Blog

Het meisje A (2)

‘Papa, je bent een held,’ zei ze.  
Zij praat graag in de overtreffende trap, mijn dochter. Met hyperbolen, alles is avontuur in haar leven en haar Renault Clio noemt ze Turbo.
Dat ik haar leven had gered, zei ze nog.
Alsof ik haar nog net op tijd had weggeplukt vanop de richel van de afgrond, seconden voor de fatale tuimelperte in een gitzwarte diepte. Of ze zonder mijn tussenkomst een trauma zou hebben opgelopen dat haar elke komende dag van haar leven zou opjagen en voor altijd in een houdgreep houden. Ze was die dag weliswaar nog altijd jong en veelbelovend maar evengoed een vrouw op de rand van een zenuwinzinking.

Ik had nochtans geen heldendaad verricht.
‘Ken jij iets van banden?’ had ze ge-sms’t. Zij telefoneert niet, zij behoort tot de WhatsApp/Instagram/TikTok-generatie.
‘Ik heb ooit nog bijna in een band gezongen 😉’ stuurde ik terug.
‘….’ Zij is ook het type dochter dat dad jokes keihard negeert.
‘Ik ken de zus van Michelin. Micheline.’ probeerde ik weer.
‘…’
‘Dat schept toch ook een band. 😊😊’
‘… ‘
‘Waarom? Wat scheelt er?’
‘Turbo platte band. Domper op de sfeer. Mentale breakdown.’
‘Ik kom eraan.’

Iedereen die mij ooit heeft betrapt met een schroevendraaier in de hand weet, ik ben geen technisch mirakel. Niemand roept ooit mijn hulp in bij de bouw van zijn huis of de aanleg van een vijver in de tuin. Hoofd en voeten zijn ok maar mijn beide handen staan averechts. Als ik in de slaapkamer van dit huis de stofzuiger inplug, vallen in de ganse wijk televisietoestellen en diepvriezers zonder stroom.
Maar als je kind je roept, dan ga je.

Voor allebei werd het een ontdekkingstocht.
Ik: ‘Waar bewaart Turbo de krik?’
Zij: ‘Geen idee.’
‘Kijk eens in het boekje.’
‘Het boekje zegt: Onder de mat in de koffer. Huh? Gaat die mat er dan uit? Wist ik niet haha. Ha, kijk hier: een krik.’
‘Ligt er geen reservewiel bij?!?!’
‘Onderaan de wagen. Weet ik van de meneer van de Controle.’
‘Hoe maak je dat los?’
‘Geen idee.’
‘Kijk eens in het boekje.’
‘Het boekje zegt je moet daaraan draaien en dan aan dit kabeltje trekken.’
‘Dat draait zot!’
‘Trekken aan dat kabeltje. Papa!!! Heb jij nu echt die kabel helemaal losgetrokken? Wacht, laat mij. Kijk, los.’
‘Hoe deed je dat?’
‘Weet niet. Ineens viel dat wiel op de grond, haha…’
‘Ok. De krik moet hier, dat weet ik toevallig. Een handyman weet nu eenmaal zo’n dingen. Ontbreekt er niet nog ergens een stuk? Ik kan die bouten niet met blote handen losdraaien, hoor.’
‘Koffer is leeg.’
‘Hoe bedoel je, leeg? Kijk dan nog een keer, deze keer met je ogen open.’
‘Leeg is leeg, ik zeg het toch.’
‘Hoe kan… Wacht…Misschien als ik het zo … Aha!’
‘Goed gedaan papa.’
‘Niet te vroeg juichen, van de vier bouten is er altijd eentje …. Au, mijn rug. Au au au. Maar opgeven staat niet in ons woordenboek, hé. En hopla, nu is het kinderspel.’

Toen sprak ze dus die magische woorden: ‘Papa, je bent een held.’
Woorden die een vaderhart doen smelten.
Terwijl ook u wel beter weet. Weer een hyperbool. Een schromelijke overdrijving. Ik mag dan vele dingen zijn, een held ben ik niet. Ik ben meer als die trompetter, hij had geen geld, was geen held en hield niet van het krijgsgeweld. Beitel dat maar op mijn zerk.
Nog nooit redde ik iemands leven, stond ik ongewapend voor de loop van een tank met een roos in mijn hand of riskeerde ik lijfstraf en gevangenis voor de vrijheid van mijn mening. Nooit knielde ik in een vijandig stadion met het hoofd gebogen en de vuist hoog om mijn punt te maken. Zelfs gezeten aan mijn schrijftafel, anoniem en ongezien, steek ik nog mijn nek niet uit. Hoe weerzinwekkend en pervers ook de praatjes van de trol op mijn sociale media, ik zwijg. Ik huldig dat oude en weinig bekende zegswijs uit het China van Confucius: Bij dronkenschap of hectiek, houd u ver van polemiek.

Neen, je mag veel van me zeggen, maar een held ben ik niet.
Maar een fiere vader was ik wel.
Fier genoeg om met een heerlijk gevoel de vakantie in te gaan.

Twee mannen

Op mijn vaste bank in het park zitten twee mannen dicht bij elkaar.
Mocht dit Hongarije zijn, op het departement Openbare Zeden sloegen nu al alle alarmen tilt. Gelukkig is dit Hongarije niet. Bizar hoe men daar gelooft vooruit te kunnen door de klok terug te draaien. Ronduit weerzinwekkend bovendien hoe een overheid denkt zich te mogen mengen in mijn en uw verhaal van liefde. Terwijl ik bij een beeld van Orban niet bepaald meteen aan liefde denk. Blijven struikelen over dezelfde steen, zo onderscheidt de mens zich van de ezel. Hoe luider men schreeuwt om eigen vrijheid, eigen normen, eigen waarden, hoe meer men die van de ander wil beknotten, tot tussen de lakens toe.
Bon, met deze strategie zal Hongarije het EK niet winnen.

Twee mannen dus.
Tachtig plus. De leeftijd waarin een gezonde geest en een gezond lichaam nog zelden samenwonen. Hoofd en lijf gaan in een Latrelatie. Terwijl het ene al afscheid neemt blijft het andere koppig doorgaan.
Ze horen bij de weggemoffelde generatie. Ooit waren ze wirkmeinsch, patatten en tomaten op een roe en vrijdags is ‘t de leste en dan drinken we ons allemaal zat. Nu kraken de botten, dan houdt het op. Opzij (x3) Maak Plaats (x3). In dure opslagplaatsen met melancholieke namen als RVT Avondzon of Les Orangeries laten we grijsaards vol wijsheid en ervaring verschralen als verlepte groenten. Af en toe mag nog een krasse knar komen excuustruzen op het scherm, een Zinzen of Van Cauwelaert of tot voor kort een Paula Sémer, in een laatavondprogramma waar geen hond naar kijkt. Alles van waarde wordt weerloos.

‘Mag ik,’ vraag ik.
‘Doe maar,’ zeggen ze, blijkbaar opgetogen. Een nieuw gezicht, een nieuw klankbord.
De eerste praat als een geestelijke, devoot en ingetogen. Hij lijkt een bescheiden man, trouw aan God en zijn tien geboden. Leefde een leven als stilstaand water. Zoals dat met stilstaande waters placht te gaan, is het moeilijk peilen naar wat krioelt onder het oppervlak. ‘Mijn leven was een heerlijk diner,’ vertelt hij, ‘mijn kindertijd een appetijtelijk voorgerecht, de hoofdschotel copieus en lekker en het dessert loopt zoetjes binnen. Ik had het voorrecht drie keer gelukkig te mogen zijn.’
De ander blijkt een globetrotter, wereldburger, selfmade en van vele markten thuis. Geamuseerd aanhoor ik zijn verwezenlijkingen: ondernemer, muzikant, schilder. Een vat dat bruist van kennis en filosofie. Overal geweest, alles gedaan, een erelint hier, een exotisch huwelijk ginder, op de foto met een beroemdheid daar. Genoeg herinneringen om een dik boek te vullen.

De mannen blikken graag terug over het pad dat hen naar hun levensavond heeft geleid. In hun ogen blinken weer de jongetjes van weleer.
Ik zit erbij en knik. Ik kan heel veel dingen niet, maar luisteren kan ik wel. Vragen stellen hoeft niet, de ene anekdote brengt een andere mee. Hun verhalen draaien rondjes, komen soms aan waar ze een half uur eerder vertrokken en beginnen dan opnieuw. Soms stokt het, moet ik helpen, dáár waren we. Soms laat een woord of naam zich raden, niet elke gedachte vindt nog even vlot een uitgang uit dat nevelige geheugen.

Kleine jongens op jaren zijn ze. We kregen les van een pater nog, zijn adem meurde naar zure wijn en sigaren. We leefden buitenshuis, deden belleketrek, haalden apenstreken uit. Vandaag beland je daarvoor bij jeugdzorg of strafrechter. Kreeg je straf op school, dan volgde thuis nog een extra draai om de oren bij. Jaja, echt, leuke tijden toen. Ze vertellen met weemoed in de stem. Over een frats op school en een kwaaie meester, de muur gedaan in het leger, buitengesmeten uit een café, aangepapt met het verkeerde meisje. Het leven een paternoster van staties klein geluk.

Maar, vraag ik dan toch maar, iemand moet de pret bederven, waren jullie dan nooit bang of triest of wanhopig? Jullie doorstonden woelige tijden, toch? Stakingen, mijnrampen, Praagse en Parijse lentes. Jullie overleefden oorlogen, warm en koud. Atoomwapens dreigden, de Russen gingen komen. Men schoot op presidenten en dominees. Mei ’68, de Muur in Berlijn, aanslagen en explosies, denk Rode Brigades, Baader-Meinhoff, de Bende van Nijvel. Kinderen werden zomaar van de straat geplukt en nooit meer teruggevonden. En zelfs nog vandaag, jullie zijn volle bak risicogroep en de wereld rukt extreem naar rechts.

‘Ach jongen,’ glimlachen ze, ‘die dingen doen er toch niet toe. Dat tumult waait altijd wel weer voorbij. Het zijn de kleine dingen die het doen. Uiteindelijk volg je de richtingaanwijzers van je hart, onontkoombaar. Daar kan geen koning of keizer wat aan veranderen.’
Hier en nu nog wel, denk ik.
Hout vasthouden dat het zo blijft.

Reacties

Voor

De speler

De wedstrijd kan alle kanten uit.

Zij zijn sterk. Het wordt moeilijk maar we hebben vertrouwen, we weten waar we ze pijn kunnen doen.

Mijn persoontje is niet belangrijk. Het teambelang staat voorop.

De coach

We spelen aan de buitenkant met twee wingers, in het midden geflankeerd door een kopbalsterke centrale verdediger. In het middenveld vijf middenvelders die zowel defensief als offensief denken en dan vooraan twee spitsen met een vrije rol. Tel daar de doelman bij en je hebt ons elftal.

We willen minstens een doelpunt scoren en achteraan de nul houden.

De jongens zijn klaar om te bijten in de bal. Ik wil overgave en grinta zien. De truitjes moeten nat vandaag.

Het resultaat is niet het belangrijkst. Het is de prestatie die telt.

Wij kijken niet naar de rangschikking. Wij focussen enkel op onszelf.

De analist

Een speler die op het veld staat, denkt niet aan die winstpremie.

Ze gaan spelen in een ruit, met de punt naar voren. Of naar achteren.

Hij neemt hier wel een risico. Je kan met deze veldbezetting winnen, maar je kan er ook mee verliezen. Of gelijkspelen, ook mogelijk.

Dat gras! Zag je hoe hoog het gemaaid is? En aan het halve maantje werd net nog gesproeid. Het wordt moeilijk noppen kiezen.

Rust

 De speler

We stonden goed.

Achteraan parkeren zij de bus. Dat is hun goed recht. Het is aan ons om oplossingen te vinden.

De tweede helft moeten we beter doen.

In de zestien missen we dat tikkeltje extra scherpte.

Bij die strafschop hadden we efficiënter moeten zijn.

De analist

Het balletje moet sneller rondgaan. Tiki Taka willen we zien.

Er is te weinig rust aan de bal.

De wil om te winnen, die is er niet.

De looplijnen zijn niet goed ingestudeerd.

We missen scherpte voor doel.

We moeten meer tussen de lijnen voetballen.

Hier gaat het goed tot aan de tweede zone.

Vind jij dan dat er voldoende diepgang is?

De hulpcoach

Onze kracht ligt in de omschakeling.

We moeten verticaler spelen.

We moeten het balletje vaker rondtikken en proberen in de ploeg te houden.

Met een doelpuntje tanken we vertrouwen en knokken we ons weer in de wedstrijd.

De wedstrijd duurt tot het laatste fluitsignaal.

Na

De speler

We hadden gehoopt hier de drie puntjes te kunnen rapen. Jammer.

De analist

Je moet het durven zeggen: er was te weinig kwaliteit vandaag.

Bij zulke fases moet je als spits meer kunnen doen.

Als je de beelden bekijkt zie je dat de VAR had moeten ingrijpen. Of vind jij van niet dan?

Het balletje rolde ook niet echt voor ons.

Het was allemaal net dat tikje minder.

Een overwinning zou het vertrouwen een boost hebben gegeven.

Als we ook volgende wedstrijd verliezen, zie ik het niet meer goed komen.

De coach

Ik wilde hem na zijn blessure toch minuten gunnen om ritme op te doen. Vandaar die wissel in minuut eenennegentig.

Het veld is in het nadeel van de voetballende ploeg. Op dit niveau kan dat niet, maar ik wil dat niet gebruiken als een excuus.

We mogen hem niets verwijten. Verdedigen doe je met het hele team.

De eerste vijf minuten zaten we goed in de wedstrijd. Toen liepen zij achter de bal.

Dan scoren zij en dan weet je dat het moeilijk wordt.

De drie tegendoelpunten waren zeker te vermijden.

We hadden gewaarschuwd voor standaardsituaties en stilstaande fases.

Er was inzet en intensiteit. Kwaliteit is er ook voldoende. Alleen, in de zestien hadden we niet genoeg honger.

Onze fans zijn de beste van de wereld. We missen ze. Met de steun van onze twaalfde man kunnen we altijd dat tikje meer.

Ik beschouw deze wedstrijd als een leermoment.

In het voetbal is de volgende wedstrijd de belangrijkste. Dat is die van volgende week.

Versoepelstress

Eerste hulp bij versoepelstress, kopt de website.
Ver-soe-pel-stress. Ik laat het woord even marineren op mijn tong. Het laat een smaakje na. Zo is de mens, als er geen problemen zijn, dan bedenkt hij er wel. Kijk daar, een hoofddoek.
Het is een pracht van een dag. Door het open raam stort de zon haar stralen in de kamer. Om mijn hoofd hoor ik, zoals in dat lied van lang geleden, het scherpe hoge zoemen van een mug. Op de radio is Rob de Nijs weer zestien en het meisje achtentwintig. Hoe oud ben je geworden als je vrouwen van achtentwintig meisjes noemt?

In het kapsalon scheert een ander meisje de winterdons uit mijn nek.
‘Weer helemaal nieuw,’ zeg ik.
‘Oud nieuw,’ lacht ze.
Die durft, denk ik, terwijl ik een meegaande glimlach op mijn lippen tover. Ik heb haar nog nooit eerder gezien maar het is geen dag voor gemopper. Zij is gewoon een vrolijk meisje van veertig, een tikje aan de zware kant maar uiterst bekwaam met schaar en tondeuse. Openhartig ook, haar man is loodgieter, ze heeft een dochter en ze wacht nog steeds geduldig op haar eerste vaccinatie. ‘Als we daarna ook dat mondkapje niet meer hoeven,’ zegt ze hoopvol.
He ja, denk ik, gooien we collectief onze kap over de haag.

Ik maak nog een ommetje langs het park. Er wandelen oma’s met kinderwagens, op het gras spelen jongens en meisjes een soort van honkbal. In het midden van het veld staat een slanke man die enthousiast aanwijzingen geeft. Net zoals je de getalenteerde voetballer er al na twee baltoetsen zo tussenuit haalt, herken je een gepassioneerde leerkracht na twee woorden. Nauwelijks nog een sprietje haar op zijn hoofd, maar zijn lichaam oogt nog altijd scherp als een mes. Hij strooit zijn enthousiasme uit over zijn leerlingen, een divers publiek, een jaar of zestien, de een in shorts en de ander in jogging. Ze dragen geen uniform, in hun ogen lees je nonchalante tevredenheid.
‘Mijnheer,’ zegt er een, ‘u moet zelf ook lopen, anders kunnen we niet winnen.’
‘Je hebt gelijk,’ antwoordt de leraar. De jongen kijkt tevreden. Deze leraar maakt zijn dag.

Naast het speelveld keuvelen twee vrouwen op het gras. Af en toe zegt een van hen iets tegen een meisje waaraan je van ver kan zien dat ze niet met honkballen haar brood zal verdienen. Ik wil de dames toeroepen: zit daar niet te zitten, beweeg met dat lijf. Mijn hoofd wordt bevolkt door Nederlandstalige zangers. Speel toch mee, wil ik ze aanmoedigen, smijt je tussen team honkbal. Leerlingen vinden dat fijn en later pluk je daar in je lessen de vruchten van. Gezagsdragers laten veel te weinig merken dat zij ook maar gewone mensen zijn. Een beetje relax met elkaar omgaan, politicus en burger, agent en demonstrant, leraar en leerling, daar wordt de wereld vast niet slechter van.

In de winkelstraat kijken vrouwen naar zichzelf in etalages. Ze dragen shorts of een jurk en bloezen zonder mouwen. Ook de mannen hebben zich in korte broek gewrongen, soms tegen beter weten in. De streekbieren en pindanoten tijdens de lange winteravonden zijn duidelijk nog niet geheel verwerkt. Op een bepaald tijdstip in de geschiedenis heb ik een trein gemist, denk ik, terwijl ik me vergaap aan uitbundig getatoeëerde schouders, polsen en kuiten. Ik ben de Laatste der Tattoolozen. Smaken en kleuren, tja.

Het woord versoepelstress speelt op. De aangekondigde vrijheid werpt haar schaduw voor zich uit. Ik weet niet goed wat ik me erbij moet voorstellen. ‘Daar komen ruzies en conflicten van,’ beweert een psycholoog. Met bezorgde blik de toekomst voorspellen is ook een verdienmodel. Ik prijs me gelukkig. Er is geen reden voor nervositeit, van welke aard dan ook.
Het is bijna 9 juni. Dan mogen de teugels los. Ik denk aan mijn broer die op 9 juni jarig was maar het nooit meer zal worden. Je zou hem die dag, net als de meeste andere dagen, zeker hebben gevonden aan de toog of op een terras, sigaret in de hand, bierglas halfvol.
Zou hebben, het zal niet meer gebeuren.
Op die dag van de vrijheid drink ik wel voor twee.
Geen stress.

Alzo sprak Bob

Bob Dylan werd tachtig deze week en dat mocht gevierd. Dylan hier, Dylan daar, Dylan overal. Men draaide liedjes waarvan je geen letter verstond, declameerde aforismen en diepzinnigheden van zijn hand, deelde anekdotes en herinneringen. Fans lazen brieven voor, zongen lof in en buiten elke toonaard, het was een dag van Kumbaya en Halleluja. Het leek wel een elegie, als vertoefde Mr Tambourine Man niet langer onder ons.

Dacht men bij Radio 1, tachtig, dat scheelt nog slechts een reutel met de dood? Die attitude vonden wij misplaatst. Typisch Main Stream Media.
Bij De Schrijverij beschouwden we het als onze plicht om de Nobelprijswinnaar ook zelf aan het woord te laten. Probleem: de immer neuzelende bard bleek even onvindbaar als een para in een Limburgs bos. Getob, gepeins, gepieker. Wat te doen? Tot plots de gloeilamp in ons hoofd begon te eh, gloeien. We zochten een Bob? We kenden er genoeg. Als we Bob onze autosleutels kunnen geven, dan kunnen we Bob ook spreken. Als Bob kan rijden, kan Bob praten ook. Aldus zochten we een Bob en stelden we hem enkele pertinente vragen over leven en welzijn.  

Mijnheer Bob, gefeliciteerd. Hoe voelt u zich, in deze toch wel merkwaardige tijden?

Goed, dank u. Tja, ik heb het geloof ik eerder al wel eens gezegd, The times, they are a-changin’, nietwaar? De wereld staat nooit stil. Hij slingert heen en weer, toen ik jong was naar links, nu weer naar rechts. Ik zou zeggen, Like a rolling stone, haha.

Veel mensen vinden dat niet prettig.

Tja, wie niet als een steen wil zinken, zal moeten zwemmen. Veranderingen dwingen je tot nadenken. Over je waarden, over je keuzes. Voor zolang het duurt, want de verliezers van vandaag zullen morgen weer de winnaars zijn. Op je tachtig heb je alles al wel eens gezien. Een mens past zich vaker aan dan hij zelf doorheeft.

De mensen zijn kwaad.

Nieuw is dat niet. Denk aan de Golden Sixties, Black Lives Matter was er zestig jaar geleden ook al. Mensen protesteerden. Denk aan de marsen tegen de Vietnamoorlog, de bomaanslagen in de seventies, de demonstraties tegen de nucleaire wapens in de jaren tachtig, noem maar op. Er is altijd een roep naar Changing of the Guards. Woede is een valabele emotie die er gewoon bij hoort, net als liefde.

Die woede uit zich vaak in agressief en bruut verbaal geweld op sociale media.

Tja. Dat hadden wij natuurlijk niet. Wij hadden een blad papier en een gitaar. Maar verplaats u in de man in de straat. How does it feel, to be on your own, with no direction home, a complete unknown? Misschien staan wij daar niet genoeg bij stil. Hij voelt zich niet gehoord. Over het hoofd gezien. Aan de kant geschoven. Tekortgedaan en gefrustreerd. Zijn tijdlijn is zijn ventiel. En aan zijn klavier schuwt hij de harde woorden niet, hij spuwt ze uit, zonder spoelwater in de mond. Ah, het brengt mij zo hard terug naar mijn jonge jaren.

Valt dit klimaat nog om te buigen?

Je kan twee dingen doen. Je kan Knockin’ on Heaven’s Door en hopen dat iemand opendoet. Maar dat is toch enigszins een gok. Daarom zeg ik: Everybody must get stoned. Het lost misschien het probleem niet op, je bent er wel voor even van verlost.

In ons land wordt een viroloog met de dood bedreigd. Terwijl hij met zijn gezin moet onderduiken, sluiten vijftigduizend mensen zich aan bij een steungroep voor zijn belager. Wat moeten we daarvan vinden?

Niets. Niemand kan u verplichten ergens iets van te vinden. Maar weet je, hij doet me denken aan Rubin Carter.

De Hurricane!

Precies. The man the authorities came to blame. Mensen hebben een zondebok nodig. Alles is anders nu. In mijn tijd werd je ziek en dan zei de dokter: ‘Virusje. Medicijntjes en hup.’ Je slikte wat je kreeg en nam er voor de zekerheid nog een pilletje bij. Algauw was je weer de frisse knaap. Maar nu? De overheid bepaalt je hele doen en laten. We moeten inleveren op onze vrijheid. En op wiens advies?  Precies. De viroloog. Maar wie is dat, wat drijft hem, wat doet hij? Is dat viroliegen? Virolodelen? Virolameren? Geen hond die het weet.

Raken we hier nog uit?

Het antwoord op die vraag, mijn vriend, is blowin’ in the wind.

Wat denkt u?

Ik geloof sterk in de kracht van de verbeelding. Stel u voor, geen hemel, geen hel, geen landen, geen religies, geen bezit, geen hebzucht, niets om voor te doden of te sterven. Ha, Imagine.

Euh, excuseer, mijnheer Bob, zijn dat niet woorden van John Lennon?

John wie? Och, weet u, mijnheer De Schrijver, woorden zijn van niemand en iedereen. Ook deze hadden ook zomaar van mij kunnen zijn!

Hemelvaart

‘Er is een spookrijder gesignaleerd, gelieve uiterst rechts te blijven,’ zei de mevrouw op de radio.
Het klonk wrang, een gewaagd advies op een ogenblik dat halve legers een klopjacht hielden op een doorgedraaid en tot de tanden bewapend sujet van extreemrechtse signatuur.
Het figuur zou schuilen in het bronsgroen eikenhout waar het nachtegaaltje zingt. Bronsgroen overigens, vind ik een mooi woord, het klinkt solide en betrouwbaar en doet aan kabouters denken.

Niet langer dan een week geleden fietsten wij doorheen diezelfde uitgestrekte Limburgse bossen. Het was Hemelvaartweekend, van oudsher mijn op een na favoriete schoolvakantie. Dit jaar wilde het weer niet mee, maar doorgaans is Hemelvaart een vierdaagse van opklimmende temperaturen, shorts en T-shirts verjagen jeans en trui, luie lichamen ontwaken uit de winterslaap, de lucht barst van frisse en groene energie.
Hemelvaart, weekend van metamorfose, einde en begin. Zo ook bij de echte JC, tweeduizend jaar geleden: “Na deze woorden zagen ze dat Jezus werd omhoog geheven. Een wolk nam Jezus mee en die verdween uit hun gezicht.” (Handelingen 1:9) Men wist tenminste waar hem te vinden.

Ik houd van Limburg.
De Limburger is een minzaam man, vriendelijk, geduldig en immer goedlachs. Ik kan het weten, ik ben er zelf een en geloof mij, niemand heeft meer geduld met mij dan ikzelf. De provincie is groen en dooraderd met honderden fietskilometers en wandelwegen, de lucht gezond en vol van dansend paardenbloempluis, op de velden wiegen weelderige gele brem en boterbloemen, je ademt er poëzie.
In het herentoilet van het campingrestaurant zag ik een briefje, aan de spiegel bevestigd met doorschijnende tape: “We leggen het vertrouwen bij u om geen reinigingszeep en handdoeken mee te nemen.” Ik werd er prompt gelukkig van. Het gevoel van een Thaise massage, een weldadige gelukzaligheid. Vertrouwen krijgen van een anonieme autoriteit, het moet geleden zijn van toen de dieren nog spraken. Iemand die zegt Doe Maar en niet je moet dit, dat mag je niet, we gaan streng handhaven en harde aanpak blablabla, maar een eenvoudig we rekenen op u dat het goed komt. De omknellende kettingen van het laatste anderhalf jaar werden in een wolk omhoog geheven en verdwenen uit het gezicht.

Wij groeiden op onder ijzeren dril, je zou ervan gaan doordraaien: knoop je jas dicht doe een das om was eerst je handen kam je haren recht je schouders denk aan je tanden blijf niet hangen recht naar huis toe spreek met twee woorden stel je netjes voor eet zoals het hoort en zeg u. We Deden Maar, deze batterij aan goede manieren bood ons voldoende wapens om de resterende tachtig jaar door te spartelen. Niemand van ons hield ooit voor mogelijk dat we zelfs ruim voorbij de zestig nog altijd niet zelf de krijtlijnen van ons private leven mochten tekenen, als blind vee dienden te gehoorzamen, voor het donker thuis, kus niet schud geen handen, betreed winkel of terras uitsluitend met mombakkes.
Ik waste mijn handen in het net verkregen vertrouwen en plaatste de reinigingszeep weer netjes op het schabbetje, een handdoek helaas kon ik zo gauw niet vinden. 

Toen moest ik weer denken aan die andere Hemelvaartfietsvakantie, vier jaar geleden. De dagen leken voorbode van een warme zomer, we trapten ons in Zeeland door de westenwind. Doch. Van het Zeeuwse landschap zag ik niets, ik rook geen zee, proefde geen zout, voelde warmte noch kou. Ik beleefde, ondanks de willige zon en het opbeurende humeur van mijn naasten, vier donkere dagen, de donkerste Hemelvaart ever, donkerder nog dan de huidige dagen van wind en regen. Ik herinner me van onze honderd kilometers lange tocht alleen nog de conclusie: ik ga niet meer terug.
Niet meer terug naar de plek waar ik haast veertig jaar het beleg op mijn boterham had verdiend. Net als Jezus zou ik mij door een wolk laten optillen en uit het gezicht verdwijnen. Een donderwolk weliswaar, het werk was immers nog niet af, de doelen nog niet bereikt. Er was gezaaid maar nog niet geoogst, de boodschap verkondigd maar nog niet overal gehoord.

Struikelblok waren hier de wetten, ongeschreven weliswaar, van de lerarenkamer. Het ons kent ons, de fake en misplaatste collegialiteit, het misprijzen voor de kansarme, misplaatst machtsgebruik, de intriges en achterklap en voorgewende vriendelijkheid. Surrounded by strangers I thought were my friends, I found myself further and further from my home.
Boven het maaiveld zwaaien scherp gewette zeisen. Ik denk er nog vaak aan maar praat er weinig over, er is al genoeg geween en tandengeknars.
Burn-out, zei de psycholoog. Opgebrand. Alles geblakerd en zwart.
Nu weet ik dat het klopt: once black, you never go back.

Mijn Lieve Gunsteling

Je lag die halsstarrige zomer als een kalf in stuitligging in de kraamkamer van mijn verziekte verlangens …”
Hopla, hier gaan we weer, denk je meteen al op pagina 1. Voor je verder gaat nog even de zuurstoffles binnen handbereik zetten want een Rijneveld, dat weet je, laat je weleens naar adem happen.
Nochtans, ter voorbereiding had het boek wekenlang op de plank mogen rijpen. Zodat we aan elkaar konden wennen, samen op temperatuur komen. Omdat ik fan ben, las ik eerst ook enkele interviews met de veelvuldig bejubelde auteur.

Ik wist dus vooraf welke attributen het leven haar had toegeworpen.
Marieke Rijneveld groeide op in een Hollands boerengat onder alziend oog en eeuwige toorn van God. Die gaf afwezig toen haar broertje verongelukte en liet toe dat pijn en gemis een tweewoonst bouwden in haar hart.
Vriendjes maken viel haar moeilijk. Op school werd haar weleens pesterig gevraagd of ze nou een jongen of een meisje was. Daar wist ze niet zo gauw antwoord op. Misschien een beetje allebei? Voor de volledigheid plakte ze bij het oorspronkelijke Marieke toch ook maar Lucas tegenaan. Engelstaligen verwijzen naar haar met they.
Als tiener werd ze misbruikt, door een docent. In haar alleenheid dromend van roem en faam liet ze zich vaak denkbeeldig interviewen door Matthijs van Nieuwkerk. De wereld draaide uiteraard door, in haar hoofd verschafte een Herberg van Verbeelding onderdak aan haar fantasieën. Daar kon ze ook haar angsten een kamer toewijzen, “bang om alles kwijt te raken, bang om dood te gaan, bang om te leven, bang om niet gezien te worden, bang dat ik mensen teleurstel, bang dat ik mezelf teleurstel.

Haar dichtbundel ‘Kalfsvlies’ viel prompt in de prijzen.
Daarop volgde internationale erkenning voor haar romandebuut, ‘De Avond is Ongemak’. Een pijndoende vertelling over een verongelukte broer, lijdende ouders, eenzaamheid, barbaarse kinderhumor en een God die op alles antwoord weet maar niet op verschroeiend verdriet. Er is ook nog een veearts die wat schimmig door het beeld schuift. (https://desprekershoekvandeschrijverij.blog/?s=de+avond+is+ongemak).

In ‘Mijn Lieve Gunsteling’ treedt die veearts uit de mist, vergezeld van dezelfde terugkerende demonen: de broer, de in zichzelf verzonken vader, een meisje dat een jongensgewei begeert, niet om te ontvangen maar om te hebben. Nevenpersonages in de biecht van een man van negenenveertig die hunkert naar een meisje van veertien.
Ik was geobsedeerd. Ik zat zo diep in de veearts, dat ik hem soms wàs”, vertelt de schrijfster. Dat kan niet een fijn gevoel zijn geweest.

Het ongemak in Mijn Lieve Gunsteling overspant een hele zomer, “dat steilorige hoogseizoen”.
Er staan maar twee of drie punten in elk hoofdstuk, zo bang was ik om te stoppen en het verhaal te verliezen,” legt ze uit.
Resultaat: een wervelwind van woorden, hoofdstuk na hoofdstuk, elke zin een pulserende hartenklop, elke gedachte pompt en stuwt, jaagt je met zweepslagen vooruit, steeds dieper zink je samen met de veearts weg in de gierput van zijn perverse geest, als je niet uitkijkt verlies je jezelf, tuimel je er zo in, ik kan hem zelfs begrijpen denk je, dat benauwende dorp, dat rare meisje dat gesprekken voert met Hitler en Freud, dat Kurt Cobain op handen draagt en geobsedeerd is door de penis van zowel een otter als een knaap, misschien liever een jongen wil zijn maar onweerlegbaar een ontluikend meisje is, zo onschuldig dat je er verliefd op wordt, liefde kent geen leeftijd, natuurlijk niet, en ook de veearts is beschadigd, door eigen duivels op sleeptouw genomen, zo vergoelijkt hij zijn daden, je voelt ook met hem terwijl je natuurlijk ook beseft, gelukkig maar, zij is de vlieg in zijn woordenweb, hij verleidt, manipuleert, stuurt tot hij de controle verliest.
Ober: zuurstof!

Kunst kan wellicht niet de wereld redden, een wonde balsemen moet toch lukken. Maar dit boek is geen zalfje. Wat moet het krioelen in dat hoofd! Weer gaat Rijneveld op zoek in haar donkerste krochten, waar sarren en geesten samenklitten. Ze schuurt oude wonden met grove korrel, sluipt met enerverend geduld in brede cirkels naar de etterende kern, van buiten naar binnen, wax on, wax off. En jij, arme lezer, puft en snakt naar nog want hoe goor ook, je wil alles weten, van naaldje tot draadje, al weet je dat er misschien meer is dan je kan hebben. Het is een biecht vol weerhaken, die afschuw oproept en weerstand, openhartig, zonder genade, met woorden en beelden die beklijven en je raken in je ziel.

Wat een weergaloze vertelling!
Zegt de schrijfster: “Het is goed dat ik bij honderdduizend woorden ben gestopt. Ik weet niet hoe lang ik dit had volgehouden.”
Ik ook niet, dacht ik. Hoe lang kan een mens zonder adem?
Tijd voor stapschoenen. Er moet een hoofd leeg gemaakt, frisse lucht gehaald.
Er zit een boek onder mijn huid.

Mijn Astra en ik

Terwijl de wereld als een trein zonder remmen alsmaar verder raast, blijf jij als een eenzame sterre stille staan. Je verschuift naar de achtergrond, wordt decor. Nergens heeft men je nog vandoen. Niemand wil je nog daten, het verleiden niet langer waard. Je vergeet stilaan hoe dat was, begeerd te worden, iemand die naar je verlangt zoals een dorstige naar een glas water.

Die droefgeestige gedachten losten op in lucht toen een meisje, Astra Zenica heette ze, me liet weten dat ze me graag een keer wilde ontmoeten.
Haar naam gonsde al langer door de stad. Zij was hot, the new kid in town. Mijn huisarts dokter Google beweert dat haar vader Brits is en haar moeder Zweeds. Dat laatste prikkelde mijn verbeelding. Ik moest terstond denken aan de blonde van ABBA, niet dat meisje met de lange benen uit de tijd van Waterloo maar de vrouw van The Day Before You Came. Dat ook vrouwen mooier rijpen met de jaren wordt veel te weinig belicht.

De dag voor Astra in mijn leven kwam, draaide in onze familie de cirkel van het leven nog een rondje extra. Bij zonsopgang zag ergens een jongen voor het eerst het levenslicht, na de middag droegen we in beperkte kring een dierbare naar zijn laatste rustplaats. Voor elke Leeuwenkoning een nieuwe Simba. Daardoor deed haar aanzoek me extra deugd, alsof ze me vanuit het onbekende wilde zeggen: ik wil graag dat jij nog een wijle langer hier blijft.
Enthousiast zei ik ja.

Fijn voor je, reageerde nagenoeg iedereen, schouderklopje links, vuistje rechts. Tegelijk toch ook wat wrange vragen. ‘Wat heb jij dat ik niet heb? Ken jij iemand die wij niet kennen? Schiet jij onder onze duiven?’
Het voelde alsof ik ergens schuld aan had en aan de wereld moest verantwoorden waarom Astra precies mij had uitverkoren. Eertijds zou ik hebben verwezen naar dat gestaalde zwemmerslijf, die gouden krullen, die blik die chocola kon smelten of die mousserende stem, maar na al die jaren van verval kon ik slechts mompelen: ‘Ik weet het niet. Het leven is een rijgsnoer van raadsels en mysteriën.’
Neen was uiteraard geen optie.

Ik prikte, hèhè, onverwijld plaats en datum: Park Spoor Oost, enfin, de Antwerpse variëteit van een park, een lap ruwe beton naast de snelweg, om negen uur in de ochtend, een onschuldig tijdstip, de kippen zijn al wakker maar de hormonen slapen nog. Over Astra zoemden intussen de meest uiteenlopende verhalen. Iemand werd boudweg ziek van haar, kotste daarbij zijn darmen uit, een ander trok vrolijk fluitend verder door het leven.
Een eerste date zorgt altijd voor een kleine knoop in de maag. Je wil heel graag maar tegelijk verzint je hoofd duizend dingen die fout kunnen gaan. Gelukkig bood de locatie rust. Ondanks het vroege uur veel volk in het kunstmatige dorp. Talloze vriendelijke vrijwilligers wezen behulpzaam de weg, naïeve vragen pareerden ze met oeverloos geduld.
De mens draagt ook hoop en liefde in zich, ook dat wordt te weinig in de verf gezet.

‘Hier is ze,’ zei de mevrouw met de naald in haar hand, ‘even een prikje.’
‘Ach,’ antwoordde ik ‘we zullen er niet van dood gaan, zeker?’
‘Dat is de bedoeling,’ haakte ze in, bliksemsnel, alsof ze op die grap al duizend keer had gerepliceerd. Astra kroop langzaam onder mijn vel, als geliefden vermengden we ons, voor altijd hoorden we bij elkaar, niets in dit leven zou ons nog kunnen scheiden.
Ik peddelde naar huis op een gammele fiets en een wolk van geluk. Nooit zou ik nog alleen zijn, altijd samen, veilig en beschermd tegen alle onheil. Astra en ik, wij, niet zij aan zij maar een en ondeelbaar. Hier wij, aan onze voeten de wereld.

Edoch.
De eerste keer doet altijd zeer en als het te mooi klinkt om waar te zijn, dan is het dat meestal ook, zeggen de clichés. Mijn aanlokkelijke, verleidelijke, gegeerde Zweedse toonde haar Britse kant. Elke schoonheid heeft een schaduwzijde, ook die waarheid zien we te weinig onder ogen.
Mijn hoofd gloeide, onder mijn schedel ploegde een bulldozer mijn hersens om. Mijn lichaam schoot van vries- naar kookpunt en weer terug.
Astra en ik zochten vertroosting in bed, zoals geliefden plegen te doen. Onder het donker van de dons zouden we schuilen, armen geklemd tegen de borst, de vuisten gebald. We kregen de kou niet uit het lijf gejaagd. We rilden en schokten als worstelden we ons doorheen een ontwenningskuur, de keel droog als een woestijn, botten en gewrichten piepten en kraakten als een versleten machine. Verdriet welde in onze harten, deze roos droeg meer doornen dan bloem.

Niet enkel geluk gaat ooit voorbij, ook ongemak.
De volgende ochtend hadden zij en ik elkaar ontdekt en verkend en ons met elkaars hebbelijkheden verzoend. Zoals jonggehuwden versmolten we nu echt tot één geheel.
‘Ach,’ lachten we, ‘wat stelt het voor, één slechte nacht op een gans leven?’
Met deze woorden hadden we alles gezegd.
We wisten dat het goed was.

Skatestoppers

De jeugd heeft het moeilijk, zegt men.
Hoe kan dat, hoor ik in de wachtzaal bij de radioloog. Ze hebben toch alles? Integendeel, wij, die wel mobilhomes kunnen kopen maar er niet mee reizen, die voor ons tweede verblijf in Frankrijk wel moeten betalen maar er niet naartoe kunnen, wij zijn de slachtoffers van de pandemie.

Hilversum Drie bestond nog niet. Geen wereldwijd web of mobiele telefoon, World of Warcraft of PornHub klonken zelfs sciencefictionauteurs te vergezocht. Afstandsonderwijs organiseerden we zelf, op eigen initiatief, in de robuuste bunkers aan de bosrand. We leerden er roken en drinken, verhalen verzinnen en verzwijgen en ontdekten er de lust en pijn van de liefde. Later groeiden op die plek een bedrijvenzone en een warenhuis met tweeduizend parkeerplaatsen uit de grond.
We lanterfantten door de dagen, op de sofa of de straat. Bij regen speelden we Stratego, Hartenjagen of Mens-erger-je-niet. Onder de dekens snuffelden we in kleverige blaadjes die onder de schoolbanken stiekem werden rondgedeeld.
‘Televisie verpest je ogen, ga naar buiten,’ joeg onze moeder ons het huis uit. We gingen hoelahoepen, steltlopen en rolschaatsen of op onze verhitte jongenskop staan, tot alles bereid om de aandacht van de meisjes te vestigen op ons slanke lijf waarin hormonen gierden als gek.

Op de hoek van onze straat, waar nu residentiële appartementsgebouwen staan, lag een hobbelig stuk grond, een patattenveld met aan weerszijden enkele palen in de grond gehengst en daarop schots en scheef genageld een deklat. We markeerden het strafschopgebied met dikke strepen die we trokken met onze hielen in de modder, de straatrand was de zijlijn,  drie corners penalty. Wij van de Winkelstap waren België, de dikke nekken van den Deuzeld Holland. België won.
We koersten de Ronde van Frankrijk, wij tegen zij, twee grote ronden en twee kleintjes rond de vier straten van onze wijk, aankomst op de Liebiglaan, in de penetrante walm van groenten- en vleesbouillon.
Op winteravonden trokken we tussen dikke sneeuwvlokken een glijbaan op het trottoir, ’s ochtends hoopten we van tussen de gesloten gordijnen dat die nog glad genoeg was om passanten te verrassen.
De wereld was van ons. We hadden tijd, en plaats, en vrijheid.

Was ik vandaag veertien, ik wipte in mijn baggy jeans en oversized T-shirt met Tupac, all eyez on me, stapte in mijn Air Walks en zoefde als een tot leven gekust vrijheidsbeeld naar het skateparkje in Park Spoor Noord. Wat ollies en flips, misschien een 360 pop shove it of een Backside Bigspin, nonchalant een beetje showen aan de kleine mannen hoe het moet.
Ik cruisede als een vrije ridder verder doorheen de stad, trottoir op en af, een opstapje of hoge dorpel bedwingend, misschien wel een betonnen zitbank. De lente gloeit op mijn gezicht, de wind streelt mijn jongenslijf als de handen van een meisje, mijn haren wapperen vrolijk en vrij. Ik ben de koning van de straat.
Ik zou glijden voorbij het Sint-Andries van Lange Wapper, de basketters bewonderen op Sint-Jansvliet, de geur inhaleren van de Schelde die als een zilveren slang kronkelt tussen Linker- en Rechteroever. Op de nieuwe kaaien aan het Zuid zou ik alle remmen lossen, tricky jumps, hoger, sneller, verder, skating next level, Eminem of old skool Rage Against the Machine in mijn headset.

Tenminste, I wish.
Want niet dus. In het stadhuis heeft een of andere flurk beslist om de beste skateplek van de stad te versieren met metalen haken in de plavuizen. Menens. Skaten maakt te veel lawaai, zeggen ze. Een stille stad is het nieuwe normaal. De cafés zijn toe, er is avondklok, de Sinksenfoor moest weg, nu wij nog. Skating is the new black. Niet de over de ganse stad verspreide drilboren, slijpschijven en sloophamers zorgen voor herrie, neen, dat doet mijn plank op wielen.   

Wie beslist die dingen zelfs?
De burgemeester? Dan vraag ik hem: ‘Gast, wat is uw probleem? Zijt gij jaloers of wat? Wat doe ik fucking verkeerd? Mocht gij zelf van uw mama nooit buiten spelen misschien?’
Hij zal antwoorden: ‘Rustig jongens, geen paniek. Binnen een paar jaar komt er een nieuw skatepark wat verderop.’
Yeah, right. Binnen een paar jaar, als ik zelf al kleine mannen heb. Met enkele supersimpele ramps op een gesloten terrein, ergens weg van het centrum. Met camera’s en toezichters en een afsluiting errond. Zodat ze ineens ook kunnen checken of er niet iemand een toeter zit te smoren of een tong te draaien.

Luister Boomer: het is ook voor mij fucking Corona. Ik volg online les, zie mijn vrienden en vriendinnen amper en de hond komt op een dag vaker buiten dan ik. Jij neemt de laatste vrijheid af die ik nog had. Wat wil je dat ik doe? League of Legends op mijn kamer, zeven op zeven?
Dikke middenvinger gast, ge zijt bedankt.

De eerste zin

De afgelopen dagen zocht ik naar een goede eerste zin.
Een goede eerste zin is essentieel. Hij moet de lezer bij de keel grijpen en meetrekken in het verhaal. Elke volgende zin is net zo belangrijk, hoorde ik Dimitri Verhulst een keer zeggen. Hij kan het weten, hij heeft al heel wat mooie eerste zinnen op papier gezet. Zijn laatste boek, In Weerwil van de Woorden, begint zo: “Straks komen ze me halen.” Dan wil je toch weten wie? En waar naartoe?

Ik zocht de zin uit noodzaak.
Ik volg namelijk een cursus en daar horen opdrachten bij. Deze week: “Schrijf een scène over een man aan de courgettes in een warenhuis.” Dat lijkt op het eerste gezicht een vreemde setting, maar wie graag in de wereld van de woorden toeft, kijkt niet gauw nog ergens van op.
Ik wilde dit goed doen, ik had nog wat goed te maken.
Op je ingeleverde werk krijg je geen cijfer maar wel uitgebreide en onderbouwde feedback, door alle cursusleden en de leraar zelf. Behalve die ene keer. De opdracht luidde: “Schrijf een dialoog tussen een kind en een onbekende volwassene.” Ik leverde een verhaal in van zeven woorden: ‘Mijnheer, alle seks voor u. Vijf dollar.” De rest van het blad liet ik wit. Het wit van hier heb ik geen woorden voor. Het wit van sprakeloos. Schrijven is immers schrappen en na zulke uitspraak is elk woord er een teveel, vond ik.
Daar was de schrijfgroep het niet geheel mee eens. Geen dialoog, zei men. ‘Nou,’ verweerde ik mij, ‘als jij thuis beeld krijgt zonder klank, dan wordt er zonder woorden toch wel heel veel gezegd?’ Lange discussie kort, de leraar rondde af met een grapje: ‘Voor de originaliteit geef ik je één op tien.’ Even voelde ik me weer vijftien.

Voor de courgetteopdracht had ik wel al gauw een idee, maar hoe de vertelling beginnen? Een goede eerste zin helpt niet alleen de lezer, maar ook de schrijver op weg. Hoe doen echte schrijvers dat? Research!
Ik had thuis in romans kunnen bladeren, maar wilde na al die tijd mijn huis nog wel eens uit. Had ik eindelijk ook een essentiële verplaatsing. Omdat het lente is, trok ik mijn jeansjas aan. Ik fietste opgewekt naar de stad. Die was, helaas, koud en doods. Mijn jas had geen verweer tegen de noorderwind. Belachelijk als je de zestig voorbij bent en je kledingkeuze nog altijd afstemt op de datum en niet op het weer. In de zomer neem ik nooit ergens een paraplu mee naartoe, want per definitie schijnt dan de zon, vind ik. Tja, perfectie is niet van deze wereld.

Ik warmde me op in een boekenzaak en speurde intussen in het ene na het andere meesterwerk. Ik las zinnen als ‘Hij kan zijn woede niet verkroppen’ (Amélie Nothomb), ‘Het was half zeven ’s ochtends’ (Joël Dicker), ‘Een vrouw en een man kijken elkaar in de ogen’ (Kris Van Steenberge en Geert Briers). Dat mag misschien eenvoudig lijken, geloof me, het is het niet. Daar gaat heel wat denkwerk aan vooraf. Gelukkig hoeft het niet altijd Anna Karenina (‘Alle gelukkige gezinnen lijken op elkaar, elk ongelukkig gezin is ongelukkig op eigen wijze’) te zijn. Ook uit ogenschijnlijk alledaagse zinnen kiemen mooie romans. En dat is toch het doel van elke cursist: een mooie roman leren schrijven. Stiekem droom ik daar zelf soms ook nog van. Dromen doet leven.

Mijn oeuvre zal uit slechts vier werken bestaan, in de beperking toont zich de meester.
Het debuut beschrijft de coming of age van een broer en een zus uit een oervlaams gezin en zorgt voor een eerste naambekendheid in literaire kringen.
Een tweede werk – werktitel ‘De Ben in Mij’ – hekelt wantoestanden in het onderwijs. Niet autobiografisch maar wel gekruid met pittige anekdotes. Zoals het onlangs een groot schrijver nog verwoordde: ‘De feiten moeten kloppen, de scènes verzonnen.’
Daarna volgt een lijvig werk over hoe een foute beslissing generaties lang tweespalt veroorzaakt in een familie.
Mijn Magnum Opus tenslotte zal heten, ‘De 1500, een verzonnen leven.’ Uitgeverijen zullen drummen voor de verkooprechten. Beetje slimmerd zoekt best nu al contact. Just saying.

Maar dus, de man en zijn courgette.
Dit wordt de eerste zin: “De enige die lacht, is mijn broer zelf.” U mag drie keer raden wat die courgette daarmee te maken heeft.

PS

U las zonet het honderdste blogbericht in De Sprekershoek. Dat is geweldig. U bent oprecht een fijn publiek. Zonder u geen Schrijverij.
Heel veel dank daarvoor.