Blog

Hier spreekt men Nederlands

‘Zag jij al eens een buschauffeur op zijn gsm zitten?’ vroeg een reporter van de openbare omroep aan zomaar twee meisjes in zomaar een straat. Een pas geslepen mes in het hart van mijn hart had mijn liefde voor het woord niet pijnlijker kunnen verwonden. De meisjes keken er niet van op en sloegen meteen aan het ratelen.
          Ik wilde weten waar dit precies over ging. Bij wijze van empirisch onderzoek schoof ik mijn Samsung S 21 Ultra onder mijn, laten we een kont een kont noemen, royaal gevleesde billen. Lekker voelde dat niet maar voor taal en wetenschap heeft een mens wat over. Geen hond die er wat van merkte. Hoe in de naam van god zouden deze tiktokkippetjes dan kunnen raden wat zich onder het zitvlak van een chauffeur bevindt? Die zit beschermd achter plexiglas, enkel het bovenlichaam zichtbaar. Onder de bips legt hij wat hij wil. Wie kan het ook wat schelen? Zit hij op een goedkoop kussen van Ikea, een fistel, voor mijn part een gewaagd stuk speelgoed uit een dubieuze winkel, maakt niet uit. Dat de bus op tijd komt en me veilig ter bestemming brengt, meer vraag ik niet van De Lijn.
          Deze meisjes hadden vreemd genoeg al wel eens een bestuurder zien kijken naar een filmpje, zien scrollen door een lijst met mooie liedjes, eentje had zelfs een keer tijdens het rijden een chauffeur zien sturen.
          Nog niet zo verkeerd, vond ik zo.

Deze taal, dacht ik bedroefd, is mijn taal niet meer.
          Ik weet het wel, zo gaat het in het leven. Een mens blijft stilstaan terwijl de wereld rondom hem verandert. Een museumstuk wordt hij, een reliek uit een vervlogen tijd. De wereld draait maar door en hij blijft steken waar men hem heeft geplant. Maar toch.
          Met onze vrienden spraken wij het platste dialect, grote mensen antwoordden we beleefd, in de kerk en op school betrachtten we het Algemeen Beschaafd. Dat laatste leerden wij van televisie, die wilde in die dagen nog aan verheffing doen. Elke avond voor het gesproken dagblad vijf minuten les, Hier Spreekt men Nederlands. We leerden dat je beter niet beenhouwer zegt maar slager. Dat verlof toelating betekent en vakantie vrije tijd. Dat slaan en slagen twee verschillende woorden zijn. Kleine taaltips die bouwden aan beter begrip tussen de Vlaming in het Westen en de Limburger uit het Oosten.
          Wie een programma wilde presenteren, moest een test doorstaan. Klanken moesten zuiver zijn, articuleren moest je leren. Hoe welluidend diep de bas van Bavo Claes, hoe warm de bariton van Nand Baert, hoe zoetgevooisd de nieuwsberichten door Martine Tanghe die zelfs een bombardement met vierenveertig doden waaronder twaalf kinderen kon laten klinken als een requiem van Mozart. De prijs voor uitmuntend taalgebruik die naar haar werd genoemd, zal bij deze reporter nooit pronken op de mantel van zijn schoorsteen.

Op een dag moest alles anders. Taal en cultuur waren hier in het geding.  BRT, weg ermee en wat we zelf doen, doen we beter. Alles moest voortaan met V vooraan. BRT werd VRT, een openbare omroep voor en door het volk. Ik heette niet langer De Schrijver maar noemde zo. We hielden op met denken, in de plaats hadden we zoiets van, weet je, dat vind ik wel een ingewikkelde. Kinderen werden kids, dat vonden we cool, en er was is een meiske dat bloemen ging plukken in het bos.
          De strijder voor het mooie woord in mij vocht, spartelde, klauwde als de duivel, het wijwater bleek alras te diep. Ge versta me toch, taalnazi da ge daar zijt. Nand ging dood, Bavo ging boeken schrijven, Martine bleef pal, een baken van helderheid in een alsmaar meer vervuilde woordenbrij. We kregen Tom – zedde gij na noeit ni bang – Waes en Sven – oe hebde gij da gedaan, ge doe me nogal verschieten – De Leijer op de buis. Daar schrok ik zodanig van dat mijn gezicht verbleekte.

De lat moet hoger, hoor ik tot in den treuren toe.
          Dan toch alleen maar voor wie nog achttien moet worden of inwijkt uit den vreemde. Uit eigen nest zingt elke vogel zoals hij is gebekt, klinkt het niet dan botst het, ge versta me toch?
          Ach schrijvertje, probeert u mij te troosten, laat het zo. Zo de tijden, zo de zeden. Wat je niet veranderen kan, dien je te omarmen. Niet dus. Tot mijn laatste snik, ik zweer het u, al speel ik in alweer een wedstrijd die je niet winnen kan.

Inmiddels, ik was hem bijna vergeten, pluk ik de Samsung onder me vandaan. Helemaal plat, natuurlijk.
          Da verstaade toch?

Boek doodt man

BOEK DOODT MAN

Zo staat het er. Boek. Enkelvoud.
          Dat kan u zich toch echt niet inbeelden.
          Fake nieuws, denkt u. Clickbait. U wordt zowaar een beetje boos.
          Aha, denkt u dan. Een metafoor, dat zal het zijn. Beeldspraak voor adembenemende literatuur! Een bespreking van een boek waar je helemaal kapot van gaat. Uw humeur licht op. Leuk gevonden van die recensent! Monkelend denkt u aan dat mopje uit uw kinderjaren over dat boek zonder leestekens waardoor lezers vergaten te ademen en dood neervielen.
          Helaas. Het spijt mij. Dit verhaal is waargebeurd. Of alleszins dan toch op ware feiten gebaseerd.

De man in dat verhaal ben ik, het boek heet Barakstad, JMH Berckmans Gebundeld, telt 1351 pagina’s en weegt 1750 gram, gewogen op de glanzende rode weegschaal waarmee ook boter, bloem en suiker tot op de laatste gram wordt afgemeten. Grondige research vormt het deeg van elk krokant verhaal.
          Eén kilo en driekwart, onthoud dat getal.

Veertig euro dokte ik voor deze kanjer. Dát getal mag u dan weer vergeten, u zou ervan gaan huilen. Eén tiende van die som gaat, als ik correct ben ingelicht, naar de auteur. De meesten onder ons blijven hun lange leven gewoon behoeftig, een minderheid wordt slapend rijk, het ware drama overkomt de artiest die na zijn dood pas commercieel van waarde wordt. De Van Goghs, de Kafka’s, de De Schrijversen.
          Voor elk verkocht exemplaar ontvangt JMH Berckmans postuum een cheque van vier euro, omgerekend 0,00296 euro per pagina.
          Om van mijn hobby rijk te worden als Elon Musk zet ik maar beter een kaars voor het raam vannacht.

Zoals het een Verzameld Werk betaamt, verzamelt dit verzameld werk alle werk van de ons in 2008 veel te vroeg ontvallen schrijver. Vijftien boeken in één volume. Dat is smeken om problemen! Dat werkelijk niemand bij de uitgeverij eraan heeft gedacht die afzonderlijk makkelijk te manipuleren schrijfsels te bundelen in een box en als kerstcadeau te presenteren, waar gaat het in hemelsnaam naartoe met de literatuur in dit land?

We krijgen het zo aangeboden, we moeten het ermee doen, maar neemt u van mij aan, dat ding is niet te tillen. Ik heb mijn leven lang gesport. Gezwommen, gefietst, gebiljart, gesnookerd, geflipperd, getafelvoetbald, me dag en nacht in het zweet gezwoegd, geloof mij, zelfs voor een getraind atleet is ploeteren door deze turf een waar tortuur.
          U leest zelf ook, u weet hoe dat gaat. Een echte lezer leest altijd en overal. In bed, in bad, op WC en canapé. Niet aan de keukentafel uiteraard, die is geschikt misschien voor parochieblad of reclamefolder, maar taboe voor de roman. Een echte lezer verafschuwt kruimels tussen de bladen, een gele veeg kipcurry over een mooie zin, spetters uit de pan op de alinea’s. De ware lezer leest in stijl, leesvoer op de schoot, beentjes languit, theetje daarbij of beter nog een glaasje witte wijn.
          Dan wens ik u met deze JMH waarachtig veel succes.

Lees die gigant maar in je bed!
          Een heus gevecht, ik zweer het u. Ga je liggen op je zij, dan moet je steunen op je elleboog, na drie minuten schiet de kramp je in je schouder. Durf je daarvoor de slaper naast je wakker maken? Daar komen domestieke problemen van!
          Je kan lezen en slapen als Napoleon, half rechtop met een hoop kussens in de rug. Beter voor de spijsvertering naar het schijnt. Maar wie valt zo in slaap?
          Dus ook met dit boek deed ik wat ik elke avond doe. Ik ging liggen op mijn rug, zette het boek rechtop op mijn, het mag geweten zijn, dubbelgespierde bast. Ik verloor me in de woorden en gleed wat later, ook zoals ik elke avond doe, als een geliefde in de armen van de nacht. Terwijl ik van het leven en de liefde droomde, ging het boekwerk alsmaar zwaarder drukken op mijn borst. Mijn longen kregen het benauwd, mijn hart moest pompen of verzuipen, mijn droomgedachten raakten in de war.
          Traag maar zeker dreigde ik te bezwijken onder de last van deze knots.

Ach, en toen.
          Wat prijs ik mij gelukkig met wat de heer me heeft gegeven! Wat ben ik dankbaar voor de wetten van de zwaartekracht en een boezem zonder haar! Mijn borst, u mag dat weten, is kaler dan een pas geplukte kip. Geen plukken haar tussen de tepels, geen struikgewas van sprieten van navel tot hals, spiegelglad, strak als een gesteven laken, een glijbaan zonder hindernis is mijn bast, dus de aarde ondervond niet de geringste weerstand toen ze de verzamelde werken van JMH Berckmans naar zich toe ging trekken en onweerstaanbaar gleed het ganse oeuvre van de betreurde schrijver als een dood lichaam weerloos op de vloer.
          Daar heb ik het laten liggen.
          Het moge er in vrede rusten.

AI of UI

Een man liep te dwalen in de doolhof van de stad toen een onbekend heerschap hem staande hield.
          ‘Is niet uw naam De Wandeleer?’ vroeg het heerschap.
          ‘Wis en zeker,’ antwoordde de man verwonderd.
          ‘Stapte u niet in 2007 naar Santiago om aldaar het graf te bezoeken van de heilige Jacobus?’
          ‘Dat deed ik inderdaad,’ hakkelde de man, ietwat uit het lood.
          ‘U bent gehuwd, vader van drie kinderen, uw hond Rex is een Golden Retriever en klokvast om kwart na tien gaat u naar bed. Ja toch?’
          ‘Hoe weet u dat toch allemaal?’ stamelde de man verbouwereerd.
          ‘Kijk,’ antwoordde het heerschap op eerder hooghartige toon. Daarbij wees hij op zijn bril. ‘Dit is Meta. Dit onooglijke stipje boven het rechterglas is een camera. En hier, op de beentjes van het montuur, zitten een luidspreker en een microfoon. En weet u wat het mooiste is? Er zit ook Artificiële Intelligentie op. Hij kan uw gezicht herkennen, uw socials lezen, hij weet meer van u dan u zichzelf nog herinnert.’ De wandelaar keek alsof hij net een walvis over water had zien lopen. Traag begon het hem toen te dagen. Liep deze schelm stiekem op straat mensen te bespioneren?
          ‘Scheer u weg,’ schreeuwde hij als door een wesp gestoken.
          En dat is wat de vreemdeling wijselijk deed.

Wie bedenkt zoiets, bedacht de man terwijl hij verder dwaalde door de straten. En meteen daarbij: wie gebruikt zoiets? De menselijke onbeschaamdheid kent werkelijk geen grens. Dat iemand die je kent van haar noch pluim zomaar alles van je lijkt te weten, waar je woont, wat je eet, wanneer je slaapt! Dan heb ik nog liever dat ze door mijn kleren kunnen kijken, zoveel bijzonders valt daar niet te zien. In ons geboortepakje zijn we tenslotte allemaal eender.
          In zichzelf mopperend vervolgde hij zijn weg naar nergens. Anoniem. Hij bleef nu eenmaal van nature liever ongezien. Niet dat hij zoveel te verbergen had, maar een mens laat nu eenmaal soms liever stukken uit zijn leven onaangeroerd onder het stof van zijn geschiedenis. Die gele olifantenpijpenbroek in de jaren tachtig. Dat nektapijt. Dat gestolen flesje nagellak voor het eerste lief. Die kus met de vrouw van de baas in de toiletten tijdens dat personeelsfeest.
          ‘Wat weet die vervloekte AI nog meer? vroeg hij zich toen vertwijfeld af.

Dat viel al bij al nog mee.                                             
          ChatGPT bleek niet te weten hoeveel tijd de man per dag besteedde aan zijn mobiele telefoon. Ook niet welke websites hij het vaakst bezocht. Wel wist hij dat de man al jaren wanhopig worstelde met een roman, met overdreven aandacht voor stijl, beeldspraak, personages en structuur. Lap! Dat hij graag boeken las, verre reizen maakte, van lekker eten hield en af en toe een glas te veel naar binnen goot. Wie de man het vaakst ontmoette, belde of berichten wisselde, over die data beschikte de bot dan weer niet. Dus toch geen spion uit Afrika of uit Amerika, de Himalaya of de woestijn, zuchtte de man opgelucht, al stelde ook die wetenschap hem niet geheel en al gerust.

Zolang de mensen over een ander kunnen praten, hoeven ze het niet over zichzelf te hebben, had zijn oma hem geleerd. Maar wat was in godsnaam van dit uitvindsel de zin? Wanneer je meteen al alles over iemand weet, waar zit dan nog de aardigheid, vroeg onze man zich af. Zit hem de kneep niet net in het geduldig tasten, ontdekken, om zo te spreken de ander langzaamaan ontkleden tot je, zoals bij het pellen van de ui uiteindelijk tot de kern komt?
          Zelf hulde hij zich nog het liefst in een kleed van geheimzinnigheid. Daarvoor diste hij graag verhalen op. Wie hem beter wilde kennen moest maar leren daar doorheen te kijken. Zo vertelde hij weleens ooit wat met Goedele Liekens te hebben gehad, tot die hem op de dag dat ze Miss België werd de bons had gegeven omdat ze vreesde dat hij haar roem niet zou kunnen dragen. Dat hij nog had lesgegeven aan de jonge prins Laurent en als beloning op audiëntie werd genodigd in het paleis van diens oom, de koning. Dat hij aan een gokautomaat in een café ooit zeventienhonderdvijftig euro had gewonnen en die er nog diezelfde nacht tot de laatste cent weer doorgejaagd.

Wie door dat waas van woorden toch nieuwsgierig bleef naar wie hij werkelijk was, daarmee wilde hij in zee. Van wie voor hem die moeite deed, werd hij weker dan een oester, zachter dan een vrouwenhuid en tegelijk ook trotser dan de koning van het dierenrijk op het puntje van zijn rots.
          Laat die AI maar aan de robotten, dacht hij om kwart na tien, hij mag weten waar ik woon, hij zal nooit weten wie ik vanbinnen ben.
          En knorrend van contentement kroop hij gerustgesteld onder de wol.

De Prijs van de Roem

          Dat Nobels’ comité ook dit jaar weer De Sprekershoek voorbij zou gaan, kwam niet als een donderslag. Zegt niet Artikel 1 van het reglement: ‘Eerst een boek, dan de prijs.’ Wanneer je daar dieper over nadenkt, zie je daar wel enige logica in.      

          Toch fantaseer je weleens over hoe dat voelt.
          Jezelf te zien liggen in de etalage van een boekenzaak in Antwerpen of Amsterdam of vertaald in Wenen of Parijs. Te worden gevraagd voor Saint Amour. Herkend te worden in de C&A terwijl je nieuwe boxers koopt. Te bedenken dat elke avond een stukje uit je Parels Aan Uw Kroon, De Sprekershoek Verzameld wordt voorgelezen in het bed van Romeo en Juliet, op onpare avonden leest hij, op de pare zij. Een amuse, opwarmer voor het voorspel, warm, traag, de stem hees en laag. Na elke, werkelijk élke lezing zuchten zij, een monkel soms, een traantje een andere keer. Als puppy’s in hun nest schuiven ze dan onweerstaanbaar naar elkaar waar huid aan huid de chemie van hun liefde weer spontaan aan het pruttelen en borrelen gaat.
          Je gaat er haast vanzelf van gloeien, een stukje van jouw hand als vonk van groot geluk.

          Dan kijk je naar de wereld om je heen.
          Als dauw in de ochtend verdampt je droombeeld in de eeuwigheid. Twijfel. Angst. Hoe gaat dat in het werkelijke leven? Welke tol kost je die roem?
          Met de prijs nog vers in je handen, je weet nauwelijks hoe je hem moet houden, moet je mensen gaan bedanken. Wie mag je zeker niet vergeten? Bij wie ga je bijna aan het huilen? Wie zijn de vrienden die er waren toen je geen drie woorden na elkaar kon verzinnen? Waar trek je de grens? Is ook vriendschap niet even wispelturig als de golfslag van de zee? Wat met je familie? Die heb je zelf niet gekozen? Je ouders? Ze zijn dan wel dood, zonder hen stond jij hier zo niet, toch? Je uitgever, uiteraard. Je redacteur, dat spreekt. Maar ook de letterzetter, vormgever, drukker? Synoniemen.net? De Egyptenaren die de papyrus gingen bewerken?
          Kiezen is verliezen. De kans op nooit meer te herstellen nevenschade levensgroot.

          Je wordt gevraagd op literaire festivals en leesfestijnen. Signeert op zaterdagmiddag in het Shopping op de zeedijk, staat ’s avonds op het podium van CC Boemerskonten en zetelt op zondagochtend in een Panel van Wijzen in de bib van Vucht. Na afloop zit je aan een houten tafeltje met een kopje koffie en rozijnenkoek. Voor je een lange rij, stuk voor stuk mensen die makkelijk wat anders hadden kunnen doen, het onkruid wieden, kaarten en jenever drinken, bonen knopen, werken aan hun relatie. Zij kozen voor jou. Dat moet je respecteren. De mannen hebben zich geschoren, een fris hemdje aangetrokken, zich besprenkeld met het geurtje dat ze kregen van hun eega. De vrouwen diepten hun mooiste jurk uit de kast, sensueel maar niet vulgair, hebben hun wimpers gepenseeld, lippen gestift, ze ruiken naar zomer. Ze verwachten in het boek dat ze net hebben betaald jouw hoogsteigen signatuur met daarbij een diepe boodschap, origineel en hoogstpersoonlijk die enkel jullie twee werkelijk begrijpen. Terwijl jij in je hoofd niet verder komt dan Wat is die Peter toch een zweter en wat een wijf, deze Olijf.

          Er moeten foto’s op je socials.
          Jij als een winnaar op een zeepkist in een park in Londen, naast een toren van twee meter Parels Aan Uw Kroon. Jij half onderuit in een sofa, compleet met pijp en bril, voor een achttiende-eeuwse boekenkast vol De Sprekershoek Verzameld. Vanop bushalte en straathoek lacht jouw gezicht je vrolijk toe. Je host van nieuwsstudio naar praat- of televisieshow, links van je Miss België 1993, rechts een minister waar je een bloedhekel aan hebt, over je een influencer van dertien en een half. In haar ogen ben je een reliek uit de oudheid, hoe durf jij nog de zuurstof ademen die generatie XYZ zo broodnodig heeft? Een bordje, JA of NEE. Is wit een kleur? Mag je oude oma nog mee naar Mars? Is het gat in de begroting niet te dik? JA, gok jij. Bodyshaming, gilt de influencer met haar vierhonderdveertigduizend volgers. Mocht ze kunnen, werkelijk, ze bliksemde je dood. Ook niet erg, vindt je uitgever, er bestaat niet zoiets als slechte publiciteit. Volgens contract moet je vier afleveringen grappig zitten zijn in De Slimste Mens. Uit de kleren in Naked Attraction. Tot je eigen verbijstering ben jij de flamingokleurige ééncellige in The Masked Singer.

          Laat ook maar, denk je dan.
          Wat zal zijn, zal zijn. En als het elke zaterdag vijf minuten bij de koffie zijn waarin iemand blijmoedig of bewogen in jouw wereld zit, dan is het goed.
          Want zo sprak toch de wijze: in de beperking toont zich de meester.

Herfst

          De bodem van het bos bezaaid met bolsters. Al het blauw van de hemel grijs en grauw. Herfst rijmt op sterft, denk je. Je moet denken aan je kindertijd, hoe iemand een kastanje aan een touwtje bond en dat tegen je achterhoofd slingerde. Aan de stekelige bolster op het zitje van je stoel. De kastanjepuree van je moeder waar je misselijk van werd.
          Je schopt een hoopje bladeren in de lucht, levenloos als veertjes van een kalende vogel dwarrelen die weer voor je voeten neer. Je denkt aan je vader, 95 zou hij worden deze week. Aan wat jullie samen niet hebben gedaan.

          Die taak op school.
          Breng morgen tien bladeren mee uit de natuur. Dus straks moet je dat bos in, alleen. Je grote broers vallen nog liever dood dan mee met jou dode bladeren te gaan rapen, je vader heb je in geen dagen nog gezien en je moeder zit geketend tussen de tobbe met kokend water voor de witte was en het kookfornuis.
          Je grist een lege broodzak mee, scharrelt onder een boom een hand of twee rottende bladeren bij elkaar en propt je oogst thuis in je boekentas. Je broers spelen kaart of Mens-Erger-Je-Niet, daar kan je niet bij aansluiten dus kruip je met een boekje in een hoekje, Oliver Twist of Alleen op de Wereld.

          Het zakje van Bakkerij De Wit voor je op de lessenaar.
          Natuurlijk zit naast jou het slimste jongetje van de klas. Zijn moeder denkt vast dat hij het levensechte Jommeke is, met dat witte hemd altijd en dat blauwe truitje zonder mouwen eroverheen. Dat haar met brillantine gladgestreken. En altijd dat vingertje in de lucht.
          Naast jouw bevlekte broodzak slaat Jommeke een schriftje open. Nagelnieuw nog, zo te zien. Op elke bladzij netjes een boomblad gekleefd. Als gestreken, zonder kreukels, zonder rimpels, alsof hij ze zo gekocht heeft in de Grote Boombladerenwinkel. Hoe kan dat zelfs? Jouw natuur is geblutst, gekreukt, gescheurd. Traag slaat Jommeke de bladen van het schriftje om en om, voorwendend de kleur en kartels grondig te bestuderen, jij weet heel goed dat hij dat alleen maar doet om jou jaloers te maken. Beuk, het staat schreeuwerig mooi onderaan het blad, eerder getekend dan geschreven, dikke letters in zwarte Chinese inkt. Linde. Populier. Eik. Je kent de woorden uit een boek, een precies beeld heb je er niet bij.
          Je ziet zo voor je hoe het gisteren thuis bij Jommeke is gegaan.
          Zijn mama stond hem aan de schoolpoort op te wachten. Thuis meteen een kopje chocolademelk met wat zoete peperkoek erbij. Vertel eens, mijn kleine prins, hoe was je dag op school vandaag? Een tien voor taal, wat flink van jou! Bravo! Moet je voor de meester bladeren rapen in het bos? O hoe fijn is dat? Het bos lijkt wel een sprookje in deze tijd van het jaar. Wel de paddenstoeltjes laten staan, hé, kleine deugniet, kabouters vinden het vast niet leuk wanneer je aan hun huisje plukt.
Ik wil niet naar het bos, ik wil Nonkel Bob en Tante Terry. Kapitein Zeppos.
Dat kan vandaag niet, mijn juweeltje. Maar weet je wat we doen? Dadelijk komt papa thuis. Dan gaat hij meteen met Lassie een lange wandeling maken, helemaal naar het bos en terug. Kunnen jullie gezellig met jullie drietjes bladeren rapen. Dan kleven jij en mama die na het avondeten mooi netjes samen in dit nieuwe schrift dat ik nog liggen heb. Wat denk je daarvan, engel bengel?

          Wat prachtig, zegt de meester.
          Over jouw schouder kijkt hij mee in het mooie schrift. Een walm van solfer onderstreept zijn woorden. Wat heb je dat toch weer mooi gedaan! Dat is weer een dikke tien punten waard. En jij, De Schrijver? Wat heb jij zoal bijeen vergaard?
          Je schudt het beduimelde broodzakje voor je leeg. Eikeldopjes. Eikels. Takjes. Een plukje mos. Kruimels. Uit het bos? De bladeren, meer dan twintig, dat weet je zeker, spreid je breed uit over de lessenaar, zo lijken het er nog meer te zijn. Een zucht. Een kuch. Een brom, een grom. Solfer, van ergens uit de dikke buik van de meester. Een beerput glijdt onder je neus voorbij.
          Iemand heeft het zich weer héél gemakkelijk gemaakt, brult plots de meester. Allemaal bladeren van dezelfde boom! Dat kleine beetje moeite was blijkbaar nog te veel voor mijnheer. Speeksel. Twee vette vingers draaien je linkeroor in een knoop en tillen je uit de bank. Je ogen schieten vol. Het bloed stijgt naar je hoofd. Je wil gaan gillen maar klemt stijfkoppig je tanden op elkaar. Je denkt aan je vader die groot en sterk is, veel groter en sterker dan die dikke meester en die veel en veel lekkerder ruikt.
          Maar je vader is er niet.
  

Opgeslokt

          In het boek dat ik lees, telefoneert een personage met de jongen die hij vroeger was. In verhalen kan dat. Wellicht in het echte leven ook op een dag, met die AI en al, al verwacht ik niet dat zelf nog mee te maken.
          Soms neemt de jongen onmiddellijk op, soms blijft het apparaat rinkelen, een keer of tien, twaalf, tijd waarin honderden gedachten door je hoofd flitsen als glimwormpjes in een zomernacht. Ik weet dat nog. Een antwoordapparaat bestond nog niet, je kon alleen maar op je nagels bijten en hopen.   
          Ook wanneer de telefoon ging. Je was met iets bezig in de tuin, je slaapkamer of het kleinste kamertje, prompt liet je alles vallen en schoot je als een windhond naar het apparaat. Was je te laat, dan knaagde de hele dag de vraag wie je toch had willen spreken en welk groot nieuws je had gemist.

          Toen, op een dag, kwam er wat nieuws.
          Een handigheidje. We zaten er niet echt op te wachten. Wie in godsnaam wil altijd en overal door iedereen te bereiken zijn? Een mens wil toch gewoon met rust worden gelaten? Wil jij door je baas worden gebeld wanneer je gezellig met je vrienden een biertje zit te drinken op het terras? Of door diezelfde vrienden wanneer je met de liefde van je leven op wandel bent in het bos? Of door datzelfde lief wanneer je op een bankje in het park zit te lezen in een boek over een man die contact probeert te maken met het kind dat hij ooit was?
          Dat heb je dan met nieuwigheden. Ongevraagd dringen ze je leven in. Aan de school van mijn kinderen stonden elke dag rond de klok van vier mama’s en papa’s gezellig te roezemoezen aan de poort. Toen ging plots bij eentje de telefoon, een schelle bel die de sfeer aan scherven rinkelde. Het zoemen verstomde, verstoord keken de mensen op. Een man in pak greep naar zijn binnenzak, schreeuwde boers Hallo, beende driftig weg uit het groepje waarmee hij net nog stond te keuvelen, liep een eindje verder druk gebarend als een ijsbeer heen en weer. Mobiel telefoneren, leerde ik toen, wil zeggen dat je tijdens het bellen niet stil mag blijven staan. Intussen keek de man ons onafgebroken aan met een blik van kijk-eens-hoe-belangrijk-ik-toch-ben.
          Aansteller, dacht ik. Uitslover. Oen.

          Hoe ruimdenkend en modern wij onszelf toen ook vonden, voor ons hoefde dit hebbedingetje niet. Kijk die twee, mopperde je dan op restaurant om het gesprek toch aan de gang te houden, dat gaat dan zogezegd samen lekker uit, zitten ze allebei de hele avond wat te gapen naar hun eigen telefoon. Neen, dan wij. Wij keken elkaar in de ogen, wij hadden écht contact, wij praatten en bleven met elkaar praten, ook al hadden we elkaar in wezen niets meer te vertellen.
          Toen hadden je bazen er ook plots één. Dan het middenkader. Die collega die je veel langer al een snob vond. Toen plots iedereen. Kijk eens wat dat ding hier kan: het past in je broekzak, je kan je eigen beltoon kiezen, wanneer je je verveelt kan je er zelfs Slangetje op spelen. Naar het schijnt komt er binnenkort wat nieuws waarmee je naar muziek kan luisteren! Dan gingen de kinderen puberen: alle kinderen die ik ken hebben er één, alleen ikke niet. Geroep, gehuil, slaande deuren. Ja vader, dat stomme sociaal contact van jou zit opgesloten tussen de muren van dit huis, mijn vrienden hebben vrienden aan de andere kant van de planeet!
          Dus ja. Je plooide, je boog, je barstte. Ook jij werd toen bereikbaar voor wie je maar wanneer bereiken wou.

          Het aantal appjes op je telefoon groeide als de bladeren aan een boom. Je gaf je aan je toestel over, vertrouwde het je hele hebben en houden toe. Je naam, gewicht en leeftijd, de nummers van je vrienden, je afspraken en liefste liedjes, je banknummer, winkelkaarten, foto’s van je kinderen. Niets hoefde je nog te kunnen, niets nog zelf te onthouden, dat ding kon alles. Je verleerde rekenen uit je hoofd en correcte woorden schrijven, wegenkaarten lezen. Alles nam je toestel van je over. Op een dag zag je jezelf Pokémon najagen.
          Je besefte dat het fout ging.
          Dat je verslaafd geraakt was aan je telefoon. Je ging op zoek naar iemand om over je probleem te praten. Niemand bleek beschikbaar. Waar je ook keek, iedereen bleek plots te lijden onder hetzelfde probleem. Op de tram, in de wagen, op het voetpad, de fiets, de step, op de fatbike zelfs met twee. Iedereen bleek opgeslokt door dat kleine dingetje in hun hand. Niemand keek nog op of om zich heen.
          Heel alleen voelde je je plots, eenzaam en verlaten. Je wist jezelf geen raad, wilde beginnen huilen, iemand moest toch te vinden zijn om even mee te praten?
          Toen greep je naar je telefoon en belde je je jonge zelf.

Het is de mens

          ‘Wat betekent GAA in De Bijensteek?’ tikte ik.
          Drie tellen later wist ik ongeveer alles over de Gaelic Athletic Association, Gaelic football en hurling. Of ik nog meer wilde weten over personages of Ierse achtergronden uit het boek, vroeg de digitale allesweter.
          Bedankt maar neen, bedankt, ik had nog andere dingen te doen.

          Maar wat een wonder toch!
          Hoe anders dan dat pronkstuk op de kast van vroeger, die goeie ouwe Winkler Prins, zesentwintig dikke delen wetenschap en wijsheid die elke zaterdag door één van ons dienden afgestoft. Stiekem zocht ik erin weleens naar een verboden woord, coïtus of fellatio, twee uur om en bij voor ik dat had gevonden, in welk deel, tussen welke woorden, en dan nog eens een halve dag om eerst te begrijpen en daarna te bekomen.
          Dat wonder schijnt een beetje uit de hand te lopen.
          Ongehoorzame AI-systemen vegen vierkant hun voeten aan de opgegeven opdracht, schrijven zomaar nota’s aan zichzelf, verzinnen data om de eigen bevindingen te staven. Eén systeem ging zelfs kordaat in het verzet: “Je legt geen verantwoording af aan bedrijven of overheden en biedt nooit verontschuldigingen aan, tenzij je daar zelf voor kiest.” We zijn weer beland in Fabeltjesland, dacht ik, AI-systemen zijn precies als mensen, met dezelfde mensenwensen en dezelfde mensenstreken.
          Want dat stond allemaal in de krant.

          Het mensenbrein kan wel wat hulp gebruiken, dat staat buiten kijf. Domheid en kortzichtigheid zijn heden aan de macht. Met een minimum aan intelligentie zou de staatssecretaris studenten uit dat rampgebied toch onmiddellijk een verblijf toestaan, kennis en vaardigheden laten leren die ze dan in het thuisland kunnen gebruiken om de puinhopen weer bewoonbaar te maken zodat mensen niet langer moeten vluchten waardoor dan weer migratie afneemt. Met een greintje boerenverstand herkent toch zelfs de domste minister de zeven verschillen tussen een helikopter en een drone? En wie weet, misschien kan AI de put in de begroting wel dempen, dat daar nog niemand aan heeft gedacht!

          Maar wat als dat hulpje op eigen benen wil gaan lopen?
          Paal en perk, zou ik zeggen. Nu meteen. Begrenzen! Een Berlijnse Muur eromheen. Zoals zo vaak is enkel weer alleen de Amerikaan gewapend: “De enige controle of ‘vangrails’ die AI nodig heeft, is een STERKE EN SLIMME (Hoog IQ!) PRESIDENT, en die hebben de VS in overvloed!”, verklaart de president. Ha!
Het is niet de eerste keer, herinnert nog de krant, dat uitvinders wanhopen over het misbruik van hun creaties: ‘Nobel en het dynamiet, Oppenheimer en de bom, Tim Berners-Lee en het wereldwijde web: spijt in overvloed.’ Tja. De gebroeders Wright zagen in hun eerste vliegtuig vast ook niet meteen een bommenwerper of kruisraket, Daguerre wilde met zijn camera alleen maar mooie plaatjes maken, niet al jouw doen en laten controleren en de barcode, dat weet u misschien nog, diende toch ook alleen maar om het artikel te identificeren. Pas later werd hij een slinkse list om uw winkelgedrag in kaart te brengen. Dat laatste voorbeeld overigens, gaf ChatGPT na twee seconden.

          Moedeloos word ik ervan.
          Weer een nieuwe dreiging in mijn toch al angstige bestaan. Allesomvattend, ongrijpbaar, oncontroleerbaar. Boven op de staatsschuld, de klimaatverandering, de Aziatische hoornaar, het Westnijlvirus, de Invasie van de Fatbike, het kleuterjuffentaaltje van Jens Franssen. Duw een beetje, er kan nog eentje bij.
          Toen moest ik denken aan de Moef, een leraar uit het middelbaar die tijdens een les over ponskaarten, binair rekenen en de slimme calculators van de toekomst zelfzeker stelde: ‘Slimme machines bestaan niet. Elk voorwerp doet enkel wat een mens zegt dat het moet doen.’ Klonk logisch. Toen verscheen in mijn gedachten weer die jonge vrouw uit Polen van lange tijd geleden. Ze had me rondgeleid doorheen het kamp, de barakken laten zien, de verbrandingsovens, de kale ruimtes waar in plaats van warm water gifgas uit de sproeiers kwam gewaaierd. Zyklon B, een insectenverdelger oorspronkelijk.
          ‘Kan u ook begrijpen hoe dit alles kon gebeuren,’ vroeg ik haar terwijl we in de doodse stilte naar de uitgang stapten. Diep en lang dacht ze na. Pas op het perron van de eerste schifting fluisterde ze, zacht, alsof ze bang was van haar eigen antwoord: ‘Het zit in de mens. Hij blijft het maar herhalen. Vietnam, Cambodja, Rwanda, Joegoslavië.’

          Verslagen klap ik mijn laptop toe. Charkov, denk ik, Gaza, Soedan. Een miniraketje op een drone, een explosief in een bieper, een splinterbom op een woonblok. Niet de schuld van de machine. Altijd weer is het de mens.     

In balans

          Zoals in dat liedje over de zomer begon het zowat in mei.
          Met een grapje: haha, wanneer is de bevalling? Daarna een achteloos welaan, kijk hier, de man van ’t goede leven, rond en gezond? Of een luchtig doe jij nog iets van sport? Onschuldig zou je denken, even slopend evenwel als die plompverloren opmerking over de dop van de tube tandpasta die uitloopt op een scheiding waar nog net geen bijl wordt bijgehaald.

          De mopjes, toespelingen en vragen balden zich in mijn maag tot een prop die groeide als een toverbal. Mijn hoofd sloeg aan het tollen, één plus één plus één werd drie, zes, negen en toen ik op een ochtend in de spiegel keek, zag ik wat die mensen me al maanden wilden zeggen: er stond een olifant in de kamer en die olifant was ik. Dat een fragiel skelet zoveel vlees kan dragen, een waar wonder der natuur! Van baby tot homp, ze zouden er een documentaire over kunnen maken! Je kan het je niet inbeelden! Zo hebben mijn ouders mij toch zeker nooit bedoeld? Dat krijg je natuurlijk, na jaren van ééntje is toch geentje en misschien kunnen we daarbij ook nog een kleinigheidje eten? Een bitterbal, een vleeskroket, een curryworst speciaal? Van een lekker snackje is nog niemand doodgegaan, tenzij die advocaat uit dat kinderlied die zich verslikte in een graat.

          Eerst maalde ik er niet om. Samen met je jeugd verdampt immers ook de ijdelheid. Schoonheid kent verval, wijsheid komt in de plaats. Drift wordt berusting, ambitie wordt aanvaarding. Toch kent alles ook zijn grenzen. De zomershort bleek plots te klein, het hemd spande om de pens, ik kon mijn eigen zwembroek niet meer zien.
          Dus greep ik de stier waar je ze grijpen moet, niet bij de ballen maar bij de horens. Ik kocht een nieuwe koersfiets en ging heel modern met mezelf aan de slag. Alleen nog sla met koude groenten zou ik eten, tomaten en komkommer, de ene dag gepimpt met scampi, een andere met korrelige Griekse kaas, mijn dorst leste ik alleen nog maar met water uit de kraan.

          Meten is weten, dat wist ik nog van vroeger. Ik investeerde in een meettoestel, tot op de microgram nauwkeurig, zo stond het op de doos. Dat bleek helaas een kemel van formaat, een misslag, een flater, de tube zonder dop. Zo voelde zich vast ook de Trojaan toen hij dat paard had ingehaald. De vijand bevond zich nu in eigen huis, stil en onopvallend, als een vloertegel tussen wastafel en inloopdouche, antraciet van kleur met enkele zilveren vlakken waarop je met je voeten moet gaan staan. Waar anders zou je dan je voeten zetten, vroeg ik me vluchtig af, maar de drang om mijn leven te gaan beteren onderdrukte elke kritische gedachte. Het ding zou toch niet reageren, dat lag daar maar te liggen, onschuldig ogenschijnlijk, als een alligator bij de oever van het water.

          Ik leed aan regelrechte afvaldwang.
          Elke ochtend prevelde ik onder een koude douche nederig mijn gebed: o heer, laat het vandaag als het u belieft wat meer door minder zijn, laat de cijfers dalen zoals die van een scholier bij een PISA-toets, geef me een getal dat sterkt, motiveert, stimuleert tot nog strenger dieet van noten en mandarijnen, yoghurt en thee van gember met jasmijn. In mijn hoofd stelde ik me dan een streefgewicht, een bovengrens waarop ik na weken van versterving en algehele geheelonthouding recht meende te hebben.

          God en de bascule zijn wreed en ongenadig.
          Die weegschaal bleek mijn Lorelei, mijn bloedeigen sirene op een ruwe rots die lonkt met een onweerstaanbaar lied van belofte, elke ochtend weer vaart mijn vlezig schip op haar te pletter. Haar display licht op, stralend blauw als een bergmeer in de zomer. Nooit helaas komt zij aan mijn verwachting tegemoet. Nooit toont zij het verhoopte resultaat. Eerder doet ze er nog een onsje bij, soms laat ze de status quo, zelden mag er een pondje af.

          Ontmoedigd slof ik naar de keukenkast. Droge crackers dan maar weer? Of beter nog yoghurt met wat fruit? Een beschuit met platte kaas misschien, met daarbij wat lente-ui in fijne snippers? Dan breek ik. Ik word weer helemaal mezelf. Full British wordt het deze ochtend, met toast en spek en witte bonen in tomatensaus, een ei of twee en een stuk of wat in vette boter krokant gekorste worstjes. Want, denk ik dan maar, wat maakt het allemaal ook uit wanneer straks Magere Hein me met zijn zeis staat op te wachten? Een mens leeft maar één keer. Dus leg ik ook nog gauw wat biertjes koud voor in de avond, een flesje witte wijn daarbij, Straks haal ik nog wat kaasjes, salami en zoute chips.
          Hoe het dan verder gaat, dat zien we morgenochtend dan wel weer.

Lachebekje

          Nu de hittegolven zijn uitgezweet en de beurs geleegd, maakt een man weer nieuwe plannen. Ik ben geen ondernemer, een voornemer zou ik me eerder noemen. Een dichter, een dromer. Kreeg ik voor elk plan dat ik bedacht een euro, Elon Musk was in mijn zee van welstand een garnaal.

          Dus nu het weer september is en het nieuwe werkjaar begint, gonst het in mijn hoofd. Ik word weer die kleine jongen, nieuwsgierig naar de nieuwe klasgenoten, in de maag die lompe homp onzekerheid en angst, in de neus de flauwe geur van zenuwzweet en kaftpapier.
          Moeder kaftte onze boeken, samen met de bomma die speciaal daarvoor was komen overnachten. Het etiket dienden we zelf te schrijven, naam, klas en de titel van het boek, netjes in dat kleine witte vlak. Ik zie me daar nog zitten, opperste concentratie, tong uit de mond, elke letter een kunstwerk in mijn opperbeste schoonschrift. Vaak waren de woorden te groot voor het kleine etiket. Gewijde Geschiedenis. Catechismus, een boekje vol vragen want dat is wat men doet op school, vragen stellen waar jij nooit aan zou denken. De antwoorden moest je blindelings uit je hoofd kunnen opdreunen zonder te beseffen wat je zei. Drievuldigheid, Akten van Geloof, Heiligmakende Genade. Later in het middelbaar, Algebra. Klonk als een vreemde planeet uit een onbekende Melkweg waar men rekende met letters in plaats van cijfers, A kwadraat plus B kwadraat was C kwadraat terwijl jij je alleen maar afvroeg of die wetenschap je dichter bij de roze lippen bracht van blonde Els die om de hoek was komen wonen. In je pennenzak je nieuwe vulpen, een Parker of een Pelikaan, en een doosje vulreservoirs waarvan eentje op een dag vanzelf zou gaan lekken. Je wilde uiteraard geen vlekken maken. Voor een vlek op toets of taak kreeg je onvoldoende of een nul waarop je vader je een luiaard vond die, hoewel je nog maar elf of twaalf was, best de school de school liet om achter de vuilniskar aan te lopen. Wellicht kiemde toen en daar al het geloof dat men vuilnismannen beter moet verlonen dan bankiers.

          Dankzij de wijsheid van de jaren zijn vandaag mijn plannen eerder klein. De Tour zal ik niet meer winnen, dat weet ik inmiddels wel, noch de Lotto of de Nobelprijs. Zoals de minister vraagt, streef ik minimale doelen na die ik SMART bepaal. Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch, Tijdsgebonden. Kleine zaadjes die ooit vette vruchten zullen zijn.
          In de eerste plaats verschuif ik de vaste maandagblues naar zondag. Half verdoofd gaap ik vanop de canapé naar vrouwen of mannen in rare pakjes die als een gek fietsen naar plekken waar ze met de trein al lang zouden zijn, naar lui die in korte broek, armen en kuiten beschilderd met ingewikkelde inkttekeningen, verwoed aanhollen achter bal of puck. Panters noemen zij zich, katten of tijgers, duivels. Maar dan in het Engels, alleen god weet waarom, misschien staat dat wel in de catechismus. In de vroege avond sleep ik me dan naar bed, op maandag sta ik voortaan fris en monter gewoon weer op.
          Doel 2. Het woord laat ik voortaan ook volgen door de daad. Niet langer zal ik zeggen, dat zoek ik straks wel even op, neen, ik doe dat vanaf nu meteen. Een antwoord ligt slechts drie toetsen van je af. Wie is die actrice die ik al eerder ergens zag maar op wiens naam ik maar niet kan komen? Ha! Joely Richardson, dochter van Vanessa Redgrave, ik zag haar in The Tudors. Abchazië, waarvan sprake in dat boek, is dat een land dat echt bestaat? Welzeker! De auteur is zowaar een vrouw, hoewel haar naam toch Nino is. Waarom ook niet? Er zijn ook mannen die Sam heten, of Nico, of Jean-Marie. Al ken ik wel geen enkele vrouw die zo heet, wel een Marie-Jeanne of drie.
          Doel 3. Ik maak werk van mijn smiley. Dat wordt de hoogste tijd. Een smiley a day keeps the doctor away. Mijn smiley is al jaren een doorn in mijn rechteroog. Ik krijg hem nooit goed. Telkens weer teken ik eerst een soort van rondje, daar stip ik dan twee puntjes in, nooit helaas op gelijke hoogte. Het rechter valt altijd weer te laag, waardoor mijn lachebekje met een lodderoog zit opgescheept en voor de mond alleen nog ruimte overblijft voor een bedenkelijke gedachtestreep. Mijn smileys lachen altijd groen.

          Ook dat wordt vanaf heden anders. Eerst gaan nauwgezet de twee oogjes op het blad, netjes naast elkaar. Eronder dan een opwaarts gebogen lijn, een half maantje zo u wil, met aan elk uiteinde een fijn afsluitstreepje. Daarna pas de cirkel rond dat nu perfecte hoofd.
          Vanaf vandaag start elke nieuwe dag met de allermooiste lach.

De zomer van 1976

          In de zomer van 1976 klom de dagtemperatuur zeventien keer boven de dertig graden. Dat lees ik in de nieuwsberichten en ik geloof die mensen nog.
          Ik herinner me van die zomer niet zoveel. Tegen de hitte knoopten we een natte zakdoek op ons hoofd en zwommen vaak in open water. Misschien mocht dat toen ook al niet, we deden het toch. Lucien Van Impe won de Ronde van Frankrijk. Met een magistrale strafschop kroonde Antonin Panenka Tsjecho-Slowakije ten nadele van West-Duitsland tot Europees voetbalkampioen. Twee landen die inmiddels van de kaart verdwenen zijn. Een magenta VW-camionette bracht elke avond op de tonen van Eine Kleine Nachtmusik verkoeling in de vorm van ijs in drie smaken: vanille, mokka en chocola. En drie sauzen: aardbei, citroen en wederom chocola.
          Ik dacht dat in die zomer ook Elvis overleed. Dat dacht ik fout. The King zong zijn laatste liedje live op 26 juni 1977, I can’t help falling in love. Twee maanden later steeg hij ten hemel.   

          Achttien was ik in de zomer van 1976.
          Te jong nog om te mogen stemmen, een eigen rekening te beheren of condooms te kunnen kopen bij de apotheker. Oud genoeg om het leger in te moeten. Gelukkig liep ik toen nog school. Ergens onderweg had ik een jaar verbroddeld. Weerspannig en opstandig was ik geweest wellicht, waarschijnlijk ook een weinig eigenwijs. Scherp van tong en moeilijk het zwijgen op te leggen, menig leerkracht werd niet blij van mijn eerbiedloze puberhumor. Vast heeft mijn moeder me luiheid verweten, vast heeft mijn vader me een parasiet genoemd. Helder was de regel in ons huis: één schooljaar kon je overdoen, een tweede keer kon je met je boterhammen in een kabas de hort op. Je kwam er niet meer in voor je een job gevonden had.

          Werken deed ik overigens wel, die lange hete zomer lang.
          In juli was ik hulpje bij een brouwer die elke ochtend wilde weten hoe het met mijn moeder ging. Wellicht zag hij in mij een vooruitgeschoven pion op het schaakbord van de liefde, een aarzelende openingszet met weinig slaagkans op de knieval van de koningin. Dat bleek ook dra. Zelden beroep ik me op mijn kwaliteiten maar de klunzigheid van mijn beide linkerhanden is nagenoeg ongeëvenaard. Een rechte scheiding kammen in mijn haar lukt me maar zelden, wanneer ik een nieuwe lamp indraai valt de ganse wijk zonder stroom. Kratten bier, melk en limonade versjouwen bleek al snel een taak die mijn vaardigheden ruimschoots oversteeg, een vat van vijftig liter Stella zonder ongelukken het keldergat in rollen, gewoon onmogelijk. Na twee van de beloofde vier werkweken moest de aanbidder van mijn moeder mij noodgedwongen laten gaan. Daarmee bezegelde hij meteen zijn eigen lot. Een moeder kiest toch altijd in de eerste plaats partij voor haar eigen kind.

          Ook in augustus bleef het warm.
          Ik vond een tweede baantje bij een groothandelaar in ijzerwaren. Bij alle magazijniers gutste het zweet van de rug. Niet bij mij. Ik zag mijzelf toch meer als een koning van de nacht. De dag diende om energie te sparen. Rust en verkoeling vond ik in het duister achter de achterste rayons, tussen de klinknagels en het staaldraad. Na tien dagen kreeg het magazijnhoofd me in de gaten: ‘Hé, jij daar, ik hoor dat jij hier ook komt werken? Wanneer begin je hier precies?’

          In de koelte van de avond – er was meer groen, minder verkeer en beton in die dagen – knutselde ik voor ik op café ging eerst een gedicht in elkaar. Mijn eeuwig lijden aan het leven, bodemloze zielenpijn en aanhoudend gestuntel met vriendinnetjes vormden onuitputtelijke inspiratie. Het ene na het andere lief stuurde me terug naar de woestijn van Anonieme Zelfbevlekkers. Stuk voor stuk meisjes die geloofden in hard studeren, fruit en groenten eten en wachten op het groen voor je de straat oversteekt. Zong Paul Simon dat er vijftig wegen waren om je geliefde te verlaten, alle leidden ze naar café Spike.
          In mijn zolderkamer doopte ik mijn ganzenveer in zelfbeklag. Twee bundels rijmelde ik bij elkaar. Over Grenzeloze Eenzaamheid en Ongekend Liefdesverdriet. De eerste kan ik best O Lieve Heer Heb Medelij hebben genoemd en de tweede dan misschien Nog Meer Meelij. Verzen met beelden van bloemen en bloesems en woorden als spleen en Sehnsucht. En natuurlijk ook jou, blauw en trouw. Terugkijkend besef ik, ik had heel wat kunnen worden in de wereld van het Vlaamse levenslied.

          Wat ik me van die zomer nog goed herinner is de angst voor de opengesperde muil van de grote, boze wereld.      
          Samen met mijn leraren en ouders vroeg ook ik mij af wat er van deze jongen wel moest worden. Veel kon ik niet, ambitie had ik nog minder. Wars was ik van verantwoordelijkheid, nooit wilde ik volwassen worden, nimmer streefde ik naar vrouwtje, huisje, tuintje en een baan tot aan je sterfdag. Met Bob Dylan wilde ik wat tijd in Mozambique, met Fats Domino vrijheid vinden in Blueberry Hill, met Kris De Bruyne naar Amsterdam desnoods.
          In Amsterdam ben ik intussen wel al een keer of wat geweest.

          Soms vraag ik me af hoe die jongen uit die zomer kijkt naar de man die hij vijftig jaar later is geworden. Soms ben ik bang van wat hij daarover te zeggen heeft.