Blog

U kijkt toch ook?

          Ik dacht deze keer maar niet te kijken.
          Ik had al veel te veel gezien.

          Ik zag twee heren broodjes smeren.
          De ene had voor de andere uit een kartonnen doos een oorkonde geknipt en deed alsof dat een Nobelprijs was. Een grapje, dacht ik toen, te onnozel en infantiel zelfs om mee te lachen en redelijk onschuldig bovendien. Soms gaan mensen dwaas doen op hun oude dag, de jaren nemen toe en het verstand neemt af.

          Toen zag ik het land waar alles gaat gebeuren, ooit toch onze baken in de duisternis, dingen doen waarvoor een derderangs bananenrepubliek zich schaamt.
          Men ging er mensen uit hun huizen jagen ook al woonden die daar al jaren en liepen hun kinderen er school. Wie daarbij in opstand kwam, werd ongenadig neergeslagen. Hier en daar verdwaalde ook een kogel.
          Ik dacht: wat is er aan de hand in dat eens zo machtig land?

          Bij de buren plukte men de leider van zijn troon, een bevriende marionet mocht in zijn plaats. Sindsdien werd van de man niets meer vernomen. Ik dacht dat we die dingen niet meer deden. Dat we die tijd waren gepasseerd. Nu lees ik dat men plant in Cuba idem dito te gaan doen. Men fluistert ook dat Canada op de planning staat, Groenland nog dient ingelijfd en Albanië geëxploiteerd. Alsof het Oostblok Westblok is geworden.
          Intussen worden zomaar bootjes opgeblazen, de matrozen zonder vorm van proces aan de vissen geserveerd. Voor de gezondheid van de eigen jeugd, moeten wij geloven. Alles voor het goede doel. Ik dacht: wat we zelf dealen, dealen we beter.
          Ik zag hoe alsmaar driester ook de pers werd opgejaagd, de journalist verguisd, de mond gesnoerd, uit zijn ambt ontslagen. Ik dacht: is dit de vrije wereld nog?
          Toen trok het land, toch van de dapperen en de vrijen, ook nog een keer ten strijde, zomaar uit het niets.
          Ik dacht, hier is de grens bereikt. Iets moet ik doen.

          Toen schoot ook door mijn hoofd: dienen niet sport en politiek apart te blijven, net als bij dat liedjesfeest in mei? Tenslotte, sport, dat is maar spel en Spelen die gaan altijd door. Dat deden ze ook in München, Rusland en Qatar, in Argentinië en Berlijn destijds. Sport haalt uit de mens het beste, verenigt en verzoent, verzustert en verbroedert, brengt volkeren der aarde dichter bij elkaar.
          Dus ik dacht: geef ons ons brood en onze spelen en laat ons verder gewoon maar doen.

          Maar de dichter zei het al: te zien of niet te zien, dat is toch de vraag. Ik zag hoe ook het spel vervelde. De prijzen van de tickets gingen stijgen ver boven de beurs van de gewone man. Daar valt naar verluidt bitter weinig aan te doen. Alles van waarde schiet de hoogte in, met het verstrijken van de jaren zakken enkel nog borsten en buiken. Voor wie het niet betalen kan, heeft god de televisie uitgevonden.
          Ik zag hoe nu ook de helft van de wedstrijd nog in tweeën wordt gebroken. Pauze om te drinken, zogezegd. Drie minuten extra voor de promotie van Pizza Margheritachips en bier. De sporter is een sandwichman, de voetballer te koop. Maar zoals de slager zei: soms wordt trop toch echt te veel.
          Een scheids uit een ander land, alom gelauwerd en geprezen, mocht plots het land niet in. Op de verkeerde plek geboren. Ik dacht: het is voor een kameel nog makkelijker door het oog van een naald het rijk der hemelen te bereiken dan voor een Somaliër de Staten binnen te geraken.
          Fans worden geweigerd omdat ze zijn geboren waar ze geboren zijn, sommige  deelnemers moeten meteen na afloop van de show het land weer uit.
          En ik dacht: nu heb ik genoeg gezien. Misschien doe ik beter niet meer mee. Mijn druppel in een wereldwijde emmer van protest.

          Die avond ging ik voor de spiegel staan.
          Ik dacht: wij hier in dit Avondland, wij hebben fouten gemaakt en daaruit geleerd. Uit ons lijden ontstonden normen, waarden, ethiek en rechten voor elk mens. Ik ben een mens met een geweten.
          Toen wist ik zeker: Nee! Nee. Nee. Nee. Ik doe niet mee.

          Maar morgen speelt Brazilië en ook Duitsland komt aan bod. Dan is het ook nog Nederland tegen Japan.
          U kijkt toch ook?

De Kleine Prins

          ‘Ik word vader,’ zegt mijn zoon.
          Hij legt een hand op de platte buik van het meisje naast hem. Een meisje is zij natuurlijk alleen maar in mijn ogen, in de wereld is zij een vrouw, de vrouw van zijn leven, al jaar en dag. Samen stralen ze zo fel dat je vanuit de ruimte de hele wijk verlicht kan zien.
          ‘Dat wil zeggen: jij wordt opa,’ voegt hij eraan toe. Vanaf nu ben ik voor hen en het kind dat gaat geboren worden die oude man met stoppelbaard en haargroei in zijn oren, waartegen je luider moet gaan praten, met twee woorden spreken en alles geduldig drie keer moet herhalen.

          Mijn bloed gaat sneller stromen. Ik word warm en koud vanbinnen en ergens in mij wordt een vuurwerk afgeschoten, caleidoscopische boeketten in duizend kleuren. Wanneer de mist vervaagt, staan mijn ogen glazig. Deze reactie had ik niet verwacht. Ik heb dat nooit gehad, grootvadersverlangen. En ook zij allebei hoefden niet zo nodig kinderen. Ze waren zonder ook al heel gelukkig met elkaar. Misschien is dat, flitst door mijn hoofd, nog wel het mooiste. Dat het niet van moeten is. Niet een kind om hun geluk compleet te maken maar gewoon een kind dat komt, een vrucht aan hun boom van liefde. Excuus hiervoor, het is waarheid wat ze zeggen, een man wordt melig op zijn oude dag.
          We omhelzen, knuffelen, zeggen proficiat mama, papa, opa, omhelzen en knuffelen een tweede keer. Kleine dingen zijn vaak te groot voor woorden.

          We fantaseren hoe het kind hun levens gaat veranderen.
          ‘Jij weet toch wel dat jij ermee op stap zal moeten?’ legt mijn zoon me nu al taken op. ‘De Zoo, Planckendael, het Speelgoedmuseum en Bokrijk?’ Meligheid kent zelfs op mijn leeftijd grenzen, dus ik zeg:
          ‘Wie gaat hem leren roken, denk je?’ (Vanuit mijn oude mannenblik lijk ik er zomaar vanuit te gaan dat dit kind een jongen wordt al maakt dat mij geen jota uit, tien vingertjes, tien teentjes en deze opa is content.)
          ‘Wie leert dat kind een Duvel uit te schenken? Wie neemt hem mee op kroegentocht? Wie zal achter de rug van zijn ouders om zijn strafwerk ondertekenen? Vieze woorden leren? Vriendinnetjes versieren?’ Veel notie van het grootouderschap heb ik niet, wel hoor ik al jaren dat een opa zijn kleinkind dingen kan laten doen die hij als ouder zijn eigen kinderen moest verbieden.

          We lachen en zijn gelukkig en drinken koffie en eten taart.
          Ik onderdruk de donkere zuchten in de spelonken van mijn geest. Even niet de opwarming van de aarde. Geen oorlog, ook niet een heel klein beetje, zelfs al zou dat beter kunnen zijn. Geen geweld. Even niets moeten, niet presteren, niet werken tot je doodvalt. Geen staatsschuld, ongelijkheid of hebzuchtige potentaten. Eventjes geen grote boze wereld nu.
          Twee, drie seconden klein geluk.

          Opgewekt en trots doen ze hun toekomstplannen uit de doeken. Het bureau wordt kinderkamer, blauw of roze, voor mij een vraag, voor hen een weet. Dit en dat moet nog gekocht, dadelijk even voorproeven in Ikea. Blij en vrolijk ratelen ze door. In mijn hoofd helaas is alles niet eenvoudig. In mijn hoofd buitelen gedachten als pasgeboren puppy’s over elkaar heen.
          Toen deze aanstaande vader en moeder werden geboren, stonden in Koeweit de olievelden in lichterlaaie. Was in Berlijn net de muur gesloopt en wist niemand wat er verder zou gebeuren. Viel Joegoslavië als een porseleinen vaas in scherven uit elkaar. Hier en daar verdween toen zomaar een kind.
          Ikzelf groeide op in jaren van dreiging en terreur: de oorlog in Vietnam, hongersnood in Bangladesh, München ’72, PLO, RAF, Rode Brigades. Weerloos en verdoofd dansten we op Doe Maar en de bom die zou gaan vallen. En ook de jaren ver daarvoor, mijn eigen ouders puberden onder Duitse bezetting. Ga maar door, ga maar door. Mijn oma overleefde twee wereldbranden.
          De wereld, zo bedenk ik terwijl ik glimlachend voorwend dat ik luister, was altijd al een brandhaard en een tranendal. Toch draait hij onverdroten door. En ook de mens, hij ploegt en ploetert en hij kweekt. Hoeveel kindjes zouden er gemaakt zijn in New York, toen die elfde september? En zelfs nog vandaag, in Gaza, Libanon, Sudan?

          ‘Hoe moet ons kind je noemen?’ onderbreekt mijn zoon mijn wandeling in Somberland. Samen overlopen we wat opties: bompa, bompi, opa, opaps, opoe, opi, pépé, vake, vava. Het ene klinkt me nog meliger dan het andere.
          ‘Er is nog tijd,’ besluiten we.
          Op weg naar huis een beeld:
          ‘Kom vriend,’ zeg ik, ‘trek je jasje aan. We gaan op stap, jij en ik, samen de wijde wereld in,’ waarop die Kleine Prins, te mondig al voor zijn leeftijd:
          ‘Ik kom eraan vriend. Vergeet jij niet je sjaaltje om te doen?’
          En dan dat kleine handje in de mijne.

Over mijn lijk

          De enige manier om alsnog een universitaire loopbaan uit te bouwen, is mijn lichaam schenken aan de wetenschap. Na mijn overlijden weliswaar, zolang ik leef mag ik er gewoon mijn zin mee blijven doen.

          ‘Iets bereiken aan een prestigieuze hogeschool was altijd al een droom,’ legde ik mijn kinderen uit. ‘Maar jullie weten hoe het gaat. Tussen droom en daad staan vaders in de weg en geldelijke ongemakken.’ Daar wisten zij allebei alles van.
          ‘Maar heeft het ook enig nut?’ vroegen ze door. Je kinderen opvoeden tot weerbare en kritische burgers, op een dag keert dat als een boemerang terug in je gezicht.
          ‘Ik heb het opgezocht,’ antwoordde ik, ‘studenten Geneeskunde kunnen dan op je oefenen.’
          ‘Bweikes,’ zei mijn dochter. Meteen haar officiële standpunt waarvan ze geen duimbreed meer zou wijken.
          ‘Cool,’ vond mijn zoon, net als zijn vader een man van weinig woorden.
    Toen bleek dat het afstaan van mijn stoffelijke resten kosten noch overlast met zich mee zou brengen, verloren ze hun interesse. Jouw lichaam, jouw keuze, vonden ze allebei. En ze gingen vrolijk verder met dingen doen waar een vader niks mee te maken heeft en overigens toch niet begrijpt.

          Terstond stuurde ik de nodige documenten door. Denken aan het einde van mijn leven bleek toch ingrijpender dan verwacht. Die avond lag ik nog lang wakker.
          Wat zouden die studenten uit mijn overschot nog kunnen leren?
          Kunnen ze tegenwoordig in longen lezen dat je op je zevende je eerste nicotine inhaleerde? Verklapt je lever dat je op de dag van je eerste communie ook je eerste witte wijntje dronk? Brood en wijn gingen toen nog hand in hand. Kaas kwam daar pas bij na het tweede Vaticaans Concilie toen de kerk de teugels ietwat losser liet. Ziet men aan de littekens op je hart hoe vaak het werd gebroken? Ze kunnen toch niet aan je levenloos orgaantje zien hoe vaak …?
          Ik moet zijn ingedommeld.
          Plots zit ik in een soort circus, met een ronde scène in het midden en tientallen rode zeteltjes eromheen. Schemerlicht. Witte lelies links en rechts. De geur van wierook en mirre. Enigszins sinister maar toch ook gezellig. En in het midden van de cirkel onder een gele sport een sectietafel met daarop onder een wit laken het lichaam dat een leven lang het mijne was geweest.
          Het publiek bestaat uit jonge mensen. Studenten zijn het, eerstejaars. Ze weten nog niet goed wat te verwachten. Aarzelend, afwachtend, ieder in zichzelf gekeerd. Ik ben hun eerste dode, het lijk dat ze hun leven lang zullen herinneren. De spanning is te snijden. Een zenuwpees probeert een flauwe grap maar die valt dood op koude steen.

          Komt een prof het circus in.
          Het zou een mopje kunnen zijn maar dat is het niet. Met forse tred stapt hij op het laken toe. Alle ogen zijn op hem gericht, daar geniet hij van, elk academiejaar opnieuw. Dit is zijn moment, hij is de kern van de dingen, jou is hij nog voor het aperitief vanavond alweer vergeten.
          Hij fantaseert over wat er dadelijk te gebeuren staat. Wellicht valt zoals elk jaar ergens op de tweede rij wel weer iemand flauw. De verkeerde studiekeuze, je ziet het altijd weer gebeuren. Iemand wil per se leren koken maar heeft een peperallergie. Iemand gaat voor tandarts maar kan niet tegen slechte adem. Iemand wil snookerspeler worden maar is kleurenblind. En in zijn eerste les vivisectie valt er dus altijd minstens eentje om.

          Met één forse ruk aan het witte laken legt hij mijn lichaam bloot. Hier en daar wat sporen van vergankelijkheid maar al bij al nog goed geconserveerd. Monden vallen open. Hier een gilletje, daar een kreet. Kreunen, zuchten en onrustig geschuifel.
          De professor, stokstijf van ervaring, geeft geen krimp. Hij heeft alles eerder al weleens gezien.
          ‘Heren. Dames,’ galmt zijn stem door de ademloze ruimte, ‘uw eerste indruk? Wat gaat er door u heen bij het zien van deze mens in al zijn naakte glorie?’ Niets dan stilte is het antwoord. De jongens geloven hun ogen niet. De meisjes, doorgaans nochtans niet gauw verlegen om een woord, buigen bedeesd het hoofd. Neergeslagen ogen, een beetje verlegen gegniffel links, zacht geroezemoes rechts.
          ‘Kom op,’ moedigt de professor aan, ‘we hebben niet de hele dag.’
          ‘Hij wel, probeert opnieuw de flauwe grappenmaker. Ook deze grap sterft meteen een stille dood.
          ‘Professor, durft ten langen leste een stroblond meisje al doet haar haarkleur er niet toe. Een uitstekende studente is zij, gemotiveerd en slim. De professor weet al van de eerste les dat zij een Grote Onderscheiding wordt. Uitdagend kijkt hij haar in de ogen. Zij aarzelt, stelt dan de vraag waar iedereen in het circus graag het antwoord op wil weten:
          ‘Professor, waarom lijkt deze mijnheer zo blij?’

Help de man

          Het zijn harde tijden voor een man.
          Toch voor een man als ik. Er is niet alleen die stomme manosfeer, er is ook die plotse omslag naar het warme weer.

          Toen ik kind was, waren mannen zwijgers. Granieten blokken. Noeste werkers, harde bast, steevast in zichzelf verzonken. Een man deed waar hij zin in had, was vrouw noch kind uitleg verschuldigd.
          Wij, de boomers van vandaag, waren anders. Onze idolen waren Marc Bolan, David Bowie, Lou Reed. Androgyne wezens. Half man, half vrouw, zo leek het wel. Zwaar onder de make-up, gestifte lippen, soms in een jurk optredend, soms in een pak.
          Nieuwe mannen werden wij. Mannen met een zachte kant. Mannen met gevoelens. Wij durfden huilen in het openbaar. Mij was dat op het lijf geschreven. Naar verluidt had ik de baarmoeder nog maar half verlaten en krijste ik de vroedvrouw al de kamer uit. Gillend, schreeuwend, als een waterval kwam ik in dit tranendal. ‘Alsof je negen maanden lang naar je Grote Bleirmoment had toegeleefd,’ vatte mijn vader het later samen.

          Mijn vader noemde ons de softe generatie.
          Hij kon maar niet begrijpen waarom en hoe wij liggend tussen een hoop kussens op de grond, in een wolk van rode Libanon en patchoeli, gegidst door een baardig figuur in Indisch gewaad, onze diepste ikken deelden met elkaar. Ook dat beviel mij overigens wonderwel. Bomen over wat mij bezighoudt, ik geef het op een briefje, geef mij een Duvel of twee, drie en als een stripper op een verjaardagsfeest kleedt mijn ziel zich voor je uit. Ongeremd en zonder schaamte, naakt tot op het vel. Hoe meer Duvel, hoe meer bloot, dat is mijn devies.

          Wij ontwikkelden onze vrouwelijke kant.
          Die heeft elke man, wat de manosfeer daar ook over zegt. Zo heeft ook elke vrouw wel wat mannelijks in zich. Waarom peilt men in zo’n enquête niet of een vrouw haar man mag slaan? Of gebeurt dat nooit? Daar hoor je de filosoof niet over.  
          Verwijfd, noemde mijn vader ons. Mannen van de verkeerde kant. Wij brushten onze haren die we tot op de schouders lieten groeien. We trokken op zaterdag weleens een potloodlijntje rond de ogen. Er werd weleens een sieraad omgehangen, links of rechts een oorbel ingeschoten. We liepen op schoenen met hoge hakken. Net meisjes, vond mijn vader.
          We stapten niet langer zomaar meer in broek en trui. We lieten de vrouwen in onze levens onze kleren kiezen. Eerst volgden we nog braaf het belegen vestimentair advies van onze moeders, later leerden we luisteren naar het lief van de dag, de week, de maand. Elk nieuw lief wist welk shirt het beste paste bij je blauwe ogen, welk hemd het mooist samenviel met je nieuwe schoenen. Vreemd genoeg kwamen ze allemaal bij een andere outfit uit. Daarover leerden wij te zwijgen. Het ging er per slot aan het einde van de avond niet om welke kleren je had aangetrokken maar om welke je had uitgedaan.

          Steeds meer gingen wij, nieuwe mannen, ons als vrouw gedragen. Wij hadden maandelijks onze dipjes, riepen voortdurend o my god, raakten steeds weer onze sleutels kwijt en gingen alsmaar vaker voor de spiegel staan. We knepen puistjes uit, maskeerden pukkels weg, deden rare dingen met ons haar. Schat, durfden wij weleens te vragen, vind jij mijn gat niet te dik in deze short?

          Natuurlijk stelden we ook grenzen aan die vrouwelijkheid. Een deel van ons blijft altijd man. Bij mij zie je het aan mijn kruin. Ik zou een monnik kunnen zijn. Maar zie je mij al lopen in een kleed? Ik dacht het niet.
          Dus ik heb me ook niet voorbereid op dit warme weer. Ik kocht geen tienbeurtenkaart voor de zonnebank. Liet ook mijn zwembroeklijn niet waxen. Schoor het haar niet van mijn benen.
          Hier sta ik dan, voor mijn kast met kleren. Schabben vol en niets om aan te doen. Vroeger had ik nog gezegd: een T-shirt, een short, sandalen, papa gaat op stap. Dat kan natuurlijk vandaag niet meer. Mijn kuiten zijn nog winters wit, hebben nog geen spatje zon gezien. Twee preistengels onder een afgeritste parabroek, dat is toch geen gezicht? Sandalen, draagt iemand dat nog? Witte sokken, mogen die nu weer wel of nog altijd niet? Ik weet het niet. Ik zou van wanhoop kunnen huilen.
          Dat ze daar maar eens een programma over maken op de televisie, over hoe je je als man moet kleden in de zomer. Daar zouden we heel wat beter mee geholpen zijn.

Die Deutsche Bahn

          Zo werd het ons met de kinderpap ingelepeld: Hollanders waren gierig, Fransen nonchalant, Engelsen dronken te veel en Duitsers waren in alles altijd ordelijk en stipt. Wij, Vlamingen, waren een gezellig volkje, Uilenspiegels, ietwat tegendraads, maar open en gastvrij.  

          Vanzelfsprekend stuurt het leven die stereotypen een beetje bij. Wij zijn minder fraai dan we onszelf graag in de etalage zetten en de anderen zijn ook maar gewone mensen met hun hebbelijkheden en gebreken.
          Maar toch.
          De Franse slag, er is iets van aan. En de Nederlander geeft nog altijd blijk van een diep doordrongen koopmansgeest. Dat merkte ik onlangs nog.
          Ik maakte een reisje in select gezelschap: twee Brusselaars waarvan een perfect vijftalig, twee Antwerpenaars waarvan een redelijk bescheiden, iemand uit Brabant en een man uit Nederland. In de shop van het Museum voor Design in Ülm kon je allerhande gadgets kopen, waaronder ook een brillendoos. Klapte je die open, dan zag je een motief in rood en zwart. Klapte je nog een keer door, dan kreeg je blauw en geel. Een waar wonder, ik snapte niet hoe het kon. Iedereen dook meteen in de portefeuille. Ik niet. Mijn nachtkast puilt uit van brillendozen die ik nooit gebruik en dingen kopen die ik niet begrijp kan mijn arme hoofd niet aan. Die elf euro vijftig hield ik in mijn binnenzak. Grote consternatie die avond bij het diner. Tussen de schnitzels en de pullen bier ging het van paste jouw bril in het doosje over neen bij mij ook niet tot zelfs mijn leesbril kreeg ik er niet in.
          ‘Lukte het bij jou?’ vroeg mij de Nederlander, die Edwin bleek te heten. Nederlanders heten heus niet allemaal Joop of Kees of Klaas zoals wij in onze korte broekenjaren graag beweerden.
          ‘Ik heb er geen gekocht,’ stamelde ik, ietwat verlegen omdat ik zoals die zuinige vader uit het lied van Driekoningen mijn geld op een rooster had geteld.
          ‘Nou,’ zei toen die Edwin, ‘je kan altijd nog het mijne overkopen. Achttien euro en dit wonderdoosje is van jou.’ Wellicht was hem als kind de fabel van de domme Belg ingelepeld.

          Wat helemaal niet klopt, is het verhaal over de Deutsche Gründlichkeit. Die Deutsche Bahn, jongens, jongens, wat een zootje is me dat! Geloof het of geloof het niet, onze eigen NMBS is een toonbeeld van stiptheid en organisatie vergeleken bij de puinhoop die men er ginds van heeft gemaakt.
          Daar stonden we dan, vorige zondag, ruim op tijd in Ülm in de zon op het perron. Ticket naar Brussel vooraf geregeld en betaald, voor die ene overstap in Frankfurt hadden we vijfentwintig minuten. Zelfs voor een man op jaren tijd genoeg om van spoor 6 tot bij spoor 7 te geraken. Ik verheugde me op enkele uren van lekker lezen, soezen en dommelen op het ritme van de wielekes en het akke akke tuut tuut weg zijn wij.

          Tot het digitale bord op het perron liet weten dat onze Zug een half uurtje later zou arriveren. Dat wilde dus zeggen, vijf minuten te laat voor onze overstap. Eerst hield ik er de moed nog in. Die tweede trein had vast en zeker ook vertraging, zo gaat dat bij ons toch ook? Toch speelden we liever zeker. De stationschef schreef een nieuwe route voor ons uit: met onze trein tot Mainheim, daar een overstapje en we zaten weer op het juiste spoor.
          Edoch, die verdammte Deutsche Bahn alweer. Ook onze alternatieve trein was niet op tijd. Werken aan het treinstel zei een holle stem. Dat klonk net zo geloofwaardig als die jongen die altijd te laat op school komt omdat de ketting van zijn fiets er voortdurend afloopt.
          Ik toverde mijn beste aus bei gegenüber mit nach seit von zu tevoorschijn en ook op deze trein bood een vriendelijke begeleidster hulp. Met een klein handtoestel drukte ze plan C af op een papiertje ter grootte van een kasticket. Van Mannheim naar Keulen, van Keulen naar Brussel, van Brussel naar huis. Is niet reizen ook altijd een beetje avontuur?

          Lang avontuur kort.
          Mannheim – Keulen: check. Keulen – Brussel: check!
          Zo leek het even. Tot een nogal pünktliche treindienaar naar ons Eurostarticket informeerde. Dat hadden we dus niet. Van het kleine kasticket wilde hij niet weten. Integendeel, hij werd warempel een beetje boos. Misschien werkt hij niet graag op zondag. Bars stelde hij ons voor de keuze: per kop 80 euro bijbetalen of de eerstvolgende stop eruit.
          Toen dacht ik aan wat mijn dochter mij heeft geleerd. Discussiëren helpt niet, beweert zij altijd, je moet medelijden wekken. Ik ben beginnen huilen als een baby. De tranen biggelden me over de wangen. De hals van mijn T-shirt raakte in een mum doorweekt. Mensen keken op, bestookten de treinbeambte met boze blikken, helemaal toen ik door de knieën ging en liggend op de grond om mijn overleden moeder begon te roepen.
          De conducteur werd prompt een ander man. Een oude man zien huilen kon hij duidelijk niet. Goedmoedig hielp hij me recht.
          ‘Het is goed, jongen,’ klopte hij me op de schouder. Zonder verder poespas mochten we tot Brussel mee. Daar kwam ik net op tijd om de trein naar Antwerpen voor mijn neus te zien vertrekken.

Timmy

          ‘Waarom heet hij Timmy?’ vroeg het meisje op het bankje tegenover me in het plantsoen voor het Centraal Station. Onmogelijk niet te kijken en het gesprek te horen. De vrouw met de zonnebril legde een bont jasje op haar schoot en haalde haar ontblote schouders op.
          ‘Tja, waarom? Dat is gewoon zijn naam.’
          ‘Ik vind het een stomme naam,’ pareerde het meisje kordaat, ‘en helemaal voor een vis.’ In een flits vroeg ik me af wat de Timmy’s die ik ken daarover dachten.
          ‘Hier,’ zei de vrouw. Uit haar handtas toverde ze twee spekken tevoorschijn, wit met roze, precies de kleuren van het jurkje en de schoenen van het meisje. Minstens een halve eeuw geleden dat ik dit snoepje nog had gezien. Het meisje propte de lekkernij zonder veel omhaal helemaal in haar mond. Verwoed kauwend vroeg ze:
          ‘Hebben zijn mama en zijn papa hem dan zo genoemd?’ 
          ‘Dat weet ik niet,’ antwoordde de vrouw. De klok op het stationsgebouw wees nog niet eens naar de tien, toch klonk ze al enigszins vermoeid. Ze stak haar neus in de lucht en leunde achterover, zoals alle vrouwen overal ter wereld wilde ze geen straaltje van de eerste voorjaarszon verloren laten gaan.
          ‘Ik denk van niet, oma,’ ging het meisje onvermoeibaar door zoals meisjes dat nu eenmaal kunnen. De oma haalde diep adem. Het was de eerste dag van een lang weekend. Ideaal voor de mama en de papa om even weg te vluchten uit de maatschappij. Quality time doorbrengen met elkaar, detoxen noemde haar dochter dat. Meteen ook kans voor oma om haar kleinkind mee te tronen naar de grote wilde dieren in de Zoo, zoals zij het zelf een halve eeuw geleden met haar eigen oma ook nog had gedaan.
          ‘Mocht ik een walvis zijn, ik zou hem Zwemmer hebben genoemd, of Vinnetje. Of Fonteintje.’ Ach, hoe rijk toch de verbeelding van een kind. Ik legde de schoolmeester in me meteen het zwijgen op. Die rol was uitgespeeld. Met de hedendaagse technologie kostte het de oma, of nog eerder misschien het meisje, niet meer dan vijf minuten om te achterhalen dat die walvis die nu al dagenlang voorrang kreeg op alle wereldbranden, zijn naam ontleende aan de plek waar hij voor het eerst was gezien: het Timmendorfer Strand aan de Duitse Oostzeekust.
          ‘Ik zou het echt niet weten, kind’, zuchtte de oma. ‘Zullen we het seffens in de Zoo een keer vragen?’  

          Ik beeldde me in hoe achter de donkere glazen van haar bril de ogen van de oma langzaam dichtvielen. Een seconde soezen, een powernapje zou haar dochter zeggen. Op haar leeftijd altijd een welgekomen luxe. Ik wist, er stond haar nog een lange dag te wachten, een dag van duizend vragen en nog meer geduld. Vandaag en morgen en de dagen die daarop volgen. Ontgiften, had haar dochter uitgelegd, doe je het best in een spa in de Ardennen en duurt bij voorkeur een lang weekend lang. Losgekoppeld van de wereld, vrij van internet en telefoon.
          ‘Toen ik zo oud was als jij nu,’ begon de oma een verhaal, ‘kende ik ook een heel beroemde vis. Enfin, een dolfijn, strikt genomen niet echt een vis. Dat doet er nu even niet zo toe. Die was heel bijzonder. Elke week opnieuw redde hij iemand het leven.’
          ‘En jij hebt die echt gekend, oma?’ De bewondering in de stem van het kind was ontroerend.
          ‘Nu ja, van op de televisie,’ gaf oma lacherig toe. ‘Kom, we gaan.’ Beringde vingers sloten zich om de kleine kinderhand.

          Ik keek ze nog een tijdje na, de oma en het kind.
          Ook ik herinnerde me Flipper nog. En ook nog Ed, het sprekende paard. En Lassie, de hond die duizendmaal beter naar zijn baasje luisterde dan het mormel bij ons thuis dat mijn vader van de straat had opgepikt. De dieren bij ons thuis kregen toen ook allemaal een naam. De schildpadden Knolleke en Jeroom, de kanarievogels Pietje 1, Pietje 2 en Pietje 3. De hamsters Leo en Gaston. Zelfs de drie goudvissen. We hadden ze gewonnen op de kermis. Ze leken zo erg op elkaar dat we ze niet uit elkaar konden houden. Toch gaf ik ze een naam. Elke dag stond ik ernaar te kijken. De vis die het eerst naar me kwam toe gezwommen, noemde ik natuurlijk Flipper. Wie van de andere twee het snelst een andere richting uitschoot, noemde ik Mark Spitz, naar de beste zwemmer van de wereld.
          De derde noemde ik gewoon Vis. Niet meer, niet minder. Zoals miljarden andere vissen overal ter wereld zwom hij braaf zijn rondjes, zonder precies te weten waarom en waar naartoe. In hem herkende ik nog het meest mezelf.

Een Hip Hipje

          Deze week was ik jarig. Op precies dezelfde dag als altijd. Er zijn nog zekerheden in het leven: de dag waarop je bent geboren en de stelligheid van de dood. Al de rest verandert.
          In de dagen toen ik werd geboren, liepen de buren nog langs de achterdeur je keuken in, verlegen om wat boter of een ei. We speelden buiten tot we in het donker geen bal meer voor onze ogen zagen, moeders wil was wet en voor je verjaardag mocht je snoepjes mee naar school. Hilversum 3, pretparken en fastfoodrestaurants bestonden toen nog niet.

          Het is zestig jaar geleden, maar ik herinner me nog goed. Je verjaardag was een hoogdag in je leven. Hij bracht je dichter bij je grootste doel: een Grote Mens worden. Kinderen mochten niets, Grote Mensen alles. Met een brommer rijden. Roken. Bier drinken op een stoeltje tegen de voorgevel. Naar films gaan kijken waar Kinderen Niet Toegelaten waren.
          Dertig colalolly’s nam ik mee, één voor elk kindje in de klas en eentje voor de meester. Lekstok noemden wij dat toen, een term die je vandaag alleen nog tegenkomt in de Limburgse variant van Only Fans. De meester kreeg er nog sigaretten bovenop. Tigra, met een verleidelijke vrouw in tijgerprint op het pakje. Geen idee wat die daar lag te doen. Op het pakje van mijn vader stond zelfs een engel afgebeeld, de punt van zijn speer in de buik van een spartelende duivel aan zijn voeten. Ook een manier om aan te geven dat roken de gezondheid schaadt. Veel heeft dat overigens niet geholpen. Mijn vader bleef doorgaan met roken tot hij uiteindelijk aan longkanker overleed.
          Dertien jaar ouder was hij toen dan ik vandaag.

          Op weg naar school zette ik mijn fietsje aan de kant. Beter een keer te veel nageteld dan een lolly te weinig. Natuurlijk scheurde het papier. Natuurlijk vlogen mijn lolly’s alle kanten op. Natuurlijk kwamen toen toevallig twee soort van Hells Angels op zware motoren aangeraasd. Natuurlijk sloeg de angst mij om het hart. Natuurlijk hebben Hells Angels nul en generlei interesse in colalolly’s. Angst zat ook toen al het meest tussen je twee oren.
          In de klas hield je de lippen stijf op elkaar. Je had er wekenlang over lopen rondbazuinen, in je hoofd kenden vandaag alleen jij en de meester je geheim. Dan het grote geluksmoment! Enkele minuten voor de ochtendspeeltijd liet de meester de rekenschriften opbergen en mocht jij met je gescheurde zakje je rondgang maken door de klas.
          Soms duurt vriendschap een lekstok lang.  

          Thuis, met al die andere kinderen die ook elk jaar opnieuw weer jarig waren, stelde jouw geboortedag niet zo geweldig veel voor. Geen versiering aan je stoel, geen slingers aan het plafond, geen kroon op je hoofd. Bij het ontbijt wenste je moeder je gelukkige verjaardag. Je vader was er niet, misschien belde hij die avond wel. Twee cadeautjes bij je bord, oef, ze is het niet vergeten. Eentje voor de pret, eentje voor de nuttigheid. Een Jokari om in je eentje te leren tennissen en hoewel de lente pas begonnen was een mooie gebreide trui voor volgende winter. Het geld groeide mijn ouders niet op de rug, zo hielden ze ons dagelijks voor. Niemand van ons had ooit anders beweerd.
          De jarige mocht kiezen wat die avond de pot zou schaften. Die gunst was aan beperkingen gebonden. De warme maaltijd bestond uit aardappelen, groente, vlees. Op jouw dag mocht jij de groente kiezen. Mijn moeder maakte de heerlijkste savooi van de hele wereld. En bakte de lekkerste worst.

          Uitbundig heb ik niet gevierd, afgelopen week.
          Die ochtend in bed heb ik mijn zegeningen geteld. Gedacht aan de mensen om me heen. De knoken kraken soms een beetje, af en toe vergeet ik weleens een woord, vaak moet je twee keer vragen wat iemand heeft gezegd maar al bij al lukt het nog aardig. Een grote troost bij deze oude dag: u was ruimhartig in uw wensen, tot aan de middag heb ik hartjes geplaatst.
          Bij het ondergaan van de zon heb ik me een wijntje ingeschonken. Met weemoed komt berusting. De Grote Mens die ik geworden ben, wordt stilaan weer kleiner. Elke verjaardag brengt het einde dichterbij. Het beste zit er niet langer nog aan te komen, wellicht is het al geweest. Veel kans dat ik het niet eens hebt gemerkt.
          Zeker weten doe je dat nooit. Er is nog een deel te gaan. Bij leven en welzijn en wat geluk staat u en mij nog heel wat moois te wachten.
         

Een mopje gemaakt

          Het was weer eens de hoogste tijd om een stukje te gaan schrijven. Iets luchtigs liefst, een aardigheidje. Zwaarte biedt de wereld al genoeg. Een hardnekkige lenteblues echter onderdrukte mijn aangeboren gevoel voor vrolijkheid. Waar ik ook zocht in de krochten en plooien van mijn hersenpan, de lachkwab bleef zoek. Toen kreeg ik plots een inval. Een clown, dacht ik. Clowns struikelen over hun te grote schoenen, glijden uit over een bananenschil, vinden het hoedje op hun eigen hoofd niet terug. Clowns zijn altijd om te lachen, al toen ik nog een mopsje was en aardig om te zien.

          De grootste clown van gans de wereld, dat weet iedereen, woont in het verre Westen in een groot wit huis met balzaal in de aanbouw. Groter clown heeft de wereld eerder nooit gezien, al zegt hij het zelf. Elke dag een nieuwe grap. Hij en ik huldigen dezelfde levensleus: een dag niet gelachen is een dag niet geleefd. Zoiets schept een band.
          Ik hoorde deze nar een tijdje aan. Helaas, algauw versteende de glimlach op mijn lippen. Hoewel toch mooi oranje als een mandarijntje, de gekste bekken trekkend en elke dag een nieuwe bak bedenkend, wekte de man al snel meer aversie op dan sympathie. Ik moest denken aan de woorden van die vrouw die ik ooit in Polen had ontmoet: ‘We all laugh and it isn’t funny.’

          Dan de blik maar naar het Oosten.
          Meer dan één oogopslag had ik niet vandoen. Kent u een Oosters humorist? Ontwaarde u ooit een glimlach op het gelaat van de tsaar van Rusland, de keizer van China of de despoot van Noord-Korea? Weten doe ik het natuurlijk niet, maar het zou me niet verbazen mocht lachen ginds bij wet verboden zijn. Tien jaar voor een glimlach, een mop op straat bekoop je met de dood. Je moest eens weten hoe gelukkig ik me hier soms voel.
          Ik kwam in de verleiding AI voor mij het werk te laten doen, maar hoe waardeloos is dat? En die mop van Trek Eens Aan Mijn Vinger, die kende u natuurlijk al.

          Het café, dacht ik toen, daar wordt nog weleens gelachen.
          Aan de tapkast zat een man, veel volk om hem heen. Net van kantoor leken ze te komen. Das losgeknoopt, hemdsmouwen opgestroopt, machomannelijk ongeschoren.
          ‘Ja jongens, daar had ik ze toch allemaal stevig bij hun pietje,’ lachte de man met schorre stem. ‘Jeanne, geeft gij ons er eentje? Zes pintjes? Doe mij er maar twee, van lachen krijg je dorst.’ Toen wist ik zeker dat ik goed zat. Glazen klonken, oogjes blonken. Ik kende deze man, alleen zijn naam schoot me niet zo gauw te binnen.
          ‘Eerst Het Laatste Nieuws! En dan de VRT! VTM! Heel die hannekesnest er als een blinde kudde achteraan. Allemaal dezelfde foto. De vetste koppen erbij! Komt dat zien, mensen, komt dat zien! Een heuse drone, eindelijk echt op beeld! Terwijl ik en ik alleen wist, ceci n’est pas un drone. Helemaal los gingen ze. Spionage! Dreiging! Groot Gevaar! De minister zelf heeft het gezegd!’ Plots wist ik wie dit was. Ik herkende hem van een oude foto, dronken plassend in de plantenbakken in de hoofdstad. Was die foto echt geweest of nep, dat herinnerde ik me niet precies.
          ‘Jeanne, nog een rondje!’ In afwachting snoot de minister zijn neus, in een beweging veegde hij met zijn zakdoek ook de tranen van plezier uit zijn ogen. Niemand van de omstaanders die wat zei. Als de minister spreekt, zwijg en luister je. Het humeur van een leider is wispelturig als een espenblad in het voorjaar.
          ‘Maar jongens, luister, de clou moet nog komen. Bart, enfin, Mijnheer de Premier, zegt tegen mij: ‘Theo, hoe serieus is dat spel? Subiet weer heel het land in brand en bibi mag weer gaan blussen.’ Ik kon natuurlijk niet meer terug. Ik kon moeilijk zeggen, Premier, het was maar om te lachen. Hij kan daar niet goed tegen, hij is liever zelf de plezantste thuis. Dus ik gebaar van krommenaas. Ik zeg: ‘Spionage Premier, zeshonderd procent zeker. De Russen, vanzelfsprekend.’ ‘Serieus?’ vraagt hij. ‘Serieus,’ zeg ik, met een gezicht als op een begrafenis. Ogenblikkelijk de Vincent erbij. We weten allemaal hoe die op de centen zit, precies of dat belastinggeld is allemaal van hem. ‘Vince,’ zegt Bart, ‘geef Theo hier eens in de rapte een miljoen of vijftig. Schrijf maar op: Defensie tegen de Russen.’ Het café ontplofte. Gejoel, gejuich, applaus, mensen klommen op de banken en de tafels.
          ‘Dus: laat u maar een keer goed gaan hé mannekes. Het kan ervan af! Jeanne. Tournée generale!’

          Een groot feest ontstond. Iedereen bejubelde de grote leider, mensen kraaiden van de pret, sloegen zich op de dijen, omhelsden elkaar op welhaast ontuchtige wijze.
          Ik stond erbij en keek ernaar en dacht: ze lachen allemaal, terwijl, zo grappig is dit verhaal toch ook weer niet.

Een blijde verrijzenis

            Je voelt je als een kip die van de leg is.
            Of dat denk je, dat weet je niet, wellicht heeft iemand weleens een studie gepubliceerd over het gevoelsleven van de kip in de Lage Landen, maar die heb jij niet gelezen. Je hebt wel wat beters te doen. Ja toch?
            Het gaat gewoon nu even niet.
            Zegt dokter Google: Writer’s block is een tijdelijk, niet-medisch onvermogen om nieuw creatief werk te produceren, vaak gekenmerkt door een gevoel van vastlopen, gebrek aan inspiratie of geplaagd worden door perfectionisme.         
            Tijdelijk, dat troost. Gewoon even geen goesting, zoals bij een kater. Goesting komt net als treurnis altijd terug.

            Wanneer je in het midden van de nacht naar het plafond ligt te staren, kan je beter wat gaan doen. De strijkmand leegmaken, de vaatwas uitladen, het toilet herschilderen. Dat is overdag niet anders.
            Dus je laat in de keuken een handvol rozijnen wellen in witte rum.
            Waar ben je mee bezig, vraag je jezelf intussen af.
            Wat heeft het allemaal voor zin?
            Wat is jouw bijdrage aan een betere wereld?
            Je durft het antwoord niet luidop te zeggen. Een voetballer die met voetballen stopt, dat beroert de gedachten. Een wielrenner die een koers gaat fietsen, wereldnieuws. Een minister die zesduizend kilometer verderop haar C4 krijgt toegestopt, dat is belangrijk.  Wat jij doet, hoe jij denkt, hoe je het formuleert, doet er niet toe.

            Je scheurt oudbakken brood aan flarden, meer drift in je gebaren dan je bedoelt. Natuurlijk, heel veel mensen doen onopvallende dingen, dat weet jij ook. In de eerste plaats misschien wel voor de centen, toch dragen ze tegelijk aan de maatschappij een steentje bij. De vuilnisman houdt toch ook de straat proper, de buschauffeur brengt de reiziger naar zijn bestemming, de winkeljuffrouw wikkelt een feestelijk papiertje om een pakje dat straks een kind met twinkeloogjes weer los zal maken.
            En jij?

            Wat doe jij?
            Jij klutst drie eieren over een kom oud brood, giet er een gulp hete melk overheen, bepoedert het zootje met kaneel, mengelt er nog wat peperkoek onder en witte chocola. Je vergeet zelfs bijna je rozijnen nog. Die rum ga je niet drinken, je vindt jezelf te oud geworden voor dronken zelfbeklag in het midden van de dag. Roeren, husselen, mengelen, mêleren, aan woorden zal het niet mankeren. Een vinger door de dikke brij. Hmm. Wie hiervan proeven gaat, zal blij zijn.
            Iemand gaat toch proeven straks?

            Geduld is het geheim van elke kok.
            Je schuift het baksel in de oven, rijzen moet het zelf doen, zoals een kind ook zelf moet groeien. Het enige wat jou nog rest, is wachten. De tijd verdrijven, terwijl je toch met zekerheid weet, van alle dingen in het leven is alleen de tijd strikt afgemeten. Elke minuut die je verliest, is voor altijd weg.
            Het witte blad blijft naar je staren, troosteloos en leeg.
            Ik moet, denk je.
            Moet just niks. Je moet denken aan dat verhaaltje over de verliefde Fred Flintstone in dat Grote Boek van je dat maar niet geschreven raakt, she loves me, she loves me not. Je lacht. Dat moet voorwaar die geur van pudding zijn die je bureau komt ingewaaid. Mooi, het leven is mooi, schrijf je. Prachtig toch dat uit verloren brood nog wat lekkers komen kan? Gisteren nog zonder waarde, deze avond op je bord!
            Niet alleen de blik in haar ogen, ook dit is kunst.

            Gods wegen en de kronkels in een mensenhoofd zijn ondoorgrondelijk.
            Vanwaar hij komt, geen idee, maar plots begint mijnheer Den Uil te zingen in je hoofd, dezelfde stem als zestig jaar geleden: ‘Want dieren zijn precies als mensen, met dezelfde mensenwensen, en dezelfde mensenstreken, dat komt allemaal in de krant, van Fabeltjesland.’
            Dat wel, denk je, ik niet. Ik haal nooit de krant.
            Et alors, denk je er meteen bij, alsof je de zoveelste president van Frankrijk bent. Je pen gaat reizen over het blad. Omdat je toch niets anders weet, schrijf je het ganse Fabeltjeskrantlied in je ruitjesschrift, Hallo mijnheer de Uil, waar brengt u ons naartoe? Je pen glijdt vanzelf heen en weer, gedachten stromen als een vrije rivier vanuit je hoofd – of je hart – naar je blad, just niks hoef je ervoor te doen. Het komt zoals het komt.

            Wat later leun je achterover, overlees je nog een keer je laatste zin: ‘Als dieren liedjes kunnen maken en kunnen praten met een Hilversums accent, als oudbakken brood als nieuwe pudding uit een oven komen kan, als Jezus kan verrijzen uit het graf, dan kan jij het ook.’
            Dat is jouw zin.
            Spontaan wens je jezelf en alle mensen van goede wil een Zalig Pasen.

Een vriend zien huilen

          Toen liet ik mijn zakdoek vallen.
          Het bukken ging stroef. Een pijnscheut door mijn rug, heet en pijnlijk als een kogel. Denk ik. Ik weet niet hoe een kogel voelt. Als een verroeste meetlat boog ik door de knieën en schraapte met mijn vingertoppen het beduimelde stuk textiel van het asfalt.
          ‘Dat ging vlotjes,’ lachte mijn vriend. Ik lachte groenig mee. In een flits zag ik nu ook wat hij net had gezien: een oude man die nauwelijks nog door de benen kan. Grimassend tastte ik naar mijn rug. Uit de binnenzak van zijn jas diepte mijn metgezel een pakje tissues op. ‘Iedereen gebruikt deze tegenwoordig. Lekker makkelijk.’ Het klonk neerbuigend, ik voelde me een restant uit een voorbije eeuw. Ik snoot mijn neus en frommelde het vochtige papiertje in mijn broekzak, rechtte mijn rug, drukte de pijn met beide handen weg. Weer verdween zijn hand in de binnenzak. Nu toverde hij een pillendoosje tevoorschijn.
          ‘Tegen de pijn,’ bood hij aan. Ik knikte van nee.
          ‘Verdoven is alleen maar rond de pijn omheen fietsen. Genezen doet het niet,’ zei ik. Dat had mijn oma mij geleerd. ‘Wat is daarvan het nut?’
          ‘Wat is de zin van lijden?’ antwoordde mijn vriend. Hoezeer we ook op elkaar waren gesteld, hoe warm ook onze sympathie, hoe groot ons wederzijds respect, we verschilden wel vaker van mening. Erg is dat niet. Hij is in mijn ogen nog altijd jong en onervaren, in mij ziet hij een oude man in een krakend lijf, tot het schedeldak gevuld met oude mannenmeningen.

          Keuvelend vervolgden we onze wandeling. Onstuitbaar als een vloedgolf gulpte het eruit: hoe ingewikkeld en veeleisend het leven wel geworden is, gans anders dan de rustige vastheid van weleer. Hoeveel ballen een man tegelijk in de lucht moet houden vandaag de dag: je baan, je geliefde, je kinderen, je pas neergepote huis. Over blijven zoeken naar jezelf, je telkens weer opnieuw heruit te moeten vinden, yoga, zelfzorg, een baan te zoeken die matcht met je inner core, waarin je in je eigen kracht kan staan en je diepste ik ten volle kan ontplooien.
          Ik luisterde maar moest tegelijk ook toch aan mijn moeder denken, met haar ambachtelijke huishouden en het half dozijn vruchten uit haar schoot, toch ook flink veel ballen om hoog te houden. Natuurlijk hield ik dat beeld voor me. Mijn tijd van spreken ligt achter mij. Ik zeg toch maar de foute dingen, men hoort niet mij, men hoort een oude man. Woorden komen vaak heel anders uit mijn mond dan hoe ik ze in mijn hoofd hebt bedacht. Meestal veranderen ze ook nog een keer van betekenis en toon wanneer ze het oor van de toehoorder bereiken. Die hoort dan iets gans anders dan wat ik heb bedoeld. Dus beet ik maar het puntje van mijn tong.

          ‘Nu sta ik dus op een kruispunt in mijn leven,’ hoorde ik mijn vriend zeggen.
          ‘Voor elke deur die sluit, gaat een andere deur weer open,’ zei ik. Muurtegels citeren kan ik nog altijd als de beste. ‘Ga je dromen achterna. Wat wil je nog worden? Rijk? Beroemd? Gelukkig? Ga ervoor. Beter te proberen en te falen dan helemaal niet te hebben geprobeerd.’ Met confectiewijsheden kan ik een jaarkalender vullen als het moet.
          ‘Eigenlijk wil ik alles,’ zei mijn vriend. Alles, dat zijn heel veel ballen voor maar twee voeten, dat had het leven mij intussen wel geleerd. Ook dat zei ik niet. Een mens leert niet van andermans ervaring, alleen maar van zijn eigen fouten. De blik van mijn vriend vernevelde, zijn geest reisde naar Fantasia.
          ‘Influencen,’ prevelde hij toen. ‘Op TikTok. Mensen overhalen om door veel warm water te drinken en elke dag ochtendgymnastiek, volbloed Chinees te worden. En dan door Xi Jinping te worden gefinancierd.’ Het bestaat, ik had het ook op de radio gehoord. Het is iets van deze tijd, terwijl bij mij TikTok toch altijd nog deed denken aan de kippenren vroeger achteraan in onze tuin, het eindeloos gekakel en de bergen stront die we nauwelijks kregen opgeruimd.
          ‘Kan je schatrijk mee worden,’ droomde mijn vriend verder. Schatrijk en geluk zijn niet per se synoniemen, bedacht ik meteen.
          ‘Of ik kan content gaan createn,’ droomde mijn vriend, ‘dingen verzinnen uit het niets. Die dan verspreiden op het web zodat talloze mensen gaan liken en sharen en adverteerders in dichte drommen mijn rekening beginnen spijzen.’
          Met dat concept was ik vertrouwd. Veel boter op je brood verdiende je er niet mee, wist ik. En van de respons word je ook niet altijd even vrolijk. Dat wilde ik hem ook zo zeggen. Dat kwam er helemaal anders uit.
          ‘De allerindividueelste expressie van je hoogstpersoonlijke emotie, zeker doen,’ zei ik bemoedigend.
          Want een vriend zien huilen, ik kan het nog altijd niet.