Blog

Lampje

Een boek kan je niet beoordelen op de omslag. En een grijze ochtend kleurt ook niet de hele dag. Dikke regenwolken gijzelen het land. Humeur en goede voornemens snakken naar warmte en licht. Originele nachtelijke vondsten versmoren onder een deken van mistroostigheid.

Koffie, geen suiker.
Facebook. Twitter. Nieuws. Een filmpje, vier jaar Trump in zes minuten. Dat kan er nog wel bij.
In mijn mailbox vraagt een lezer: ‘Hoe koop jij je boeken?’
Ik weersta de drang om te antwoorden, ‘Online of in de winkel en soms pik ik er wel eens eentje.’ Ook voor flauwe grappen is de dag te grauw.

‘Ik heb vier criteria,’ schrijf ik.
‘Voor sommige auteurs tast ik automatisch in de beurs. Zeg Brouwers en ik koop. Irving of Bukowski, ik wil elk woord van ze.
Soms publiceert een krant nog wel eens een literatuurbijlage. Subjectief, ongetwijfeld, en je mag je gerust afvragen hoeveel hype erachter verscholen zit. Plots weer iedereen Lize Spit of Griet Op de Beeck! Maar heel vaak is de jubel ook terecht.
Criterium drie klinkt wat wiebel. Bestsellerslijsten in boekhandels. Een enigszins bizarre invalshoek, ik geef het toe. In mijn puistentijd stond ABBA altijd nummer 1 in TOPPOP maar ik vond ze helemaal niets. Ik was nog Voorvechter van de Verzetsgroep Weg Met ABBA. Ach, heerlijk toch, de luxe van de jeugd om met volle overgave mallotige dingen te doen.
Vier, tja, de kaft. Ik weet het, flapteksten gaan nog creatiever om met de waarheid dan Donald Trump, en toch.’

‘Koop je dan nooit een boek waar je achteraf spijt van hebt?’ luidt de bijvraag.
Spijt is een sentiment waar ik me zo min mogelijk aan wens te bezondigen. Je doet wat je doet en je weet zelden hoe het uitpakt, dat is in een notendop zo een beetje hoe ik het leven zie.
Rond de jaarwisseling las ik De Goede Zoon van Rob van Essen. Libris Literatuurprijs gewonnen, dus ja. Het hoofdpersonage overschouwt leven en lot in een uitgesponnen dialoog met zijn zelfrijdende wagen. Goed gevonden, bevreemdende sfeer, knappe compositie, rijke taal. Maar ook, het raakte niet. Nogal ingewikkeld allemaal, mijn brein had meer werk dan mijn hart. Spijt niet dus, maar na de laatste bladzijde zong ik ook geen halleluja.
Daarna speelde ik op zeker met Het Labyrint der Geesten door Carlos Ruiz Zafon. Indrukwekkende finale van een vierluik, zegt de flap. Indrukwekkend slaat wellicht op het volume. Ik bleef maar pagina’s omslaan en me afvragen waarom ik dat deed. Was het een dag voor flauwe grappen, hier zou staan: om verder te lezen, tiens. Niets in het boek echter spoorde me daartoe aan. Bombastische taal en dure woorden, gezwollen zinnen van een halve pagina, gespreid op een bed van flauwe humor en overgoten met een saus van geforceerde spanning. Elk personage een karikatuur. Elke vrouw rondborstig en verleidelijk of net helemaal niet, elke man pervert of held. Het einde heb ik niet gehaald.
Spijt om de vervlogen tijd, het had gekund, maar is in het licht van de eeuwigheid niet al onze tijd bij voorbaat al verloren?

Criterium vijf moet nog vermeld. Ik volg een cursus, mijn spons tegen de uitdroging van de oude dag. Soms hoort daar een opdracht bij: lees. Deze week Lampje, door Annet Schaap. Ik had nog nooit van de mevrouw gehoord, terwijl op quizavonden de literatuurvragen toch steevast mijn richting uitwaaieren.
Een kinderboek. Over een meisje, een vuurtoren, een monster en een spookhuis. Over zee en wind en vaders en moeders. In jaren had ik geen kinderboek meer gelezen maar het kind in mij is, halleluja, nog springlevend.
Of moet ik zeggen: door Annet Schaap weer tot leven gekust? Ik dacht, ik heb het intussen allemaal wel gehoord, gezien, gesnoven en geproefd. Niets verrast of ontroert mij nog.
Fout dus. Korte zinnen, eenvoudige taal. Weinig woorden die veel zeggen. Elke pagina haast een gedicht. Ik werd nieuwsgierig naar dat meisje, zocht mee met haar naar lucifers en oplossingen. Ongemerkt gleed ik van het ene hoofdstuk in het andere, in bed, op toilet, terwijl de aardappelen pruttelden. Ik raakte aan haar gehecht, ging van haar houden en hoopte verhit dat het aan het eind allemaal nog wel goed zou komen.
En ik leerde. Het hoeft allemaal niet zo, die Grote Literatuur in Ingewikkeld Plot met Florissante Frasen. Gewoon kan ook. Gewoon wordt hier ongewoon mooi.
De schrijfster schreef dit boek met veel plezier. Het spat ervan af, eerst op je huid en dan eronder.
Driehonderdvierentwintig pagina’s later kijk ik weer op.
Buiten miezert het nog, maar hierbinnen schijnt de zon.

Coupe Militaire

Soms duiken zomaar uit het niets mensen op die er al lang niet meer zijn. Alsof ze van over het graf de herinnering aan hun vroegere bestaan levend willen houden, bang om ooit te worden vergeten. Ik ben er nog, zeggen ze, en voor altijd. De vrouw aan de overkant van de straat die verschrikkelijk op mijn moeder lijkt. De stem van mijn maatje in mijn oor terwijl ik naar een film kijk: ‘Pakt er een pintje bij.’
En vandaag, in Tempore Covid 19, mijn broer. In de badkamer, tijdens het tandenpoetsen. We monsteren samen mijn Coupe Corona. Je zou het onder zijn gezwollen walrussnor nooit hebben vermoed, maar de jonge versie van mijn broer volgde een kappersopleiding. Hij ging daarna ook bij een dameskapper aan de slag. En tijdens zijn legerdienst knipten zijn handen menige schachtenkop.
‘Gast,’ zegt hij, op die autoritaire toon die ik van hem gewend ben, ‘dat trekt op niets.’ Mijn broer was nooit een zachte heelmeester, zalven was niet aan hem besteed.

In die dagen droegen wij onze haren lang en de broekspijpen breed. Langharig Werkschuw Tuig noemde men ons, een titel die we droegen als een geuzennaam. Lang, maar proper, verdedigden we ons, als ouderen afkeurend mompelden dat het in hun tijd niet waar geweest zou zijn.
Haarlengte was meer dan mode, het was revolte. Zij met zeggenschap over je haartooi, je moeder, stuurde je om de zoveel weken naar de kapper: ‘Zeg maar dat er een goed stuk af mag.’ Per definitie verkeerd: wat goed is, moet je behouden.
Voor de man met de tondeuse vertaalde jij dat bevel als: ‘Alleen de puntjes, aub.’ Hij geloofde je niet, maar jij had de centen in jouw binnenzak. Wat kon het hem schelen? In het slechtste geval stond je er binnen de kortste keren weer, met dezelfde boodschap en hetzelfde bedrag.

Die werkethiek hanteerde ook mijn broer in de kazerne.
Een dienstplichtige kreeg de vrijheid zich onder de burgers te begeven van vrijdag 20.00 u tot zondagavond 18.00 u. Voor hij de kazerne mocht verlaten, diende hij een keuring te passeren. De snit moest tot twee vingers boven de oren. Wie zijn haren langer droeg, kreeg uitgangsverbod.
De soldaat in spagaat. Aan de ene kant een omhooggevallen korporaal die op zijn strepen stond, aan de andere het lief. Zij hield niet zo van korte kopjes, het leger accepteerde geen andere. Daartussen stond de kapper. Enkel zijn slim gebruik van schaar en scheermes kon de kloof tussen beide partijen overbruggen. Dus bezocht je eerst hem.

‘Niet te kort,’ zei je. Je stak hem vijf frank toe, een beloning voor zijn bereidwilligheid de orders van jullie beider oversten te dwarsbomen.
‘Geen probleem,’ antwoordde mijn broer. Hij vervulde al je wensen. Niet hij was de barrière, dat was het korporaaltje aan de poort. Had die een pestbui of geen lief, hij legde twee vingers achter je oor, keek je boos aan en oordeelde: ‘Te lang. Terug.’
Voor een schacht gevreesder vonnis dan veertien dagen corvee. De idee dat de liefde van zijn leven, of tenminste toch die maand, zonder hem T-Dansant en Chirofuif zou afschuimen! Of wie weet, triljoenen keren erger, samen met die nitwit uit de volksdans, een langharige dienstweigeraar die zijn burgerdienst vervulde in Jeugdhuis Trefpunt en ’s nachts gedichten schreef. Terwijl jij intussen met een tandenborstel de voegen tussen de vloertegels zat te schrobben.
Je richtte al je hoop op de haarstilist.
‘Help me,’ smeekte je, ‘Ik mag niet buiten.’
‘Ik wel,’ antwoordde mijn broer. ‘En wel nu. Ik heb ook een lief, en een geweldige dorst bovendien.’
Naar het schijnt werden achter de kazernemuren tranen gestort. Soldaten vielen wanhopig op de knieën, klampten zich vast aan zijn kaki uniformbroek, poetsten ongevraagd zijn bottines. Mijn broer liet zich niet vermurwen, hij hechtte zeer aan zijn vrijheid.
‘Ik geef je er twintig frank voor,’ probeerde je wanhopig en ten einde raad.
Magische woorden. Vandaag een halve euro, toen de waarde van twee pinten. Drie minuten werk, een halve centimeter haar.

Hij kwam vaak erg laat thuis, vrijdags. Ik zie hem soms nog de kamer binnenwandelen, in dat uniform dat hem nooit helemaal paste.
‘Kom gast, zei hij, ‘We zijn weg, een biljartje doen.’
‘Sorry,’ antwoordde ik noodgedwongen en naar waarheid, ‘ik heb geen geld.’
‘Niet nodig,’ veegde hij mijn argument onder de mat, ‘ik heb genoeg.’
Met een schelmenblik toverde hij uit het zakje van zijn hemd een bundel briefjes van twintig, als een gangster uit The Godfather.
Missen vermomt zich, net als liefde, in veel gedaanten.

Kutjaar

Onopvallend vloeide het ene jaar in het andere, als een rivier in de zee.
Een kutjaar, declameerde Josse De Pauw elke dag, elk uur, op elke zender. Het moest met kut en klote want als het minder gaat, sleept men er de schaamstreek bij. Het voortplantingsorgaan als oorzaak van alle volgende ellende.
Merkwaardig. Alsof we met gedurfde woorden het kwaad kunnen bezweren. Pubers tikken we ervoor op de vingers, maar bij een gelouterd artiest krijgt platvloerse taal een artistiek aureool. Dan wordt ook een kakmachine kunst. De verbeelding aan de macht.

Het waait wel over, dachten wij.
Een vleermuis met een virus, typisch iets voor daar. Hebben ze tenminste een reden voor die stomme mondmaskers die ze daar altijd dragen. Ze bekijken het maar. Aids en ebola in Afrika, eigen schuld, dikke bult. Wij laten ons geen angsten aanpraten. Wij staan daar boven. Wij zijn vrij en ongenaakbaar. Leve onze ski’s en onze schnaps, onze citytrips en goedkope vluchten. Op pistes en in vertrekhallen drumden we ons een weg terwijl we ons het pleuris ergerden aan elkaar. Allemaal op weg naar niets, op hetzelfde tijdstip naar dezelfde plek op dezelfde manier. Deze kleine genoegdoeningen zijn verdiend, een beloning aan onszelf, noeste zwoegers die we zijn.

Het vlindereffect van de vleermuis.
Het leek nog leuk en aardig eerst. Spannend. Extra vrije dagen, vaak vergoed, quality time in eigen huis, gezellig. Eindelijk tijd om dat boek te lezen, die puzzel te leggen, samen te zijn.
Helaas, het leven is een luchtbel, gevuld met illusie en blind geloof. Hoe lang valt dat gejengel te verdragen? Hoe zwaar weegt dat blok aan je broekspijp dat je achtervolgt tot in de kleinste kamer?
En ja, het is waar, in een beneveld moment beloofde je inderdaad ooit eeuwige trouw, in goede en slechte tijden, zeker. Wist jij veel. Over okselgeuren en darmgeluiden, de klok rond en zeven op zeven, repte men toen met geen woord.

Als om ons geduld te testen verzon men altijd weer nieuwe regels. We begrepen het niet meer, stelden vragen. Als ik niet mag zwemmen, mag ik dan pootjebaden? Is een frietkot een restaurant? Uit hoeveel mensen bestaat een bubbel van vier? Wie zorgt er voor onze oudjes? Nee sorry, wij zelf echt niet. Geen tijd. Het huis is ook te klein, er is het werk, de kinderen, de weekendtrips, de sauna. Ik klap vanavond wel even in mijn handen, is dat ok?
Ons geduld bereikte haar buitengrens. Dat vaccin, hoelang gaat dat nog duren? Wij zullen wel weer achteraan in de rij staan, zeker, in dit apenland? Hoezo het is er al? Zo rap, dat kan niet, is dat wel fatsoenlijk onderzocht? Hmm, misschien liever nog wat afwachten. Wàblieft? Dat oud ijzer van zesennegentig krijgt voorrang? Serieus?
We verlangden naar kroegen en restaurants. De cinema, het pretpark en de kapper. Het mocht niet. Een van de meest duistere jaren uit ons bestaan, oordeelden we. Op radio en televisie zegden ze het ook. Kutjaar, ze ramden het erin met de voorhamer.

Kalm blijven, lachte de uitverkorene van zesennegentig terwijl hij zijn mouw opstroopte. Ik heb erger gekend. We eten vandaag toch geen beschimmeld brood, of overrijpe aardappelen in uiensaus met een blad verlepte sla? Er is genoeg toiletpapier voor iedereen. Geen dreiging van oorlog of geweld. Het probleem is zo gekomen, op een dag is het ook weer weg. Hier een ader, spuit de genezing er maar in, op naar de honderd.
Troost vonden we in ketokuur en mindfulness. In kookboeken van Pascal Naessens en knutseltips op Dobbit TV. Hoe reinig ik mijn gevel, hoe zet ik een veranda? Dingen die je altijd al wilde doen, als je ooit eens vijf minuten tijd had. We gingen e-biken en leerden fitnessen op een matje in eigen huis. We verkenden de bossen van Vlaanderen. We ontdekten Netflix. Breaking Bad. Better call Saul. The Queens Gambit. Donkere lange dagen op de sofa, knabbeltje, borrel.

Dit huis wisselde van jaar tijdens House of Cards. Over intriges en corruptie in het Witte Huis, manipulatie en meedogenloosheid. Na aflevering zestig, killer en kouder was de sfeer tussen de president en oppositie nog nooit, zapten we even terug naar de echte wereld. In het journaal herkenden we het kaartenhuis uit de serie. We herkenden de acteurs, de president en zijn entourage, andere gezichten, zelfde machtswellust.
We zagen hoe fictie overvloeide in realiteit, zoals het ene jaar in het andere.
Er was niets veranderd.

Het probleem Wiskunde

Why getting married? schreef onze leraar Engels op het bord, met wit krijt in slordige hanenpoten. Het kleine mannetje met volle baard en zachte stem was geen partij voor onze geestdriftige stellingnames. Na vijftig minuten verliet hij dan ook bedremmeld het lokaal, de vraag onbeantwoord achterlatend. Wisten wij veel. Zeventien waren we. Getting married stond niet bepaald bovenaan onze prioriteitenlijst. Getting laid zou al heel mooi zijn. Of in mijn geval, getting noticed.

‘Die vraag heb ik mij nooit gesteld,’ poneerde de heer W.
Enkele slijmballen lachten maar ik vond het typisch. Nadenken over de dingen des levens is niet iedereen gegeven, al helemaal onze leerkracht wiskunde niet. Ik noteerde zijn woorden in het Atomaschrift waarin ik dat soort leerkrachtopmerkingen bijhield voor je weet maar nooit. “Een nachtmerrie is geen paard dat ’s nachts voor je bed staat te hinniken”, “De kortste weg is de minst lange” of “Alle grote mannen waren klein.” Ooit zou ik hieruit een bloemlezing publiceren, nam ik me voor. Het schrift helaas verdween samen met mijn jeugd in de vergankelijkheid.

Dichter bij een geestigheid is de heer W. nooit geraakt. Zijn missie was het om ons suf te hameren met onwrikbare stellingen die hij samenvatte in definities, axioma’s en wereldvreemde formules. Hij droeg over zijn kostuum met das een grijze stofjas en had altijd gelijk. Het gedrup uit een lekkende kraan klonk boeiender dan zijn stem. Begreep je hem niet, dan lag dat aan jou, niet aan zijn wereldvreemd jargon of Oost-Vlaamse tongval. Hij kon zich onmogelijk voorstellen dat wij, jong en vol van lust en verbeelding, niet begeesterd raakten door de grootte van een overstaande hoek of de gelijke benen van een driehoek.
In een zomer haalde de man de voorpagina’s. Tijdens een warme augustusnacht stortte uit het niets een klomp ijs door het dak van zijn woning. Zonder stofjas wees hij naar de gapende wonde tussen de dakpannen. Hij berekende de diameter van het gat, het volume van het ijs en de vermoedelijke valsnelheid. Een afdoende verklaring voor het fenomeen echter kon ook hij niet geven, maar wij geloofden voor even weer in een rechtvaardige god.

Aan dat alles moest ik denken terwijl ik een kabeljauwhaasje van driehonderdtwintig gram in vier gelijke plakken sneed. Tachtig gram per stuk, en vier is het kwadraat van twee. Ik ben gedrild, ik weet die dingen.
Intussen stond het land weer maar eens in brand. Onze tienjarigen scoorden naar verluidt slecht in “een internationaal onderzoek over de kennis van wiskunde en wetenschappen”. Ongeveer op het peil van hun leeftijdsgenoten uit Nederland of de Verenigde Staten.
Drama! Over het rekenniveau in de VS is mij weinig bekend, al telt men er de dingen wel grondig na. Maar Nederland? Wonen daar niet die gewiekste handelaars? Staat de Nederlander al niet sinds mensenheugenis bekend om zijn ondernemingsgeest en zakelijk vernuft? Houdt hij niet ook nu in Europa de vinger halsstarrig op de knip? De overheidsschuld van Nederland bedraagt 63.1 % van het BBP, de onze bijna 120. Ik zeg het maar.

De vis besmeerde ik met een dikke laag groene pesto voor ik hem schikte op de bodem van een glazen schaal van dertig op twintig centimeter die ik eerst uitbundig met olijfolie had ingevet. Daar strooide ik wat kruiding overheen. Ik bedekte hem met fijne plakjes courgette. Intussen passeerde een stoet ontgoochelde cijfervreters langs de microfoon. ‘Het is geen vrolijke dag voor de wiskundeleraars,’ hoorde ik. Ik vroeg me af hoeveel vrolijke dagen de heer W. in zijn inmiddels cirkelronde leven had beleefd. Ik ontdeed de bospeentjes van hun lof en begon naarstig te schillen. Wanneer trok jij nog eens een vierkantswortel, vroeg ik mezelf af.

Natuurlijk wees ook weer een pedagoog op de teloorgang van het onderwijs. Het lied is ouder dan de voltooide catalogus van John Lennon. Socrates componeerde de melodie tweeduizendvijfhonderd jaar geleden al. Dat het vandaag allemaal maar leukigheid moest zijn, dat we beter weer zouden gaan drillen, maar ja, dát mag niet meer. Alsof leuke lessen niet leerrijk kunnen zijn. Alsof saaiheid een garantie biedt voor kwaliteit. Alsof je beter leert met je lip onder je schoenzolen. Liefst ook zonder context. Al dat gedoe altijd. Moet je nog allemaal redenen gaan verzinnen waarom je die dingen nodig zou hebben ook.
Ik werkte de schotel af met fijngesneden rode paprika en versnipperde ui, en schoof hem de oven in, tweehonderd graden, veertig minuten.

Tijd om de test even te googelen. Niveau tienjarige, makkie. Net als vroeger overliep ik eerst de vragen. Vraag vijf deed me dood:

Justin heeft veel figuren in de vorm van driehoeken en vierkanten waarmee hij een lichaam kan bouwen.”

Mijn hersens kraakten .
Who the fuck is Justin? Wat mankeert die gast???
Figuren? Vorm? Lichaam? Driehoeken en vierkanten? Mijn brein kreeg de begrippen niet aan elkaar gebreid. Ik las helderder teksten in het Belgisch Staatsblad.
Of ik heb een probleem. Een leesprobleem.
Want rekenen kan ik als de beste.

Twee seconden

‘We zitten in een barometrisch moeras’, zegt de weerman. In twee woorden vat hij de tijdsgeest, als een dichter.

Hij zegt het goed. De vaste grond onder onze voeten wordt drasland.
Er is nieuws, maar je weet niet of je het mag geloven. Het kan onwaar zijn, fake, zoals dat heet vandaag. De teloorgang van de taal.
Een diplomaat, onschendbare steunpilaar van het thuisland, ontvlucht een seksfeest langs de regenpijp, diep in de nacht, zijn broek nog op de enkels. Zo gaat dat. Met je rechterhand schrijf je het plebs belegen normen en waarden voor, met links pleur je in het donker aan een onbekende piemel.
Een staatshoofd verwerpt de verkiezingsuitslag. Hij vertrouwt het niet, claimt valsspelerij. Het democratisch bestel verliest de poten waarop het steunt. De norm is verlegd, niemand weet nog waar hij ligt.
Een dodelijk virus grijpt de macht over de planeet. Het zaait ellende in elke windstreek. Een complot, schreeuwt Anonymus op Twitter. Bedrog vanuit de overheid, doorzichtiger dan de glazen van mijn bril. Om ongestoord te kunnen frunniken en snuffelen in mijn geheimen om, god ja, waarom eigenlijk?
Nu is er bijna ook een medicijn. Geloof ik niet, protesteert de antivaxer – wat een woord alweer – aan mijn lijf geen polonaise. God weet wat jullie ons willen laten slikken.

Een kotstudente huilde voor de camera. Dat ze haar vrienden miste. Dat ze bang was voor wat nog komen gaat. Dat zij wil leven, roekeloos en zonder angst. Alles is angst geworden.
Alsof dat allemaal nog niet genoeg is, hijst men ook ons laatste anker uit het water. Martine Tanghe werd vijfenzestig, dus ze moet gaan. Niet kwaliteit of talent vormt hier de maatstaf, de vervaldatum geeft de doorslag. Oud is out. Uit de rekken die hap, nu.
‘Dit is het spel, dat zijn de regels en zo dient het gespeeld te worden,’ proclameerde Freek De Jonge destijds, toen hij samen met Bram Vermeulen Neerlands Hoop in Bange Dagen was en de wereld een geweten schopte. Er waren nog zekerheden toen. Er was goed en er was fout. De Russen waren fout, de Amerikaanse Imperialisten evenzeer. Grootmachten per definitie misdadig. Het school dat was een apenkot parlez-vous, VDB corrupt en de boeren in Latijns-Amerika dienden bevrijd van juk en slavernij. Lang leve de opstand. Andere tijden waren gekomen en je ouders en je leraren begrepen er niets van, oude lijven vol oude ideeën. Wij fulmineerden, demonstreerden en infiltreerden, Martine tot in de nieuwsredactie van de BRT.

‘Heb je gekeken?’ vroeg Anna Lyste, ‘ik moest zelfs wenen!’ Het hoofd van onze Redactie Politiek staat nochtans niet bekend om haar empathisch vermogen. Toen Ceauşescu in haar geboorteland de plak zwaaide, zat je emoties maskeren vervat in je overlevingspakket.
‘Hmm,’ gromde ik.
‘Een grote dame,’ ging ze bevlogen verder. ‘Met twee seconden zwijgen zei ze soms meer dan met duizend woorden. En nu, bij de koning op de koffie en een half uur extra journaal, alleen voor haar. Hoeveel mooier kan je afscheid zijn?’
‘Niet’, antwoordde ik, veel botter dan bedoeld.
‘Ik zal haar missen,’ bedacht Anna. ‘Ook al was het nieuws somber en triest, zij bracht troost. Rust. Een houvast in woelige zee. Haar schip zou geen schipbreuk lijden, zij trotseerde elke storm. En nu? Met pensioen. Na tweeënveertig jaar! Stel je voor hoe dat moet voelen.’
‘Doe ik, helemaal,’ mompelde ik, droefgeestiger dan ik wou. Ik vertelde maar niet dat ik me tijdens het kijken had gevoeld als een onvruchtbare vrouw met een intense kinderwens op een babyborrel. Persoonlijk fait divers blijft beter ondergeschikt aan het algemeen belang, ook dat had ik gisteren gezien.
‘Benieuwd hoe ze haar pensioen invult. Ze gaat toch geen sokken zitten breien voor haar kleinzoon, mag ik hopen,’ ging Anna door.
‘Oh, ze vindt wel wat,’ antwoordde ik. ‘De aanbiedingen zullen niet uitblijven. Een lezing, een presentatie, een boek misschien. Memoires. Een podcast. Of animatiefilms inspreken. Zij is nog ver van uitgepraat. Het cliché klopt. Elk einde is een nieuwe kans.’
‘Jij kan het weten,’ antwoordde ze, en ze toverde er die blik bij waar mijn hart van smelt.’

‘Misschien is het voor ons wel erger,’ zei ik. ‘Wij zijn ons anker kwijt, ons ijkpunt in de dag, om zeven uur, het journaal met Martine Tanghe.’
‘Misschien overdrijf je nu een beetje,’ probeerde Anna. ‘Dat zal ze zelf ook wel vinden.’
‘Drie kwartier geloofwaardigheid, met de juiste woorden op de juiste toon, met oprechte empathie. Een verademing, toch? Elke keer weer. Tot haar laatste presentatie. Je geloofde elk woord. Ze meende het. Ik ga u missen. Hou vol, het komt allemaal goed. Je had er weer vertrouwen in. Ok, als jij het zegt, ik ga ervoor.’
‘Ja, mooi,’ zei Anna.
Toen zwegen we allebei.
Twee seconden.
En nog twee.

Zweeds raadsel

‘De mens, ge kunt daar niet aan uit.’
Het is het soort gedachte dat ik graag zelf zou verzinnen maar helaas, de grote Gerard Walschap was me voor. Jammer. Het is een prachtige frase, vol van waarheid bovendien.
Als in de nacht mijn lijf aan rusten toe is, woekert de geest onverdroten voort. Als onkruid tieren in mijn hoofd wilde dromen en fantasieën. Een wirwar van heldere gedachten en bevlogen zinnen, kriskras door elkaar. Het is drukker in de nevelen van mijn slaap dan in Wijnegem Shopping op zaterdagmiddag. Maar ‘s ochtends voor het witte blad is elk woord gevlogen. Ge kunt daar niet aan uit.

De plek waar mijn verbeelding woont, de frontale cortex, trekt zich op gang als een stoomtrein uit de negentiende eeuw. Ik voeder hem met raadsels, als brandstof. Synoniem voor ‘bouwwerkzaamheid’, vijf letters, zeg ik hardop. De tweede is een e, de laatste een r. Knoflooksaus, ook vijf letters. Zeehond moet in zes. Enkele ogenblikken later heb ik met heier, aioli en oorrob genoeg kapstokken om een mysterieus kortverhaal aan op te hangen, al verwacht u daar net als ik best niet te veel van.
Intussen wordt de koffie koud en speelt op de radio een gewezen staatssecretaris een plaat die al lang is grijs gedraaid. Zijn voorzitter zou verzuchten: ‘Zet ze af!’
Hoe zou dat voelen als men je enkel nog vraagt om wat je ooit was? Ik zou het niet weten, terwijl ik nochtans ervaringsdeskundige ben. Ik ben ex van vele dingen maar niemand vraagt mij wat. Rood in vier letters is blos. Even denk ik aan opwinding maar dan hoor ik de gewezen beleidsman orakelen en weet ik, het is het rood van plaatsvervangende schaamte. Het is heel erg allemaal, zegt hij. Heel, heel erg. Kouwe drukte in vijf letters trouwens is poeha. Mest in vier is gier.

Erg. Mijn Zweeds raadsel vraagt het niet, maar het had gekund: algemeen gedeeld gevoel van onbehagen, drie letters.
Erg is het voor de bejaarde in het zorgcentrum. Voor de politieker en de wetenschapper die men niet gelooft. Voor de gepensioneerde die het huis niet mag verlaten. Voor de overvraagde ziekenzorger,  voor de koerier die nooit de handen op elkaar krijgt. Thuiswerken is ook erg, je mist toch de werkvloer. De mens, ge kunt daar niet aan uit. Eens op de werkvloer wil hij het liefst zo gauw mogelijk naar huis.
Het is dramatisch erg voor de chef van het restaurant en de patron van de kleine kroeg. Voor de acteur en de zanger. Voor de kotstudent, de museumbezoeker, de schoonheidsspecialiste. Pijnlijk erg is het ook voor de jongen die achttien wordt en zich met zijn vrienden niet kan gaan bedrinken en voor het meisje dat haar lief mist. Omgekeerd evenzeer, all gender is equal. Dat, of iets van die strekking, komt van George Orwell en ook dat had ik graag zelf in primeur bedacht.
Erg wordt het ook voor Sinterklaas en de kerstman en voor het grote familiefeest bij de jaarwende. Zelfs wie daar telkens tegenop ziet, vindt het erg dat het dit jaar niet kan. Nu zijn we ook officieel gevaarlijk voor elkaar. Goed, de familie is niet leuk en oma wordt oud, maar de drank is gratis, toch erg dus dat het feest niet doorgaat. Karaoke, nu we het er toch over hebben, is het zevenletterwoord voor meezingfestijn.

Het ergst van al misschien, voor iedereen is het ook waar. Elk huis draagt echt zijn kruis. Het ene leed is niet groter of kleiner dan het andere. Ik ben ziek maar dat is niet erg want de buurman is zieker, is een redelijk onzinnige visie. Dat maakt jou niet minder ziek. Er bestaat niet zoiets als een wedstrijd in ergheid. Ook niet in mijn raadsel. Laag is vuig, dat wel. Echo in zes letters: nagalm.
Terwijl de vakjes zich gestaag vullen met letters die weer andere woorden aanreiken, erger ik me van langsom meer aan al die ergheid. De radio staat al lang uit. Het laatste ergs was het erg te veel. Fernand Huts koopt de Boerentoren. Kevin De Bruyne onderhandelt over een verbetering van zijn contract. Zijn brutominimumloon zou nu driehonderdzestigduizend euro per week bedragen.

Zeven letters: eenmalige coronapremie van drieëndertig euro waarmee een kansarm gezin een week lang de kinderen eten kan geven?
Aalmoes.
Aanstootgevend erg.

Welterusten, mijnheer de president

De president is boos.
Driftig als een kleuter met een rammelaar zwaait hij met zijn IPhone 12 Pro. Dikke vingers twitteren woedend hoofdletters de wereld in. FRAUDE, BEDROG, SCHANDE.
Hij wil niet uit zijn kamer maar mama Melania zegt dat het moet.  NEE. NEE. NEE. Kom op, buiten spelen, gezonde lucht zal je goed doen, ver weg van camera en LAMESTREAM-media. Naar het golfcourt, waar men de andere kant opkijkt als hij een balletje verlegt, of er eentje put met de handen. Daar, op eigen terrein, voelt hij tenminste nog wat respect. Met eerbied kijkt men er naar de oude, witte, rijke man, eigenaar van een wereldwijd zakenimperium en verdiensten zonder weerga voor het vaderland. Men knijpt een oogje toe en klopt hem na afloop op de schouders. Hij juicht: ‘IK BEN DE WINNAAR! DE ENIGE ECHTE!’
‘Het is waar,’ antwoorden zij. ‘De wereld zit vol bedriegers.’

Hij begrijpt het niet.
Heeft hij dan niet zijn stinkende best gedaan? Hij is van kop tot teen what you see is what you get. Hij zegt wat hij denkt en hij doet wat hij zegt. Een man uit een stuk. Zoals zijn vader het hem destijds heeft geleerd: ‘Er zijn twee soorten mensen op de wereld. Er zijn killers en er zijn losers.’ Hij is een killer. Kent geen twijfels, geeft nooit een falen toe. Ook dat rare Chinese virus schudde hij moeiteloos van zich af. Een killer wint, of sterft in het harnas. In de tegenstrever je meerdere erkennen staat gelijk aan onverdraaglijk en onherstelbaar gezichtsverlies.
Hij schrapte samenwerkingsverbanden en klimaatakkoorden, precies zoals hij had beloofd. Hij stopte de toevloed van inwijkelingen, zonder pardon, al moest hij daarvoor gezinnen uit elkaar rijten, kinderen scheiden van hun moeders. Hij diende het hogere goed. Hij bakkeleide met alle andere groten der aarde, alles voor dat ene doel: Make America Great Again.
En nu dit.
In de war, dat is hij. En velen met hem. Zeventig miljoen kiezers kunnen niet verkeerd zijn. Wij hier, op dat oude en vermoeide continent, zien dat anders. Wij herinneren ons nog 1933, bij de Oosterburen. Al lijken dat ook hier steeds meer mensen te vergeten.

Hij schudt het hoofd.
De waarheid onder ogen zien, kan hij niet. Dat niet zijn bestuur op het kapblok ligt, maar hijzelf. Zijn botte boertigheid, zijn plompe ongemanierdheid. De zelfvoldane blik en wapperende handjes. De stank van de eigen lof. Het schelden en het tieren, het aanhoudend puberaal kwetsen.
Hij ziet niet dat de mens in de straat op een dag genoeg krijgt van vuilbekkerij en ranzigheid, de buik vol heeft van zomaar schofferen en pikeren. Sleepy Sloppy Joe, Corrupt Hilary. Eerst is dat nieuw en leuk en oh my god wat durft hij allemaal maar na een tijdje weet de kiezer, er zit meer inhoud in een lege doos.
Niet zijn beleid heeft de verkiezing verloren, de dorst naar fatsoen heeft gewonnen.  

De president is boos.
Wij likkebaarden bij dit schouwspel. Kijken meewarig toe hoe het balorige kind weigert zijn speeltje af te geven. Heerlijk spektakel. Wij voelden hem allemaal, een week geleden, die zucht van opluchting. Een vlinder bewoog haar vleugels in de studio’s van CNN in Atlanta, Georgia, VS, en ontstak een tsunami van opwinding die alle stranden van de wereld overspoelde.
‘Hij gaat eraan,’ lachten wij, ‘die bullebak, de pestkop op de speelplaats met zijn grote muil en dat rare haar. Dat hij dat fake glimlachende ijskonijn van hem maar meeneemt. Het is voorbij.’

Wij zien de toekomst weer vrolijk tegemoet.
Opgeruimd staat netjes, ander en beter. Wie die ander is, of hoe hij denkt, het interesseert ons niet. Zijn mening over gendergelijkheid of Black Lives Matter, economie of migratie, ach, wat zou het. Binnen- of buitenlands beleid? Boeien!
Hij is the new kid. Bijna tachtig. Vriendelijk, zo op het eerste gezicht, met een minzame glimlach op de lippen. Chill. Misschien bezit hij niet het redenaarstalent van zijn vroegere baas, maar hij klinkt rustig, welopgevoed, spreekt wijze woorden, precies wat je van een president mag verwachten.

Wie van ons maalt om dat rare appendix aan die zegespeech?
God bless America and god bless our troops. Een extra bede voor de gewapende troepen. Misschien stuurt hij ze wel, zoals ontelbare illustere voorgangers deden, naar verre oorden. Nucleaire schepen richting Cuba, adviseurs naar Vietnam, vliegdekschepen naar Irak of Afghanistan en Special Forces naar Jemen of Syrië. Een invasie links, een bommentapijt rechts, ergens moet een demonstratie uit elkaar worden geranseld, hij doet maar, ons laat het onverschillig.
Als hij maar zijn manieren houdt en met twee woorden spreekt.

Beste Covid

Beste Covid

U kent mij niet. Daarvoor prijs ik mij gelukkig. Met uw permissie wil ik dat graag zo houden. Dank u wel.
Ook ik ken u niet echt, al hoor ik dagelijks veel over u praten. Meer dan ik leuk vind, geef ik toe, en weinig fraais bovendien. U doet me denken aan die Sniper uit die documentaire op televisie. Niemand weet wie u bent. U verplaatst zich ongezien en geruisloos. Iedereen is prooi, niemand veilig, uw methode stoelt op blinde willekeur. Voor je beseft dat je getroffen bent, bent u al verderop aan de slag. Traceerbare sporen laat u nauwelijks na. Kortom, u zaait koud en kil terreur.
Hoe ziekelijk ook, u kiende dit perverse plan uit tot in de meest minuscule finesses. De uitvoering verloopt vlekkeloos. Wederom proficiat.
Het werkt.
Het doet pijn.

Wij noemen u het. Net als bij de engelen valt uw sekse moeilijk te bepalen. Uw bloeddorstige moordlust doet neigen naar een hij. De slinksheid en het geduld van uw onderneming suggereren eerder een zij. Intussen, beste het, tollen onze hoofden van de vragen. Wat drijft u? Welke doelen streeft u na? Hoelang denkt u nog te blijven? Wanneer is het genoeg? Voor ons, nietige mens, bent u een enigma.
Ik laat me vertellen dat u vanuit het verre Oosten het continent kwam ingevlogen. Chique, niet iedereen kan zich die reis permitteren. Dat verklaart misschien die langdurige omzichtigheid waarmee wij u behandelden. Wij begroetten u halfslachtig, god ja, het zal zo’n vaart niet lopen. Het valt wel mee. Andere gelukzoekers genieten minder compassie. Het mag gezegd, sneller dan het licht verwierf u zich in onze maatschappij een plek. Onze bewindslui talmden, legden u zo min mogelijk in de weg. Hoe kreeg u hen zover? Zieken en gezondheidswerkers liet men in de steek, offers op het altaar van de economie. Ach, een rondje applaus, een kaars voor het raam, het maakt veel goed. Al knipperden alle lichten rood, driftig marcheerden wij door, op weg naar school en werkplek, als een kudde naar de afgrond.
Uw verdienste. Opnieuw, oprechte felicitaties.

Wij praten echter over u in mineur.
U kleurt dit aflopende jaar met angst, paniek en wanhoop. Ongevraagd breekt u in onze levens in. U ontwricht, maakt ziek, doodt. U beroept zich daarbij niet op een hogere god. Integendeel, de oppermacht die met stuitend gemak oordeelt over leven en dood, bent u zelf. U hamert daarbij geen standbeelden van sokkels, plant geen vlaggen. Een kille sluipmoordenaar, meer bent u niet. Wij kijken als konijnen voor een lichtbak bewegingloos toe. Wie hooghartig en hardnekkig uw bestaan ontkent, penaliseert u zonder genade. Menig bezoeker van clandestiene partijtjes in shishabar of loft verwijst u naar het beademingsapparaat of de intensieve zorg, vooropgesteld dat daar nog een bed te vinden is. Scholen tovert u om tot broeihaarden. Kinderen, naïef en onschuldig, transporteren u onwetend tot bij hun verzwakte grootouders. Ook daar kent u geen mededogen.
Hoe geniet u daar eigenlijk van?

Beste Covid
Mag tussen deze vragen misschien een kleinigheidje over mijzelf?
Ik ben iemand van het halfvolle glas. Ik kijk graag door het donker van de buitenkant naar het warme licht vanbinnen. U raadt het! Ook in u ontdekte ik het goede. U bent een het met een missie. Een wijze meester uit het Oosten die ons attendeert op onze tekorten. Wax on, wax off, die kerel, met de looks van deze tijd. U leert ons een lesje. Ervaringsgericht, zonder verdere toelichting. Een goede verstaander en een half woord, toch? U bent die onderwijzer van weinig woorden en de harde hand.

Dus, wat heeft wij geleerd, hm?
Dat eendracht macht maakt. Hoe meer sprekers, hoe groter kakofonie. Al helemaal met die kakelende Ben ertussendoor. Hoe minder stemmen, hoe helderder de boodschap. Dat is één.
Twee. Een oefening in bescheidenheid. Niet elke individuele mening doet ertoe. Soms doen we er collectief beter aan onze persoonlijke opinie te bergen op een donkere plek, zelfs voor de zon niet toegankelijk.
Drie. Hou het simpel, niet moeilijk maken. Een paar belachelijke regeltjes. Een kind van de kleuterschool kent ze uit het hoofd.

  1. Was je handen.
  2. Houd afstand.
  3. Beperk het aantal mensen dat je ziet.
  4. Draag waar nodig een mondkapje.

Zoals mijn leraar Frans vroeger altijd placht te zeggen: ‘Moeilijk? Helemaal niet moeilijk. Zelfs heel gemakkelijk.’

Beste Covid  
Uw boodschap is gehoord. Nu, hier en overal.
Daarom wil ik hierbij graag een bescheiden voorstel doen.
Stel, wij doen wat u ons opdraagt. Allemaal. Niet van harte maar omdat het moet. Voor onszelf en voor elkaar. Zolang het nodig is. Kunnen we dan afspreken dat u de planeet verlaat? Voor eeuwig en altijd?  
Daarvoor een laatste keer: welgemeende dank!
U de hand schudden doe ik niet. Maskers af, open vizier. Ik vertrouw op uw woord.
En wens u hierbij alvast een behouden terugreis.

Wat Alleen Elvis kan

Traagheid is van al mijn ondeugden wellicht de mooiste. Niet dat ik een laatkomer ben, dat is het niet. Als Covid het toestaat, date me en u zal merken, Erik Optijdkomers, dat is mijn naam.
Wat ik wil zeggen is, veel dingen mogen van mij gerust wat langer duren. Ik verkies de fiets boven de auto. Ik wandel liever dan dat ik ren. Het hoogtepunt is nog altijd maar een punt, het laatste bovendien, het einde van de reeks. Het pad er naartoe is avontuur, een weg met vele kronkels. Honderd en drie jaar oud moet ik worden om alles te doen wat ik gedaan wil krijgen. Langzaam, op eigen tempo. Take your time, think a lot, dat is mijn motto. Opgepikt bij Cat Stevens, een zanger die ook heel lang moest denken en zich dan Youssef noemde. Persoonlijk vind ik Cat voor een popartiest beter bekken.

Het duurt bij mij gewoon een tijdje voor de ernst van de toestand tot me doordringt. Eerlijk, pas op het ogenblik dat ik zelf mijn portefeuille bovenhaalde om de pakjes te betalen, besefte ik dat de sint niet echt bestond. En toen die twee vliegtuigen Amerikaanse wolkenkrabbers doorboorden, realiseerde ik me slechts in de late avond dat het hier geen brute pech betrof. Ik dacht een ganse dag, shit happens, een ongeluk komt nooit alleen. Zo geloofde ik dus ook jarenlang dat Elvis dood was en god leefde. Tot Luc De Vos en Thomas Vanderveken me van het omgekeerde overtuigden. Elvis leeft, weet ik nu. Dat wij elk jaar gods zogenaamde wedergeboorte vieren, beschouw ik sindsdien als een creatief excuus voor een vet feest.

Precies omdat alleen Elvis blijft bestaan, vind je me elke herfstige zaterdagavond geketend aan mijn scherm. Dan trakteert Thomas een genodigde een glas water, soms een wijntje. De gast toont zich nerveus doch meegaand. Thomas echter is nog een gastheer van de oude stempel. Hartelijk. Hij schept rust, bruuskeert nooit, luistert geïnteresseerd, reageert alert. Het gaat niet om hem. Mensen mogen in volzinnen praten, hij gunt ze de tijd.
Veel lijkt het niet om het lijf te hebben. Twee sprekende hoofden, af en toe wat beelden, anderhalf uur lang. Ik mag daar graag naar kijken. Het programma heeft mijn tempo. Achteroverleuntelevisie. Tegelijk flitst en knettert het. Je binnenste keert zich naar buiten. Ik herinner me Ilja Pfeiffer die het beeld aanreikte van een dokter op een aangespoelde vluchtelingenboot voor de Italiaanse kust. Het kille besef rond mijn hart. Dit is een misdaad tegen de mensheid. Waarom doen wij met zijn allen niets? De conversaties gaan namelijk ook altijd ergens over. Een lang, traag, ouderwets maar heus gesprek. Voor wufte smalltalk wendt men zich beter tot Gert en hoe-heet-die-andere-knaap-op-die-boot? Bart?
Elke genodigde heeft een verhaal. Of twee of drie. Je hoeft het er trouwens niet mee eens te zijn, misschien zelfs beter van niet. Van andere standpunten steek je nog wat op. ‘Lees je ongans’, adviseerde Tommy Wieringa onlangs. Ok, rare zegging wel. En ook: ‘Als je boek helemaal klaar is, je bent tureluurs gezwoegd en helemaal uitgetikt, begin dan van voren af aan. Tik het nog een keer over, om elk woord uit te puren.’ Lijkt mij moeilijker dan op dezelfde dag de Mont Ventoux langs drie zijden op te fietsen. Maar hij weet het natuurlijk best. Hij is de man die meer boeken slijt dan de bakker broodjes.

Deze week verschilde ik graag af en toe van mening met mevrouw Ine Van Wymeersch, Procureur des Konings van Halle-Vilvoorde. Ze zette me aan het denken over levenslang gekoesterde zekerheden. Ze droeg ook argumenten aan. Aan het eind nam ik mijn hoed af en boog ik ootmoedig het hoofd. Zij weet natuurlijk van veel dingen veel meer dan ik. Beroepshalve vertoeft ze veel vaker dan goed kan zijn in de donkerste krochten van het menselijke zijn.
Beklijvende beelden droeg ze aan. Over Huiselijk Geweld (fragment ‘De Twaalf’). Levenslange Internering (fragment ‘9999’, te bekijken op VRT Nu, tip met stip!) Gelukkig bestaat ook het leven van een procureur uit meer dan ellende alleen. Sport (de gouden dames van Peking) en Vrolijkheid (Xavier De Baere, Professionele Afscheidsnemer) verluchtten de boel.
‘Cynisch word ik nooit,’ zei ze aan het eind.
Exact het voornemen dat ik ook zelf lang geleden maakte, toen ik er rijkelijk laat achter kwam dat de wereld niet is geboetseerd met onze kinderdromen. Dus kreeg ik ook het slotakkoord nog wel verteerd. Voor de honderdste aflevering had men aan Stephen Fry gedacht. Hij komt niet, Covid zegt nee.
Ze vragen wel iemand anders, dacht ik.
In bed begon ik alvast een aantal fragmenten te selecteren.

Gelukkig zijn

Die middag kropen de regenbuien vermoeid achter het wolkendek. Tijd voor een verkwikkende powernap. En er dan weer flink tegenaan. Eenzaam bleef de wind buiten spelen. Verveeld woei hij op zijn hardst. Hij blies de bomen kaal. Aangename omstandigheden, vond ik, om een copieuze brunch te verwerken met een fikse wandeling in bronsgroen eikenhout.
Groot noch klein wild op mijn pad. Of het naamwoord zou enigszins spreekwoordelijk moeten verwijzen naar de groep jonge meisjes die me opgewekt en vrolijk zingend tegemoet stapte. Allemaal droegen ze onder hun grijze hemd een onelegant doch zedig kaki rokje. Speels en blinkend van levenslust dansten ze om de plassen heen, hun geestdrift omgekeerd evenredig met hun levensjaren.
De schelle stemmen deden, welja, een belletje rinkelen. Deze melodie hadden wij ook nog gekweeld, destijds, in de dagen dat we zelf net zo onschuldig hosten in de bossen, de billen rood van de kou en geperst in nauwe, haast de testikels afknijpende korte broek.

If you ’re happy and you know it
clap your hands
HIP HOI

Dit vers diende diverse keren herhaald, wellicht om de mindere verstaander te plezieren. Het HIP HOI slingerde er als een juichkreet achteraan. Als tussenspel volgde een subtiel

If you ’re happy and you know it
then you ’re face will really show it
If you ’re happy and you know it
clap your hands
HIP HOI

Zongen wij vroeger niet: and you really want to show it? Zeker herinner ik het me niet en enkel een dwaas vertrouwt zijn geheugen. De overgave waarmee ze van hun geluk kond deden, werkte op mijn gemoed als een winnend doelpunt in de extra speeltijd. Nog altijd kleuren jonge mensen de grijsheid van ons bestaan met een aanstekelijke vreugde en vrolijkheid. Zelfs in dit kille bos waar de bladeren mistroostig afscheid namen van de bomen.
Enthousiast serveerden de meisjes de aanzwellende groep omstaanders diverse suggesties om geluk te uiten. We werden gemaand te klappen in de handen en de aarde met de voeten plat te stampen, op het eigen hoofd te tikken, rondom rond te draaien en af te sluiten met een welgemeend Hello. Zelfs in Covid-tijden niet een gangbare methode om iemand te begroeten. Maar leuk was het zeker. Het bos kleurde vijfhonderd tinten. Mijn hart werd warm en blij.
Een van de meisjes, blonde vlechten, lachte me toe.
‘Kom mijnheer, meedoen,’ riep ze en ze danste een rondje.
Met geestdrift zette ik een stap naar voren. Toen stelde ik me voor dat het schouwspel redelijk gênant zou zijn en de omstaanders allerminst plezieren. Ik weerstond de innerlijke dwang. Glimlachend monsterde ik de andere toeschouwers. Een man en een vrouw op leeftijd keken arm in arm woordeloos toe, de monden verstoken achter een blauw doekje. Een man, een vrouw, een kind haastten zich naar de nabije speeltuin, naast het hertenparkje. Zij hadden tijd noch oog voor de danseuses. Vier jongelui fietsten druk pratend voorbij. Een vrouw in jogging, ver van de topconditie verwijderd, sjokte haar loopschema bij elkaar. Een paartje passeerde met driftige tred. Hun zwijgen schreeuwde ongenoegen.

Achter diepe fronsen op mijn voorhoofd vochten vragen, meningen en filosofische overpeinzingen om voorrang. Waarom werden deze toehoorders niet net zo vrolijk? Waarom vertoonde niemand tekenen van blijdschap? If you ’re happy, begonnen de meisjesstemmen achter me weer. Wat ontberen wij toch om gelukkig te zijn, vroeg ik me af? Beschikken wij dan al niet over alle voorwaarden daartoe, of toch, geef toe, heel veel? Zoveel plekken op de wereld waar men het met minder stellen moet. ‘Mensen op andere continenten,’ zo zeggen wij, ‘zijn arm maar gelukkig.’ Waarom wij dan niet?
Het gezang achter me verstilde. Nog een flauw, and you know it, waaide me achterna. Ik was weer alleen met het geruis van de vallende bladeren. Ook een ontroerend gezang. Misschien is het dat, dacht ik. Geluk moet je herkennen. Inzien dat je het hebt. Het waarderen en omhelzen. Aanvaarden dat dit het wel ongeveer zal zijn. Misschien, zo redeneerde ik, zit in het niet herkennen van je geluk, nog diepere tristesse vervat dan in helemaal niet gelukkig zijn. Het is als zitten op een berg geld en niet in staat zijn het te laten rollen. Misschien is ons geluk zo klein en gewoon geworden, dat we het niet langer opmerken. Stromend warm water. De knop van een lichtschakelaar. Een meisje met vlechtjes dat naar je lacht.

Als een kind in een zedig rokje klapte ik in mijn handen. Stampte de zolen uit mijn schoenen en draaide een keer om mijn as. Bij de bakker kocht ik voor thuis twee koeken met pudding. Voor allebei een.
Hip Hoi.