Blog

Een Lentefeest

Het was een perfecte dag voor het Lentefeest. De zon straalde uitbundig. De scampi, geserveerd op fijne lange spiesjes, was krokant en pittig, het stokje kerstomaat met mozzarella en basilicum verfrissend. Een droge Chardonnay ontspande de geest. De wereld nam een snipperdag.
Rustig stond ik wat te socializen met mezelf toen ik zag hoe een kleine blonde jongen de catalpa in klom. Hij klauterde over glibberige groene takken, ver voorbij het spinrag tot hoog in de kruin. Van op de top keek het jongetje neer op de wereld en riep: “Kijk, papa. Kijk! Ik ben god.”

Typisch god, dacht ik, om abrupt te verschijnen op een feestje waar hij expliciet niet was gevraagd.
Ik dacht aan de god uit de tijd dat ik zelf nog in de bomen klom. Hij verscheen aan ons op school, op de flap van het boekje voor Gewijde Geschiedenis. Een oude man met een halve meter lange baard. Hij lag op een wolk hoog boven de wereld. Zijn gespierde bast overspande de hele boekbreedte. Om zijn middel drapeerde een vreemdsoortig laken iets waarvan je geen idéé had. God was blank, uiteraard. Zijn haren wapperden wild in een onzichtbare wind. Diep onder hem kropen kleine mensjes nederig gebogen over de aardbol. Zijn ogen spiedden nors en boos onder dikbehaarde wenkbrauwen en volgden je overal. Het gerimpelde voorhoofd dreigde. Ze zeiden dat god overal was en alles zag. Onderwerping spatte van de omslag en zonder te wéten wist je: dit is erger dan de meester van je klas, bozer dan je moeder, straft harder dan je vader. Je ging braaf zijn en geen zonde doen en veel bidden. Je was als de dood voor hem. Hij mocht nooit ofte nimmer kwaad worden op je, je kromp bij de idee, net zoals de mensen op de tekening. Ze vertelden er nog bij: god is liefde.

Vandaag was god een kleine  blonde jongen in een groene boom. Ik had hem wel wat te vragen.
Dat meisje onder die brug, god, was dat nu echt nodig? Dat kind van twee met die politiekogel, dat jongetje op dat strand, leg me dat eens uit, ik begrijp dat niet zo goed. Wat is de zin van leven ná de dood, als het leven ervoor u al zo weinig waard is?
Ik dacht aan kinderen van nog geen vijf met leukemie, in kille ziekenkamers met ballonnen en beertjes rond hun bed. Aan oorden ver van hier waar mensen door het stof kruipen op zoek naar water. Aan de buiken van miljoenen hongerlijders, gevuld met vretende maden. Misschien kon hij me daar het nut van laten zien.

Waar ontspringt de Bron van Geluk, god, en hoe kan je ze herkennen? In dit land, in deze stad, krioelen massa’s misnoegde mensen doelloos door elkaar. Zij hebben een dak boven het hoofd, stromend water en elke dag genoeg te eten. Zij tafelen, vieren, gaan op reis. Zij mopperen, dit is niet genoeg. Ligt het niet in gods almacht die eeuwig zeurende zuurpruim te repareren? Dan wint bij een volgende volksraadpleging misschien het fatsoen het voor een keer van de hebzucht.
Waarom gaf je de mens twee ogen doch niet de gave om te kijken? Oren die doof blijven? Van het hart maakte je een spier die zuurstof pompt, niet een huis van asiel waarin de dolende een schuilplaats vindt. Bij menig staatsman legde je een steen in de plaats. Was dat een grapje? Heeft god humor?
Om de liefde gods, eerlijk: vind je dat je geslaagd bent in je project? Je kneedde och heer ocharme de mens naar jouw beeld en gelijkenis. Knorde je zelfvoldaan van contentement na die ene werkweek? Ben je tevreden over je geklei? Serieus?

Mijn hoofd tolde van de vele vragen of de witte wijn. Ik moest uitkijken voor een vervelende dronk. Vanuit verborgen holtes van mijn geest bleef een sluipschutter god met vragen bestoken: wat is de meerwaarde van de mug die me uit mijn slaap houdt? Waarom krijgt een eendagsvlieg maar vierentwintig uren? Heb je een methode om talent, macht en geld toe te wijzen of speel je maar wat vogelpik? Licht en donker, ja, land en zee, ok, maar waarom ook rijk en arm, gezond en ziek? Was u niet liever de oplossing in plaats van het probleem?

Een kijvende vrouwenstem, schel en fel, versplinterde mijn gemijmer. God moest tegen morgen voor de juf nog twintig Franse woordjes leren. Hij daalde uit zijn boom neder ter aarde.
Hij keek niet blij.

Reiziger

Wherever I lay my hat, that’s my home.

Dus dit is nu mijn huis. Als mijn geheugen eerlijk is met me, ligt mijn hoed vandaag in wat mijn vijftiende woonplaats moet zijn, de tiende sinds ik voor het eerst ging stemmen, dat mocht toen pas op je eenentwintigste.
Mijn kribbe stond in Vucht, weggemoffeld in de donkere schaduwen van de steenkoolmijn van Eisden, aan de boorden van de immer majestueuze Maas. Mijn vader was een van die talloze kompels die meer stof vergaarden dan hun longen konden dragen. Hij propte zijn gezin in de veel te kleine Fiat 1100 en vluchtte, weg van mijnen en minnaressen, naar het stofvrije Antwerpen.

We zwierven langs de rand, kleefden even in Kapellen maar mijn eerste herinneringen spelen zich af in de Melkerijstraat in Wommelgem. We tooiden mee de praalwagen voor de bloemenstoet, voetbalden tot het donker op de nog niet geasfalteerde straat, kregen er een hond. Ik waagde er mijn eerste kunstje voor een meisje, Elsje, blonde haren, blauwe ogen. Ik was vijf of zes. Midden op straat probeerde ik haar hart te winnen door op mijn hoofd te gaan staan. Dat mislukte, zowel hoofd als hart, niet voor het laatst. Moge Els in haar latere leven door romantischer kundigheid zijn verleid.

Vanuit de Borrewaterstraat in Merksem stapten we over de brug van het sportpaleis naar het zwembad in de Veldstraat, hartje Seefhoek, waar we leerden zwemmen in brede banden van caoutchouc die hoog boven aan een stalen geraamte hingen en met donderend geratel te water werden gelaten. De zwemleraar tikte met een lange zwiepstok op armen en benen tot hij het goed vond. Het leven was lijden toen, dat bleef het nog een hele poos.

Ons wonderjarenhuis lag in de Schotense Winkelstap, een straat met bakker, kruidenier én café. Ooit delven geologen uit de door distels overwoekerde tuin royale doch beschimmelde pakketten onschuld op. We werden er, tegen wil en Weltschmerz, volwassen, we moesten op gaan passen met werken, geld en tijd.
In de Melgesdreef in Merksem verwierf ik een diploma en componeerde ik op mijn tochtig zolderkamertje verzen die de wereld nooit zouden vervoeren, verteerd door  erbarmen met mezelf om een verloren liefde. De vlucht op eigen benen leidde naar een morsig appartementje boven het stempellokaal op de Deuzeldlaan in Schoten. Vrienden werden er veelvuldig dronken, lachende meisjes belden aan de deur. De doppers van toen poseren vandaag op foto’s met de voorzitter van het Vlaams Belang omdat ze vinden dat er van het systeem wordt geprofiteerd. Niet alleen mijn geheugen hapert.

Het is, dat spreekt, de Liefde die ons leidt. Ze troonde me naar een eigentijdse flat in de Paasbloemstraat die we wat later verruilden voor een heus huis even verderop. We groeiden, helaas elk naar een andere zon. Mijn vriend Peter bood onderdak in hoogste nood, ik mocht zes weken bij hem op de sofa. We dronken Grappa en huilden beschonken bij liedjes van Will Tura. Zijn vriendinnen vonden de logé een hinderpaal voor hun eigen ambities, ik vluchtte naar iets kleins op een twaalfde verdieping, hoog boven zwaluwen, insecten en mensen.

Opnieuw de Liefde zond me naar een oud huis in Ekeren. Voor het eerst stak mijn vader een handje toe, hij zou behangen, ik assisteren. Het werd geen succes. Onze relatie bleef even schots en scheef als de repels goedkoop papier die hij tegen de muren smeet.
Om de liefde gods trokken we een paar jaren later ieder naar een eigen stek. Nergens zou ik langer wonen dan in mijn eigen flatje. Mijn kinderen groeiden er op, ik nam er afscheid van mijn gabber  Filip. Die had geen hol met voetbal maar wilde wel nog, enkele maanden voor zijn reis naar de Eeuwige Brouwerijen, samen de finale van het WK in Zuid-Afrika beleven. Nederland verliest van Spanje met 1-0, voorspelde hij, en aldus geschiedde. Ook die vijftien euro winst werd vloeibaar. Nadien werden we nog een keer samen dronken, in een bungalow bij Sint-Niklaas, bij Peter.

Mijn verhaal wordt eentonig, lezer. Nog maar eens de Liefde gidste me weer naar Schoten, naar een huisje aan gene zijde van de vaart. Sinds vorig weekend wonen we weer aan deze kant. Dit is het mooiste huis waar ik ooit in woonde. Mijn hoed rust op een plank boven de kapstok in de inkomhal. Hij ligt er goed. Als de Liefde het toestaat, blijft hij daar.

Dan ben ik thuis.

De Bode

Elke mens is een verhaal, blijkt nog maar eens. Naast de koffie, toast en aardbeienjam ligt op de ontbijttafel De Bode, het reclameblad van onze leefgemeenschap. Men annonceert, stelt ten toon,  biedt aan, adverteert en verzamelt veelvuldig. Eenzamen zoeken er minder eenzaamheid.

Geen Kies19 in dit blad. Geen gekibbel over onze oude dag en hoe die te financieren. Ooit werkten we om te leven, dat is nu omgekeerd. Werken is de nieuwe god. Aanbid Zijne Heiligheid Der Economie. Onze kinderen worden honderd, zegt men. Zijn hun knoken tachtig, dan nog zwieren zij achteloos dikke rollen staaldraad in de laadbak van de vrachtwagen. Hun lijf veroudert niet mee. Daar mogen wij trots op zijn, dat ras hebben wij gekweekt. Haal het geld toch waar het zit denk ik terwijl ik haast mijn tong verbrand aan de hete koffie, bij de verzamelaars van schilderijen en boeken.

Een school bezoekt de brandweer, lees ik. Beter zo dan andersom.
Iemand verhuurt een luxehuis in Bedoin. Er is zelfs TV-Vlaanderen en internet. Die iemand rept met geen woord over de majesteitelijke Mont Ventoux. Bedoin is het dorp aan de voet, het Mekka voor wie op twee wielen de kale berg op wil klauteren. Ooit werd ik in volle lijden gepasseerd door een Lady in Red, een blonde gazelle in knalrode short en bikini. Even geloofde ik weer in het bestaan van god. Ze kletste me net zoals iedereen ongenadig uit haar spoor en verdween met lichte tred achter een steile bocht. Het leven is lijden, ook als je denkt dat je het leuk vindt.

Had ik geld, ik verschafte emplooi aan tal van mensen uit dit blad. Aan schilder, tuinder, poetshulp, strijkster. Helaas. Een muziekliefhebber offreert om mijn verzameling langspeelplaten te kopen. Dat zou het laatje een weinig vullen. Even twijfel ik, maar onmogelijk kan ik afstand doen van mijn verleden op vinyl. Mijn geheugen verhaalt nog bij de meeste van deze drieëndertigers wanneer en van wie ik ze kocht. Alleen voor hoeveel wil ik niet meer weten.

Welkom op het feest van de gemiste kansen. Een jongedame van 47 zoekt een toffe, spontane, niet-lesbische vriendin om te terrassen en te reizen. Dat niet-lesbisch vind ik een merkwaardige toevoeging. Er heerst een redeloze angst voor mensen met een homoseksuele geaardheid. Mijn ervaring met de homoseksualiteit is beperkt. Ooit vroeg me een man of ik het al aan mijn ouders had verteld. Ik antwoordde dat er niets te vertellen viel. Hij geloofde mij niet. Zo was mijn lot in die dagen, zo mooi, zo blond en zo alleen. Ergens wacht een eenzame lesbische vrouw op een vriendin om samen aan zee op een terrasje te keuvelen over leven en liefdes.

Een vrije man, elf jaar ouder dan ik, zet zich in de aanbieding. Hij rookt noch drinkt. Slechts een klein gebrek teistert hem: een tekort aan zuurstof. Zijn plussen: hij bezit auto en appartement. Hoeveel dagen zonder mens nopen een oude man om zich te adverteren? Leven op hoop, meer dan op zuurstof. Hij droomt zich een vrouw die graag bij hem thuis komt zitten om samen te wachten op de laatste dag. Ik wens hem een vrolijke deerne toe en genoeg zuurstof om nog jaren samen van het leven te genieten, thuis.

Een clown-goochelaar-ballonplooier biedt zijn diensten aan voor communiefeestjes en verjaardagspartijtjes. Er is iets mis met mijn hoofd, ik kijk te veel televisie. Clowns worden bij mij al gauw geschminkte slechteriken die tijdens partijtjes juwelen stelen. Of erger. Onherkenbaar opgemaakte mensen moeten uit de buurt van kinderen blijven. Op mijn feestje zal ik zelf de clown wel zijn, dat is goedkoop en kost me geen moeite. Er resten me nog acht maanden voor mijn afscheidsceremonie. Voor de zekerheid werk ik nu al aan een speech. Er valt veel te zeggen en niemand mag in mijn dankwoord worden vergeten. Echt niet.

Een merkwaardig bericht: ‘Roodharige Erika Van Tielen geeft stickerverkoop Rode Kruis een flinke boost.’ Tegen mijn verwachting in houdt het ene rood geen verband met het andere. Integendeel: “De roodharige actrice-presentatrice zag er zelfs in een oranje hesje stralend uit.” Zélfs! Eat that, gij oranjehesjesdragers! Vandaag is geel de kleur van je hesje.

Aldus sprak de Wijze: “Beleven wij niet hoe dan ook een in menig opzicht wonderbaarlijke tijd?”

Vraagje

Beste nieuwsgaarders en gaarderessen

Het moet er af, het spijt me. Het wordt me wat te veel. Sta mij toe u even aan te spreken. Ik heb een vraagje. Of twee, misschien.

Stel: enerzijds, een man, ziek in zijn hoofd, narcist naar men zegt, empathisch en emotioneel onvermogend. Een constructiefout, een glazen knikker tussen de parels aan de kroon van gods schepping. Anderzijds, een jonge vrouw. Op de fiets aan de rand van het water. Onschuld op twee wielen, de zon op het gelaat, vervuld van dromen over het lange leven dat voor haar ligt. Het lot, de voorzienigheid, het toeval, u zegt het maar, brengt de twee bij elkaar. De ontmoeting ontaardt, een tragedie. We spreken over een slachtoffer, een dader, een locatie.
Ik, niet alleen ik, word daar stil van. Intriest. Ik zwijg. Ik weet genoeg, meer hoeft niet. Een oude man ben ik, veel gezien, nog meer gehoord. Ik weet: hier ontstaat een pijn die niemand wil voelen, een stuitende geschiedenis waar je nooit van bekomt. Ik denk aan de vader en de moeder, broers of zussen, vriendinnen en wie weet, een verliefde vriend. Ik voel droefenis, mededogen, ik wou dat ik woorden genoeg bezat opdat ik er eentje kon vinden dat troost kon bieden. Heeft ook die constructiefout een moeder, vraag ik me af. Een vader, broer of zus? Zijn dat ook glazen knikkers of net niet? Hoe krijgen zij dit ingebed in hun leven? Hoe tors je dat pakket uit bed, elke volgende ochtend in je bestaan? Mijn gedachten overschouwen de bijkomende schade, al die slachtoffers. Ik peins en zwijg.

Het gebulder van uw wedloop naar hogere cijfers qua kijkers en lezers, doorboort de stilte van ons medeleven. De concurrentie heeft dit, dan brengen wij dat. Erop en erover. Ik kijk naar uw beelden, lees uw verslagen. U lepelt mij, als was ik een baby, vol met levendige bijzonderheden, extra finesses en ranzige details tot dit drama zich op mijn netvlies brandt en ik deze tragedie kan dromen alsof ik erbij was. Een held ben ik niet, maar was ik erbij, het was niet gebeurd. Oververzadigd van uw zucht naar nog een extra pikant ingrediënt of ongemeen saillant detail, keert mijn maag zich om. Ik zoek vruchteloos naar de meerwaarde van de adjectieven in uw koppen: ‘het zware strafblad’, ‘de gruwelijke misdaad’, ‘het wanhopige meisje’. Denkt u: we zetten die er vast maar bij, de mensen zouden denken dat deze waslijst een Bewijs van Goed Gedrag en Zeden is? Zij vinden deze misdaad misschien een alledaags akkefietje, het is onze missie te wijzen op de gruwel, we zetten die extra in de verf? U vraagt het gedacht van al wat leeft en zendt dat uit in prime time. Ziehier: een natie in staat van gramschap.

Ha, zegt u, de mensen willen dat! Wij draaien wat het volk vraagt, het betaalt ons hiervoor, niet meer noch minder! Kijk onze handen, in onschuld gewassen. Zo zijn nu eenmaal de tijden, meneer, the times, they are a-changed. Jullie oude mensen met jullie oude sentimenten ook!
Wat u zegt. Ooit vergaapte het volk zich aan de brandstapel. Dat doen we nu niet meer. Of toch? Woede, hoe gerechtvaardigd ook, haalt zelden het mooiste in onze soort naar boven.
In woelige tijden is kalm blijven een kunst. U laat het prediken van de rust graag over aan de toch al verguisde klasse der politiek. De vierde macht zijn is aardig zolang je kan roeien in de richting van de stroom. Het is de schuld van die, de verantwoordelijke zit daar. Wij weten van niets, zeggen enkel wat de mensen denken, zijn de spreekbuis voor hun vragen. Zo ken ik er nog, wij zeggen wat u denkt, ha, breek me de bek niet open.
God verhoede, wou ik schrijven, maar die god, ach. U kent deze wereld ook. Ooit gebeurt er weer iets. Een jongen van tien in een asielcentrum. Een agent met een dienstwapen, een gezinsdrama. Niet elke tragedie verdient dezelfde weerklank, blijkt.

Misschien, het is maar een vraag, kunnen jullie bij een volgende macabere gebeurtenis matigheid betrachten. De machine stoppen. De cijfers vergeten. Het hoofd buigen. Laat het leed waar het is. Bij de mensen met écht verdriet, gemis dat nooit verdampt en tot hun laatste adem aan ze zal blijven kleven. Scoor niet langer met de ellende van een ander.
Toon Respect.
Zullen we dat afspreken?

Met vriendelijke groeten

Troost

Soms wil ik graag een verhaal verzinnen waar aan het einde alles goed komt. Waar de kikker echt een prins wordt, de zon aanhoudend schijnt en rivieren overvloedig stromen zodat het land voor altijd vruchten geeft. Jong en oud begrijpen elkaar, afgunst en hoogmoed bestaan er niet.
Een vertelling over een land waar alle mensen tevreden en gelukkig zijn en elkaar precies die dingen gunnen die ze voor zichzelf wensen. Natuurlijk gaat ook daar soms iemand dood maar dat is niet erg,  want de mensen zijn dankbaar voor het geleefde leven. Zij weten dat als hun beurt gekomen is, de anderen ook voor hun leven dankbaar zullen zijn.

Soms droom ik dat ik in staat ben te verhalen over een land waar de leiders wijs zijn en verstandig en altijd het juiste beslissen voor de mensen, of zij hun kiezers zijn of niet. Zij leiden de dans, doen wat goed is voor het land en de wereld. Zij wijzen niet steeds naar een ander en vragen zich niet af hoe groot hun eigen profijt zal zijn.
Soms droom ik van een land zonder grenzen, waar geen god bestaat, waar de mensen geloven in elkaar. Niemand heeft iets en iedereen heeft alles. Meer heeft niemand nodig.

Maar dan kijk ik naar links. Ik zie hoe in de fabrieken en op het land de mensen sleuren en labeuren met gezichten op onweer en schouders die hangen naar de aarde. Hun ogen kijken dof, hun magen grollen, zij ploegen maar weten niet waarvoor. De machthebbers in hun geblindeerde limousines schenken geen gehoor aan het geknars van hun tanden.
Dan kijk ik naar rechts. Ik zie hoe de happy few zich verschuilen in versterkte paleizen. Zij hullen zich in mantels van bont, eten exquise gerechten en drinken wijn uit hoornen bekers, gesneden uit de oogst van een exotische jachtpartij. Bij het golfen spelen zij vals. Zij bedisselen hun zaakjes in geheime catacomben. De man in de straat let niet op, vergaapt zich aan de teloorgang van Brusselse F.C. De Kampioenen of gewaagde avonturen op Temptation Island. Op zaterdag een pint en een wip, zondag koers en voetbal en op maandag weer baggeren voor de baas.
Voor mij uit zie ik de rustige vastheid van het midden. Oude namen als Wouter en Koen en Servais luisteren gedwee naar de inspirerende woorden van Hilde. Neen, ook in het midden zal ik het geluk niet vinden.

Vertwijfeld draai ik me om, kijk naar de weg vanwaar ik kom. Ik zie hoe mensen wonen in huizen waar schimmels op de muren groeien. Schraalhans in de keuken, ingedeukte en halflege blikjes Carapils kleven aan het aanrecht. Kinderen vegen hun neus aan de mouw van hun te kleine pyjama en slapen met drie in een bed. Hun vader is spoorloos, hun moeder poetst kantoorgebouwen, zij zorgen voor elkaar, zo goed als zij dat kunnen.
Jaloers ben ik op de verbeeldingskracht van de burgemeester van Kortrijk die op televisie poneert dat in dit land de burger mits een beetje moeite makkelijk een miljoen bezit. Ik vraag me af welk beschot burgemeesters scheidt van de echte wereld.

Achter de horizon, veel verder dan mijn oog kan zien maar ik weet zo’n dingen, dorsten mensen uit verre landen naar het minste van wat wij hebben. Zij streven naar een bestaan dat wij niet willen leven. Zij strompelen over stoffig land, spartelen in zwemvesten op de golven. Soms verliezen zij iemand, een vader, een moeder, een kind. Zij zijn geen kathedraal in brand, hun vuur verteert vanbinnen in een vreemde taal die wij niet willen horen. De filantroop heeft andere prioriteiten.

Troost heb ik nodig, troost.

Net als mijn verbeelding op haar grenzen botst, lacht de toekomst me tegemoet. Vrolijke meisjes en jongens kloppen aan de deur. Zij verkondigen woorden van hoop. Zij schudden ons wakker. Ze zeggen: “Sta op, het is tijd. Nu. Het leven is mooi, laten we ervoor zorgen dat het zo blijft. Laat ons samen een nieuwe wereld maken. We kunnen als we willen. Yes we can!” Hun ogen blinken, hun monden spuwen vuur. Geen eelt op hun hart, dat ze nog dragen op de tong.

Ik ga met ze mee, we dromen dezelfde dromen. Aan het eind komt alles goed.

De Waan

De eerste waan

We verkeren erin of worden erdoor bezeten.
We beseffen dat niet.

De tweede waan

Misschien is hij een zwarte vogel die met breed gespreide vleugels tegen het gitzwarte decor van de nacht over het slapende land scheert, zijn ballast uitstrooiend over onze in onschuld vertoevende hoofden.
Misschien is hij een geest.
Misschien een satelliet op onbestemde hoogte, onzichtbaar voor oog of telescoop.
Misschien is hij een door het zwerk zwevende verstuiver, niet door de mens waarneembaar, die over onze velden en rivieren onzichtbare mistbanken sproeit die wij in de ochtendstond als goud inhaleren, nog dronken van slaap en suf gedroomd.
Wij weten dat niet.
Wij denken dat we veel weten, maar dat is niet zo, wij weten niet veel.
Wij weten niet wat vissen denken.
We zien de buizerd bidden maar weten niet tot wie.
Wij weten niet welke pijn de kolibrie voelt als hij achteruit vliegt.
Hoe eenzaam is de hoogte voor de giraffe?

Elke dag is hij in ons midden, doch niemand heeft hem ooit gezien. Niemand weet vanwaar hij komt of waarheen zijn reis hem voert. Waarom hij doet wat hij doet, onze levens op een hoopje gooit, wij hebben er het raden naar.
Zoals de god uit de catechismus is de waan altijd en overal. Onlosmakelijk brengt hij deining en commotie met zich mee.
Des avonds, bij het ondergaan van de zon, als het donker zich als dons over onze akkers spreidt en mistroostigheid onze harten inneemt, als wij vluchten in onze boeken, eindeloze series op tv of de nevelen van de spiritus, vervliegt de waan als de geur van een goedkope deodorant.

De waan is waar wij vandaag over praten en wat wij morgen vergeten zijn.
Hij begroet ons in de ochtend, neemt ons mee door de dag en is ’s avonds op de afspraak.

De derde waan

De spindokter breekt zich het hoofd. Wat zetten we vandaag op de agenda? Waarover willen wij dat bij het vers geperst sinaasappelsap, de kiwi en cornflakes de mensen praten? Lanceren wij een pact in Marrakesh of toch maar weer pensioentekort? Leggen we klimaat naast de koffieautomaat of zal de burger morgen soebatten over OESO-resultaten voor wiskunde? Plaatsen we een tweet of kapen we de camera tijdens de protestmars? Zit er nog een Dries of Goedele in de wachtkamer?

Wij, gewone stervelingen, geloven nog in idealen. Zonder voorbedachte rade streven wij naar bestofte waarden als Waarheid en Oprechtheid.
Wij dwalen. In de ochtend hebben wij te herhalen wat de strateeg ons heeft voorgezegd. Hij bedenkt het ontbijtbuffet waar wij gretig van smullen. Op is op. Morgen staan er verse waren op de tafel. Een borrelhapje, of een vette vis.
Wij mogen denken dat we denken, als we er maar niet aan denken iets anders te denken dan wat ons wordt voorgekauwd.

Wij beseffen dat niet.
Wij denken dat we veel weten, maar dat is niet zo, wij weten niet veel.
Wij weten niet hoe ver de mol kan kijken.
We zien de uil zijn ogen sluiten maar weten niet waarvan hij droomt.
Wat voelt de eik als je een hartje kerft in zijn bast?
Wie componeert het lied dat de vogel zingt?

De vierde waan

Het is vakantie. Dit Oord van het Vrije Woord doet er voor even het zwijgen toe.
Bezint. Laat de wereld in haar wanen.

Opgebrand

Je moet op, vind je.
Je rolt je op je linkerzij, sleept je benen naar de rand en laat het echte werk over aan de zwaartekracht. Je hijst je logge, slaapdronken lijf omhoog en strompelt naar de weegschaal. Een absurd getal, dat ding moet stuk zijn. Misschien ga je best eerst naar de wc.

Jeuk ergens midden op je rug, waar je vingertoppen niet bij kunnen. Je schouders doen pijn, je nek kraakt, er rekt iets achteraan je dij. Geluiden golven uit de woonkamer. Borden gaan kletterend de vaatwas in, messen tikken. Del Amitri op de radio, Nothing ever Happens.
De geur van koffie verdwaalt op de trap. Je sloft hem tegemoet. Je glijdt met je schouder tegen de muur naar beneden, schuurt tegen een ingelijste poster, de schoenen van Van Gogh, die je kocht aan een kraampje in Quartier Latin, student nog. Je waande je een kunstminnaar.

Op de tafel staat, eenzaam, je bordje, grote mok ervoor, mes ernaast. Je bent een verwend nest, dat weet je. Je ziet het balletroze pilletje voor je bloeddruk en het halfje voor je cholesterol. Je moet dat spul blijven slikken zolang je leeft. Waarom, vraag je je af. Doodgaan doen we toch.
Alles is al tig keer geweest en zal zich tig keer herhalen, tot in der eeuwigheid amen. Op de radio onderbreekt de interviewer een ratelende politicus: het is een moeilijke tijd, onze partij tilt ons uit het dal, blablabla. De concurrentie zou beter naar Romeinse traditie in bad de polsen laten leegbloeden blablabla. Yogasnuivers doen ons de War on Drugs verliezen blablabla.

De deur van de badkamer gaat open en toe, de deur van de woonkamer gaat open en toe. Iemand zegt iets tegen je. De voordeur bonst pardoes in het slot.
Je zet de radio uit. Je hoort hoe je ademt door je neus. Je bent alleen met jezelf en vraagt je af of je dit nu leuk gezelschap vindt. Je onderzoekt je telefoon. Van alles niets: whatsapp, sms, mail, Messenger. Geen connecties op Linkedin. Ook vandaag zal er niets gebeuren. Je zal de dag zelf moeten verzinnen.

Je moet wat doen, vind je. Je kan gaan zwemmen, fietsen, hardlopen, met gewichten zeulen, touwtjespringen. Je kan gaan lezen. Je koopt boeken zoals vrouwen schoenen. Je hebt de nieuwe Peter Buwalda. En Grand Hotel Europa. Met Pfeiffer sla je altijd een goed figuur als je na een theateravond met vrienden aan de Duvel zit.
Soms droom je nog dat ook jouw leven zich afspeelt in een bruisende Italiaanse stad waar het altijd zomer is en waar je de prachtigste mensen ontmoet en waar je boeken schrijft die wereldwijd worden verslonden door gretige lezeressen die achter hun brillenglazen hun tranen verpinken en stiekem met je naar bed willen. Maar daar heb jij geen tijd voor. Bovendien ben je zo trouw als een hond. Dat was nog wel eens anders, ooit, toen je nog jong was en je je vleugels haast brandde aan de zon.

Je eet twee boterhammen, drinkt twee koppen koffie. Je ruimt af, leest het nieuws op je laptop, registreert vaag het vergeefse gedoe en geploeter van de medemens. Diep vanbinnen vrees je dat je enkel maar interesse hebt in jezelf.
Alles is altijd hetzelfde en alles komt altijd terug. Er vallen bommen op Palestina. Er ontploffen granaten in je stad. Vrouwen krijgen nog altijd geen loon naar werk of misschien verdienen mannen teveel. Werkdruk en planlast zijn te hoog voor nagenoeg iedereen. Overal ter wereld schieten idioten hun wapens leeg op mensen die daar ook maar per toeval zijn. De buik van een walvis verzamelt veertig kilo plastiek.

Je vindt nog altijd dat je wat moet doen. Er is Spider Solitaire. Facebook meldt van twee vrienden de verjaardag. Dank u Facebook. Iemand heeft tijd gevuld. Veertien clips uit de jaren negentig na elkaar op je tijdlijn. Ooit liep ook jij te hossen in zo’n bollend jasje. Hel lichtblauw denk je, maar je twijfelt aan je geheugen. Je droeg toen witte laarsjes, gebleekte jeans, stroopte bij het dansen de mouwen op. Je droeg nog toekomst in je, tot de tijd je ongemerkt achterliet.
De dag staart je aan als een stokstijf staande zwarte mamba, de bek wijd open, een groot zwart gat waarin twee giftanden verscholen zitten. Kijk het beest in de ogen.

Carpe Diem.
Als je ze allemaal geplukt hebt, zijn ze op.