Blog

In balans

          Zoals in dat liedje over de zomer begon het zowat in mei.
          Met een grapje: haha, wanneer is de bevalling? Daarna een achteloos welaan, kijk hier, de man van ’t goede leven, rond en gezond? Of een luchtig doe jij nog iets van sport? Onschuldig zou je denken, even slopend evenwel als die plompverloren opmerking over de dop van de tube tandpasta die uitloopt op een scheiding waar nog net geen bijl wordt bijgehaald.

          De mopjes, toespelingen en vragen balden zich in mijn maag tot een prop die groeide als een toverbal. Mijn hoofd sloeg aan het tollen, één plus één plus één werd drie, zes, negen en toen ik op een ochtend in de spiegel keek, zag ik wat die mensen me al maanden wilden zeggen: er stond een olifant in de kamer en die olifant was ik. Dat een fragiel skelet zoveel vlees kan dragen, een waar wonder der natuur! Van baby tot homp, ze zouden er een documentaire over kunnen maken! Je kan het je niet inbeelden! Zo hebben mijn ouders mij toch zeker nooit bedoeld? Dat krijg je natuurlijk, na jaren van ééntje is toch geentje en misschien kunnen we daarbij ook nog een kleinigheidje eten? Een bitterbal, een vleeskroket, een curryworst speciaal? Van een lekker snackje is nog niemand doodgegaan, tenzij die advocaat uit dat kinderlied die zich verslikte in een graat.

          Eerst maalde ik er niet om. Samen met je jeugd verdampt immers ook de ijdelheid. Schoonheid kent verval, wijsheid komt in de plaats. Drift wordt berusting, ambitie wordt aanvaarding. Toch kent alles ook zijn grenzen. De zomershort bleek plots te klein, het hemd spande om de pens, ik kon mijn eigen zwembroek niet meer zien.
          Dus greep ik de stier waar je ze grijpen moet, niet bij de ballen maar bij de horens. Ik kocht een nieuwe koersfiets en ging heel modern met mezelf aan de slag. Alleen nog sla met koude groenten zou ik eten, tomaten en komkommer, de ene dag gepimpt met scampi, een andere met korrelige Griekse kaas, mijn dorst leste ik alleen nog maar met water uit de kraan.

          Meten is weten, dat wist ik nog van vroeger. Ik investeerde in een meettoestel, tot op de microgram nauwkeurig, zo stond het op de doos. Dat bleek helaas een kemel van formaat, een misslag, een flater, de tube zonder dop. Zo voelde zich vast ook de Trojaan toen hij dat paard had ingehaald. De vijand bevond zich nu in eigen huis, stil en onopvallend, als een vloertegel tussen wastafel en inloopdouche, antraciet van kleur met enkele zilveren vlakken waarop je met je voeten moet gaan staan. Waar anders zou je dan je voeten zetten, vroeg ik me vluchtig af, maar de drang om mijn leven te gaan beteren onderdrukte elke kritische gedachte. Het ding zou toch niet reageren, dat lag daar maar te liggen, onschuldig ogenschijnlijk, als een alligator bij de oever van het water.

          Ik leed aan regelrechte afvaldwang.
          Elke ochtend prevelde ik onder een koude douche nederig mijn gebed: o heer, laat het vandaag als het u belieft wat meer door minder zijn, laat de cijfers dalen zoals die van een scholier bij een PISA-toets, geef me een getal dat sterkt, motiveert, stimuleert tot nog strenger dieet van noten en mandarijnen, yoghurt en thee van gember met jasmijn. In mijn hoofd stelde ik me dan een streefgewicht, een bovengrens waarop ik na weken van versterving en algehele geheelonthouding recht meende te hebben.

          God en de bascule zijn wreed en ongenadig.
          Die weegschaal bleek mijn Lorelei, mijn bloedeigen sirene op een ruwe rots die lonkt met een onweerstaanbaar lied van belofte, elke ochtend weer vaart mijn vlezig schip op haar te pletter. Haar display licht op, stralend blauw als een bergmeer in de zomer. Nooit helaas komt zij aan mijn verwachting tegemoet. Nooit toont zij het verhoopte resultaat. Eerder doet ze er nog een onsje bij, soms laat ze de status quo, zelden mag er een pondje af.

          Ontmoedigd slof ik naar de keukenkast. Droge crackers dan maar weer? Of beter nog yoghurt met wat fruit? Een beschuit met platte kaas misschien, met daarbij wat lente-ui in fijne snippers? Dan breek ik. Ik word weer helemaal mezelf. Full British wordt het deze ochtend, met toast en spek en witte bonen in tomatensaus, een ei of twee en een stuk of wat in vette boter krokant gekorste worstjes. Want, denk ik dan maar, wat maakt het allemaal ook uit wanneer straks Magere Hein me met zijn zeis staat op te wachten? Een mens leeft maar één keer. Dus leg ik ook nog gauw wat biertjes koud voor in de avond, een flesje witte wijn daarbij, Straks haal ik nog wat kaasjes, salami en zoute chips.
          Hoe het dan verder gaat, dat zien we morgenochtend dan wel weer.

Lachebekje

          Nu de hittegolven zijn uitgezweet en de beurs geleegd, maakt een man weer nieuwe plannen. Ik ben geen ondernemer, een voornemer zou ik me eerder noemen. Een dichter, een dromer. Kreeg ik voor elk plan dat ik bedacht een euro, Elon Musk was in mijn zee van welstand een garnaal.

          Dus nu het weer september is en het nieuwe werkjaar begint, gonst het in mijn hoofd. Ik word weer die kleine jongen, nieuwsgierig naar de nieuwe klasgenoten, in de maag die lompe homp onzekerheid en angst, in de neus de flauwe geur van zenuwzweet en kaftpapier.
          Moeder kaftte onze boeken, samen met de bomma die speciaal daarvoor was komen overnachten. Het etiket dienden we zelf te schrijven, naam, klas en de titel van het boek, netjes in dat kleine witte vlak. Ik zie me daar nog zitten, opperste concentratie, tong uit de mond, elke letter een kunstwerk in mijn opperbeste schoonschrift. Vaak waren de woorden te groot voor het kleine etiket. Gewijde Geschiedenis. Catechismus, een boekje vol vragen want dat is wat men doet op school, vragen stellen waar jij nooit aan zou denken. De antwoorden moest je blindelings uit je hoofd kunnen opdreunen zonder te beseffen wat je zei. Drievuldigheid, Akten van Geloof, Heiligmakende Genade. Later in het middelbaar, Algebra. Klonk als een vreemde planeet uit een onbekende Melkweg waar men rekende met letters in plaats van cijfers, A kwadraat plus B kwadraat was C kwadraat terwijl jij je alleen maar afvroeg of die wetenschap je dichter bij de roze lippen bracht van blonde Els die om de hoek was komen wonen. In je pennenzak je nieuwe vulpen, een Parker of een Pelikaan, en een doosje vulreservoirs waarvan eentje op een dag vanzelf zou gaan lekken. Je wilde uiteraard geen vlekken maken. Voor een vlek op toets of taak kreeg je onvoldoende of een nul waarop je vader je een luiaard vond die, hoewel je nog maar elf of twaalf was, best de school de school liet om achter de vuilniskar aan te lopen. Wellicht kiemde toen en daar al het geloof dat men vuilnismannen beter moet verlonen dan bankiers.

          Dankzij de wijsheid van de jaren zijn vandaag mijn plannen eerder klein. De Tour zal ik niet meer winnen, dat weet ik inmiddels wel, noch de Lotto of de Nobelprijs. Zoals de minister vraagt, streef ik minimale doelen na die ik SMART bepaal. Specifiek, Meetbaar, Acceptabel, Realistisch, Tijdsgebonden. Kleine zaadjes die ooit vette vruchten zullen zijn.
          In de eerste plaats verschuif ik de vaste maandagblues naar zondag. Half verdoofd gaap ik vanop de canapé naar vrouwen of mannen in rare pakjes die als een gek fietsen naar plekken waar ze met de trein al lang zouden zijn, naar lui die in korte broek, armen en kuiten beschilderd met ingewikkelde inkttekeningen, verwoed aanhollen achter bal of puck. Panters noemen zij zich, katten of tijgers, duivels. Maar dan in het Engels, alleen god weet waarom, misschien staat dat wel in de catechismus. In de vroege avond sleep ik me dan naar bed, op maandag sta ik voortaan fris en monter gewoon weer op.
          Doel 2. Het woord laat ik voortaan ook volgen door de daad. Niet langer zal ik zeggen, dat zoek ik straks wel even op, neen, ik doe dat vanaf nu meteen. Een antwoord ligt slechts drie toetsen van je af. Wie is die actrice die ik al eerder ergens zag maar op wiens naam ik maar niet kan komen? Ha! Joely Richardson, dochter van Vanessa Redgrave, ik zag haar in The Tudors. Abchazië, waarvan sprake in dat boek, is dat een land dat echt bestaat? Welzeker! De auteur is zowaar een vrouw, hoewel haar naam toch Nino is. Waarom ook niet? Er zijn ook mannen die Sam heten, of Nico, of Jean-Marie. Al ken ik wel geen enkele vrouw die zo heet, wel een Marie-Jeanne of drie.
          Doel 3. Ik maak werk van mijn smiley. Dat wordt de hoogste tijd. Een smiley a day keeps the doctor away. Mijn smiley is al jaren een doorn in mijn rechteroog. Ik krijg hem nooit goed. Telkens weer teken ik eerst een soort van rondje, daar stip ik dan twee puntjes in, nooit helaas op gelijke hoogte. Het rechter valt altijd weer te laag, waardoor mijn lachebekje met een lodderoog zit opgescheept en voor de mond alleen nog ruimte overblijft voor een bedenkelijke gedachtestreep. Mijn smileys lachen altijd groen.

          Ook dat wordt vanaf heden anders. Eerst gaan nauwgezet de twee oogjes op het blad, netjes naast elkaar. Eronder dan een opwaarts gebogen lijn, een half maantje zo u wil, met aan elk uiteinde een fijn afsluitstreepje. Daarna pas de cirkel rond dat nu perfecte hoofd.
          Vanaf vandaag start elke nieuwe dag met de allermooiste lach.

De zomer van 1976

          In de zomer van 1976 klom de dagtemperatuur zeventien keer boven de dertig graden. Dat lees ik in de nieuwsberichten en ik geloof die mensen nog.
          Ik herinner me van die zomer niet zoveel. Tegen de hitte knoopten we een natte zakdoek op ons hoofd en zwommen vaak in open water. Misschien mocht dat toen ook al niet, we deden het toch. Lucien Van Impe won de Ronde van Frankrijk. Met een magistrale strafschop kroonde Antonin Panenka Tsjecho-Slowakije ten nadele van West-Duitsland tot Europees voetbalkampioen. Twee landen die inmiddels van de kaart verdwenen zijn. Een magenta VW-camionette bracht elke avond op de tonen van Eine Kleine Nachtmusik verkoeling in de vorm van ijs in drie smaken: vanille, mokka en chocola. En drie sauzen: aardbei, citroen en wederom chocola.
          Ik dacht dat in die zomer ook Elvis overleed. Dat dacht ik fout. The King zong zijn laatste liedje live op 26 juni 1977, I can’t help falling in love. Twee maanden later steeg hij ten hemel.   

          Achttien was ik in de zomer van 1976.
          Te jong nog om te mogen stemmen, een eigen rekening te beheren of condooms te kunnen kopen bij de apotheker. Oud genoeg om het leger in te moeten. Gelukkig liep ik toen nog school. Ergens onderweg had ik een jaar verbroddeld. Weerspannig en opstandig was ik geweest wellicht, waarschijnlijk ook een weinig eigenwijs. Scherp van tong en moeilijk het zwijgen op te leggen, menig leerkracht werd niet blij van mijn eerbiedloze puberhumor. Vast heeft mijn moeder me luiheid verweten, vast heeft mijn vader me een parasiet genoemd. Helder was de regel in ons huis: één schooljaar kon je overdoen, een tweede keer kon je met je boterhammen in een kabas de hort op. Je kwam er niet meer in voor je een job gevonden had.

          Werken deed ik overigens wel, die lange hete zomer lang.
          In juli was ik hulpje bij een brouwer die elke ochtend wilde weten hoe het met mijn moeder ging. Wellicht zag hij in mij een vooruitgeschoven pion op het schaakbord van de liefde, een aarzelende openingszet met weinig slaagkans op de knieval van de koningin. Dat bleek ook dra. Zelden beroep ik me op mijn kwaliteiten maar de klunzigheid van mijn beide linkerhanden is nagenoeg ongeëvenaard. Een rechte scheiding kammen in mijn haar lukt me maar zelden, wanneer ik een nieuwe lamp indraai valt de ganse wijk zonder stroom. Kratten bier, melk en limonade versjouwen bleek al snel een taak die mijn vaardigheden ruimschoots oversteeg, een vat van vijftig liter Stella zonder ongelukken het keldergat in rollen, gewoon onmogelijk. Na twee van de beloofde vier werkweken moest de aanbidder van mijn moeder mij noodgedwongen laten gaan. Daarmee bezegelde hij meteen zijn eigen lot. Een moeder kiest toch altijd in de eerste plaats partij voor haar eigen kind.

          Ook in augustus bleef het warm.
          Ik vond een tweede baantje bij een groothandelaar in ijzerwaren. Bij alle magazijniers gutste het zweet van de rug. Niet bij mij. Ik zag mijzelf toch meer als een koning van de nacht. De dag diende om energie te sparen. Rust en verkoeling vond ik in het duister achter de achterste rayons, tussen de klinknagels en het staaldraad. Na tien dagen kreeg het magazijnhoofd me in de gaten: ‘Hé, jij daar, ik hoor dat jij hier ook komt werken? Wanneer begin je hier precies?’

          In de koelte van de avond – er was meer groen, minder verkeer en beton in die dagen – knutselde ik voor ik op café ging eerst een gedicht in elkaar. Mijn eeuwig lijden aan het leven, bodemloze zielenpijn en aanhoudend gestuntel met vriendinnetjes vormden onuitputtelijke inspiratie. Het ene na het andere lief stuurde me terug naar de woestijn van Anonieme Zelfbevlekkers. Stuk voor stuk meisjes die geloofden in hard studeren, fruit en groenten eten en wachten op het groen voor je de straat oversteekt. Zong Paul Simon dat er vijftig wegen waren om je geliefde te verlaten, alle leidden ze naar café Spike.
          In mijn zolderkamer doopte ik mijn ganzenveer in zelfbeklag. Twee bundels rijmelde ik bij elkaar. Over Grenzeloze Eenzaamheid en Ongekend Liefdesverdriet. De eerste kan ik best O Lieve Heer Heb Medelij hebben genoemd en de tweede dan misschien Nog Meer Meelij. Verzen met beelden van bloemen en bloesems en woorden als spleen en Sehnsucht. En natuurlijk ook jou, blauw en trouw. Terugkijkend besef ik, ik had heel wat kunnen worden in de wereld van het Vlaamse levenslied.

          Wat ik me van die zomer nog goed herinner is de angst voor de opengesperde muil van de grote, boze wereld.      
          Samen met mijn leraren en ouders vroeg ook ik mij af wat er van deze jongen wel moest worden. Veel kon ik niet, ambitie had ik nog minder. Wars was ik van verantwoordelijkheid, nooit wilde ik volwassen worden, nimmer streefde ik naar vrouwtje, huisje, tuintje en een baan tot aan je sterfdag. Met Bob Dylan wilde ik wat tijd in Mozambique, met Fats Domino vrijheid vinden in Blueberry Hill, met Kris De Bruyne naar Amsterdam desnoods.
          In Amsterdam ben ik intussen wel al een keer of wat geweest.

          Soms vraag ik me af hoe die jongen uit die zomer kijkt naar de man die hij vijftig jaar later is geworden. Soms ben ik bang van wat hij daarover te zeggen heeft.

Het mooiste beroep

          Als Reizende Reporter voor Reisgoesting doorkruiste ik de voorbije dagen met een oldtimer het Groningse achterland. Aan het stuur een Nederlander, twee meter om en bij, vranke blik en niet om een mondje verlegen.
          ‘Wat deed je dan in je vorige leven,’ vroeg hij me nadat ik hem had opgebiecht al jaren met pensioen te zijn. Die vraag doet me altijd lichtjes krimpen, alsof ik me ergens om moet schamen.
          ‘Ik gaf les,’ mompelde ik. ‘In een beroepsschool,’ gooide ik er als een soort verontschuldiging meteen achteraan.
          ‘Leuk,’ vond de man, ‘een mooi beroep. ‘Moeilijk zat, lijkt me wel.’
          ‘Ach, die jongens hadden het vaak moeilijk met rekenen of taal maar ze beschikten meestal wel over een stel gouden handen. Ok, korte lontjes, vaak nogal recht voor de raap. Je wist gauw met wie je te maken had. Maar met een kleine knipoog, een glimlach en een hoop vertrouwen kon je er een eind mee weg. Ik heb dat erg graag gedaan, me al bij al geweldig geamuseerd.’
          ‘Heerlijk toch?’ zei de man. ‘Jij bent vast een geduldig man, met veel inlevingsvermogen.’ Daar had ik niet meteen wat tegenin te brengen.

          In de stilte van het Gronings hinterland dwaalden mijn gedachten terug naar die jaren, mijn leerlingen, mijn collega’s. Natuurlijk is niet elke herinnering even fraai. Tussen alle koren zit ook kaf. Dat is bij de politie zo, in de politiek, de snorrenclub. Overal. Maar, het mag melig klinken, van al wie voor de klas gaat staan, doet het leeuwendeel dat met idealen en ambities, uit liefde, vaak met een totale overgave en een haast grenzeloos engagement.

          De leerkracht vandaag heeft het niet makkelijk, bedacht ik. Iedereen die ooit een dag naar school ging, denkt te weten hoe dat moet, lesgeven. Zoals iedereen ook bondscoach is, eerste minister of beste stuurman op de wal.
          Elke dag moet de leerkracht horen hoe de kwaliteit van zijn werk daalt. Men slaat met OESO-rapporten om de oren. Geen woord daarbij over de loodgieter die vlekkeloos een nieuwe leiding legt, de tuinier die van je woestenij een plaatje maakt, de metser die je huis optrekt. Integendeel, alles gaat alsmaar achteruit en dat alles is jouw schuld. Jij pampert te veel, toont veel te veel begrip, eist te weinig. Hoe kan het ook anders? Je werkt nauwelijks twintig uurtjes in de week, vier maanden op een jaar doe je zelfs helemaal niets.
          Nee, zegt men. Gedaan daarmee! Daar mag weleens het zweepje overheen, die stal dient uitgemest.

          Ook zelf zingt de leraar graag een klaaglied mee.
          Weten de mensen dan niet hoe zwaar en moeilijk alles is?
          Kinderen worden altijd maar mondiger en vrijmoediger. Al die paperassen ook de hele tijd. Lessen moeten voorbereid, een jaarplan opgemaakt, de agenda bijgehouden, leerlingendossiers aangevuld. De ouder komt alsmaar vaker om verhaal. Komt ook nog de directie bij, de inspectie bovenop. En het beleid werkt ook niet altijd mee. Hier wordt beknibbeld, daar nog meer bespaard. De kinderen van morgen hoeven niet te kreunen onder onze schulden, laat die van vandaag dan maar het duupje zijn. Plus, opwarming van de aarde, oorlog in de wereld, twijfels over gender, moeilijkheden thuis, ruzie met het lief, geen nood, de leerkracht weet het antwoord wel.
          Toch kan hij ook een ander deuntje fluiten.
          Over het compliment van de buschauffeur na de uitstap. De lach van de oud-leerling op de zaterdagse markt: hé, ik heb nog bij u in de klas gezeten, weet u nog? Het opgewekte goedemorgen mevrouw, mijnheer, elke dag. De blinkende ogen van de moeder bij een nieuwe laatste kans voor haar balorig kind. Het dank u bij een schouderklop of compliment.

          Eindeloze groene weiden. Paarden. Koeien. Schapen.
          ‘Ik wou je nog vertellen,’ brak de man ons zwijgen, ‘elf jaar geleden overleed mijn zus.’ Dat viel als een ijsblok op mijn hoofd. Pas vanochtend hadden we elkaar voor het eerst ontmoet! Ik kon wel horen dat het hem nog altijd pijn deed.
          ‘Een propje in de longen, niets aan te doen.’
          ‘Wat erg,’ zei ik maar. Want ja, wat moet je?
          ‘Zij stond ook voor de klas. Groep 8, de elf-, twaalfjarigen zijn dat bij ons.’
          ‘Ok.’
          ‘Elk jaar komen we samen bij haar graf. Familie, vrienden, kennissen uit de buurt, je kent dat. Een woordje, een minuutje stilte, een praatje achteraf.’
          ‘Mooi.’ Zelfs een schrijver valt weleens zonder woorden.
          ‘De laatste keer was daar ook een jonge man. Hij was er eerder ook al bij geweest. Ik stapte naar hem toe en vroeg: wie ben jij eigenlijk? Wat heb jij met mijn zus? Drieëntwintig was hij nu. Toen mijn zus overleed, zat hij bij haar in Groep 8. Voordien, vertelde hij, werd hij op school vreselijk gepest, zo erg dat hij geen zin meer had om nog te blijven leven. Mijn zus had dat gekeerd. Dankzij haar was het pesten opgehouden. Uw zus, zo zei hij dat, heeft mijn leven veranderd. Dat zal ik nooit vergeten.’

          Dat iedereen ook daaraan even denkt, komende week, wanneer de puntenboekjes worden uitgereikt.

U kijkt toch ook?

          Ik dacht deze keer maar niet te kijken.
          Ik had al veel te veel gezien.

          Ik zag twee heren broodjes smeren.
          De ene had voor de andere uit een kartonnen doos een oorkonde geknipt en deed alsof dat een Nobelprijs was. Een grapje, dacht ik toen, te onnozel en infantiel zelfs om mee te lachen en redelijk onschuldig bovendien. Soms gaan mensen dwaas doen op hun oude dag, de jaren nemen toe en het verstand neemt af.

          Toen zag ik het land waar alles gaat gebeuren, ooit toch onze baken in de duisternis, dingen doen waarvoor een derderangs bananenrepubliek zich schaamt.
          Men ging er mensen uit hun huizen jagen ook al woonden die daar al jaren en liepen hun kinderen er school. Wie daarbij in opstand kwam, werd ongenadig neergeslagen. Hier en daar verdwaalde ook een kogel.
          Ik dacht: wat is er aan de hand in dat eens zo machtig land?

          Bij de buren plukte men de leider van zijn troon, een bevriende marionet mocht in zijn plaats. Sindsdien werd van de man niets meer vernomen. Ik dacht dat we die dingen niet meer deden. Dat we die tijd waren gepasseerd. Nu lees ik dat men plant in Cuba idem dito te gaan doen. Men fluistert ook dat Canada op de planning staat, Groenland nog dient ingelijfd en Albanië geëxploiteerd. Alsof het Oostblok Westblok is geworden.
          Intussen worden zomaar bootjes opgeblazen, de matrozen zonder vorm van proces aan de vissen geserveerd. Voor de gezondheid van de eigen jeugd, moeten wij geloven. Alles voor het goede doel. Ik dacht: wat we zelf dealen, dealen we beter.
          Ik zag hoe alsmaar driester ook de pers werd opgejaagd, de journalist verguisd, de mond gesnoerd, uit zijn ambt ontslagen. Ik dacht: is dit de vrije wereld nog?
          Toen trok het land, toch van de dapperen en de vrijen, ook nog een keer ten strijde, zomaar uit het niets.
          Ik dacht, hier is de grens bereikt. Iets moet ik doen.

          Toen schoot ook door mijn hoofd: dienen niet sport en politiek apart te blijven, net als bij dat liedjesfeest in mei? Tenslotte, sport, dat is maar spel en Spelen die gaan altijd door. Dat deden ze ook in München, Rusland en Qatar, in Argentinië en Berlijn destijds. Sport haalt uit de mens het beste, verenigt en verzoent, verzustert en verbroedert, brengt volkeren der aarde dichter bij elkaar.
          Dus ik dacht: geef ons ons brood en onze spelen en laat ons verder gewoon maar doen.

          Maar de dichter zei het al: te zien of niet te zien, dat is toch de vraag. Ik zag hoe ook het spel vervelde. De prijzen van de tickets gingen stijgen ver boven de beurs van de gewone man. Daar valt naar verluidt bitter weinig aan te doen. Alles van waarde schiet de hoogte in, met het verstrijken van de jaren zakken enkel nog borsten en buiken. Voor wie het niet betalen kan, heeft god de televisie uitgevonden.
          Ik zag hoe nu ook de helft van de wedstrijd nog in tweeën wordt gebroken. Pauze om te drinken, zogezegd. Drie minuten extra voor de promotie van Pizza Margheritachips en bier. De sporter is een sandwichman, de voetballer te koop. Maar zoals de slager zei: soms wordt trop toch echt te veel.
          Een scheids uit een ander land, alom gelauwerd en geprezen, mocht plots het land niet in. Op de verkeerde plek geboren. Ik dacht: het is voor een kameel nog makkelijker door het oog van een naald het rijk der hemelen te bereiken dan voor een Somaliër de Staten binnen te geraken.
          Fans worden geweigerd omdat ze zijn geboren waar ze geboren zijn, sommige  deelnemers moeten meteen na afloop van de show het land weer uit.
          En ik dacht: nu heb ik genoeg gezien. Misschien doe ik beter niet meer mee. Mijn druppel in een wereldwijde emmer van protest.

          Die avond ging ik voor de spiegel staan.
          Ik dacht: wij hier in dit Avondland, wij hebben fouten gemaakt en daaruit geleerd. Uit ons lijden ontstonden normen, waarden, ethiek en rechten voor elk mens. Ik ben een mens met een geweten.
          Toen wist ik zeker: Nee! Nee. Nee. Nee. Ik doe niet mee.

          Maar morgen speelt Brazilië en ook Duitsland komt aan bod. Dan is het ook nog Nederland tegen Japan.
          U kijkt toch ook?

De Kleine Prins

          ‘Ik word vader,’ zegt mijn zoon.
          Hij legt een hand op de platte buik van het meisje naast hem. Een meisje is zij natuurlijk alleen maar in mijn ogen, in de wereld is zij een vrouw, de vrouw van zijn leven, al jaar en dag. Samen stralen ze zo fel dat je vanuit de ruimte de hele wijk verlicht kan zien.
          ‘Dat wil zeggen: jij wordt opa,’ voegt hij eraan toe. Vanaf nu ben ik voor hen en het kind dat gaat geboren worden die oude man met stoppelbaard en haargroei in zijn oren, waartegen je luider moet gaan praten, met twee woorden spreken en alles geduldig drie keer moet herhalen.

          Mijn bloed gaat sneller stromen. Ik word warm en koud vanbinnen en ergens in mij wordt een vuurwerk afgeschoten, caleidoscopische boeketten in duizend kleuren. Wanneer de mist vervaagt, staan mijn ogen glazig. Deze reactie had ik niet verwacht. Ik heb dat nooit gehad, grootvadersverlangen. En ook zij allebei hoefden niet zo nodig kinderen. Ze waren zonder ook al heel gelukkig met elkaar. Misschien is dat, flitst door mijn hoofd, nog wel het mooiste. Dat het niet van moeten is. Niet een kind om hun geluk compleet te maken maar gewoon een kind dat komt, een vrucht aan hun boom van liefde. Excuus hiervoor, het is waarheid wat ze zeggen, een man wordt melig op zijn oude dag.
          We omhelzen, knuffelen, zeggen proficiat mama, papa, opa, omhelzen en knuffelen een tweede keer. Kleine dingen zijn vaak te groot voor woorden.

          We fantaseren hoe het kind hun levens gaat veranderen.
          ‘Jij weet toch wel dat jij ermee op stap zal moeten?’ legt mijn zoon me nu al taken op. ‘De Zoo, Planckendael, het Speelgoedmuseum en Bokrijk?’ Meligheid kent zelfs op mijn leeftijd grenzen, dus ik zeg:
          ‘Wie gaat hem leren roken, denk je?’ (Vanuit mijn oude mannenblik lijk ik er zomaar vanuit te gaan dat dit kind een jongen wordt al maakt dat mij geen jota uit, tien vingertjes, tien teentjes en deze opa is content.)
          ‘Wie leert dat kind een Duvel uit te schenken? Wie neemt hem mee op kroegentocht? Wie zal achter de rug van zijn ouders om zijn strafwerk ondertekenen? Vieze woorden leren? Vriendinnetjes versieren?’ Veel notie van het grootouderschap heb ik niet, wel hoor ik al jaren dat een opa zijn kleinkind dingen kan laten doen die hij als ouder zijn eigen kinderen moest verbieden.

          We lachen en zijn gelukkig en drinken koffie en eten taart.
          Ik onderdruk de donkere zuchten in de spelonken van mijn geest. Even niet de opwarming van de aarde. Geen oorlog, ook niet een heel klein beetje, zelfs al zou dat beter kunnen zijn. Geen geweld. Even niets moeten, niet presteren, niet werken tot je doodvalt. Geen staatsschuld, ongelijkheid of hebzuchtige potentaten. Eventjes geen grote boze wereld nu.
          Twee, drie seconden klein geluk.

          Opgewekt en trots doen ze hun toekomstplannen uit de doeken. Het bureau wordt kinderkamer, blauw of roze, voor mij een vraag, voor hen een weet. Dit en dat moet nog gekocht, dadelijk even voorproeven in Ikea. Blij en vrolijk ratelen ze door. In mijn hoofd helaas is alles niet eenvoudig. In mijn hoofd buitelen gedachten als pasgeboren puppy’s over elkaar heen.
          Toen deze aanstaande vader en moeder werden geboren, stonden in Koeweit de olievelden in lichterlaaie. Was in Berlijn net de muur gesloopt en wist niemand wat er verder zou gebeuren. Viel Joegoslavië als een porseleinen vaas in scherven uit elkaar. Hier en daar verdween toen zomaar een kind.
          Ikzelf groeide op in jaren van dreiging en terreur: de oorlog in Vietnam, hongersnood in Bangladesh, München ’72, PLO, RAF, Rode Brigades. Weerloos en verdoofd dansten we op Doe Maar en de bom die zou gaan vallen. En ook de jaren ver daarvoor, mijn eigen ouders puberden onder Duitse bezetting. Ga maar door, ga maar door. Mijn oma overleefde twee wereldbranden.
          De wereld, zo bedenk ik terwijl ik glimlachend voorwend dat ik luister, was altijd al een brandhaard en een tranendal. Toch draait hij onverdroten door. En ook de mens, hij ploegt en ploetert en hij kweekt. Hoeveel kindjes zouden er gemaakt zijn in New York, toen die elfde september? En zelfs nog vandaag, in Gaza, Libanon, Sudan?

          ‘Hoe moet ons kind je noemen?’ onderbreekt mijn zoon mijn wandeling in Somberland. Samen overlopen we wat opties: bompa, bompi, opa, opaps, opoe, opi, pépé, vake, vava. Het ene klinkt me nog meliger dan het andere.
          ‘Er is nog tijd,’ besluiten we.
          Op weg naar huis een beeld:
          ‘Kom vriend,’ zeg ik, ‘trek je jasje aan. We gaan op stap, jij en ik, samen de wijde wereld in,’ waarop die Kleine Prins, te mondig al voor zijn leeftijd:
          ‘Ik kom eraan vriend. Vergeet jij niet je sjaaltje om te doen?’
          En dan dat kleine handje in de mijne.

Over mijn lijk

          De enige manier om alsnog een universitaire loopbaan uit te bouwen, is mijn lichaam schenken aan de wetenschap. Na mijn overlijden weliswaar, zolang ik leef mag ik er gewoon mijn zin mee blijven doen.

          ‘Iets bereiken aan een prestigieuze hogeschool was altijd al een droom,’ legde ik mijn kinderen uit. ‘Maar jullie weten hoe het gaat. Tussen droom en daad staan vaders in de weg en geldelijke ongemakken.’ Daar wisten zij allebei alles van.
          ‘Maar heeft het ook enig nut?’ vroegen ze door. Je kinderen opvoeden tot weerbare en kritische burgers, op een dag keert dat als een boemerang terug in je gezicht.
          ‘Ik heb het opgezocht,’ antwoordde ik, ‘studenten Geneeskunde kunnen dan op je oefenen.’
          ‘Bweikes,’ zei mijn dochter. Meteen haar officiële standpunt waarvan ze geen duimbreed meer zou wijken.
          ‘Cool,’ vond mijn zoon, net als zijn vader een man van weinig woorden.
    Toen bleek dat het afstaan van mijn stoffelijke resten kosten noch overlast met zich mee zou brengen, verloren ze hun interesse. Jouw lichaam, jouw keuze, vonden ze allebei. En ze gingen vrolijk verder met dingen doen waar een vader niks mee te maken heeft en overigens toch niet begrijpt.

          Terstond stuurde ik de nodige documenten door. Denken aan het einde van mijn leven bleek toch ingrijpender dan verwacht. Die avond lag ik nog lang wakker.
          Wat zouden die studenten uit mijn overschot nog kunnen leren?
          Kunnen ze tegenwoordig in longen lezen dat je op je zevende je eerste nicotine inhaleerde? Verklapt je lever dat je op de dag van je eerste communie ook je eerste witte wijntje dronk? Brood en wijn gingen toen nog hand in hand. Kaas kwam daar pas bij na het tweede Vaticaans Concilie toen de kerk de teugels ietwat losser liet. Ziet men aan de littekens op je hart hoe vaak het werd gebroken? Ze kunnen toch niet aan je levenloos orgaantje zien hoe vaak …?
          Ik moet zijn ingedommeld.
          Plots zit ik in een soort circus, met een ronde scène in het midden en tientallen rode zeteltjes eromheen. Schemerlicht. Witte lelies links en rechts. De geur van wierook en mirre. Enigszins sinister maar toch ook gezellig. En in het midden van de cirkel onder een gele sport een sectietafel met daarop onder een wit laken het lichaam dat een leven lang het mijne was geweest.
          Het publiek bestaat uit jonge mensen. Studenten zijn het, eerstejaars. Ze weten nog niet goed wat te verwachten. Aarzelend, afwachtend, ieder in zichzelf gekeerd. Ik ben hun eerste dode, het lijk dat ze hun leven lang zullen herinneren. De spanning is te snijden. Een zenuwpees probeert een flauwe grap maar die valt dood op koude steen.

          Komt een prof het circus in.
          Het zou een mopje kunnen zijn maar dat is het niet. Met forse tred stapt hij op het laken toe. Alle ogen zijn op hem gericht, daar geniet hij van, elk academiejaar opnieuw. Dit is zijn moment, hij is de kern van de dingen, jou is hij nog voor het aperitief vanavond alweer vergeten.
          Hij fantaseert over wat er dadelijk te gebeuren staat. Wellicht valt zoals elk jaar ergens op de tweede rij wel weer iemand flauw. De verkeerde studiekeuze, je ziet het altijd weer gebeuren. Iemand wil per se leren koken maar heeft een peperallergie. Iemand gaat voor tandarts maar kan niet tegen slechte adem. Iemand wil snookerspeler worden maar is kleurenblind. En in zijn eerste les vivisectie valt er dus altijd minstens eentje om.

          Met één forse ruk aan het witte laken legt hij mijn lichaam bloot. Hier en daar wat sporen van vergankelijkheid maar al bij al nog goed geconserveerd. Monden vallen open. Hier een gilletje, daar een kreet. Kreunen, zuchten en onrustig geschuifel.
          De professor, stokstijf van ervaring, geeft geen krimp. Hij heeft alles eerder al weleens gezien.
          ‘Heren. Dames,’ galmt zijn stem door de ademloze ruimte, ‘uw eerste indruk? Wat gaat er door u heen bij het zien van deze mens in al zijn naakte glorie?’ Niets dan stilte is het antwoord. De jongens geloven hun ogen niet. De meisjes, doorgaans nochtans niet gauw verlegen om een woord, buigen bedeesd het hoofd. Neergeslagen ogen, een beetje verlegen gegniffel links, zacht geroezemoes rechts.
          ‘Kom op,’ moedigt de professor aan, ‘we hebben niet de hele dag.’
          ‘Hij wel, probeert opnieuw de flauwe grappenmaker. Ook deze grap sterft meteen een stille dood.
          ‘Professor, durft ten langen leste een stroblond meisje al doet haar haarkleur er niet toe. Een uitstekende studente is zij, gemotiveerd en slim. De professor weet al van de eerste les dat zij een Grote Onderscheiding wordt. Uitdagend kijkt hij haar in de ogen. Zij aarzelt, stelt dan de vraag waar iedereen in het circus graag het antwoord op wil weten:
          ‘Professor, waarom lijkt deze mijnheer zo blij?’

Help de man

          Het zijn harde tijden voor een man.
          Toch voor een man als ik. Er is niet alleen die stomme manosfeer, er is ook die plotse omslag naar het warme weer.

          Toen ik kind was, waren mannen zwijgers. Granieten blokken. Noeste werkers, harde bast, steevast in zichzelf verzonken. Een man deed waar hij zin in had, was vrouw noch kind uitleg verschuldigd.
          Wij, de boomers van vandaag, waren anders. Onze idolen waren Marc Bolan, David Bowie, Lou Reed. Androgyne wezens. Half man, half vrouw, zo leek het wel. Zwaar onder de make-up, gestifte lippen, soms in een jurk optredend, soms in een pak.
          Nieuwe mannen werden wij. Mannen met een zachte kant. Mannen met gevoelens. Wij durfden huilen in het openbaar. Mij was dat op het lijf geschreven. Naar verluidt had ik de baarmoeder nog maar half verlaten en krijste ik de vroedvrouw al de kamer uit. Gillend, schreeuwend, als een waterval kwam ik in dit tranendal. ‘Alsof je negen maanden lang naar je Grote Bleirmoment had toegeleefd,’ vatte mijn vader het later samen.

          Mijn vader noemde ons de softe generatie.
          Hij kon maar niet begrijpen waarom en hoe wij liggend tussen een hoop kussens op de grond, in een wolk van rode Libanon en patchoeli, gegidst door een baardig figuur in Indisch gewaad, onze diepste ikken deelden met elkaar. Ook dat beviel mij overigens wonderwel. Bomen over wat mij bezighoudt, ik geef het op een briefje, geef mij een Duvel of twee, drie en als een stripper op een verjaardagsfeest kleedt mijn ziel zich voor je uit. Ongeremd en zonder schaamte, naakt tot op het vel. Hoe meer Duvel, hoe meer bloot, dat is mijn devies.

          Wij ontwikkelden onze vrouwelijke kant.
          Die heeft elke man, wat de manosfeer daar ook over zegt. Zo heeft ook elke vrouw wel wat mannelijks in zich. Waarom peilt men in zo’n enquête niet of een vrouw haar man mag slaan? Of gebeurt dat nooit? Daar hoor je de filosoof niet over.  
          Verwijfd, noemde mijn vader ons. Mannen van de verkeerde kant. Wij brushten onze haren die we tot op de schouders lieten groeien. We trokken op zaterdag weleens een potloodlijntje rond de ogen. Er werd weleens een sieraad omgehangen, links of rechts een oorbel ingeschoten. We liepen op schoenen met hoge hakken. Net meisjes, vond mijn vader.
          We stapten niet langer zomaar meer in broek en trui. We lieten de vrouwen in onze levens onze kleren kiezen. Eerst volgden we nog braaf het belegen vestimentair advies van onze moeders, later leerden we luisteren naar het lief van de dag, de week, de maand. Elk nieuw lief wist welk shirt het beste paste bij je blauwe ogen, welk hemd het mooist samenviel met je nieuwe schoenen. Vreemd genoeg kwamen ze allemaal bij een andere outfit uit. Daarover leerden wij te zwijgen. Het ging er per slot aan het einde van de avond niet om welke kleren je had aangetrokken maar om welke je had uitgedaan.

          Steeds meer gingen wij, nieuwe mannen, ons als vrouw gedragen. Wij hadden maandelijks onze dipjes, riepen voortdurend o my god, raakten steeds weer onze sleutels kwijt en gingen alsmaar vaker voor de spiegel staan. We knepen puistjes uit, maskeerden pukkels weg, deden rare dingen met ons haar. Schat, durfden wij weleens te vragen, vind jij mijn gat niet te dik in deze short?

          Natuurlijk stelden we ook grenzen aan die vrouwelijkheid. Een deel van ons blijft altijd man. Bij mij zie je het aan mijn kruin. Ik zou een monnik kunnen zijn. Maar zie je mij al lopen in een kleed? Ik dacht het niet.
          Dus ik heb me ook niet voorbereid op dit warme weer. Ik kocht geen tienbeurtenkaart voor de zonnebank. Liet ook mijn zwembroeklijn niet waxen. Schoor het haar niet van mijn benen.
          Hier sta ik dan, voor mijn kast met kleren. Schabben vol en niets om aan te doen. Vroeger had ik nog gezegd: een T-shirt, een short, sandalen, papa gaat op stap. Dat kan natuurlijk vandaag niet meer. Mijn kuiten zijn nog winters wit, hebben nog geen spatje zon gezien. Twee preistengels onder een afgeritste parabroek, dat is toch geen gezicht? Sandalen, draagt iemand dat nog? Witte sokken, mogen die nu weer wel of nog altijd niet? Ik weet het niet. Ik zou van wanhoop kunnen huilen.
          Dat ze daar maar eens een programma over maken op de televisie, over hoe je je als man moet kleden in de zomer. Daar zouden we heel wat beter mee geholpen zijn.

Die Deutsche Bahn

          Zo werd het ons met de kinderpap ingelepeld: Hollanders waren gierig, Fransen nonchalant, Engelsen dronken te veel en Duitsers waren in alles altijd ordelijk en stipt. Wij, Vlamingen, waren een gezellig volkje, Uilenspiegels, ietwat tegendraads, maar open en gastvrij.  

          Vanzelfsprekend stuurt het leven die stereotypen een beetje bij. Wij zijn minder fraai dan we onszelf graag in de etalage zetten en de anderen zijn ook maar gewone mensen met hun hebbelijkheden en gebreken.
          Maar toch.
          De Franse slag, er is iets van aan. En de Nederlander geeft nog altijd blijk van een diep doordrongen koopmansgeest. Dat merkte ik onlangs nog.
          Ik maakte een reisje in select gezelschap: twee Brusselaars waarvan een perfect vijftalig, twee Antwerpenaars waarvan een redelijk bescheiden, iemand uit Brabant en een man uit Nederland. In de shop van het Museum voor Design in Ülm kon je allerhande gadgets kopen, waaronder ook een brillendoos. Klapte je die open, dan zag je een motief in rood en zwart. Klapte je nog een keer door, dan kreeg je blauw en geel. Een waar wonder, ik snapte niet hoe het kon. Iedereen dook meteen in de portefeuille. Ik niet. Mijn nachtkast puilt uit van brillendozen die ik nooit gebruik en dingen kopen die ik niet begrijp kan mijn arme hoofd niet aan. Die elf euro vijftig hield ik in mijn binnenzak. Grote consternatie die avond bij het diner. Tussen de schnitzels en de pullen bier ging het van paste jouw bril in het doosje over neen bij mij ook niet tot zelfs mijn leesbril kreeg ik er niet in.
          ‘Lukte het bij jou?’ vroeg mij de Nederlander, die Edwin bleek te heten. Nederlanders heten heus niet allemaal Joop of Kees of Klaas zoals wij in onze korte broekenjaren graag beweerden.
          ‘Ik heb er geen gekocht,’ stamelde ik, ietwat verlegen omdat ik zoals die zuinige vader uit het lied van Driekoningen mijn geld op een rooster had geteld.
          ‘Nou,’ zei toen die Edwin, ‘je kan altijd nog het mijne overkopen. Achttien euro en dit wonderdoosje is van jou.’ Wellicht was hem als kind de fabel van de domme Belg ingelepeld.

          Wat helemaal niet klopt, is het verhaal over de Deutsche Gründlichkeit. Die Deutsche Bahn, jongens, jongens, wat een zootje is me dat! Geloof het of geloof het niet, onze eigen NMBS is een toonbeeld van stiptheid en organisatie vergeleken bij de puinhoop die men er ginds van heeft gemaakt.
          Daar stonden we dan, vorige zondag, ruim op tijd in Ülm in de zon op het perron. Ticket naar Brussel vooraf geregeld en betaald, voor die ene overstap in Frankfurt hadden we vijfentwintig minuten. Zelfs voor een man op jaren tijd genoeg om van spoor 6 tot bij spoor 7 te geraken. Ik verheugde me op enkele uren van lekker lezen, soezen en dommelen op het ritme van de wielekes en het akke akke tuut tuut weg zijn wij.

          Tot het digitale bord op het perron liet weten dat onze Zug een half uurtje later zou arriveren. Dat wilde dus zeggen, vijf minuten te laat voor onze overstap. Eerst hield ik er de moed nog in. Die tweede trein had vast en zeker ook vertraging, zo gaat dat bij ons toch ook? Toch speelden we liever zeker. De stationschef schreef een nieuwe route voor ons uit: met onze trein tot Mainheim, daar een overstapje en we zaten weer op het juiste spoor.
          Edoch, die verdammte Deutsche Bahn alweer. Ook onze alternatieve trein was niet op tijd. Werken aan het treinstel zei een holle stem. Dat klonk net zo geloofwaardig als die jongen die altijd te laat op school komt omdat de ketting van zijn fiets er voortdurend afloopt.
          Ik toverde mijn beste aus bei gegenüber mit nach seit von zu tevoorschijn en ook op deze trein bood een vriendelijke begeleidster hulp. Met een klein handtoestel drukte ze plan C af op een papiertje ter grootte van een kasticket. Van Mannheim naar Keulen, van Keulen naar Brussel, van Brussel naar huis. Is niet reizen ook altijd een beetje avontuur?

          Lang avontuur kort.
          Mannheim – Keulen: check. Keulen – Brussel: check!
          Zo leek het even. Tot een nogal pünktliche treindienaar naar ons Eurostarticket informeerde. Dat hadden we dus niet. Van het kleine kasticket wilde hij niet weten. Integendeel, hij werd warempel een beetje boos. Misschien werkt hij niet graag op zondag. Bars stelde hij ons voor de keuze: per kop 80 euro bijbetalen of de eerstvolgende stop eruit.
          Toen dacht ik aan wat mijn dochter mij heeft geleerd. Discussiëren helpt niet, beweert zij altijd, je moet medelijden wekken. Ik ben beginnen huilen als een baby. De tranen biggelden me over de wangen. De hals van mijn T-shirt raakte in een mum doorweekt. Mensen keken op, bestookten de treinbeambte met boze blikken, helemaal toen ik door de knieën ging en liggend op de grond om mijn overleden moeder begon te roepen.
          De conducteur werd prompt een ander man. Een oude man zien huilen kon hij duidelijk niet. Goedmoedig hielp hij me recht.
          ‘Het is goed, jongen,’ klopte hij me op de schouder. Zonder verder poespas mochten we tot Brussel mee. Daar kwam ik net op tijd om de trein naar Antwerpen voor mijn neus te zien vertrekken.

Timmy

          ‘Waarom heet hij Timmy?’ vroeg het meisje op het bankje tegenover me in het plantsoen voor het Centraal Station. Onmogelijk niet te kijken en het gesprek te horen. De vrouw met de zonnebril legde een bont jasje op haar schoot en haalde haar ontblote schouders op.
          ‘Tja, waarom? Dat is gewoon zijn naam.’
          ‘Ik vind het een stomme naam,’ pareerde het meisje kordaat, ‘en helemaal voor een vis.’ In een flits vroeg ik me af wat de Timmy’s die ik ken daarover dachten.
          ‘Hier,’ zei de vrouw. Uit haar handtas toverde ze twee spekken tevoorschijn, wit met roze, precies de kleuren van het jurkje en de schoenen van het meisje. Minstens een halve eeuw geleden dat ik dit snoepje nog had gezien. Het meisje propte de lekkernij zonder veel omhaal helemaal in haar mond. Verwoed kauwend vroeg ze:
          ‘Hebben zijn mama en zijn papa hem dan zo genoemd?’ 
          ‘Dat weet ik niet,’ antwoordde de vrouw. De klok op het stationsgebouw wees nog niet eens naar de tien, toch klonk ze al enigszins vermoeid. Ze stak haar neus in de lucht en leunde achterover, zoals alle vrouwen overal ter wereld wilde ze geen straaltje van de eerste voorjaarszon verloren laten gaan.
          ‘Ik denk van niet, oma,’ ging het meisje onvermoeibaar door zoals meisjes dat nu eenmaal kunnen. De oma haalde diep adem. Het was de eerste dag van een lang weekend. Ideaal voor de mama en de papa om even weg te vluchten uit de maatschappij. Quality time doorbrengen met elkaar, detoxen noemde haar dochter dat. Meteen ook kans voor oma om haar kleinkind mee te tronen naar de grote wilde dieren in de Zoo, zoals zij het zelf een halve eeuw geleden met haar eigen oma ook nog had gedaan.
          ‘Mocht ik een walvis zijn, ik zou hem Zwemmer hebben genoemd, of Vinnetje. Of Fonteintje.’ Ach, hoe rijk toch de verbeelding van een kind. Ik legde de schoolmeester in me meteen het zwijgen op. Die rol was uitgespeeld. Met de hedendaagse technologie kostte het de oma, of nog eerder misschien het meisje, niet meer dan vijf minuten om te achterhalen dat die walvis die nu al dagenlang voorrang kreeg op alle wereldbranden, zijn naam ontleende aan de plek waar hij voor het eerst was gezien: het Timmendorfer Strand aan de Duitse Oostzeekust.
          ‘Ik zou het echt niet weten, kind’, zuchtte de oma. ‘Zullen we het seffens in de Zoo een keer vragen?’  

          Ik beeldde me in hoe achter de donkere glazen van haar bril de ogen van de oma langzaam dichtvielen. Een seconde soezen, een powernapje zou haar dochter zeggen. Op haar leeftijd altijd een welgekomen luxe. Ik wist, er stond haar nog een lange dag te wachten, een dag van duizend vragen en nog meer geduld. Vandaag en morgen en de dagen die daarop volgen. Ontgiften, had haar dochter uitgelegd, doe je het best in een spa in de Ardennen en duurt bij voorkeur een lang weekend lang. Losgekoppeld van de wereld, vrij van internet en telefoon.
          ‘Toen ik zo oud was als jij nu,’ begon de oma een verhaal, ‘kende ik ook een heel beroemde vis. Enfin, een dolfijn, strikt genomen niet echt een vis. Dat doet er nu even niet zo toe. Die was heel bijzonder. Elke week opnieuw redde hij iemand het leven.’
          ‘En jij hebt die echt gekend, oma?’ De bewondering in de stem van het kind was ontroerend.
          ‘Nu ja, van op de televisie,’ gaf oma lacherig toe. ‘Kom, we gaan.’ Beringde vingers sloten zich om de kleine kinderhand.

          Ik keek ze nog een tijdje na, de oma en het kind.
          Ook ik herinnerde me Flipper nog. En ook nog Ed, het sprekende paard. En Lassie, de hond die duizendmaal beter naar zijn baasje luisterde dan het mormel bij ons thuis dat mijn vader van de straat had opgepikt. De dieren bij ons thuis kregen toen ook allemaal een naam. De schildpadden Knolleke en Jeroom, de kanarievogels Pietje 1, Pietje 2 en Pietje 3. De hamsters Leo en Gaston. Zelfs de drie goudvissen. We hadden ze gewonnen op de kermis. Ze leken zo erg op elkaar dat we ze niet uit elkaar konden houden. Toch gaf ik ze een naam. Elke dag stond ik ernaar te kijken. De vis die het eerst naar me kwam toe gezwommen, noemde ik natuurlijk Flipper. Wie van de andere twee het snelst een andere richting uitschoot, noemde ik Mark Spitz, naar de beste zwemmer van de wereld.
          De derde noemde ik gewoon Vis. Niet meer, niet minder. Zoals miljarden andere vissen overal ter wereld zwom hij braaf zijn rondjes, zonder precies te weten waarom en waar naartoe. In hem herkende ik nog het meest mezelf.