Blog

De dame en het brood

Dus ik moest naar Colruyt.
Ik dacht slim te zijn. Pal op het middaguur draaide ik de parking op, tussen twaalf en één eet immers iedereen. Weinig volk, snel klaar. Hoe moeilijk kan het zijn?
Ik was niet de enige die dacht het scherpste mes in de lade te zijn. Lange rijen aan de kassa. Murphy is overal. Hij plaatst winkelwagens van onbekenden precies voor de wijn die ik zoek. Of, als hij werkelijk provoceren wil, een onwrikbaar palet goedkope witte uit Chili of Zuid-Afrika.

Aan de bakkerijafdeling worstelde een oudje met de broodsnijmachine. Een vrouwtje zo klein, frêle en breekbaar dat ik er haast week van werd. Als het virus haar aantikt, is ze weg, dacht ik. Ze was vast ooit groter en pronter geweest maar de tijd had haar alle weelderigheid en charme ontstolen. Wat overbleef was een voorafname van het stof en as waar ze weldra naar zou wederkeren.
Het besje morrelde met de broodschuif. Het scheen niet goed te lukken. Ze sloeg haar waterige puppyogen naar me op. Ik meende haar onderlip te zien trillen.
Woorden wekken, voorbeelden strekken.
Ik legde een rond boerenwit in de tweede snijmachine, griste boven haar hoofd papieren zak nummer D uit een vak en stopte het gesneden brood er vlotjes in. Handig ben ik niet, maar brood bergen in een speciaal daarvoor ontworpen papieren zak, dat kan ik.

‘Mijnheer,’ kraste ze. Ik bukte me naar haar toe, alleen al het spreken vergde zichtbaar van haar krachten. ‘Hier staat: vergeet niet uw etiket te kleven.’
Fuck, dacht ik, maar dat zei ik niet. Fuck zeggen tegen onbekende dames, ongeacht hun leeftijd, is middeleeuws en barbaars en geheel uit de tijd.
Ik begreep haar probleem. Technologie maakt het leven van de ouderling niet eenvoudiger. Al helemaal niet als bedoelde etiketten zich op basketspelershoogte bevinden. Zelfs al mocht ze nog sterk genoeg zijn om haar arm boven haar hoofd te tillen, ze zou nooit hoog genoeg kunnen reiken. En de tijd van huppelen en springen lag duidelijk minstens een halve eeuw achter haar.
Ooit zwoer ik nog bij de waarden van de jeugdbeweging. Je naaste liefhebben, het goede doen, oude mensen de straat helpen oversteken, u kent dat. Dus vroeg ik welk brood ze precies had gekocht. Dat wist ze niet meer zeker, haar bevende vinger wees naar het goedkoopste. Ik drukte een etiket af en kleefde het op haar broodzak.
Mijn goede daad van de dag.

Aan het einde van de rayon botste ik bijna pardoes op het winkelwagentje van een vrouw die net de hoek om draaide. Onnozel als altijd, deed ik alsof ik door het bruuske remmen dubbel plooide over de handgreep van mijn eigen kar. Jaja, met mij kan je lachen, ik ben me er eentje.
‘Oeps, spannend,’ zei ik.
‘Spannend? Zeker spannend. Die pijlen op de grond wijzen pertang wel in welke richting je moet gaan,’ reageerde ze bits. Nog voldaan over mijn goede daad, wilde ik mijn luim geenszins laten bederven. Niet iedereen staat even vrolijk in dit bestaan, ik begrijp dat. Bovendien had ze gelijk.
‘Voor u ook een goede middag,’ zei ik en vervolgde mijn weg.

Een lange rij aan de kassa.
In het midden was ruimte maar de man voor mij blokkeerde het pad. Geduldig wachtte ik dus mijn beurt af, iets anders zat er niet op.
Een winkelkar stootte in mijn zij.
‘Excuseer, …’ probeerde ik. Nog voor ik me had omgedraaid, een tweede por, doortastender nu. Ik begon me te voelen als die kegel aan het einde van de bowlingbaan. In mijn hoofd zag ik een scène passeren uit een slechte Amerikaanse film, over een razende SUV die een hulpeloze cabrio het ravijn in bulldozert.
Inmiddels werd ook de man voor mij opzij gekegeld.
Eerst zag ik het brood, dan de met levervlekken bedekte handen, dan de kruin. Alles precies zoals bij de broodmachine. Het vrouwtje keek op noch om, banjerde onverstoord door de wachtrij heen. Die spleet uit elkaar zoals de zee voor Mozes en zijn volgelingen. Ik geloofde mijn ogen niet. Iedereen zette voor dit verschrompelde oudje spontaan een stap opzij. Als gehypnotiseerd voor zich uitkijkend kraste ze: ‘Jullie denken toch niet dat ik hier ga blijven staan zeker?’ Het klonk als een opgejaagde kraai in het wild.
Sprakeloos keek ik toe. Steeds verder schoof ze van me weg naar de lege ruimte in het midden. Het was overdreven boertig en onbeschaamd en onweerstaanbaar grappig tegelijk. De mensen keken nors en morden tegen elkaar, maar tegen haar zei niemand wat.
Een Colruytmeisje laadde de inhoud van haar karretje in een grote tas. Ze wenkte een sterke collega die de tas oppakte en het oudje naar de uitgang begeleidde.
‘Godverdomme,’ dacht ik, ‘jij gemeen serpent.’
Ik ben zo goed als zeker dat ze ook haar brood te weinig heeft betaald.

Een leven lang liefde

Zestig is ze.
Ze glimt op de cover van de weekendbijlage, tussen rondborstige Temptationbabes van wie we zelfs terwijl we ze lezen de namen alweer vergeten.
Het leven ploegde groeven in haar voorhoofd, weefde een web van kraaienpootjes rond haar ogen, experimenteerde met de rekbaarheid van mensenhuid. Desondanks sprankelen haar ogen als sterren in de nacht. Een glimlach op de lippen, de rustige vastheid van de jaren. Haar handen vormen een kom waarin een sjaal haar hoofd een warm kussen biedt. Op zestig voelt het leven kouder aan.
Ze heeft veel van de wereld gezien. Ze zag meisjes genitaal worden verminkt in Afrika en vrouwen lijden in Afghanistan. Bezocht gelukszoekers in het hoge Noorden en broeierige Zuiden. Ze is begaan met adoptiekinderen en draagmoeders, heeft een mening over klimaat en cancel culture. Ze maakte programma’s voor televisie en publiceerde boeken. Deze vrouw gaat het leven niet uit de weg, het leven dat zalfde en sloeg, zoals het leven doet. Ze huwde, kreeg kinderen, scheidde.
Optimism is a moral duty,’ zegt ze, en jaagt daarmee de herfst ver voorbij de horizon.
Dat ze weer verliefd is, vertelt ze vrolijk. Dat dat nog kan! ‘Het is voor mij een revelatie dat je op mijn leeftijd nog even verliefd kan worden als op je achttiende.’

Wat dacht je dan, vraag ik me af.
Bestaat er misschien een houdbaarheidsdatum waarop je je emoties voortijdig dient uit te zwaaien? ‘Ga maar jongens, het is goed geweest. Dag Angst, dag Woede, dag Vreugde en Verdriet, dag Verwondering, dag Vlinders in de buik. Voor jullie is het feest voorbij. Voorzichtig onderweg en houd daarboven een plekje vrij. Wij, Krakkemikkig Lichaam en Gezond Verstand, kuisen hier verder de boel wel op. Wij hebben nog wat losse eindjes bij elkaar te rafelen, belachelijke misverstanden recht te zetten, een erfenis te verdelen. Daarbij hebben we jullie niet vandoen.’

Dit denken wij te zien.
De afdeling Groenten en Fruit. Een man op jaren schuifelt mokkend achter vrouw en winkelkar, de ogen dof. Hij fantaseert over de wedstrijd van vanavond vanuit zijn zetel, flesje Tripel Karmeliet erbij. Hopelijk gaat ze vroeg naar bed. Dromerig grijpt hij naar een appel. ‘Laat liggen,’ sist zij. ‘Wat denk je te gaan doen? Het is niet dat je er nog de tanden voor hebt.’ Zuchtend verzaakt hij aan de verboden vrucht.
In de Lunch Garden morrelen ze zwijgend in papperige puree. Door het grote raam gapen ze terug naar de voorbijgangers, als apen in de Zoo. Hun ogen flets en onleesbaar. De spiegel van de ziel, bedekt met eelt of minstens zwaar bewasemd.
Wij zien hen niet, kijken niet voorbij de bedrieglijke waterspiegel aan het oppervlak, hebben geen oog voor de kolkende stroming eronder.

Hoe gruwelijk de gedachte dat vanaf de middelbare leeftijd enkel nog de Rede heerst. Hoe meer littekens het leven tekent aan de buitenkant, hoe lager de passiemeter binnenin, zo redeneren wij. Liefde, verlangen, hartenpijn, het voorrecht van de jeugd. Wij, grijzer en wijzer, reciteren droefgeestig Elsschot uit het hoofd:

               Hij vloekte en ging tekeer en trok zich bij den baard
               en mat haar met den blik, maar kon niet meer begeren
               hij zag de grootste zonde in duivelsplicht verkeren
               en hoe zij tot hem opkeek als een stervend paard

Hij wilde haar doodslaan maar, dat is bekend, hij deed het niet. De drang nochtans was heftig en intens, hij vloekte, ging tekeer, trok zich bij den baard. Wat hem weerhield zijn droom in daad om te zetten, waren wetten en praktische bezwaren en, dat vergeten wij, weemoedigheid die des avonds komt wanneer men slapen gaat.
Hoeveel heftiger kan het zijn? Hoeveel drift raast in deze gekwelde ziel? De vulkaan braakt dan wel geen kokend lava uit, ziedend woedt en laait het vuur nog in de krater. Gelukkig voor zijn vrouw heeft hij de jaren bereikt waarin het hoofd het weleens mag winnen van het hart.
Wij kennen dat. Ook wij klemmen nu en dan de lippen op elkaar om uitbarsting te voorkomen.

Als drift dat al vermag, waarom zou dan de liefde niet?
Er wordt getinderd dat het een lieve lust is, door hoogopgeleide nog midden in het leven staande jong van hart en geest zijnde vrijgezellen m/v/x die nu de kroost het huis uit is een tweede, derde of vierde kans wagen op zoek naar warmte en begeerte en als het even kan graag ook nog een vleugje, zeg maar vlaag, erotiek.
Er wordt blind gedatet door paren op jaren die niettegenstaande enige recente en minder recente gebeurtenissen toch nog een verblijf op amoureus gebied overwegen.
U wil niet weten hoeveel er wordt gefrunnikt en gefoezeld in bejaardenhuizen en serviceflats.
Echt niet.
Het is pas voorbij als de dame met zingen ophoudt.

Het licht in haar ogen

Wat is kunst?
Over deze en andere vragen breken u en ik al eens graag het hoofd. Een sluitend antwoord vinden we niet maar wat zou het? Prakkiseren over wat er uiteindelijk niets toe doet, het vult de donkere dagen, kost geen geld en houdt ons van de straat.

De blik in haar ogen, ja, dat is kunst, dat weten wij. Dat heeft Stijn er nog stevig ingedramd.
De glinstering in de blauwe irissen van Marieke Lucas Rijneveld vorige zaterdag bij Thomas Vanderveken kwam wel heel erg dicht bij die definitie. Ogen zijn de spiegel van de ziel, zo zegt de dichter. De ziel van de schrijfster zal dan blank en ongeschonden zijn. Onschuld borrelde van diep vanbinnen omhoog en zocht zich een uitweg langs oog en mond.
‘Noem mij maar Tussenpersoon,’ zei ze. Omdat ze het zelf ook niet weet, of ze een zij is of een hij. Allebei, denkt ze. Noem haar wat mij betreft Totaalpersoon. Zij is zoveel meer dan de som van zomaar een jongen en zomaar een meisje. Om de woorden van een andere schrijfster te ontlenen, zij mag alles zijn.
Alles zijn en toch gewoon jezelf blijven, grote kunst.

Meer nog dan een praat- is ‘Alleen Elvis blijft bestaan’ een luisterprogramma.
Twee mensen aan een tafel, glas water, close-up camera’s. De twee kennen elkaar hooguit van naam. Samen met zijn redactie heeft de ene het komende anderhalf uur minutieus voorbereid, de ander scharrelde intussen wat beeldfragmenten bij elkaar. Patti Smith, Billie Eilish, Theo en Thea.
Er ontstaat een heus gesprek, zonder debatfiches. Met woorden, blikken, stiltes. Er valt al eens een euh. De twee snuffelen, tasten, zoeken, willen elkaar beter leren kennen. Zij ontdekken, geven zich bloot, kwetsbaar haast als geliefden. Er gebeurt iets, ze verrijken zich aan elkaar.
Daarvan getuige te mogen zijn, beschouw ik als een voorrecht. Tijdens de aftiteling vervlochten hun handen zich. Een klein gebaar van grote schoonheid.

Meisjes uit Bulgarije of Litouwen die getooid in traditionele jurken folkloristische liedjes zingen, ook dat is kunst.
Ik zag ze op het heilige podium van de Koningin Elisabethzaal. Zoals alles van waarde kwamen ook zij weerloos, met alleen maar hun stemmen en een aandoenlijk jeugdig enthousiasme. Niets schept meer vreugde dan onbekommerd getwinkel van opgewekte meisjes. Het warmde de mens vanbinnen, krulde een glimlach op de lippen. Je zou willen meezingen maar ontbeert daarvoor de stem en noodzakelijke basiskennis van het Bulgaars of Litouws. Wegdrijven op melodieën van engelenkoren, dat kon dan weer wel.
Ook een koor uit de omgeving gaf present. Tachtig jonge Borgerhoutenaren zongen boodschappen van belofte en hoop. Hun gezangen klommen omhoog boven het dagelijkse brommergeknetter van snelle drugkoeriers, loeiende sirenes en de occasionele ontploffing van een granaat.
Helaas, ze werden niet gehoord door de afwezige burgemeester en zijn vazallen. Het zou hun kijk op een bepaalde gemeenschap mogelijk enigszins hebben bijgesteld, muziek verzacht immers de zeden. De andere kant opkijken, kansen laten liggen om vooroordelen bij te sturen en dichter bij elkaar te komen, koud kunstje voor een uil die niet wil zien.

Oude kunst gezien ook in het schilderachtige Delft, vorige week.
Schuilen voor de regen kan er bij het praalgraf van Willem van Oranje. Maar het is daar kil en stil en niemand zegt wat terug. Een tombe is zelden interactief.
Doe mij maar het Huis van Johannes Vermeer. Van souterrain tot nok volgestouwd met relieken en prullaria ter meerdere eer en glorie van de ongelukkige Meester van het Licht. Geleefd als een artiest, berooid tot in de kist. Stijn had helemaal gelijk, de blik in de ogen van Het Meisje met de Parel, dat is kunst.

Onze onophoudelijke zoektocht naar schoonheid liep enigszins spaak in het feeërieke Gent. Mia had er nochtans het licht gezien, zo was ons toch verteld. Wat Mia kan, zou ons ook wel lukken.
Driewerf helaas.
Ik word niet week van een rode lichtkolom op een kale muur. Een stroboscopisch kleurenpalet wekt in mij geen diepere emoties op. Krassende en krijsende kreten onder een tollend spotlicht, ik word er koud noch warm van.
Gelukkig bood af en toe een installatie schoonheid en troost. Gezichtsmozaïeken geprojecteerd op boomblaadjes. Verlichte waterdruppels die raadselachtige woorden vormden. Voor idee, uitvoering en balsem op de ziel, een tien.

Aan het einde van de route mocht de bezoeker lege bladen vullen. ‘Wendy was hier,’ las ik, en ‘Groeten uit Venlo.’
‘Zolang de laatste maar niet vergeet het licht uit te doen,’ kribbelde ik speels op een verder  onbeschreven blad.
Een grapje. Al lachend zegt de nar de waarheid.

Een verslaggever in de leegte

Herkent u deze zin?
“Ergens, in de vele verhalenbanken die her en der zijn aangelegd om uit te kunnen putten wanneer de wereld een vertelling nodig heeft, moet de fabel zijn terug te vinden die ons zegt dat men bij zijn aankomst in het rijk der doden een kenmerk moet melden, slechts één, dat het hele voorbije leven typeerde.”

Juist. Het is de verrukkelijke opening van Mevrouw Verona daalt de heuvel af van Dimitri Verhulst. Ik las het na De Helaasheid der Dingen en werd wak als was.

Gevolg: een halve meter Verhulst op de boekenplank. Elf stuks, geen enkele keer sloot ik een lezing ontgoocheld af. De man beschrijft het leven zoals het is in al haar dieptreurige zwaarmoedigheid, gaat geen ongemak uit de weg en dipt zijn verhalen in een scheut onderkoeld sarcasme wat het geheel bedrieglijk licht verteerbaar maakt. Echt vrolijk word je er zelden van, al mag er onderweg ook weleens gelachen worden, zij het besmuikt en binnensmonds. Hij durft doorduwen waar je het voelt en laat de lezer weleens naar adem happen, altijd in een rijk en plastisch Nederlands.
Ik ben geloof ik wel een beetje fan.
Onlangs attendeerde iemand me op een mij onbekend werk: ‘Onze verslaggever in de Leegte’. Een dagboek, blijkt uit een recensie op het web, “… het verslag van een zelfvernietiging: liever zelf naar de klote dan dat je ondergang door een ander wordt veroorzaakt.” Helder. Vintage Verhulst. Perfecte timing ook. Het is sowieso de tijd van het jaar om je onder te dompelen in misantropie en mistroostigheid.

Nochtans ben ik geen dagboekenman.
Anne Frank liet mij natuurlijk niet onverschillig. Adrian Mole vond ik hilarisch. Enige tijd geleden tipte ik nog Pogingen iets van het Leven te maken (https://desprekershoekvandeschrijverij.blog/?s=Hendrik+Groen).
Maar verder leeft in mij een hardnekkig vooroordeel. Elke dag je wissewasjes noteren in een schrift vind ik getuigen van verregaande navelstaarderij. Bakvisromantiek. Wanhoopschriftuur voor de schrijver die geen betere deugdelijke compositie kan bedenken. In de Grote Bibliotheek der Invalshoeken vind je Dagboek achteraan, ver voorbij Autobiografie en Brievenroman.
Deze vooringenomenheid zit als in stenen tafelen gebeiteld in mijn hoofd. Misschien komt het doordat ikzelf zelden iets beleef dat de moeite van het noteren waard is.

Maandag
Driekwart dag gewerkt aan een stuk dat vermoedelijk nergens toe zal leiden, tenzij de prullenbak. Aanmodderaar, zegt mijn Twitterprofiel. Vruchteloze Ploeteraar kan er misschien nog bij. Veel duimpjes genereert het niet.
 ’s Avonds schrijfcursus. Feedback opdracht 03: mijn ingezonden tekst werd goed onthaald, al staan er nog domme fouten in. Een van de personages lijkt ongewild een groene baard te hebben.

Dinsdag
De zon schijnt, fietsdag.
Mijn dochter viert haar verjaardag in Amsterdam. Bloemenmarkt, Madame Tussauds, een verrukkelijke pasta in een oer-Hollands supergezellig restaurant. Dat zijn de dingen die ze me wél vertelt. Haar dagboeken schrijven zichzelf. De productiviteitsgraad van De Schrijverij evenwel bevindt zich net als Amsterdam onder zeeniveau.  Het orderboek is leeg en het wassende water heeft de Bron der Inspiratie in zich opgenomen. Ideeën, woorden en volzinnen dobberen weg op wereldwijde oceanen, voedsel voor vissen en de Ocean Cleanup van Boyan Slat.   

Woensdag
Toneelvoorstelling: De Aanzegster. Tekst van I.L. Pfeiffer.
Een leerkracht zag er blijkbaar een interessante opdracht in. De stilzwijgende clash der generaties: al wat ouder is dan vijftig draagt een mondkapje. Mijn stoel bevindt zich tussen 6 Moderne Talen. Ik ben die gerimpelde knaap met een kale plek op het achterhoofd en de mond bedekt. Achteraf evalueren de scholieren luidruchtig. ‘Ik had het erger verwacht,’ zegt de een. ‘Viel nog wel mee,’ vindt een ander. Mijn mening vraagt niemand.
Ook woorden van Pfeiffer dobberen soms doelloos in de ruimte. Er is altijd voor alles een troost.

Donderdag
Nog geen idee voor de zaterdagse blog. Een dagboek misschien?
Volgens mijn kinesiste zet ik mijn voeten verkeerd. ‘Het wordt wellicht lastig om dat nog te corrigeren, op uw leeftijd,’ zegt ze achteloos. Hoop doet leven, maar wat als er geen hoop meer is?
Ik neem een krachtig besluit. Voor alle overheidsbrieven hanteer ik voortaan de niet-testenstrategie van Ben Weyts. Niet kijken, dus van niets weten, dus niets betalen.

Vrijdag
Een halve ochtend zoekend naar ideeën in mijn boekenkast. Bij de V van Verhulst gaat de lamp eindelijk branden.
Veertien hopeloze inlogpogingen in The Virtual Village van de World Choir Games. Misschien lijd ik aan Digibetisme. Bestaat geen vaccin voor. Zelfmedicatie is hier de regel, je zoekt het maar uit. Er bestaat wellicht een appje voor. Wel ontbreekt de handleiding die uitlegt hoe de app werkt. Ik heb nood aan een computerbuddy. Mocht ik weten hoe het moest, ik creëerde een avatar naar eigen beeld en gelijkenis. Bestaat vast een appje voor.

Zaterdag
Vanavond openingsceremonie World Choir Games. De teksten moeten in het Engels. Dat is mijn tweede taal, makkelijk zat. The sun is shining and the birds are singing on the staircase.
Afspraak in de vooravond aan Antwerp Expo. Vooraf misschien nog even de stad in, op zoek naar Een Verslaggever in de Leegte.
Wordt vast een heerlijke leeservaring.

Op zoek naar Schoonheid

Some guys have all the luck.
Het leven is een eeuwige zoektocht naar Schoonheid en Troost. Het is kunst de rozijnen te vinden in de oeverloze brij van trivia en weetjes op het wereldwijde web. Soms zit het mee. Zo stootte ik laatst pardoes op een Open Call.
‘Gewoon Oproep is ook niet verkeerd,’ bromde ik eerst nog.
De taalliefhebber in mij voelt zich alsmaar vaker als die stier in de arena, omringd door rode lappen en zigzaggende matadors. Op mijn leeftijd mag ik graag balorig worden over dingen die er verder op geen enkele manier toe doen, zoals het bovenmatig gebruik van Engelse termen waarvoor een perfect Nederlands alternatief bestaat.
Sommige jongens hebben alle geluk dus, zoiets.

Dit geheel terzijde.
Voornoemde oproep werd gelanceerd door Creatief Schrijven VZW, een platform voor lieden zoals ik, die het prettig vinden de kronkels van hun gedachten op min of meer deugdelijke wijze met de wereld te delen teneinde het bestaan van de medemens luttele ogenblikken op te vrolijken. De bede richtte zich tot bloggers en, in samenwerking met BREEDBEELD, adepten van de fotografie. Men zocht medewerkers om de World Choir Games te illustreren met woord en beeld.

De World Choir Games zijn voor het zangkoor wat de Olympische Spelen zijn voor zwemmer, kruisboogschutter of gewichtheffer. Het hoogtepunt van de carrière. De uitgelezen gelegenheid om het eigen kunnen te meten met gelijkgestemden uit alle hoeken van de wereld. Dé kans om een keer zelf voor het voetlicht te acteren. Het lot van de koorzanger is de achtergrond. Tenzij in een Griekse tragedie, krijgt hij zelden de hoofdrol toebedeeld. Die is heden ten dage weggelegd voor sporters of soapacteurs, clowns in praatprogramma’s en parlementen of aandachtzoekers op de socials.
Games en Spelen varen onder identieke vlag. Deelnemen is belangrijker dan winnen, al zal ook hier de winnaar het allemáál nemen. Ook bij deze wedstrijd hoort een vlam, is de bezetting internationaal en wordt het concours om de zoveel jaar in een ander continent georganiseerd. De vorige Games vonden in 2018 plaats in Zuid-Afrika – meer dan zevenhonderd deelnemers – de volgende gaan door in Zuid-Korea. En die van dit jaar binnenkort in Antwerpen en Gent.

Is de schrijver nu plots ook een zanger?
Geen paniek. Van stemvork of partituur begrijp ik evenveel als van de kronkels in het brein van Bart De Pauw. Een tijdlang leefde ik in de overtuiging dat diep in mij een rockster woonde, met een stem van schuurpapier en een charisma dat gletsjers doet smelten. Gelukkig brengen jaren inzicht met zich mee. Tegenwoordig verhef ik mijn stem zelfs niet onder de masserende stralen van de douche. De buurt kreunt nu al onder de aanhoudende lawaaivervuiling. Bladblazers brullen, grasmaaiers ronken en haagscharen razen, frequenter dan de gemiddelde puber aan seks denkt.
De Open Call stelde geen hoge eisen. Om een bijdrage te leveren aan dit Hoogfeest van het Zangkoor was kennis van muziek geen vereiste. Men vroeg een weinig tijd en veel goesting. Wie zich geroepen voelde, mocht een kandidatuur indienen.

De Schrijverij behoorde tot de selecte groep der uitverkorenen. Literaire doorbraak, hoor ik u denken, eeuwige roem, exuberante verloning, dat brood is gebakken, het bed gespreid. Niets van dat alles. Een ware minnaar van Schone Kunsten maalt niet om ordinair materieel gewin. Hij weet zich al voldoende beloond met een gratis toegangsticket, enige waardering en een inwijding in andere individuele expressievormen van individuele emoties.
Vorig weekend ontmoetten bloggers en fotografen elkaar. Wederom erken ik ootmoedig, ook van de wereld van het lichtbeeld at ik kaas, vlees noch vis. Foto’s worden geshopt, dat wist ik, maar de enige mij bekende lens is de contactlens en in mijn beleving gaat enkel de koffie door een filter. Er schijnen massaal veel pixels te bestaan, maar persoonlijk ken ik er niet een en van sluitertijd, groothoek of breedbeeld begrijp ik geen jota.

Wel kan ik mooi onderscheiden van lelijk. Warm van koud. Emotie van oppervlakkig. Een wereld openbaarde zich voor me toen de portfolio’s openlagen. Ik kreeg inkijk in de mens achter de lens. Zag hoe een man of vrouw achter de camera wikt en weegt, kijkt en kadert, schippert tussen kleur of zwartwit, focus of suggestie. Ik vertrok rijker dan ik was gekomen.
Het is zondermeer ontroerend te zien hoe bevlogen de liefhebber, of hij of zij schilder is of zanger, fotograaf, pottenbakker of meubelmaker, tracht naar Schoonheid in de wirwar van het bestaan, zoekt naar de bloem op de belt, de zilveren rand rond de donderwolk.
Tot zover woord en beeld. Tijd voor klank.
Let the Games begin.
Laat de Spelen aanvangen.

https://www.wcg2021.be/

Bomma zegt nee

Je hebt voldoende kilometers op je teller, zou je denken. Jou krijgen ze niet zo gauw meer op je paard. En toch, deze week.

Eerst.
Een hoop heisa over een BV en de grenzen van het fatsoen. Je wilde het negeren maar het was overal, de hele tijd. God en Kleine Pier trokken stante pede een toga over het hoofd, scharrelden zwaard en weegschaal bij elkaar en bonden zich een blinddoek voor. Wie heeft nog een wetboek nodig om recht te kunnen spreken?
Je scrolt door het oordeel des volks. Je maag tolt als een badlaken in een droogtrommel. Dat die wijven niet zoveel complimenten moeten maken. Dat ze het zelf hebben gezocht. Dat het allemaal zo erg toch niet is, een paar duizend tekstberichten, so what?
Als een ander ons op onze grenzen wijst, schreeuwen we woke en brand, maar zelf weten wij precies hoeveel die ander moet kunnen verdragen. Hoe erg moet het zijn, vraag je je af. Wie anders dan de belaagde zelf bepaalt die grens? Als ieder voor zijn eigen deur veegt, is heel de straat proper, zei de bomma vroeger.
Ooit onderrichtte je jongens van zeventien over liefde en lichamelijkheid. Zij wisten daar verbijsterend weinig over. ‘Als ze nee zegt, zegt ze nee,’ waarschuwde je. ‘dat heb je dan te accepteren. Vind je dat lastig, denk dan aan mij. Uw goesting zal rap over zijn.’ Haha en begrepen mijnheer. Doelstelling bereikt. Nooit geweten hoe vaak op zaterdagavond er ook daadwerkelijk aan jou werd gedacht.

Dan.
Die voorzitter van het Eigenbelang: ‘Als je politici minder gaat betalen, worden ze vatbaarder voor corruptie’. Dat moest even zinken. Aan uw eigen kent ge een ander, komt ook van de bomma.  Zesduizend euro elke maand, anders speelt hij vals. Zo zijn die politiekers, blijkbaar, ze zeggen het zelf. Jij bent natuurlijk betrouwbaarder dan de heilige maagd, dat spreekt, jij hebt geen zesduizend euro nodig om je boterham eerlijk te verdienen.
Een op vier gouwgenoten geeft dit creatuur een stem.
Soms wil je opnieuw geboren worden, op een plek ver van hier.

En nog.
Het land verkeert in nood, overal zoekt men centen. Jij weet ze liggen, makkelijk zat. Ruw geschat twaalfhonderd Belgen parkeren hun fortuin in een belastingparadijs, goed voor om en bij een slordige 172 miljard.
‘Legaal,’ verdedigt men, ‘gewoon de achterpoortjes van de wet.’ Dat verkleinwoord alleen al. Sluit die dan, denk je. Beetje Koninklijk Besluit is zo in elkaar geflanst, zie avondklok of knuffelcontact.
Maar neen, liever stroopt men de kei het vel af.
Het geld moet gehaald waar het zit en dat is, dat weten we allemaal, bij de Langdurig Zieke. Die moet eindelijk eens worden aangepakt. Dat stapt pas uit bed als de Gezonde al een uur nukkig in de file staat, op weg naar de dagelijkse slavenarbeid. Dat plukt de dagen, ontbijt op het gemak, eitje zacht gekookt, warme croissant erbij, kannetje koffie, krant. Dat gaapt door het raam, geeuwt nog een keer, mompelt ‘Laten we vandaag maar eens lekker niets doen. De Gezonden travakken wel voor twee.’

Jij weet beter.
Je was er niet lang geleden zelf een. Achter je de bruggen opgeblazen, voor je het gapende gat. Het vat der wilskracht leeg, de energievoorraad uitgeput. Elke volgende dag dreigde nog donkerder dan de vorige.
Je voelt nog steeds de schaamte, de machteloosheid, het pijnlijke besef overbodig te zijn. Dat loden schuldgevoel omdat je werd betaald voor werk dat je niet deed. Je was bang en onzeker, altijd benauwd voor de deurbel, ook op vrijdagavond, de controlearts slaapt nooit. Hij hoort je vijf minuten aan en beslist dan ontegensprekelijk over de rest van je leven.
‘Ga wat doen, leef’ adviseerde je psycholoog. Weer op straat, liep je dicht tegen de gevels aan, hoody over je hoofd. Je wilde niemand zien en door niemand gezien worden. Je schaamde je als je in de zon een boek las of ging fietsen.
Wat iemand een Langdurig Zieke maakt, interesseert de Gezonde niet. Een geknapte rug of geknelde zenuw, de nasleep van een officieel genezen kanker, een onzichtbare aandoening waardoor je aldoor hondsmoe bent, hem zegt het allemaal niets. Hij kent het niet, voelt het niet, moet er niet van weten. Jij bent de krekel, hij de mier. Jij zingt je door de dag terwijl hij in het zweet zijns aanschijns de ruif moet spekken die jij ongegeneerd weer leeg vreet. Na de Werkloze, de Waal en de Migrant, moet nu de Langdurig Zieke aan de schandpaal.
Bij het Laatste Oordeel vraagt men in dit land niet: ‘Ben je een goede mens geweest,’ maar wel: ‘hoeveel dagen had jij verlet?’
Wie niet werkt, is gezien.

En toen.
‘Nee,’ zeg je. ‘Het is genoeg geweest.’
Rolluik toe, flesje open. Nee, voor jou hoeft het even niet meer.’
En nee is nee.
Dat was bij de bomma ook al zo.

Tweespraak

Simon Carmiggelt was een journalist uit Den Haag. Maar veel meer dan dat was hij een begenadigd auteur. Hij publiceerde dagelijks in melancholie gedrenkte cursiefjes in de krant. Inspiratie vond hij in smoezelige kroegen, in parken en op straat. Het leven zoals het is in zwart op wit.
Soms speel ik dat ik Simon Carmiggelt ben.
Schrijven zoals hij zal ik nooit kunnen maar wat kroeglopen betreft durf ik mijn voet gerust naast de zijne zetten. Ook ik mag graag verdwalen in de kleine aders van de binnenstad. In een of andere tapperij verschuil ik me dan achter een raam vanwaar ik me vergaap aan argeloze passanten. Het schaadt niemand, het kost weinig geld en het doodt de tijd.

Aan het tafeltje naast me zat een man met een biertje. Hij leek de oerknal nog te hebben overleefd. Geruite pet op het hoofd, bussels witte haren uit de oren, hals en aangezicht verrimpeld als een uitgedroogde rivier. Zijn schildpadogen keken waterig naar overal en nergens. Af en toe mompelde hij wat tegen zijn glas. Dat kieperde hij dan met ferme slokken achterover. Een boertje, een zucht, hij hief het glas omhoog en zwaaide ermee. Meteen bracht de waardin hem een vers getapte pint.
Ze verstonden elkaar, die twee.
‘Let maar niet op Kees,’ zei ze tegen me, toen ze me een bier en een borrel bracht. ‘Hij is nogal op zichzelf maar doet geen vlieg kwaad.’
Niet letten op Kees was niet echt mogelijk. Hoe meer glazen hij de lucht in stak, hoe driester zijn discours dat alsmaar aan volume won. Veel verstond je er niet van. Een grom, een godverdomme, een stomme trut en toen, luid en helder: ‘Nelly!’. Prompt verscheen weer de herbergierster. Ze zette een nieuw glas voor hem neer en verdween opnieuw achter de tapkast.

Aan de buitenkant van het raam dropen regendruppels aarzelend naar beneden. Onderweg hielden ze nog even halt, alsof ze hun lot nog wat voor zich wilden uitschuiven, niet goedschiks wilden meedraaien in de carrousel van hun leven, van riool naar rivier naar oceaan naar wolk naar caféraam. Ik scharrelde naar mijn notitieboekje, het was een dag voor poëzie.
Kees dacht daar duidelijk anders over. Met de regelmaat van een metronoom zwaaide hij zijn lege glas in de lucht. Elke keer weer was de bazin er als de kippen bij. Hoe meer hij dronk, hoe krachtiger zijn gevloek en gescheld. Hij raakte verwikkeld in een stormachtige discussie met zichzelf.

Ook mijn glas geraakte ondertussen leeg. Maar mijn dorst was daarmee nog niet gestild.
‘Nelly,’ riep ik luid.
Het hoofd van de caféhoudster schoot van achter de tapkast omhoog. Verbijsterd keek ze me aan. Het viel me op hoe stil het plots geworden was in het café. Er klonk geen muziek, er rinkelden geen glazen, er roezemoesden geen klanten. De wereld leek even stilgevallen.
Ook Kees zei geen woord.
Ik hield mijn glas omhoog. De kroeghoudster slofte met zichtbare tegenzin naar me toe. Ze pletste mijn nieuwe pint op een bierkaartje.
‘Dat mag u niet meer doen, mijnheer,’ zei ze.
‘Hoe bedoelt u?’ vroeg ik, uit mijn lood geslagen.
‘Haar roepen. Ze hoort bij hem.’
Beduusd keek ik haar aan. Ik hoorde hoe Kees inmiddels de draad van zijn dispuut had weergevonden. Nu zuchtte ook zij. Ze ging zitten op de stoel tegenover me. Haar stem klonk verrassend zacht.
‘Nelly was zijn vrouw,’ zei ze, ‘ze is dood. Ongeveer een jaar geleden. Kanker. Enfin, niet echt. Aan de pillen die ervoor moesten zorgen dat de kanker niet zou terugkomen. Nou, die hebben hun effect niet gemist. Ze was de pijp uit voor ze weer ziek kon worden.’
Ik nipte aan mijn glas.
‘Ze kwamen hier al van toen ik nog een schoolkind was. Altijd met twee. Daar, aan dat tafeltje. En maar discussiëren, ruzie, elke dag opnieuw.’
Ze wierp een blik op de woedende Kees die nu helemaal in zijn gebekvecht verloren liep. Hij gebaarde driftig naar de lege stoel tegenover hem.
‘En nu moet hij alleen verder,’ zei ze. ‘Ocharme.’
Ze stond op.
‘Als je nog wat nodig hebt, ik heet Elize,’ voegde ze eraan toe.

Ik dronk mijn glas leeg, legde wat centen op de tafel, trok mijn jas aan en zette mijn hoed op.
De dood laat meer achter dan hij meeneemt, dacht ik.
Simon Carmiggelt zijn is soms lastiger dan je zou denken.

Iedereen ABBA

De zomer had het opgegeven.
De zon ging alsmaar vroeger slapen. De hoogste temperaturen trokken naar andere oorden. Aan de hemel schurkten wolken zich tegen elkaar aan. Af en toe stortten ze hun tranen uit. Het land rilde onder een sluier van grijze mist. Hij is weer voorbij, die mooie zomer, dacht ik mistroostig. Ik was nog lang niet klaar voor die eindeloze paternoster van natte, koude, donkere dagen.
Maar hoor!
Uit de radio klom een vrouwenstem, een sirene op een rots gelijk. In geen tijd vulde de kamer zich met warmte en liefde. Violen. Een dartele riedel op een piano. Niet langer stond hier de herfst voor de deur, maar de lente. Dank u voor de muziek, dacht ik, en voor de liedjes die we zingen en het plezier dat ze brengen. Nu zou ook gauw weer de zon gaan schijnen en het hoogseizoen een doorstart nemen. Ik betrapte mezelf warempel op enige vrolijkheid.

Dit lied. Ik had het nog nooit gehoord, toch leek het of ik het al jaren kende.
‘De nieuwe plaat van ABBA,’ zei de presentator.
ABBA? Die kende ik natuurlijk nog. Zweedse makelij, verhoudt zich tot de wereld van muziek als een Ikeazetel tot een Chesterfield. In hun fabriek produceerden zij meezingers aan de lopende band, in groter getale dan Volvo in Torslanda personenwagens afgewerkt kreeg. Elk nummer een doorslag van het vorige. Elk optreden minutieus voorgekauwd, voorspelbare dansjes, belachelijke outfits, een pastaglimlach onechter dan die van de wassen beelden bij Madame Tussauds.
Björn, Benny, Agnetha en Anne-Frid bevonden zich wat ons betrof in het spectrum tussen Klein Klein Kleutertje en Zangeres Zonder Naam. In onze platenkast kon veel, van Beethoven tot Zappa, maar schap A van ABBA bleef ongevuld. Wij, beheerders van de Goede Smaak, keken neer op de bakvissen uit Zweden als een Franse keizerin op het proletariaat. ABBA, muzak voor in de lift of het warenhuis.
 
Wij waren Kenners.
Wij veegden ons gat aan Radio 2 of Avro’s Toppop. Waren we alleen in huis, we draaiden de knop naar Veronica of Radio Noordzee. ’s Nachts luisterde je onder de deken stiekem op je krakende transistorradiootje naar Radio Luxemburg of BBC. Je speelde cassettebandjes van Woodstock. Carlos Devadip Santana, Ten Years After, Joe Cocker. Dát was muziek. De zo stoned als een garnaal halfnaakt dansende meisjes fantaseerde je er vanzelf bij.
Wij prefereerden Kunst met grote K.
Het was ons aan te zien. We droegen onze haren lang, jeans en slobbertrui, vredesketting om de nek, een drupje patchoeli op de parka. Make Love, Not War, vrede op aarde, honger en kernwapens de wereld uit. In onze bruine kroeg draaide men drieëndertigtoerenplaten van obscure bands, miskend door de goegemeente edoch door ons zeer bemind. Jethro Tull, Bad Company, Blue Oyster Cult. Ware Artiesten, Oprechte Muzikanten, gingen niet voor makkelijk geldgewin maar voor de Galerij der Schone Kunsten.

Toen troffen mij de pijlen van Agnetha. Dat is de blonde.
Ik wil u iets bekennen, maar houd het stil. Agnetha en ik, dat werd nog wat. Ik heb stiekem met haar gedanst. Een beetje verliefd, geloof ik. ‘Tot The Day Before You Came was mijn leven heel gewoon,’ zei ze terwijl haar ogen zich een weg baanden naar mijn hart. Ik werd weerlozer dan was en wist, dit gaat nooit meer weg. Dat vertelde ik aan niemand, het bleef ons geheim.
Die jaren zonken alsmaar dieper in de vergeetput van de geschiedenis. Onze jeugd, onze dromen, onze idealen, onze idolen, voorgoed voorbij, alsof ze nooit hadden bestaan. Niemand dacht aan een film over Bad Company. Op Blue Oyster Cult, The Musical blijft het wachten tot aan het einde der tijden. Monopoly-editie van Jethro Tull? Gaat niet gebeuren.
Alleen ABBA en Elvis blijven bestaan.

Vandaag zijn de jongens en meisjes van ABBA de zeventig voorbij. Ze maakten weer een plaatje, voor het plezier, zeggen ze. Het podium daarentegen, dat hebben ze wel gehad. Senioren op de scène, echt appetijtelijk oogt het niet. Gelukkig kent in deze eeuw de technologie haar grenzen niet. De bandleden laten zich digitaal klonen en projecteren. Een betere versie van zichzelf.

Handig, dacht ik eerst, nog wat extra zakgeld in de pocket, voor de kleinkinderen.
Maar ouder worden doet iets met een mens.
Ik voelde nog de warmte smeulen in mijn hart. Was nog niet vergeten hoe blij ik van dat liedje geworden was. De klankkleur van mijn jeugd. ABBA, dat is luchtig en vederlicht, een sprankel zon doorheen de wolken, een glimlach van een geliefde.
Op mijn laptop zocht ik Waterloo, Dancing Queen en The Winner Takes it All. Volume op tien.
Laat de winter maar komen.

Kabouterpraat

U kent toch die Chinese foltering?
Je zit vastgebonden op een stoel in het midden van een kamer. Een kraan lekt. Drup. Drup. Drup. Elke seconde. Je wordt gek in je hoofd.
Dit is ook zo. Telkens opnieuw schiet dezelfde zin door mijn gedachten. Keer op keer. Elke dag weer. Ik had hem liever niet gelezen. Maar hij zit erin en nu moet hij eruit.
Dit ei moét ik leggen.

In mijn Wekelijkse Bijdrage tot de Schone Letteren zou het deze week gaan over Shuggie Bain, je weet wel, die doorlezer waar Douglas Stuart tien jaar op zwoegde, vierhonderdvierenveertig pagina’s en hij kreeg ze nog aan de straatstenen niet verkocht.
Hard gewerkt, geen profijt. Ach, het lot. Grilliger dan een dwarrelend blad in de wind.
Ook Shuggie Bain trok geen winnend strootje. Kansloos vanaf de eerste klets op de poep. Het zou de laatste niet zijn. Een Oliver Twist van zijn tijd. Vader een rokkenjager, verdwenen met de noorderzon. Moeder verzuipt in een moeras van blikken pils en ander geestrijk vocht, laat zich willoos gebruiken door geile opportunisten, verslikt zich in een cocktail van zelfbeklag en onmacht. Een ziel donkerder dan de diepste zee. Ze overleven in een getto in Glasgow waar gedesillusioneerde huisvrouwen krijsen en roddelen en werkloze mannen zich elke dag het lazarus zuipen. Shuggie, een bedeesd kind, speelt liever met de poppen. Wil graag danser worden. Wordt nogal eens in elkaar geslagen. Een kind zonder hoop, glorie of toekomst. Geboren op de foute plek bij de foute mensen.
Een meeslepende vertelling.
Daarover dus zou het gaan.

Blader ik die zaterdagochtend tijdens het ontbijt in mijn krant.
Komt dit: “Als u heel uw leven keihard werkt en nog altijd nergens bent geraakt, dan hebt u iets verkeerd gedaan.” Een mens moet Ergens geraken. Ergens ligt op de weg van Nergens naar Nieverans.
Ik slik door. Weg spek, weg ei, weg koffie.
‘Welke nitwit … ’ pruttel ik.
Het hoofd van een kabouterdorp, zo blijkt. De Plop der Ploppen. Eigenaar van een pretpark, een productiemaatschappij, een boot, een villa in het Zuiden. Bij elkaar geschaard door noeste arbeid. Veel zweet, veel glorie. Het weze hem, geloof mij, zeer gegund. I don’t care too much for money. Money can’t buy me love.

Maar ik dacht: ‘Ook de kabouter die zich een reus waant, blijft een kabouter.’
En ook: ‘In your face, stratenmakers en zakkendragers, verpleegsters en betonbekisters. Dakwerkers, havenarbeiders, buschauffeurs, postbodes, kleuterjuffen. Hoe hard jullie ook werken, jullie doen vast wat verkeerd.
De Opperplop is geen lezer, bekent hij: ‘Op mijn nachtkastje ligt de zapper. Ook wel de biografie van Barak Obama maar de letters zijn klein en het papier is nogal dun, dus ik weet niet of ik het zal uitlezen.’
Toch doen ook alvermannetjes er goed aan af en toe een boek te lezen. De lettergrootte in mijn Shuggie-exemplaar is twaalf. Dat is groter dan de gemiddelde dwerg. Ook is het papier dik en stevig. Beetje Brilkabouter vindt er zijn weg. Boeken verbreden je kijk op de wereld, hoe klein je ook bent. Je leert bij, leeft je in, begrijpt dat in dit ondermaanse tranendal niet iedereen dezelfde kaarten krijgt.

Het gemiddelde dwerggewicht is twee milligram. Dat is wetenschappelijk bewezen. Deze Kabouterleider weegt naar men zegt driehonderd miljoen. Allemaal dubbel en dik verdiend. Komt geen geluk bij kijken. Niks geboren op de juiste plek, het goede moment.
Hard werken, dat is het hele eieren eten.
Tuurlijk. Dat u en ik daar nooit zelf zijn opgekomen.
Hard werken, dat is programma’s aan elkaar praten op televisie. In een kinderprogramma doen of je praat met een hond met dyslexie. Meisjes kinderliedjes laten zingen. Op een boot klessebessen over gebakken lucht. Je als een Pfaff tentoonstellen in je huis. Lummelen in een televisiekeuken met vaatdoek of schuimspaan in de hand of onhandig een champignon vierendelend.
Daar kunnen wij allemaal een punt aan zuigen, spitser dan de Eifeltoren.

Wat deden wij verkeerd, u en ik?
Voor mezelf kan ik wel een en ander bedenken.
Maar voor de bejaardenhulp die haar kinderen vanavond geen sprookje voorleest omdat ze de hand vasthoudt van een verlaten ouderling in zijn laatste nacht?
Voor de bouwvakker op de werf die in elkaar stort?
De leerkracht die op zaterdag het feest verlaat na dat tekstbericht van een desperate leerling?
Waar zat de fout van de brandweerman toen hij een laken drapeerde over de stukken lichaam van die jongen die te snel de bocht inging?
Of van de gepensioneerde poetsvrouw, ze zou mijn moeder kunnen zijn, die haar centen telt en vaststelt dat ze het de komende maand met zeven euro per dag zal moeten rooien?
Dat is een euro te weinig voor een ballon in Plopsaland.

Shuggie Bain, slot: “Hij stak zijn kin vooruit en draaide vol bravoure een rondje op zijn glimmende hakken.”
Hij is Ergens geraakt.
Maar dat begrijpt die kabouter niet.

Verandering

‘Niet elke verandering is een verbetering,’ zei het kuiken toen het uit het ei brak.
‘Welkom in mijn wereld,’ antwoordde ik.
Je kan je vragen beginnen stellen als iemand gesprekken gaat voeren met pas uitgebroed pluimvee. Misschien hapert er wat aan ’s mans geestelijke gezondheid. Misschien is hij grenzeloos eenzaam, kan ook. Conclusies zouden in dit geval echter overhaast en voorbarig zijn. Een mens doet er beter aan zich grondig te informeren vooraleer zich een mening te vormen.
‘Toevallig,’ ging ik enthousiast verder, ‘las ik deze zomer enkele boeken die het op een of andere manier over verandering hadden.’
‘Lezen, daar begin ik niet aan,’ piepte de kleine pluizenbol schril, ‘ik heb wel wat anders te doen.’ En hij hipte zijn bestemming achterna.

Jammer.
Volgaarne had ik hem verteld over de onfortuinlijke Gregor Samsa uit Franz Kafka’s De Gedaanteverwisseling. Kafka is die kerel die er te pas en te onpas wordt bijgehaald om aan te geven hoe absurd en ondoorgrondelijk een situatie wel is, zoals in “De communicatie van Jan Jambon is pure Kafka”. Je hoeft geen Kafkaconnaisseur te zijn om te begrijpen wat wordt bedoeld.
Gregor Samsa dus, ontwaakt op een ochtend als een insect. Dat vergt enige flexibiliteit van een mens, u kan zich dat voorstellen. Ook van de lezer. De vertelling is evenwel zo verfijnd en tot in de kleinste details uitgewerkt dat je er graag in wil meegaan. Onvervalst leesplezier. Bevreemdend, absurd, tragisch en grappig tegelijk, subliem verwoord bovendien. Neen, Franz Kafka, onthoud die naam, van die jongen horen we nog.

Langzamer en over hobbelige paden verloopt de ontbolstering van Shuggie Bain. Shuggie wordt groot in vierhonderdvierenveertig pagina’s, een kansarm kind, verlegen, moeder drinkt, vader weg, speelt liever met de poppen dan voetbal. Doorheen alle ellende blijft Shuggie een mens van goede wil die zich een weg zoekt in dit bestaan. Verplichte lectuur voor eenieder die vandaag de dag toetert dat we in de hel leven.
Douglas Stuart schreef tien jaar aan zijn magnum epos dat vervolgens door tweeëndertig uitgeverijen werd afgewezen. Kuikens zitten overal. Shuggie Bain verdient meer dan enkele regeltjes op een obscure blogpagina. Daarom eerstdaags een uitgebreide bespreking, tenzij er iets anders in de plaats komt. Intussen, wees geen uitgever van tweeëndertig in een dozijn. Lees dit boek, leef u in en laat u raken.

Nog subtieler de evolutie in De Jaren van Annie Ernaux, of hoe een gewoon meisje een grote dame wordt. Op de achtergrond het woelige Frankrijk van halfweg vorige eeuw tot aan het begin van de huidige. Op de voorgrond de fait divers in het alledaagse leven van een vrouw, haar liefdes en desillusies, haar kruispunten en keuzes. Soms lacht het leven, soms geselt het. Wie ouder is dan vijftig, lees, leer en herinner. Je persoonlijke flashbacks komen er vanzelf gratis bij.

Twijfel bij Sofie Lakmaker in De Geschiedenis van mijn Seksualiteit. Over hoe ze het eerst nog met jongens probeerde maar al snel doorhad dat zij voor de vrouwenliefde was voorbestemd. Over haar looks en gender. Haar openhartige queeste is warrig en ingewikkeld en leidt langs mannen, vrouwen, mislukkingen en filosofische beschouwingen. De vertelling dendert als een op hol geslagen paard, zij wordt volwassen in een pakkend slotakkoord. Het debuut van het jaar, naar men zegt. Soms heeft men gelijk.
Sofie heet Tobi, inmiddels. U hebt daar vast een mening over. Fijn, zolang u die maar voor uzelf houdt. Het zijn uw zaken niet, de mijne evenmin.

Drastischer wordt het niet, denk je dan.
Tot je ‘Is dit een mens’ in handen krijgt. Primo Levi schildert met fijn penseel het dagelijkse leven in Auschwitz, hard en onmeedogenloos. Hij spaart geen details.
Je kan dit boek benaderen op twee manieren, onverschilligheid is daar niet bij. Ofwel wapen je je met de afstand van de chirurg die bij een kind een tumor gaat verwijderen. Ofwel laat je je drijven op je inlevingsvermogen. Doe je het tweede, dan ben je na het lezen van dit boek niet meer dezelfde. Ook een overschot aan empathie is soms een zware last om dragen.

Zo ging ook deze mooie zomer weer voorbij.
Thuis probeerde ik nog uit te vlooien waarmee kuikens, als ze dan toch geen boeken lezen, zoal hun dagen vullen. Ik stootte op gruwelijke beelden van pluimvee in braadsledes, met krieltjes, met abrikoos en pistachenoten, met koude aardappelen of op Surinaamse wijze. Presentaties waarvan men in Auschwitz nooit durfde dromen.
Die verandering vond Pluizenbol vast ook geen verbetering,’ bedacht ik bitter.
Als vanzelf dwaalden mijn gedachten naar de ultieme metamorfose die ook ons allen aan het eind te wachten staat.
Benieuwd of het dan beter is.