Blog

Mijn Lieve Gunsteling

Je lag die halsstarrige zomer als een kalf in stuitligging in de kraamkamer van mijn verziekte verlangens …”
Hopla, hier gaan we weer, denk je meteen al op pagina 1. Voor je verder gaat nog even de zuurstoffles binnen handbereik zetten want een Rijneveld, dat weet je, laat je weleens naar adem happen.
Nochtans, ter voorbereiding had het boek wekenlang op de plank mogen rijpen. Zodat we aan elkaar konden wennen, samen op temperatuur komen. Omdat ik fan ben, las ik eerst ook enkele interviews met de veelvuldig bejubelde auteur.

Ik wist dus vooraf welke attributen het leven haar had toegeworpen.
Marieke Rijneveld groeide op in een Hollands boerengat onder alziend oog en eeuwige toorn van God. Die gaf afwezig toen haar broertje verongelukte en liet toe dat pijn en gemis een tweewoonst bouwden in haar hart.
Vriendjes maken viel haar moeilijk. Op school werd haar weleens pesterig gevraagd of ze nou een jongen of een meisje was. Daar wist ze niet zo gauw antwoord op. Misschien een beetje allebei? Voor de volledigheid plakte ze bij het oorspronkelijke Marieke toch ook maar Lucas tegenaan. Engelstaligen verwijzen naar haar met they.
Als tiener werd ze misbruikt, door een docent. In haar alleenheid dromend van roem en faam liet ze zich vaak denkbeeldig interviewen door Matthijs van Nieuwkerk. De wereld draaide uiteraard door, in haar hoofd verschafte een Herberg van Verbeelding onderdak aan haar fantasieën. Daar kon ze ook haar angsten een kamer toewijzen, “bang om alles kwijt te raken, bang om dood te gaan, bang om te leven, bang om niet gezien te worden, bang dat ik mensen teleurstel, bang dat ik mezelf teleurstel.

Haar dichtbundel ‘Kalfsvlies’ viel prompt in de prijzen.
Daarop volgde internationale erkenning voor haar romandebuut, ‘De Avond is Ongemak’. Een pijndoende vertelling over een verongelukte broer, lijdende ouders, eenzaamheid, barbaarse kinderhumor en een God die op alles antwoord weet maar niet op verschroeiend verdriet. Er is ook nog een veearts die wat schimmig door het beeld schuift. (https://desprekershoekvandeschrijverij.blog/?s=de+avond+is+ongemak).

In ‘Mijn Lieve Gunsteling’ treedt die veearts uit de mist, vergezeld van dezelfde terugkerende demonen: de broer, de in zichzelf verzonken vader, een meisje dat een jongensgewei begeert, niet om te ontvangen maar om te hebben. Nevenpersonages in de biecht van een man van negenenveertig die hunkert naar een meisje van veertien.
Ik was geobsedeerd. Ik zat zo diep in de veearts, dat ik hem soms wàs”, vertelt de schrijfster. Dat kan niet een fijn gevoel zijn geweest.

Het ongemak in Mijn Lieve Gunsteling overspant een hele zomer, “dat steilorige hoogseizoen”.
Er staan maar twee of drie punten in elk hoofdstuk, zo bang was ik om te stoppen en het verhaal te verliezen,” legt ze uit.
Resultaat: een wervelwind van woorden, hoofdstuk na hoofdstuk, elke zin een pulserende hartenklop, elke gedachte pompt en stuwt, jaagt je met zweepslagen vooruit, steeds dieper zink je samen met de veearts weg in de gierput van zijn perverse geest, als je niet uitkijkt verlies je jezelf, tuimel je er zo in, ik kan hem zelfs begrijpen denk je, dat benauwende dorp, dat rare meisje dat gesprekken voert met Hitler en Freud, dat Kurt Cobain op handen draagt en geobsedeerd is door de penis van zowel een otter als een knaap, misschien liever een jongen wil zijn maar onweerlegbaar een ontluikend meisje is, zo onschuldig dat je er verliefd op wordt, liefde kent geen leeftijd, natuurlijk niet, en ook de veearts is beschadigd, door eigen duivels op sleeptouw genomen, zo vergoelijkt hij zijn daden, je voelt ook met hem terwijl je natuurlijk ook beseft, gelukkig maar, zij is de vlieg in zijn woordenweb, hij verleidt, manipuleert, stuurt tot hij de controle verliest.
Ober: zuurstof!

Kunst kan wellicht niet de wereld redden, een wonde balsemen moet toch lukken. Maar dit boek is geen zalfje. Wat moet het krioelen in dat hoofd! Weer gaat Rijneveld op zoek in haar donkerste krochten, waar sarren en geesten samenklitten. Ze schuurt oude wonden met grove korrel, sluipt met enerverend geduld in brede cirkels naar de etterende kern, van buiten naar binnen, wax on, wax off. En jij, arme lezer, puft en snakt naar nog want hoe goor ook, je wil alles weten, van naaldje tot draadje, al weet je dat er misschien meer is dan je kan hebben. Het is een biecht vol weerhaken, die afschuw oproept en weerstand, openhartig, zonder genade, met woorden en beelden die beklijven en je raken in je ziel.

Wat een weergaloze vertelling!
Zegt de schrijfster: “Het is goed dat ik bij honderdduizend woorden ben gestopt. Ik weet niet hoe lang ik dit had volgehouden.”
Ik ook niet, dacht ik. Hoe lang kan een mens zonder adem?
Tijd voor stapschoenen. Er moet een hoofd leeg gemaakt, frisse lucht gehaald.
Er zit een boek onder mijn huid.

Mijn Astra en ik

Terwijl de wereld als een trein zonder remmen alsmaar verder raast, blijf jij als een eenzame sterre stille staan. Je verschuift naar de achtergrond, wordt decor. Nergens heeft men je nog vandoen. Niemand wil je nog daten, het verleiden niet langer waard. Je vergeet stilaan hoe dat was, begeerd te worden, iemand die naar je verlangt zoals een dorstige naar een glas water.

Die droefgeestige gedachten losten op in lucht toen een meisje, Astra Zenica heette ze, me liet weten dat ze me graag een keer wilde ontmoeten.
Haar naam gonsde al langer door de stad. Zij was hot, the new kid in town. Mijn huisarts dokter Google beweert dat haar vader Brits is en haar moeder Zweeds. Dat laatste prikkelde mijn verbeelding. Ik moest terstond denken aan de blonde van ABBA, niet dat meisje met de lange benen uit de tijd van Waterloo maar de vrouw van The Day Before You Came. Dat ook vrouwen mooier rijpen met de jaren wordt veel te weinig belicht.

De dag voor Astra in mijn leven kwam, draaide in onze familie de cirkel van het leven nog een rondje extra. Bij zonsopgang zag ergens een jongen voor het eerst het levenslicht, na de middag droegen we in beperkte kring een dierbare naar zijn laatste rustplaats. Voor elke Leeuwenkoning een nieuwe Simba. Daardoor deed haar aanzoek me extra deugd, alsof ze me vanuit het onbekende wilde zeggen: ik wil graag dat jij nog een wijle langer hier blijft.
Enthousiast zei ik ja.

Fijn voor je, reageerde nagenoeg iedereen, schouderklopje links, vuistje rechts. Tegelijk toch ook wat wrange vragen. ‘Wat heb jij dat ik niet heb? Ken jij iemand die wij niet kennen? Schiet jij onder onze duiven?’
Het voelde alsof ik ergens schuld aan had en aan de wereld moest verantwoorden waarom Astra precies mij had uitverkoren. Eertijds zou ik hebben verwezen naar dat gestaalde zwemmerslijf, die gouden krullen, die blik die chocola kon smelten of die mousserende stem, maar na al die jaren van verval kon ik slechts mompelen: ‘Ik weet het niet. Het leven is een rijgsnoer van raadsels en mysteriën.’
Neen was uiteraard geen optie.

Ik prikte, hèhè, onverwijld plaats en datum: Park Spoor Oost, enfin, de Antwerpse variëteit van een park, een lap ruwe beton naast de snelweg, om negen uur in de ochtend, een onschuldig tijdstip, de kippen zijn al wakker maar de hormonen slapen nog. Over Astra zoemden intussen de meest uiteenlopende verhalen. Iemand werd boudweg ziek van haar, kotste daarbij zijn darmen uit, een ander trok vrolijk fluitend verder door het leven.
Een eerste date zorgt altijd voor een kleine knoop in de maag. Je wil heel graag maar tegelijk verzint je hoofd duizend dingen die fout kunnen gaan. Gelukkig bood de locatie rust. Ondanks het vroege uur veel volk in het kunstmatige dorp. Talloze vriendelijke vrijwilligers wezen behulpzaam de weg, naïeve vragen pareerden ze met oeverloos geduld.
De mens draagt ook hoop en liefde in zich, ook dat wordt te weinig in de verf gezet.

‘Hier is ze,’ zei de mevrouw met de naald in haar hand, ‘even een prikje.’
‘Ach,’ antwoordde ik ‘we zullen er niet van dood gaan, zeker?’
‘Dat is de bedoeling,’ haakte ze in, bliksemsnel, alsof ze op die grap al duizend keer had gerepliceerd. Astra kroop langzaam onder mijn vel, als geliefden vermengden we ons, voor altijd hoorden we bij elkaar, niets in dit leven zou ons nog kunnen scheiden.
Ik peddelde naar huis op een gammele fiets en een wolk van geluk. Nooit zou ik nog alleen zijn, altijd samen, veilig en beschermd tegen alle onheil. Astra en ik, wij, niet zij aan zij maar een en ondeelbaar. Hier wij, aan onze voeten de wereld.

Edoch.
De eerste keer doet altijd zeer en als het te mooi klinkt om waar te zijn, dan is het dat meestal ook, zeggen de clichés. Mijn aanlokkelijke, verleidelijke, gegeerde Zweedse toonde haar Britse kant. Elke schoonheid heeft een schaduwzijde, ook die waarheid zien we te weinig onder ogen.
Mijn hoofd gloeide, onder mijn schedel ploegde een bulldozer mijn hersens om. Mijn lichaam schoot van vries- naar kookpunt en weer terug.
Astra en ik zochten vertroosting in bed, zoals geliefden plegen te doen. Onder het donker van de dons zouden we schuilen, armen geklemd tegen de borst, de vuisten gebald. We kregen de kou niet uit het lijf gejaagd. We rilden en schokten als worstelden we ons doorheen een ontwenningskuur, de keel droog als een woestijn, botten en gewrichten piepten en kraakten als een versleten machine. Verdriet welde in onze harten, deze roos droeg meer doornen dan bloem.

Niet enkel geluk gaat ooit voorbij, ook ongemak.
De volgende ochtend hadden zij en ik elkaar ontdekt en verkend en ons met elkaars hebbelijkheden verzoend. Zoals jonggehuwden versmolten we nu echt tot één geheel.
‘Ach,’ lachten we, ‘wat stelt het voor, één slechte nacht op een gans leven?’
Met deze woorden hadden we alles gezegd.
We wisten dat het goed was.

Skatestoppers

De jeugd heeft het moeilijk, zegt men.
Hoe kan dat, hoor ik in de wachtzaal bij de radioloog. Ze hebben toch alles? Integendeel, wij, die wel mobilhomes kunnen kopen maar er niet mee reizen, die voor ons tweede verblijf in Frankrijk wel moeten betalen maar er niet naartoe kunnen, wij zijn de slachtoffers van de pandemie.

Hilversum Drie bestond nog niet. Geen wereldwijd web of mobiele telefoon, World of Warcraft of PornHub klonken zelfs sciencefictionauteurs te vergezocht. Afstandsonderwijs organiseerden we zelf, op eigen initiatief, in de robuuste bunkers aan de bosrand. We leerden er roken en drinken, verhalen verzinnen en verzwijgen en ontdekten er de lust en pijn van de liefde. Later groeiden op die plek een bedrijvenzone en een warenhuis met tweeduizend parkeerplaatsen uit de grond.
We lanterfantten door de dagen, op de sofa of de straat. Bij regen speelden we Stratego, Hartenjagen of Mens-erger-je-niet. Onder de dekens snuffelden we in kleverige blaadjes die onder de schoolbanken stiekem werden rondgedeeld.
‘Televisie verpest je ogen, ga naar buiten,’ joeg onze moeder ons het huis uit. We gingen hoelahoepen, steltlopen en rolschaatsen of op onze verhitte jongenskop staan, tot alles bereid om de aandacht van de meisjes te vestigen op ons slanke lijf waarin hormonen gierden als gek.

Op de hoek van onze straat, waar nu residentiële appartementsgebouwen staan, lag een hobbelig stuk grond, een patattenveld met aan weerszijden enkele palen in de grond gehengst en daarop schots en scheef genageld een deklat. We markeerden het strafschopgebied met dikke strepen die we trokken met onze hielen in de modder, de straatrand was de zijlijn,  drie corners penalty. Wij van de Winkelstap waren België, de dikke nekken van den Deuzeld Holland. België won.
We koersten de Ronde van Frankrijk, wij tegen zij, twee grote ronden en twee kleintjes rond de vier straten van onze wijk, aankomst op de Liebiglaan, in de penetrante walm van groenten- en vleesbouillon.
Op winteravonden trokken we tussen dikke sneeuwvlokken een glijbaan op het trottoir, ’s ochtends hoopten we van tussen de gesloten gordijnen dat die nog glad genoeg was om passanten te verrassen.
De wereld was van ons. We hadden tijd, en plaats, en vrijheid.

Was ik vandaag veertien, ik wipte in mijn baggy jeans en oversized T-shirt met Tupac, all eyez on me, stapte in mijn Air Walks en zoefde als een tot leven gekust vrijheidsbeeld naar het skateparkje in Park Spoor Noord. Wat ollies en flips, misschien een 360 pop shove it of een Backside Bigspin, nonchalant een beetje showen aan de kleine mannen hoe het moet.
Ik cruisede als een vrije ridder verder doorheen de stad, trottoir op en af, een opstapje of hoge dorpel bedwingend, misschien wel een betonnen zitbank. De lente gloeit op mijn gezicht, de wind streelt mijn jongenslijf als de handen van een meisje, mijn haren wapperen vrolijk en vrij. Ik ben de koning van de straat.
Ik zou glijden voorbij het Sint-Andries van Lange Wapper, de basketters bewonderen op Sint-Jansvliet, de geur inhaleren van de Schelde die als een zilveren slang kronkelt tussen Linker- en Rechteroever. Op de nieuwe kaaien aan het Zuid zou ik alle remmen lossen, tricky jumps, hoger, sneller, verder, skating next level, Eminem of old skool Rage Against the Machine in mijn headset.

Tenminste, I wish.
Want niet dus. In het stadhuis heeft een of andere flurk beslist om de beste skateplek van de stad te versieren met metalen haken in de plavuizen. Menens. Skaten maakt te veel lawaai, zeggen ze. Een stille stad is het nieuwe normaal. De cafés zijn toe, er is avondklok, de Sinksenfoor moest weg, nu wij nog. Skating is the new black. Niet de over de ganse stad verspreide drilboren, slijpschijven en sloophamers zorgen voor herrie, neen, dat doet mijn plank op wielen.   

Wie beslist die dingen zelfs?
De burgemeester? Dan vraag ik hem: ‘Gast, wat is uw probleem? Zijt gij jaloers of wat? Wat doe ik fucking verkeerd? Mocht gij zelf van uw mama nooit buiten spelen misschien?’
Hij zal antwoorden: ‘Rustig jongens, geen paniek. Binnen een paar jaar komt er een nieuw skatepark wat verderop.’
Yeah, right. Binnen een paar jaar, als ik zelf al kleine mannen heb. Met enkele supersimpele ramps op een gesloten terrein, ergens weg van het centrum. Met camera’s en toezichters en een afsluiting errond. Zodat ze ineens ook kunnen checken of er niet iemand een toeter zit te smoren of een tong te draaien.

Luister Boomer: het is ook voor mij fucking Corona. Ik volg online les, zie mijn vrienden en vriendinnen amper en de hond komt op een dag vaker buiten dan ik. Jij neemt de laatste vrijheid af die ik nog had. Wat wil je dat ik doe? League of Legends op mijn kamer, zeven op zeven?
Dikke middenvinger gast, ge zijt bedankt.

De eerste zin

De afgelopen dagen zocht ik naar een goede eerste zin.
Een goede eerste zin is essentieel. Hij moet de lezer bij de keel grijpen en meetrekken in het verhaal. Elke volgende zin is net zo belangrijk, hoorde ik Dimitri Verhulst een keer zeggen. Hij kan het weten, hij heeft al heel wat mooie eerste zinnen op papier gezet. Zijn laatste boek, In Weerwil van de Woorden, begint zo: “Straks komen ze me halen.” Dan wil je toch weten wie? En waar naartoe?

Ik zocht de zin uit noodzaak.
Ik volg namelijk een cursus en daar horen opdrachten bij. Deze week: “Schrijf een scène over een man aan de courgettes in een warenhuis.” Dat lijkt op het eerste gezicht een vreemde setting, maar wie graag in de wereld van de woorden toeft, kijkt niet gauw nog ergens van op.
Ik wilde dit goed doen, ik had nog wat goed te maken.
Op je ingeleverde werk krijg je geen cijfer maar wel uitgebreide en onderbouwde feedback, door alle cursusleden en de leraar zelf. Behalve die ene keer. De opdracht luidde: “Schrijf een dialoog tussen een kind en een onbekende volwassene.” Ik leverde een verhaal in van zeven woorden: ‘Mijnheer, alle seks voor u. Vijf dollar.” De rest van het blad liet ik wit. Het wit van hier heb ik geen woorden voor. Het wit van sprakeloos. Schrijven is immers schrappen en na zulke uitspraak is elk woord er een teveel, vond ik.
Daar was de schrijfgroep het niet geheel mee eens. Geen dialoog, zei men. ‘Nou,’ verweerde ik mij, ‘als jij thuis beeld krijgt zonder klank, dan wordt er zonder woorden toch wel heel veel gezegd?’ Lange discussie kort, de leraar rondde af met een grapje: ‘Voor de originaliteit geef ik je één op tien.’ Even voelde ik me weer vijftien.

Voor de courgetteopdracht had ik wel al gauw een idee, maar hoe de vertelling beginnen? Een goede eerste zin helpt niet alleen de lezer, maar ook de schrijver op weg. Hoe doen echte schrijvers dat? Research!
Ik had thuis in romans kunnen bladeren, maar wilde na al die tijd mijn huis nog wel eens uit. Had ik eindelijk ook een essentiële verplaatsing. Omdat het lente is, trok ik mijn jeansjas aan. Ik fietste opgewekt naar de stad. Die was, helaas, koud en doods. Mijn jas had geen verweer tegen de noorderwind. Belachelijk als je de zestig voorbij bent en je kledingkeuze nog altijd afstemt op de datum en niet op het weer. In de zomer neem ik nooit ergens een paraplu mee naartoe, want per definitie schijnt dan de zon, vind ik. Tja, perfectie is niet van deze wereld.

Ik warmde me op in een boekenzaak en speurde intussen in het ene na het andere meesterwerk. Ik las zinnen als ‘Hij kan zijn woede niet verkroppen’ (Amélie Nothomb), ‘Het was half zeven ’s ochtends’ (Joël Dicker), ‘Een vrouw en een man kijken elkaar in de ogen’ (Kris Van Steenberge en Geert Briers). Dat mag misschien eenvoudig lijken, geloof me, het is het niet. Daar gaat heel wat denkwerk aan vooraf. Gelukkig hoeft het niet altijd Anna Karenina (‘Alle gelukkige gezinnen lijken op elkaar, elk ongelukkig gezin is ongelukkig op eigen wijze’) te zijn. Ook uit ogenschijnlijk alledaagse zinnen kiemen mooie romans. En dat is toch het doel van elke cursist: een mooie roman leren schrijven. Stiekem droom ik daar zelf soms ook nog van. Dromen doet leven.

Mijn oeuvre zal uit slechts vier werken bestaan, in de beperking toont zich de meester.
Het debuut beschrijft de coming of age van een broer en een zus uit een oervlaams gezin en zorgt voor een eerste naambekendheid in literaire kringen.
Een tweede werk – werktitel ‘De Ben in Mij’ – hekelt wantoestanden in het onderwijs. Niet autobiografisch maar wel gekruid met pittige anekdotes. Zoals het onlangs een groot schrijver nog verwoordde: ‘De feiten moeten kloppen, de scènes verzonnen.’
Daarna volgt een lijvig werk over hoe een foute beslissing generaties lang tweespalt veroorzaakt in een familie.
Mijn Magnum Opus tenslotte zal heten, ‘De 1500, een verzonnen leven.’ Uitgeverijen zullen drummen voor de verkooprechten. Beetje slimmerd zoekt best nu al contact. Just saying.

Maar dus, de man en zijn courgette.
Dit wordt de eerste zin: “De enige die lacht, is mijn broer zelf.” U mag drie keer raden wat die courgette daarmee te maken heeft.

PS

U las zonet het honderdste blogbericht in De Sprekershoek. Dat is geweldig. U bent oprecht een fijn publiek. Zonder u geen Schrijverij.
Heel veel dank daarvoor.

Een kamer van Verbeelding

Als je even geen nieuwe indrukken kan opdoen, moet je in jezelf op zoek naar de schoonheid van al die beelden die in je herinneringen zijn opgeslagen’, zegt modeontwerper Christian Wijnants in mijn weekendkrant. Voorwaar een passend advies, in deze steeds maar langer wordende tijden van blijf-in-uw-kot.
Het kot van de menselijke hersenen bestaat uit vele kamers. In de ene woont Geheugen, in een ander Logisch Denken. Soms is er ook een bergruimte voor Gezond Verstand. Verbeelding verblijft in de Frontale Cortex. Als er dan schoonheid in mezelf te vinden is, dan moet het daar zijn.

Ik zet me in de relax, klap het voetstuk open en mijn ogen toe en ga op verkenning in de voorkamer van mijn geest. Het is er net licht genoeg om een projector te onderscheiden, een mechanische constructie van oude makelij, met een ronde carrousel maar zonder USB-poort of harde schijf. Je kan er lichtbeelden mee toveren op een bleek vlak, zoals de binnenkant van je schedel. Ernaast vier grijze, rechthoekige dozen, gevuld met twee rijen van honderd vierkante plaatjes in witte omlijsting.

‘Locaties’ staat in kalligrafisch schrift op box nummer één.
De lichtstraal projecteert de Grote Markt van Brussel. Ik heb een zwak voor dit verguisde shithole, bruisende hoofdstad van een burlesk land. Toevallig vertoef ik dezer dagen in een boek dat zich daar ontwikkelt. Ik ben er niet maar ook een beetje wel. Op de foto baadt de Grote Markt in kerstverlichting. Een man duwt een vrouw in een rolstoel over de glibberige kasseien. Het beeld ontroert me; het stadhuis, het Broodhuis, de trapgevels van de gildehuizen, in het midden de vrouw en die man.
De projector klikt naar een vijftig meterzwembad, dat moet Brasschaat zijn. Een jongen zwemt er vlinderslag. Hij wipt uit het water als een dolfijn. Tijdens het baantjes trekken droomt hij van de Olympische Spelen.
Het Sportpaleis in Antwerpen. Een indringende wietgeur, een groot roze varken zweeft als een zeppelin over het publiek. Pink Floyd speelt Wish you were here, ik word second hand stoned.
Een volgende dia beamt me naar Athene. In een amfitheater aan de rand van de stad vertolkt Derek Jacobi de onfortuinlijke Hamlet. De in spotlichten badende Akropolis is decor.

‘Mensen’ zeggen de sierletters op doos twee.
Sterren komen, sterren gaan. Ze heten Sonja of Linda of Christel, hun namen ben ik kwijt maar hun beeltenis fonkelt voor altijd in mij.
‘Zo gaat dat met vriendschap,’ vertelde me destijds een cafébaas terwijl hij twee lijnen tekende op een bierkaartje. ‘Hier loop jij, dit ben ik. Op deze plek raken onze lijnen elkaar. En na een tijdje gaan ze weer elk hun eigen weg.’
Beelden van vrienden uit de tijd dat ik nog geloofde dat vriendschappen en liefdes er waren voor altijd plus een dag. Sommigen daagden later weer op, anderen kwamen nooit meer weer. Soms mis je ze, maar niet vandaag. Het is een dag om je zegeningen te tellen.

’Feiten’ vertelt doos drie. Ik huiver.
Pieken en dalen uit een leven zijn niet te vatten in een verzamelbak met twee maal honderd plaatjes. De eerste kus, de laatste traan. Diploma’s, een fiere moeder, een afgunstige vader. Veel lachende gezichten ook, foto’s van baby’s met hemelsblauwe ogen, naakt op een deken van schapenwol. Een jongen sorteert Pokémonkaarten, op een podium glundert een meisje, springtouw in de hand. Haar ogen verblinden meer dan het zilver om haar hals.
Huwelijken, uitvaarten, dagen van geluk en tegenslag glijden voorbij. Bijna aan het einde, mijn laatste werkdag. Een lege gang en lege speelplaats. Het is een late woensdagmiddag en ik vraag me af waarom dit is wat ik met mijn leven doe. Een vrouwenstem begint te praten, ik hoorde haar onlangs nog op de radio: ‘Dat afscheid heeft me pijn gedaan, daar ga ik niet voor liegen. Al heeft het me achteraf bekeken ook veel goeds opgeleverd, de manier waarop zal ik nooit verteren.’ Ze pulkt ongewild aan de dunne korst op een wonde die maar slecht wil helen. Ik houd even de adem in, bittere somberte dreigt.

Mijn hand, een automatische piloot, grijpt naar doos vier.
Ik klik. Een witte vlek. Nog een keer. Geen beeld. Klik. Wit. Klik. Wit.
Ik schakel de projector uit, laat de deur van mijn Frontale Cortex wijd open en zet me aan het toetsenbord.
Er vallen nog twee maal honderd plaatjes in te kleuren.

Regenboog

Er stierven, zo lees ik bij de koffie, in dit land vorig jaar achttienduizend mensen meer dan normaal. Roemloos gesneuveld in de oorlog tegen een onzichtbare vijand. Nog een laatste keer stonden wij daarbij stil, tijdens deze week van één jaar Covid.
We schetsten portretten van een leven in lockdown en onzekerheid, hoorden emotionele getuigenissen uit Wuhan en Italië en van De Onvermijdelijke Man in de Straat. Stemmen van onmacht, versmoord verdriet en een woede die zich diep vanbinnen geworteld had.

Toen vonden we het genoeg.
Genoeg over de schouder gekeken, we moeten vooruit. Je wint niets met het verleden op te rakelen, aan de horizon gloort weer hoop. De stemming kantelde. We lieten in onze huiskamers weer alledaagser berichten binnen, fait divers zonder belang, stof genoeg om halve nachten aan de toog vol te leuteren en glas na glas te legen. Wat mis ik toch die houten kruk en hardnekkige kroegtijgers. Je leek baas over de tijd, klessebeste zorgeloos urenlang over dingen die nergens toe doen.

We zouden het over FC De Kampioenen hebben gehad, ongetwijfeld. De acteurs zijn er klaar mee. ‘Eindelijk, daar drinken we op,’ zou iemand hebben gezegd, ‘wat een onding zeg.’
‘Belachelijk,’ zou ik hebben geantwoord. ‘Kijk dan niet. Er zijn tweeduizend kanalen op de kabel en meer streamingsdiensten dan dagschotels in een Xavier.’
‘Helaba,’ komt een ander tussen, ‘gaat daar mijn belastinggeld naartoe?’
‘Ach, dan beter betalen voor voetbal of het vragenuur uit het Vlaams Parlement? Patron, twee pintjes en een Duvel aub.’
Wat ik me afvraag, trouwens. Gaan wij, boomers, de laatste heruitzending van de laatste herhaling ook nog bewust meemaken?

Oprah, de Amerikaanse first lady van het spektakelinterview, nodigde een gesjeesd prinsenpaar op haar schoot. Grote ogen trekken, ademloze seconden zwijgend staren en dan ‘Wat?’ zeggen, hoeveel zou dat schuiven? Ik oefende alvast voor de badkamerspiegel en plaatste het filmpje op TikTok. Vooralsnog geen likes.
VRT kocht fluks de rechten en bond daarmee een miljoen kijkers aan haar buis. Much ado about nothing, noteerde een kritische bard uit Stratford-upon-Avon. Niet iedereen was het daarmee eens. Al zie je het levenslicht in een ogenschijnlijk bevoorrechte positie en kan je je oprijlaan plaveien met bankbriefjes, niets beschermt tegen eenzaam zijn, vernederd of gekwetst. Ik verleerde lang geleden al te oordelen over de pijn van een ander.

Dan was er ook nog Sky, naar verluidt de grootste politieactie ooit in dit land.
Men kraakte versleutelde telefoongesprekken, luistervinkte en bespioneerde als was 007 de Balthazar Boma van de spionage. Als er al zo makkelijk valt in te breken in beveiligde toestellen, hoe beschermd zijn dan de geheimen in mijn Galaxy S8? Grapje, ik besef zelf ook wel dat hier weinig interessants te rapen valt.
Gezagsdragers buitelden glunderend over elkaar. Iedereen was winnaar. Nog maar eens bleek de slimste mens ter wereld te wonen op het Schoon Verdiep. Hij had part noch deel aan de operatie maar speelde wel in prime time de hoofdrol in de televisiestudio’s. Allen droegen pauwenveren in hun gat, maar die van hem trokken toch de grootste ogen.

Mens en misdaad zijn als licht en schaduw.
In Tielt overleed een man na een aanval met een mes. Daar hoorde je verder nog weinig over. Meer beroering voor een gelijkaardig voorval in Beveren. Drie minderjarigen opgepakt. Alle focus ging naar de seksuele geaardheid van het slachtoffer, zelf stond ik enigszins geschokt stil bij de puberleeftijd van de daders. Hoe voelt dat, als vader of moeder? Er is nooit slechts één slachtoffer bij een misdrijf.

Menigeen sierde op Facebook zijn/haar/het profiel met een regenboog. Ik aarzelde. Destijds was ik ook even Charlie, een groot verschil had dat niet meteen gemaakt. Wat extra kleur op je foto jaagt de homohaat niet uit de wereld.
Toen las ik, ergens: “Dat je een opinie hebt over homo’s is normaal, maar dat je dan geweld gaat gebruiken is ontoelaatbaar.”
Hoezo, dacht ik, normaal? Hoezo heb jij een opinie over het seksleven van iemand anders? Het zijn precies al die opinies die iedereen zo nodig moet hebben – over huidskleur of religie, over geaardheid of afkomst of klederdracht – die de oorzaak vormen van al die ellende. Misschien laat jij je zelf wel graag door een …, nee, laat maar. Zoals gezegd, fijn dan voor jou, mijn zaken zijn het niet.

Toen bedacht ik: ook een eenvoudig gebaar biedt misschien soelaas. Een klein symbool op je tijdlijn maakt links en hopelijk ook rechts mogelijk toch een verschil. Opdat zij die vandaag bedroefd zijn en bang, zich daardoor misschien wat veiliger en getroost voelen. Omdat de mensen achter die kleuren hen één na één vertellen: ‘Mij maakt het niet uit, het is ok. Don’t worry, be happy.’
Dus plukte ik toch ook een regenboogje van het net. Er stond in: ‘Love is Love’.
Want zo is het maar net.

Pogingen iets van het leven te maken

‘Don’t take life too seriously, it isn’t permanent’, zegt de opdruk op mijn T-shirt. Dat klopt, alles gaat voorbij.
Of het na de dood licht of donker wordt, houdt me minder bezig dan wat eraan voorafgaat. Onrustig word ik bij de gedachte aan die laatste jaren van hortend en stotend gehossel, waarin alles onherroepelijk minder wordt. Minder jij en meer afhankelijkheid van de ander.

Misschien kom ik tegen wil en dank nog wel terecht in wat wij vroeger een oud mannekeshuis noemden. Zoals genaamde Herman Groen, ergens in Amsterdam. Hij vertelt erover in ‘Pogingen iets van het leven te maken – Het geheime dagboek van Hendrik Groen, 83 ¼ jaar.
Woonzorgcentrum, zeggen we in de eenentwintigste eeuw. Een bloedloos managementwoord, gevolg wellicht van een urenlange brainstorm door hoogopgeleide welzijnswerkers en marketingstrategen. Waar men redeneert in cijfers eerder dan in mensen. Zoveel bedden, pillen en zalfjes. Zoveel sneden brood, zakjes thee en pampers. Het levenseinde omgezet in nikkelharde euro’s.

Hendrik Groen verkeert in redelijk goeden doen, al druppelt hij wel een beetje. De dag van de eerste pamper komt onafwendbaar en veel te snel nabij. Hij vertikt het echter om op zijn oude dag weg te kwijnen achter een raam met een deken op de schoot.
Op 1 januari 2013 zet hij de hielen in het zand: ‘Ik hou ook het komend jaar niet van bejaarden.’ De dag erna: ‘… ik ben namelijk altijd correct, innemend, vriendelijk, beleefd en behulpzaam geweest.’ De toon is gezet, vanaf nu wordt het anders. Hij start een licht rebels en ongecensureerd dagboek als remedie tegen de immer dreigende neerslachtigheid.

Met een vijftal gelijkgestemden richt Hendrik een activiteitenclubje op. Een poging om in ‘de wachtkamer van de dood, waar je langs de voordeur naar binnen gaat en langs de achterdeur weer naar buiten…’, nog wat van het leven te maken. Omanido – Oud maar Niet Dood, noemen ze zich. Zij gaan op stap, lekker eten en drinken, laten zich niet te zeer inperken door de reglementen van het huis. Daar geldt voor elke beweging wel een verbod. Een sneetje toasten is te gevaarlijk, bloemen horen op de gang, wijn is ongezond, een scootmobiel riskant. De vrijpostigheid van het groepje leidt tot groeiende ergernis van de directie en verregaande afgunst van de immer zeurende medebewoners.

Herman Groen, pseudoniem van de Amsterdamse bibliothecaris Peter de Smet, vertelt een aan de oppervlakte vrolijk verhaal. Doorspekt met leukigheden en uit het leven gegrepen anekdotes. Onderhuids schrijnt het. Ook op je oude dag moet je blijkbaar nog vechten voor je vrijheid en het recht om zelfstandig te beschikken over je doen en laten. Tegen de directie maar meer nog tegen die ondoorzichtige bureaucratische machine. De tachtigjarige als last, onkost. Altijd moet worden bezuinigd en betutteld, ook je laatste geluk krijg je niet cadeau.
Nergens echter leest het dagboek als een klaaglitanie. Voortdurend speelt er een glimlach op je lippen en staat in je achterhoofd Monty Python op repeat:

Some things in life are bad
They can really make you mad
Other things just make you swear and curse

In een WZC is het leven, om Ilja Pfeiffer te parafraseren, ‘gereduceerd tot overleven. Maar zonder franjes is er geen reet meer aan.’ Of zoals de Pythons het zeggen:

Life’s a piece of shit
When you look at it

Het besluit blijft eender:  

For life is quite absurd
And death’s the final word
You must always face the curtain with a bow

Always look on the bright side of life

Doorheen die goede luim poneert Hendrik wel pertinente vragen. Over het recht op euthanasie. Over dat enorme kapitaal aan gezond verstand en levenservaring dat voorbij de zeventig plots als overbodig wordt beschouwd. Over die eeuwige bezuinigingsdrift en intrieste vereenzaming, Over het vileine venijn en grote verzuren van veel bewoners. Hij kijkt naar het verplichte nummertje van de bezoekers die al bij binnenkomst de klok monsteren. Een half uur tegenzin kan lang duren. Over het voortschrijdende verval van het lichaam. Maar ook en vooral over hoe innerlijke schoonheid overeind blijft tot het eind.
Handig maskeert de schrijver al dat ongemak onder een relativerend beslag van humor en zelfspot. Luchtig en warm maar nooit melig. Met veel respect. Voor de vriend die een been wordt geamputeerd, een dementerende vriendin, zijn laatste liefde die door een beroerte wordt geveld. Je hart bloedt mee. Het voorlezen van verhalen aan haar sterfbed duwt op een plek waar je het voelt.

Als uitsmijter nog een subtiele geestigheid. Het jaar is voorbij, het boek uit. Onverwachts stoot je nog op een appendix. Er begint een nieuw dagboek, een bonus bij een verhaal dat eigenlijk al geschreven was. Als de extra tijd in een WZC na een bijna afgewerkt leven.

Mijn NWS

Als je in het huis waar ik opgroeide iets leuks wilde, moest je ervoor knokken. Cadeaus werden er zelden uitgedeeld. Het leven was een strijd. Gebakkelei voor je favoriete zitplaats voor tv, het laatste likje rijstpap uit de pot, de kleurrijkste knikker, de sportpagina’s uit de krant.

Was onze vader thuis dan heerste er vrede, zoals in een oosterse dictatuur. Het kind wikt, pa beschikt. Het maakte het leven niet meteen draaglijker, eenvoudiger was het wel.
De oppermachtige zette zich in de door ons mateloos begeerde eenpersoonszetel, lepelde voldaan het rijstpapoverschotje met wat bruine suiker binnen en vouwde onverstoord zijn krant open. Ons restte enkel nog een knikkeroorlog in de tuin, buiten het bereik van vaders oren.
Uren verstreken. Nadat hij die krant gelezen had, wierp hij hem achteloos naar ons toe. Als hongerige welpen verscheurden wij gulzig blad na blad. Het titelblad diende om de kolenstoof mee aan te steken. Bladzijden twee en drie kneedden we tot vuistdikke proppen. Die gingen immers over politiek, een thema vol meningen van oude mannen over dingen die ons verstand ver te boven gingen. Dat de Vlaming de rekening wel zou betalen, dat was ons ingepeperd. Ook daarvoor haalden wij de schouders op, zelfs de prijs van een smoelentrekker – drie voor vijf frank – kon onze bruine niet trekken.
Onze moeder had een vast abonnement op pagina vier. Zij mocht zich graag verlustigen in ongevallen, overlijdens en moord en doodslag. Andermans miserie bood haar op een of andere miezerige manier troost. Opgewonden wroette ze mee in de ziel van de moordenaar voor het Hof van Assisen. ‘Daar zou ik graag een keer bij willen zijn,’ verzuchtte ze dan, met een stem die versmachtte van voorpret. Hand op het hart, om haar te plezieren hebben we onze best gedaan, maar geen van ons haalde ooit de beklaagdenbank. Wellicht toch ook maar beter zo.

Voor het slapengaan opende het BRT-journaal ons venster op de wereld. Over Vietnam en Leuven-Vlaams, en wachtrijen aan halflege winkels in het Oostblok. De redactie bepaalde welk nieuws aan de kijker moest worden gevoederd. Een opdracht met pedagogische inslag; de volksmens diende opgevoed, opdat hij de dingen des levens zou begrijpen. Kennis is macht.
Een vaderlijk decreet verplichtte ons te kijken, ‘… of wilden wij voor altijd lompe boeren blijven, misschien?’

Dat was toen en nu is nu.
Het journaal, ik kijk niet meer. Ergens onderweg haakte ik af. Ik word oud, dat zal het zijn. Het gaat nooit nog ergens over en men spreekt je aan alsof je nog moet leren lezen en schrijven.
Nieuwsflash: Twee opeenvolgende nachten vrieskou! De mensen willen schaatsen maar het ijs is nog te zwak. Het blonde nieuwsanker zoekt contact met een reporter naast een waterplas waarop een iel ijslaagje fonkelt. Schaatsen kan nog niet, zegt die. De weerman bevestigt, het is niet koud genoeg. Wat vinden de schaatsers daar nu zelf van? Jammer, het ijs is te dun om te schaatsen.
Gebakken lucht weegt meer.

Gelukkig heeft ons aller VRT daar wat op gevonden.
Een app. Voor alles bestaat een app, behalve voor de opvang van bootvluchtelingen en kansarmen. ‘Mijn NWS’, heet hij. Je kan er je eigen journaal mee samenstellen. Vanaf nu bepaal jij zelf of je die aardbeving of tsunami, of dat bombardement, eigenlijk wel nieuws vindt.
Dat voelt een beetje raar. Uw nieuws wordt anders dan het mijne. Leven we vlak naast elkaar in een gans andere wereld. We zien en horen alleen nog wat we graag willen. Of verleent u in uw feed ook ruimte aan die partij waar je spontaan etterpuisten van kweekt? Wil u dat wel weten, van die zonnepanelen en dat vaccingesukkel? Genoeg van die degoutante Covid? Steek gerust de kop in het zand en blokkeer hem, bent u meteen van die vervelende richtlijnen verlost.
Het interesseert mij wel, hoe Mijn en Uw Nws er zal uitzien.

Ik probeer mij voor te stellen hoe dat werkt, bijvoorbeeld bij onze immer sympathieke spring-in-‘t-veld Ben Weyts.
Hoofdpunt is het integrale manuscript van de dagelijkse persconferentie door de Minister van Onderwijs.
In de podcast het vragenuurtje vanuit het Vlaams Parlement met de Minister van Sport. Thema: is tafelspringen een binnensport of mag het ook in buitenlucht?
Buitenland: een artikel over het armoedige mobiliteitsbeleid bezuiden de taalgrens.
Varia: een bezoek van de Minister van Dierenwelzijn aan een kippenkwekerij in Vlaams-Brabant. De ene voet in een gele laars, de andere in een witte. De minister houdt er een ingewikkeld pleidooi voor de vrije loop van de Vlaamse kip. Zeker ook in de Rand rond Brussel. Daarover kondigt hij spoedoverleg aan met de bevoegde instantie. Dat is toevallig hijzelf.
Hij verheugt zich nu al op de livestream van het debat.

kvraagetaan

Lockdown, week nummer tig.
De tijd is een smaakloze, grijze pap. De dagen verliezen hun kleur. Maan wordt dins en woens lost ongemerkt op in donder. Zachtjes tikt de regen tegen mijn zolderraam het ritme van de eenzaamheid.

De tijd gaat snel, gebruik hem wel.
Je legt een puzzel, de skyline van Hongkong in tweeduizend stukjes, tweeduizend tinten blauw en grijs. Je schildert de inkomhal in egaal ecru, praat met de vissen in de vijver van het park en telt de afgewaaide bruine boombladeren op het gazon.
Lang leve de leegte.
Je speelt wat met je telefoon, Samsung Galaxy S8, je dacht van Japanse makelij maar Wikipedia zegt Zuid-Koreaans. Je installeert een nieuwe beltoon, Fixkes: “Makkik binne makkik binne oem e lieke te beginne, over de goeien ouwen taait, van rekenen en vlaait…’
Dat hoorde je nog een keer op de radio, maar verder bijna nooit meer.  

Nu opeens weer wel.
Mijn fietsmaat aan de lijn, zeg je dat nog zo, aan de lijn? Toevallig vroeg ik me niet zo lang geleden nog af hoeveel duizenden kilometers hij en ik, zij aan zij onder een stralende zon of dikke dreigende wolken, wind mee of tegen, samen hebben verteerd. Dat berekenen kan ik niet, wiskunde is niet mijn specialiteit.
Dat het prima met hem ging, vertelde hij. En wij hier, ook alles kits? Dat hij er wel naar uitkeek samen weer de baan op te gaan, dat was hoelang geleden ook alweer?
‘Ik ook,’ antwoordde ik. Niet zomaar. Plots zond mijn bloed prikkels naar mijn benen, alsof het een versnelling hoger schakelde en mijn lichaam volpompte met hernieuwde energie. Ik snoof de voorjaarslucht al op, voelde wind op mijn huid en hongerde naar het pad langs het water.

De volgende dag, een andere vriend, nog langer geleden.
‘Ik zat net aan je te denken,’ zei ik en hoewel het waar was, hoorde ik zelf ook wel hoe hol die woorden klonken. We praatten wat, over vrouwen en kroost, de toestand van de wereld en hoe het beter kon. Zoals we dat altijd al hadden gedaan. Een uur is gauw voorbij.
‘We bellen te weinig,’ zei hij.
Hij had gelijk.

De zondagse wandeling dan, met een bevriend paar. Je hebt meer vrienden dan je denkt. We omhelsden elkaar niet, kusten niet en drukten geen handen, maar ploeterden samen door een moerassig stuk bos, wankel en op onaangepast schoeisel. We waarschuwden elkaar voor glibberige plekken, wezen naar houvast. Een ijverige specht hamerde met veel geestdrift een vroege lente in onze hoofden. De zon brak door, het werd lichter en behaaglijk warm.
En toen we afscheid namen, waren we in het geheel niet rotsentimenteel. Opgewekt zwaaiden we elkaar ten afscheid, ik zeg u geen vaarwel, dra zien we elkander weer.

Diezelfde avond een e-peritief.
Google Meet, Duvel koud. Meer dan dertig jaren al marineren mijn gabber Peter en ik ons geleuter in blond schuimend bier, al is dat ook wel eens wijn of iets sterkers geweest. We pikten de draad op waar we hem zoveel weken terug hadden laten liggen. In vroegere tijden zou dat dan geweest zijn ergens op de snelweg van seks over drugs naar rock and roll, maar nu we gerijpt zijn, zijn we kijkers geworden. Die film gezien, die reeks gevolgd, Netflix is een zegen, houd toch NPO ook in de gaten.
Toen onze woorden op waren en de glazen leeg, overschouwde ik een slagveld van post-its vol tips en krabbels tussen de vochtkringen op en naast mijn laptop. Maandag werd Googledag, uren speelde ik kwijt met het ontcijferen van beschonken kribbels en het navlooien van titels en namen.
Dat voelde goed.

En ook nu weer, op dit eigenste moment, verdomd als het niet waar is, duikt onverhoeds iemand op uit een ver verleden en vraagt of hij even binnen mag.
Natuurlijk mag dat. Vrienden altijd.
Uit de radio komt dat liedje van de vroegere Nederpoppers van Het Goede Doel. Eerst twijfelden zij over België, nu over vriendschap. Een keer trek je de conclusie, vriendschap is een illusie.
Leuke vondst, fout besluit jongens.
De hoogste tijd om Fixkes te gaan draaien.

#Nietinmijnnaam

Beste mijnheer V.

U en ik wonen in dezelfde wijk maar kennen elkaar niet.
Dat u in de gemeenteraad van dit slome dorp een stoel bezet, dat weet ik. Dat u de aanwezigen daar weleens toespreekt ook. Vermoedelijk ontvangt u daarvoor een habbekrats. Die redes schrijft u dan uit in een krakkemikkige variant op het schoon Vlaams en die schrijfsels post u daarna, heerlijk ouderwets, in onze brievenbus.
Ook vorige maand, over uw tussenkomst aangaande De Bonte Hannek, een morzel, ochotocharme veertig hectare hoop en al, geprangd tussen snelweg, villawijk en Peerdsbos. Na jarenlang gepatati en gepatata uiteindelijk opgekocht door de gemeente waardoor het dus, woorden hebben waarde, gemeenschapseigendom werd.

Zo dacht alleszins toch de nieuwe grondbezitter, zo valt te lezen op de gemeentelijke website:
Het zuidelijk deel wordt een parkachtig bos, met aandacht voor biodiversiteit, wandelmogelijkheden en op termijn misschien een klein speelbos. We onderzoeken ook of er een trage weg kan komen van De List naar de Peerdsbosbaan. Zo moeten de bewoners niet helemaal rond via de drukke Horstebaan.”
Dat was tegen uw zere been. Neen zeggen behoort dan ook tot de grondbeginselen van uw partij. Prompt fantaseerde u wat drogredenen om een Groot Gelijk bijeen te flansen dat u debiteerde op de raad en vervolgens op bovenvermelde wijze in onze wijk verspreidde.

Angst, dacht u. Werkt altijd.
U houdt uw hart vast, schrijft u: “Door deze biotoop zullen fietsen crossen en honden zullen hun gang kunnen gaan! Wat blijft er dan nog van dit terrein en wat met al die hertjes, eekhoorntjes, egels, hazen, fazanten en ander wild en gevogelte dat er nu huist?”
Uw bekommernis voor fauna en flora siert u en verrast mij. Binnen uw groepering is het aantal bewonderaars van Greta Thunberg immers te tellen op een vinger. Een troost, veel van voornoemde woudbewoners wonen er wellicht niet in deze wurggreep tussen snelweg en woonwijk.

“Wat de mensen NIET willen”, zo gaat u verder:

  1. “Geen trekpleister voor toeristen, de wijk is inbraakgevoelig.”
    Een bekentenis: ooit liet ik mij in een warenhuis betrappen op het zonder betalen mee scharrelen van een magazine van onzedelijke aard. Dertien was ik, melkboer, brouwer en kolenmarchand leverden nog aan huis. In de daaropvolgende vijftig jaren was ik vaak toerist, doch nergens nam ik ooit nog ongevraagd wat mee, nog geen zeepje uit een hotelkamer. Al besef ook ik, eens dief, altijd dief, hoe kleurrijk ook je shorts en Hawaïhemd.
  2. “Geen parking voor auto’s, scooters, fietsen én bakfietsen. Mobiele tuigen brengen zwerfvuil mee en zwerffietsen kunnen worden achtergelaten”.
    Het is waar, helaas. Deze wijk staat werkelijk stijf van de schots en scheef achtergelaten bakfietsen en scooters. Een regelrechte schande. En geen hond die er wat aan doet!
  3. “Honden zullen hun gang kunnen gaan.”
    Alweer de nagel op de kop! Beter legt men de hondeneigenaar zelf een wijle aan de leiband. Dat wandelt maar en praat maar met elkaar en verprutst de tijd en wij, wij staan erbij en kijken ernaar.
  4. “Geen speeltuin.”
    Tijd om u toch even te wijzen op de verwarrende constructie van uw boodschap. Concreet stelt u: “De mensen willen niet geen trekpleister, niet geen parking, niet geen speeltuin”. Geloof mij, de burger zou het veel en veel aangenamer vinden als hun vertegenwoordigers een boodschap helder zouden formuleren. Dat voorkomt een hoop misverstanden, maar dit terzijde.
    Want inderdaad, dat die jeugd eens creatief leert te zijn! Ook in een flat kan je bij dertig graden Stratego spelen of origami knutselen. Meer nog, spelletjes verzinnen in kleine gesloten ruimtes prikkelt de geest. Hier liggen mogelijkheden! Sommige parels blijven maar kansen vragen.
  5. “Geen vuilbakken want sommige bezoekers droppen hun vuil in deze bakjes.”
    Goed zo! Waar gaan we naartoe als iedereen zijn afval in de daartoe voorziene vuilnisbak deponeert! De kop indrukken, die walgelijke gewoonte! Onmiddellijk! Harde aanpak, flinke boete erbovenop!
  6. “Geen rustbanken onderweg want wie geen 300 meter kan stappen, komt hier zeker niet wandelen.”
    Opeens moet ik denken aan mijn bomma langs moeders kant. ‘Ieder zijn gedacht,’ zei die altijd, ‘er moet van alles wat zijn in de schepping van ons heer.’ Waarop ze steunend op haar houten wandelstok naar het deurgat sjokte om met de buren te gaan keuvelen over haar pijnlijke eksterogen.

Mijnheer V.
U beweert te spreken in naam van de mensen. Die mensen, wie zijn ze? Wat drijft ze? Ben ik er ook een? Want mijn mening heeft u niet gevraagd.
Toch schildert u mij en de bewoners van deze wijk af als kind- en dieronvriendelijke, bekrompen asociale angsthazen die een ander geen plekje gunnen onder de zon, noch enige ontspanning in dit nieuwe lapje gemeentelijk groen. Alsof dat recht alleen u en die niet nader genoemde mensen toekomt.
Uw tussenkomst heeft niets vandoen met mijn, het algemeen of godbetert Vlaams belang. Elke letter ademt, zoals mijn bomma langs moederszijde het zou verwoorden, ikke, ikke, ikke en de rest mag stikken.
Elk zijn gedacht. Maar NIET in mijn naam.

Met vriendelijke groeten