Verhalend

Uit de kunst

Daar gaan ze, denkt hij. En meteen in het zog van die gedachte, hij kan het niet helpen, en zoveel schoonheid heb ik nooit gezien. Geen hogere poëzie, maar de oorwurm beitelt zich vast in zijn hoofd. Die raakt hij vandaag niet meer kwijt. Terwijl ze vrolijk taterend de stad indalen, worden de drie vrouwen in zijn leven alsmaar kleiner. Helena, zijn grote liefde. Al had het hen allebei de tijd en ademnood van een eerste huwelijk gekost voor ze dat aan zichzelf en elkaar durfden toegeven. Marijs, dertien. Blijkbaar de leeftijd waarop je je geheimen enkel nog met je mama deelt. En Aagje Behaagje, elf pas en vroegwijs. Vanmorgen nog noemde ze hem de coolste papa van de wereld, verrukt over zijn splinternieuwe, muisgrijze All Stars. De coolste hoeft niet, maar een papa jong van geest, met luisterend oor en troostende schouder, graag. Anders dan zijn eigen vader. Die leek al hoogbejaard toen hijzelf nog op de schoolbanken zat. Kalenderleeftijd zegt weinig. Zijn leerlingen en dochters houden hem bij de tijd en dat zal hij blijven tot ver voorbij zijn pensioen, later.

Maar al te gek moet het natuurlijk ook niet worden. Marijs had nog verdienstelijk gepoogd:
“Toe, papa. Echt, dit wordt megacool. Dat heb zelfs jij nog nooit meegemaakt. In jouw tijd bestonden die dingen zelfs niet. Dit is niet een saai museum waar je als een stomme koe naar een dood schilderij staat te gapen. Hier stap je gewoon mee in. Je poseert of danst of zingt, maakt filmpjes. Jij bent zelf de artiest. Dat is keihard kunst next level.” Hij had zijn lippen vaderlijk op haar kruin gedrukt, de geur geïnhaleerd van de balsem waarmee ze haar haren spoelde, kamillebloesem, om haar blond een lichtere, zomerse teint te geven.
“Veel plezier ermee, kind,” had hij gezegd, “ik denk niet dat het wat voor mij is.”
Het museum als pretpark, neen dank u. Is de godganse dag poseren voor je eigen camera nu ook al creatief? Echte scheppingsdrang is toch van een andere orde. Next level, Jezus. Zelf vult hij de avonden met potloodtekeningen en schilderen in aquarel. Een waterige weergave van de werkelijkheid. Landschappen en stillevens, natuurgetrouw. Hij observeert als een arend, gomt, sabbelt een punt aan zijn penseel. Hij kan verdwalen in de zoektocht naar het juiste perspectief. Licht, diepte, contrast, kleur, alles moet kloppen. Echte kunst valt niet uit de lucht, negentig procent transpiratie. Ok, toegegeven. Aagje maakt met haar telefoon soms mooie dingen. Ook composities, als je wil. Er sluimert een zeker talent in zijn jongste dochter. Ze vangt moeiteloos het juiste ogenblik, heeft kijk op framing, is vaardig met filters. Ze bezit onmiskenbaar een natuurlijk oog voor schoonheid. Van wie heeft ze dat, ha. Anderzijds. Ze vergaapt zich dagelijks aan zichzelf, Narcissus gelijk. Soms in uitdagende poses, naar zijn smaak gekunsteld en veel te gewaagd voor het kind dat zij nog altijd is.
“Onze spiegelprinses,” moppert hij ’s avonds in bed.
“Laat haar toch,” antwoordt Helena dan, “meisjes zijn vroegrijp, vandaag de dag.”

Met overtuiging in de pas stapt hij de Kunstberg op. Hij trekt zijn jeansjas strakker tegen het lichaam. De zon perst er een muggenpis voorjaarswarmte uit, maar een kille bries drukt de gevoelstemperatuur naar de bodem. Hij knarst nog een beetje. Ja, dit was het compromis en ja, de treinrit was gezellig en natuurlijk gaat hij genieten van die twee uur schoonheid. Old school misschien maar wel, dames let op, in het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten. Wel wat anders dan in een Shopping Center op de Anspachlaan. En alleen is ook leuk. Hoef je niet telkens uit te leggen wat er te zien is. De symboliek blootleggen die in een werk schuilt. Vertalen wat de artiest wil vertellen. Hij proeft het ritme, elke lettergreep: pop-up-tik-tok. Het smaakt zuur in de mond. Het zoveelste ordinaire nepproject, uitsluitend bedacht om kinderbeurzen lichter te maken. Enkel Studio 100 verkoopt het nog platvloerser.

“Echt super, papa, zalig!”
Het laatste vrije tafeltje op het terras aan de Koningsgalerij is te klein voor de twee porties dikke Belgische frieten, kropsla met tomaat, mayonaise en halve kip. De meisjes, hoe voorspelbaar, hebben pizzapunten. Zelfs in deze viruszomer blijft de hoofdstad een magneet. Brussel, ook vandaag nog een bruisende stad, o la la en olijk. Hij hoort Liesbeth List. Ook al zaliger. Je mag van je kinderen niet verwachten dat ze weten wie dat was. Misschien moet hij straks thuis kwansuis die dubbel-cd insteken, Kleinkunst Grootkunst. Wie weet, misschien pikken ze nog wat op. Naïeve gedachte wellicht. Eens thuis duiken ze zo snel ze kunnen op de bank, voeten onder een fleece deken, tablet op schoot. Voor hij zijn All Stars heeft losgeknoopt, surfen ze al mee op de oeverloze beeldenstroom op Instagram en dertigsecondenfilmpjes op TikTok.
“Het was echt heel leuk,” zegt Helena. “We hebben met ons drie zelfs een clip gemaakt. Voor Aagje gratis inkom bovendien, altijd mooi meegenomen toch? En jij?”
Hij ergert zich doorgaans aan woorden als clips en kids, maar nu even niet.
“Ach, Magritte. Weet je, na een tijdje heb je de truc wel door,” antwoordt hij eerlijk. Stiekem vraagt hij zich af of het de verplaatsing en die vijftien euro wel waard is geweest.

Er is nog wat tijd zoek te maken.
Ze struinen door de smalle straatjes rond de Beurs en Grote Markt. In de Beenhouwersstraat verslinden zijn ogen de gamba’s, kreeften en oesters. Ze lonken naar de klanten, als hoeren in een bordeel, poserend op een bed van brokkelig ijs. Dode ogen kunnen hem niet verleiden. Ook dit is weer een valkuil om de centen van de onachtzame toerist in te verzamelen. De geur leidt hem naar Het Parfum van Süskind. Rotte vis, open riolen, het slachtafval op de Kiekenmarkt. “Weet je waarom ze Brusselaars kiekenfretters noemen,” wil hij zijn dochters vragen. Zij zijn echter druk met hun selfiestick, op zoek naar de juiste hoek. Niet de trapgevels van de gildehuizen op de Grote Markt, noch het majestueuze stadhuis portretteren ze. Alleen maar zichzelf. Dit is het tijdperk van het ik. Dit ben ik, ik met een ijsje, ik en mijn zus, ik bij Manneken Pis. Terwijl, achter deze gevels schuilt geschiedenis. Bloed sijpelde hier in de grond. Waar wij nu staan, knielden ooit moeders bij hun gesneuvelde zonen, hun kelen schor, hun hart gescheurd. Kijk. Ruik. Proef. Adem dit verleden met je poriën. Luister. Die vele monden spreken woorden in een taal die je nog nooit eerder hoorde. Verwonder je over de toevloed van nieuwsgierigen, aangewaaid uit Zuid en Oost, West en Noord. De Aziaat onderscheidt zich niet langer door een doekje voor de mond. Je herkent hem aan de Oosterse parasol die hij als een hersenloze kip naholt. Ook hij gewapend met camera en telefoon.

De wind speelt met de blaadjes op het perron. Verder op een bank zucht een bejaard koppel. Aan de andere kant van het spoor staat een meisje. Helena duikt in een WhatsAppgroep. Welke? Die van het werk, de tennisclub of de kookles? De lasagnevriendinnen? Of het Wit Wijntje? Hij staat naast haar, kijkt op Marijs’ rug. Een zucht kamillebloesem zeilt licht voorbij. Ze scrolt, weer zo’n woord, foto na foto naar de oneindigheid.
Voor haar staat Aagje. Zij mikt haar lens op het meisje aan de overkant. Die leunt tegen een muur van bruin marmer. Achttien of negentien misschien, zeker niet ouder dan twintig. Een tijdloze, kniehoge jurk rond een ogenschijnlijk perfect figuur. Ook zij richt haar telefoon op de overkant. Lens op lens. Niemand beweegt, niemand praat. De tijd houdt even halt.
Zijn schildersoog inspecteert dit tableau vivant.
Ceci n’est pas Magritte, denkt hij.

Lady en Mie

  • Mag ik?
  • Natuurlijk, mijnheer. Die bank is niet van mij hé? Ik heb daar niets aan te zeggen. Als het maar anderhalve meter is, nietwaar.
  • Dank u wel. Ik dacht, misschien heeft die mijnheer liever niet…
  • Deze mijnheer heeft niets te willen hé mijnheer. Leven en laten leven zeg ik altijd.
  • Dat is vriendelijk.
  • Och, mijnheer, vriendelijk. Ik kan de zon ook zien schijnen in de vijver van iemand anders hoor, dat hoeft niet alleen in de mijne te zijn.
  • Dit is hier anders ook een mooie vijver, vindt u ook niet? Dat groene kroos, die eenden, die flikkeringen van de zon…
  • Amai, mijnheer is dichter zeker? Maar het is waar, het is een hele mooie vijver, zeker in de zomer. Maar de mijne is het niet hé, toch niet echt. En weet u wat het ook is, je weet niet wat er onder water zit, hé mijnheer. Onder het oppervlak. Vroeger, toen we jong waren, kon je hier de vissen zien zwemmen. De gekleurde keien op de bodem, de planten, alles kon je zien. Mensen gooiden in die tijd stukken van vijf frank in het water. Dat bracht geluk. Dachten ze. De vijver lag vol met munten en centen.
  • Vijf frank? Dat moet al lang geleden zijn.
  • Maar ondertussen is de vijver zo, hoe zal ik het zeggen, troebel geworden. Ondoorzichtig. Dat water is zo donker, je kan er je diepste geheimen in verstoppen, bij manier van spreken. Heeft dat nu met het klimaat te maken, ik weet het niet. Je ziet alleen nog maar de bovenkant. Wel een beetje griezelig, als je het mij vraagt.
  • Bwah, valt wel mee, niet…
  • Er kan van alles in dat water liggen hé mijnheer, toch? Een fiets. Een kinderwagen. Misschien wel een dode rat, god weet.
  • Dat zou wel heel griezelig zijn.
  • Een mens kan nooit weten, hé mijnheer. Het leven zit…
  • U komt hier vaker?
  • Och mijnheer, u zou eens moeten weten. Wij komen hier, laat mij even denken, om juist te zijn, tweeënveertig jaar.
  • Dat is echt wel een hele tijd.
  • Waar u nu zit, mijnheer, daar zou een half jaar geleden geen plaats zijn geweest. Maar ja, het is nu zo hé.
  • Ah?
  • Zie je dat hier, mijnheer, hier in het midden? Dat hartje? H & M. Stom hé. Op onze leeftijd. Helemaal hetzelfde als die winkel. Herman en Maria. Dat was ons bankje hier, van mijn vrouw en ik. Nog straffer, dit park was eigenlijk onze tuin. Wij kwamen hier bijna elke dag.
  • Elke dag?
  • Ik aan deze kant en ons Mie waar u nu zit. Zoals in bed, snap je? Je slaapt thuis toch ook heel uw leven aan dezelfde kant? Wij woonden ginder, in de blokken, op het achtste. Soms, in de zomer, bij warm weer, gingen we eerst een ijsje halen in de crèmerie. Dat kwamen we dan hier opeten, op dit bankje. Als ons Mie dan lui werd, dan ging ze liggen, met haar kop op mijn schoot. Pas op, wij hielden ons fatsoen hé, maar dan deed ze haar ogen toe en dan sliep ze, zo een minuutje of tien, een kwartier. Ik zat dan zo stil als een panda in de dierentuin, ik zweer het. Ik bewoog niks, al kreeg ik krampen tot achter mijn oren. Ja. Lang geleden natuurlijk hé, de laatste tijd deed ze dat niet meer.
  • Mooi.
  • Schone tijden, mijnheer. Daar kon ik van genieten, dat kan je niet geloven. Hoe ze daar dan lag, met haar ogen toe. In de zomer telde ik de sproetjes op haar neus en onder haar ogen. Dat was gelijk een sterrenhemel, daar kon ik naar blijven kijken.
  • Dat klinkt heel lief.
  • Dat is raar hoor. Je kent iemand uw leven lang en toch, als je goed kijkt zie je toch nog altijd nieuwe dingen. Natuurlijk, een mens verandert, een oudere vrouw, daar komt al eens een rimpeltje bij ook hé. Als ze sliep volgde ik die met mijn vinger, van haar oog langs haar kaak naar haar lip, gelijk een rivier op een landkaart. Maar ik raakte haar niet aan hé, versta je, ik liet ze slapen. Ik tekende boven haar gezicht, met een ingebeeld penseel. Ik schilderde haar na in de lucht, zodat ze kon dromen op de wolken.
  • Maar mijnheer, wat een mooi verhaal. U bent zelf een dichter.
  • Een dichter, ja watte. Ze zou het moeten horen. Maar het mooiste mijnheer, ik weet niet waarom ik dat nu in feite allemaal aan u begin te vertellen, vond ik de rust. Hier floot nog wel een vogeltje, ginder speelde een kind, maar verder, het was hier helemaal stil. Daar kon ik van genieten, dat heeft geen naam. Onder ons gezegd, ik was ook content dat ze al eens een keer sliep, want ze kon wel een sluis openzetten, ons Mie. Die haar mond stond niet gauw stil.
  • Tja, vrouwen hebben soms nogal veel woorden nodig hé mijnheer.
  • Ik heb eens gelezen, ik weet niet of het waar is, dat een man op een dag zevenduizend woorden zegt, ongeveer. En een vrouw dan, dat moet u nu eens proberen te raden. Twintigduizend mijnheer. Kun je dat geloven? Twintigduizend! Elke dag opnieuw hé.
  • Dat klinkt wel veel.
  • Dat klinkt veel, zegt hij. Dat is bijna drie keer zoveel als wij, hebt u daar al eens bij stil gestaan?
  • Eigenlijk niet, nee.
  • Och, mijnheer, wij hebben hier veel mooie momenten gekend. Daar, waar nu de parking is, stonden vroeger, ik spreek nu van heel lang geleden hé, van die dikke eikenbomen. Heel hoog en breed, mastodonten, echt, daar kon je je achter verstoppen. Achter die bomen zijn wij in de tijd beginnen vrijen. Dat was toen niet zoals vandaag hé mijnheer. Dat was een kusje, een handje vasthouden en om tien uur uw lief thuis afzetten hé. Nu kennen ze mekaar een half uur en ze liggen al in hetzelfde bed.
  • Dat is misschien…
  • Ik zeg het, wij kwamen praktisch elke dag naar hier. Alleen in de winter, als uw tenen van uw voeten vroren, bleven we al eens binnen. Weet je hoe we dat hier noemden? Onze babbelbank.
  • Babbelbank?
  • Als er eens iets scheef zat, dan gingen wij hier zitten om daarover te babbelen. Re-flec-te-ren noemde ze dat dan, zo wou soms nogal deftig doen. Iets met de kinderen, of op het werk, of tussen ons. Want pas op, zo lang samen is ook niet elke dag feest hé.
  • Dat zal wel niet.
  • U bent precies ook niet iemand van veel woorden geloof ik hé mijnheer.
  • Neen, maar…
  • Maar het laatste jaar mijnheer, dat was zoals ze zeggen een annus horribilis.
  • Pardon?
  • Een an-nus ho-ri-bi-lis. Zo zei ze dat. Weet u nog, prinses Diana? Dan was u nog niet geboren, zeker? God ja, hoelang is dat ook alweer niet geleden? Enfin, dat was dus de prinses van Engeland. En die is verongelukt. En toen zei de koningin, haar schoonmoeder dus in feite, was dat koppel toen nog samen, ik wil het kwijt zijn, de koningin zei: dit is ons annus horribilis. Een jaar dat alles tegenzit, een klotejaar, grof gezegd. Dat hadden wij dit jaar ook.
  • Oei.
  • Eerst was het ons Suzanne, onze dochter, we hebben er maar een. Die ging weg van haar man. Een goede kerel, daar niet van, maar ons Suzanne, je moet die een beetje kennen, niet altijd de gemakkelijkste, een beetje zoals haar moeder, zal ik maar zeggen. Op een dag stond ze bij ons voor de deur: mama, ik kom voor een paar weken terug thuis wonen.
  • Dat vond u niet leuk.
  • Leuk? Mijnheer is Hollander of wat? Enfin. Dat was niet simpel maar je laat natuurlijk uw bloedeigen dochter niet op straat staan. Trouwens, ons Mie zou zelfs een hond met een hoge hoed op nog binnenlaten.
  • Dat is toch ook mooi.
  • Ze had wel een goed hart hoor, echt, al had ze ook haar kantjes, zoals iedereen. Na een week of zes had ons Suzanne dan weer iets gevonden. Ze was de deur nog niet uit of het begon met onze Napoleon.
  • Napoleon? Uw zoon heet…
  • Onze hond. Een cocker, zo een bruine stoofbuis, met van die korte pootjes en lange oren tot bijna tegen de grond. Daar was ze stapelzot van hé, ons Marie. Maar op een dag bleef dat beestje gewoon liggen. Hij geraakte niet meer recht. Door zijn voorste pootjes gezakt.
  • Wat erg. Hij was al oud misschien?
  • Elf jaar. Pas op, voor een hond, elk jaar moet je maal zeven doen hé.
  • Redelijk oud toch wel.
  • Uitgezaaid. Niets meer aan te doen.
  • Afscheid doet altijd pijn. Ook van een huisdier.
  • Ons Mie kon dat niet aan. Echt, dat was of haar eigen kind was gestorven. Ik zeg kom, we nemen een ander beestje. Maar dat was het precies toch ook niet. Hier is ze, ons Lady. Ze heeft haar eigenlijk nooit geaccepteerd. Dat wordt dan wederzijds natuurlijk. Zo een puppy, als dat geen liefde krijgt, dat kan vals worden hoor. En dat blijft niet klein hé, en dat vergeet niet. Maar ons Maria moest er niet van weten. Ze deed ook geen moeite. Eten geven, borstelen, wassen, de veearts, wandelen, ik deed alles. Het was alsof ons Lady moest boeten omdat de Napoleon kanker had gekregen, snap je?
  • Moeilijk, denk ik.
  • Dus die twee kwamen langs geen kanten overeen. De mama niet met het hondje en het hondje niet met de mama. Twee stijfkoppen, sorry dat ik het zo zeg. Twee stomme te.. laat maar. En ons Mie maar lamenteren. Die hond luistert niet. Richt dat af. Een hond vervangen door een andere hond, dat gaat zomaar niet, wie probeert nu zoiets, met mensen doe je dat toch ook niet. Is Lady Diana vervangen misschien? Enfin, ik werd daar soms echt horendol van, eerlijk waar. En ons Lady voelde dat ook natuurlijk. Blaffen, happen, snappen, venijnig bijten, je kent dat. Op den duur vond ons Marie dat ik ons Lady moest wegdoen. Anders ga ik zelf, zei ze.
  • Moeilijke situatie voor u.
  • Tegen wie zeg je het, mijnheer. Dus op een dag komen we naar hier, naar onze babbelbank. Zij daar, ik hier, ons Lady naast de bank. En het begint opnieuw, van voor af aan, hetzelfde liedje. Lady dit, Lady dat, dat hondje weg of ik weg, patati en patata. Maar weet je wat het is, mijnheer? Vroeger zou ik blijven strijden zijn. Maar als je ouder wordt, word je slimmer. Dus ik zeg: Mie, blijf even hier zitten. Ik wandel een of twee keer rond het park, we kalmeren allebei en we praten verder. Om niks stoms te zeggen of te doen, snap je? Toen heb ik ze hier, op deze plek, achtergelaten.
  • Verstandig.
  • Dat dacht ik toch. Maar toen ik terugkwam was de bank leeg. Ze waren weg. Allebei.
  • Weg?
  • Ik dacht, ze zijn naar huis. Maar daar was ook niemand.
  • Oei.
  • Ik heb een paar uren gewacht. Gezocht. Ik ben hier komen kijken, de buurt afgelopen. Ons Suzanne gebeld. Niks. Nergens. En dan ten langen leste de politie gebeld.
  • Het is niet waar! …
  • ’s Avonds hebben ze haar gevonden. Daar, aan de andere kant van het water, helemaal tegen de kant, tussen de varens en de gele lis. Ons Lady ernaast, met haar pootjes in het water. Die stond zo stijf als die boom daar. Haar leiband twee keer rond ons Mie haar nek gedraaid. Hoe dat heeft kunnen gebeuren, daar hebben wij het raden naar, mijnheer, dat gaan we nooit weten. Ons Lady gaat het niet vertellen, dat is zeker.
  • Wat erg! Het spijt me vreselijk voor u, mijnheer.
  • Nu komen we nog met ons twee naar hier. Maar dat is niet hetzelfde. Ik babbel precies de hele tijd maar wat tegen mijn eigen hé. Allé, het is mijn tijd, ik ga weer eens verder.
  • Ik leef met u mee, mijnheer. Nog veel sterkte.
  • Bedankt mijnheer, merci. Ook voor ons Lady. Je weet niet wat er allemaal in zo’n beestje omgaat hé. Ik hoop maar dat ze er niets aan overhoudt.
    Nog een prettige dag verder, mijnheer.

Kopje thee?

“Thee?” vroeg Anke. Ze vulde de waterkoker, nam een kopje van het aanrecht, hield het even onder de kraan en droogde het met een vaatdoek driftig af.
“Lekker,” antwoordde Helena. Voor een witte Martini met ijs moest je niet bij Anke zijn, dat wist ze. Dat was voor straks, thuis, een slaapmutsje met Frederik.
Anke liet het kopje op een schoteltje klepperen en smeet er een lepeltje naast. Ze ging zitten aan de tafel en tilde Musti op haar schoot. De kat niesde.
Kunnen katten niezen? Kuchen? Hoesten? Helena had geen idee. Als dat beest maar bij me wegblijft, dacht ze. Veel mensen koesteren een grote liefde voor katten maar zij hoort daar niet bij.
“Ocharme, mijn snoepje is een beetje ziekjes,” fleemde Anke. Ze praatte tegen de kat als een kleuterjuf en duwde haar neus in de dikke vacht. “Mijn knuffeltje moest daarnet zelfs overgeven,” ging Anke bezorgd verder. Helena keek naar de lange kattenharen op de zitbank en op de grijze mat onder het salontafeltje. Snoepje zou háár hart niet doen smelten. Ziek of gezond, het bleef een vies beest.

“Ga je weer naar moppervrouwtje?” had Frederik gevraagd. “Waarom blijf je dat toch doen?” Hij had gelijk natuurlijk, ze wist zelf ook niet goed waarom ze zo om de zes weken voelde dat het toch weer tijd werd voor een afspraakje met haar vriendin. Een of ander belachelijk schuldgevoel? Misplaatste verantwoordelijkheid? Klampte ze zich vast aan een vriendschap die al lang gedoofd was?
Een middagje bijkletsen bij Anke, noemde ze het, tegen beter weten in. Als ze dan thuiskwam moest Frederik het ontgelden, dan ratelde ze aan een stuk door. Dat ze misselijk werd van dat eeuwige zelfbeklag. Dat ze dat onophoudelijke gezeur kots- en kotsbeu was. Dat ze bijna had gezegd dat ze het nu wel had gehad. Dat het de laatste keer was geweest.

Met een klik stopte het geratel van de waterkoker. Anke stond op en schonk wat van het kokende water in het kopje. Witte vlekjes dobberden aan de oppervlakte.
“Er zit vast weer te veel kalk in het water, dat heb je hier soms,” zei Anke.
Bij ons niet, dacht Helena, en wij wonen hier amper twee kilometer vandaan.
“Geeft niet hoor,” zei ze.
Ze zag in haar thee wittige slierten doorschemeren, als olievlekken op stilstaand water.

Anke herviel in haar klaagzang. Dat haar werk zo vervelend was. Zij was de enige die haar job fatsoenlijk deed. Haar bazin was een onbekwame bitch. Wist Helena trouwens dat er in dit gebouw tegenwoordig meer vreemdelingen woonden dan eigen mensen? Had ze gezien hoe de inkomhal erbij lag? Niemand die er zich wat van aantrok, alleen zij hield het gebouw nog een beetje proper.
“En laatst in de metro vroeg een vrouw, met een hoofddoek op, natuurlijk, in een soort Frans aan mij welke tram ze moest nemen naar de Luchtbal. Ik heb gezegd: ik versta geen Frans. Ze moeten maar Nederlands leren, maar ja, in dit apenland kan dat allemaal maar.” Was Frederik erbij geweest, het werd nu ruzie. Maar hij was slimmer, hij kwam al lang niet meer mee.

Ankes litanie hield aan. Dat ze bijna niemand meer zag, al haar vriendinnen keerden haar de rug toe. Begreep Helena dáár iets van? En de mannen keken ook niet naar haar om. Aan los gescharrel deed ze niet en op haar leeftijd waren de goeden natuurlijk allemaal al lang bezet. In de anderen was ze niet geïnteresseerd. Ze moesten niet denken dat ze bij haar even hun gerief konden komen halen, het was alles of niks.
Geduldig onderging Helena de tirade. Geen discussie, daar had ze absoluut geen zin in. Moest ze proberen om wat vriendelijk advies te geven, zoals vriendinnen doen? Dat wat vrolijker in het leven staan de zaken misschien zou kunnen veranderen?
Ze nam het theekopje en bracht het naar haar mond. De kat niesde weer.
“Musti, wat doe je nu?” gilde Anke. “Ocharme, schatje.”
Helena verstijfde met het kopje aan haar lippen. Ze zag de kat krochen en wittig braaksel ophoesten op Ankes donkerrode lange rok. Ze werd een standbeeld toen ze toekeek hoe Anke de kat op de grond zette, de vaatdoek van het aanrecht griste en het slijmerige spuug van haar rok veegde. Hoe ze de vaatdoek onder koud water uitspoelde, er een wrong aan gaf en over de rand van het aanrecht te drogen hing. Helena keek naar Anke, de vaatdoek, de kat.

“God, is het al zo laat? Ik moet nu echt gaan, Anke, ik moet nog langs de apotheker, Frederiks bloeddrukpilletjes. Ik laat gauw weer van me horen.”
Toen ze thuiskwam lag Frederik languit op de sofa. Hij snurkte. De televisie stond aan. Ze telde zeven lege flesjes op de tafel.
“Jullie kunnen verdomme allemaal vierkant de pot op,” brieste ze.
Ze draaide zich om en sloeg de voordeur toe.

X-Factor

Dat letters nooit slapen weten slechts heel weinig mensen.
Overdag laten zij zich strelen door vingers, verslinden door ogen, door woordproevers savoureren. ‘s Nachts dansen zij onzichtbaar klein door het donker. Ze zweven geruisloos door kieren en openstaande ramen kamers binnen. In de oren van argeloze slapers fluisteren zij woorden waaruit dromen ontstaan. Intussen rusten in vredige leeszalen over de hele wereld boeken, in fraai geïllustreerde omslagen, hun bladen blank en gewichtloos, ontdaan van zware woorden en complexe  zinnen. Doorhangende planken rechten de rug.
Als het duister verdampt, verzamelt opgewekt en tevreden na gedane nachtshift, het ganse alfabet in de grote welkomsthal van de Wereldbibliotheek. Zo ook die noodlottige ochtend. Hoofdletter A monsterde, strakke schouders, stramme benen, haar volgelingen. “Vijfentwintig! Wie? Wat? … Waar is X?”

“X doet altijd mysterieus,” fluisterde G zacht.
“Wie heeft X ook nodig?” fezelde F.
“Dat zou je nog verbazen,” baste B, borst en buik vooruit.
“Maar, hoe moet het met al die boeken nu?” vroeg O, de mond wijd open.
“Een permanente vraag bij een prominent probleem,” poneerde P, parmantig pronkend met haar boezem.
Z zuchtte en zweeg.

Lezers en lezeressen bladerden verward in boeken en kranten. Nergens een X te bespeuren. Men belde om een tai. Geliefden vrijden zich naar een clima. Toeristen reisden naar eotische plekken, zieken lagen aan een bater. In bibliotheken vond je detectives van Colin Deter, of ‘Hoe speel je ylofoon?” In Nederland hield koningin Maima een toespraak voor etatische bewonderaars.

De volgende nacht droomde er geen mens.
Bedrukt zaten alle letters min X tezamen.
“Slechts één letter kan dit probleem oplossen,” besloot na lang beraad Meester M. “Professor Q, wilt u ons het genoegen verschaffen even de Moeilijke Woordenlijst te verlaten?” H, het hulpje, reikte een helpende hand.

Bedachtzaam krulde de professor zijn snor over zijn bolle wang.
“Zoeken naar X is als zoeken naar een woord met zeven opeenvolgende medeklinkers of…”
“Ik weet er eentje!” sprong S, het slanke spring-in ’t-veldje, op.
“…meer,” ging Q onverstoord verder, “zoals herfstchrysant. Of angstschreeuw. Voorlopig moeten K en S maar, naast hun eigen taken, voor een tijdje ook de letter X overnemen. Intussen gaan wij allemaal naar haar op zoek!”

Elke nacht trokken letterparen speurend de wijde wereld in, M en N, P en C, Q en A dwaalden speurend door het donker.
“Ik voel me niet meer seksy,” schreide S zachtjes.
“Die lukse kunnen we ons nu niet permitteren,” kapte K haar houterig af.
Nog steeds droomde er in de hele wereld niemand. X bleef spoorloos. De mensen werden radeloos en slecht gehumeurd. Koks knoeiden met hun mikser en werden naar de eksit gestuurd. Studenten zakten voor het eksamen. Taalgeleerden relaksten geen seconde. Shows op televisie zochten wanhopig de IKS-factor.
Geen X.

Op een ochtend druppelden letterparen en tweeklanken ontmoedigd de bibliotheek binnen.
“Vruchteloos,” zei V verveeld.
“Noppes!” reageerde N boos.
“Pijnlijk,” kermden A en U.
Ze leken wel dode letters.
Professor Q keek geamuseerd toe, een brede krul op het gezicht. Hij barstte bijna uit zijn bol van tevredenheid.
Zou hij?
Is X terug?
Kunnen we de mensen weer verleiden met verhalen? Kunnen zij ’s nachts weer dromen?

De stilte was vol van verwachting en hoop.
“Vrienden,” begon de professor, “mijn excuses. Ik ben heel, heel dom geweest.”
“Is X terug?” riep R een beetje roekeloos.
“Sterker nog,” antwoordde professor Q. “X is nooit weggeweest. X was die hele tijd bij ons.”
Verbaasd keken ze elkaar aan.
“Immers, wie is X? Al op de schoolbank moet je X gaan zoeken. X is altijd de uitkomst. X is het sluitstuk. Heb je X, dan ben je gelukkig! En wie goed zoekt, zal X altijd vinden!” De professor hobbelde enthousiast als een danser doorheen de zaal.
“Wij weten toch: het is de lezer die het verhaal compleet maakt. Een verhaal wordt pas een mooi verhaal als je er wat van jezelf aan toevoegt. Je eigen X-factor! Zoek de X in jezelf. Zij zit in elke vezel in ieder van ons. Wij zijn allemaal X!”
Een opgewonden briesje zuchtte door de bibliotheek.
“Letters, hop, in de boeken! Laat je vandaag door je lezers maar extra verwennen. Er wacht straks een drukke nacht, er moeten veel dromen worden gedroomd!”

Toogpraat

Ja Elza, als ge daar nu op terugkijkt, dan was dat allemaal niet nodig geweest, natuurlijk. Dat had helemaal anders kunnen gaan. Maar we waren jong en als ge jong zijt, maakt ge van alles een spel. Als ge dan achteraf de gevolgen beziet, eerlijk, het is nooit meer goed gekomen tussen ons.

Dat was op een zondagmiddag, dat rappeleer ik nog, pas op, ik spreek van lang geleden, hé. Onze Marcel, Dikke Kamiel en ikke. Die Kamiel was een kameraad van onze Marcel, Kamiel-van-de-pintjes, zei ons Ma altijd. Hij trok een beetje op die facteur uit die film, dinges, die facteur met die snor, met die fles jenever die hem niet meer zelf kon vasthouden. Van de bibber. De Kamiel stond elke dag op om zes uur want om half zeven ging Den Eendracht open. Daar dronk hij zijn eerste pinten, pakt een stuk of zes. Ze kwamen hem daar halen om naar zijn werk te gaan, ik weet niet, maten van hem. Zijn rugzak vol blikjes van een halve liter, om de dag door te komen. Jongen, toen kon dat precies allemaal nog. Enfin, ik heb dat zelf nooit gezien, onze Marcel heeft mij dat zo verteld en toen waren wij nog twee handen op een buik. Maar als hij toen gelogen heeft, dan lieg ik nu ook natuurlijk.

Enfin. Het is dus zondagmiddag. We waren gaan biljarten in Brasschaat, een café op de Bredabaan, de naam ben ik nu even kwijt, De Vrede? Speelt geen rol. Wat pakten wij binnen op zo een middag, een pint of tien? Twaalf? Genoeg om niet meer nuchter te zijn maar te weinig om genoeg gezopen te hebben. Bon. We betalen en wandelen naar buiten, misschien om een frietje te steken of om in een ander café nog eentje te snoepen. Misschien moest er iemand naar zijn madam, weet gij het? Ik ook niet, speelt ook al geen rol, trouwens.
Ligt er vlak voor onze neus, in het midden van de trottoir, toch geen portefeuille zeker? Een dikke zwarte, ik rappeleer het nog goed. Ik was daar natuurlijk de eerste bij, altijd de rapste bij zo’n dingen hé, allé, toen toch. Ik raap dat ding op. Die twee stonden daar met hun bierasem te stinken in mijn nek, smakelijk is anders, maar allé, hoe gaat dat, ge kent dat. Wat denkt ge dat erin zat? Negen lappen alstemblieft! Negen briefjes van duizend frank, het was toen nog Belgisch geld. Maar als ge dat vandaag zou omrekenen dan komt ge toch al rap, pakt tussen de tweehonderd, tweehonderdvijftig euro.

Ola, zeggen die mannen. O-la!

Maar ik zeg: ho mannen. Efkes wachten. Niet ongeduldig zijn. Laat eens zien: steekt hier geen rijbewijs in, of een paske, zodat we kunnen zien van wie dat is?
Toen zat het spel op de wagen, hé. Ik zeg het nog: we waren niet zat maar ook niet meer nuchter, geloof mij, dat is het ideale moment om ambras te beginnen maken. Zeker als het over geld gaat, natuurlijk. Of over vrouwen, maar daar moet ge niet zat voor zijn hé.
Enfin. In die portefeuille steekt een pas, dat was toen nog zo een groene, van karton. De naam weet ik niet meer, Louis en nog iets. Een kerel van achter in de zestig. Als ge die foto bekeek, die had in de koolmijnen gewerkt, of kasseien gelegd of iets aan de dok, enfin, dat was geen baron, dat zaagt ge zo, verstaat ge?
Dus ik zeg tegen mijn broer en die zatlap: ok mannen, we hebben een naam, een adres, die gast heeft misschien ook wat pinten gedronken maar die is al wat ouder, die kon er misschien niet meer zo goed tegen en die heeft zijn geld laten vallen. Stom, maar zoiets kan gebeuren natuurlijk. Ginder is een politiekot, willen we dat daar algauw naar binnen gooien?

Man! Ik had precies op een van die mannen zijn vrouw gezeten, wat was dat allemaal? Zot! Geld naar de flikken brengen, gij mankeert iets of wat? Wat gaan die flikken daarmee doen, denkt ge? Die steken dat schoon zelf in hun zak. Echt, gij hebt te veel gezopen, jongen.
Daar hadden ze wel een punt, natuurlijk. Een tijd daarvoor hadden de wouten mij nog een nacht in de amigo laten slapen omdat ik met mijn zatte botten een beetje had gelachen met hun snor, enfin, dat was zo een dikke met een rosse snor, ik zweer het, en die … ik dwaal af zeker?
Dus ik zeg: ok jongens, ik geef die portefeuille straks aan ons Ma thuis en die brengt die dan wel naar die mens, wat denkt ge? Jongens, nu had ik precies hun twee vrouwen tegelijk gepakt! Dat ging daar van paljas en onnozelaar en geeft dat spel hier of ik sleur het uit uw poten. Daar ging ambras van komen. Die mannen dachten natuurlijk dat ik dat geld zelf op mijn bil zou slagen, maar dat interesseerde mij niet. Ik ben toch geen dief, zeker, dat weet gij toch ook hé Elza?

Toen had ik het gevonden, dacht ik. Ik zeg tegen onze Marcel: “Ok, dit gaan we doen. We stappen in de auto en we rijden naar die kerel zijn huis en we geven die zijn geld terug.”
Als ik nu alleen met hem zou geweest zijn, dan had ik hem misschien nog kunnen overtuigen. Ik zeg tegen hem allé Marcel, dat is maar een vent zoals gij en ik, die moet ook travakken voor zijn geld, die gaat zondags ook graag een pintje drinken. Misschien zit de helft van zijn pensioen hierin.
Maar toen kwam die Kamiel, die mislukte facteur of dokwerker of wat dan ook, die jan-mijn-kloten met altijd geld tekort, zijn eigen moeien. Wij staan daar nog altijd midden op straat te klappen hé. Die zuipschuit trekt ineens die portefeuille uit mijn handen, pas op, die was zeker twee koppen groter dan ik hé. En die zegt: “Schrijverke, ge kunt kiezen: drieduizend ballen per man of gij krijgt juist geen kloten.”
Ik zweer het. Ik ken onze Marcel, hij twijfelde, hij wist het efkes niet, ik kon dat zien in zijn ogen. Maar die twee hebben zich omgedraaid en zijn in de auto gestapt. Ik ben te voet naar huis gegaan, van Brasschaat hé. Ik was helemaal nuchter toen ik thuiskwam, ons Ma was zelfs nog content.

Drie jaar hebben wij niet meer met elkaar gesproken, ikke en onze Marcel. Geen woord, mijn enige broer. Dan is ons Ma gestorven, dan hebben we elkaar nog eens gezien. Maar we  hebben het niet meer over dat gevalleke gehad.
Wat er van die zatte Kamiel geworden is, weet ik niet. Misschien is die ook al dood. Dat café op de Bredabaan is er trouwens ook al lang niet meer. Alleen den Eendracht, dat bestaat nog. En ikke.
Allé. Geef nog eens een pintje, Elza. En pakt zelf ook iets.
Dat we ze nog lang mogen mogen.

Haar dag

Een man stapt een winkel binnen. De deurbel klingelt veel te luid. Hij kijkt verrast naar lege emmers en potten, achteloos verspreid over de vloer en op schabben. Hij is ontgoocheld, ziet niet de fleurige uitbundigheid die hij verwachtte. 

“Kan ik u helpen, meneer?” Haar lach straalt. Ze praat met een vreemd accent.
“Ik had graag een mooi boeketje gehad,” zegt hij.
“Voor de Liefde,” voegt hij er plots wat overmoedig aan toe.
Ze aarzelt enige seconden, een standbeeld op een sokkel. Knikt. Ze weet wat liefde is. “Deze rozen misschien, die hebben een heel speciale kleur.”
“Mooi,” vindt hij. 

Ze scharrelt tussen gele gerbera’s en margrietjes, kleine felgroene varens en langwerpige, brede groene bladeren. Haar haar is grijs aan de wortels, een lelijk soort blond groeit uit. Misschien heeft ze geen geld voor de kapper. Mooi is ze niet, vindt hij. Ze is wat klein en vormeloos, zwaar, haar neus is veel te groot voor haar gezicht. Ze praat aan een stuk door.

Dat de meneer niet op de rommel mag letten. Dat de winkel altijd heel proper is. Met proper zijn begint alles. Maar vanochtend werden de verse snijbloemen geleverd en ze moet ze allemaal nog schikken. Een lange wachtrij van emmers: pastelgeel, -groen, -paars, -blauw, vermomd als piramide of steile rechthoek. In een ronde zinken emmer verlangt een eenzaam muurbloempje naar de Liefde die háár zou willen schenken.

Ze heeft de winkel al vier jaar. Aan deze kant van de straat, hier valt het licht veel beter binnen. Een bloemenwinkel met te veel donker kan niet. Gewoonlijk komt haar dochter helpen, maar niet vandaag. Ze studeert Diplomatie aan de universiteit in de stad. Ze weet niet wat ze wil. Ze heeft al een masterdiploma in Criminologie maar wil daar niet echt in verder gaan. Al die ellende waar je dan mee te maken krijgt. Vandaar nu, Diplomatie. Volgende maand gaat ze op stage naar Israël. Daar is de vrouw een beetje bang voor want het is daar altijd wat.

De telefoon onderbreekt met iets hiphopperigs. Pools? Mijn zoon, zegt ze. Ze blinkt. Hij zit in het middelbaar en gaat volgend jaar zeker ook naar de universiteit, een heel ander leven.
“Vindt u deze kleuren mooi, meneer?”
“Studeren is heel belangrijk,” stelt ze. “Wij hebben het niet gekund. Wij komen uit Armenië, onze jongste is hier geboren. We zeggen hen: jullie zijn de spiegels van ons land, als de mensen naar jullie kijken, dan kijken ze naar ons land. Jullie moeten België laten zien dat jullie dankbaar zijn omdat wij hier een plaats hebben gekregen.”
De man knikt en zwijgt.
“Kijk eens, mijnheer. Mooi, niet?” Ze lacht: “De liefde zal blij zijn.” Ze lacht weer, wolken vluchten, de hemel kleurt blauw.

“Ja, ja, dat is heel belangrijk,” gaat ze door, “wij willen trots zijn op Armenië. Zoals op onze Charles. U kent toch onze Charles?”
De man kent geen Armeniërs, al helemaal geen Armeniërs die Charles heten.
“Aznavour,” zegt de vrouw, trots. “Hij is dood. Heel spijtig. Hij was wel oud, hij was 94, maar heel spijtig. Hij heeft veel goeds gedaan voor ons. Veel mooie liedjes gemaakt en veel mensen gelukkig gemaakt.”
Ze neemt een wit staafje uit kunststof. Fier prijkt daar bovenop een geel pingpongballetje met een smiley die je met een brede grijns toelacht. Ze steekt het dwars doorheen het boeket.
“Daar moeten de mensen altijd om lachen,” zegt ze en ze lacht zelf ook.
“Mensen lachen veel te weinig, mijnheer. Niet alleen in België, overal. Lachen is belangrijk. Mensen moeten gelukkig zijn. Onze Charles heeft veel mensen gelukkig gemaakt,” herhaalt ze.
“Kijk mijnheer. Mooi? Goed voor de Liefde? Bancontact aan deze kant.”

Thuis zet de man het bonte boeket in een brede vaas. De uitbundige lentekleuren vullen de ruimte, roze, geel en groen. De pingpongbal torent er blij bovenuit, brengt vrolijkheid in de kamer.
Hij sluit zijn ogen, inhaleert.
Hij zet de vaas bij het schrijn in de hoek, naast de grote, met een zwarte kader omlijste foto.
“Alsjeblieft lieverd,” zegt hij. “Voor je verjaardag. Een boeketje.”
Zijn droge lippen raken het glas.

“Ik heb vandaag” vertelt hij, “een heel mooie vrouw ontmoet. Ze heeft speciaal voor jou dit boeketje gemaakt. Met heel veel liefde.” Hij buigt lichtjes naar voren, reikt wat houterig zijn hand: “Madame, mag ik?”
Hij houdt de foto aan zijn borst, danst, in an old fashioned way.
She may be the face I can’t forget.
Hun dans.

Wedden dat (deel 2)

Bart

Ikke niet, dacht Bart, ik moet altijd. Bruno denkt dat hij de baas is, kan commando’s geven. Balder wil ook niet. Bruno mag dan groter zijn, en sterker, hier komt ruzie van. Maar ik doe het niet.

Zijn twee broers zetten zich schrap, beloerden elkaar. Een staarwedstrijd. Geen van de twee zou toegeven. Ze blaften, als honden. Hij dacht dat ze zouden gaan vechten toen Bruno zijn hand uitstak, met de palm naar boven. Bart zag levenslijnen lopen. Balder klapte erop met zijn vlakke hand en draaide die om. Klap klap. Die hebben gewed of wat? Die gaan dat toch niet echt doen?

“Doe jij de venster open,” zei Balder tegen hem. Hij zag ze kijken naar de cocker. Wiski stopte abrupt haar geschraap, een smekend gejank. Die meenden dat! Zijn die zot geworden? Als Bruno gelijk had, van hoe hoog konden honden dan springen? De eerste verdieping? Wiski kon veel, maar het koertje was van steen. In het zachte zand van de tuin zou ze misschien haar val nog kunnen breken, maar nu? Hij hoorde Bruno zijn broer uitdagen: “Pak dat beest vast. Nu durf je nu niet meer, zeker?”

Komaan! Wat had dat beestje misdaan? Iedereen schreeuwde de hele tijd, niemand was ooit eens lief tegen haar, behalve hij. Alsof het haar schuld was. Hun vader had het toch uitgelegd? Ze was wat raar. Ze kwam van bij twee oude mensen op een appartement, had nog nooit gras gezien. Ze kon daar niet ravotten, werd daar gek. Vandaar.

Als ze alleen waren, was ze een rustige hond. Ze likte zijn handen, zijn gezicht, liet zich strelen, legde haar kopje op zijn schoot. Hij kroelde met zijn vingers door haar vacht, dan knorde ze als een biggetje. Haar pelsje was zacht als het dikke tapijt van de rode loper op de trap die hij nog deze ochtend had moeten schuren, zijn taak vandaag. Het stof op het lichtbruine esdoornhout had hij  gevaagd met een klamme doek, het pluche van de rode loper ingezeept met een spons en gedroogd met een schuurborstel. De klemmetjes op treden drie en elf had hij weer in hun haakjes gewurmd. Hij voelde zijn knieën nog altijd.

Soms vochten Wiski en hij om haar rubberen kluif. Hij zwaaide met het bot voor haar ogen. Dan sprong ze als een gek. Het leek een dans. Venijnige tandjes had ze ook. Soms hapte ze in zijn vingers. Razend probeerde ze het rubber uit zijn hand te rukken. Ze was misschien wel klein, maar ook sterk. Ze schudde en schokte, haar tanden lieten niet los. Als ze uiteindelijk won, legde ze het been in haar mandje en ging erop liggen. Einde spel.
Supersnel was ze, als ze een tokkelend gummiballetje achterna zat. Ze knalde tegen een tafelpoot, kaatste een stoel omver. Ze sprong op, zweefde hoog boven de vloer, plukte als een doelman het balletje uit de lucht. Dan landde ze op het linoleum en gleed parmantig verder terwijl ze hem trots kauwend aankeek. Misschien kon ze het toch, had Bruno gelijk. Bruno wist het ook écht dikwijls beter. Maar Balder was ook slim. Wie moest hij geloven?

“Hoe lang nog voor die venster open is?” riep Bruno. “Wij kunnen dat beest bijna niet vasthouden.”
“Maar anders ga ik wel …”
“Gast, doe voort!”
Hij kon niet anders. Keek naar beneden. Een paar rijen stenen, dan de garagepoort, dan het koertje. Hoe hoog zou het zijn? Bij het voetbal was de poort het doel. Bruno geraakte tot bij de deklat. Dus zo heel hoog was het dan ook weer niet. Niet zo hoog dat je te pletter zou vallen, een beest toch niet. Dieren zijn zoveel leniger, Wiski zeker, die was heel soepel. Zij kon zich misschien in de lucht nog schrap zetten om veilig te landen.

“Opzij, kleine,” zei Bruno. Ze stootten hem omver als een pop, de hond spartelend tussen hen in. Wiski piepte angstig. Ze wilde bijten maar Bruno hield haar pootjes ver uit elkaar. Bart proefde haar angst. Haar opengesperde ogen, de kleur van hazelnoten, keken hem smekend aan. Hij staarde radeloos terug, voelde haar wanhoop.
Ze joelde, huilde, kronkelde. Een en al concentratie tilden zijn broers haar over de richel. Ze stoppen kon hij niet. Iemand ging deze weddenschap winnen, iemand zou verliezen.
Wiski en hij hielden elkaars blik gevangen, als onder hypnose. Hij zond een boodschap: ik ben je vriend. Vertrouw me. Ik ben er sneller dan jij, daar durf ik op wedden. Ik zal je redden. Ik vang je op en zal je troosten.

Hij schoot uit de startblokken, een raket. “Drie..” , stormde voorbij de deur, de overloop, de trap op. Haar gehuil pompte hem vooruit. Rennen, dacht hij, rennen. “Twee…” Ik kom, ik kom, ik ben je vriend, gilde het in zijn hoofd. Hij stoof als op een trampoline over twee, drie treden tegelijk, zette af, gewichtloos, zweefde lager en lager richting heldendom. Ik kom eraan, ik zal je redden. Hij stootte met de rechtervoet af op het zachte pluche van trede elf. De klemmetjes lieten los, de loper gleed mee. Vrijwel simultaan met de chocoladebruine cockerspaniël op het koertje, smakte het melkwitte jongenslichaam op de steenharde tegels van de inkomhal.

Wedden dat (deel 1)

1969

Het laatste huisdier in de familie Verzuim was een cockerspaniël met lange afhangende oren, droevige ogen en een vacht als warme chocolademelk. Haar naam werd Wiski. Zij kwam onaangekondigd en bracht beroering met zich mee.
De jongens lagen in de zon op hun buik, knikkers klaar. De stem van hun moeder schreeuwde door het open raam op de eerste verdieping: “Dan smijt hij hier nog een beest bij en ik blijf er weer mee zitten!”
Haar gekrijs waaierde over hun hoofden, voorbij de twee schildpadden die prehistorisch langzaam tussen de brandnetels schuifelden, doofde uit tussen de stompzinnig kakelende kippen, dom slachtvee, vetgemest met resten van groenten, fruit en aardappelschillen.
“Marie-Angèle, hou op!” riep hun vader.
“Laad het er nog maar bij. Het is hier nog niet vol genoeg.”
Zijn stem daalde: “Dat beestje werd zot op dat appartement, dat kon daar niet blijven. En voor de jongens is dat toch plezant.”
“Wat kunnen jou je kinderen schelen? Je ziet ze een keer in de week. Mijnheer is altijd weg, naar zijn hoer!”
“Het is weer een hond, denk ik,” zei Bart, de jongste, net acht geworden.

Brandy, de Duitse herder, stak zijn hoofd door het raam en blafte woedend naar de tuin.
“Die wordt gek van dat geschreeuw” zei Balder. “Iemand moet hem gaan halen.”
“Waarom springt hij niet?”, vroeg Bart.
“Het is te hoog,” antwoordde Balder.
“Onnozelaar,” zei Bruno. “Honden en katten komen altijd op hun vier poten terecht.” Hij zat al in het vijfde.
“Apen misschien, twijfelde Bart, “of een tijger, van een rots. Maar een hond?”
“Volgens mij alleen katten,” zei Balder, “een hond niet.”
“Wedden?” vroeg Bruno.

Brandy zeker niet. Op een avond stond hun vader in hun kamer. Vreemd. Bedreigend. Ze hielden de adem in.
“Iemand … de garagepoort stond open. Een auto…hij heeft het niet geweten.”
Die spanning. De schok. Ze wilden huilen. Ze werden nerveus. Onderdrukt gegiechel gleed als een gifslang van bed naar bed. Ze beten zich vast in hun kussens, stikten haast, verdronken in een onstuitbare slappe lach.
“Rottige rotjong, hebben jullie werkelijk nergens respect voor?” Het gegibber achtervolgde hun vader terwijl hij razend de trap weer afstormde.

———-

Hun moeder bepaalde de wetten. Ze regeerde als een sergeant, met ijzeren hand. Kinderen en beesten moesten afgericht. Regels zijn regels, inbreuk stond gelijk aan straf.
Roepen en blaffen was verboden.
Wie nog school liep, had taken in huis. Ze dekten de tafel, ruimden af, deden de vaat.
’s Ochtends niet om zeven uur aan het ontbijt betekende nuchter naar school.
Eens per week moest de kattenbak gekuist, het zagemeel in het hamsterhok ververst, kregen de vissen zuurstofrijk water.
Honden plasten en kakten buiten. Een zurige vochtvlek op het vast tapijt, een strontje bij de deur bestrooide ze uitgebreid met peper. Ze greep de cocker bij het nekvel, wreef de snoet in de drek, joeg het kajietende beest de tuin in. Een van de jongens poetste de resten met spons en bleekwater.
Alleen de eerste nacht sliep Wiski in de woonkamer. Bij het ontbijt de volgende ochtend  lagen de scherven van de visbokaal in een plas naast de tafel. Met levenloze oogjes keken drie goudvisjes hen hulpeloos aan. “Een mens kan jullie niet een enkele avond alleen laten,” oordeelde hun vader die vrijdag.

Op vrijdagochtend zetelde de ouderlijke rechtbank. Terwijl hun moeder klacht na klacht voorlas uit haar zwarte boekje, sabelde de misprijzende blik van hun vader hen ongenadig neer.
Kind A: betrapt met de hand in de broek, wisselgeld achtergehouden, slecht gedrag op school.
Kind B: beesten niet gevoederd, vuile woorden geroepen naar het dochtertje van de kruidenier.
Kind C: gerookt, fietswiel kaduuk gestoten tegen de garagepoort, gewed voor geld.
Het humeur van de rechter bepaalde de strafmaat. Hij beschimpte hen met verouderde woorden: pummel, kloefkapper, krapuul. Soms sloeg hij hen met de achterkant van zijn hand in het gezicht. Soms hanteerde hij pantoffel of broeksriem. Tegenspartelen was vragen om meer. Wie niet luisteren wil, moet voelen. Zelfs de stomste boer kan goeie manieren hebben.
Kamerarrest. Vanuit het dakvenster van hun kamer hadden ze overzicht over de hoven van de buren en de achterliggende straten.
“Wedden dat dikke Jef binnen het kwartier staat te pissen naast zijn duivenkot?”
“Straks komt Suzanne nog buiten. Die staat stapelzot van mij.” “Jij gelooft dat. Zot in uw broek ja.” “Wedden? Haar zus is het mij zelf komen vertellen.”

———-

De tuin was hun territorium. Uit een klein transistorradiootje kraakte muziek: Animals, Birds, Beatles, Monkeys. Hun vader: “Kattengejank, een beest is er niks tegen.” Ze bralden mee, fantaseerden gewaagde teksten: ‘Hey ba-be-li-ba, de maskes van de Priba, die smoren sigaretten, al in hun blote tetten.’
Wiski eiste haar plek op. Ze was dwaas, eigenzinnig, een onbeheersbaar projectiel. Ze sprong wild tegen het gaas van het kippenren en beet naar de in paniek kakelende kippen.
Bij het voetballen raasde ze bezeten tussen de benen van de jongens door. Ze knapte en hapte naar bal en enkels. Ze brulden, schreeuwden, stampten. Vruchteloos. Ze sprong tegen hen op, spatte slijm op hun gezicht.
Ze plukte hun tennisballetjes uit de lucht. Ze joegen haar na, wierpen haar in de garage, lieten haar jankend de verf van de poort krassen. “Wedden dat wij die straks kunnen gaan schilderen?”

Met hun handen trokken ze brede voren in het mulle zand. Ze legden stenen waar de plastieken rennertjes over kasseien moesten. Ze bouwden bergtoppen met schuine, gevaarlijke bochten in de afdaling. Als radioreporters schreeuwden ze opgewonden commentaren.
Uit het niets holde de cocker dwaas doorheen de wedstrijd. Eddy Merckx buitelde door de lucht, stortte meters verder in een struik. Ze gooiden met stokken of een steen. De hond ging verderop in de doorgeschoten graspollen liggen puffen en keek hen uitdagend aan, de tong uit de bek.
Soms griste ze naar een schildpad. Ze klemde de scherpe tanden om het hoornen schild en buikpantser. Ze schudde razend de kop, grolde woest, liet het reptiel vallen en beet opnieuw. De schildpaddenkop een leeg zwart gat.

———-

“Wedden dat die in de grond zakt?” daagde Balder uit. “Dat ruimteschip staat daar toch?” baste Bruno. Ze keken gehypnotiseerd naar de eerste mens die ooit een voet op de maan zou zetten. Het robuuste televisietoestel stond log op een hoge bijzettafel in de hoek van de kamer, eronder lag de cocker onschuldig te soezen.
Hun ogen vastgeklonken aan het wazige zwart-wit. Een schimmig ruimtemannetje stapte onvast het trapje af. “Wow, spannend,” zei Bart, “die gaat worden opgeslokt door de maan.”
“Och zwijg, onnozelaar”, snauwde Bruno.
Pardoes schoot Wiski, als een kogel, in een directe lijn naar de sofa. Ze snapte in de eerste de beste wiebelende kindervoet, klemde tanden vast in tenen. Balder gilde, brulde, stampte: “Los, achterlijk beest!” Bruno gooide een slof, sloeg de hond met de hand, rukte haar aan de oren tot ze loste en wegstoof. “Ik bloed!” huilde Balder. “Ben jij een klein kind, misschien,” riep Bruno, “ga straks op ons moeder haar schoot zitten janken, bleiter.”
Ze gingen de tuin in. Toen ze twee uur later weer in de woonkamer stapten, stond het deurtje van het hamsterhok open. Het lege radje draaide overbodige rondjes. Ernaast, het kopje half schuin, een hamster met overgebeten keel. Het andere drapeerde zieltogend het waterbakje. Wiski likte in haar mand met een lange rozerode tong haar snoet. “Godverdomme,” vloekte Bruno. “Wedden dat wij hier weer de schuld van gaan krijgen?”

———-

De echtelijke ruzies namen alsmaar toe, de rechtbank zetelde steeds minder vaak.
Najaarswinden rammelden met de ramen, slagregen geselde het vensterglas. De schildpadden hadden ergens onder de grond hun winterkwartier gevonden. Ze zouden niet meer bovenkomen.
De jongens lagen als natte regenjassen in de zetel. Wiski krabde driftig aan de deur. “Iemand moet met de hond naar buiten,” zei Bruno.
De televisie stond luid, geen van de anderen keek op. De cocker schuurde haar voorpoot tegen de deur. Een krassende nagel op een schoolbord.
“Dat beest moet buiten,” herhaalde Bruno.
“Ik niet, ik lig hier goed,” antwoordde Balder.
“Ik ook niet, deze keer is het aan iemand anders,” protesteerde Bart.
Niemand bewoog. De nagel kraste onophoudelijk verder, een scherp snerpen dat pijn deed aan de oren.
“Dat beest moet buiten, heb ik gezegd!” Bruno weer, dreigend nu.
“Ga dan zelf,” reageerde Balder opstandig. Hij riskeerde een dreun.
“Waarom springt ze niet door de venster?” vroeg Bart.
Bruno werd het beu: “Omdat de venster dicht is, idioot.”
“Het is te hoog,” antwoordde Balder.
“Onnozelaar,” zei Bruno, “ik heb toch al gezegd dat honden op hun vier poten terechtkomen. Wie weet dat het beste, jij of ik?”
“Volgens mij alleen katten!” hield Balder vol.
“Wedden?” vroeg Bruno.
Ze deden handjeklap.

Bart keek naar het koertje. “Het is wel hoog,” zei hij benauwd.
“Opzij, kleine,” zei Bruno. Hij had de cocker bij de tegenstribbelende voorpoten, Balder hield het achterlijfje in bedwang.
“Ok. Hier gaan we. Drie, twee, één.”
Ze lieten los.

———-

Dag Sinterklaas

Sinterklaas doofde de nieuwslezeres, legde de afstandsbediening in het bakje en zuchtte diep. Peinzend, groeven als golven op zijn voorhoofd, zoog hij aan de Davidoff. As brokkelde in zijn baard. Hij gunde zich vanavond een tweede whisky. Zonder ijs dan maar, alle Pieten sliepen. Hij wou dat hij dat ook kon.

Wat een gedonder weer! Dat gekrakeel op wat is het, Facebook, Instapgram, Twitter? Vroeger, voor die dingen bestonden, was het veel eenvoudiger. De mensen spraken toen nog met elkaar. Als jongetje destijds, in Myra, geloofde hij dat alleen kinderen problemen hadden. Nu wist hij wel beter. Lang leven voelde soms als een straf. Hij schikte zijn kussen, staarde in zijn glas. Morgen zou hij de Raad der Pietsten samenroepen.

“Pietsten! Wat is dat nu weer? Leg het me uit alsof ik een kind ben.” Hij klonk bars. De vijf Pietsten keken verschrikt naar elkaar. Zij waren, net als iedereen, hun carrière begonnen als gewoon Piet. Door harder, sneller, efficiënter en beter te werken, werden ze Pieter. Wie zich onderscheidde als Pieter, werd Pietst.
Pietsten mochten in de Raad van Pietsten meedenken over Alles. Want Alles veranderde de hele tijd. Dat was een grote eer, het hoogste dat een Piet kon bereiken. Alleen Sint was nog hoger. Sint kon een Piet nooit worden. Een Sint was wit en dat waren de Pieten niet. Toen hij nog een jongeman was die in Turkije woonde, de Sint zelf ook niet. Niemand weet hoe of wanneer hij van teint veranderde. Een mirakel! Maar Michael Jackson lukte het ook, dat hadden ze met hun eigen ogen gezien.

Als de Sint zo klonk, liet elke Pietst toch liever een ander de mandarijntjes plukken. Maar er is er altijd eentje die het gewicht van een lange stilte niet kan dragen.
Sinterklaas, er zijn mensen die het niet goed vinden dat wij, van laagste Piet tot hoogste Pietst, zwart moeten zijn. Al uw knechten zijn zwart, allemaal. Dat kwetst en doet denken aan slechte tijden. En dat kan dus niet meer, zeggen ze.”
Aan de overkant zat een wat blekere Pietst: “Maar ook veel mensen vinden dat Pieten zwart moeten blijven. Dat is traditie. Tradities kunnen niet veranderen. Een Zwarte Piet moet zwart zijn. Dat is altijd zo geweest. ”

Altijd is wel heel lang, dacht de Sint. Hoe is het toch zo ver kunnen komen? Ooit, in een vlaag van overmoed, had hij drie dode kinderen weer tot leven gewekt. Om indruk te maken, te laten zien dat hij dat kon. Wat doe je al niet als je jong bent? Zo’n verhaal gaat gauw een leven leiden. Je kijkt even over je schouder en hup, ze verklaren je heilig, zo ging dat toen. Komt van het een het ander. In Utrecht legden de rijken op zijn naamdag wat leuks in de schoentjes van de arme kindjes. Die traditie is weg, bedacht hij bitter. Nu halen ze het eruit. Bah, ik word écht oud!

Nu was alles anders. Eerst werkte hij in zijn eentje. Maar het viel te voorspellen: al dat getil en gesjouw werd al snel te veel voor een man alleen. En hij was bisschop, had geen vrouw. De was en de plas kwamen daar dus ook nog bij. En toen, het zal ergens in de negentiende eeuw zijn geweest, haalde iedereen zwarte bedienden in huis. Die waren goedkoop en gehoorzaam, toen nog wel. Zo werd zijn eenmanszaakje een vlot draaiend bedrijf. Daar is het begonnen.

Hij was moe. Ik kan al lang niet meer mee, dacht hij. Zou ik er niet beter gewoon mee kappen?  Alles kent een einde. Al wat leeft gaat ook weer dood. Zelfs ik, ooit. De wereld is vandaag toch ook veel te ingewikkeld. Vroeger had je tenminste nog houvast. Wat bleef daar nog van over? Je kreeg bijvoorbeeld brieven. Die begonnen met Liefste Sint en eindigden met Dank U wel. Vandaag krijg je mails. Of tekstberichten. En in een taal, man!
Of een gezin. Dat was een vader, een moeder, een nest kinderen, klaar. Je maakte standaardpakketten: voor elk kind een trui of hemd of jurkje, een stripverhaal, een persoonlijk stuk speelgoed. Je strooide er wat suikergoed en chocola over en huppa, iedereen blij. Ach, die goede oude tijd.
Maar nu! Twee mannen of twee vrouwen, pluspapa’s, plusmama’s, plusoma’s en plusopa’s; dat noemt zich allemaal gezin. Hij begreep het niet. Beseft er iemand hoeveel extra werk dat vraagt?

Hoe groter de zaak, hoe meer personeel. Het bedrijf ontglipte hem. Er kwam een middenkader. Een organigram. Bah! Hiërarchie ook: Piet, Pieter, Pietst. Hij begreep niets van targets, benchmarks of SWOTs. Iemand maakte marktanalyses: Nederland en een deel van Vlaanderen, dat was ok. Maar! In het westen van Vlaanderen had die dekselse Maarten een stuk van de markt ingepakt. En verderop, over het water, had zijn neefje, Santa Claus, een absoluut monopolie. In het oosten vierden Hans en Friedl Weihnachten voor en na. De concurrentie was moordend. Om mee te kunnen, haalden ze het speelgoed nu in lageloonlanden. Wie zorgt er eigenlijk voor dié kinderen? Hij kon toch niet alles zelf doen!
Het doel van zijn naamdag, een geschenkje voor de armere kindjes, verdampte. Net zoals bij de collega’s. Wie herdacht nog heiligen op Allerheiligen? Op kerstavond vereerde men de kalkoen meer dan het kind. Wie hield nog advent, vasten? Allemaal tradities, verneveld in de tijd. Als hij….

“Sinterklaas, bent u er nog?“
“Huh? Ha. Hoe?” schrok hij, “Waar was ik? Waar waren we gebleven?”
“Dat alles altijd verandert, Sint. Wat vroeger normaal was, is het vandaag misschien niet meer. Weet u nog Aswoensdag? Zonder zwart kruisje op je voorhoofd mocht je de klas niet in.”
“Op vrijdag geen vlees!” riep een ander. De tongen kwamen los.
“Zondag nuchter naar de mis en dan pas pistolets.”
“En Kerstmis! Solferstokjes rond de boom en liedjes zingen over het kindeke!”
“De mama bleef thuis, voor de kinderen. Ach, moeder, het schoonste beroep van de wereld!”
“Ja, zo is het wel genoeg!” stopte de Sint die zinloze opsomming van wat ooit was. Hoeveel heilige huisjes had hij al niet zien sneuvelen onder de sloophamer der vergankelijkheid? “Vroeger is voorbij,” mopperde hij, “alsof alles toen zoveel beter was.”

Links van hem zat de pienterste Piet. Diens rechterhand ondersteunde zijn hoofd, vingers graaiden in weelderige blonde krullen. Slimme ogen keken zelfverzekerd door een modieuze roodblauwe bril. “Sinterklaas, de wereld staat niet stil, dat is zeker. Wat voorbij is, komt niet meer terug. Wat nieuw is, is er om te blijven. De mensen zijn niet meer allemaal hetzelfde. Als we dat allemaal bij elkaar optellen… Misschien moeten we denken out of the box? Zoals in België, quota invoeren: zoveel zwarte pieten, zoveel witte of bruine, zoveel vrouwen. Er zijn al heel wat Zwarte Pietenvrouwen. Ik weet niet of we ook moeten kijken naar geaardheid? Zwarte Pieten en Sinterklaas zijn seksloos, toch? Ik toch zeker.” Hij glimlachte, zijn zwarte kaken bloosden.

“Poets je tanden, Pietst! Let een beetje op wat je zegt! Er zijn genoeg Pieters die je plaats willen innemen!” dreigde de Sint. Maar hij leek opgelucht.
Hij wenkte de Pietst met de laptop: “Noteer: dit jaar blijft alles hetzelfde. Maar zoals een Pokémon  evolueert de wereld. Wij moeten mee, we kunnen niet anders. We moeten bij de tijd blijven! We nemen dit topic mee, zet het op de agenda voor de evaluatie van 8 december.”
“Excuseer, Sint. 8 december, dat is een zaterdag. Weekend dus…” aarzelde de Pietst met het rode jasje.

Ook dat nog. De schuld van de sossen!
“10 december dan!” bromde hij nors.
Ik ben hier te oud voor, dacht hij, ik ben uit de tijd gegroeid. Eens houdt het op. Dat ze gewoon hun pakjes bestellen bij Bol.com, dan brengt Pakjesdienst.nl ze wel thuis. Op 10 december geef ik mijn ontslag!

Dit besluit maakte hem zo licht als het veertje op een Pietenpet. Hij legde zijn twee handen op de wangen van pientere Pietst, trok hem naar zich toe en kuste hem met een luide smak op het voorhoofd. Pensioen! Gedaan met werken! Voor het eerst in bijna tweeduizend jaar zag hij zijn gelukkige oude dag: een zetel, fleece dekentje op de schoot, een Glennfiddich van een goed jaar erbij en een dikke sigaar.
En laat ze dan allemaal maar doen, met hun onnozele Facebook.

Onnozel kind

Er was eens, meer dan vijftig jaar geleden, een jongen die Diederik heette. Diederik was een verlegen kind met blond warrig haar. Samen met zijn mama en papa en broers woonde hij in een oud huis in een dorp een eind buiten de stad.
Diederik was een bange jongen. De wereld was groot, onbekend en vol gevaren De radio vertelde dat in Amerika een president was doodgeschoten. Zelfs Winnetou had dat niet kunnen tegenhouden. Papa zei dat er bommen bestonden die heel de wereld konden laten ontploffen.

Diederik had schrik van zijn broers die allemaal ouder en groter waren dan hij en snel met hun vuisten. Hij was bang voor de kinderen op school die lachten met zijn luie oog en zijn brilletje. Soms klopten ze hem op de neus of stompten hem in zijn buik. Ook op weg naar school, op het pad door het donkere bos, keek hij angstig om zich heen. Daar leefden wilde dieren. Een wolf had er de grootmoeder van Roodkapje opgegeten. Er woonden heksen die kinderen opsloten in kooien en elke dag inspecteerden of ze al vet genoeg waren om op te vreten.
Hij zweette van angst als hij voor mama in de kelder moest. Er brandde slechts een klein lampje, je schaduw danste groot en dreigend voor je uit. Het was er kil en klam, met mossige schimmel op de muren. Muizen titsten langs je enkels. Hij moest steenkolen naar boven dragen in een kit of aardappelen in een mand . Mama wist niet dat ergens in een muur een lijk gemetseld zat, wachtend op een kans om uit te breken en hem te vermoorden.
’s Nachts, in de slaapkamer waar ze allemaal samen sliepen, lag Diederik urenlang te woelen. De houten kast achter zijn hoofd kraakte en piepte. Alleen hij kon dat horen. De inbreker die zich daar verschool, kon elk moment tevoorschijn komen, met zijn bijl op hem inhakken en zijn rooftocht beginnen.

Bang was Diederik ook voor Sinterklaas. Niet in de lange, warme zomer. De oude man was dan een verre schim uit een sprookje, luierend tussen bergen mandarijntjes in een veilig verborgen paleis in Spanje. Hoe donkerder en korter de dagen werden, hoe meer hij zich in je leven drong.
Moeder dreigde:  “Als je stout bent, vertel ik het Sinterklaas. Die schrijft alles in een groot boek. Alles, hij vergeet niks. Jij bent het al lang vergeten maar hij weet het nog. Daar heeft hij Zwarte Pieten voor. En als je niet braaf bent, dan stopt Zwarte Piet je in een zak. Ze nemen je mee naar Spanje en je ziet ons nooit meer terug.”
De wereld was nog geen dorp, Spanje kon overal liggen of op de maan. Het idee om in een juten zak te worden opgesloten, ontvoerd naar een ver land en nooit meer naar huis te kunnen, benam hem de adem.

Plots was het weer die tijd van het jaar. Het vroor bloemen op de ramen, je hoorde de zolder kraken en de sneeuw kwam tot aan je knieën. Het was altijd donker. ’s Ochtends stond op tafel een grote pan met sissend spek dat zwom in vet. Ze sopten donker brood en mochten zelfs een grote mok koffie, mét suiker. Tegen de kou op weg naar school.
Tante Maria was op bezoek. “Wij gaan een dagje naar de koekenstad, met ons tweetjes.” Zij was zijn lievelingstante, zijn meter. “Straks blijf je bij mij en oom Alex logeren. Dan eten we pannenkoeken en kan je een keer in een écht bad.” Zij was een fee uit een sprookje, een heilige.
Er was in de hele stad één grootwarenhuis en daar gingen ze heen. Ze stapten voorbij bergen speelgoed, puzzels, rolschaatsen en blikken autootjes. Toen Diederik ontdekte waar het naartoe ging, wilde hij rennen, weg, zo snel hij kon. Tante Maria hield zijn hand stevig vast. “Kom, we gaan dag zeggen aan de Sint. Dat vind je vast wel fijn. En de Sint ook.”

De mijter van de Sint torende hoog boven alles uit. De heilige zat op een troon, een hoop vrouwen en kinderen stond achter een touw te drummen. Leunend op zijn staf, zijn lange witte baard op zijn borst, keek hij statig als een koning ernstig neer op al dat nerveuze gedoe. Hoe Diederik ook spartelde, tante Maria propte hem bij de Sint op zijn fluwelen schoot. De Sint rook naar sigaretten, zoals papa. Dat stelde niet gerust. Er groeiden haren uit zijn neus. Diederik verstijfde. Hij moest plassen. Hij kneep zijn blaas samen. Hij wilde gillen maar perste zijn lippen op elkaar.

“ Zo jongen, zeg eens, hoe heet jij?” vroeg de Sint. Diederiks stem blokkeerde, zijn hoofd kleurde roder dan het bisschopskleed, zijn ogen liepen vol.
Hij weet dat, dacht hij, hij weet alles. Of verwisselt hij mij met een ander kind, een kind dat nog meer stoute dingen heeft gedaan?
“Dit is Diederik, Sinterklaas,” zei Zwarte Piet. Naast hem glunderde Tante Maria, niemand las de martelgang in zijn ogen.
“Hm, Diederik. Vertel eens, ben jij braaf geweest dit jaar?”
Diederik zag Zwarte Piet bladeren in een reusachtig boek met gouden randen en grote gekrulde, gouden letters op de kaft. Hij worstelde met een levensgroot probleem en wist geen oplossing: antwoordde hij ja, dan was dat nóg een leugen erbij, dan moest hij zéker in de zak. Zei hij neen, dan was hij een stout kind. En stoute kinderen…

Moest hij opbiechten dat hij die woensdagmiddag samen met Victor een sigaret had gerookt? Dat hij en Victor aan Elske van de bakker hadden gevraagd of ze haar muizeke mochten zien? Dat hij, als hij van mama naar het winkeltje moest, stiekem een smoelentrekker, zure hostie of een vijf frankstuk van chocolade kocht?
Of liegen? Dat was een doodzonde. Liegen stond in de lijst van de tien geboden van God, uit de catechismusles. Die kende hij uit het hoofd, dat moest. Wat onkuisheid was wist hij niet, iemand doden zou hij nooit doen, maar liegen deed je elke dag wel eens, dat hoorde bij het dagelijks gevecht om te overleven. Tegelijk was het ook een van de ergste dingen die je kon doen. Wie liegt, gaat naar de hel.

Hulpeloos keek hij naar tante Maria, zijn fee, de tante die alleen hem soms mee naar de stad nam en alleen voor hem voetbalschoenen kocht, die met die drie streepjes aan de zijkant, die mama niet kon betalen. Hij sperde zijn ogen wijd open en staarde angstig naar Zwarte Piet die, verdiept in dat grote boek, alles kon zien en zou beslissen over Leven of Dood. Hij wilde bij mama zijn, bij papa en zelfs bij zijn broers, ook al noemden die hem steevast spottend Doepie.
De tijd viel stil. Hij zag of hoorde niets van het gejoel rondom. Hij voelde angst, zweet en felle prikken in zijn buik. De grote, zwarte man naast hem aarzelde dreigend, kuchte, keek hem strak aan en sprak: “Euh, Sinterklaas …ik lees hier in het boek… dat Diederik dit jaar…. heel braaf is geweest!”
“Zo, zo, flink zo! Dan krijgt Diederik een snoepje.”
Hij waggelde van de schoot en vluchtte met nog steeds dichtgeknepen billen naar zijn tante. In haar veilige boezem liet hij zijn tranen vrij. Als vanzelf hield het prikken op.

Wat later huppelden ze hand in hand over de drukke winkelstraat. Kinderen joelden, fietsbellen rinkelden, een tram schuurde en klingelde. Tante Maria bewaarde in haar handtas een sint van chocola en hij, het brave kind, klepte vrolijk met het metalen klikkertje met daarop een vriendelijk lachende sint. Klipklepklipklepklipklep.
Hij was ontsnapt. En hij had niks gelogen. Hij had niets gezegd, dat is niet liegen. Nu ging hij écht zijn best doen, altijd alleen nog de waarheid zeggen, het braafste kind van de hele wereld zijn.

Het werd 28 december, de Dag van de Onnozele kinderen. Het had de hele dag hard gesneeuwd, het dorp leek een grenzeloze witte wolk die grijze rooksignalen naar de zwarte hemel zond. Zijn broers en hij hadden een sneeuwballenveldslag uitgevochten met de bende van Francken van twee straten verderop. Zij, ook hij, hadden de eer van de familie heldhaftig verdedigd. Sterren prikten ontelbare gaatjes in het steenkoolzwarte hemeldek, toen mama hen riep en zij met het hoofd rechtop het strijdperk konden verlaten.
Nog zegedronken lagen ze in bed toen Diederik plots vroeg hoe de Drie Koningen konden weten waar Jezus geboren was. Zij lachten. Ze bleven maar lachen om zijn kinderachtige vragen. “Onnozelaar,” riep er tenslotte eentje, dat zijn toch allemaal maar verhaaltjes. Of geloof jij nog in Sinterklaas misschien?” En ze vertelden wijsneuzerig hoe alles precies in elkaar zat.

Diederik kon het niet geloven. Dit kon niet waar zijn! Zo dikwijls was hij zo verschrikkelijk bang geweest! Bevend had hij nachtenlang niet kunnen slapen. Niet durven bewegen. Al die angst! Al die schuld! Dat berouw! Al die spijt en schaamte.
Alles één gigantische leugen! Een samenzwering! Een enorm complot van de grote mensen om kinderen bang te maken! De Sint in het warenhuis! De Zwarte Piet! En tante Maria, zijn heilige fee, ook! Papa. En mama? Toch ook niet mama! Mama?

Diederik zag onder zich de aarde scheuren. Een brede kloof gaapte tussen de wereld in zijn hoofd en die daarbuiten. Hij wenste dat hij dit niet had gehoord, dat dit nooit was gebeurd. Hij voelde zich verdrietiger dan hij zich ooit had gevoeld. Het zou nooit meer zijn als voorheen. Vroeger was voorgoed voorbij.

Elske haar muizeke heeft hij nooit gezien. Victor ook niet. Zeggen ze. Maar als je je eigen ouders niet meer kan geloven, wie dan wel?