Blog

Een archeoloog

Het gebeurde deze week drie keer. Ik trek de voordeur achter me dicht en ontdek wat later dat ik op stap ben zonder portefeuille. Zonder identiteitskaart, rijbewijs of cash. Geen erg, ik weet het, een mens kan zonder. Met je telefoon koop je makkelijk tickets voor bus of trein, betaal je in de broodjeszaak en vind je de weg naar huis terug, als je tenminste het adres nog weet. Maar toch, drie keer.
Soms loop ik de trap op en weet ik boven niet meer wat ik er kom zoeken. Dan realiseer ik me vijf minuten later dat ik mijn tanden zou gaan poetsen. In het warenhuis sta ik maar wat voor me uit te staren, het boodschappenlijstje ligt nog ouderwets thuis op de tafel. En u wil echt niet weten hoe vaak de vuilnisbakken niet tijdig buiten staan, of hoe dikwijls ik geen brood heb gekocht voor morgenvroeg.
Dramatisch is dat niet. Het is het alledaagse vergeten dat ons allemaal wel eens overkomt. Het is een ander soort vergeten dan dat van mijn moeder toen ze het vuur liet branden onder de aardappeltjes. Of toen ze voor de derde keer vroeg hoe het nog ging met de kinderen, achter hun namen moest ze nog even gissen.

In mijn schooltijd leerden wij voornamelijk onthouden. Het hoofd als encyclopedie. De zesentwintig grootste rivieren van Europa, zei de meester van het vijfde leerjaar, tegen morgen vanbuiten kennen. Van buiten kennen betekende: het in je hoofd wurmen, dat vond ik altijd raar.
Dat kan de stomste boer, zei onze vader dan. Wie de stomste boer was, wisten we niet, maar hij kon wel veel: uit het hoofd leren, manieren hebben, veters knopen, proper zijn op zijn eigen. Hij kon meer dan wij.
Petsjora, Dvina, Neva, dat was in het oosten, Elbe, Oder, Wezer al dichter bij huis maar toch nog ver weg, Rijn, Maas, Schelde, dat was bij ons. Zo voeren we tot diep in het zuiden en dan weer richting Azië. De volgende dag moesten we dat stromende water duiden op een blinde kaart. Dat is een landkaart met alleen maar lijnen op. Die wetenschap moest toen allemaal in je hoofd. De moderne mens bewaart ze in zijn telefoon.
Men blijft maar herhalen dat het vroeger beter was.

Ik ken ze nog, mijn rivieren, al leidt die kennis nergens toe. Ze munt uit in overbodigheid. Hoogstens kan je er een fles wijn mee winnen bij een quiz. Al wil ik ze vergeten, alle zesentwintig, ze blijven plaats innemen in mijn hoofd.
Je vergeet blijkbaar niet zomaar wat je wil. Het lief dat van je wegging, de dronken ruzie waar je je nog voor schaamt, hoe op school ook jij die jongen pestte, hoe je die keer dat ene meisje kwetste, die herinneringen wil je kwijt maar ze blijven je achtervolgen.

Merkwaardig genoeg zoek ik vandaag naar fragmenten uit het verleden die, vind ik, niet mogen  vergeten worden. Ik woel en graaf, maak slapende honden wakker, schraap roest van wat al jaren rust. Oude portretten krijgen kleur. Ouders, grootouders, overgrootouders, over-overgrootouders blaas ik nieuw leven in. Ik klauter in stambomen en besnuffel archieven, adem, zoals mijn vader in de koolmijn, wolken stof, opwaaiend uit vergeelde bladen die knisperen onder je vingers, perkament bijna, broos en breekbaar. Ik zoek en tast en puzzel, praat met verwanten die ik een halve eeuw niet meer heb ontmoet. Als een mol graaf ik in de ingezakte gangen van onze familiegeschiedenis. Achter elk verhaal schuilt weer een ander, un train peut en cacher un autre.

Ik wil weten: wie deed wat, wanneer, waar en hoe. En waarom. De lijnen op die blinde kaart vragen om een naam. Voor het grote vergeten begint.

PS:
Vannacht bedacht ik een echt briljante slotzin. Helaas, hij is weg.
Stomweg vergeten toch wel, zeker.

Een avondje uit

Dinsdagavond, Brigitte Kaandorp, Koninklijk Circus, Brussel. Eindelijk, de tickets waren al haast vergeeld. Lachen zou het worden. Goed gemutst trok ik de voordeur achter me toe. Bewakingslichten boven garagepoorten floepten aan, wie in onze wijk beweegt, wordt gezien.
De tramrit verliep rumoerig. Het was het uur dat kinderen en pubers uit de scholen worden vrijgelaten. Ze genoten uitbundig, met grote woorden en luide wie-jo’s. Opgewonden verhalen, die is geschorst, en toen zei die van wiskunde, en die heeft gekust met…
Ik deed of ik doof was.

De weg van metro naar stationshal loopt onder de grond. Tegen een muur zat een man, het hoofd gebogen en de  schouders ingezakt. Voor hem een kartonnen bekertje. Nonchalante jongelui in hoody’s, vrouwen op tikkende hakken en gehaaste pendelaars liepen hem voorbij. Ook ik had niet de geringste intentie om hem enige aandacht te vergunnen. The rich may be rich and the poor may be poor, they all beat the shit out of each other, putain.
Een stevige, zwarte jongeman hield halt, pal voor het gezicht van de bedelaar. Hij rommelde wat in zijn binnenzak, gooide enkele munten in het bekertje. De man op de grond wiegde zijn bovenlichaam naar voren, alsof de schenker een sleuteltje op zijn rug had opgewonden. Toen ik kind was, hadden wij een opwindclown die hikkend lachte als je aan het sleuteltje draaide. Of was het een pop die mama riep, ik herinner het me niet meer precies, het geheugen is onbetrouwbaar.
Het gebaar van de jongeman kleefde me aan de plakkerige grond. Ik verschool me achter een pilaar, scharrelde in mijn portefeuille wat kleingeld bij elkaar en dropte dat, enigszins verlegen, in het bekertje. De man begon weer te wiegen. Hij murmelde iets, enkjoe enkjoe, en keek op. Vanuit de hoogte zag ik zijn ogen waterig blinken. Hij leek gelukkig met die ene euro en twintig cent die ik al bij al toch niet nodig had. Al moest ik wel naar het toilet. Ik kromp een beetje in elkaar, probeerde mijn schaamte van me af te schudden en stapte zwijgend verder.

Om de hoek, voorbij de stukgetrapte glazen deur, zat op de trap een vrouw. Nog geen vijftig schatte ik, al had ze ook vijfendertig kunnen zijn. Ze murmelde tegen zichzelf, had haar hele vrouwelijkheid weggemoffeld tussen vijf of zes lagen kleergoed. Misschien woog ze geen zestig kilo, ze had iets van een sumoworstelaar. Ze bazelde aan een stuk, onderbrak haar monoloog enkel om te slurpen van de halve liter Jupiler in haar hand. Een fijn bierstraaltje zocht vanuit haar mondhoek langs een huidplooi een bedding naar haar hals.
Munten had ik niet meer. Kop in de grond, blik strak vooruit, stapte ik haar voorbij, ik had een trein te halen. Haar rechterhand klemde zich om de leuning van de trap, de sumoworstelaar vocht zich wankelend een weg omhoog. Het kostte zichtbaar moeite. Ik schoot niet als een hulpvaardige Samaritaan naar haar toe, droeg immers dure tickets in mijn binnenzak die me een avond vol vrolijkheid en vermaak garandeerden. Dat was die avond mijn bestemming.
Precies toen ik haar passeerde, de afstand tussen ons geen twee meter, hoorde ik een geluid dat in ons huis in principe enkel pruttelt in het kleinste kamertje. Alsof onder haar klerenbundel een binnenband protesterend leegliep. Alsof haar billen applaudisseerden. Of neen, schrap dat beeld voor het u achtervolgt.

In het station stond mijn date me lachend op te wachten. Voorpret. We keuvelden en ginnegapten, zoals altijd blij om bij elkaar te zijn. In het Centraal Station van de hoofdstad probeerden we, zo goed en zo kwaad als dat ging de omgeving niet in ons op te nemen. We liepen als blinden voorbij de oudere mannen aan de schaakborden, deden alsof we de kartonnen lappen en vuile dekens niet zagen liggen, vermoedden lichamen onder dikke jassen. Een bottine, de zool vooraan losgescheurd, lag naast een grote, uitpuilende tas met blauwe ruitjes. Ernaast sliep een mens. Ik stelde vragen, maar niet hardop. Verzon ook geen antwoorden.

We zetten ons in het warme, rode pluche van het Cirque Royal. De cabaretière was in grote conditie. Ze verhaalde over het ongemak van ouder worden, over haar woonwijk, uithuizige kinderen en bejaarde ouders, beschreef hilarisch haar bezoek aan een staatsdiner in aanwezigheid van de koningsparen van haar en ons land. Als een mitraillette vuurde ze grap na grap na grap op ons af. Tranen in de ogen en pijn in de buik. Dubbel van het lachen, die avond.

Op weg naar huis hebben we niemand meer gezien.

Erexit

Birth. School. Work. Death.
Op de tijdlijn van het leven zet ik vandaag een derde vinkje, een gepast ogenblik om achterom te kijken. “Ok, Schrijver, vertel eens, wat heb je gedaan in luik drie van je bestaan? Wat laat je achter?” Dat heb je met Anna. Als het cruciaal wordt is Anna Lyste, hoofd van de redactie Politiek bij De Schrijverij, een rots.
“Jongens, zei ik, heel veel jongens.

Die jongen uit het tweede jaar, lang geleden, aan mijn voordeur: “Mijnheer, het is om te zeggen dat ik die plaat kom brengen van Roxy Music maar ik ben ze vergeten.”
Die rare puber uit mijn beginjaren, die aan een piepjonge juf zijn pietje wilde laten zien. “Het was maar om te lachen, mijnheer.” Humor, een moeilijke discipline. “Bedenk een hashtag om het af te leren,” zei ik hem. Niet dus, maar het had gekund.
Een vraag op de eerste lesdag, in de brugklas: “Hoeveel letters kent ons alfabet?” “Veertig,” antwoordde de jongen. “Schrijf die eens op,” zei ik. Hij kwam tot zestien.
Een glunderende mama op een ouderavond: “Dank u mijnheer, zulke mooie woorden schreef nog nooit iemand op zijn rapport,” of: “Hij gaat graag naar school, nu.”
Het jongetje dat ik naar huis bracht, de houten maquette waar hij een week had aan gewerkt, voorzichtig in zijn twee handen. Hij ging zitten op de grond naast de voordeur. “Ik wacht hier, papa werkt tot zeven uur.” Een geensleutelkind.
Of de knaap die thuis aanbelde na een driedaagse en zijn zus die opendeed: “Hey Achterlijke, wat kom jij hier doen?”
En natuurlijk, na hun afstuderen, de dronken kerels aan de toog: “Weet je nog, mijnheer? PAV is alles en alles is PAV?”
Ja, ik weet dat nog.”

“Met die verhalen moet je misschien iets doen, je hebt er nu de tijd voor,” zei Anna, er zitten mooie tussen.“
Ik antwoordde, een beetje weemoedig:
“Net als van de dode zanger mag je van me zeggen dat ik een dromer ben. Ik ben niet de enige.
Het ideale wilden we, niets minder. Niet voor ons, voor hen. Geboren in de jaren van goud, geloofden wij in de maakbaarheid der dingen. Wij dachten voorbij het leerboek. Een leerling was niet zomaar een leerling. Het was een mens van vlees en bloed, een kind van iemand, al dan niet bemind. Het was niet ons eigen kind, maar het had gekund.” Ze lachte haar fijne lachje, gelukkig.
“Wij oordeelden niet maar reikten onze handen. Ook wie door iedereen was opgegeven, kon wat. Er moest alleen ook iemand in geloven. Plus est en vous, zegden wij, kom. Het badwater kieperden we weg maar het kind wilden we houden. Koppig, soms ook tegen beter weten in. Je kan ze niet allemaal winnen, maar we hebben minstens geprobeerd. Yes, we can en when they go low, we go high.”

Ik raakte helemaal op dreef: “Van miljoenen gesprekken en discussies, over drugs of refterkosten, zin van proefwerken of jaarplannen, over koffiezetten en tafels ruimen in de leraarskamer, mocht ik verslag doen. Mijn amusement. ‘Hij leerde zijn volk lezen’, zei ik, als ik zag hoe gretig die schrijfsels werden verslonden. Proficiat, schreef ik met lichte spot in lettergrootte acht onder een verslag, u leest ook de kleine lettertjes. We lachten wat af in die dagen.
Soms woei de wind ons loeiend tegen, we wilden schuilen noch buigen. We staken het hoofd boven het maaiveld en ontweken de zeisen. Meer groen, vroegen wij, we kregen stenen in de plaats. Taaltips, Gedichtendag, Gelijke Kansen, Zorg, Schoolprojecten, Evaluatiesystemen, onbegrip, hoongelach, weerstand. Aan zelfverklaarde pedagogen in ivoren torens smeekten we, tegen de tijdsgeest in, om mededogen en begrip voor het geknakte kind. We sloopten heilige huizen en stuiterden op ego’s. Nu het voorbij is, snap ik het, we waren onze tijd vooruit, l’histoire se répète.

“Heeft het dan allemaal wel zin gehad,” vroeg Anna. Echte vrienden mogen alle vragen stellen, ook als ze pijn doen.
“Zeker en vast,” knikte ik overtuigd. “Die kleine jongens arriveerden op kleine fietsjes met kleine wieltjes aan de zijkant. Die vezen we er eerst af. Dan gingen we samen op zoek, naar evenwicht en een haalbaar pad. We gaven ze een duwtje en viel er eentje, we raapten hem op: en avant, opnieuw, volgende keer beter, tot het lukt. Van de honderd fietsen er vandaag misschien negenennegentig vlotjes door het leven. Enfin, een beetje zoals wij dan toch.
We hebben, zoals de zegswijs zegt, stenen verlegd waardoor rivieren konden stromen. Voor velen hebben wij echt een verschil gemaakt. Dat hebben we gedaan. Daar mogen we trots op zijn.”

Anna walste de champagne in haar glas.
“Zeg, eerlijk,” zei ze en ze aarzelde even, “tussen ons, heb je dan werkelijk nergens spijt van?”
“Herman Brood, een andere dode zanger, zegt: ‘Spijt is wat de koe schijt,’” zei ik.
“Het is tijd voor deel vier. Proost.”

Minnie

In de garage lag een muis. Haar laatste adem liet ze in de enge opening tussen de blauwe zak voor PMD en de grote doos voor het karton. Niet groter dan tien centimeter was ze, de vacht nog vaal glanzend, grijsbruin. Haar zwarte ogen keken naar me, alsof ze nog wat wilde vragen. Ocharme Minnie, lispelde ik. Dat had ik misschien niet mogen doen. Dat schept een band, een naam geven, betrokkenheid. Voor je het weet ben je Charlie, of raak je gehecht aan baby Pia. Daar komt alleen maar pijn van.

Ik trok een flesje Duvel open en zette me op de halfvolle bak. Ik keek naar het lijkje.
Proost Minnie, zei ik, op jou.
Vanwaar kom jij, muisje, wat bracht je hier? Koos je zelf deze plek, of heeft de dood je overvallen, onverwacht en laf, zoals de dood dat doet?
Het diertje bleef zwijgen. Haar blik kleefde zich aan mij.

Ik nam een slok. Gaf het leven je waar je als klein muisje van droomde, Minnie? Leerde je flink graantjes tellen in de muizenschool? Las je moeder je voor het slapengaan sprookjes, over boosaardige uilen en hermelijnen die je, als je ongehoorzaam was, zouden komen roven uit het nest, vetmesten en aan stukken scheuren?
Ik vroeg me af hoe het eraan toe gaat in de wereld van de veldmuis. Bestaat er een hiërarchie? Zijn sommige soorten machtiger dan andere of zijn veldmuizen adepten van Marx en Engels? Klopt mijn vooroordeel, streven zij in hun leven alleen maar naar eten en seks? Misschien lijken we meer op elkaar dan we willen toegeven, Minnie, glimlachte ik. Was zij zich überhaupt bewust van het bestaan van de mens? Is voor veldmuizen de veldmuis de parel aan de kroon van de schepping? Geloven zij in een Grote Knager? En heeft die voor elke muis dezelfde naam en betekenis?

Hou oud werd je uiteindelijk, Minnie? Anderhalf jaar? Stel, je was geslachtsrijp na drie maanden, wat aan de late kant. Dan had je vijftien maanden de tijd om te jongen. Neem een worp of zes, zeven, met gemiddeld zeven minimuisjes per keer. Dan heb je tussen de veertig en vijftig kindjes op de wereld gezet. Dan heb je niet voor niets geleefd, Minnie, gefeliciteerd.
Ik goot nog een flinke teug naar binnen. Mijn gedachten driftten weg. Stel je voor dat deze berekening klopte. Als elk wijfje zo kweekte, we werden binnen de kortste keren overspoeld door een muizentsunami. Gelukkig zorgt de natuur zelf voor haar evenwicht, bestaan er marters en katten en roofvogels om die populatie binnen de perken te houden.

Waar zijn al je kinderen, Minnie? Maakte je nog afspraken of verdween je als een dief in het duister van de nacht? Reisde je alleen? En je vrienden, je familie? Lieten zij jou in de steek, of omgekeerd?
Wat zocht je in dit huis? Een schuiloord? Dacht je te overwinteren tussen onze restanten, je te goed te doen aan onze ontbijtgranen, je vol te vreten met de zaden en noten die wij in onze kelders bewaren? Had Magere Muizenhein met zijn kleine zeisje je niet een halt toegeroepen, hier en nu, met hoevelen zouden jullie je dan op deze plek hebben genesteld? En wat had dat voor ons betekend?

Ze bleef onbeweeglijk naar me kijken. Ik kieperde het laatste restje van mijn flesje achterover.
Dat was het beeld, aan de ene kant ik, op een bierbak, een leeg Duvelflesje in mijn hand. Aan de andere kant, tussen karton en PMD, Minnie de dode muis, met zwarte ogen die me niet wilden lossen.
Ik nam een plastieken schepje voor in de zomer op het strand. Achteraan in de tuin, onder de eik, groef ik een kuiltje. Voorzichtig, om haar in haar eeuwige slaap niet te storen, legde ik Minnie, in een versleten doekje, in haar graf. Ik schoof er de aarde over.
Zo lig je tenminste warm, zei ik.

Weer in huis zette ik de radio aan.
De nieuwslezer berichtte over een ongeluk. Een rubberen bootje kapseisde, wierp zestien mensen, in zelfontworpen zwemvest, in de ijskoude Noordzee. Met man en muis vergaan, zei hij.
Namen noemde hij niet.

Die jongen

Jaar 2

In de kelder vond ik nog een foto, zie bijlage, had hij gemaild. Hij woont tegenwoordig in Afrika, maar ooit volgden we samen een opleiding. We leerden voor leraar. We filosofeerden samen, studeerden, fantaseerden. Kaarten deden we ook. Een keer overspeelde ik mijn hand, een driedubbele miserie op tafel. Die bluf kostte me een kleine driehonderd Belgische Frank, mijn weekgeld.

Op de foto een docent en negentien studenten, jonge blanke mannen. De meesten dragen een trui over een hemd met puntige kraag en een broek met breed uitwaaierende pijpen. Mijn blik blijft hangen bij de jongen met de lange, goudkleurige haren op de tweede rij. Hij kijkt terug. Hij lacht. Wij kennen elkaar. Ik ben hem geweest.

“Waarom wapent gij u met een glimlach,“ vroeg een paar jaar eerder de directeur van het middelbaar. “Dit schrijven de leerkrachten over jou op je rapport. Arrogant. Kinderachtig. Moet altijd het laatste woord. Weerbarstig. Betweter. Een storend element. Toont geen respect. En ook: maakt deugden van zijn gebreken.“
Ik ben die arme schoolfrikken van toen nog altijd dankbaar. Het is goed je al jong bewust te zijn van je kwaliteiten.
“De lach is het wapen van de clown,” zei mijn klassenleraar.

“Waarom die lach, clown?” vraag ik mijn scherm.
Niet omdat je per se daar wilde zijn. Leraar worden zag je niet als hoogste streven in het leven. Maar je wieg stond niet in een wereld waar men dromen en fantasieën najoeg. De centen werden er verdiend in het zweet des aanschijns. Men beet er in, ze werden omgedraaid. Dat beperkte drastisch de opties wereldreizen en universitaire loopbaan.
Je was een dagplukker. Zelf zou je je wellicht een Carpe Diemist hebben genoemd. Je gebruikte graag moeilijke woorden, wilde je bewijzen, een woordhaan. Dan zei je op café: “Als je dat epibreert komt het vanzelf wel goed.” Om je het zwijgen op te leggen, trakteerde men je nog een pint. Wat kon het je ook schelen? Ontelbare dagen lagen nog voor je uitgespreid, het leven was een wazig web waar je doorheen moest, over hoe dat zou gaan had je weinig of niets te zeggen. Je zou wel zien.

Je leerde over ingewikkelde dingen. Boomdiagram en dieptestructuur van een zin. Taxonomie van Bloom. Didactiek, pedagogiek. Je volgde onderricht bij een wijze pater, viel van je stoel en je geloof. De stoel klom je weer op. Je leerde er lessen uitschrijven, van het eerste gesproken woord tot het laatste. Een oefening in dialogen maken. Ruimte voor improvisatie liet men niet.
Je leerde er niets over de lerarenkamer. Over ongeschreven wetten die je stilzwijgend diende te onderschrijven. Over lobbyen voor lessenroosters en opdrachten. Niets over de olifanten in die kamer en hoe je moest doen alsof je die niet zag.
Je leerde over de aanpak van de moeilijke leerling. “Fixeren. Blijven aankijken. Wordt hij niet rustig, strenger fixeren. Volhouden, op de duur kalmeert hij vanzelf wel.” Toen je dat later in praktijk omzette, vroeg de leerling: “Heb ik iets van u aan, misschien?”
Pedagogen, van nature wereldvreemd, waarschuwden: “Vermijd de beroepsschool. Die leerlingen daar zijn onhandelbaar, halve wilden, die eten je op.” Men had het hier over je vrienden op hun zelf gebricoleerde Zundapp. Over je broers die liften installeerden, rekken vulden of haren bij elkaar vaagden in dameskapsalons.
Je besefte het niet, maar je leerde er meer dan je wel dacht. Je leerde welke leraar je niet wilde worden. Jij zou geen doorgeefluik zijn van boomdiagrammen en dieptestructuren of moeilijke woorden als taxonomie. Dat kon iedereen wel.

Jij was anders. Jij had idealen. Jij zou gaan voor de bricoleerders van de Zundapp, de liftenbouwers, de harenvegers. Jij wist waar ze woonden, hoe ze dachten, hoe het voelde om onhandelbare wilde te worden genoemd. Jij sprak hun taal. Je zou de boswachter worden die eens stroper was.
Je zou het in de loop van je leven wel duizend keer herhalen:
“Het is allemaal een kwestie van graag zien.”

Rusalka

In den beginne was er niets.
Er was de oudejaarsnacht en wij. Wij zopen ons er doorheen. We wensten elkaar seks, drugs en rock and roll, in bulk, en hosten vervolgens van kroeg naar festijn in Harmonie of Stadsfeestzaal alwaar Raymond, Arno of Katastroof musiceerden ter vermaak.
Opeenvolgende jaarovergangen, langzaam ouder maar nog steeds beneveld, gunden we elkaar een goed lief of een vaste baan. Of allebei. En dat we ze nog lang mochten mogen.
Op een koude nieuwjaarsdag hoorde je jezelf: “Een goede gezondheid, dat is tenslotte toch het belangrijkste.” Je stopte ook wat eerder al met slempen, want morgen was er weer een dag.

Het wordt minder, dacht je. Je was niet meer jong en uitbundig, zorgeloos en vol van wilde sprongen. Het beste had je al gehad. Prijs je gelukkig met een kwaaltje hier, een mankementje daar, en wacht. Op een dag vallen jij en je schaduw samen en maakt de tijd er een einde aan.
Dat zag je verkeerd. Aan de einder brandt de mooiste zon, licht versluierd en roodgloeiend, pootjebadend in de zee. De zon heeft geen pootjes, ik weet het, het is een beeld. Het zegt: het is andersom, het wordt alsmaar beter.

Deze oudejaarsavond vond je ons in De Koninklijke Vlaamse Opera. Het plein ervoor fonkelnieuw, met een opvallend gebrek aan groen. Een statement van het stadsbestuur, al te vrolijk moet het niet worden in deze zelfverklaarde Metropool.
Al bij de entree proef je de belegen grandeur, honderd jaar oud misschien. Brede gangen, hoge zuilen. Mannen in driedelige pakken. Vrouwen in lange gewaden, hangers aan gouden kettingen tussen borsten die ook ‘s winters troost en warmte bieden. Armbanden rinkelen om elegante polsen, nagels glanzen fel gelakt, bruin, paars, dieprood. Hakken klepperen niet, ze tikken de tegels, van vestiaire naar toilet naar zaal. Je inhaleert esthetiek.

Zelf droeg ik mijn duurste en witste hemd van Desigual onder een buik maskerende, roestbruine trui van Emporio Armani. Mijn skinny jeans, licht gebleekt, uit het Broekenpaleis maar dat kon je er niet aan zien, viel naadloos op de glimmende, lichtbruine schoenen, Gucci, uiteraard. De kin spiegelglad, een zweem Jungle Man, wat nog rest van mijn wilde haren – in een ver verleden volgens mijn haarstyliste wasted on a man, casual in de war, stijlvol, grijswit. We misten nog een koningin of toch minstens een minister-president.

Op de scène een imposant decor. Houten waterdruppels, vijf meter hoog. Water van hout bestaat niet, ik weet het, het is een beeld. Ze draaiden op ronde schijven die de ene keer een kabbelend meer suggereerden, dan weer vasteland of storm. Het licht acteerde mee, maakte wind, woei woeste golven .
Bombast, zeker. Kosten noch moeite waren gespaard opdat de Verbeelding zou krijgen wat ze verdient en Schoonheid het respect dat haar toekomt.
Rusalka, een sprookje. Met een wanhopige waternimf, een prins, een watergeest, een heks. Met liefde, wanhoop, valse beloften, intrige en dood. Zangers stalen onze asem, verdubbelden of verveelvoudigden hem en lieten ermee donder rollen over het uitverkochte theater, of harten smelten. Dansers, buigzaam en plooibaar, met meer beweeglijkheid en souplesse dan stengels wuivend riet aan de oever van het wassende water. Ik lachte bij ’t zien van dees Schoonheid. Dat is uit een ander stuk, ik weet het, maar het zegt wat ik bedoel.

Uren verstreken maar dat merkte je niet.
Het werd middernacht. We knuffelden, omhelsden en kusten elkaar, bedwelmd nog, vervuld van een zeldzaam warme gloed. We waren geïnjecteerd.
Twee dagen later werkte die prik nog altijd door, toen ik, gelegen voor Pampus, overlopend van sentiment meeleefde met Bregje Hofstede en haar schrijnende pijn in Drift. Schrijft zij, pagina 285: “Ik moet steeds dromen inslikken, ik ben er misselijk van.
Dat heb je verdomd mooi gezegd, dacht ik, en liet bezinken. Ik had jaloers kunnen worden maar besloot haar woorden te proeven, liet ze smelten in mijn gemoed, als een praline op de tong. En ik wist het zeker: 2020 wordt het jaar van de Schoonheid.
Ik wenste het mij en ik wenste het u.

Inmiddels.
Een zoon komt niet thuis. De minister-president verspreidt geruchten. Een staatshoofd bestelt een moord, vliegtuigen vallen uit de lucht. Bossen branden, mensen en dieren vluchten of verkolen.
Ook dat is het leven. Het ligt niet in mijn handen.
Wat kan ik doen?
Dit.
Schone Dingen die ik zie, zal ik plukken uit de lucht. Ze koesteren en met liefde bewaren, in frêle doosjes, aan de binnenkant met witte wattenbollen bekleed.
Soms, in tijden van troost, maken we ze open en kijken we ernaar.
U en ik. Samen.

De Laatste Week

Het zou niet mogen zijn.
De mens richtte zich nooit eerder zo erg op zichzelf als vandaag, zegt men. Individualisme viert hoogtij, het is alles ik, ik en ik. Nochtans, ik herinner me hoe mijn moeder onze immer afwezige vader typeerde, toen we nog met een kroontjespen peuterden in een inktpot: “Zijn naam is Alexander, alles voor mij en niks voor een ander.” Ook die milde aanleg voor poëzie zit ons in de genen.

Eenenvijftig weken per jaar verfoeit men het pamperen en verwennen. Je moet hard zijn, weerbaar. Wie ziek is, de rekening niet betaald krijgt of op een onhandige plek geboren wordt, eigen schuld! Dop zelf uw boontjes, solidariteit is zo hard vorige eeuw, nu dient de broeksriem aangesnoerd. Sparen is het marsorder. Allemaal op weg naar niets.
De overheid snoeit in subsidies en preventieprojecten. Voor later, wordt gezegd. Mensen vergeten gauw, maar sparen voor later deden we ook al toen mijn vader Alexander heette en mijn moeder nog helder genoeg was om daarover versjes te rijmelen. Wilfried Martens zag ooit licht aan het einde van de tunnel. Wilfried wie? Inderdaad.

In de op een na laatste week voor nieuwjaar bloedt in het ganse land het hart. In de Dorpsstraat bierpongen mensen van goede wil tot ze erbij neervallen. Ze struinen rond met de rostjespot, boetseren bruisballen voor uw bad. Wie zijn deze Franken en Simonnekes? Wat drijft ze? Eten zij vlees of zijn ze vegan? Lezen ze bijbel, koran of HLN? Doen ze bovengemiddeld aan de liefde? Hebben ze een job? Spijbelen ze voor het klimaat? Rijden ze met auto of bakfiets? Beschouwen zij illegaal en crimineel als synoniemen? Dragen ze roze sokken? Trollen ze op Twitter? Zijn ze boomer, millenial of gen Z?
Wie maalt erom? Ze delen gezamenlijk een leed en de behoefte dat te stelpen. Hun bekommernis is oprecht. Geen druppel bloed in mij, geen vezel, geen porie, geen ader of geen cel, twijfelt aan de rechtschapenheid van iedere ik die zich tijd en moeite getroost om een andere ik, ergens, wat warmte te schenken. Helden! Hulde!

En toch. Het zou niet mogen zijn.
Music For Life, geboortejaar 2006, mobiliseerde vanuit het Glazen Huis rond universele thema’s: slachtoffers van landmijnen, drinkbaar water, diarree, weeskinderen en asielslachtoffers. Hoorde je in die pretwittertijd op café: “Mooi, maar ze zouden beter iets voor onze eigen mensen doen.” Wie dat waren, wist men ook toen niet te vertellen.
Aldus geschiedde. Zes jaar later, we vergeten snel in dit land, draaide men nog plaatjes om dementie in de spot te plaatsen. Daarna kon elke burger, elke actiegroep een Goed Doel aandragen. Die kwamen in groten getale. Er valt veel te verhelpen in dit onooglijke paradijs aan de Noordzee.

Wederom, het zou niet mogen zijn.
Dichtte niet ons aller Stijn Meuris: “De mensenzee klotst voort in een radeloze deining”? Zo is het maar net. Niets verandert.
De schreeuw om hulp is als een gloeiende plaat. Elk jaar weer druppen Gutmenschen daar een emmertje koelwater op. Kss, kss, kss, sist de plaat. De laatste dag, in Grande Finale, slepen bedrijfsleider, minister-president en premier brandweerslangen aan, getooid met logo, leeuw of tricolore lint. Zij sproeien uitbundig de plaat. Spektakel, opgewonden ooohs en aaahs uit het publiek. De plaat kkssssstttt, spuwt een reusachtige stoomwolk naar de hemel. Engelen jubelen, het is kerst.  Ontroering, gejuich, tranen. Eindbalans: haast twintig miljoen.
De hitte lijkt gedoofd, het leed geleden. Trots! Dit hebben we gedaan, dit voelt goed. Nog gauw een appeljenever of glühwein en we schrijden, tevreden met onszelf, goedgemutst ter kalkoene. Achter de rug helaas, verdampt de stoom, warmt de plaat weer op, eenenvijftig weken lang, je zal er maar beter met je handen afblijven.

Het zou niet mogen zijn.
Goed bestuur maakt Warmste Weken overbodig.
Wij schonken onze overheid instrumenten om dit lijden te verzachten. Wij legden de macht in haar handen, betaalden daar onder gemurmeld gemor onze bijdragen voor, fors, het moge gezegd, elk jaar weer.
Veel vragen wij niet. Een beleid, genereus, waar de nood van iedereen, in de eerste plaats de kansarme, gelenigd wordt. Wij vragen niet de rijke rijker, wij vragen de arme minder arm.
De overheid verkiest om die instrumenten niet te gebruiken. Zij laat het aan u en mij.

Dat zou niet mogen zijn.
Dat zouden wij niet mogen toestaan.
Zou een heel klein beetje oorlog soms niet beter kunnen zijn?
Dat wij blijven hameren op die nagel, dat zou mijn aanbeveling zijn voor een nog beter leven in 2020.

Voor eenieder van u: een heel gelukkig nieuw jaar.