunt, na al die jaren. Want tien jaar is een hele tijd en ik herinner het me allemaal niet meer zo goed…

Verandering is namelijk even onverbiddelijk als onvermijdelijk. (jhv)

P.S.: Deze mijmering is onwillekeurig op een 11de oktober tot stand gekomen, maar quasi zonder noemenswaardig betekenisverlies had dat ook op eender welke andere datum gekund. Doet u de oefening zelf ook maar eens, met vandaag als uitgangspunt, of morgen, of…

 

Denken is als doelloos dolen

“Weet je wat? We gaan nog eens langs bij die lieve meneer. Goeiedag zeggen.” Ze kwispelt. Het kan niet anders of ze verstaat wat ik zeg. Dat moet haast wel, toch? Ongetwijfeld ziet ze die lieve meneer al voor zich. Als ik zwijg en wat voor me uit blijf staren, is de verwachting snel voorbij dat er misschien een snoepje zal volgen. Enigszins teleurgesteld gaat ze dan maar in haar mand liggen. Al bij al is het best wel een opwindende ochtendwandeling geweest…

Het staren wordt een gefocuste blik. Van waar ik zit, kan ik uit het raam kijken en ginds, wat verderop, flikkeren blauwe lichten. Meteen schakelt de adrenaline een standje hoger, want de doemideeën buitelen over elkaar heen: wat zou er gebeurd zijn? Toch wel geen gasontploffing zeker, zoals onlangs aan de andere kant van de stad? Of loopt er weer een onverlaat met dure drank weg uit de naburige supermarkt, zonder er eerst voor te hebben betaald, welteverstaan?

“Je moet niet alles geloven wat je allemaal denkt.” Facebook en Instagram bevoorraden ons tegenwoordig met dat soort wijsheden, die je destijds op kalenders aantrof, of ingekaderd bij oma aan de muur. Het klopt natuurlijk wel: de ene gedachte roept zomaar een volgende op, schijnbaar willekeurig, puur associatief, en voor je het goed en wel door hebt, kun je je allang niet meer herinneren wat je oorspronkelijke hersenspinsel ook weer was. Alzheimer knipoogt.

Het is als surfen op YouTube: van de ene hyperlink naar de volgende, zonder richting of doel. Was het niet de onnavolgbare Mark Twain die ooit zei of schreef: “Some of the worst things in my life never happened.” Zo is het maar net. Zowel mijn trouwe K9 metgezel als ikzelf zijn die lieve meneer bijvoorbeeld allang weer vergeten. Uit het oog is uit het hart. De plicht roept. Voor wat hoort wat. Met dat soort banale platitudes kom je een heel eind in het leven. (jhv)

Het  voortdurende jij

Achter
huilende eerste scheetjes
met poezelige vingers en tenen
van kapotgevallen knieën tot
fel gebloemde kleedjes
te kort voor wervelende  hormonen
vol van eerst verloren verlangens en vroeg gestolen dromen
naar onrustig kabbelend water over
potige gedachten van had ik dit of zou ik zo later

knipper jij
vanonder goudblond spinsel ragfijn en uiterst traag
de zon achter Italiaanse bergtoppen

Stijn Goossens

Groen, lekker en gezond

“Verrek, wat heb ik een honger!” Tja, wat wil je… Vier uur trein vanuit het zuiden, dan in zeven haasten naar de metro voor de verplaatsing naar een ander Parijs’ station, om toch maar vooral de verbinding niet te missen… Enfin, in het Gare du Nord hebben we nog wel wat tijd over. Even rondkijken of er iets te eten valt. Op verfijnde gastronomische verwennerijen moet je hier niet rekenen. “Kijk, daar, Five Guys… Eens proberen?” Ach, waarom ook niet…

Ik kan me niet herinneren dat ik ooit in mijn leven een fastfoodmaaltijd gegeten heb, waaraan mijn lichaam nadien zo veel werk heeft gehad om die junk weer uit mijn systeem te krijgen. Ik heb eerst zelfs ontzettend veel moeite moeten doen om die vettige troep überhaupt tot mij genomen te krijgen. Vergis u niet: ik ben lang niet vies van vetlapperijen en zoetigheden waar Pascale Naessens onwel van wordt en waar zelfs Jeroen Meus van met de ogen knippert…

“O, maar je vergist je: zo’n maaltijd is lekker en gezond!” Iemand zei dat écht! Weliswaar niet over een degustatie bij Five Guys, maar bij McDonald’s, al betwijfel ik – hoewel ik niet uit ervaring kan spreken – of dat veel verschil uitmaakt. Wellicht draagt het in niet geringe mate bij tot de zinsverbijstering bij de spreker dat zijn zoon een hoge pief is bij McDonald’s en dat de man er dus gratis en voor niets mag aanschuiven, maar toch… Er zijn fatsoensgrenzen!

McDonald’s omschrijven als “lekker en gezond” – dat laatste wellicht omdat ze er sinds enige tijd ook een slaatje op het menu hebben – doet me denken aan veel andere van de pot gerukte claims die je in de reclame tegenkomt. Neem nu al die salonfähige auto’s van tegenwoordig: ze zijn ‘Green’, ‘Eco’ en zelfs ‘Eco Plus’! Let wel: het gaat hier niet om elektrische auto’s, maar wel degelijk over kwalificaties van voertuigen met benzine- en dieselmotoren, hé!

Die zogenaamde ‘groene’ auto’s zouden ‘milieuvriendelijk’ zijn… Omdat ze net iéts minder CO2 uitstoten? Kom nou, ernstig blijven! Nog zoiets: ‘Light’. Zijn voedingsmiddelen met die toevoeging achter (of voor) hun naam écht zoveel beter voor de gezondheid? Als onderzoek uitwijst dat ze nog altijd behoorlijk calorierijk, vet of gesuikerd zijn, en dat we er bovendien méér van gaan consumeren omdat het ‘immers minder kwaad kan’, dan is het effect… Zero!

Michael Braungart en William McDonough zagen het goed: “Less bad is still no good.” (jhv)

De waan van de dag

“Halt! Hier moet ik even wat grondiger naar kijken.” Mij is niet meteen duidelijk wat aan die ene graspol nu zo waanzinnig interessant is, maar ik ben dan ook geen hond. Soms komt er zelfs een gravende voorpoot aan te pas. Op andere plaatsen perst mijn metgezel er voor de zoveelste keer, als reactie op de geregistreerde boodschap, nog een paar extra druppeltjes uit. In mijn ijdele onschuld heb ik ooit gedacht dat al die tussenstops sanitair van inslag waren…

Mijn wandeltempo is aan dit ‘grond-scrollen’ aangepast. Onderwijl welt het vermoeden in me op dat ‘likes’ en andere goed- of afkeuringen van ontboezemingen op sociale media – veelal middels emoticons gecommuniceerd – misschien vormen van menselijk markeergedrag zijn. Daarbij valt me overigens op dat van de vier basisgevoelens – Blij, Boos, Bedroefd, Bang – er drie vertegenwoordigd zijn in het rijtje Facebook-emoji’s, maar dat er eentje ontbreekt…

Wat onze dierbare viervoeters bezielt bij goed- of afkeuringen blijft gissen, maar dat directe emoties een drijfveer voor hun reacties zijn, staat buiten kijf. Kom ‘live’ een K9-collega tegen en alle emoties passeren de revue. “Daar! Wacko! Wild spelen! Top!” – “Ginds! Filou! Mijn hormonen slaan op hol!” – “Hoor die Soekie eens kwaadaardig grommen en keffen! Krijgt van hetzelfde laken een pak!” – “Jazzy, zo’n enorme loebas! In een boog eromheen, a.u.b.!”

Wie al die hondennamen verzint, weet ik niet, maar dat bij luide vuurwerkknallen de staart steevast tussen de poten getrokken zit, weet ik wel. Bang hoort er dus helemaal bij. Zoals bij het zien van een dier dat duidelijk van een andere soort is – neem een kat bijvoorbeeld, of een konijn – de impuls om erachteraan te gaan en er komaf mee te maken, onbeheersbaar is. Wat? Onbeheersbaar? Ach, kom! Wij, mensen, beschikken wel over Cultuur en Beschaving, hoor!

Dusdanig mijmerend staar ik in de verte, tot het me opvalt dat een van de toonbeelden van Hoogstaande Menselijke Beschaving – namelijk de Antwerpse kathedraal, op de andere oever – aan mijn zicht onttrokken is! Traag kruipen de wankele bakjes van een reuzenrad omhoog – of ze glijden, zo u wil, omlaag – als betrof het een kitscherige metafoor voor het leven zelve. (Dat moet toeval zijn, nu de kersttijd eraan komt.) Boven wacht wellicht een weids uitzicht.

Een verrassende rust daalt over me neer. Zo’n adembenemende weidsheid kan niet anders dan bijdragen tot je relativeringsvermogen, weg van de hectische, reactieve emo-waan van de dag. Dan beklemt me echter weer de gedachte dat je in zo’n bakje, in zo’n rad ronddraaiend… geen kant op kunt, gedoemd om je te schikken naar hoe de wereld draait, ook als je kritische vragen hebt. Zoals wanneer het ene huizenhoge cruiseschip na het andere het zicht op de magistrale kathedraaltoren belemmert. Het is Wintermarkt in ’t Stad. Moet de kassa rinkelen? (jhv)

Zo goed als onbereikbaar

Vanop de Antwerpse Linkeroever komt de skyline van ’t Stad uitstekend tot zijn recht. Mijn hond wil dan ook dolgraag elke dag de statige toren van de Onze-Lieve-Vrouwkathedraal gaan bekijken. Die toren kunnen we met enige verbeeldingskracht vanuit het livingraam van ons appartement ook wel zien, edoch – weer of geen weer – deze halsstarrige viervoetster zàl willens nillens dagelijks haar uitstapjes maken, waarbij zij van de gelegenheid gebruik maakt om haar sanitaire behoeften te doen. Al bij al vind ik dat wel een verdedigbare ruildeal, want binnen in het appartement zou het anders nogal een gedoe geven… We houden het netjes.

In dit herfstige seizoen vallen er op het riant met bomen omzoomde plein waar wij resideren en flaneren, véél bladeren. Sommigen verwijten dat hun overheid, meen ik ergens gelezen te hebben. Toch is het niet zozeer dàt wat de bewoners van ‘ons’ ruim bemeten plein dezer dagen bedroeft. Het grote kruispunt van het plein met de lommerrijke laan die we elke dag inslaan, is één gigantische bouwwerf. Eandis en andere nutsmaatschappijen voeren een regelrechte openhartoperatie uit, die al weken aan de gang is en waarvan het einde nog lang niet in zicht is. “Tot maart 2019”, staat te lezen op de borden die het parkeren in de omgeving verbieden.

Achter bergen zand en hoog opgeschoten graafmachines is de entree van de supermarkt die aan dat kruispunt gelegen is, nog amper te zien. Al enige tijd is de winkel voor de gebruikers van rollators, wandelstokken en krukken, die je normaal in groten getale in die buurtwinkel aantreft, zelfs zo goed als ontoegankelijk geworden. Tijdelijk, zeker, maar toch… Je krijgt voorwaar te doen met de hardwerkende uitbater en zijn personeel. Hoe overleeft een winkel, die ook maar gewoon zijn omgeving van voedingswaren probeert te voorzien, zo’n aanslag op zijn zichtbaarheid en toegankelijkheid? Ik kan me het verbeten tandengeknars al voorstellen.

Op enkele aanloopstraten staan borden met “De winkel is bereikbaar” – en met een 4×4 of met rupsbanden ís dat ook wel zo – maar of ze veel uithalen? Deze supermarkt is noodlijdend, dat kan haast niet anders. Het is het stille kleine lijden waaraan de grote luide media (sociale en andere) verhoudingsgewijs weinig aandacht besteden. Nochtans gaat bij gewone stervelingen, net wanneer ze overdosissen van dat soort doordeweeks gesukkel ervaren in hun dagelijkse biotoop, het kwaad bloed aan de kook, er komt stoom uit hun oren en verkramping slaat toe… Machteloosheid tegen monsterlijke machinerieën wekt kathedraaltorenhoge frustraties.

Mijn hond zal het intussen allemaal worst wezen. Geen zier sociaal gevoel, die beesten, zo lijkt het wel, maar net een hónd kun je dààr moeilijk van verdenken. Zij vindt die graafwerken met bijbehorend lawaai best wel spannend: omgewoelde aarde om haar neus in te steken en – godbetert – er putten in te graven. Dat het na afloop van onze uitjes alsnog een zootje wordt in ons appartement, met al dat zand en zelfs de klodders modder die aan haar ledematen (en mijn schoeisel) kleven, horen er volgens haar nu eenmaal bij. Als ik heel eerlijk ben, moet ik haar gelijk geven: het is klein bier bij wat de supermarkt op de hoek te verwerken krijgt. (jhv)

Geloosd aan de waterkant

“You don’t understand! I coulda had class. I coulda been a contender. I coulda been somebody, instead of a bum, which is what I am. Let’s face it.” Dit weergaloze citaat komt uit de film On the waterfront van begin jaren vijftig. Ik kan u die prent van harte aanbevelen.

Verder is elk verband met dit stukje ver te zoeken, hoor, tenzij… dàt gevoel! Wie anders dan de onnavolgbare Marlon Brando weet zo treffend in enkele zinnetjes de intens deprimerende ervaring tot leven te wekken van hoe het is om een mislukkeling te zijn, een weekdier, een zwakkeling, een loser. Overvalt dat neerslachtige sentiment u bij gelegenheid ook wel eens?

Gebukt over een hondendrol. Dat is zo’n moment waarop ik me steevast afvraag: waar ben ik begot mee bézig? Mijn hond kijkt me aan met zo’n blik van: ik heb hier verder niks mee te maken, ik heb de drol gedropt waarvoor we sowieso gekomen waren, en volgens mij kunnen we nu meteen weer verder, want daar ruik ik alweer iets lekkers. Ik bijt hem gefrustreerd toe – want dàt doe ik dus óók: onderweg tegen mijn hond praten… – dat de burgerplicht roept. Sta ik me daar vervolgens wat aan te klooien met de stront van mijn hond, alsof we een of andere grove misdaad hebben begaan. Daarbij maak ik gebruik van een plastic zakje – uiteraard bio-afbreekbaar, wat had u gedacht! – dat slechts na al te veel geworstel van het rolletje loskomt.

Laat ik het niet hebben over de keren dat het te goedkope zakje tijdens al dat geruk scheurt en opensplijt – wie bij de Action winkelt, spaart een hoop geld uit, dat dan weer wel… – en wat de gevolgen daarvan zijn voor je handen of je jas… Of de keren waarop ik in het halfduister de diep geprofileerde zool van mijn laars eerst krachtdadig in de zachte excrementen geplant heb. Oók heel zielig allemaal, ik wéét het, maar daar gaat het hier nu niet om. Wel om dat moment waarop je rechtkomt en met het dichtgeknoopte poepzakje in de hand om je heen kijkt. Voordien was het je niet zo opgevallen, maar… hoe smérig is het hier aan de waterkant!

Wat een loser ben ik, zoals ik hier, mijn gevuld poepzakje omklemmend, verbluft sta rond te gapen. Alsof ik ’t Ruimerke ben, loop ik mijn hond achterna om zijn natuurlijk gevoeg op te vangen, terwijl zwerfvuil met een stuitende vanzelfsprekendheid alomtegenwoordig lijkt. Wie werpt toch al die rotzooi zomaar in de berm? Maakt een flink deel van de mensheid zich dan volstrekt nergens zorgen over? Lege plastic frisdrankflesjes, volledige verpakkingen van friet-met-stoofvlees-en-mayonaise (het kan ook curryworst geweest zijn, ik wil ervan af zijn, mijn rondsnuffelende hond kan dat ongetwijfeld preciezer zeggen), een verbrijzelde Eristoff-fles (glasscherven en hondenpootjes: een no go-combinatie!)… Enfin, ik bespaar u de details.

We hebben het hier over een doordeweekse werkdag, niet de maandagochtend na een zonnig zomers weekend met veel picknickende zonnekloppers, niet The Day After een mega-event als de Ten Miles, waar zo’n veertigduizend mensen op afkomen, of Linkerwoofer, dat enkele dagen aan een stuk duurt. Neen, een gewone herfstige ochtend in de week. Ik verveel u verder niet met een apocalyptische beschrijving van hoe deze plek er na een dolle Nieuwjaarsnacht uitziet… Tot het me plots overvalt: waarom zou ík mij de loser moeten voelen, ik die mij dat aantrek en die het afval dat ik zelf onvermijdelijk genereer, plichtbewust in vuilnisbakken deponeer? Waarom zou ik een verzuurde zeurpiet zijn, als ik daar mijn beklag over maak?

Wie is hier in feite de loser? Weet je wat Marlon Brando zou zeggen tegen al wie zwerfvuil achterlaat? “You don’t understand! You coulda had class. You coulda been a contender. You coulda been somebody, instead of a bum, which is what you are. Let’s face it.” (jhv)

Pleidooi voor terughoudendheid

“Daar ligt iets lekkers!” Trek, trek. Snuffel, snuffel. “Kom, genoeg nu. We gaan oversteken.” Net wanneer ik een voetzool op het asfalt denk neer te vlijen, zie ik dat een auto aangereden komt. Hij houdt wat in en gebaart van: “Steek gerust over, neem uw tijd, ik temporiseer wel even.” Echt stoppen doet hij niet, maar dit komt wel goed, dat zie je zo.

Tot uit de zijstraat van rechts een andere auto met gierende banden en luid claxonnerend zijn voorrang opeist. Hij dwingt de eerste bestuurder, die met zijn flank intussen al ruimschoots ter hoogte van de zijstraat was gekomen, om alsnog behoorlijk cru in de remmen te gaan. Bestuurder A is perplex, de hond schrikt, de wandelaar is verontwaardigd.

Een vreedzaam verkeerstafereeltje is in fracties van seconden verworden tot een Trumpiaanse cocktail van haantjesgedrag, agressie, ordeverstoring, onveiligheid. Zeker, de man-van-rechts had voorrang, dat klopt. Daar is geen speld tussen te krijgen. Dat hoeft ook totaal niet, want daar gaat het niet om. Er rijzen andere vragen bij deze ochtendlijke scène.

Néém je voorrang of kríjg je die? Gaan bureaucratische regels voor op een goedgemutste verstandhouding tussen welmenende burgers? Kan risicogedrag met bijbehorend gevaar en aansluitende verzuring gebaat zijn bij wat onderlinge mildheid en enige terughoudendheid? Draag gerust uw argumenten pro aan of opper uw steekhoudende bezwaren.

Het is veel gevraagd, ik besef het, want IK wil NU wat IK voor ogen heb, en JIJ staat in de weg op mijn kortste route van A naar B. Dat JIJ ook een route aan het volgen bent, zal MIJ worst wezen. De volstrekt onschuldige hond lap IK al helemààl – haast letterlijk! – aan mijn laars. In MIJN wereld ben IK de protagonist, JIJ speelt een klein bijrolletje.

Je zou het een kwestie van perspectief kunnen noemen. Zoals in het citaat van de onvolprezen filosoof Muhammad Ali: “Looking at life from a different perspective makes you realize that it is not the deer that is crossing the road, rather it is the road that is crossing the forest.” De hond in dit bitse kegelspel-met-auto’s is het daar alvast roerend mee eens… (jhv)

(zonder titel)

Respectvol getuig ik hoe
jouw hart
tippe trippe trap
overstag gaat
bij één en twee paar
aan een uitnodigende kier
afwachtend vastberaden voeten

Liefdevol beschik ik
ruim deken en bed
maak plaats voor
in oxytocine gedrenkte
oerliefde

God schiep de moeder
en ik zag dat het goed was

Stijn Goossens