Blog

Gelukkig zijn

Die middag kropen de regenbuien vermoeid achter het wolkendek. Tijd voor een verkwikkende powernap. En er dan weer flink tegenaan. Eenzaam bleef de wind buiten spelen. Verveeld woei hij op zijn hardst. Hij blies de bomen kaal. Aangename omstandigheden, vond ik, om een copieuze brunch te verwerken met een fikse wandeling in bronsgroen eikenhout.
Groot noch klein wild op mijn pad. Of het naamwoord zou enigszins spreekwoordelijk moeten verwijzen naar de groep jonge meisjes die me opgewekt en vrolijk zingend tegemoet stapte. Allemaal droegen ze onder hun grijze hemd een onelegant doch zedig kaki rokje. Speels en blinkend van levenslust dansten ze om de plassen heen, hun geestdrift omgekeerd evenredig met hun levensjaren.
De schelle stemmen deden, welja, een belletje rinkelen. Deze melodie hadden wij ook nog gekweeld, destijds, in de dagen dat we zelf net zo onschuldig hosten in de bossen, de billen rood van de kou en geperst in nauwe, haast de testikels afknijpende korte broek.

If you ’re happy and you know it
clap your hands
HIP HOI

Dit vers diende diverse keren herhaald, wellicht om de mindere verstaander te plezieren. Het HIP HOI slingerde er als een juichkreet achteraan. Als tussenspel volgde een subtiel

If you ’re happy and you know it
then you ’re face will really show it
If you ’re happy and you know it
clap your hands
HIP HOI

Zongen wij vroeger niet: and you really want to show it? Zeker herinner ik het me niet en enkel een dwaas vertrouwt zijn geheugen. De overgave waarmee ze van hun geluk kond deden, werkte op mijn gemoed als een winnend doelpunt in de extra speeltijd. Nog altijd kleuren jonge mensen de grijsheid van ons bestaan met een aanstekelijke vreugde en vrolijkheid. Zelfs in dit kille bos waar de bladeren mistroostig afscheid namen van de bomen.
Enthousiast serveerden de meisjes de aanzwellende groep omstaanders diverse suggesties om geluk te uiten. We werden gemaand te klappen in de handen en de aarde met de voeten plat te stampen, op het eigen hoofd te tikken, rondom rond te draaien en af te sluiten met een welgemeend Hello. Zelfs in Covid-tijden niet een gangbare methode om iemand te begroeten. Maar leuk was het zeker. Het bos kleurde vijfhonderd tinten. Mijn hart werd warm en blij.
Een van de meisjes, blonde vlechten, lachte me toe.
‘Kom mijnheer, meedoen,’ riep ze en ze danste een rondje.
Met geestdrift zette ik een stap naar voren. Toen stelde ik me voor dat het schouwspel redelijk gênant zou zijn en de omstaanders allerminst plezieren. Ik weerstond de innerlijke dwang. Glimlachend monsterde ik de andere toeschouwers. Een man en een vrouw op leeftijd keken arm in arm woordeloos toe, de monden verstoken achter een blauw doekje. Een man, een vrouw, een kind haastten zich naar de nabije speeltuin, naast het hertenparkje. Zij hadden tijd noch oog voor de danseuses. Vier jongelui fietsten druk pratend voorbij. Een vrouw in jogging, ver van de topconditie verwijderd, sjokte haar loopschema bij elkaar. Een paartje passeerde met driftige tred. Hun zwijgen schreeuwde ongenoegen.

Achter diepe fronsen op mijn voorhoofd vochten vragen, meningen en filosofische overpeinzingen om voorrang. Waarom werden deze toehoorders niet net zo vrolijk? Waarom vertoonde niemand tekenen van blijdschap? If you ’re happy, begonnen de meisjesstemmen achter me weer. Wat ontberen wij toch om gelukkig te zijn, vroeg ik me af? Beschikken wij dan al niet over alle voorwaarden daartoe, of toch, geef toe, heel veel? Zoveel plekken op de wereld waar men het met minder stellen moet. ‘Mensen op andere continenten,’ zo zeggen wij, ‘zijn arm maar gelukkig.’ Waarom wij dan niet?
Het gezang achter me verstilde. Nog een flauw, and you know it, waaide me achterna. Ik was weer alleen met het geruis van de vallende bladeren. Ook een ontroerend gezang. Misschien is het dat, dacht ik. Geluk moet je herkennen. Inzien dat je het hebt. Het waarderen en omhelzen. Aanvaarden dat dit het wel ongeveer zal zijn. Misschien, zo redeneerde ik, zit in het niet herkennen van je geluk, nog diepere tristesse vervat dan in helemaal niet gelukkig zijn. Het is als zitten op een berg geld en niet in staat zijn het te laten rollen. Misschien is ons geluk zo klein en gewoon geworden, dat we het niet langer opmerken. Stromend warm water. De knop van een lichtschakelaar. Een meisje met vlechtjes dat naar je lacht.

Als een kind in een zedig rokje klapte ik in mijn handen. Stampte de zolen uit mijn schoenen en draaide een keer om mijn as. Bij de bakker kocht ik voor thuis twee koeken met pudding. Voor allebei een.
Hip Hoi.

Neus, keel en oren

De deur draait me van de regen in een klinische kilte.
Ik ontsmet mijn handen. Of ik een afspraak heb, vraagt een meisje in groene schort vriendelijk. Die heb ik, dus ik mag door. Een ander meisje, even groen, wijst naar een machine. Ze hoeft niets te zeggen, ik ben nog jong genoeg om de gleuf te vinden waarin ik met vaste hand mijn identiteitskaart steek. Het toestel stelt vragen, ik antwoord bot met ja of nee.
Ik mag verder.
Mijn identiteit blijft in de machine achter. Vanaf hier ben ik een streepjescode op flinterdun papier, als een gehoorzame robot Route 41 aflopend tot aan mijn bestemming. De plafonds zijn te hoog, de muren te wit, het licht te hard. Strakke verpleegstersuniformen camoufleren de vrouwen die erin wonen. Zij mogen weer zichzelf worden als ze zich straks ontdoen van crocs en broekpak. In dit huis doet men niet aan luchtigheid of opsmuk. Lachen, zingen noch dansen toegestaan. Ook de patiënten kleden zich daarnaar. Geen maatpak of baljurk, Italiaanse schoen of naaldhak. Schreeuwerige shorts, smakeloze joggings, versleten sneakers.

Minder zitplaatsen dan mensen in de wachtzaal. Niemand praat. Een man wiebelt op zijn stoel. De zitting zucht mee, alsof haar een wind ontsnapt. Ik moet erom lachen, maar zelfs achter mijn masker houd ik de lippen stijf.
Een assistente roept een naam. Een tweede keer. Een oude vrouw schuifelt naar haar toe. De man op de stoel kreunt. Moppert, schijnbaar tegen zichzelf maar met voldoende aplomb zodat iedereen het hoort: “Ik wacht hier al drie kwartier, dat kan toch niet.” Dat kan makkelijk. Mensen zeggen vaker dat iets niet kan op het ogenblik dat het gebeurt. Dat vind ik vreemd.
Niemand kijkt op, niemand troost hem.
“Hoe is dat mogelijk,” zegt de man. Hij weet nu dat het inderdaad kan maar begrijpt niet hoe het komt. Hij klinkt boos. Boos zijn mag, vandaag. Het is een emotie die kritiekloos wordt aanvaard. De tot over de oren verliefde schreeuwt zijn hartstocht niet meer, zoals wij destijds, luidkeels van de daken. Hij bergt het sentiment veilig in het hart, houdt het daar vast uit angst het weer kwijt te raken. Woede echter mag je delen. Ontevreden zijn we graag. Verderop in mijn straat hangt een leeuwenvlag voor het raam. Op de achterruit van de SUV op de oprit kleeft de slogan #niet mijn regering. De sticker is ouder dan bedoelde bewindsploeg zelf. Preventief boos, het is ok.
Jeremiëren hoort in onze canon.

Een man in jeans en hemd zegt mijn naam. Als een schaap volg ik hem. Hij kruipt achter een breed scherm, we houden onze maskers op.
“Vertel het eens,” zegt hij. Zijn stem ontspringt uit een onbekende bron. Ze klinkt vreemd. Raadpleeg jezelf eens een keer, denk ik. Soms wil ik dat mijn gedachten een dagje vrij nemen, zodat ik met mensen kan praten zonder kronkels in mijn hoofd.
Ik vertel het. Dat mijn huisarts vond dat ik naar hier moest komen. De man kijkt naar overal maar niet naar mij. Aan niets kan ik zien of hij mij hoort. De assistente die het oude vrouwtje sommeerde, komt het kabinet binnen. Waar is het dametje naartoe? Hier is ze niet en ik zag ze ook niet de deur uit gaan. Mijn ogen tasten de muren af, zoeken een verborgen vuilschuif op mensenmaat, waarlangs niet meer te genezen patiënten worden geloosd. Een besparing in de gezondheidszorg, we moeten allemaal offers brengen, nu, met die Covid.

De arts legt een lat op mijn tong. “Zeg eens i”, zegt hij. De vooruitgang, denk ik, vroeger was het ‘a’.
‘i-i-i’, zeg ik dom.
“Even met een camera in je neus”, kondigt hij aan. Het voelt erg vervelend.
“Ooit je neus gebroken?” vraagt hij. Dat heb ik niet. Mijn tussenschot staat scheef, blijkt. Ook dat klinkt vervelend. Mijn neus mag dan geen adonisallures hebben, hij is – was – wel een van de weinige zekerheden in mijn leven. Niemand maakte er ooit een denigrerende opmerking over. Dat houvast maait de man met de camera met een ampele zin onderuit.
Met een fijn lampje exploreert hij mijn oor.
“Ben je een zwemmer?” vraagt hij.
Een wonderlijke vraag. In twee zinnen vat ik mijn zwemcarrière samen, meer valt er niet over te zeggen. Hij knikt, had het al in mijn oren gelezen.

“Niet meer dan wat typische ongemakken, eigen aan de leeftijd,” zegt hij. “Medicijnen kunnen, maar echt helpen doen ze niet.”
“Liever niet,” antwoord ik, “dan lijk ik bij het ontbijt een oud mannetje. Eentje voor de bloeddruk, eentje voor de stoelgang, eentje voor het hart, laat maar.”
Hij lacht: “U mag niet klagen, mijnheer.”
“Ik weet het,” zeg ik. “Dat is het niet. IJdelheid, Uw naam is Vrouw, zegt men. Volgens mij heeft men ongelijk.”
Lachend opent hij de deur. We geven elkaar geen hand.
Weer in de buitenlucht mag het masker af.
Het regent niet langer. Het wordt vast nog een mooie dag.

Bompa Laweit

Mannekes, luistert.
Ik ben niet zo van die goede ouwe tijd en zo, maar nu moet er toch teen en tander van mijne lever.

Ik had slecht geslapen.
Ok. Dat gebeurt wel meer als ik gedronken heb. Eigen schuld. We waren gaan eten bij de Kroaat. Ge kent dat. Aperitief. Wijn. Nog wijn. Pousse-café. Duveltje. Thuis nog een borrel. Pakt dat het een uur of twee was toen ik gelijk ne zandzak in mijn bed viel. Maar dan. Ge slaapt wel, maar ge rust niet uit, snapt ge? Ge slaapt gewoon uw roes uit. Maar de zondag was het koers en voetbal dus ik ging toch heel de dag voor den teevee hangen. Dus, ja.
Maar ’s morgens. Jongens, jongens. Ik dacht, dat is hier een Marokkaanse trouw of wat? Tuten, claxonneren, manmanman. Zot wier ik. Ik rol uit mijne tram, zien door de venster. De parking van de Carrefour. Allemaal auto’s. En vlaggen. Een laweit, jongens toch. Allé, ik spreek nu niet voor mijn eigen, maar als ge met de nacht hebt gestaan, dan hebt ge het toch maar schoon aan uw pietje. Een demonstratie, zeiden ze op de radio.

Ik ben van de oude stempel, ik weet het. Maar ik heb van zijn leven ook dikwijls betoogd. Ge wilt niet weten voor wat dat ik allemaal op straat gekomen ben.
Ik weet nog, de eerste keer. Tegen de dertig miljard van Vanden Boeynants. Als ik het goed rappeleer, gingen ze straaljagers kopen. Mijne kameraad, de Flip, had me daar mee naartoe gesleurd. Ambras thuis gast, met ons vader. We gingen toen ook staken op school. Dat is de enige keer in mijn leven dat ons vader mij naar school heeft gebracht. Ik was zestien jaar!
Daarna, kernwapens. Weet ge dat nog? Driehonderdduizend man. Of vierhonderd, ik wil het kwijt zijn. De trein stampens vol. Ge moest een halve dag wachten in Brussel Noord voor ge mocht vertrekken. Maar wij trokken ons daar niks van aan, de Flip en ikke. Wij trokken op kroegentocht. Van de Noord naar de Zuid. De cafés bleven toen nog open bij betogingen, dat was een feestdag. Dat is vandaag wel anders. We hadden afgesproken om in ieder café onderweg één pint te drinken. Zat dat wij waren, man, echt, niet te doen. En wat we niet wisten, de nacht ervoor had den Amerikaan die raketten al binnengevlogen. Die stonden er al voor dat ons eerste pint getapt was. Op het werk vroeg de dag daarna iemand hoeveel de Russen ons hadden betaald om tegen de Amerikanen te betogen. Betaald? Mijn oor, een bom geld heeft ons dat gekost.

Ja, ja. Ik heb dikwijls meegelopen. Na zwarte zondag. Tegen le bruit des bottes in tstad. Voor homorechten, ook met de Flip. En voor het werk ook een paar keer. Ik stond in het onderwijs. Dat is nu niet meer nodig, ze hebben daar nu den Ben Weyts, haha. Grapke hé mannen. Hey, we mogen toch nog wel eens lachen hé.
Tegen de oorlog in Irak. Ook geen avance. Maar van de week zag ik een documentaire, Once Upon a Time in Irak. Dan ziet ge dat we toch gelijk hadden, toen. Nu zeggen ze het zelf, we invented ISIS! Daar zijt ge vet mee, natuurlijk. En ginder al helemaal.
De Witte Mars heb ik niet meegedaan, daar was zo al volk genoeg. Maar tegen de bezetting van Palestina. Tegen Oosterweel. Tegen Zinloos Geweld ook nog. Dat klinkt nu nogal onnozel, protesteren tegen iets waar nu echt iedereen tegen is. Ne mens denkt niet altijd even goed na. Voor het klimaat ook nog, een paar keer.
Ik vond dat altijd wel een feestje, betogen. Op de trein al. Veel volk altijd. Roepen, zingen, pintje pakken, sfeer. ’s Avonds toch een beetje als een gekookte patat naar huis. En dan de dag daarna in de gazet, er waren zoveel betogers maar de rijkswacht heeft er maar zoveel gezien. Er zit een mol bij de rijkswacht, zeiden wij toen. Jaja, wij lachten wat af.

Maar van de week check dees: “Later vertel ik mijn kleinkinderen trots dat ik tussen die 15000 Vlamingen stond.” Straf toch, niet? Ok, ieder zijn gedacht. Hij denkt zo, ik denk anders. Geen probleem, leven en laten leven, zeg ik altijd.
Maar zegt nu zelf. Ge stapt in uwe auto. Ge rijdt naar de parking van de Carrefour. Ge doet een babbeltje. Terug in uwe auto. Naar Brussel. Achter ander auto’s, zodat ge niet verloren rijdt, want vandaag de dag kunt ge zelfs uw GPS niet meer vertrouwen. Daar rijdt ge weer een parking op. Ge stapt uit, roept een beetje, zwaait wat met uw vlag of uwen arm. Ge stapt in en ge rijdt terug naar huis. Op tijd voor de koers.
Trots? Zwanst nu niet hé.
Wat gaan die zeggen, die klein mannen: “Amai, Bompa. Naar Brussel met den auto? Gij waart nogal ne kerel, gij”?
Allé komaan. Ni zwanzen hé.

Strapdag

Dit land is het noorden kwijt.
Dat slaat geenszins op dat gedoe over die Vlaamse minderheid in de nieuwe Belgische regering. Dat interesseert mij niet. Het is de gekende handigheid: kijk, daar, een ongemak dat er geen is. Zo vergeet je die andere hoek, waar problemen zich sneller opstapelen dan nieuwe Covid-maatregelen.
Neen, de aanvangszin dient spreekwoordelijk geïnterpreteerd. Als in: we weten het niet meer. We zoeken de kluts. Beseffen niet meer wat wezenlijk is. Onze collectieve lijst der prioriteiten raakte in de war. Iemand haspelde hem door elkaar. De politiek? De media? Wij?

Een recent voorbeeld. De achttiende dag van de lopende maand, de site van de publieke omroep. Items: een jongen wordt gemist. De Tour nadert haar ontknoping. De formatie zit in het slop. Sneller dan een virus hoppen van WhatsApp naar WhatsApp beelden van bekende mannen, zwaaiend met hun flieter. Onderaan op het scherm, nauwelijks nog in beeld:
Fietsster (12) omgekomen bij ongeval in Zwevegem: 6e dodelijke ongeval met fietsers in de regio sinds september.

Dat meisje, weet u nog?
Wellicht. Een meisje van twaalf, dat kruipt onder de huid. Andere vragen dringen zich op. Die andere vijf, wie zijn ze? In welke regio precies speelt deze gruwel? Hoe dichtbevolkt is die kant van het land? Zes, op achttien dagen, toch wat van het slechte te veel, niet? Doet ook iemand daar wat aan?
De eerste was een man, vijfentwintig. Koersfiets op, oortjes in, zelden een goed idee. Hij negeerde een voorrang. De chauffeur die hem aanreed had niet gedronken, reed niet te snel. Het artikel vermeldt niet hoe die man verder moet met het besef dat onder de wielen van zijn wagen een onbekende het leven liet.
Drieënzeventig was de tweede. Trok er graag nog samen met moeder de vrouw op uit. Een elektrisch minifietsje, net zo handig. Zijn laatste tocht eindigde abrupt onder een vrachtwagen. In het aardedonker van de nacht passeren haar telkens weer dezelfde beelden. Zij bleef ongedeerd, meldt de correspondent. Hoe ongedeerd zou dat zijn?
Nummer drie, negenentachtig. “Zo kras, we dachten dat hij wel honderd zou worden,” vertellen de buren. Niet dus. Bij het dwarsen van de weg landde hij op de voorruit van een bestelwagen. “In onze straat wordt wel vaker veel te snel gereden,” zeggen ze er nog bij. Negenentachtig, ach, eens moet het toch gebeuren, hoorde je denken tussen de regels door.
Een ondernemer sluit even de deuren. De beslommeringen uit het hoofd laten waaien. De zon lokt als de Lorelei. Kansen moet je grijpen. De aanhangwagen toont geen ontzag voor zijn dure racefiets. Wat vertelt mama bij het avondmaal aan haar zonen van zes en negen? Met welke woorden?
Vijf. Weer een man, zesenzeventig. Bij het oversteken onder de aanhangwagen van een tuinaannemer gesukkeld. Aan de fietsoversteekplaats. Maar ja, hoe gaat dat? Slechts aan één zijde van de straat ligt een fietspad. Mogelijk speelde dat een rol, denkt de politie.
Kato werd twaalf. Fietste met een vriendin op weg naar school, waaide onder de wielen van een truck. Op strapdag, de dag dat men scholieren aanmoedigt stappend of trappend naar school te gaan. Je wil het je niet inbeelden. Hoe zou het nog zijn met de vriendin? Twee dagen later is er een voetbalwedstrijd in de buurt. In minuut twaalf krijgt Kato zestig seconden stilte. Applaus ook. Een spandoek: ‘Rust Zacht, Kato’. Zelfs de commentatoren doen er even het zwijgen toe. Dan gaat de wedstrijd vrolijk door, de belangrijkste bijkomstigheid van de wereld.

Prioriteiten.
Als weer een kind van twaalf haar bestemming niet bereikt, hebben niet de spannendste wedstrijd, de tot in de diepste treurigheid aanslepende regeringsvorming of enkele piemelzwaaiende BV’s, recht op de grootste aandacht. Alleen dat kind. Tot op de dag van vandaag is een fietser op de weg nog altijd meer risicopatiënt dan mijn grootmoeder op de Covidafdeling. De nevenschade talloze malen groter. Tijdlozer ook, levenslang en onherstelbaar.
Waar mensen zijn, worden fouten gemaakt. Wie zonder zonde is, u kent dat. Maar het blijft de verdomde plicht van een overheid ervoor te zorgen dat kinderen ongeschonden op school geraken, gepensioneerden op gepensioneerdentraagheid de straat kunnen oversteken, sporters kunnen sporten. Het leven van de burger hoort bovenaan de lijst, niet de grootte van de taalgroep in het parlement. Wij betalen onze bestuurders om te zorgen voor een ordentelijk ruimtelijk beleid. Een infrastructuur die levens redt en niet kost. Het is de opdracht van de journalist hardnekkig te blijven hameren op die nagel, eerder dan een podium te knutselen voor elke zichzelf bevlekkende bekende nitwit.
Of moeten wij, zoals een naar verluidt groot staatsman suggereert, ook gewoon maar even op de knieën en doorslikken?

Herfst

Veel wandelaars zijn er niet in het park vandaag. Nochtans zindert de zomer nog na, een uitdovend vuur. Ik zit op een bank aan de vijver. Een paartje slentert voorbij. De liefde is nog pril, lees ik in hun ogen. Een trotse oma met een kinderwagen, een vermoeide jonge vrouw ernaast. Een andere vrouw, alleen op een bank. Ik ken haar niet. Ze lijkt onvolledig. De najaarswind waait haar gemis langs me heen. Ik sla mijn benen over elkaar, open het boek. Dit had ook in mijn tuin gekund, maar ik hou ervan op te lossen in de open ruimte waar ik, schuilend achter het gedrukte woord, de bewegingen van passanten gadesla en flarden van hun zinnen vang. Alles is materiaal en alle materiaal is recycleerbaar.

Het boek leidt me naar een strand. Twee mannen wandelen langs het water. Ze herinneren. Loopbanen, levens, liefdes. Ik hoor de golven en de meeuwen, adem het zilt in mijn longen, deel hun passies, schuif met ze mee aan tafel, proef garnalen en Rodenbach.
Een basstem zet me bruusk weer op mijn bank.
“Hey. Lang geleden. Stoor ik?” Een retorische vraag.
“Ja. Neen,” stotter ik. Ja, het is lang geleden. Nee een beleefdheids-nee.
Hoe het met me gaat? Goed, en met hem? Oh, ca va. Het lichaam hapert wat, hier en daar. Drie jaar met pensioen, alweer. Maar hij klaagt niet, heeft altijd goed de kost verdiend. Kinderen allebei het huis uit. Ook de vrouw zit thuis, werk onbekwaam, een toestand. Maar het is zoals het is, we leven nog, ha. Anderen zijn al lang weg.
Elke dag verzilvert hij zijn ZOO-abonnement. Toch altijd een paar uurtjes buiten.
“Gelukkig maar, ” zegt hij. Want de hele dag thuis, daar wil hij liever niet aan denken. Nee, hem zie je nog zo gauw niet wegzakken in het leder van de televisiebank. Fascinerende wereld, de ZOO. En of ik me x nog herinner? Die racet en rent alsof hij nog altijd twintig is. Beetje zinloos, als je het hem vraagt, de Tour de France gaat hij niet meer winnen. Ach, ieder zoekt een bezigheid om de tijd te vullen, toch? Nee, het zwarte gat, daar moet je bij hem niet mee aankomen. En ik?

Ach. Ik zit op een bankje en blader in een boek.
“Ja,” zegt hij. “Zoveel is er ook niet te doen, met de Covid. En voor mensen van onze leeftijd al helemaal niet.” Tussen zijn woorden sijpelt een nostalgisch verlangen naar meetellen, belangrijk zijn.
“Dieren in een kooi doen mij al gauw aan oude mensen denken,” zeg ik. “Ook voor de leeuw achter tralies moeten de dagen eindeloos leeg lijken. Nog saaier dan fietsen op rollen.”
Verveling? Kent hij niet. Met boeken lezen je tijd verdoen, dát lijkt hem pas vervelend. Pas op, ieder het zijne, daar niet van, maar hem lijkt het de saaiste weg naar het eindstation.
Ik vertel maar niet over het boek op mijn schoot. Dat ik het gisteren heb uitgelezen en er vandaag opnieuw in ben begonnen. Niet alleen omdat het zo mooi is. Dat is het zeker wel, daarover misschien een andere keer. Maar omdat ik het wil doorgronden. Ontrafelen. Hoe is het gemaakt? Volgens welke structuur? Waar geven de auteurs – de twee wandelaars hebben het boek ook samen geschreven – welke informatie vrij? Welke beelden gebruiken ze? Welke hints heb ik bij een eerste lezing gemist? Ik bestudeer het geraamte onder de woorden, de paspop waarover de schrijvers het kleed drapeerden.

“Salut,” lacht hij, even prompt als hij gekomen is, “de flamingo’s wachten.”
Ik heb hem niet verteld over wat ik nog allemaal wil. Over hoe belangrijk dromen is, fantaseren, ook in de nadagen van ons leven. Over de kansen die deze fase ons nog biedt. Leven is een werkwoord. Je moet het leven, of het leeft jou. Ha, zulke pseudo-intellectuele diepzinnigheden verzinnen vind ik ook een vorm van vermaak.
Ik droom dat op een dag, ooit, ergens, iemand – altijd droom ik een vrouw – op een bank in een park met een zucht een roman dichtklapt. Met vochtige ogen monstert ze nog even de achterflap. Een rimpelige, grijze man. Twinkel in de ogen, beetje raadselachtige glimlach op de lippen. Een ultra-laatbloeier, staat erbij. Weer zucht de vrouw.

De wind wordt fris.
De herfst staat voor de deur. De as van de zomer gloeit na, de winterkou soest afwachtend onder een behaaglijk bladerdek. Het pad tussen de twee tooit zich in bedrieglijk warme kleuren.
Ik sta op en fiets naar huis.
De tijd is kort. En er valt nog heel veel te doen.

Etiketten

“Kijk, je staat in de krant!”
Anna Lyste, hoofd van de redactie Politiek bij De Schrijverij, prikte met haar wijsvinger naar een vette kop.
De Vlaamse kijker wil Vlaamse programma’s zien’, las ik.
“Waar iets vandaan komt, maakt mij niets uit,” antwoordde ik, “Babylon Berlin uit Berlijn, Years and Years uit Manchester, Over Water uit de haven, in mijn huiskamer kan je de ganse wereld zien.”
Anna zelf komt uit Roemenië, ze heeft het juk van Ceauşescu nog meegemaakt. Ze voelt zich nauw verbonden met haar geboorteplek. Dat is niet een sentiment dat we delen.
“De Vlaamse kijker, dat ben jij toch?” hield ze aan.
Een Vlaamse kijker, dat ben ik. De Vlaamse kijker bestaat helemaal niet, zomin als de Vlaamse kiezer of de Vlaamse frietenbakker. Er zijn zes miljoen Vlamingen, geen twee ervan dezelfde. Gelukkig maar.”
“Voor iemand die niet bestaat, komt hij toch vaak in het nieuws,” bleef ze koppig.

Daar had ze een punt.
Toen we nog kinderen waren, leek het allemaal onschuldig. Wij waren wie we waren, en anderen waren anders. We dichten mensen uit andere landen aparte eigenschappen toe, karaktertrekken die spot of minachting in zich droegen, waardoor zij op de schaal der menselijke volmaaktheid steevast  voor ons moesten onderdoen.
Nederlanders waren gierig, terwijl wij toch vooral gulle Uilenspiegels waren. Dat bleek meestal niet uit de grote geldinzamelacties op televisie, bij een watersnood of uitzonderlijke droogte in een verafgelegen land. Ho maar, zegden wij dan, wij zijn wel met minder. Wij bevroedden niet dat nog kleiner worden ooit het hoogste doel zou worden van deze kleikluit aan de zee.
Duitse teams pletwalsten als een perfect getunede strijdmacht over gras en tegenstrever. Opgeven stond niet in hun vocabularium, de strijd tot aan het gaatje. Een residu uit de oorlog, monkelden wij, die wij toch maar mooi gewonnen hadden.
Voor het gemak gooiden wij Fransen, Italianen, Spanjaarden en Grieken op een hoopje. Zij sleten zomers lang lui in de zon, laafden zich aan pastis, ouzo en witte wijn. Daardoor bleven hun straten stoffig en de mensen arm. Bij ons daarentegen was luiheid des duivels kussen, wroette men zich van school tot graf naarstig in het zweet. Arbeiden als hoogste deugd, naast devote onderdanigheid en een keurig gemaaid gazon.
Engelsen waren raar maar geestig en Schotten droegen onder de neus een dikke rosse snor en onder hun kilt geen onderbroek, zowel de mannen als de vrouwen.

Een mens groeit daaruit.
Op een dag gooi je die kinderlijke vooroordelen overboord. Ook Schotten hijsen zich strak in het pak, ontelbare Duitsers hebben een fluwelen inborst en in het warme Zuiden dient men eveneens te ploeteren voor de kost. Wat mensen voelen, komt overal ter wereld op hetzelfde neer. We delen dezelfde zijn en dezelfde vreugdes. Wereldwijd maken moeders zich zorgen om hun kind, doet liefdespijn pijn en rouwt men om de dood. Honger klauwt in elke maag even grimmig. Ieder streeft naar geluk en over de hele wereld bezoekt men toilet en sterfbed.

“Hier weer,” spotte Anna: ‘De Vlaming heeft hier niet voor gekozen.’
“Dat zal een andere Vlaming zijn,” mompelde ik gelaten.
Ik voel geen affiniteit met de Vlaming die op de zeedijk tegen zogeheten straffeloosheid marcheert terwijl hij ongestraft een scabreuze leus scandeert. Noch met de Vlaamse mandataris die zesduizend euro per maand opstrijkt om zwaaiend met een dweil een collega te beschimpen die, na anderhalf jaar, wél overweegt te doen waarvoor hij verkozen werd. Niets heb ik met de weerzinwekkende oprispingen uit Vlaamse hoek als de brand uitslaat in een vluchtelingenkamp. Ik keer mij af, vervuld van walg en aversie.
“Waar stond die Vlaming toen de emotionele intelligentie werd geveild? Hoe kan je niet de pijn voelen van wie ginds probeert te overleven en opgejaagd weer verder moet, zonder have, huis of goed?” fulmineerde ik. “Men noemt hen parasieten, per definitie illegaal en crimineel. Tot in de hoogste regionen toetert men mee. Onze onschuldige vooroordelen van weleer muteerden, als een kwaadaardig virus. Men kleeft labels op de ander, dat maakt het makkelijk en overzichtelijk. Men kwetst, vernedert, beledigt. Walen zijn profiteurs, Marokkanen dieven, ga zo maar door.”

 “En jij?” pareerde Anna mijn tirade.
“Jij doet toch precies hetzelfde? Jij giet die Vlaming toch ook in een mal en kleeft er het etiket ‘onverdraagzaam’ op. Dat maakt jou zelf lekker superieur. Jij oordeelt en veroordeelt net zo goed,  alsof je de hoogste rechtbank van het morele landschap voorzit.”
“Nuance,” antwoordde ik. “Mij gaat het om de daad, niet de afkomst van de dader. Soms is gedrag gewoon verwerpelijk, of het nu komt van een studentendoper, een politieagent of een inwijkeling.  Net als vroeger, op school, daar kreeg de leraar van mij ook niet altijd gelijk, daardoor trouwens dat ik…”

“Hé ja, daar zijn we weer, “ onderbrak ze, “dat verhaal. Bedankt voor de les hoor, schoolmeester.”
En ze lachte haar meest innemende lach waarvan ik vanbinnen weker werd als een weekdier in de sauna, zoals dat gaat, bij oude witte mannen.

Ezels balken

“Het Wifi-paswoord op deze camping is EzelsBalken,” zei de boerin.
In haar groene laarzen stapte ze vastberaden door het benevelde gras naar de boerderij. Het caoutchouc klotste tegen haar kuiten. Het erf was afgeboord met een lage, houten schutting. Op de spitse paalpunten prijkte afgedragen schoeisel: sandalen, bottines, klompen, crocs. In een aanpalende wei plukten zeven ezels de zoden uit de grond.  
“Zet me ertussen en je vindt me nooit meer terug,” mompelde ik in mezelf.
Ik hoorde het gras scheuren, de kaken malen. De langoren keken ongeïnteresseerd de verte in, voorbij de kerktoren, tot waar hemel en aarde als geliefden in elkaar overgingen. Wat er ook zou gebeuren, niks kon hen deren. Er ging een ongenaakbare onschuld van ze uit, en schoonheid. En de traagheid van vroeger. De tijd had deze plek uit het oog verloren, de ezels, de mest, de laarzen en klompen, relikwieën uit vervlogen geschiedenis.

“Lief hé,” zei een vrouwenstem achter me. Ik knikte.
“Eigenwijs ook,” ging ze door. Ze klonk alsof ze van de streek was. Van den buiten, zeggen ze bij ons.  In de stad, waar men het verschil niet kent tussen een zoogdier en een amfibie. Vanop de Boerentoren kijkt men neer op wat men hautain Parking noemt.
“Tja, zo koppig als een ezel,” antwoordde ik.
“Ja, nou. Twee ervan zijn zwanger.”
Wat het ene met het andere te maken had, ontging me. Ik had ook geen idee over welke dieren ze het had, geen van de viervoeters had een opvallend zware buik.
“Welke dan?” vroeg ik.
“Marloes en Julia,” antwoordde ze prompt.
Ik glimlachte: “Ik ben hier nog maar pas, we kennen elkaar nog niet persoonlijk.”
Ze lachte niet terug.
“Marloes is die grijze daar en Julia, die zie ik even niet,” zei ze. “Ik was erbij toen het gebeurde. Als het goed is, dan lopen er volgende zomer een paar donkies bij.”

Dat is nog een lange draagtijd, dacht ik.
Ik keek toe hoe het zevental onverdroten bleef kauwen. Er was genoeg voor iedereen. De dampende geur van de mestvaalt bracht me terug naar het erf van mijn grootouders, ver weg in een andere eeuw, in het gehucht waar ik geboren ben. Ook daar walmde ‘s ochtends de drekgeur over de velden. Het toilet bevond zich achteraan de hoeve, een houten bak met een dreigend gat erin, pikdonker en veel te groot voor een kinderderrière. Ik hoorde voortdurend gesis uit de diepte en was als de dood er voor altijd in weg te zinken. Er woonden oeroude serpenten die me naar de stinkende bodem zouden zuigen en verstikken in stank en stront.
Grootmoeder bakte zelf het brood. Ze drukte het tegen haar enorme boezem, kraste er met een groot mes een kruis overheen en sneed er met lange halen dikke zurige plakken af. Een enkele boterham en je buik barstte.
Slapen moesten we op zolder. In het donker blies de wind knisperend en ritselend leven onder het gebinte. Er schuilden onder dit dak voorzeker vogelvrijverklaarde boeven en moordenaars, gewapend met een bijl, tot alles in staat en nog meer, wachtend op het goede moment om ons in onze slaap de keel over te snijden.
’s Ochtends kraaide de haan de zon wakker, waarmee hij meteen de redeloze kinderangsten verjoeg uit onze fantasieën.

Het waren de jaren van mirakelen en verwondering.
De mens ging landen op de maan. Computers konden staartdelingen oplossen, sneller dan jij een twee drie bedot kon zeggen. Na de eeuwwisseling, nog decennia van ons verwijderd in het magische jaar 2000, zouden auto’s kunnen vliegen en varen. Scholen werden afgeschaft, mensen zouden zomaar alles al weten. Natuurlijk zou er wereldvrede zijn en geen honger of ellende meer. Een maaltijd zou bestaan uit een gekleurd aspirientje. Waarom ook niet? Alles was mogelijk, het ging alleen maar beter worden.
De toekomst lachte ons uit in ons gezicht en we zagen het niet.

Ik draaide me naar de vrouw.
“Bij de geboorte, daar gaat u ook bij zijn?”
“Als het god belieft, zeker,” antwoordde ze, “iets mooiers kan je toch niet bedenken? Dichter bij het leven kan je toch niet komen? Dat maak je in de stad niet mee.”
Nee, dacht ik, u hebt gelijk.
Ik zette mijn mondmasker op en liep in een boogje om haar heen.
De ezels maalden onvermoeibaar door.
Hen kon het niks schelen.

Een dag in september

Het was de eerste dag van september, een dag die me wellicht bijblijft tot ik zelf herinnering word. Het is avond. Ik zit naast het bed van mijn vader. De kamer op de palliatieve eenheid moet nog koelen, de zon is al onder maar gloeit nog na.
“Het is ok,” zeg ik, “ik ben er, je mag gaan.” Soms ben ik in het diepst van mijn gedachten echt een god.
Er komt geen wederwoord meer. Enkel het tergende tikken van de secondewijzer op de ronde klok herinnert monotoon aan het verglijden van de tijd.

In normale omstandigheden begroet ik op deze dag mijn gezellen voor het nieuwe schooljaar, ook altijd een moment waaraan enige spanning voorafgaat. Hoeveel groter werden de kleintjes tijdens de voorbije vakantie? Wie is er weg, wie gebleven? Hoe reageert het nieuwe vlees in de kuip? De eerste dagen besnuffelen ze elkaar, als puppy’s. Wie bijt, wie is speels, wie aanhankelijk? Ze wegen hun leerkrachten, wat kan bij wie? Het korps intussen worstelt en discussieert zich voorbij dikke dossiers, verzamelt attesten, stort zich in bruuske hectiek na een luie zonnige zomer.
Ik koester een zelfbedachte theorie.
“Het echte leren gebeurt tijdens die twee maanden vakantie. Er is dan tijd om alles wat er het voorbije jaar werd ingeramd, een plek te geven in de ladenkast van het brein. Wat nog nodig is, komt in de eerste schuif. Het overbodige wordt ergens achter in een kast gepropt die nooit meer opengaat.”
Het gebeurt in die dagen wel vaker dat collega’s wat meewarig op mijn denkbeelden neerkijken.

Mijn vader beweerde steevast dat hij elk schooljaar eindigde als eerste van de klas, maar niet de kansen kreeg om langer school te lopen. Mijn moeder trouwens ook. In het donker van onze grote slaapkamer fluisterden wij wel eens dat de klasjes in die tijd wel heel klein geweest moeten zijn. Hoe ging dat toen, school, in een wereld die er nog veel slechter aan toe was dan vandaag? Het waren jaren van overleven, een meedogenloze harde hand en een diepgeworteld geloof in autoritaire leiders. Een vader was niet een gids maar een generaal die dweepte met woorden als gezag, respect en verantwoordelijkheid, begrippen die vandaag meer belegen smaken dan een vier jaar oude brokkelkaas van Gouda.

Excuus, dat laatste neem ik terug.
Men slaat ze nog om de oren van wie jonger is dan achttien. Wij, die bevrijde, bandeloze generatie klaplopers uit de jaren zestig en zeventig, pruttelen en zeuren ons de tanden uit de bek, rollen kibbelend over de sociale media en besmeuren elkaar met gezegden waarvoor de gemiddelde scholier een woensdagmiddag mag nablijven. Wat op de speelplaats pesten of schelden heet, wordt later vrije meningsuiting. Dan mag het. Voor de jongere klinkt alsmaar luider de roep naar de harde aanpak van vroeger.
Ik vroeg het die avond aan mijn vader: “Werd je daar nu een beter mens door?”
We lieten die vraag onbeantwoord, elk verwikkeld in ons eigen gevecht.

Woorden wekken, voorbeelden strekken.
Compassie voel ik voor de adolescenten die volgende week onze goed geventileerde klaslokalen zullen vullen. Afgelopen maanden mochten ze niets. Geen festivals, geen feesten, geen bijeenkomsten, niet uitgaan. Ondertussen pruilden de zogenaamd volwassenen als kleuters. Ouders en familie protesteerden opstandig, verwierpen elke autoriteit, contesteerden de opgelegde maatregelen, legden ze soms klakkeloos naast zich neer. Wie anders dacht, werd zonder de kleinste morzel respect publiekelijk geschoffeerd. Verantwoordelijken tot op de allerhoogste niveaus schuwden elke rekenschap, wij volgen ook maar adviezen, of godbetert, haben es nicht gewusst.  
En zij, ze zagen vanuit hun kamers een zomer van dromen langs het raam voorbijvliegen.

Nu wachten hen batterijen extra orders, verordeningen, richtlijnen en regels. Mondmaskerade, kleurencodes, ontsmetten en ventileren. Van het ene kot naar het ander.
Alle scholen moéten open, zegt Ben, er is geen alternatief. Nog meer leerstof missen kost ons onze plek op de OESO-ranking, daar mag wat volksgezondheid voor in de weegschaal. Soms denk ik, kunnen we niet een keer een sinus of een tangens skippen? Het oude Egypte laten voor wat het was? De onvoltooid toekomende voorwaardelijke wijs in het Frans stiekem negeren? De begrippen eb en vloed leggen ze ons wel uit tijdens het journaal.

De speelse pups zullen aandacht eisen.
Iemand zal prutsen aan de pijltjes op deuren en muren. Een ander zal tijdens een saaie les het elastiek van het masker van wie voor hem zit, vrolijk tegen de oren laten kletsen. Een derde vanachter de monddoek een vulgariteit roepen. Een fles ontsmettingsgel leegspuiten op een jas.  Sommigen zullen hun masker vergeten, of kwijtspelen. Soms opzettelijk, uit schaamte, omdat terwijl klasgenoten hun gelaat tooien met de meest blitse prints, zij daar zitten met een door oma zelfgemaakt bloemetjesmotief voor een mond vol tanden.

Ik duim voor ze.
Dat ze leerkrachten mogen ontmoeten die naar hun verzuchtingen luisteren. Hun onbegrip begrijpen. Hun kritiek respecteren. Tijd maken voor ze, sterk genoeg in de schoenen staan om ze door dit moeilijke en ingewikkelde jaar te loodsen.
Gidsen.

De avond is ongemak

Enkele jaren geleden. Het letsel moest nog litteken worden. Maar ook je wonden likken gaat na een tijdje zurig smaken. Het heelt nauwelijks en intussen tikt de klok gestaag verder, tik, tik, tik, tot hij stilvalt. Wanneer dat gebeurt, weet je niet, je kan de tijd die je rest maar beter vullen met dingen waar je hoopt plezier aan te beleven. Wie ophoudt met dromen houdt op te leven, en een mens is nooit te oud om te leren, zegt men. Dus schreef ik in voor een cursus, Creatief Schrijven heette die veelbelovend. Een van de eerste opdrachten luidde: ‘Stel, je oefeningen uit dit cursusjaar worden gepubliceerd en de uitgever vraagt jou de flaptekst te schrijven van deze bundel.’
Dit leverde ik in:

Dit doosje Pralines bevat taalsnoepjes in een rijke verscheidenheid van vorm, kleur en smaak. De vulling is een melange van joligheid en weemoed, op smaak gebracht met een shot cynische humor of een snuif tederheid, geglaceerd in een laagje optimistisch geloof. Een hemelse chocola die je gehemelte masseert.
Deze Pralines verteren licht. Proef de liefde en ambacht waarmee ze zijn bereid. Laat ze smelten op de tong, snoepje na snoepje. Bij voorkeur te degusteren tussen avondmaal en slapengaan. Een voorsmaakje voor een gelukzalige nacht.

Ver over de top, ik weet het. Deze vlag dekt helemaal de lading niet. Maar uitgevers moeten liegen, niemand koopt een boek waarvan de kaft de waar misprijst:

Pralines maken is een kunst die vakmanschap vereist, talent en passie, gaven die niet elke amateur zijn toebedeeld. Hoe fraai ook de wikkel eromheen, deze Pralines smaken als een smakeloze, kleverige mengelmoes van plat cynisme en melig optimisme, bereid door een souschef die dringend op zoek moet naar een meester. Wie ze wil consumeren, houd best de Rennie in aanslag. Deze Pralines liggen immers zwaar op de maag, verteren slecht en gunnen u geen seconde slaap.

Met een frons tussen de wenkbrauwen overliep ik dan ook de lofspraak op de omslag van ‘De avond is ongemak’, een boek van Marieke Lucas Rijneveld. ‘Doet pijn’, ‘zeldzaam debuut’, ‘verstikkend’, ‘komt met een mokerslag binnen en dreunt nog tijden na’, ‘doet denken aan Jan Wolkers’, ’heeft me verpletterd’, ‘excelleert in de fantasie’, ‘dichterlijke taal’, ‘hallucinerend debuut’, ‘wervelend’, ‘adembenemend’. De uitsmijter: ‘Rijneveld wordt geen hele grote. Ze is het al’.

Zoveel jubel schept argwaan. Al te vaak liet ik verkooptrucs van de publiciteitsafdeling het saldo op mijn bankkaart kelderen. Maar tegelijk wilde ik wat er stond heel graag geloven. Ik was razend nieuwsgierig, het boek haalde zelfs de shortlist van de prestigieuze International Booker Prize. Margaret Atwood staat op de erelijst, William Golding ook, Kingsley Amis, Nadine Gordimer, Salman Rushdie. Dus ik ruilde vijftien euro van mijn pensioen in voor 270 pagina’s van belofte. En de koe bij de horens: ik adviseer u om hetzelfde te doen.
Niets op de flap is onwaar. Nog tijdens het lezen dacht ik: als het uit is, begin ik opnieuw. Nagenoeg elke pagina schenkt je een beeld, een bedenking, een detail waarbij je even stil wil blijven staan. Meteen al op pagina één, je voelt en ruikt de vettige uierzalf, “… het rook naar gaargestoofd uierboord, dat in dikke sneden besprenkeld met zout en peper weleens in een pan met bouillon op het fornuis stond en waar ik van gruwelde, net als van de stinkende zalf op mijn huid.” Daar zit je dan, in die afgelegen boerderij ergens in Holland, met dat smeersel en die dikke moedervingers op je gezicht. Welkom in dit nieuwe universum.

Lang verhaal kort: Jas, de vertelster, verzoekt god of die niet eerder haar broer Matthies bij zich wil roepen dan Dieuwertje, haar konijn. God, zoals we hem kennen, aanhoort haar bede. Het boek verhaalt hoe vader, moeder, broer en zussen elk op hun manier verdwalen in verdriet. Het gezin rafelt uit elkaar als een oude stofdoek, draadje na draadje. Van dit wonden likken raak je niet een twee drie af. Lijden krijgt klank, geur, beeld en een wrange smaak. Pijnlijk, zeker. Verstikkend, absoluut. Een mokerslag, helemaal. Dreunt na, yep. Niet alleen de avond is ongemak. Dat is het lezen van dit boek ook. Kunst raakt waar het pijn doet.

Marieke Rijneveld is negenentwintig. Ze voegde Lucas toe aan haar naam, omdat ze niet helemaal zeker is of ze wel in het juiste lichaam woont. Ze twijfelt, over gender en veel andere dingen, denkende mensen kennen weinig zekerheden. Wat zeker is: een koe heeft vier magen. En wat even zeker is: ‘De avond is ongemak’ is een schitterend boek.

Hoogmoed (C-kronieken 10)

Avondklok. Samenscholingsverbod. Sociale lockdown.
De stad versmacht onder de geladen stilte van een kerkhof. Ratten kruipen uit riolen, lichtekooi, dronkaard, hoerenloper moeten weer in hun kot. Granaten ontploffen achter de neergelaten blinden. Het lijkt een oorlog waarin jij de vijand bent.
De omgang is bits en grimmig. Iedereen ontevreden. Je ziet geen glimlach meer in straat of zaak, geen kuiltjes in de wangen, geen sensuele lippen. Slechts half dichtgeknepen ogen die argwanend controleren of ook jij je aan de regels houdt. Je laatste hand gaf je, tja, wanneer? Je herinnert je geen knuffel meer, laat staan een zoen. Je volgt kruiperig wetten die je gisteren nog voor ondenkbaar hield, en waarvan je je vandaag angstig afvraagt of ze ooit weer weg zullen gaan. 

Je bent kwaad, maar je weet niet op wie.
Niet op het virus, hoe stom zou dat zijn? Trouwens, mocht je zelf virus zijn, je zou het niet anders hebben aangepakt. Missie geslaagd, helemaal zoals destijds besproken tijdens de internationale top met de Grote Vijf in Viranië.
“Het is de mens, dat verwaande dier”, had Griep gezegd.
“Zelfverklaard orgelpunt der schepping”, antwoordde Sars.
“Hij vermenigvuldigt zich onophoudelijk, neemt alsmaar meer ruimte in, sjoemelt met de wereld, houdt enkel rekening met zichzelf”, mopperde HIV verslagen.
“Maar hij vindt wel overal een antwoord op”, reageerde Ebola somber.
“Denkt hij,” onderbrak Covid kordaat. “Laat hem. Zijn ego is zijn zwakke plek. Niet enkel de soort zwelgt in ijdelheid, dat doet ook ieder van hen. Laat hem maar geloven in zijn onkwetsbaarheid. Hoe meer eigenwaan, hoe minder waakzaam. Ze zullen ons minachten, ons bestaan ontkennen, denken dat we vanzelf wel weer weg zullen waaien. Zij dwalen.”
De strategie was even helder als eenvoudig. Startsein voor de aanval op een doordeweekse markt, ergens in het Oosten.
“Dat wint tijd. In het Westen maalt men niet om ellende op een ander continent. Zolang er brood en spelen zijn en de beurzen juichen, mag de rest van de wereld in de koudste oceanen ten onder gaan. De reiziger vliegt elke microbe onachtzaam en gewillig de wereld rond. Minuscuul zullen we zijn, onzichtbaar voor het blote oog, maar talrijk en altijd en overal, achteloos tussen de volkeren zweven en immer alert. Infiltreren gaat eenvoudig doch efficiënt. Niet langer dat vermoeiende gedoe met seks zoals met HIV destijds, niet moeilijk doen.”
Nee, was jij een virus, je had het niet beter bedacht.

Je zou je kunnen opwinden over de kapiteins op het zwalpende schip.
Onze roergangers slagen er slechts moeizaam in een overtuigend plan te bedenken, een remedie waarin je kan geloven. Maar wat zou het? Zij behoren net als jij tot hetzelfde mensdom. Beperkt in talent, in snelheid afgetroefd, gebonden aan wetten van economie en ethiek, wanhopig op zoek naar, godbetert, draagvlak, en eeuwig bezorgd om persoonlijke carrière. Hoe zou je zelf zijn? Zou jij het beter doen? Op een dag raakt ook hun toorts opgebrand en komen weer andere verlichte geesten in de plaats. Als motten cirkelen wij dan weer rond die nieuwe, felle gloed. Ook dat zal, zoals alle dingen, tijdelijk zijn. Alras worden zij op hun beurt voorwerp van spot, rottend ongenoegen, venijnig verwijt en boertig gebagger op Twitter.

Natuurlijk kan je je ergeren aan je lotgenoten.
Er zijn er genoeg die je gramschap verdienen. De politicus die met vrienden roekeloos barbecuet in de tuin, feest in den vreemde of danst op een dakterras. De jogger of wielertoerist die zich in je ademzone wringt, vergezeld van  penetrante zweetgeur en bijhorende druppels. De suffende shopper die de dikke markeringen op grond en uitstalraam weigert te begrijpen, het onderscheid niet kent tussen links en rechts. De vrouw met de monddoek onder kin of neus. Het heethoofd dat de beschermlap weigert om te binden. De wijsneus die pretendeert beter te weten, alsof hij het is die zich tureluurs blokte op de cursussen Virusleer en Studie der Pandemische Remedies. De kneus met de altijd weerkerende vragen: “Als ik een masker moet bij fietsen en touwspringen, mag ik dan steppen en hinkelen zonder? Daarover zeggen ze niets.” Doodmoe word je daarvan. Op televisie geeft de professor toelichting, als een juf voor de kleuterklas. Je wil ook niet voor de zoveelste keer je energie verspelen aan de burgemeester wiens stad in lichterlaaie staat. “Dat ze ginds maar uitkijken, daar gaat het morgen helemaal fout”, wijst hij. De slaafse journalist wijst mee.

Het heeft geen zin.
We zitten allemaal in dezelfde schuit.
Het is niemands schuld, of die van iedereen. Het is niet kwaadheid die je kribbig maakt. Het is onmacht, radeloosheid.
Het besef dat niet langer jij, superieure mens, meester bent over de schepping. Dat er dingen gebeuren waarover geen van ons ook maar de geringste controle heeft, al zijn we met bijna acht miljard. Het ego van de homo sapiens is midscheeps geraakt. We zijn niet langer onaantastbaar.
Wat ons pijn doet, is de les in nederigheid.