Verhalend

Toogpraat

Ja Elza, als ge daar nu op terugkijkt, dan was dat allemaal niet nodig geweest, natuurlijk. Dat had helemaal anders kunnen gaan. Maar we waren jong en als ge jong zijt, maakt ge van alles een spel. Als ge dan achteraf de gevolgen beziet, eerlijk, het is nooit meer goed gekomen tussen ons.

Dat was op een zondagmiddag, dat rappeleer ik nog, pas op, ik spreek van lang geleden, hé. Onze Marcel, Dikke Kamiel en ikke. Die Kamiel was een kameraad van onze Marcel, Kamiel-van-de-pintjes, zei ons Ma altijd. Hij trok een beetje op die facteur uit die film, dinges, die facteur met die snor, met die fles jenever die hem niet meer zelf kon vasthouden. Van de bibber. De Kamiel stond elke dag op om zes uur want om half zeven ging Den Eendracht open. Daar dronk hij zijn eerste pinten, pakt een stuk of zes. Ze kwamen hem daar halen om naar zijn werk te gaan, ik weet niet, maten van hem. Zijn rugzak vol blikjes van een halve liter, om de dag door te komen. Jongen, toen kon dat precies allemaal nog. Enfin, ik heb dat zelf nooit gezien, onze Marcel heeft mij dat zo verteld en toen waren wij nog twee handen op een buik. Maar als hij toen gelogen heeft, dan lieg ik nu ook natuurlijk.

Enfin. Het is dus zondagmiddag. We waren gaan biljarten in Brasschaat, een café op de Bredabaan, de naam ben ik nu even kwijt, De Vrede? Speelt geen rol. Wat pakten wij binnen op zo een middag, een pint of tien? Twaalf? Genoeg om niet meer nuchter te zijn maar te weinig om genoeg gezopen te hebben. Bon. We betalen en wandelen naar buiten, misschien om een frietje te steken of om in een ander café nog eentje te snoepen. Misschien moest er iemand naar zijn madam, weet gij het? Ik ook niet, speelt ook al geen rol, trouwens.
Ligt er vlak voor onze neus, in het midden van de trottoir, toch geen portefeuille zeker? Een dikke zwarte, ik rappeleer het nog goed. Ik was daar natuurlijk de eerste bij, altijd de rapste bij zo’n dingen hé, allé, toen toch. Ik raap dat ding op. Die twee stonden daar met hun bierasem te stinken in mijn nek, smakelijk is anders, maar allé, hoe gaat dat, ge kent dat. Wat denkt ge dat erin zat? Negen lappen alstemblieft! Negen briefjes van duizend frank, het was toen nog Belgisch geld. Maar als ge dat vandaag zou omrekenen dan komt ge toch al rap, pakt tussen de tweehonderd, tweehonderdvijftig euro.

Ola, zeggen die mannen. O-la!

Maar ik zeg: ho mannen. Efkes wachten. Niet ongeduldig zijn. Laat eens zien: steekt hier geen rijbewijs in, of een paske, zodat we kunnen zien van wie dat is?
Toen zat het spel op de wagen, hé. Ik zeg het nog: we waren niet zat maar ook niet meer nuchter, geloof mij, dat is het ideale moment om ambras te beginnen maken. Zeker als het over geld gaat, natuurlijk. Of over vrouwen, maar daar moet ge niet zat voor zijn hé.
Enfin. In die portefeuille steekt een pas, dat was toen nog zo een groene, van karton. De naam weet ik niet meer, Louis en nog iets. Een kerel van achter in de zestig. Als ge die foto bekeek, die had in de koolmijnen gewerkt, of kasseien gelegd of iets aan de dok, enfin, dat was geen baron, dat zaagt ge zo, verstaat ge?
Dus ik zeg tegen mijn broer en die zatlap: ok mannen, we hebben een naam, een adres, die gast heeft misschien ook wat pinten gedronken maar die is al wat ouder, die kon er misschien niet meer zo goed tegen en die heeft zijn geld laten vallen. Stom, maar zoiets kan gebeuren natuurlijk. Ginder is een politiekot, willen we dat daar algauw naar binnen gooien?

Man! Ik had precies op een van die mannen zijn vrouw gezeten, wat was dat allemaal? Zot! Geld naar de flikken brengen, gij mankeert iets of wat? Wat gaan die flikken daarmee doen, denkt ge? Die steken dat schoon zelf in hun zak. Echt, gij hebt te veel gezopen, jongen.
Daar hadden ze wel een punt, natuurlijk. Een tijd daarvoor hadden de wouten mij nog een nacht in de amigo laten slapen omdat ik met mijn zatte botten een beetje had gelachen met hun snor, enfin, dat was zo een dikke met een rosse snor, ik zweer het, en die … ik dwaal af zeker?
Dus ik zeg: ok jongens, ik geef die portefeuille straks aan ons Ma thuis en die brengt die dan wel naar die mens, wat denkt ge? Jongens, nu had ik precies hun twee vrouwen tegelijk gepakt! Dat ging daar van paljas en onnozelaar en geeft dat spel hier of ik sleur het uit uw poten. Daar ging ambras van komen. Die mannen dachten natuurlijk dat ik dat geld zelf op mijn bil zou slagen, maar dat interesseerde mij niet. Ik ben toch geen dief, zeker, dat weet gij toch ook hé Elza?

Toen had ik het gevonden, dacht ik. Ik zeg tegen onze Marcel: “Ok, dit gaan we doen. We stappen in de auto en we rijden naar die kerel zijn huis en we geven die zijn geld terug.”
Als ik nu alleen met hem zou geweest zijn, dan had ik hem misschien nog kunnen overtuigen. Ik zeg tegen hem allé Marcel, dat is maar een vent zoals gij en ik, die moet ook travakken voor zijn geld, die gaat zondags ook graag een pintje drinken. Misschien zit de helft van zijn pensioen hierin.
Maar toen kwam die Kamiel, die mislukte facteur of dokwerker of wat dan ook, die jan-mijn-kloten met altijd geld tekort, zijn eigen moeien. Wij staan daar nog altijd midden op straat te klappen hé. Die zuipschuit trekt ineens die portefeuille uit mijn handen, pas op, die was zeker twee koppen groter dan ik hé. En die zegt: “Schrijverke, ge kunt kiezen: drieduizend ballen per man of gij krijgt juist geen kloten.”
Ik zweer het. Ik ken onze Marcel, hij twijfelde, hij wist het efkes niet, ik kon dat zien in zijn ogen. Maar die twee hebben zich omgedraaid en zijn in de auto gestapt. Ik ben te voet naar huis gegaan, van Brasschaat hé. Ik was helemaal nuchter toen ik thuiskwam, ons Ma was zelfs nog content.

Drie jaar hebben wij niet meer met elkaar gesproken, ikke en onze Marcel. Geen woord, mijn enige broer. Dan is ons Ma gestorven, dan hebben we elkaar nog eens gezien. Maar we  hebben het niet meer over dat gevalleke gehad.
Wat er van die zatte Kamiel geworden is, weet ik niet. Misschien is die ook al dood. Dat café op de Bredabaan is er trouwens ook al lang niet meer. Alleen den Eendracht, dat bestaat nog. En ikke.
Allé. Geef nog eens een pintje, Elza. En pakt zelf ook iets.
Dat we ze nog lang mogen mogen.

Haar dag

Een man stapt een winkel binnen. De deurbel klingelt veBloemenel te luid. Hij kijkt verrast naar lege emmers en potten, achteloos verspreid over de vloer en op schabben. Hij is ontgoocheld, ziet niet de fleurige uitbundigheid die hij verwachtte. 

“Kan ik u helpen, meneer?” Haar lach straalt. Ze praat met een vreemd accent.
“Ik had graag een mooi boeketje gehad,” zegt hij.
“Voor de Liefde,” voegt hij er plots wat overmoedig aan toe.
Ze aarzelt enige seconden, een standbeeld op een sokkel. Knikt. Ze weet wat liefde is. “Deze rozen misschien, die hebben een heel speciale kleur.”
“Mooi,” vindt hij. 

Ze scharrelt tussen gele gerbera’s en margrietjes, kleine felgroene varens en langwerpige, brede groene bladeren. Haar haar is grijs aan de wortels, een lelijk soort blond groeit uit. Misschien heeft ze geen geld voor de kapper. Mooi is ze niet, vindt hij. Ze is wat klein en vormeloos, zwaar, haar neus is veel te groot voor haar gezicht. Ze praat aan een stuk door.

Dat de meneer niet op de rommel mag letten. Dat de winkel altijd heel proper is. Met proper zijn begint alles. Maar vanochtend werden de verse snijbloemen geleverd en ze moet ze allemaal nog schikken. Een lange wachtrij van emmers: pastelgeel, -groen, -paars, -blauw, vermomd als piramide of steile rechthoek. In een ronde zinken emmer verlangt een eenzaam muurbloempje naar de Liefde die háár zou willen schenken.

Ze heeft de winkel al vier jaar. Aan deze kant van de straat, hier valt het licht veel beter binnen. Een bloemenwinkel met te veel donker kan niet. Gewoonlijk komt haar dochter helpen, maar niet vandaag. Ze studeert Diplomatie aan de universiteit in de stad. Ze weet niet wat ze wil. Ze heeft al een masterdiploma in Criminologie maar wil daar niet echt in verder gaan. Al die ellende waar je dan mee te maken krijgt. Vandaar nu, Diplomatie. Volgende maand gaat ze op stage naar Israël. Daar is de vrouw een beetje bang voor want het is daar altijd wat.

De telefoon onderbreekt met iets hiphopperigs. Pools? Mijn zoon, zegt ze. Ze blinkt. Hij zit in het middelbaar en gaat volgend jaar zeker ook naar de universiteit, een heel ander leven.
“Vindt u deze kleuren mooi, meneer?”
“Studeren is heel belangrijk,” stelt ze. “Wij hebben het niet gekund. Wij komen uit Armenië, onze jongste is hier geboren. We zeggen hen: jullie zijn de spiegels van ons land, als de mensen naar jullie kijken, dan kijken ze naar ons land. Jullie moeten België laten zien dat jullie dankbaar zijn omdat wij hier een plaats hebben gekregen.”
De man knikt en zwijgt.
“Kijk eens, mijnheer. Mooi, niet?” Ze lacht: “De liefde zal blij zijn.” Ze lacht weer, wolken vluchten, de hemel kleurt blauw.

“Ja, ja, dat is heel belangrijk,” gaat ze door, “wij willen trots zijn op Armenië. Zoals op onze Charles. U kent toch onze Charles?”
De man kent geen Armeniërs, al helemaal geen Armeniërs die Charles heten.
“Aznavour,” zegt de vrouw, trots. “Hij is dood. Heel spijtig. Hij was wel oud, hij was 94, maar heel spijtig. Hij heeft veel goeds gedaan voor ons. Veel mooie liedjes gemaakt en veel mensen gelukkig gemaakt.”
Ze neemt een wit staafje uit kunststof. Fier prijkt daar bovenop een geel pingpongballetje met een smiley die je met een brede grijns toelacht. Ze steekt het dwars doorheen het boeket.
“Daar moeten de mensen altijd om lachen,” zegt ze en ze lacht zelf ook.
“Mensen lachen veel te weinig, mijnheer. Niet alleen in België, overal. Lachen is belangrijk. Mensen moeten gelukkig zijn. Onze Charles heeft veel mensen gelukkig gemaakt,” herhaalt ze.
“Kijk mijnheer. Mooi? Goed voor de Liefde? Bancontact aan deze kant.”

Thuis zet de man het bonte boeket in een brede vaas. De uitbundige lentekleuren vullen de ruimte, roze, geel en groen. De pingpongbal torent er blij bovenuit, brengt vrolijkheid in de kamer.
Hij sluit zijn ogen, inhaleert.
Hij zet de vaas bij het schrijn in de hoek, naast de grote, met een zwarte kader omlijste foto.
“Alsjeblieft lieverd,” zegt hij. “Voor je verjaardag. Een boeketje.”
Zijn droge lippen raken het glas.

“Ik heb vandaag” vertelt hij, “een heel mooie vrouw ontmoet. Ze heeft speciaal voor jou dit boeketje gemaakt. Met heel veel liefde.” Hij buigt lichtjes naar voren, reikt wat houterig zijn hand: “Madame, mag ik?”
Hij houdt de foto aan zijn borst, danst, in an old fashioned way.
She may be the face I can’t forget.
Hun dans.

Wedden dat (deel 2)

Bart

Ikke niet, dacht Bart, ik moet altijd. Bruno denkt dat hij de baas is, kan commando’s geven. Balder wil ook niet. Bruno mag dan groter zijn, en sterker, hier komt ruzie van. Maar ik doe het niet.

Zijn twee broers zetten zich schrap, beloerden elkaar. Een staarwedstrijd. Geen van de twee zou toegeven. Ze blaften, als honden. Hij dacht dat ze zouden gaan vechten toen Bruno zijn hand uitstak, met de palm naar boven. Bart zag levenslijnen lopen. Balder klapte erop met zijn vlakke hand en draaide die om. Klap klap. Die hebben gewed of wat? Die gaan dat toch niet echt doen?

“Doe jij de venster open,” zei Balder tegen hem. Hij zag ze kijken naar de cocker. Wiski stopte abrupt haar geschraap, een smekend gejank. Die meenden dat! Zijn die zot geworden? Als Bruno gelijk had, van hoe hoog konden honden dan springen? De eerste verdieping? Wiski kon veel, maar het koertje was van steen. In het zachte zand van de tuin zou ze misschien haar val nog kunnen breken, maar nu? Hij hoorde Bruno zijn broer uitdagen: “Pak dat beest vast. Nu durf je nu niet meer, zeker?”

Komaan! Wat had dat beestje misdaan? Iedereen schreeuwde de hele tijd, niemand was ooit eens lief tegen haar, behalve hij. Alsof het haar schuld was. Hun vader had het toch uitgelegd? Ze was wat raar. Ze kwam van bij twee oude mensen op een appartement, had nog nooit gras gezien. Ze kon daar niet ravotten, werd daar gek. Vandaar.

Als ze alleen waren, was ze een rustige hond. Ze likte zijn handen, zijn gezicht, liet zich strelen, legde haar kopje op zijn schoot. Hij kroelde met zijn vingers door haar vacht, dan knorde ze als een biggetje. Haar pelsje was zacht als het dikke tapijt van de rode loper op de trap die hij nog deze ochtend had moeten schuren, zijn taak vandaag. Het stof op het lichtbruine esdoornhout had hij  gevaagd met een klamme doek, het pluche van de rode loper ingezeept met een spons en gedroogd met een schuurborstel. De klemmetjes op treden drie en elf had hij weer in hun haakjes gewurmd. Hij voelde zijn knieën nog altijd.

Soms vochten Wiski en hij om haar rubberen kluif. Hij zwaaide met het bot voor haar ogen. Dan sprong ze als een gek. Het leek een dans. Venijnige tandjes had ze ook. Soms hapte ze in zijn vingers. Razend probeerde ze het rubber uit zijn hand te rukken. Ze was misschien wel klein, maar ook sterk. Ze schudde en schokte, haar tanden lieten niet los. Als ze uiteindelijk won, legde ze het been in haar mandje en ging erop liggen. Einde spel.
Supersnel was ze, als ze een tokkelend gummiballetje achterna zat. Ze knalde tegen een tafelpoot, kaatste een stoel omver. Ze sprong op, zweefde hoog boven de vloer, plukte als een doelman het balletje uit de lucht. Dan landde ze op het linoleum en gleed parmantig verder terwijl ze hem trots kauwend aankeek. Misschien kon ze het toch, had Bruno gelijk. Bruno wist het ook écht dikwijls beter. Maar Balder was ook slim. Wie moest hij geloven?

“Hoe lang nog voor die venster open is?” riep Bruno. “Wij kunnen dat beest bijna niet vasthouden.”
“Maar anders ga ik wel …”
“Gast, doe voort!”
Hij kon niet anders. Keek naar beneden. Een paar rijen stenen, dan de garagepoort, dan het koertje. Hoe hoog zou het zijn? Bij het voetbal was de poort het doel. Bruno geraakte tot bij de deklat. Dus zo heel hoog was het dan ook weer niet. Niet zo hoog dat je te pletter zou vallen, een beest toch niet. Dieren zijn zoveel leniger, Wiski zeker, die was heel soepel. Zij kon zich misschien in de lucht nog schrap zetten om veilig te landen.

“Opzij, kleine,” zei Bruno. Ze stootten hem omver als een pop, de hond spartelend tussen hen in. Wiski piepte angstig. Ze wilde bijten maar Bruno hield haar pootjes ver uit elkaar. Bart proefde haar angst. Haar opengesperde ogen, de kleur van hazelnoten, keken hem smekend aan. Hij staarde radeloos terug, voelde haar wanhoop.
Ze joelde, huilde, kronkelde. Een en al concentratie tilden zijn broers haar over de richel. Ze stoppen kon hij niet. Iemand ging deze weddenschap winnen, iemand zou verliezen.
Wiski en hij hielden elkaars blik gevangen, als onder hypnose. Hij zond een boodschap: ik ben je vriend. Vertrouw me. Ik ben er sneller dan jij, daar durf ik op wedden. Ik zal je redden. Ik vang je op en zal je troosten.

Hij schoot uit de startblokken, een raket. “Drie..” , stormde voorbij de deur, de overloop, de trap op. Haar gehuil pompte hem vooruit. Rennen, dacht hij, rennen. “Twee…” Ik kom, ik kom, ik ben je vriend, gilde het in zijn hoofd. Hij stoof als op een trampoline over twee, drie treden tegelijk, zette af, gewichtloos, zweefde lager en lager richting heldendom. Ik kom eraan, ik zal je redden. Hij stootte met de rechtervoet af op het zachte pluche van trede elf. De klemmetjes lieten los, de loper gleed mee. Vrijwel simultaan met de chocoladebruine cockerspaniël op het koertje, smakte het melkwitte jongenslichaam op de steenharde tegels van de inkomhal.

 

Wedden dat (deel 1)

1969

Het laatste huisdier in de familie Verzuim was een cockerspaniël met lange afhangende oren, droevige ogen en een vacht als warme chocolademelk. Haar naam werd Wiski. Zij kwam onaangekondigd en bracht beroering met zich mee.
De jongens lagen in de zon op hun buik, knikkers klaar. De stem van hun moeder schreeuwde door het open raam op de eerste verdieping: “Dan smijt hij hier nog een beest bij en ik blijf er weer mee zitten!”
Haar gekrijs waaierde over hun hoofden, voorbij de twee schildpadden die prehistorisch langzaam tussen de brandnetels schuifelden, doofde uit tussen de stompzinnig kakelende kippen, dom slachtvee, vetgemest met resten van groenten, fruit en aardappelschillen.
“Marie-Angèle, hou op!” riep hun vader.
“Laad het er nog maar bij. Het is hier nog niet vol genoeg.”
Zijn stem daalde: “Dat beestje werd zot op dat appartement, dat kon daar niet blijven. En voor de jongens is dat toch plezant.”
“Wat kunnen jou je kinderen schelen? Je ziet ze een keer in de week. Mijnheer is altijd weg, naar zijn hoer!”
“Het is weer een hond, denk ik,” zei Bart, de jongste, net acht geworden.

Brandy, de Duitse herder, stak zijn hoofd door het raam en blafte woedend naar de tuin.
“Die wordt gek van dat geschreeuw” zei Balder. “Iemand moet hem gaan halen.”
“Waarom springt hij niet?”, vroeg Bart.
“Het is te hoog,” antwoordde Balder.
“Onnozelaar,” zei Bruno. “Honden en katten komen altijd op hun vier poten terecht.” Hij zat al in het vijfde.
“Apen misschien, twijfelde Bart, “of een tijger, van een rots. Maar een hond?”
“Volgens mij alleen katten,” zei Balder, “een hond niet.”
“Wedden?” vroeg Bruno.

Brandy zeker niet. Op een avond stond hun vader in hun kamer. Vreemd. Bedreigend. Ze hielden de adem in.
“Iemand … de garagepoort stond open. Een auto…hij heeft het niet geweten.”
Die spanning. De schok. Ze wilden huilen. Ze werden nerveus. Onderdrukt gegiechel gleed als een gifslang van bed naar bed. Ze beten zich vast in hun kussens, stikten haast, verdronken in een onstuitbare slappe lach.
“Rottige rotjong, hebben jullie werkelijk nergens respect voor?” Het gegibber achtervolgde hun vader terwijl hij razend de trap weer afstormde.

———-

Hun moeder bepaalde de wetten. Ze regeerde als een sergeant, met ijzeren hand. Kinderen en beesten moesten afgericht. Regels zijn regels, inbreuk stond gelijk aan straf.
Roepen en blaffen was verboden.
Wie nog school liep, had taken in huis. Ze dekten de tafel, ruimden af, deden de vaat.
’s Ochtends niet om zeven uur aan het ontbijt betekende nuchter naar school.
Eens per week moest de kattenbak gekuist, het zagemeel in het hamsterhok ververst, kregen de vissen zuurstofrijk water.
Honden plasten en kakten buiten. Een zurige vochtvlek op het vast tapijt, een strontje bij de deur bestrooide ze uitgebreid met peper. Ze greep de cocker bij het nekvel, wreef de snoet in de drek, joeg het kajietende beest de tuin in. Een van de jongens poetste de resten met spons en bleekwater.
Alleen de eerste nacht sliep Wiski in de woonkamer. Bij het ontbijt de volgende ochtend  lagen de scherven van de visbokaal in een plas naast de tafel. Met levenloze oogjes keken drie goudvisjes hen hulpeloos aan. “Een mens kan jullie niet een enkele avond alleen laten,” oordeelde hun vader die vrijdag.

Op vrijdagochtend zetelde de ouderlijke rechtbank. Terwijl hun moeder klacht na klacht voorlas uit haar zwarte boekje, sabelde de misprijzende blik van hun vader hen ongenadig neer.
Kind A: betrapt met de hand in de broek, wisselgeld achtergehouden, slecht gedrag op school.
Kind B: beesten niet gevoederd, vuile woorden geroepen naar het dochtertje van de kruidenier.
Kind C: gerookt, fietswiel kaduuk gestoten tegen de garagepoort, gewed voor geld.
Het humeur van de rechter bepaalde de strafmaat. Hij beschimpte hen met verouderde woorden: pummel, kloefkapper, krapuul. Soms sloeg hij hen met de achterkant van zijn hand in het gezicht. Soms hanteerde hij pantoffel of broeksriem. Tegenspartelen was vragen om meer. Wie niet luisteren wil, moet voelen. Zelfs de stomste boer kan goeie manieren hebben.
Kamerarrest. Vanuit het dakvenster van hun kamer hadden ze overzicht over de hoven van de buren en de achterliggende straten.
“Wedden dat dikke Jef binnen het kwartier staat te pissen naast zijn duivenkot?”
“Straks komt Suzanne nog buiten. Die staat stapelzot van mij.” “Jij gelooft dat. Zot in uw broek ja.” “Wedden? Haar zus is het mij zelf komen vertellen.”

———-

De tuin was hun territorium. Uit een klein transistorradiootje kraakte muziek: Animals, Birds, Beatles, Monkeys. Hun vader: “Kattengejank, een beest is er niks tegen.” Ze bralden mee, fantaseerden gewaagde teksten: ‘Hey ba-be-li-ba, de maskes van de Priba, die smoren sigaretten, al in hun blote tetten.’
Wiski eiste haar plek op. Ze was dwaas, eigenzinnig, een onbeheersbaar projectiel. Ze sprong wild tegen het gaas van het kippenren en beet naar de in paniek kakelende kippen.
Bij het voetballen raasde ze bezeten tussen de benen van de jongens door. Ze knapte en hapte naar bal en enkels. Ze brulden, schreeuwden, stampten. Vruchteloos. Ze sprong tegen hen op, spatte slijm op hun gezicht.
Ze plukte hun tennisballetjes uit de lucht. Ze joegen haar na, wierpen haar in de garage, lieten haar jankend de verf van de poort krassen. “Wedden dat wij die straks kunnen gaan schilderen?”

Met hun handen trokken ze brede voren in het mulle zand. Ze legden stenen waar de plastieken rennertjes over kasseien moesten. Ze bouwden bergtoppen met schuine, gevaarlijke bochten in de afdaling. Als radioreporters schreeuwden ze opgewonden commentaren.
Uit het niets holde de cocker dwaas doorheen de wedstrijd. Eddy Merckx buitelde door de lucht, stortte meters verder in een struik. Ze gooiden met stokken of een steen. De hond ging verderop in de doorgeschoten graspollen liggen puffen en keek hen uitdagend aan, de tong uit de bek.
Soms griste ze naar een schildpad. Ze klemde de scherpe tanden om het hoornen schild en buikpantser. Ze schudde razend de kop, grolde woest, liet het reptiel vallen en beet opnieuw. De schildpaddenkop een leeg zwart gat.

———-

“Wedden dat die in de grond zakt?” daagde Balder uit. “Dat ruimteschip staat daar toch?” baste Bruno. Ze keken gehypnotiseerd naar de eerste mens die ooit een voet op de maan zou zetten. Het robuuste televisietoestel stond log op een hoge bijzettafel in de hoek van de kamer, eronder lag de cocker onschuldig te soezen.
Hun ogen vastgeklonken aan het wazige zwart-wit. Een schimmig ruimtemannetje stapte onvast het trapje af. “Wow, spannend,” zei Bart, “die gaat worden opgeslokt door de maan.”
“Och zwijg, onnozelaar”, snauwde Bruno.
Pardoes schoot Wiski, als een kogel, in een directe lijn naar de sofa. Ze snapte in de eerste de beste wiebelende kindervoet, klemde tanden vast in tenen. Balder gilde, brulde, stampte: “Los, achterlijk beest!” Bruno gooide een slof, sloeg de hond met de hand, rukte haar aan de oren tot ze loste en wegstoof. “Ik bloed!” huilde Balder. “Ben jij een klein kind, misschien,” riep Bruno, “ga straks op ons moeder haar schoot zitten janken, bleiter.”
Ze gingen de tuin in. Toen ze twee uur later weer in de woonkamer stapten, stond het deurtje van het hamsterhok open. Het lege radje draaide overbodige rondjes. Ernaast, het kopje half schuin, een hamster met overgebeten keel. Het andere drapeerde zieltogend het waterbakje. Wiski likte in haar mand met een lange rozerode tong haar snoet. “Godverdomme,” vloekte Bruno. “Wedden dat wij hier weer de schuld van gaan krijgen?”

———-

De echtelijke ruzies namen alsmaar toe, de rechtbank zetelde steeds minder vaak.
Najaarswinden rammelden met de ramen, slagregen geselde het vensterglas. De schildpadden hadden ergens onder de grond hun winterkwartier gevonden. Ze zouden niet meer bovenkomen.
De jongens lagen als natte regenjassen in de zetel. Wiski krabde driftig aan de deur. “Iemand moet met de hond naar buiten,” zei Bruno.
De televisie stond luid, geen van de anderen keek op. De cocker schuurde haar voorpoot tegen de deur. Een krassende nagel op een schoolbord.
“Dat beest moet buiten,” herhaalde Bruno.
“Ik niet, ik lig hier goed,” antwoordde Balder.
“Ik ook niet, deze keer is het aan iemand anders,” protesteerde Bart.
Niemand bewoog. De nagel kraste onophoudelijk verder, een scherp snerpen dat pijn deed aan de oren.
“Dat beest moet buiten, heb ik gezegd!” Bruno weer, dreigend nu.
“Ga dan zelf,” reageerde Balder opstandig. Hij riskeerde een dreun.
“Waarom springt ze niet door de venster?” vroeg Bart.
Bruno werd het beu: “Omdat de venster dicht is, idioot.”
“Het is te hoog,” antwoordde Balder.
“Onnozelaar,” zei Bruno, “ik heb toch al gezegd dat honden op hun vier poten terechtkomen. Wie weet dat het beste, jij of ik?”
“Volgens mij alleen katten!” hield Balder vol.
“Wedden?” vroeg Bruno.
Ze deden handjeklap.

Bart keek naar het koertje. “Het is wel hoog,” zei hij benauwd.
“Opzij, kleine,” zei Bruno. Hij had de cocker bij de tegenstribbelende voorpoten, Balder hield het achterlijfje in bedwang.
“Ok. Hier gaan we. Drie, twee, één.”
Ze lieten los.

———-

 

Dag Sinterklaas

Sinterklaas doofde de nieuwslezeres, legde de afstandsbediening in het bakje en zuchtte diep. Peinzend, groeven als golven op zijn voorhoofd, zoog hij aan de Davidoff. As brokkelde in zijn baard. Hij gunde zich vanavond een tweede whisky. Zonder ijs dan maar, alle Pieten sliepen. Hij wou dat hij dat ook kon.

Wat een gedonder weer! Dat gekrakeel op wat is het, Facebook, Instapgram, Twitter? Vroeger, voor die dingen bestonden, was het veel eenvoudiger. De mensen spraken toen nog met elkaar. Als jongetje destijds, in Myra, geloofde hij dat alleen kinderen problemen hadden. Nu wist hij wel beter. Lang leven voelde soms als een straf. Hij schikte zijn kussen, staarde in zijn glas. Morgen zou hij de Raad der Pietsten samenroepen.

“Pietsten! Wat is dat nu weer? Leg het me uit alsof ik een kind ben.” Hij klonk bars. De vijf Pietsten keken verschrikt naar elkaar. Zij waren, net als iedereen, hun carrière begonnen als gewoon Piet. Door harder, sneller, efficiënter en beter te werken, werden ze Pieter. Wie zich onderscheidde als Pieter, werd Pietst.
Pietsten mochten in de Raad van Pietsten meedenken over Alles. Want Alles veranderde de hele tijd. Dat was een grote eer, het hoogste dat een Piet kon bereiken. Alleen Sint was nog hoger. Sint kon een Piet nooit worden. Een Sint was wit en dat waren de Pieten niet. Toen hij nog een jongeman was die in Turkije woonde, de Sint zelf ook niet. Niemand weet hoe of wanneer hij van teint veranderde. Een mirakel! Maar Michael Jackson lukte het ook, dat hadden ze met hun eigen ogen gezien.

Als de Sint zo klonk, liet elke Pietst toch liever een ander de mandarijntjes plukken. Maar er is er altijd eentje die het gewicht van een lange stilte niet kan dragen.
Sinterklaas, er zijn mensen die het niet goed vinden dat wij, van laagste Piet tot hoogste Pietst, zwart moeten zijn. Al uw knechten zijn zwart, allemaal. Dat kwetst en doet denken aan slechte tijden. En dat kan dus niet meer, zeggen ze.”
Aan de overkant zat een wat blekere Pietst: “Maar ook veel mensen vinden dat Pieten zwart moeten blijven. Dat is traditie. Tradities kunnen niet veranderen. Een Zwarte Piet moet zwart zijn. Dat is altijd zo geweest. ”

Altijd is wel heel lang, dacht de Sint. Hoe is het toch zo ver kunnen komen? Ooit, in een vlaag van overmoed, had hij drie dode kinderen weer tot leven gewekt. Om indruk te maken, te laten zien dat hij dat kon. Wat doe je al niet als je jong bent? Zo’n verhaal gaat gauw een leven leiden. Je kijkt even over je schouder en hup, ze verklaren je heilig, zo ging dat toen. Komt van het een het ander. In Utrecht legden de rijken op zijn naamdag wat leuks in de schoentjes van de arme kindjes. Die traditie is weg, bedacht hij bitter. Nu halen ze het eruit. Bah, ik word écht oud!

Nu was alles anders. Eerst werkte hij in zijn eentje. Maar het viel te voorspellen: al dat getil en gesjouw werd al snel te veel voor een man alleen. En hij was bisschop, had geen vrouw. De was en de plas kwamen daar dus ook nog bij. En toen, het zal ergens in de negentiende eeuw zijn geweest, haalde iedereen zwarte bedienden in huis. Die waren goedkoop en gehoorzaam, toen nog wel. Zo werd zijn eenmanszaakje een vlot draaiend bedrijf. Daar is het begonnen.

Hij was moe. Ik kan al lang niet meer mee, dacht hij. Zou ik er niet beter gewoon mee kappen?  Alles kent een einde. Al wat leeft gaat ook weer dood. Zelfs ik, ooit. De wereld is vandaag toch ook veel te ingewikkeld. Vroeger had je tenminste nog houvast. Wat bleef daar nog van over? Je kreeg bijvoorbeeld brieven. Die begonnen met Liefste Sint en eindigden met Dank U wel. Vandaag krijg je mails. Of tekstberichten. En in een taal, man!
Of een gezin. Dat was een vader, een moeder, een nest kinderen, klaar. Je maakte standaardpakketten: voor elk kind een trui of hemd of jurkje, een stripverhaal, een persoonlijk stuk speelgoed. Je strooide er wat suikergoed en chocola over en huppa, iedereen blij. Ach, die goede oude tijd.
Maar nu! Twee mannen of twee vrouwen, pluspapa’s, plusmama’s, plusoma’s en plusopa’s; dat noemt zich allemaal gezin. Hij begreep het niet. Beseft er iemand hoeveel extra werk dat vraagt?

Hoe groter de zaak, hoe meer personeel. Het bedrijf ontglipte hem. Er kwam een middenkader. Een organigram. Bah! Hiërarchie ook: Piet, Pieter, Pietst. Hij begreep niets van targets, benchmarks of SWOTs. Iemand maakte marktanalyses: Nederland en een deel van Vlaanderen, dat was ok. Maar! In het westen van Vlaanderen had die dekselse Maarten een stuk van de markt ingepakt. En verderop, over het water, had zijn neefje, Santa Claus, een absoluut monopolie. In het oosten vierden Hans en Friedl Weihnachten voor en na. De concurrentie was moordend. Om mee te kunnen, haalden ze het speelgoed nu in lageloonlanden. Wie zorgt er eigenlijk voor dié kinderen? Hij kon toch niet alles zelf doen!
Het doel van zijn naamdag, een geschenkje voor de armere kindjes, verdampte. Net zoals bij de collega’s. Wie herdacht nog heiligen op Allerheiligen? Op kerstavond vereerde men de kalkoen meer dan het kind. Wie hield nog advent, vasten? Allemaal tradities, verneveld in de tijd. Als hij….

“Sinterklaas, bent u er nog?“
“Huh? Ha. Hoe?” schrok hij, “Waar was ik? Waar waren we gebleven?”
“Dat alles altijd verandert, Sint. Wat vroeger normaal was, is het vandaag misschien niet meer. Weet u nog Aswoensdag? Zonder zwart kruisje op je voorhoofd mocht je de klas niet in.”
“Op vrijdag geen vlees!” riep een ander. De tongen kwamen los.
“Zondag nuchter naar de mis en dan pas pistolets.”
“En Kerstmis! Solferstokjes rond de boom en liedjes zingen over het kindeke!”
“De mama bleef thuis, voor de kinderen. Ach, moeder, het schoonste beroep van de wereld!”
“Ja, zo is het wel genoeg!” stopte de Sint die zinloze opsomming van wat ooit was. Hoeveel heilige huisjes had hij al niet zien sneuvelen onder de sloophamer der vergankelijkheid? “Vroeger is voorbij,” mopperde hij, “alsof alles toen zoveel beter was.”

Links van hem zat de pienterste Piet. Diens rechterhand ondersteunde zijn hoofd, vingers graaiden in weelderige blonde krullen. Slimme ogen keken zelfverzekerd door een modieuze roodblauwe bril. “Sinterklaas, de wereld staat niet stil, dat is zeker. Wat voorbij is, komt niet meer terug. Wat nieuw is, is er om te blijven. De mensen zijn niet meer allemaal hetzelfde. Als we dat allemaal bij elkaar optellen… Misschien moeten we denken out of the box? Zoals in België, quota invoeren: zoveel zwarte pieten, zoveel witte of bruine, zoveel vrouwen. Er zijn al heel wat Zwarte Pietenvrouwen. Ik weet niet of we ook moeten kijken naar geaardheid? Zwarte Pieten en Sinterklaas zijn seksloos, toch? Ik toch zeker.” Hij glimlachte, zijn zwarte kaken bloosden.

“Poets je tanden, Pietst! Let een beetje op wat je zegt! Er zijn genoeg Pieters die je plaats willen innemen!” dreigde de Sint. Maar hij leek opgelucht.
Hij wenkte de Pietst met de laptop: “Noteer: dit jaar blijft alles hetzelfde. Maar zoals een Pokémon  evolueert de wereld. Wij moeten mee, we kunnen niet anders. We moeten bij de tijd blijven! We nemen dit topic mee, zet het op de agenda voor de evaluatie van 8 december.”
“Excuseer, Sint. 8 december, dat is een zaterdag. Weekend dus…” aarzelde de Pietst met het rode jasje.

Ook dat nog. De schuld van de sossen!
“10 december dan!” bromde hij nors.
Ik ben hier te oud voor, dacht hij, ik ben uit de tijd gegroeid. Eens houdt het op. Dat ze gewoon hun pakjes bestellen bij Bol.com, dan brengt Pakjesdienst.nl ze wel thuis. Op 10 december geef ik mijn ontslag!

Dit besluit maakte hem zo licht als het veertje op een Pietenpet. Hij legde zijn twee handen op de wangen van pientere Pietst, trok hem naar zich toe en kuste hem met een luide smak op het voorhoofd. Pensioen! Gedaan met werken! Voor het eerst in bijna tweeduizend jaar zag hij zijn gelukkige oude dag: een zetel, fleece dekentje op de schoot, een Glennfiddich van een goed jaar erbij en een dikke sigaar.
En laat ze dan allemaal maar doen, met hun onnozele Facebook.

Onnozel kind

Er was eens, meer dan vijftig jaar geleden, een jongen die Diederik heette. Diederik was een verlegen kind met blond warrig haar. Samen met zijn mama en papa en broers woonde hij in een oud huis in een dorp een eind buiten de stad.
Diederik was een bange jongen. De wereld was groot, onbekend en vol gevaren De radio vertelde dat in Amerika een president was doodgeschoten. Zelfs Winnetou had dat niet kunnen tegenhouden. Papa zei dat er bommen bestonden die heel de wereld konden laten ontploffen.

Diederik had schrik van zijn broers die allemaal ouder en groter waren dan hij en snel met hun vuisten. Hij was bang voor de kinderen op school die lachten met zijn luie oog en zijn brilletje. Soms klopten ze hem op de neus of stompten hem in zijn buik. Ook op weg naar school, op het pad door het donkere bos, keek hij angstig om zich heen. Daar leefden wilde dieren. Een wolf had er de grootmoeder van Roodkapje opgegeten. Er woonden heksen die kinderen opsloten in kooien en elke dag inspecteerden of ze al vet genoeg waren om op te vreten.
Hij zweette van angst als hij voor mama in de kelder moest. Er brandde slechts een klein lampje, je schaduw danste groot en dreigend voor je uit. Het was er kil en klam, met mossige schimmel op de muren. Muizen titsten langs je enkels. Hij moest steenkolen naar boven dragen in een kit of aardappelen in een mand . Mama wist niet dat ergens in een muur een lijk gemetseld zat, wachtend op een kans om uit te breken en hem te vermoorden.
’s Nachts, in de slaapkamer waar ze allemaal samen sliepen, lag Diederik urenlang te woelen. De houten kast achter zijn hoofd kraakte en piepte. Alleen hij kon dat horen. De inbreker die zich daar verschool, kon elk moment tevoorschijn komen, met zijn bijl op hem inhakken en zijn rooftocht beginnen.

Bang was Diederik ook voor Sinterklaas. Niet in de lange, warme zomer. De oude man was dan een verre schim uit een sprookje, luierend tussen bergen mandarijntjes in een veilig verborgen paleis in Spanje. Hoe donkerder en korter de dagen werden, hoe meer hij zich in je leven drong.
Moeder dreigde:  “Als je stout bent, vertel ik het Sinterklaas. Die schrijft alles in een groot boek. Alles, hij vergeet niks. Jij bent het al lang vergeten maar hij weet het nog. Daar heeft hij Zwarte Pieten voor. En als je niet braaf bent, dan stopt Zwarte Piet je in een zak. Ze nemen je mee naar Spanje en je ziet ons nooit meer terug.”
De wereld was nog geen dorp, Spanje kon overal liggen of op de maan. Het idee om in een juten zak te worden opgesloten, ontvoerd naar een ver land en nooit meer naar huis te kunnen, benam hem de adem.

Plots was het weer die tijd van het jaar. Het vroor bloemen op de ramen, je hoorde de zolder kraken en de sneeuw kwam tot aan je knieën. Het was altijd donker. ’s Ochtends stond op tafel een grote pan met sissend spek dat zwom in vet. Ze sopten donker brood en mochten zelfs een grote mok koffie, mét suiker. Tegen de kou op weg naar school.
Tante Maria was op bezoek. “Wij gaan een dagje naar de koekenstad, met ons tweetjes.” Zij was zijn lievelingstante, zijn meter. “Straks blijf je bij mij en oom Alex logeren. Dan eten we pannenkoeken en kan je een keer in een écht bad.” Zij was een fee uit een sprookje, een heilige.
Er was in de hele stad één grootwarenhuis en daar gingen ze heen. Ze stapten voorbij bergen speelgoed, puzzels, rolschaatsen en blikken autootjes. Toen Diederik ontdekte waar het naartoe ging, wilde hij rennen, weg, zo snel hij kon. Tante Maria hield zijn hand stevig vast. “Kom, we gaan dag zeggen aan de Sint. Dat vind je vast wel fijn. En de Sint ook.”

De mijter van de Sint torende hoog boven alles uit. De heilige zat op een troon, een hoop vrouwen en kinderen stond achter een touw te drummen. Leunend op zijn staf, zijn lange witte baard op zijn borst, keek hij statig als een koning ernstig neer op al dat nerveuze gedoe. Hoe Diederik ook spartelde, tante Maria propte hem bij de Sint op zijn fluwelen schoot. De Sint rook naar sigaretten, zoals papa. Dat stelde niet gerust. Er groeiden haren uit zijn neus. Diederik verstijfde. Hij moest plassen. Hij kneep zijn blaas samen. Hij wilde gillen maar perste zijn lippen op elkaar.

“ Zo jongen, zeg eens, hoe heet jij?” vroeg de Sint. Diederiks stem blokkeerde, zijn hoofd kleurde roder dan het bisschopskleed, zijn ogen liepen vol.
Hij weet dat, dacht hij, hij weet alles. Of verwisselt hij mij met een ander kind, een kind dat nog meer stoute dingen heeft gedaan?
“Dit is Diederik, Sinterklaas,” zei Zwarte Piet. Naast hem glunderde Tante Maria, niemand las de martelgang in zijn ogen.
“Hm, Diederik. Vertel eens, ben jij braaf geweest dit jaar?”
Diederik zag Zwarte Piet bladeren in een reusachtig boek met gouden randen en grote gekrulde, gouden letters op de kaft. Hij worstelde met een levensgroot probleem en wist geen oplossing: antwoordde hij ja, dan was dat nóg een leugen erbij, dan moest hij zéker in de zak. Zei hij neen, dan was hij een stout kind. En stoute kinderen…

Moest hij opbiechten dat hij die woensdagmiddag samen met Victor een sigaret had gerookt? Dat hij en Victor aan Elske van de bakker hadden gevraagd of ze haar muizeke mochten zien? Dat hij, als hij van mama naar het winkeltje moest, stiekem een smoelentrekker, zure hostie of een vijf frankstuk van chocolade kocht?
Of liegen? Dat was een doodzonde. Liegen stond in de lijst van de tien geboden van God, uit de catechismusles. Die kende hij uit het hoofd, dat moest. Wat onkuisheid was wist hij niet, iemand doden zou hij nooit doen, maar liegen deed je elke dag wel eens, dat hoorde bij het dagelijks gevecht om te overleven. Tegelijk was het ook een van de ergste dingen die je kon doen. Wie liegt, gaat naar de hel.

Hulpeloos keek hij naar tante Maria, zijn fee, de tante die alleen hem soms mee naar de stad nam en alleen voor hem voetbalschoenen kocht, die met die drie streepjes aan de zijkant, die mama niet kon betalen. Hij sperde zijn ogen wijd open en staarde angstig naar Zwarte Piet die, verdiept in dat grote boek, alles kon zien en zou beslissen over Leven of Dood. Hij wilde bij mama zijn, bij papa en zelfs bij zijn broers, ook al noemden die hem steevast spottend Doepie.
De tijd viel stil. Hij zag of hoorde niets van het gejoel rondom. Hij voelde angst, zweet en felle prikken in zijn buik. De grote, zwarte man naast hem aarzelde dreigend, kuchte, keek hem strak aan en sprak: “Euh, Sinterklaas …ik lees hier in het boek… dat Diederik dit jaar…. heel braaf is geweest!”
“Zo, zo, flink zo! Dan krijgt Diederik een snoepje.”
Hij waggelde van de schoot en vluchtte met nog steeds dichtgeknepen billen naar zijn tante. In haar veilige boezem liet hij zijn tranen vrij. Als vanzelf hield het prikken op.

Wat later huppelden ze hand in hand over de drukke winkelstraat. Kinderen joelden, fietsbellen rinkelden, een tram schuurde en klingelde. Tante Maria bewaarde in haar handtas een sint van chocola en hij, het brave kind, klepte vrolijk met het metalen klikkertje met daarop een vriendelijk lachende sint. Klipklepklipklepklipklep.
Hij was ontsnapt. En hij had niks gelogen. Hij had niets gezegd, dat is niet liegen. Nu ging hij écht zijn best doen, altijd alleen nog de waarheid zeggen, het braafste kind van de hele wereld zijn.

Het werd 28 december, de Dag van de Onnozele kinderen. Het had de hele dag hard gesneeuwd, het dorp leek een grenzeloze witte wolk die grijze rooksignalen naar de zwarte hemel zond. Zijn broers en hij hadden een sneeuwballenveldslag uitgevochten met de bende van Francken van twee straten verderop. Zij, ook hij, hadden de eer van de familie heldhaftig verdedigd. Sterren prikten ontelbare gaatjes in het steenkoolzwarte hemeldek, toen mama hen riep en zij met het hoofd rechtop het strijdperk konden verlaten.
Nog zegedronken lagen ze in bed toen Diederik plots vroeg hoe de Drie Koningen konden weten waar Jezus geboren was. Zij lachten. Ze bleven maar lachen om zijn kinderachtige vragen. “Onnozelaar,” riep er tenslotte eentje, dat zijn toch allemaal maar verhaaltjes. Of geloof jij nog in Sinterklaas misschien?” En ze vertelden wijsneuzerig hoe alles precies in elkaar zat.

Diederik kon het niet geloven. Dit kon niet waar zijn! Zo dikwijls was hij zo verschrikkelijk bang geweest! Bevend had hij nachtenlang niet kunnen slapen. Niet durven bewegen. Al die angst! Al die schuld! Dat berouw! Al die spijt en schaamte.
Alles één gigantische leugen! Een samenzwering! Een enorm complot van de grote mensen om kinderen bang te maken! De Sint in het warenhuis! De Zwarte Piet! En tante Maria, zijn heilige fee, ook! Papa. En mama? Toch ook niet mama! Mama?

Diederik zag onder zich de aarde scheuren. Een brede kloof gaapte tussen de wereld in zijn hoofd en die daarbuiten. Hij wenste dat hij dit niet had gehoord, dat dit nooit was gebeurd. Hij voelde zich verdrietiger dan hij zich ooit had gevoeld. Het zou nooit meer zijn als voorheen. Vroeger was voorgoed voorbij.

Elske haar muizeke heeft hij nooit gezien. Victor ook niet. Zeggen ze. Maar als je je eigen ouders niet meer kan geloven, wie dan wel?