Blog

Maar Jeroen

Jeroen Brouwers schrijft dus geen boeken meer. Zich concentreren op een oeuvre zal niet te best lukken daarboven, met al die herrie van Arno en Hennie Vrienten om zich heen.
Toevallig deden we maandagavond tijdens onze cursus nog lacherig over hem. Met een achttal amateur schrijvelaars leren we hoe drie zinnen foutloos op papier neer te leggen zonder de lezer te vervelen. Allemaal hopen we dat aantal op te trekken tot tienduizend of meer en dus ooit een heus boek af te scheiden.
De schrijver kwam ter sprake. Iemand bootste zijn hees schurende stem na, een ander zijn hijgerige kortademigheid. ‘Longen als een verroeste fietsketting,’ vond iemand, tevreden over de beeldspraak. Groot schrijver natuurlijk, daar waren we het over eens, doch de man zelf was tot op de draad versleten. Zijn laatste personage, cliënt E. Busken, leek wel naar eigen beeld gemodelleerd.

Aanleiding van deze spot was een citaat uit een interview van lang geleden. Ik herinnerde me een merkwaardig statement van hem over het woordje ‘maar’. ‘Een ‘maar’ op de eerste pagina van een boek mag als een zwaktebod worden beschouwd,’ had hij beweerd. Je schrijft dus beter niet: ‘Jeroen Brouwers is één van de grootste Nederlandstalige schrijvers ooit maar ook hij zal gauw vergeten zijn.’ Beter is: ‘Jeroen Brouwers is één van de grootste Nederlandstalige schrijvers ooit. Toch zal ook hij gauw vergeten zijn.’ Of niettegenstaande, echter, doch, desondanks. Keuze zat.
Maar dus beter niet ‘maar’.

Dat vonden wij, zijn zelfverklaarde troonopvolgers dus onzin van de helderste soort. Eerst reageerde men met lichte verontwaardiging, toen klonk protest en gepruttel gevolgd door misprijzen en spot. De man was in zijn Zutendaalse bos misschien beginnen raaskallen van eenzaamheid. Trouwens, wat lezen we in zijn eigen boeken? Tablets floepten aan, laptops zoemden. ‘Hier. In Bezonken Rood, zes keer ‘maar’ op de eerste pagina.’ In ‘Datumloze dagen’ staat er ook één en op de openingsbladzijde van De Zonvloed ook.’ Vergenoegd besloten we dat de oude knar de bal hier wel heel erg had misgeslagen.

Op weg naar huis begon ik te twijfelen aan de correctheid van mijn herinnering. Voor de zekerheid vlooide ik het voor het slapengaan even na. Geen ‘maar’ aan het begin van Het Hout en ook geen in Cliënt E. Busken. Wel een meesterlijke beschrijving van het lompengewaad van een kloosterling en de herinnering als een bliksemvonk in mijn hersens van een dementerende man aan zijn moeder. Met een stilistisch vernuft waaraan we alle acht een knoert van een punt konden zuigen.

Tijdens het tandenpoetsen viel het mij in.
Natuurlijk hadden wij de meester fout begrepen. Hadden we zijn punt helemaal gemist. Slechte verstaanders waren wij. ‘Maar’-tellertjes. Mierenneukerig hadden we ons gefocust op dat ene woord en helemaal niet begrepen waar hij werkelijk op doelde. Die ‘maar’ was slechts een detail. Een voorbeeld. De man bedoelde het natuurlijk ruimer. Dat een schrijver van enig niveau dient stil te staan bij elk woord dat hij aan het blad toevertrouwt. Zichzelf moet verplichten altijd opnieuw en overal op zoek te gaan naar de beste formulering. Om op die manier als het ware een eigen taal te scheppen, een eigen universum.
Die aanhoudende zoektocht maakt de meester tot de meester die met kop en schouders de middelmaat overstijgt. Wij hadden moeten zwijgen, lezen en leren uit zijn boeken:

Op deze zeer warme ochtend, na het wakker worden, is het eerste wat de hand (de mijne) gewoontegetrouw te doen vindt: voelen of het geslachtsdeel (het mijne) nog aanwezig is en het dan even bewegen, bij voorbeeld door het om de wijsvinger te laten tollen, of, als het, zoals nu, in verstijving wordt aangetroffen, te trachten het in de vuist dubbel te knakken, wat nooit lukt. (De Zondvloed)

Het geslachtsdeel dat ’s ochtends in verstijving wordt aangetroffen. Hoe omschrijft u dat doorgaans?

Drie zinnen foutloos op papier, dat lukt ons wel.
Spreken en schrijven als Jeroen Brouwers echter, kon alleen Jeroen Brouwers.

Inmiddels op het platteland

               In de weide plukken vier slaperige paarden bloemen als waren het kersen op een taart. Het is lente. De natuur veert weer helemaal op. De zon klatert, insecten zoemen rond mijn hoofd. Ik word er vrolijk van.
               ‘Hallo horsies,’ groet ik ietwat kinderlijk. Zij kijken niet op. Al hun aandacht gaat naar boterbloem en margriet.
               ‘Waarom toch zo hoofs?’ vraag ik ze. Ze reageren niet. Paarden zijn toch edele dieren? En adel verplicht. Een kleine blijk van erkenning, een knikje, meer vraag ik niet. Hun hovaardigheid steekt een beetje. Je verwacht van de adel dat tikje meer etiquette. Ze moeten me ongetwijfeld hebben opgemerkt, alle vier. Hun ogen staan bezijden het hoofd, beducht voor het gevaar dat langs de flanken dreigt. Hun blikveld overspant driehonderdzestig graden, daar sta ik middenin. Ze hebben me gewogen en te min bevonden. Helder.
               In het grasland verderop draaien twee witte zwanen rondjes in een paringswals. Zo interpreteer ik althans hun dans. Ik ben niet vertrouwd met het baltsgedrag van zwemvogels. Dat mijn gedachten alweer ongevraagd richting seks dwalen zegt misschien meer over mij. Dat kan, het is lente voor iedereen. ‘Hey,’ zeg ik. Ook deze twee wellustelingen gunnen mij geen blik. Gezien hun bezigheid begrijp ik dat, al komt het mijn zelfbeeld niet ten goede.

               In gedachten verzonken over zoveel miskenning vervolg ik mijn promenade. Een vrouw pletst een emmer leeg in een uithoek van haar tuin die grenst aan mijn wandelpad. Ik knik, maar zij kijkt op noch om. Stilaan raak ik ontmoedigd. Ik had op die typische plattelandse vriendelijkheid gehoopt. Je ruikt hier nog de mesthoop, de boeren dragen klompen, ’s ochtends kraait de haan. Niets daarvan. Nors voor zich uit kijkend trekt de vrouw zich terug in haar huis van peperkoek. Verweesd blijf ik staan, mijn hoedje in mijn hand. Zelf ben ik ook niet bepaald het vrolijke type dat onbekenden vrijmoedig op de schouders tikt en nieuwsgierig informeert hoe het met ze gaat, dat geef ik toe. Daarvoor ben ik nog meer beschroomd dan dat geitje dat de grote boze wolf voor de deur zag staan. Maar een eenvoudige goeiedag, dat kan iedereen.

               Op het jaagpad fietsen een man en een vrouw me traagzaam voorbij. Ook zij doen of ze me niet zien. ‘O ja?’ hoor ik de vrouw zeggen. Er klinkt twijfel in haar stem. De man heeft vast wat interessants verteld. Dat doen mannen graag als ze gaan fietsen met hun madam. Ze willen pronken met hun arsenaal aan weetjes, wissewasjes en ditje datjes. Al helemaal in de lente. Een fietstocht langs de waterkant is in wezen voor de man een bedeltocht om aandacht. Vooraf heeft hij de route uitgedacht, op zijn bovenbuis een strip met fietsknooppunten gekleefd, daarop de point de vues gemarkeerd. Hij vraagt daar weinig voor terug. Een mespunt appreciatie misschien, een snuifje volgzaamheid. Meestal gaat het goed tot aan het kruispunt waar zijn knooppunt naar rechts wijst en de navigatieapp op haar telefoon naar links. Dan springen plots de opgespaarde frustraties en irritaties van de voorbije week als duiveltjes uit de fietstas. Om die spanning weer weg te masseren zetten ze zich op het terras waar ze zwijgend mensen gaan kijken. Zij doet langer over haar wit wijntje dan hij over zijn twee blonde Tripels Karmeliet.

               Inmiddels vraag ik me af of ik misschien onzichtbaar ben geworden. Geen hond die me opmerkt. Opnieuw, ik blink niet uit in Sociale Vaardigheden. Als borelingen mijn hoofd zien opdoemen boven hun kribbe krijsen ze indringender dan een biggetje in het abattoir. Ik heb dan ook nooit een weerwoord, ben onwaarschijnlijk slecht in doedoedoe en dadada.
               Honden stormen als een gek op me af en vluchten dan even fluks weer weg. In een nanoseconde ruiken ze dat ik niet erg gesteld ben op ongevraagd gesnuffel in mijn kruis. Lente of geen lente, #Metoo voor iedereen, dat is mijn leus. Op feestjes sluiten de mannen de kring precies wanneer ik wil uitpakken met een blitse witz. Gelukkig wil zo nu en dan nog weleens een vrouw met me op de koffie. Vrouwen voelen dat ik die drie aapjes ben. Ik kijk, ik luister, ik zwijg. Maar zelfs nu, op dit eigenste ogenblik, als ik probeer mijn verlatenheid te verwoorden, kwaken in een poel achter me bronstige kikkers hun ballonkaken aan flarden. Respect voor de werkmens is ze volslagen vreemd. Het is om aan de wereld uw bloot gat te laten zien.

               Het mag misschien zielig lijken, de beste interactie heb ik uiteindelijk nog met mijn spiegelbeeld. Twee mannen van aangezicht tot aangezicht. Zij begrijpen elkaar, zonder woorden. Elke blik leest als een boek.
Je beste vriend, zo blijkt maar weer, woont in jezelf.      

Te zijn of niet te zijn

               In de stroom van kommer en kwel die ons elke dag overspoelt, vormt cultuur het eiland waar een mens zo nu en dan een ogenblik rust kan vinden. Dat eiland lag die zondag in het park van de slaperige gemeente S., waar in het kasteel een tentoonstelling plaatsvond over vijf zo goed als vergeten dorpsgenoten uit het interbellum. Jan, Anton, Lode, Eugène en Arthur heetten ze, namen die ook vandaag weer zeer in trek zijn. Je denkt dat de wereld onophoudelijk in beweging is maar je vergist je. Nothing ever happens.
               De straten van onze woonwijk zijn naar deze kunstenaars genoemd. Alle vijf deden ze iets artistieks. Schilder, beeldhouwer, schrijver, muzikant, theaterregisseur. Tijdens hun leven erkend en geroemd, na hun dood door een straatnaam behoed voor de vergetelheid. Overigens met matig succes. Je vindt ze niet in de handboeken Esthetica van het middelbaar onderwijs en er woont in onze wijk geen hond die weet wie ze zijn geweest. Behalve ik dus, eilander.

               De curator, tevens oud-burgemeester, maakte zich op om ons doorheen hun levens te gidsen, toen plots een vrouw me aanstootte.
‘Moet ik u kennen?’ vroeg ze.
Moeten is dwang en bleiten is kinnekeszang, flitste mijn moeders stem door mijn hoofd. Mijn moeder stamde ook uit het interbellum. Ook zij is al jaren dood maar nog niet geheel vergeten al ken ik geen straat met haar naam. Achteloos wuifde ik haar woorden weg, zoals ik het ook toen zij nog leefde al zo vaak deed.
‘Dat denk ik niet,’ mompelde ik.
‘Ik hoor dat u schrijver bent,’ zei ze. Spontaan plooiden mijn lippen zich in een minzame lach, al mijn hele leven de eerste verdedigingsgordel.
‘Pff. Grote woorden,’ stamelde ik.
‘Hebt u al boeken geschreven?’ vroeg ze door, ‘moet ik al iets van u hebben gelezen?’
Nee, wilde ik antwoorden. Twee keer nee.
Terwijl de oud-burgemeester ons geestdriftig bleef bestoken met feiten en weetjes uit zwart-witte tijden bleef haar vraag aan me kleven. ‘Bent u een schrijver?’

               Wanneer is iemand iets, vroeg ik me af. Elke dag in de keuken staan maakt je nog geen kok. Een bereider, misschien. Een receptenkopieerder. Mijn vrienden en ik klimmen weleens op een racefiets, maar noem ons geen Wout of Mathieu. En je wordt niet meteen een Rolling Stone door onder de douche Satisfaction te staan brullen. Op een ander eiland onlangs wilden Saskia De Coster en Ruth Lasters, toch allebei gerespecteerde auteurs met een oeuvre, ook liever niet schrijver worden genoemd. Twee gepubliceerde romans zijn daarvoor ontoereikend, vond de een. De ander moest eerst nog haar magnum opus neerpennen. We dragen allemaal ons eigen Verdriet van België.

               Wanneer ben je iets? Een mens verengen tot één van de vele dingen die hij in zijn leven uitvoert, doet hem schromelijk tekort. Al kom je er met Ben Weyts en Tafelspringer wel heel erg dichtbij. Maar in de elegie bij je urne word je toch liever geroemd voor de som van alles wat je ooit bent geweest dan voor die ene hobby of dat ene vak.

‘Dierbare vrienden, de vrouw van wie we nu afscheid nemen, was in de eerste plaats moeder. Daarnaast was ze echtgenote, palliatieve verzorger, kok, psycholoog, vakantieplanner, taxichauffeur in het diepst van de nacht voor dochters die liever niet vertelden wat ze die avond zoal hadden uitgevreten, poetsvrouw, kapster en kleedster, luisterend oor, steun en toeverlaat en nog vijfhonderd andere personen. Professioneel leidde ze daarbij ook nog een florissant bedrijf in planten en zaden, ging ze twee keer per week naar pilates en twee avonden joggen in het park. En op donderdag witte wijn met de vriendinnen.’

Zoiets.

               ‘Neen,’ zei ik dus tot de vrouw. De schoolmeester in mij voelde zich verplicht daar enige toelichting bij te verschaffen en schakelde meteen aanstellerig in pseudo-intellectuele overdrive:
‘Een schrijver ben ik niet. Ik pruts maar wat. De reporter die tot in den treure ‘Elk nadeel hep zijn voordeel’, nabouwt, zal zelf nooit beschikken over de onnavolgbare dribbelgeest van Johan Cruyff. De kop ‘To be or not to be’ boven een stukje maakt van de auteur ook geen Shakespeare.’ Ze knikte begrijpend en begon toen enigszins tot mijn verbazing te glimmen als een vuurvliegje in het donker.
               ‘Wat zegt u dat mooi,’ zei ze, ‘ik wil heel graag wat van u lezen.’ En toen ik me verlegen in mijn jas wurmde: ‘Mag ik alvast uw handtekening?’

               En aldus geschiedde.

De kunst in u en mij

               Op de eerste dag van de vierde maand kleedt het landt zich bedrieglijk wit. Nog voor ik de prut uit mijn ogen heb gefrot, heeft het afgrijselijke winterprik zich al onwrikbaar in mijn gehoorgang gewurmd. 1 april, dag van clichés en slechte grappen.  ‘Dit is geen grap. Wees voorzichtig als je de straat op gaat,’ speelt de Frank van de dag olijk mee. Ik kom niet meer bij. Op straat heb ik niets te zoeken. Alles van waarde zit binnenin.
               Het leven glijdt van mijn schouders als een oude jas. ‘We moeten ouders meer betrekken bij de kinderopvang,’ schelt een vrouwenstem uit de radio. Wat een gezwijmel en gezwets toch weer. Daar heeft ze vast voor doorgeleerd. Ik stam, ik weet het, natuurlijk nog uit een vervlogen tijdsgewricht. Ouders wáren zelf kinderopvang. Je kon gewoon gelukkig zijn zonder een voor je dertigste verjaardag persoonlijk neergepote fermette. Je hoefde je niet het pleuris te labeuren voor een zomer- en een skivakantie en drie citytrips per trimester. Zelfs je hummeltjes stelden zich tevreden met minder dan zeven hobby’s elk.
               Volgt een liedje. Prince, Sometimes it snows in April. De dag is nu al zo gruwelijk voorspelbaar dat ik hem met graagte wil ruilen voor een luxeverblijf in een isoleercel. Er zou een wet moeten bestaan die spreken alleen nog toelaat wanneer het strikt noodzakelijk is. ‘Is er nog koffie? Waar vind ik het toilet? Kunt u mij de weg naar Hamelen vertellen?’
               Ik schakel de radio uit. Wie zijn leven wil verbeteren moet klein beginnen. De stilte voelt als een houtkachel in een Ardeense blokhut in april.

               Ik moet denken aan die performance, ‘The Artist is Present,’ door Marina Abramović. Als u het nog niet gezien heeft, raadpleeg dokter Google. Dat is een bevel. Beschouw het als een gratis massage van het hart.
               Marina zit aan een tafeltje. Geheel en al introspectief. Ogen toe, diep in- uit ademend, vanuit het middenrif. U kent dat vast uit de les mindfulness. De stoel tegenover haar is leeg. Eender wie mag er gaan zitten. Afwachten wat er dan gebeurt, dat is zo een beetje de idee. Raar? Ach. Wouter Beke zit ook nog altijd op zijn stoel. Dát is raar.
               Stapt een man naar voren. Tikje nerveus lijkt hij. Ik begrijp dat. Het onbekende maakt bang. Maar hij kent haar, heel goed zelfs. Hij is haar ex. Twaalf jaar woelden ze zich doorheen een passionele relatie. Dat laatste is een pleonasme. Denkt u daar maar even over na. Die is zo diep, zelfs dokter Google kan u hierbij niet helpen.
Aan het eind wandelden ze vanaf tegengestelde zijde over de Chinese Muur naar het midden. Toen ze elkaar daar ontmoetten, gingen ze voorgoed uit elkaar. Rare jongens, die artiesten. Ont-moeten, stond hier bijna. Bijna. Dus niet. Ik word namelijk helemaal wak van dat zweefteefjargon. Maar toch. Het is makkelijker iets te beginnen dan het met stijl te beëindigen, in vriendschapsmodus en met wederzijds respect. Ook dat is kunst, geloof mij.
Dat alles is alweer tweeëntwintig jaar geleden. De man, hij heet Ulay, zet zich op de stoel. Knippert met de ogen. Zij opent de hare. Wat er dan gebeurt? Stijn Meuris zei het al: ‘De blik in haar ogen.’ Verrassing. Herkenning. Breekbaarheid. Hun wereld vernauwt tot zij en hij. Harten krakkeleren als waren ze van porselein. Haar gezicht opent als een boek. Lippen gaan glanzen, wijken uit elkaar. Tranen vertroebelen de blik. Haar neus lekt. Armen reiken, handen grijpen. Niemand zegt wat. Waar liefde is, zijn woorden overbodig.

               Zo gaat dat. Liefde komt op kousenvoeten. Onhoorbaar, van een plek diep vanbinnen waar taal bestaat uit voelen. Geruisloos flitsen Cupido’s pijlen van hart naar hart. Lust mag dan wel lekker zijn in discotheek of bruine kroeg, Liefde bloeit waar je alleen nog elkaars adem hoort. Zonder klaroenen of trompetten, vlinderende violen of weemoedige cello’s. Liefde, dat is spreken zonder zeggen, met een oogopslag, een streling. Dat is weten zonder vragen. Dat is zijn zonder willen. Alweer diep. Het is me het dagje wel vandaag.

               Té diep misschien. Misschien moeten we gewoon met zijn allen leren wat minder praatjes te hebben. Wat meer niets te zeggen. De tong tien keer rond te draaien, zoals dat ons in dat andere tijdsgewricht werd voorgehouden.
Dit gezegd zijnde, doe ik er zelf ook maar weer voor enkele weken het zwijgen toe.
Ik hoef u dat niet uit te leggen.
U begrijpt mij zo ook wel.

De lage lat

Afgelopen week heb ik voor u de actualiteiten opgevolgd.
Zelf heeft u daar de tijd niet voor, ik weet dat.
U moet rennen, springen, vliegen, duiken, vallen, opstaan en weer doorgaan. U kan niet blijven stilstaan bij alle triviale ongein. U moet omhoogkijken. Zingen, vechten, huilen, bidden, lachen, werken, bewonderen.

Dat het oorlog is, dat wist u natuurlijk al.
Daar kan ik verder niet veel over kwijt. Wij kunnen het ook niet helpen. Wij zitten niet mee aan de ovalen tafel waar over onze toekomst wordt beslist. Wij worden op het werk niet met veel égards door hostessen onthaald. Van ons geen groepsportret, na afloop duwen razende reporters ons geen fallusvormige microfoons onder de neus.

Overigens haalde ook de fallus zelf deze week het nieuws.
Met name de jongeheer van de nieuwe Chef-Sport van voetbalclub Antwerp. De man is apetrots op zijn hummeltje. Hij maakt er foto’s van. Die stuurt hij dan naar de vrouwelijke collega’s in het bedrijf. Ik vraag me altijd af wat een man daarmee hoopt te bereiken. Dat die vrouw dan zegt: ‘O kijk nou, de snikkel van de baas. Goch, wat een flinkerd. Had ik er thuis ook maar zo eentje.’? Enfin, zijn vorige club vond dat te gortig en zette de man op straat.
Dat voetbal weinig met sport en alles met economie te maken heeft, blijkt maar weer. Where the money flows, ethics goes, schud ik zomaar losjes uit de mouw. Antwerp wil de potloodventer een tweede kans geven. Nobel. Verdient iedereen, vind ik ook. Maar wie tijdens het uittikken van het jaarverslag niet gediend is met een opgerichte roede in haar mailbox, heeft ook recht op een en ander. Respect. Excuses, ik zeg maar iets.
Sorry seems toch altijd weer to be the hardest word.

Ashleigh Barty gaat met pensioen.
Ik kende haar niet, maar het was nieuws, dus ja. Honderdeenentwintig weken lang de beste tennisster van de wereld, lees ik. Vier weken meer dan Justine Henin. En honderdeneen meer dan Kim Clijsters en die is nog altijd bezig.
Vijfentwintig is ze. Mooie leeftijd om te gaan rentenieren, bij ons moet je langer werken. Naar verluidt smashte ze twintig miljoen dollar bij elkaar. Nu is ze uitgeserveerd. Te veel druk. Ik begrijp dat. Benieuwd wat ze gaat doen binnen pakweg tien jaar, vijftien kilo en drie kinderen.
Een reality show en een comeback. Wedden?

Meyrem Almaci stopt als voorzitter van Groen.
Waarom zegt men niet voorzitster? Voorzitteregge? Voorzitterin? Dat laatste klinkt misschien wat raar, dat begrijp ik. Een doordeweekse Chef-Sport van een ploegje zonder moreel kompas grijpt al naar de camera. Vanuit diverse hoeken kreeg ze fijne woorden ten uitzwaai. Dat vond ik mooi.
Tegelijk, het moet gezegd, ook heel wat gemene kwaadsprekerij. Scheldpartijen en schimpscheuten over haar gedachtengoed. U weet hoe het gaat in dit land, iedereen mag een mening hebben zolang het maar de onze is. Over haar stem, haar uiterlijk, haar afkomst ook. Men maakte zich vrolijk over Myriam, Miriam, Meerhem. In de trollenschool leert men lezen noch schrijven. De hoofdvakken zijn Vilein en Vitriool, Verkoop van Gebakken Lucht en Humor zonder Smaak. En een Limbo onder de Laagste Fatsoensnorm in de les LO.

Dat vind ik triest.
Je hebt hard gewerkt, een flink stuk van je leven gegeven voor je ideaal. Je best gedaan. Offers gebracht, publiek en privé. Je hart gevolgd, je ziel gegeven. Je probeerde een steen te verleggen. Dan is een schouderklopje wel gepast.
Soms gebeurt dat wel. Ik hoor weleens verhalen. Iemand wordt gefêteerd met oesters en champagne. Een ander krijgt een erehaag en een staande ovatie. Een horloge, een portret, een weekend naar zee met twee.

En jij, zegt u?
Ach, wat ik kreeg, heb ik zelf gezocht.
Ik vond rust. Vrijheid. En mezelf.
Dat is ook veel waard.

Ratten van de lucht

Er zit een duif op het gras in de tuin. Ze schudt haar kopje als een natte hond, rekt zich uit, krimpt dan weer in elkaar. Ze zoekt wat onder haar oksel.
Eerst denk ik nog dat ze een ei zit uit te broeden. Maar als ze zich een kwartslag draait, zie ik dat er wat mis is. Ze hapert, het lukt haar nauwelijks om te bewegen.
Ik stap er naartoe.
Verschrikt wil ze vluchten maar haar ene vleugel klapwiekt niet mee.
‘Ocharme vogeltje,’ mompel ik, ‘wat is jou overkomen?’  
Ze kijkt me aan maar antwoordt niet. Logisch. Duiven praten niet. Ze roekoeën de langslapers uit hun bed, planten zich neer waar ze willen en schijten daar de boel dan vrolijk onder.  
Ik streel haar kopje. Het dons voelt verrassend stug.
‘Bij mij ben je veilig, duifje,’ fluister ik.

Ik herinner me een voorval van toen ik nog een kleine jongen was en we in een Limburgs boerengat woonden. Mijn vader had een duif in zijn handen. Ook dat vogeltje keek bang. Toen draaide mijn vader met een korte ruk het beest de nek om. Het was het eerste lijkje dat ik in mijn leven zag. Ik weet nog dat ik huilde. Ik herinner me niet meer of ik het ook lekker vond.
Op school leerden we dat de duif symbool staat voor vrede maar hier in de stad noemen we duiven de ratten van de lucht.

Ook ratten kennen pijn. Pijn is universeel, overal en altijd voor iedereen hetzelfde.
Ik zoek een kartonnen doos en leg er een oude krant in. Voorzichtig til ik het gekwetste beest op.
Ik stel geen vragen. Hoef niet te weten waar ze vandaan komt. Waarom ze in onze tuin is neergestreken en niet in die van de buren. Wat ze eet of in welke god ze gelooft.
Ze is gewond en heeft hulp nodig. Dat ziet zelfs mijn luie oog. Ik weet een dierenopvanghuis in de buurt waar voor haar kan worden gezorgd. Ik zet de doos achter in de wagen. Op de krant verschijnt een kleverige plas grijze smurrie, ik hoop maar dat de bodem van de doos dik genoeg en strontbestendig is.

Later thuis gaat de telefoon. Niet het duivenopvanghuis maar Vluchtelingennetwerk Vlaanderen aan de lijn.
‘U ondertekende enige tijd geleden een petitie,’ frist een vrouw mijn geheugen op. ‘Waarom deed u dat?’
Welke petitie ze precies bedoelde, vraag ik. Ik deel nogal gemakkelijk handtekeningen uit. Ik zie het als oefening voor later, als ik beroemd zal zijn en mijn naam moet graveren op buiken en billen van opgewonden fans.
‘Een menswaardige behandeling van daklozen,’ antwoordt ze.
Kan best. Ik ben heel erg voor menswaardige behandelingen in het algemeen en van daklozen in het bijzonder. Er is niet zo gek veel nodig om er zelf een te worden.
Het gesprek kabbelt aangenaam. De mevrouw en ik kennen elkaar niet maar we spreken dezelfde taal. We hebben het over die gedupeerden die ook nu weer in de kou blijven staan. Ook zij zijn alles kwijt, hals over kop hun land uit gevlucht, op de dool. Ook zij lijden, kennen pijn, verdriet en wanhoop. Ook hun toekomst is uitzichtloos. Maar hun ogen zijn donker, hun haren zwart, hun huid getaand. Zij zijn de anderen. Voor hen leefloon noch zakgeld, onderdak noch werk, geen interview met Fatma en een lekker dessert in een bejaardenwoning.  

Of ik een kleine maandelijkse bijdrage wil overwegen, vraagt de vrouw.
Ik stel geen vragen als ‘Krijg ik dan een fiscaal attest?’, ‘Geeft de overheid een premie?’ of ‘Waar zit mijn winst?’
‘Ok dan,’ zeg ik. Goed voor mijn geweten.

’s Avonds kijk ik naar het Journaal. Het is een hoogdag voor Warm Vlaanderen. Er zijn er nog die in hun buidel hebben getast. Goed van ons, we mogen trots zijn op onze vrijgevigheid.
Dan volgen nog enkele kleine dienstmededelingen.
Dat gratis de zon opgaat. Dat het zakgeld moet worden gebruikt om het gul geboden onderdak te betalen. Dat iemand kost en inwoon aanbiedt in ruil voor seks. Een ander belooft zwartwerk in zijn beenhouwerij. Zo kennen we elkaar weer.
In Terzake nodigt men een door en door Vlaamse partijvoorzitter uit. ‘Vol is vol,’ orakelt hij, en ‘De andere landen moeten.’
Een duif of een rat te zijn, dat is altijd toch de vraag.

Het einde van de wereld

Het is oorlog.
Drie woorden slechts, maar een vreselijke zin om uit het klavier te wringen.
Omdat hij waar is.
Ook in deze oorlog was de Waarheid het eerste slachtoffer.
Het is makkelijker duizend sprookjes te verzinnen dan één gruwelijke waarheid op te biechten.

Het is altijd wel ergens oorlog. Het is nooit anders geweest.
Ergens is dan heel ver weg, op plekken met onuitspreekbare namen waar mensen wonen die anders zijn dan wij. Ook een sprookje. Alsof een granaatscherf het ene vel minder schroeit dan het ander.
Ergens ligt nu dichter bij huis. Naar onze vakantieparadijzen is het langer vliegen. Al geraken we daar omwille van de brandstofprijzen wellicht deze zomer toch al niet.

Covid lijkt verzwonden. Ook kleine jongens die per ongeluk in diepe putten sukkelen hebben niet langer nieuwswaarde. Op radio en televisie buitelen reporters ter plaatse of in een studio, experts en militaire analisten over elkaar heen.
Om de boel wat op te vrolijken nodigt de nationale omroep af en toe een clown uit. Circus Theo, Loeiboei uit Lubbeek, orakelt vanuit de buik. ‘Vrouwen en kinderen welkom, mannen terugsturen naar de pijngrens. Kanonnen hebben vlees nodig.’
Of een Romeinse keizer uit Deurne, ervaringsdeskundige waar het duizend bommen en granaten betreft. In zijn alwetendheid steekt hij de duim omhoog of omlaag: dit slachtoffer is echt, je ziet het aan de kleur van huid en ogen. Niet elk leven is gelijk.
Tussen al die wijsheid door draait de radio vrolijke liedjes, melodietjes uit vervlogen tijd. Doe Maar, De Bom. Bruce Springsteen, War. En – allemaal samen – Give Peace a Chance.
We doen wat we kunnen.

‘Jullie hebben geen idee,’ zegt de poetsvrouw ontdaan.
Zij heeft ideeën zat. Ze komt uit Polen, dicht bij de bron. Voor een habbekrats borstelt zij in dit land stofnesten uit slaapkamers en kiepert ze etensresten in de vuilnisbak. Ik betaal haar om met mij te praten. Het is goed voor mijn talen en troost mijn eenzaamheid. Ze spreekt niet tegen en kost minder dan een psycholoog.
‘Mijn ouders in Polen zijn bang,’ zegt ze. ‘Echt bang. Jullie praten hier over de prijs van olie en gas. Jullie voelen de koude niet, de ontbering, het lijden. Jullie begrijpen niets van de verlammende angst zowel bij ons als in onze buurlanden. Ons stukje van de wereld is het speelveld waarop de grootmachten hun jarenlange vetes willen beslechten.’
Zij heeft het over oorlogslogica en de vraag welke partij wanneer welk vernietingswapen zal hanteren. Want, dat vergeten wij gemakkelijk, een oorlog vecht je niet alleen.

Goede vraag.
Wij wassen graag onze handen in onschuld, willen liefst van al geloven dat de wereld ons even graag ziet als wijzelf. Wij zien ons het liefst als die witte duif met een palmtak in de bek. In Ergens, of in pakweg Jemen, Irak, Somalië, Afghanistan, Vietnam, Cambodja, Palestina en al die andere naar het stenen tijdperk terug gebombardeerde leefwerelden, denkt men daar ietwat genuanceerder over.

‘Als straks de tanks ook hier binnenrollen,‘ vroeg een vriendin onlangs, ‘’wat ga jij dan doen?’
‘Lijden en doodgaan,’ antwoordde ik, ‘zoals iedereen.’
Ik ben nogal pragmatisch ingesteld. Leg je neer bij wat je niet kan veranderen, dat is zo een beetje mijn motto.
‘Zou je niet vluchten dan? vroeg ze.
‘Vluchten kan niet meer,’ zei ik. Heb ik uit een liedje van Het Simplisties Verbond, ook uit de tijd van toen. ‘Vluchten? Ik zou niet weten hoe, ik zou niet weten waar naartoe.’
Ik moest er zelf om lachen terwijl ik de ernst van de toestand geenszins onderschat.
‘Ik heb getwijfeld over België,’ ging ik door nu ik de smaak te pakken had. ‘Omdat iedereen daar lacht. Enfin dat zal in het Oude België zijn geweest, toen onze clowns nog geestig waren. Of ik ken niet Iedereen, dat kan ook.’

Voor het vermaak speelde ik een spelletje op Nukemap.
Ik dropte een bom op Antwerpen. Twintig kiloton, Hiroshimaformaat.
Doden: twintigduizend.
Gewonden: een kleine vijftigduizend.
Intussen op de radio een van mijn favoriete bands. R.E.M., It’s the end of the world as we know it.
Enthousiast viel ik in: And I feel fine.

In De Gernoare

               Tijdens mijn onvermoeibare Queeste naar Schoonheid tjokte ik als een jutter langs het strand. Meteorologen voorspelden storm in diverse kleuren, oranje, rood, tot zelfs blauw en paars -en rukwinden sneller dan het licht.
               In de haven vond ik beschutting in een onooglijke kroeg. De Gernoare stond op de vitrine geschilderd, boven de beeltenis van een enorme, rozige garnaal, op het eerste gezicht ontworpen door dezelfde kerel die in december ook rondbuikige kerstmannen met arrensleeën op de ramen tekent.

               In een klein café aan de haven zijn de mensen nog blij en tevree. Ik ging zitten aan een hoge tafel aan het raam met aan de ene kant zicht op zee en aan de andere een panoramisch overzicht op café en open keuken. Uit al het onbegrijpelijks op de smoezelige kaart koos ik een Rodenbach Mét. Mét zou naar ik dacht verwijzen naar grenadine waarmee we als beginnende drinkers destijds ook de bittere Trappist van Westmalle pimpten.
               Buiten schuimbekte de zee. Golven klauwden hoog in de lucht, hun gehuil en gebulder overstemde het geroezemoes in de bruine kroeg. De storm geselde het water, de wind zweepte de branding tot op de kade, de touwen van de aangemeerde vissersboten kraakten in elke vezel.
               In De Gernoare was het desondanks goed toeven. Een verslenst koppel ruziede achter lege jeneverglazen aan een tafel. Tegen de tapkast leunde een forse zeebonk, compleet met coltrui en pet, ik miste enkel nog een pijp en het bedwelmende aroma van zware Van Nelle. Op zijn biceps vermoedde ik een getatoeëerd anker. De waard droeg een witte keukenschort en een parfum van vis. In Café d’Anvers scoor je daar geen punten mee maar hier bracht het misschien wat op. Ek ze goeste, zoals ze hier zeggen. Hij zette het gevraagde biertje voor me en vouwde de krant van gisteren open op tafel. Uit een strandemmertje schepte hij een aanzienlijke berg ongepelde garnalen uit en kwakte die op de krant.
               ‘Excuseer?’ reageerde ik.
               ‘Minjere èt oliek gèrnoare gezeit? How, ier zie.’ Ik wachtte op nog een wuk of wuppe maar die bleven uit.  Mét. Met garnalen dus. Vreemde talen leren is niet moeilijk, het is een kwestie van reukzin en deductie.

               Er zijn mensen die hun geluk nog niet herkennen terwijl ze er met hun bloot gat op zitten, maar mij valt het op als een parel in een oester. Het bier was fris en lekker. De garnalen smaakten naar meer, al liet ik de laatste schaamgarnaal toch maar onaangeroerd. Niemand kende mij hier dus likte ik ongegeneerd mijn vingers schoon. De zilte smaak prikkelde mijn papillen, ik verlangde vanzelf naar meer. Intussen zag ik vanuit mijn ooghoek de zeeman naar me gapen. Daar werd ik een tikje ongemakkelijk van.
               ‘Hij is boos,’ zei ik om het ijs te breken en ik wees onbeholpen naar de woedende zee. Ik had Neptunus in gedachten, fier de golven trotserend, kroon op het hoofd en furieus zwaaiend met zijn drietand. De schipper bleef zwijgen als een gezonken wrak, al stonden zijn ogen net zo waterig als een schaamgarnaal op een doorweekte krant. Hij ging zitten op de vrijstaande kruk over mij.
               ‘Ze,’ baste hij. Zijn toon stemde me niet meteen vrolijk.
               ‘Ze,’ herhaalde hij. ‘E vromins. E wuf. E wuvetjen.’
               Toen brak hij. Zijn ogen liepen vol. Hij moest een verhaal kwijt en ik was het toevallig aangespoelde oor.

               Over de liefde, natuurlijk. Aan de zee had hij zijn hart verloren, diezelfde zee die vandaag elke toenadering weigerde. Bij haar voelde hij zich als een mossel in haar schelp. Elke keer weer zoog ze hem onweerstaanbaar naar zich toe. Verslaafd was hij geraakt aan haar wiegende armen, haar geur en smaak, de rijkdom van haar schoot. Zonder weerstand gaf hij zich over aan haar grillen en haar lusten. Een speelbal te zijn op haar golfslag, verder reikten zijn verlangens niet. Jazeker was hij beducht voor haar wispelturigheid. De zee geeft en de zee neemt, hij wist dat. Ze is onpeilbaar en laat niet gauw in haar diepten kijken. Ze omarmt je vandaag en werpt je morgen als verweerd wrakhout op het strand. Maar zijn liefde was onverwoestbaar en groter dan de zeven zeeën bij elkaar.
               Vandaag wilde de zee alleen zijn. Niets of niemand liet ze toe. Hij begreep het niet. Had het niet verwacht en kreeg het niet verteerd. Daarom dronk hij, hier en nu, in De Gernoare. Inmiddels rolden vrijelijk de tranen over zijn wangen. Geen groter verdriet dan de pijn om een onvervulde liefde.
               Ik wenkte de waard, twee Rodenbach Mét.
               ‘Het gaat wel weer over,’ troostte ik. ‘Laat ze maar even. Zij is eb en vloed. Vandaag weert ze af, morgen trekt ze aan. Zo is het altijd geweest en zo zal het altijd zijn.’ Daar klonken we op.
               Net als aan overmatig verlangen kan een mens ook lijden aan teveel Rodenbach. Verse garnalen maken dan veel goed.

Omdenken

               Ik wandel over het strand. Ik rits mijn jas dicht tot onder mijn kin, steek mijn handen diep in mijn zakken en ga de strijd aan met de wind. Een strakke bries zwiept weerbarstige golven de hoogte in en smakt ze ongenadig neer op het woelige water. De zee schuimt en brult en sproeit een zoute nevel over het land. Zandkorrels prikken naalden in mijn gezicht. Mijn haren rukken aan hun wortels. Ver weg van mij lopen een man, een vrouw en een hond. Weinig passanten op mijn pad maar ze zijn allemaal met hond. Ik ben de enige die zonder begeleiding buiten mag. Ik ben uniek, ha!

               Ambrosia, wat vloeit mij aan?
Het is de wind, mijn kind, de wind. Hij jaagt de duinen op, blaast plastieken zakjes over het strand en belegen gedachten uit mijn hoofd. Diep begraven herinneringen vinden verse zuurstof, kruipen uit het graf van mijn geschiedenis en herleven in mijn hoofd.
               Het lijkt wel gisteren. Ik ben weer de naïeve student in de lerarenopleiding. Een vrijdagmiddag, half drie. Voor het bord een kleine, geblokte man, op de neus een zwarte bril met dikke glazen. De Graef heet hij, Herman. Hij is onze klassenleraar, mentor en hoogopgeleide in het Doodbliksemen Zonder Woorden of Neersabelen Met. Verafschuwd door velen maar ik mocht hem wel. Hij ontstak in mij de liefde voor literatuur en poëzie en toonde in persona dat passie en overgave onontbeerlijke eigenschappen waren voor het beroep dat mijn klasgenoten en ik zouden gaan uitoefenen. Hij kon keihard uithalen naar wie aan zijn plichten verzaakte maar mij gaf hij geregeld een klopje op de schouder. Hij zág de mens in de student, daar ben ik hem altijd dankbaar voor geweest.

               Voortdurend daagde hij ons uit.
               ‘Alles is aanname,’ stelde hij die middag. ‘We zeggen: de zee spoelt over het land. Is dat werkelijk zo? Schuift het strand niet gewoon onder het water?’ Wij stootten elkaar aan, hij heeft tijdens de pauze aan een pijpje met verboden kruiden gelurkt. Het had ons niet verwonderd, er gebeurden vreemdere dingen in het tijdsgewricht van Love en Peace en bloemen in het haar. Onze meewarige blikken stopten hem niet. ‘De wolken boven ons hoofd. Drijven zij over ons voorbij of draait de wereld eronder door?’
               ‘Ja maar mijnheer,’ probeerden wij. Wij sleepten er Copernicus bij, de zwaartekracht en de wetten der natuur, de stand van de maan en de sterren, Darwin en god in de hemel. Niets bracht soelaas, hij wilde van geen wijken weten. Bij elk nieuw argument had hij een antwoord klaar.
Omstreeks half vijf propten wij vermoeid en verslagen onze notities in onze boekentas. ‘Lig er niet van wakker,’ zei hij. ‘De zee gaat echt wel op en af over het strand. Als jullie maar inzien dat het geen kwaad kan de dingen eens te bekijken vanuit een ander perspectief.’

               De heer de Graef was een uiterst merkwaardig man. In het eerste jaar organiseerde hij in januari een proefexamen. Je kreeg een kwartier voorbereidingstijd en daarna een half uur het woord, vooraan in het lokaal, aan een tafel met twee stoelen. Achteraan lag om god weet welke reden een brede rol tekenpapier.
               Ik nam plaats op de ene stoel. De andere bleef leeg.
               ‘Begin maar,’ klonk het van ergens in de ruimte. Ik ratelde tegen het groene bord. Hebban Olla Vogala, Abele Spelen, Anna Bijns. Ik probeerde me te concentreren op de leerstof en vooral niet te letten op het gekreun en gesteun achter mijn rug.
               ‘Al klaar?’ klonk het uit de deuropening.
               ‘Vraag 2: Boomdiagram en Dieptestructuur,’ hakkelde ik.
Klaterende geluiden uit de gang, als een fontein. Ik keek om en zag nog net het tekenpapier voorbij de deuropening rollen, hoorde hoe het zich als de donder na het onweer steeds verder verwijderde, van lokaal naar lokaal waar andere studenten op andere stoelen zaten te zweten.
               Toen stond de heer De Graef weer voor me. ‘Het is goed,’ zei hij, ‘je mag gaan.’

               Tijdens de nabespreking vroeg iemand of dit niet een ietwat ongelukkige evaluatiemethode was. De Grote Neersabelaar reageerde enigszins gepikeerd: ‘Jullie kunnen mij niets vertellen wat ik al niet heel lang weet. Een mens moet iéts doen tegen de verveling.’
Dat vond ik een hoogst originele kijk op het examensysteem, de Andere Invalshoek next level.
               Voor mijn proefexamen overigens kreeg ik zestien op twintig. Mijn hoogste cijfer ooit.

Zoomen

               Die middag werd ik voor een bespreking verwacht in de stad. Buienradar.be hield het droog, dus er met de auto naartoe was geen optie. Omwille van zijn ouderdom mag de minivan toch al de stad niet in en filerijden als vrijetijdsbesteding vind ik een nog waanzinniger concept dan Koen Kennis als Schepen van Mobiliteit.

               Openbaar vervoer zou kunnen. De haltes liggen op loopafstand, Google Maps gokt op een reistijd van een klein uur. Ik heb helemaal niets tegen bus of tram maar echt gezellig is het niet en een uur zomaar wat voor je uit zitten staren tussen die andere sufkoppen die ook niets te melden hebben is niet mijn kopje thee.
               Wandelen misschien? Goed voor het herstel van mijn hielspoor, een ongemak waarvan de naam me doet denken aan een giftig onkruid.  ‘Uw voeten staan verkeerd,’ zei de podoloog, een forsgebouwde man met een Duits accent. Dat die vaststelling wel redelijk laat kwam, antwoordde ik. Op een bepaald moment denk je toch jezelf te kennen, je geest en je lichaam en daar doe je het dan mee. Niet dus. ‘Glücklich hebben we daar iets voor,’ zei de voetenman. Sindsdien loop ik op steunzolen door het leven, rol ik tweemaal daags een met ijs gevulde fles onder mijn voetzool en stretch ik zo vaak ik kan mijn tenen als een ballerina. Je verwacht het niet, maar het dragen van een tutu doet iets met een man.
               Uiteindelijk opteerde ik voor de fiets. Ik houd van fietsen. De wind om je hoofd, de geluiden van de straat, het palet aan geuren onderweg. Fietsen is gezond en je hoeft niet op zoek naar een parkeerplaats. Mijn fiets, een oudmodische Trap-Hem-Zelf, is ongeveer even oud als ik.
               De wind stond fors tegen, het oude ding kreunde en kraakte maar dat kon de pret niet drukken. Tegen de wind weet de eenzame fietser zich sterk. Al van bij de start schoten mij links en rechts gemotoriseerde tweewielers voorbij. Ik ben de laatste pedaleur op mankracht. ’s Avonds beloon ik mij daarvoor met een koppel ijskoude Duvels of een fles witte wijn uit een goed jaar. De volgende ochtend protesteert de weegschaal. Onze relatie is problematisch. We zijn allebei van goede wil maar misschien niet echt voor elkaar gemaakt.
               Ik ben een fietser uit een oud Hollands boek, wapperende sjaal en manen, een zweetdruppel op het voorhoofd. Geen luidsprekers in mijn oren, geen halve kokosnoten eroverheen, geen telefoon op de oorlel gepind. Ik hoef niet steeds bereikbaar te zijn, zo belangrijk ben ik niet. Ik ben keihard old skool, ik respecteer zelfs nog min of meer de regels. Misschien kent u ze ook nog. Bij rood moet je stoppen, een blauw bord zegt waar je rijden moet, het rode bord verbiedt. Die details.

               Volgens Ann Christy is gelukkig zijn een deur die plots opengaat. Dan bedoelt ze vast niet het openzwaaiende achterportier van de lichte vrachtwagen die zich op het fietspad parkeert. De bestuurder merkt je nooit op, het hulpje uit de winkel zet zich pardoes in het midden van de fietsstrook. Vloekend slalom je tussen de messcherpe laadklep en de uitgestalde bakken sla, tomaten en watermeloenen, terwijl aan de andere kant een jongetje zigzaggend op een loopfiets met ernaast zijn mama achter een met boodschappentassen overladen kinderwagen hetzelfde proberen te doen. Je overleeft.
Uit de volgende zijstraat schiet een BMW met getinte ruiten naar voren. Het rood van het fietspad werkt als een lap op zijn gaspedaal. Remmen waren net als pinklichten een optie waarvoor je moest bijbetalen. Het leven is hard voor iedereen.
Onversaagd trap ik door. Voor de jongens van Pizza Domino en Deliveroo op hun brommertjes telt elke seconde. Zij erkennen slechts één rijrichting, de hunne, en één snelheid, de hoogste. Het fietspad is een bowlingbaan, wie de helm draagt is de bal, dat maakt jou de kegel. Toch begrijp je die jongens, je was zelf ooit ook zo, de dagen dat ook jij moest bakkeleien voor elke cent vergeet je nooit.
               Als steprijscholen niet bestaan, dan moet iemand ze dringend uitvinden. Aanbevolen Stepattitude: recht de rug, span de schouders, borst vooruit, kin omhoog, staar naar het verste punt aan de horizon. Moedig Voorwaarts, Step en kijk niet om en ook niet op. Zie niet, Hoor niet. Step Stokstijf, waar het kan op ramkoers. Ben je er klaar mee, slinger het ding zover je kan van je weg, liefst op een plek waar de hinder maximaal is.  

               Mijn bijdrage op de bijeenkomst beperkte zich tot het voorstel om de volgende keer gewoon als vanouds weer lekker te Zoomen.