Op zoek naar Schoonheid

Some guys have all the luck.
Het leven is een eeuwige zoektocht naar Schoonheid en Troost. Het is kunst de rozijnen te vinden in de oeverloze brij van trivia en weetjes op het wereldwijde web. Soms zit het mee. Zo stootte ik laatst pardoes op een Open Call.
‘Gewoon Oproep is ook niet verkeerd,’ bromde ik eerst nog.
De taalliefhebber in mij voelt zich alsmaar vaker als die stier in de arena, omringd door rode lappen en zigzaggende matadors. Op mijn leeftijd mag ik graag balorig worden over dingen die er verder op geen enkele manier toe doen, zoals het bovenmatig gebruik van Engelse termen waarvoor een perfect Nederlands alternatief bestaat.
Sommige jongens hebben alle geluk dus, zoiets.

Dit geheel terzijde.
Voornoemde oproep werd gelanceerd door Creatief Schrijven VZW, een platform voor lieden zoals ik, die het prettig vinden de kronkels van hun gedachten op min of meer deugdelijke wijze met de wereld te delen teneinde het bestaan van de medemens luttele ogenblikken op te vrolijken. De bede richtte zich tot bloggers en, in samenwerking met BREEDBEELD, adepten van de fotografie. Men zocht medewerkers om de World Choir Games te illustreren met woord en beeld.

De World Choir Games zijn voor het zangkoor wat de Olympische Spelen zijn voor zwemmer, kruisboogschutter of gewichtheffer. Het hoogtepunt van de carrière. De uitgelezen gelegenheid om het eigen kunnen te meten met gelijkgestemden uit alle hoeken van de wereld. Dé kans om een keer zelf voor het voetlicht te acteren. Het lot van de koorzanger is de achtergrond. Tenzij in een Griekse tragedie, krijgt hij zelden de hoofdrol toebedeeld. Die is heden ten dage weggelegd voor sporters of soapacteurs, clowns in praatprogramma’s en parlementen of aandachtzoekers op de socials.
Games en Spelen varen onder identieke vlag. Deelnemen is belangrijker dan winnen, al zal ook hier de winnaar het allemáál nemen. Ook bij deze wedstrijd hoort een vlam, is de bezetting internationaal en wordt het concours om de zoveel jaar in een ander continent georganiseerd. De vorige Games vonden in 2018 plaats in Zuid-Afrika – meer dan zevenhonderd deelnemers – de volgende gaan door in Zuid-Korea. En die van dit jaar binnenkort in Antwerpen en Gent.

Is de schrijver nu plots ook een zanger?
Geen paniek. Van stemvork of partituur begrijp ik evenveel als van de kronkels in het brein van Bart De Pauw. Een tijdlang leefde ik in de overtuiging dat diep in mij een rockster woonde, met een stem van schuurpapier en een charisma dat gletsjers doet smelten. Gelukkig brengen jaren inzicht met zich mee. Tegenwoordig verhef ik mijn stem zelfs niet onder de masserende stralen van de douche. De buurt kreunt nu al onder de aanhoudende lawaaivervuiling. Bladblazers brullen, grasmaaiers ronken en haagscharen razen, frequenter dan de gemiddelde puber aan seks denkt.
De Open Call stelde geen hoge eisen. Om een bijdrage te leveren aan dit Hoogfeest van het Zangkoor was kennis van muziek geen vereiste. Men vroeg een weinig tijd en veel goesting. Wie zich geroepen voelde, mocht een kandidatuur indienen.

De Schrijverij behoorde tot de selecte groep der uitverkorenen. Literaire doorbraak, hoor ik u denken, eeuwige roem, exuberante verloning, dat brood is gebakken, het bed gespreid. Niets van dat alles. Een ware minnaar van Schone Kunsten maalt niet om ordinair materieel gewin. Hij weet zich al voldoende beloond met een gratis toegangsticket, enige waardering en een inwijding in andere individuele expressievormen van individuele emoties.
Vorig weekend ontmoetten bloggers en fotografen elkaar. Wederom erken ik ootmoedig, ook van de wereld van het lichtbeeld at ik kaas, vlees noch vis. Foto’s worden geshopt, dat wist ik, maar de enige mij bekende lens is de contactlens en in mijn beleving gaat enkel de koffie door een filter. Er schijnen massaal veel pixels te bestaan, maar persoonlijk ken ik er niet een en van sluitertijd, groothoek of breedbeeld begrijp ik geen jota.

Wel kan ik mooi onderscheiden van lelijk. Warm van koud. Emotie van oppervlakkig. Een wereld openbaarde zich voor me toen de portfolio’s openlagen. Ik kreeg inkijk in de mens achter de lens. Zag hoe een man of vrouw achter de camera wikt en weegt, kijkt en kadert, schippert tussen kleur of zwartwit, focus of suggestie. Ik vertrok rijker dan ik was gekomen.
Het is zondermeer ontroerend te zien hoe bevlogen de liefhebber, of hij of zij schilder is of zanger, fotograaf, pottenbakker of meubelmaker, tracht naar Schoonheid in de wirwar van het bestaan, zoekt naar de bloem op de belt, de zilveren rand rond de donderwolk.
Tot zover woord en beeld. Tijd voor klank.
Let the Games begin.
Laat de Spelen aanvangen.

https://www.wcg2021.be/

Bomma zegt nee

Je hebt voldoende kilometers op je teller, zou je denken. Jou krijgen ze niet zo gauw meer op je paard. En toch, deze week.

Eerst.
Een hoop heisa over een BV en de grenzen van het fatsoen. Je wilde het negeren maar het was overal, de hele tijd. God en Kleine Pier trokken stante pede een toga over het hoofd, scharrelden zwaard en weegschaal bij elkaar en bonden zich een blinddoek voor. Wie heeft nog een wetboek nodig om recht te kunnen spreken?
Je scrolt door het oordeel des volks. Je maag tolt als een badlaken in een droogtrommel. Dat die wijven niet zoveel complimenten moeten maken. Dat ze het zelf hebben gezocht. Dat het allemaal zo erg toch niet is, een paar duizend tekstberichten, so what?
Als een ander ons op onze grenzen wijst, schreeuwen we woke en brand, maar zelf weten wij precies hoeveel die ander moet kunnen verdragen. Hoe erg moet het zijn, vraag je je af. Wie anders dan de belaagde zelf bepaalt die grens? Als ieder voor zijn eigen deur veegt, is heel de straat proper, zei de bomma vroeger.
Ooit onderrichtte je jongens van zeventien over liefde en lichamelijkheid. Zij wisten daar verbijsterend weinig over. ‘Als ze nee zegt, zegt ze nee,’ waarschuwde je. ‘dat heb je dan te accepteren. Vind je dat lastig, denk dan aan mij. Uw goesting zal rap over zijn.’ Haha en begrepen mijnheer. Doelstelling bereikt. Nooit geweten hoe vaak op zaterdagavond er ook daadwerkelijk aan jou werd gedacht.

Dan.
Die voorzitter van het Eigenbelang: ‘Als je politici minder gaat betalen, worden ze vatbaarder voor corruptie’. Dat moest even zinken. Aan uw eigen kent ge een ander, komt ook van de bomma.  Zesduizend euro elke maand, anders speelt hij vals. Zo zijn die politiekers, blijkbaar, ze zeggen het zelf. Jij bent natuurlijk betrouwbaarder dan de heilige maagd, dat spreekt, jij hebt geen zesduizend euro nodig om je boterham eerlijk te verdienen.
Een op vier gouwgenoten geeft dit creatuur een stem.
Soms wil je opnieuw geboren worden, op een plek ver van hier.

En nog.
Het land verkeert in nood, overal zoekt men centen. Jij weet ze liggen, makkelijk zat. Ruw geschat twaalfhonderd Belgen parkeren hun fortuin in een belastingparadijs, goed voor om en bij een slordige 172 miljard.
‘Legaal,’ verdedigt men, ‘gewoon de achterpoortjes van de wet.’ Dat verkleinwoord alleen al. Sluit die dan, denk je. Beetje Koninklijk Besluit is zo in elkaar geflanst, zie avondklok of knuffelcontact.
Maar neen, liever stroopt men de kei het vel af.
Het geld moet gehaald waar het zit en dat is, dat weten we allemaal, bij de Langdurig Zieke. Die moet eindelijk eens worden aangepakt. Dat stapt pas uit bed als de Gezonde al een uur nukkig in de file staat, op weg naar de dagelijkse slavenarbeid. Dat plukt de dagen, ontbijt op het gemak, eitje zacht gekookt, warme croissant erbij, kannetje koffie, krant. Dat gaapt door het raam, geeuwt nog een keer, mompelt ‘Laten we vandaag maar eens lekker niets doen. De Gezonden travakken wel voor twee.’

Jij weet beter.
Je was er niet lang geleden zelf een. Achter je de bruggen opgeblazen, voor je het gapende gat. Het vat der wilskracht leeg, de energievoorraad uitgeput. Elke volgende dag dreigde nog donkerder dan de vorige.
Je voelt nog steeds de schaamte, de machteloosheid, het pijnlijke besef overbodig te zijn. Dat loden schuldgevoel omdat je werd betaald voor werk dat je niet deed. Je was bang en onzeker, altijd benauwd voor de deurbel, ook op vrijdagavond, de controlearts slaapt nooit. Hij hoort je vijf minuten aan en beslist dan ontegensprekelijk over de rest van je leven.
‘Ga wat doen, leef’ adviseerde je psycholoog. Weer op straat, liep je dicht tegen de gevels aan, hoody over je hoofd. Je wilde niemand zien en door niemand gezien worden. Je schaamde je als je in de zon een boek las of ging fietsen.
Wat iemand een Langdurig Zieke maakt, interesseert de Gezonde niet. Een geknapte rug of geknelde zenuw, de nasleep van een officieel genezen kanker, een onzichtbare aandoening waardoor je aldoor hondsmoe bent, hem zegt het allemaal niets. Hij kent het niet, voelt het niet, moet er niet van weten. Jij bent de krekel, hij de mier. Jij zingt je door de dag terwijl hij in het zweet zijns aanschijns de ruif moet spekken die jij ongegeneerd weer leeg vreet. Na de Werkloze, de Waal en de Migrant, moet nu de Langdurig Zieke aan de schandpaal.
Bij het Laatste Oordeel vraagt men in dit land niet: ‘Ben je een goede mens geweest,’ maar wel: ‘hoeveel dagen had jij verlet?’
Wie niet werkt, is gezien.

En toen.
‘Nee,’ zeg je. ‘Het is genoeg geweest.’
Rolluik toe, flesje open. Nee, voor jou hoeft het even niet meer.’
En nee is nee.
Dat was bij de bomma ook al zo.

Tweespraak

Simon Carmiggelt was een journalist uit Den Haag. Maar veel meer dan dat was hij een begenadigd auteur. Hij publiceerde dagelijks in melancholie gedrenkte cursiefjes in de krant. Inspiratie vond hij in smoezelige kroegen, in parken en op straat. Het leven zoals het is in zwart op wit.
Soms speel ik dat ik Simon Carmiggelt ben.
Schrijven zoals hij zal ik nooit kunnen maar wat kroeglopen betreft durf ik mijn voet gerust naast de zijne zetten. Ook ik mag graag verdwalen in de kleine aders van de binnenstad. In een of andere tapperij verschuil ik me dan achter een raam vanwaar ik me vergaap aan argeloze passanten. Het schaadt niemand, het kost weinig geld en het doodt de tijd.

Aan het tafeltje naast me zat een man met een biertje. Hij leek de oerknal nog te hebben overleefd. Geruite pet op het hoofd, bussels witte haren uit de oren, hals en aangezicht verrimpeld als een uitgedroogde rivier. Zijn schildpadogen keken waterig naar overal en nergens. Af en toe mompelde hij wat tegen zijn glas. Dat kieperde hij dan met ferme slokken achterover. Een boertje, een zucht, hij hief het glas omhoog en zwaaide ermee. Meteen bracht de waardin hem een vers getapte pint.
Ze verstonden elkaar, die twee.
‘Let maar niet op Kees,’ zei ze tegen me, toen ze me een bier en een borrel bracht. ‘Hij is nogal op zichzelf maar doet geen vlieg kwaad.’
Niet letten op Kees was niet echt mogelijk. Hoe meer glazen hij de lucht in stak, hoe driester zijn discours dat alsmaar aan volume won. Veel verstond je er niet van. Een grom, een godverdomme, een stomme trut en toen, luid en helder: ‘Nelly!’. Prompt verscheen weer de herbergierster. Ze zette een nieuw glas voor hem neer en verdween opnieuw achter de tapkast.

Aan de buitenkant van het raam dropen regendruppels aarzelend naar beneden. Onderweg hielden ze nog even halt, alsof ze hun lot nog wat voor zich wilden uitschuiven, niet goedschiks wilden meedraaien in de carrousel van hun leven, van riool naar rivier naar oceaan naar wolk naar caféraam. Ik scharrelde naar mijn notitieboekje, het was een dag voor poëzie.
Kees dacht daar duidelijk anders over. Met de regelmaat van een metronoom zwaaide hij zijn lege glas in de lucht. Elke keer weer was de bazin er als de kippen bij. Hoe meer hij dronk, hoe krachtiger zijn gevloek en gescheld. Hij raakte verwikkeld in een stormachtige discussie met zichzelf.

Ook mijn glas geraakte ondertussen leeg. Maar mijn dorst was daarmee nog niet gestild.
‘Nelly,’ riep ik luid.
Het hoofd van de caféhoudster schoot van achter de tapkast omhoog. Verbijsterd keek ze me aan. Het viel me op hoe stil het plots geworden was in het café. Er klonk geen muziek, er rinkelden geen glazen, er roezemoesden geen klanten. De wereld leek even stilgevallen.
Ook Kees zei geen woord.
Ik hield mijn glas omhoog. De kroeghoudster slofte met zichtbare tegenzin naar me toe. Ze pletste mijn nieuwe pint op een bierkaartje.
‘Dat mag u niet meer doen, mijnheer,’ zei ze.
‘Hoe bedoelt u?’ vroeg ik, uit mijn lood geslagen.
‘Haar roepen. Ze hoort bij hem.’
Beduusd keek ik haar aan. Ik hoorde hoe Kees inmiddels de draad van zijn dispuut had weergevonden. Nu zuchtte ook zij. Ze ging zitten op de stoel tegenover me. Haar stem klonk verrassend zacht.
‘Nelly was zijn vrouw,’ zei ze, ‘ze is dood. Ongeveer een jaar geleden. Kanker. Enfin, niet echt. Aan de pillen die ervoor moesten zorgen dat de kanker niet zou terugkomen. Nou, die hebben hun effect niet gemist. Ze was de pijp uit voor ze weer ziek kon worden.’
Ik nipte aan mijn glas.
‘Ze kwamen hier al van toen ik nog een schoolkind was. Altijd met twee. Daar, aan dat tafeltje. En maar discussiëren, ruzie, elke dag opnieuw.’
Ze wierp een blik op de woedende Kees die nu helemaal in zijn gebekvecht verloren liep. Hij gebaarde driftig naar de lege stoel tegenover hem.
‘En nu moet hij alleen verder,’ zei ze. ‘Ocharme.’
Ze stond op.
‘Als je nog wat nodig hebt, ik heet Elize,’ voegde ze eraan toe.

Ik dronk mijn glas leeg, legde wat centen op de tafel, trok mijn jas aan en zette mijn hoed op.
De dood laat meer achter dan hij meeneemt, dacht ik.
Simon Carmiggelt zijn is soms lastiger dan je zou denken.

Iedereen ABBA

De zomer had het opgegeven.
De zon ging alsmaar vroeger slapen. De hoogste temperaturen trokken naar andere oorden. Aan de hemel schurkten wolken zich tegen elkaar aan. Af en toe stortten ze hun tranen uit. Het land rilde onder een sluier van grijze mist. Hij is weer voorbij, die mooie zomer, dacht ik mistroostig. Ik was nog lang niet klaar voor die eindeloze paternoster van natte, koude, donkere dagen.
Maar hoor!
Uit de radio klom een vrouwenstem, een sirene op een rots gelijk. In geen tijd vulde de kamer zich met warmte en liefde. Violen. Een dartele riedel op een piano. Niet langer stond hier de herfst voor de deur, maar de lente. Dank u voor de muziek, dacht ik, en voor de liedjes die we zingen en het plezier dat ze brengen. Nu zou ook gauw weer de zon gaan schijnen en het hoogseizoen een doorstart nemen. Ik betrapte mezelf warempel op enige vrolijkheid.

Dit lied. Ik had het nog nooit gehoord, toch leek het of ik het al jaren kende.
‘De nieuwe plaat van ABBA,’ zei de presentator.
ABBA? Die kende ik natuurlijk nog. Zweedse makelij, verhoudt zich tot de wereld van muziek als een Ikeazetel tot een Chesterfield. In hun fabriek produceerden zij meezingers aan de lopende band, in groter getale dan Volvo in Torslanda personenwagens afgewerkt kreeg. Elk nummer een doorslag van het vorige. Elk optreden minutieus voorgekauwd, voorspelbare dansjes, belachelijke outfits, een pastaglimlach onechter dan die van de wassen beelden bij Madame Tussauds.
Björn, Benny, Agnetha en Anne-Frid bevonden zich wat ons betrof in het spectrum tussen Klein Klein Kleutertje en Zangeres Zonder Naam. In onze platenkast kon veel, van Beethoven tot Zappa, maar schap A van ABBA bleef ongevuld. Wij, beheerders van de Goede Smaak, keken neer op de bakvissen uit Zweden als een Franse keizerin op het proletariaat. ABBA, muzak voor in de lift of het warenhuis.
 
Wij waren Kenners.
Wij veegden ons gat aan Radio 2 of Avro’s Toppop. Waren we alleen in huis, we draaiden de knop naar Veronica of Radio Noordzee. ’s Nachts luisterde je onder de deken stiekem op je krakende transistorradiootje naar Radio Luxemburg of BBC. Je speelde cassettebandjes van Woodstock. Carlos Devadip Santana, Ten Years After, Joe Cocker. Dát was muziek. De zo stoned als een garnaal halfnaakt dansende meisjes fantaseerde je er vanzelf bij.
Wij prefereerden Kunst met grote K.
Het was ons aan te zien. We droegen onze haren lang, jeans en slobbertrui, vredesketting om de nek, een drupje patchoeli op de parka. Make Love, Not War, vrede op aarde, honger en kernwapens de wereld uit. In onze bruine kroeg draaide men drieëndertigtoerenplaten van obscure bands, miskend door de goegemeente edoch door ons zeer bemind. Jethro Tull, Bad Company, Blue Oyster Cult. Ware Artiesten, Oprechte Muzikanten, gingen niet voor makkelijk geldgewin maar voor de Galerij der Schone Kunsten.

Toen troffen mij de pijlen van Agnetha. Dat is de blonde.
Ik wil u iets bekennen, maar houd het stil. Agnetha en ik, dat werd nog wat. Ik heb stiekem met haar gedanst. Een beetje verliefd, geloof ik. ‘Tot The Day Before You Came was mijn leven heel gewoon,’ zei ze terwijl haar ogen zich een weg baanden naar mijn hart. Ik werd weerlozer dan was en wist, dit gaat nooit meer weg. Dat vertelde ik aan niemand, het bleef ons geheim.
Die jaren zonken alsmaar dieper in de vergeetput van de geschiedenis. Onze jeugd, onze dromen, onze idealen, onze idolen, voorgoed voorbij, alsof ze nooit hadden bestaan. Niemand dacht aan een film over Bad Company. Op Blue Oyster Cult, The Musical blijft het wachten tot aan het einde der tijden. Monopoly-editie van Jethro Tull? Gaat niet gebeuren.
Alleen ABBA en Elvis blijven bestaan.

Vandaag zijn de jongens en meisjes van ABBA de zeventig voorbij. Ze maakten weer een plaatje, voor het plezier, zeggen ze. Het podium daarentegen, dat hebben ze wel gehad. Senioren op de scène, echt appetijtelijk oogt het niet. Gelukkig kent in deze eeuw de technologie haar grenzen niet. De bandleden laten zich digitaal klonen en projecteren. Een betere versie van zichzelf.

Handig, dacht ik eerst, nog wat extra zakgeld in de pocket, voor de kleinkinderen.
Maar ouder worden doet iets met een mens.
Ik voelde nog de warmte smeulen in mijn hart. Was nog niet vergeten hoe blij ik van dat liedje geworden was. De klankkleur van mijn jeugd. ABBA, dat is luchtig en vederlicht, een sprankel zon doorheen de wolken, een glimlach van een geliefde.
Op mijn laptop zocht ik Waterloo, Dancing Queen en The Winner Takes it All. Volume op tien.
Laat de winter maar komen.