Blog

Louis

               Soms heb je een dag die je het liefst maar meteen wil overslaan.
               Een dag waarop je bij het ontbijt al weet dat alles wat je aan zal raken vanzelf in oud ijzer verandert. Waarop je de rugzak van het verleden van je rug wil smijten, vergeten de goede en kwade dagen en opnieuw wil beginnen, met een hart vol verwachting en de onschuld van een kind. Dagen van medelijden en zelfverwijt. Wat een knoeier ben je toch en wat een fouten maak je wel niet in dat zielige leven van jou!

               ‘Als ik fouten heb gemaakt, dan was dat in de overtuiging dat het geen fouten waren,’ zegt Louis Van Gaal in Louis, een beklijvend portret van de coach van het Nederlands elftal. Een boeiende inkijk in leven, werken en ziel van een gewone Hollandse jongen die het ook niet kan helpen dat hij de middelmaat overstijgt. Vergeet de tegeltjeswijsheden van Johan – ‘als wij de bal hebben, kunnen zij niet scoren’ – Cruyff. Johan is weg, Louis is er nog even.
               ‘Wat ben ik toch goed in alles wat ik doe,’ lacht hij na een geslaagd puttertje op de golfbaan. Hollandse branie en zelfspot. Wat dollen en grollen, het leven hoeft niet altijd dodelijk ernstig te zijn, het is op zich al dodelijk genoeg. En het voetbal al helemaal niet.
               Ogenschijnlijk een wat saaie, keurige man. Altijd en overal netjes op tijd, jasje goed, dasje goed. Kordaat, direct, recht door zee. Soms zalvend, soms slaand, soms wars van emoties, alles in functie van het grotere geheel, het team, het gezin, de familie.

               Er is niks fake aan Louis.
               ‘Ben jij nou zo dom of ben ik nou zo slim?‘ vraagt hij een journalist als die weer eens een opmerking heeft over een of andere tactische ingreep. Of die kwaadheid echt is? ‘Dat vind ik nou een domme vraag van je, Geertjan,’ kapittelt hij de interviewer. Alles aan hem is echt. De arrogante betweter, de driftkop, de zorgzame echtgenoot en vader, de traan in zijn ooghoek als hij het heeft over zijn vroegtijdig aan kanker bezweken eerste vrouw Fernanda. Een verdriet dat diep vanbinnen woont en dat je maar zelden uitlaat, daar doe je niet te melig over. Echt en hecht is ook de tandem met zijn tweede compagnon de route, Truus. Een zielsmaatje. Samen vormen ze een zorgvuldig op elkaar ingespeeld team, met looplijnen die de coach er al van bij het begin geduldig heeft ingeslepen: ‘Ik wil een carrière in het buitenland, als jij dat niet ziet zitten dan heeft deze relatie geen zin.’

               Overal waar hij kwam heeft hij gezien en gewonnen. Hoe zoet smaakt de wraak, eerst te worden weggehoond en verguisd en dan je gram te halen met weer een titel of een beker, in Amsterdam, München of Barcelona. Bij elk stadhuis hoort ook wel een bordes met ervoor een uitzinnig joelende en jubelende massa en achter de microfoon MC Louis: WIJ ZIJN DE BESTEN! De Besten, die Besten, los mejores. Als je zo vaak de beste bent, je zou het op den duur nog zelf gaan geloven.       
               Je hobby is je vak en je wordt er rijkelijk voor vergoed, dan wordt je leven een feest. Villaatje hier, penthousje daar.  Maar arm of rijk, groot of klein, wit of zwart, het leven geeft en het leven neemt. Voor iedereen komt een dag met onweer die hij liefst maar meteen wil overslaan, een dag waarop het leven je pardoes een klap uitdeelt. Dat je moet vallen, opstaan en weer doorgaan. Ook als de arts het woord kanker lispelt. Prostaat. In een stadion in Catalonië halen honderdduizend fans de witte zakdoek boven. Er is een tijd van komen en een tijd van gaan.
               ‘Truus heeft er meer last van dan ik. Meer dan 95 % van de mannen leeft na die diagnose gewoon nog lekker een tijdje door. Waarom zou ik nou die ene zijn die dat dan niet doet?’ Lees: ik ben echt niet uitzonderlijk, ik ben ook maar een gewone jongen.
               Nu nog een laatste kunstje in Qatar. Bij aankomst aan het trainingscentrum in Zeist zwaait een hijgerig jongetje met een papiertje en een balpen. ‘Heb jij nou dat hele eind lopen rennen?’ vraagt Louis, na al die jaren nog altijd verbazing in de stem. Natuurlijk maakt hij tijd, een handtekening, een schouderklopje, een kinderlach breder dan een voetbalveld.

               Dagen overslaan, dat weet ik nu, dat gaat zomaar niet. Je moet ook daar doorheen, die horen er ook bij. Want zonder donker geen licht, zonder lelijks niks moois, zonder pijn geen liefde.
               Nu de Belgen er niet meer bij zijn, supporter ik voor Nederland. Voor Louis.

Beste vrienden van de wijkvereniging

Beste vrienden van de wijkvereniging

               Ik was nog een kleine jongen toen ons gezin verhuisde van het landelijke Limburg naar de stad Antwerpen. Dat was wennen. Wij waren gewend aan rust en stilte, het parfum van gele brem en purperen heide en het dreigende donker van het bos aan het einde van de straat.  
               Bij onze nieuwe woonst hoorde een tuin, een grote, verwilderde lap gras, enkel achteraan begrensd door een muurtje. De zijkanten waren open zodat ons speelveld doorliep achter de huizen van de buren. Het duurde dan ook niet lang of na schooltijd voetbalden alle jongens uit de buurt in onze tuin. De wereld was toen nog van iedereen.
               Een enkele buurman wat verderop had zijn tuin met draad afgebakend. Zijn vrouw en hij hadden geen kinderen. Ze staken al hun liefde in hun moestuin, de kleurrijke bloemenperken, de volière en een kleine vijver. Belandde een verdwaalde bal op hun jonge bloemkool, we waren hem voor altijd kwijt. ‘De grond is daar van chocola,’ zegden wij.

               Al mijn hele leven zweef ik als een blad op de zuchten van de wind, van hier naar daar, strijk toevallig ergens neer en blijft daar liggen tot een nieuwe bries me optilt en naar nieuwe bestemmingen waait. Zo belandde ik ook in deze wijk. Weer was dat wennen. De huizen zijn hier groot, tuinen als parken, niet van gewoon maar chocola maar van exquise praliné. Dagelijks wordt er gesnoeid, gemaaid, gekortwiekt. Een mijnheer wat verderop verdenk ik ervan elke spriet in zijn tuin ’s morgens persoonlijk te begroeten. Wat Mark met de dingen doet, doet deze mijnheer met zijn gras. Vrijheid, blijheid, ieder diertje zijn pleziertje, zeg ik altijd maar.
               U behoedt dit woongebied tegen verloedering en houdt ons middels een nieuwsbrief op de hoogte van uw doen en laten. Uw inzet en openheid sieren u, ik wil u er graag oprecht voor danken. Het minste wat ik kan doen is uw berichten nauwgezet doornemen. Dat heb ik dan ook graag gedaan.

               Als ik het goed begrijp, ziet u het als uw plicht orde te scheppen in de chaos van de schepping. Groot gelijk, we kunnen Moeder Natuur niet zomaar haar gang laten gaan. In uw strijd tegen het vallende blad organiseert u een blad opkuisactie. Tevens raadt u ons, gewone luiden, met aandrang af om bladeren op een hoop of in een bladkorf aan de rand van de weg te verzamelen want ‘dit trekt enkel meer afval aan.’ Een aanzuigeffect, ik heb het woord nog gehoord. Die vallende bladeren ook! Dat niemand eraan denkt die hele herfst af te schaffen is toch eigenlijk ook godgeklaagd.
               Mag ik u nederig wijzen op een minuscule spellingsfout? U schrijft de Bonte Hannek, dat lapje grond tussen onze wijk, snelweg en Peerdsbos, met één n terwijl er twee horen te staan. Een pietluttig detail dat ik u graag vergeef. Mensen maken al eens fouten, toch?
               U brengt goed nieuws. Er worden daar kloempen aangelegd, kleine omheinde eilandjes met streekeigen bomen en struiken. Eigen struiken eerst. Mooi. Die kloempen dienen beschermd tegen dieren. Dieren vormen immers het grootste gevaar voor de natuur, dat is bekend. Daarom wellicht ook worden deze winter de muntjakken afgeschoten. Dat hier de muntjak doolt, het kleinste en misschien wel lelijkste hert van Europa, was mij niet bekend. Met zijn korte pootjes lijkt hij meer een varken dan een hert, dat vergemakkelijkt de keuze tussen kloemp en muntjak natuurlijk aanzienlijk. Toch stemt mij dat afschieten erg droef, ik ben er toch meer eentje van leven en laten leven.  Tenslotte kan de muntjak het ook niet helpen dat hij niet moeders mooiste is.

               Een parking langs de dreef komt er niet, een rechtstreeks wandelpad naar het Peerdsbos echter wel. Tweewerf Hoera! Hoeven we op weg naar onze Westmalle met smos in Brasserie de Melkerij eindelijk niet meer langs die vermaledijde Horstebaan. Schitterend!
               Tot slot meldt u nog fijntjes: “Er wordt zo weinig mogelijk ruchtbaarheid gegeven over de toegankelijkheid van het domein om een toeloop van bezoekers van buiten de wijk te vermijden.” Een merkwaardige filosofie om in een brief rond te delen. Bijkomende vraag: zijn de niet-wijkbewoners daarvan op de hoogte? Komen er waarschuwingsborden, genre Slegs vir inwoners of Nie-inwoners nie toegelaat nie? Een vergeten detail misschien, sta mij toe u hierbij van dienst te zijn:

Aan al wie niet woonachtig is in Deze Wijk
Keer om!
De toegang is voor u verboden.
U heeft hier niets te zoeken.
Blijf weg.
Het bos is van ons.

               Ik hoop van harte, vrienden van het wijkcomité, met deze een klein steentje te hebben bijgedragen aan de orde der dingen in ons heerlijke woongebied.
Nogmaals bijzonder veel dank voor uw inzet en toewijding.

Aandacht

               Het plan was: een stukje over Bescheidenheid. Toen moest ik even onweerstaanbaar als onbegrijpelijk denken aan Donald Trump. De menselijke geest maakt grillige kronkels.
               Hoe comfortabel wonen moet het zijn in dat lege hoofd, dacht ik. Ruimte zat, het is niet gevuld met kennis van zaken over wat dan ook. Meningen schieten er als dumdumkogels doorheen maar veel hinder ondervind je daarvan niet; als pubers die veel te jong op eigen benen willen staan, vliegen ze nog maar nauwelijks gevormd het huis al uit. Huisgenoten om van te houden zijn er ook niet, alle liefde vloeit door een interne pijpleiding naar de eigen navel. Je hebt niemand nodig. Je bent je eigen grootste fan. Je brult wat, je scheldt wat, je weent een beetje, je schaamt je nergens voor. En bovenal: je oogst wat je zaait: elk woord van je wordt gehoord, elke scheet bewaard in een fles, over de ganse planeet kent men je naam.
               Als destijds op school een leerling weer eens wat wild of roekeloos deed, meesmuilden wij alwetend tegen elkaar: ‘Dat kind zoekt aandacht.’ Dat kreeg dat kind dan ook. De anderen kregen altijd minder, in veel gevallen zelfs helemaal niets. Ook Sinterklaas brengt niet bij alle brave kinderen hetzelfde snoep.
               Dat is jammer. Er schuilt een hoop onrechtvaardigheid in. We kijken naar de verkeerde kant.
Kijk wel en doe niet om, leerden wij toen wij nog geloofden in de wijsheid van tegelspreuken. Vandaar dus, dat stukje over Bescheidenheid. Om wie wel doet ook een plekje in het spotlicht te gunnen.

Dirk heet de man. Dirk Huyghe. Hij woont in Gent. Hij en ik hebben een en ander met elkaar gemeen. We zijn allebei met pensioen, zien er allebei nog geweldig goed uit en hebben allebei tijd te kort. Daar houdt het wel zo een beetje op. Hij is ex-rijkswachter terwijl ik, ik ben ex van veel. Hij is boswachter nu, terwijl ik? Tja. ‘De beste stropers worden later de beste boswachters,’ voorspelde de Waterschoot van Wiskunde destijds toen ik hem vertelde dat ik een lerarenopleiding zou gaan volgen. Ik vergeet het nooit. Hij heeft gelijk gehad.
Dirk en ik zijn ook allebei fietsers, al kan je de manier waarop onmogelijk met elkaar vergelijken. Hij peddelde ongeveer de hele wereld rond en dan nog een extra stukje erbij. Op een e-bike met twee zonnepanelen op een trailer er achteraan. Meer dan vijftigduizend kilometer. Terwijl ik, ach, de moeite van het vernoemen niet waard.
               Over zijn reizen en avonturen kan hij je uren onderhouden, iets wat hij graag en gretig doet. Hij praat zoals ik me voorstel dat hij fietst, gestaag, een evenwichtig tempo, vastberaden, alle zintuigen scherp, oog voor detail, op zijn hoede voor onverwachte hindernissen.  
               ‘Overal kom je goede mensen tegen,’ zegt hij. ‘Of je nu reist door India of China, Kazachstan, Senegal, Oekraïne of Tibet. Je ontmoet altijd wel iemand die je een gratis maaltijd voorschotelt, een bed aanbiedt, je kleren te drogen legt, je fiets herstelt.’
               ‘Ja, zeg ik, de Russen houden ook van hun kinderen.’ Ik ben van gisteren.
               ‘Waarom doet een mens zoiets?’ vraag ik.
               ‘Om te laten zien dat het kan,’ zegt hij. ‘Omdat het om de toekomst gaat. En het brengt nog wat op ook.’ De aap en de mouw, de kat en de koord, een Siamese tweeling op mijn netvlies. Weer had ik het mis. Zoals ik al zei, we kijken naar de verkeerde kant.

In zijn eentje fietste hij voldoende sponsorgelden bij elkaar om acht of wat scholen in India van eigen zonnepanelen te voorzien, zodat ook daar de kinderen nog hun lessen kunnen leren als de zon al lang gaan slapen is. Met een riksja brengt hij in Gent mindervaliden van A naar B, zomaar, voor nop. Hij voer op vrijwillige basis mee met een drijvend ziekenhuis, de Mercy Ships, om ook de allerarmsten in Afrika van medische en chirurgische hulp te voorzien.
               ‘Ik ga daar een stukje over schrijven,’ zei ik. ‘Dat gaan mijn lezers zeer respecteren. Erg talrijk zijn ze niet, maar ze zijn wel lief.’ God schept immers naar eigen beeld en gelijkenis. ‘Met naam en toenaam. Misschien wel een foto.‘
               ‘Hoeft niet hoor,’ hield hij de boot af. ‘Zet maar gewoon http://bikeandtrek.com/project/.’ Wie mee wil varen mag zich melden.

               Dat was wel het minste wat ik kon doen.
               Waar men gaat langs ’s Heren wegen, komt men goede mensen tegen.
               Een tegeltje.

Laat ons dansen

               Dan is het november. Ik hoop dat u het leuk vindt.
               Meisjes in topjes met spaghettibandjes flaneren door de stad. Vogels kwinkeleren in kalende bomen, op de terrassen tinkelen ijsblokjes in lange glazen.
Moeder Natuur neemt ons in het ootje. Ze judast ons, net als die bullebakken op de speelplaats die in een kring rond hun slachtoffer gaan staan en zo de letter O vormen. Ootje. Zit ook in ik kloot je.
               Zomer in november, het is je reinste flessentrekkerij. Zwendel. Bedrog. Geeft Allerheiligen zonneschijn dan zal het spoedig winter zijn. Wij weten dat en wij negeren dat.

               Ach, november.
               Bij de Romeinen nog de negende op de kalender. Vanwege haar misantropisch karakter door de eeuwen heen gedegradeerd tot een troosteloze elfde.
               November. Slachtmaand. Nevelmaand.
               November. Maand van Boogschutter en Schorpioen. Scherpgepunte moordenaars.
               November. Dat is in de vroege ochtend wandelen met de hond, onder je schoenen het gras voelen knerpen, een muts op je hoofd, een sjaal om je schouders, handschoenen aan. Je adem die grijze mistkegels in het donker stuurt. Een koude neus. Rode oren. Beklemmende mist over berijpte velden.
               November. Moe en moedeloos. Het leven hard en duur en eentonig en waar gaat het ook allemaal naartoe? November is met een pot afgrijselijke bloemen onder je arm naar het kerkhof stappen. Hier eentje voor je vader. Daar een broer. En daar nog eentje, het kan niet op. Jij weet wat verlies betekent. Daar nog een vroegere geliefde. Ginds een vriend. Met dat meisje heb je toen nog, ach.

               In mijn kleine notitieboek kribbel ik een zin: Denkend aan de dood dans ik door het leven. Hij ruikt naar april. Naar hoop en belofte. Hij klinkt als de lach van een meisje op zaterdagavond. Hij staat als een winkelhaak op de naargeestigheid van dit jaargetij. Zijn opgewektheid past hier niet. Niet op deze plek, bij het graf van mijn moeder.
               ‘Dansend? Menens?’ berispt zij vanuit haar graf. Sinds ze daar ligt is ze geen haar veranderd. ‘Kan jij nooit eens een keer serieus zijn?’
               ‘Euh, neen,’ zeg ik, ‘ik weet niet wat dat precies is, serieus.’ Ik weet dat zij denkt dat ik haar in de maling neem. Meesleep in de onophoudelijke stroom van mijn gedachten. Daar werd ze ook bij leven helemaal gek van.
               ‘Waarom mogen wij niet altijd vrolijk zijn?’ vroeg ik.
               ‘Omdat het hier een kerkhof is, tiens. Dansen op een kerkhof? Ben je dan helemaal gek geworden? Mensen komen hier treuren. Hebben verdriet. Ze missen mensen die ze graag hebben gezien.’
               Als mijn moeder spreekt, ben ik karig met een wederwoord. Zij is voor altijd mijn moeder, het is eender in welke vorm. Ik laat haar woorden even zinken. Ook zij zwijgt. Dat doet ze goed. Ze heeft heel wat bijgeleerd de laatste jaren. Ik beeld me in hoe ze in haar kleine keuken koffie gaat zetten en op die manier tijd wint om haar gedachten bij elkaar te houden. Ze weet, tijd wint altijd.

               ‘Ik wil helemaal niet verdrietig zijn,’ murmel ik tegen die fletse foto op die koude steen die dringend moet worden opgeschoond. ‘Waarom zou ik?’
               ‘Nou,’ antwoordt zij, ze woonde jaren pal tegen de grens met Nederland. ‘Om maar iets te zeggen, hier lig ik. Daar je vader, je broers, je vrienden. Geen van ons komt ooit nog terug. Daar mag je best een beetje verdrietig om zijn.’
               ‘Maar jullie zijn toch helemaal niet weg?’ antwoord ik. ‘Jullie leven nog. Hier.’ Ik klop op mijn borst, het doet net geen pijn. ‘Het zijn clichés saaier dan een nieuwbouwwijk maar ik ben blij dat jullie er geweest zijn. En dankbaar. Jullie allemaal. Stuk voor stuk. Jullie hebben mij gemaakt tot wie ik geworden ben. Ik kom niet hier om te treuren. Ik kom jullie vieren.’
               Typisch mijn moeder. Als ze het niet kan winnen, vervalt ze in een nukkig zwijgen. Nog liever draait ze zich om in haar graf dan dat ze haar ongelijk toegeeft.

               Om te bekomen van de emoties ontkurk ik in de stilte van mijn huis een fles witte wijn. Ik duw de koptelefoon op mijn oren en zet de volumeknop op tien. Laat de gitaren wenen: I still got the blues for you. I was only joking. When my guitar gently wheeps.
Ik trek mijn rode schoenen aan.
Meisjes in topjes met spaghettibandjes flaneren door de stad. Vogels kwinkeleren in kalende bomen, op de terrassen tinkelen ijsblokjes in lange glazen.
Er valt nog geweldig veel blues te dansen voor het ook voor mij winter wordt.

Echt alleen Elvis

               In 1977 behaalde ik mijn diploma van de middelbare school. Omdat verder studeren ook toen niet gratis was, vulde ik de zomervakantie met willekeurige baantjes. Wat ik moest doen interesseerde me niet, zolang het maar wat opleverde. In een houtzagerij waar een van mijn broers werkte, zaagde ik van dik hout planken. Daarna versjouwde ik plompe kratten cola en bruiswater en loodzware vaten pils cafékelders in. De brouwer was een vriend van de vriend van mijn moeder. Ik werkte in het magazijn van een tussenhandelaar in ijzerwaren waar weer twee andere broers het beleg op hun brood verdienden. Ik moest er vijzen en nagels, hamers en ijzerzagen van vrachtwagens overladen op houten paletten. Vervolgens sorteerde ik alles in hoge of lage rekken. Later haalde ik dat daar weer af en zette het via een ander palet op een andere vrachtwagen. Ik vond dat wel leuk. Je hoefde niet na te denken, kreeg aan het einde van de week een loonzakje toegestopt en kon intussen de hele dag radio luisteren.

               Toen werd het zeventien augustus. Het nieuws kende die dag slechts één onderwerp. Verder draaide men de ganse dag aldoor hetzelfde plaatje. I remember Elvis Presley heette het onding. Wie de zanger was ben ik al lang vergeten. Tot op de dag van vandaag vertik ik het zijn naam te zoeken. Een Hollander, dat weet ik nog. Het was je reinste lijkenpikkerij. Een dag eerder was Elvis overleden, op het toilet dachten wij toen. Aan een overdosis werd gefluisterd. Een superfan was ik niet echt, maar als opgroeiende jongeling had ik me weleens eenzaam gevoeld op Love Me Tender en Are You Lonesome Tonight en enigszins opgewonden gekeken naar en geshaket op Jailhouse Rock en Burning Love. Ook herinner ik me nog de koorts in de ogen van mijn moeder toen eindelijk een Elvis Live werd uitgezonden, uit Las Vegas of Hawaï. Ook al was de King verworden tot een vadsige schim van zichzelf, hij was en hij bleef de mythische Elvis uit haar meisjesjaren.

               Dat achter de zanger Elvis ook het bedrijf Elvis Inc. schuilging, drong die dag tot me door. Dat er veel haaien zwommen in zijn vijver. Dat terwijl het lijk nog warm was aan de andere kant van de wereld zogenaamd slimme marketingjongens schaamteloos munt wisten te slaan uit het veel te vroege einde van dit in een bepaald opzicht simpelweg tragische leven.
               De mens Elvis wilde muziek maken. Entertainen. De entourage maakte van hem een machine die onophoudelijk geld moest spuwen. Nog voor hij ter aarde was besteld, persten platenmaatschappijen miljoenen plaatjes, drukten uitgeverijen In Memoriamboeken, produceerden geldwolven T-shirts en gadgets, zogenaamd om het icoon te eren, vanzelfsprekend in de eerste plaats om de eigen zakken te vullen.
               Zo verging het de grootste blanke zwarte zanger ook al tijdens zijn leven. Zijn manager, de malafide, geldgeile kolonel Parker zag in hem een jackpot. Een melkkoe. Zo liet de kolonel Elvis op een keer …

               Of nee. Weet u wat? Gaat u toch gewoon zelf kijken naar die film. Elvis heet hij, toevallig. Een waarachtig portret door Baz Luhrmann, die eerder al Moulin Rouge en The Great Gatsby maakte. Rep u naar de cinema. Het grote scherm en the wall of sound zijn nodig.  Het is er haast goedkoper dan thuis. Voor een schamele dertien euro zit u drie uur knus en warm. Mits een kleine opleg kruipt u in een cosy seat, een plekje met een stoelleuning minder en een bijzettafeltje meer. Verlies uzelf in de beloftes van de jaren vijftig en zestig. Rock mee around the clock. Beleef dat leven, voel die passie, deel die pijn. En erger u blauw aan dat stuk venijn, dat corrupt stuk manager dat de ziel van de zanger aan de duivel verkoopt. Overigens duurde het tien minuten voor ik achter die pompoenneus en lebberkin de weer geweldige Tom Hanks herkende. Bewonder de mij tot dusver onbekende Austin Butler die een Elvis neerzet die nog dagen aan je ribben blijft plakken.
               Intens. Ontroerend. Meeslepend. Oprecht. Er is die naïeve jongen en het moeizame geworstel met het supersterrendom. Er is de ontstaansgeschiedenis van de rock and roll. Het raciale Amerika. De schets van zeden en moraal halfweg vorige eeuw. De eeuwige clash tussen kunstenaar en boekhouder.
               En als u dan daarna weer huiswaarts keert, nog helemaal tureluurs en in een hogere sfeer, laat dan de waarheid van het cliché inzinken. Het is waar wat ze zeggen. Ook al heeft hij het gebouw al lang verlaten, Elvis leeft.

Een klein volkoren

               Waar ik woon zijn geen winkels. Vlakbij is wel een megasupermarkt. Je kan er alles vinden wat je hart begeert, behalve liefde en geluk. Dat moet je komen aangewaaid. Of je moet het zelf maken. Er bestaan evenwel geen recepten voor.
Er is vast een reden voor die opvallende afwezigheid van kleine winkeliers. Ik ken ze niet. Ik kan enkel gissen. Dat winkels mensen lokken die van Elders komen. En dat mensen van Elders overlast met zich meebrengen. Dat wij toch meer zijn voor Eigen Overlast Eerst. Daarom aanbidden we de brullende haagschaar, de pruttelende grasmaaier, de loeiende bladblazer.

               Deze week had ik opeens onweerstaanbaar veel zin in een volkorenbrood. Ik moest dus op zoek naar een bakker. Op mijn gemak peddelde ik een rondje door het dorp. In de straat waar wij vroeger woonden had je destijds bakkerij Denise, genoemd naar de goudblonde bakkersdochter. Dat blond heeft met het verstrijken van de tijd wellicht ook van haar glans verloren. De vroegere bakkerswinkel vergrijsde mee. Het is nu een onopvallend huis in de rij.
               Bakkerij Theunis was gesloten. Bakkerij De Block bestaat niet meer. De bakkers aan de Laaglandlaan en Akkerbouwstraat zijn weg. Het valt op hoeveel van wat ooit was, er niet meer is. Mijn dorp is gepimpt. Geüpdatet. Het is mijn dorp niet meer, het is nu Een Gemeente. Voorgeborchte van de stad. Een opgeschoten kind.
               Waar gehakt wordt, vallen spaanders. Ooit sjouwden wij hier van kroegie naar kroegie, nu sukkelen we van bouwput in bouwput. In een vlaag van weemoed verlangde ik plots naar de tijd van in elke straat twee bakkers, drie cafés, een schoenmaker en een kleine kruidenier. Bistrots, taveernes, eethuizen genoeg, maar waar vind je nog een ordinaire kroeg met een biljart in het midden en een simpele pint op de tapkast?
               De nieuwe tijd ja, u zegt het.

               Tijdens mijn zoektocht naar een klein volkoren moest ik vanwege werkzaamheden twee keer van het fietspad de baan op. Dat vonden de autobestuurders niet leuk. Ik ook niet. Hun driftige getoeter joeg mij op, hun boze blikken verwoestten mijn goede humeur. Een dure wagen zonder richtingaanwijzer tikte opdringerig tegen het stuur van mijn fiets.
               Voor het rode licht verderop gaapte ik dromerig naar de traag schuifelende file op de snelweg boven op de brug. Op- en afrit waren afgesloten.
               ‘Zie ze daar staan,’ kraste een stem. Ik keek op. De rimpelige man naast me ging vast ooit nog op klompen naar school. 
               ‘Weet je wat dat is, mijnheer?’ kraste hij. ‘Dat is,’ hier wachtte hij even, ‘de stilstand van de vooruitgang.’ Om deze filosofische paradox te laten inzinken, liet hij een stilte. En toen: ‘Het strafste is, wij doen daar allemaal zomaar aan mee.’
               Ik hield mijn mond. Met oudere mensen weet je wanneer het gesprek begint maar nooit wanneer het eindigt. Ze praten meer tegen zichzelf. Elk woord een druppel medicijn tegen de eenzaamheid.

               ‘Heel de stad ligt open,’ stelde hij. ‘Een patiënt op de operatietafel. Alle organen moeten eruit, er moeten overal nieuwe in de plaats. Niet omdat de oude versleten zijn, helemaal niet. Alleen maar omdat ze oud zijn.’ Hij klonk een beetje bang, vond ik.
               Het werd groen. Het mannetje schoffelde naar de overkant. Ik keek hem na. Geen klompen, wel geruite pantoffels. Misschien heeft hij een punt, dacht ik. Neem dit project. Tien jaar gaat het duren voor het klaar is. Als het eindelijk is afgewerkt, moet het begin worden vernieuwd, daar kan je gif op innemen. Alsof de tijd alleen maar wonden slaat. Alsof al wat is, best zo snel mogelijk plaats ruimt voor iets nieuws. Nooit is het een keertje goed genoeg. De wereld moet vooruit. Vanaf het ogenblik dat iets bestaat, is het alweer uit de tijd.

               Intriest werd ik om de gemoedstoestand van de wereld, die eeuwige ontevredenheid over de staat van het zijn. In een eeuwigdurende draaikolk moet alles altijd weer worden afgebroken en heropgebouwd, gerenoveerd, gesloopt, opnieuw opgetrokken. Ik dacht aan die betonblok aan het Steen. Het moet altijd spectaculairder, moderner, duurder, het wordt daarom niet mooier of warmer.
               Mij overviel een gevoel van dieptreurige troosteloosheid. Nooit is het goed genoeg, dacht ik. We leven niet langer in het nu, we leven in de hoop dat het morgen beter zal zijn. Terwijl dat alles sloten geld slurpt. En we geen middelen vinden om een minderjarig straatkind een dak boven het hoofd te bieden.
               Ik kocht dan maar in het warenhuis een sponzig lang wit. Thuis trok ik de deur achter me toe. Ik schoof de gordijnen dicht. Ook in het donker gaan de dagen voorbij.

Uit het hart

               Dat woorden eerst door je vingers moeten gaan, had de docente gezegd. Want dat je aan een computer als vanzelf als een computer gaat denken. En dat computers niet voelen. Dus dat je echt alles eerst met een pen op een blad papier moest zetten. Het ging om connectie. Om contact. Om verbondenheid. Ambachtelijkheid. Tomaten uit eigen grond smaken ook altijd beter. Turkije doorkruisen met je hele hebben en houden vastgesjord op je fiets brengt je dichter bij de mensen dan veertien dagen spelevaren in een all-in resort in Kusadasi.
               Wij knikten allemaal van ja dat zal wel maar ik dacht toch: mooi niet. Zal ik me daar wat gaan zitten kribbelen in een schrift tot ook mijn oren in de kramp schieten. Vriendelijk bedankt maar neen. We leven in 2022, voor het zware werk zijn machines uitgevonden.
               De docente las de aversie op mijn gelaat. Ze had zulk varkentje al eerder gewassen.
               ‘Probeer toch maar eens,’ zei ze.

               Op weg naar huis dacht ik aan de dikbuikige turven die de oude Russen uit de negentiende eeuw bij elkaar kribbelden. Anna Karenina, Schuld en Boete, Oorlog en Vrede. De stumperds verpieterden hun ogen bij kaarslicht of olielamp, dronken onderwijl sloten thee uit een samowar en terwijl hun pen de ene na de andere volzin op het papier kraste verkleumden hun vingers van de kou. Van een oude Rus kan je misschien nog wat leren, dacht ik, wat van de Rus van vandaag niet kan worden gezegd. Plus, als je denkt dat je het beter weet dan je docent is het redelijk stompzinnig voor haar cursus te betalen.

               Zodoende zat ik dus de volgende dag aan een tafel in een bruin café. Op de achtergrond murmelde Leonard Cohen. Een andere oude man verdiepte zich verderop in koffie en het nieuws van de dag. Op het terras vlogen twee vrouwen van om en bij de veertig ondanks het vroege uur al flink in de witte wijn.
               Uit mijn tas peuterde ik een balpen en een schriftje vol met onbeschreven bladen. Met mijn hand rustend op het papier zocht ik in de kroeg naar inspiratie voor een eerste zin. Gek, dacht ik. Nog is er niets gebeurd en toch gebeurt er iets. Ik werd gewaar hoe er een soort verbinding ontstond tussen blad en lichaam, even onzichtbaar als evident. Hoe zou dat zo komen, vroeg ik me af.  Je zit vóór je schriftje, je raakt het aan, je schrijft er ook óp. Terwijl, je zit tegenóver je scherm. Men zegt ook áchter de computer. Wat als je er een beetje over nadenkt een volstrekt onnozele plek mag worden genoemd.

               Als door een onweerstaanbare dwang aangestuurd griffelde mijn hand enkele woorden op het eerste blad: ‘Dat woorden eerst door je vingers moeten gaan, had de docente gezegd.’ Het stond er echt. Het borrelde zomaar op. Als vanzelf. Alsof mijn hart een bron was die gevoelens en emoties opstuwde naar mijn hoofd dat ze meteen omzette in taal en doorzond naar mijn hand die de gedicteerde frases volgzaam toevertrouwde aan het papier waardoor al die woorden officieel waarheid werden.
               Zo schreef ik, een eerste uur en dan een tweede. Na drie koppen koffie gunde ik mezelf een glas witte wijn. In de spiegel op het toilet knipoogde ik naar mijn spiegelbeeld, moe maar voldaan.

               Weer thuis gaf ik het werk door aan de machine. Zonder nog verder te prutsen aan de ziel van mijn verhaal tikte ik mijn bedenksels over. Mijn vingers ratelden mechanisch over het toetsenbord van de HP Pavillion Laptop, een machinegeweer met geluidsdemper. Het voorgeprogrammeerde brein autocorrigeerde. Functietoetsen verzorgden de lay-out. De editor wees me op een spatie te veel, een woord dat aan elkaar diende geschreven, archaïsch taalgebruik. De spellingscorrector struikelde over punten en komma’s en een mechanische voorleesstem, soms Hollands, soms Vlaams, soms man, soms vrouw, het leven als loterij, wees me op metrum en ritme. Na de werkzaamheden schoot door mijn hoofd: het wordt misschien nog wel wat met deze oude Rus.

               Laat het los, fluisterde mijn hart.
               Deel het met de wereld, besliste mijn hoofd.
               De automatische piloot drukte op Publiceren.
               Het woord is vrij, niet meer van mij. Het is van u, nu.
               Recht vanuit het hart.
               De krampen achter de oren neem ik er met liefde bij.

Baantjes trekken

               Na de zomer heb ik het zwemmen weer opgepikt.
               Van zwemmen word ik rustig. Het is mijn detoxkuur. Na een halfuurtje crawlen ben ik gans gezuiverd. De bagger en ballast waarmee een doodgewone sterveling dagelijks wordt belaagd laat ik achter in het bad. Daarbij komt, het concept is eenvoudiger als een wiegelied. Je beweegt je door het water, op eigen tempo, van de ene kant naar de andere en dan weer terug. Heen en weer, telkens opnieuw dezelfde repetitieve beweging. Een hulpvaardige hand tekende daarenboven nog op de bodem van het bad een lange, kaarsrechte zwarte streep zodat zelfs het grootste warhoofd onmogelijk kan verdwalen.

               Terwijl ik zo mijn baantjes trek, buitelen als jonge dolfijntjes de ene na de andere gedachte door mijn hoofd. Geen idee vanwaar ze komen. Een simpel ei, denk ik ineens, kan men serveren in diverse variëteiten. Bijvoorbeeld als een spiegelei, het oog van een paard zoals wij vroeger zeiden. Of geklutst tot omelet of roerei. Tien minuten hardgekookt, kan ook. In combinatie met tomaat en garnaal, lekker. De ultieme delicatesse is natuurlijk het ei zachtgekookt, vier minuten exact. Dat snoepje bewaarden we vroeger voor op zondag. Achteraf beschouwd niet erg logisch want bij een zacht ei horen soldaatjes en op zondag aten we pistolets. Logica scoorde bij ons thuis nooit hoog op de waardenlijst.
               Mijn gedachten drijven vanzelf naar de pronkkast uit die tijd, van onder tot boven volgestouwd met trofeeën. Bekers en medailles die wij, mijn zus, mijn broers en ik in binnen- en buitenland bij elkaar vlinderden. Familie Zwemvlies noemde men ons. Terecht. Ik dreef lichter op het water dan een lelie waardoor ik ervan overtuigd raakte dat zelfmoord door verdrinking voor mij onmogelijk was. Begrippen als Duvel of Trappist behoorden toen nog niet tot mijn dagelijkse woordenschat.  

               Naarmate mijn training vordert, worden mijn armen zwaarder en mijn gedachten droever. Voor mijn netvlies zeilt het beeld voorbij van die oude vrouw die ik zag op tv. Ze huilde. Op haar borst droeg ze een pancarte van karton. Ik ben geboren onder Mussolini, ik wil niet sterven onder Meloni stond erop gestift. Mijn hart huilt met haar mee. Hoe moet dat voelen, die opnieuw opgepookte angst voor gruwel waarvan je dacht dat je er voorgoed was van verlost? Die Mussolini, stelt de nieuwe Italiaanse premier, was nog de kwaadste niet. Hij had het beste voor met zijn volk. Zijn is een bezittelijk voornaamwoord, die grammatica onderwijst men niet meer. Het volk behoort de leider toe. Die handelt en jongleert ermee naar eigen inzicht en vermogen. Mannen in de loopgraaf, vrouwen aan de haard, ik zeg maar wat.
               Dat het volk het altijd bij het rechte eind heeft, is een hardnekkig misverstand. Het kiest met de buik, analyseerde een geleerde mijnheer. Beter gebruikte het zijn verstand, denk ik dan. Dat onderscheidt ons naar het schijnt van de dieren. Onze buiken zijn Rupsen Nooit Genoeg, obees en onmogelijk te verzadigen. Ze willen meer, meer, meer, meer dan ze kunnen hebben. Als wrakhout spoelen intussen op de stranden waar wij tijdens de zomer nog lagen te bronzen in de zon, hulpeloos de lege buiken aan. Haalt ternauwernood nog het journaal. De negenenvijftig drenkelingen komen na de mening van een halfdronken toogklever over de nieuwe wereldkampioen maar nog altijd wel voor de demonstrerende vrouwen in Iran.

               Inmiddels lig ik niet langer alleen in het water. Door mijn brilletje herken ik de nieuwkomers. Sterke Jan is erbij. En kleine Ben, in een alleraardigst roze zwembroekje met flamingomotief. Hilde en Zuhal zijn er ook. Van aan de zijkant dirigeren hun coaches Sammy en Bart elkeen driftig een andere richting uit. Ze plenzen en pletsen maar zwemmen doen ze niet. Iedereen dobbert maar wat, niemand weet nog waar naartoe. Ze liggen in de weg van wie vooruit wil, meters wil maken, beter worden. Wat doen die hier toch, vraag ik me af. Hun stijl is waardeloos, hun tempo deerniswekkend, hun conditie om te huilen. Dat drift maar in het ijle, de een naar links, de ander naar rechts. Voor de zwarte streep op de bodem die wij allemaal volgen, hebben zij geen oog. Zij maken ons het zwemmen onmogelijk en geen redder die daar wat aan doet. Mocht mijn buik het hier en nu voor het zeggen hebben, ik schopte ze meteen het bad uit.

               Van onder de douche zie ik op het wateroppervlak doorzichtige hersenspinsels en gedachten drijven, decepties en onnozelheden. Zij daar, ik hier. Ik ben bevrijd. Gezuiverd in geest en lichaam. Kom maar op, wereld.

Klaaglied voor Candy

               Het kwam niet op Terzake en zat ook niet in De Afspraak, toch namen ook wij onlangs afscheid van een dierbare.
               Wij, dat zijn mijn zoon en ik.
               Haar naam was Candy.

               Het was aan het begin van deze eeuw, we hadden ternauwernood de bug overleefd. In de grote toonzaal van Vanden Borre trok ze meteen mijn aandacht. Toch stond ze daar enigszins onopvallend en bescheiden tegen een zijwand, geprangd tussen een poenige Smeg en een kille Bauknecht. Maar ze straalde als een veld zonnebloemen in hoogzomer. En hoe contradictorisch het ook moge lijken, er ging warmte van haar uit.
               Haar maten bleken ideaal. Met haar geraffineerde looks van een model uit de jaren zestig won ze in een oogopslag mijn hart. Ook hoefde je niet diep in de beurs te tasten om van haar diensten gebruik te mogen maken. In geen tijd ondertekende ik de nodige paperassen ter adoptie. Zij was de mijne, enkel de dood zou ons nog kunnen scheiden.

               Een week later stond ze in al haar geelheid glanzend in de hoek van de keuken, naast het aanrecht, verscholen onder de kleine nis voor de microgolfoven. Al gauw groeide er diep respect tussen ons twee. Wij vulden elkaar aan. Liep ik zo nu en dan weleens met mijn hoofd in de wolken, zij bleef immer koel en koud. Waar ik soms zweefde, hield zij de wortels bij de grond, waar ook de uien, selder en witlof wachten op hun grote dag. Was zij leeg en hol vanbinnen, ik vulde haar vlijtig aan en werd ik behoeftig dan ledigde zij mijn nood. Onverwacht bezoek voorzag ze zonder morren van een hapje en een drankje.

               Een fikse twintig jaar waren we bij elkaar, ons Candy en ik. Geen enkel ogenblik was ze me ontrouw, nooit liet ze me in de steek. Was ik eenzaam, ze opende gewillig haar deur en bood me troost. Witte wijn, wat Duvel, ook weleens een oude jenever van Hertekamp. Later op de avond zoemde ze me dan zacht in slaap. De hongerigen spijzen, de dorstigen laven, werken van barmhartigheid die ze van nature beheerste. Meer nog, ze vormden de ware kern van haar bestaan.  
               Soms zelfs waakte ze over me als een engelbewaarder. Als ik na weer eens een bezopen nacht wanhopig haar deur opentrok, ontstak ze wel nog haar lichtje maar schenken deed ze niets. ‘Ik ben leeg,’ zei ze dan. ‘Op. Op. Alles is op.’ Gelaten besefte ik dan dat ook deze avond voorgoed verzopen was.
               Weinig vroeg ze voor haar diensten in de plaats. Een stekker in een stopcontact. Nu en dan er met een doekje doorheen. Heel af en toe pruttelde ze weleens. Liet ik een week of drie een half gebakken stuk worst en een restje bloemkool ongemoeid, dan wasemde ze als een ruftend lijk, me er op die manier attent op makend dat liefde altijd van twee kanten dient te komen. Wie kan haar dat kwalijk nemen?

               Op een dag begon ze te schudden alsof de grond onder haar voeten beefde. Ze rilde en ratelde. Lekte als een overrijpe vrucht. Het was voor ons allemaal een schok. Samen met de magneetjes op haar kleed mijmerden we over vroeger. We poetsten haar een laatste keer tot ze weer glom zoals weleer. Zij was veel meer dan meubilair. Zij hoorde bij de familie. We zochten hulp maar vonden er geen. Het krioelt in deze wereld van de menopauzeconsulenten en excuusonderzoekers, maar niemand die je bijstaat bij het afscheid nemen van een dierbaar ding.  

               Ons Candy.
               We tilden haar met twee over haar laatste drempel. Hoe ze daar stond! Eenzaam en verlaten. Na twintig jaar ijskoud gedumpt, in een bloedloos recyclagepark in een grauwe container gestouwd, verstoten tussen ander afgeleefd klein en groot elektro. Zo mooi, zo geel en zo alleen, het zou niet mogen zijn.
               En ook wij. Vader en zoon, schouder aan schouder, elk verzonken in eigen gedachten. Het was goed zo. Meer hoefde niet. Wij hadden geen nood aan een kilometerslange queue, bloemen of gedichten, kanonschoten en parades, eindeloze redes, koningskinderen of hooggeplaatsten. We zetten geen straten af en lieten paarden en karossen ongemoeid.
               Ik aaide nog even over haar verschaalde geel en we gingen heen. In de auto speelde de radio een liedje van Iggy Pop.
               Toeval bestaat niet.

De moordenaar in mij

               Brengt de avond ongemak, nachten zijn ellende.  
               Eerst slaap ik nog als een baby. Dan schiet ik ergens in de donkerste stilte wakker. Zomaar. Er is geen reden. Ik schrikte niet op uit een kwade of opwindende droom. Er klonk nergens een verdacht geluid, geen krakend deurslot, geen gebroken keukenraam. Ik lig op mijn rug en staar dwaas het donker in. En al is hij dan weer voorbij, die mooie zomer, boven mijn hoofd klinkt pesterig het scherpe hoge zoemen van een mug.
               Dat dit geluid geen zoemen is maar slechts het heftig fladderen van ragfijne vleugeltjes, is hier en nu niet van tel. Dat muggen nachtblind zijn, met hun gegons potentiële partners tot paren inviteren, het boeit me niet. Ze doen maar, ik ben coulant. Maar waarom hier? Waarom nu? Waarom bij mij? Er is zoveel lekkerder op de wereld dan ik. Ik wil gewoon slapen.

               Een hardnekkige steekmug denkt daar anders over. Muggen houden van het kooldioxide die wij uitademen. Dit specifieke exemplaar wordt blijkbaar stapelgek van mijn nachtelijke adem. De portie look die ik vanavond nog achter de kiezen sloeg, boezemt hem geen afkeer in. Hij wil mijn oren kussen, mijn handen strelen, mijn neus kietelen. Mocht ik op dit tijdstip van de nacht niet zo chagrijnig zijn, ik beschouwde zijn drang als een compliment.
               Ik wuif hem weg. Hij danst de nacht in, keert dan weer. Dit blinde aftasten herhaalt zich. En opnieuw. En opnieuw. De intensiteit neemt toe. Het wordt persoonlijk. Een strijd, mug tegen mens. Hij of ik, op leven en dood. Ik houd me stijf en onbeweeglijk, een en al focus. Uit het duister duikt hij op, naast mijn wenkbrauw links. Pets! Een gat in de nacht. Hij probeert een riskante landing op mijn rechteroor. Pats, Boem, Paukenslag. Ik spaar het insect en ook mezelf niet. Het doet pijn. Mijn kaak gloeit. Mijn frustratie groeit. Hoe driftiger mijn slag, hoe vrolijker het muggengesnor. Dat steekt.
               Vanbinnen woedt stilaan de blinde razernij van de frontsoldaat. Ik zweer bij al wat mij lief is: dit kreng zal mijn bloed niet drinken. Krijg ik het in mijn handen, ik ruk het de pootjes en vleugels uit en voeder het kadaver aan de spin in de hoek. Verscheuren wil ik het, vermorzelen, vernietigen. Ik ben niet gek, maar die kop moet eraf. Bloed wil ik zien. Minder mug, meer slaap, zo eenvoudig is het soms.

               Ik schrik van mijn hardvochtigheid en de gruwelijke taferelen in mijn hoofd. Plots denk ik aan die documentairereeks op Netflix, I am a Killer. Getuigenissen van tot levenslange gevangenisstraf veroordeelde moordenaars. Wat dreef ze ertoe een ander het leven te benemen? Ze weten het niet. Ze begrijpen zichzelf niet. ‘Ik was iemand anders toen,’ zeggen ze. Ze blikken met ongeloof terug naar wie ze ooit waren, de gruwel die ze ooit pleegden. ‘Die schuld draag Ik voor altijd met me mee,’ zeggen ze. De een na de ander. Je kan zien dat het ze pijn doet. Wij, foutloos en rechtschapen, kunnen daarvan vinden wat wij willen. Wij hebben geen idee.
               Ben ik zelf ook tot doden in staat, vraag ik me af terwijl ik roerloos op een volgende aanval wacht. Er woont veel volk in mij, dat weet ik. Een speelvogel en charmeur. Een onnozelaar en een schoolmeester. Een dichter en een tobber. Een goede luisteraar naast een slechte verstaander. Een kok, een sportman, een dronkaard. Schuilt daartussen ook een moordenaar? Ik denk aan ‘Schuld en Boete’, een meesterwerk uit de negentiende eeuw van de Rus F.M. Dostojewski. De student Raskolnikov vraagt zich af hoe dat voelt, iemand doden. Louter uit nieuwsgierigheid klieft hij met een bijl de schedel van een oude vrouw in twee. Niet veel later reageert hij, verteerd door wroeging, opgelucht bij zijn arrestatie. Hij is blij dat de tijd van boetedoening is aangebroken.

               Deze boeiende gedachten verdrijven wel de tijd maar niet een mug. Als een gek zwaai en sla ik om me heen. De nacht is een gatenkaas. Mijn moordlust is groot, de mug echter mijn meester. Te vlug, te leep, te luchtig. Dansend in het donker is hij ongrijpbaar. Mijn woede verdampt in het ijle. Wanhopig, overwonnen, vernederd rol ik me uiteindelijk als een foetus onder de klamme lakens waar ik wanhopig tracht naar een laatste restje slaap.

               Geradbraakt rol ik In de vroege ochtend het bed uit. Een loser ben ik. Gekrenkt tot op het bot. Gehumilieerd door een ongrijpbaar zespotig monster van nauwelijks tien milligram. Ik zweer het, als ik dat ding te pakken krijg. Mijn handen jeuken.