Blog

Je suis Dylan (C-kronieken 7)

Voor me in de rij staat een vrouw zonder winkelwagentje. Ze draagt een gebloemd mondmasker over de zonnebril op haar voorhoofd. Haar geblondeerde haren zal het virus alvast niet besmetten.
“Jij hebt geen karretje nodig zeker?” roept een doorrookte vrouwenstem haar toe.
“O, ben jij het? Ik dacht al, de stem van die moeial herken ik. Straks, dan weet ik dat ik een proper heb.”
Ik sta ingesloten. De moeial draagt haar masker, aardbeien, onder de kin. Het beleid van gezond verstand, leidmotief  voor deze regio, staat nog niet helemaal op punt.
Een triest ogende vrouw, ik vermoed uit de Balkan, reinigt met ontsmettingsgel en poetsdoek de handgrepen en muntsloten van de onophoudelijke stroom winkelwagentjes. Met een haal en een veeg verslaat ze bacteriën, ziektekiemen en hardnekkige virussen, ter preventie en gezondheid van de klant. Het is warm, zweetstraaltjes lopen van onder haar hoofddoek in haar mondmasker. Anders dan de andere medewerkers van het warenhuis draagt zij geen labeltje met haar naam op, geen schort van de zaak.
Naamloos is ze, haast onzichtbaar.

“Die kleine gezien gisteren?” vraagt de rokersstem.
Die kleine heet Dylan. Kinderarmoede bestaat, het heeft een naam en een gezicht gekregen. Zeg niet langer achterstand, ontbering of kwetsbaar, zeg Dylan. Thuis mocht niet worden gefilmd, Dylan en de zijnen weten waarom. Hij woont er samen met ouders, twee broers en zus en een handvol huisdieren. Dertien is hij, te jong om te verdoezelen, oud genoeg om te beseffen. Er is te weinig van alles: geld, ruimte, eten.
“Ik wens,” droomde Dylan, “voor ons gezin een beetje meer geld om eten te kopen.” Vlaanderen wrikte verbijsterd het hoofd uit eigen navel.

“Meer geld zou ik ook wel willen,” gaat de vrouw verder. Haar ongezouten en ongevraagde opinie zoeft als een gifpijl langs mijn hoofd.
“Dat ze eerst al eens die katten en honden wegdoen, hoeveel kosten die beesten niet?” vraagt de geblondeerde zich af.
“De papa zat zonder werk, dus ja,” kaatst de ander terug, “sommige mensen denken dat ze alles zomaar cadeau krijgen.”
“Het is toch waar, hé mijnheer?” richt de valse blonde zich plots tot mij. Het is mijn gezicht, ik trek die dingen aan, mijn hele leven al.
Welk recht hebben wij om te oordelen, wil ik zeggen, maar ik doe het niet. Ik trek mijn trendy Hugo Bosspetje tot op mijn zonnebril, en mijn mondmasker – stof, homemade, opdruk TOUS ENSEMBLE – tot over mijn neus. Betreed ik op deze wijze een bankfiliaal, zwaailichten zouden flikkeren, sirenes loeien, antiterreureenheden met rubberen wapenstok roffelen op schilden, scherpschutters het vizier richten. Braking News: ‘Lady’s and Gentleman, we got him.’

Mijn geest dwaalt langs Memorielaan, gluurt binnen in het ouderlijk huis. Ik zie weer de slaapkamer voor vier, de afgedragen kleren, gekookte aardappels in uiensaus, het speelgoedtreintje bij een  vriendje thuis, het gat in de schoen. In dit huis geen cola, ijs of chips.
Schaamte, dat dan weer wel. Er zijn wonden die niet helen. Littekens barsten soms, nu, weer open. In mijn mond nog altijd de bittere smaak van de blikken van misprijzen en vernedering die je moest slikken.
Ik legde een bruggetje naar verhitte discussies op mijn werk later. Over het verplichte middagverblijf op school dat wél door ouders moest worden betaald. “Vijfentwintig euro elke maand doet er in veel gezinnen écht wel toe,” argumenteerde ik. Onbegrip, hoongelach, een gekarteld mes door de ziel.
“Een gsm kunnen ze dan wel betalen!” Wie arm is mag geen telefoon, televisie, huisdier. Wie niets heeft, mag weinig en moet veel.

Stilaan ontsteekt een storm in mijn hoofd.
“We maken allemaal wel eens iets mee. Dan is het herpakken en doorgaan. Als je in armoede sukkelt, heb je dat enkel maar jezelf te verwijten,” onderbreekt de rokersstem mijn mijmering.
“En dan maar jaloers zijn op de mensen met een tweede verblijf,” reageert de ander snel. Hier had ze al over nagedacht, “alsof dat er iets mee te maken heeft.”
Natuurlijk wel, denk ik, er is hoegenaamd een verband tussen hebben en niet-hebben. Zoals tussen yin en yang, dag en nacht, licht en donker, zee en strand. Er is een grote koek en niet iedereen heeft recht op evenveel daarvan, blijkbaar.
Ik sluit mijn oren, blokkeer alle ruis, kijk naar de nog immer poetsende mevrouw. Kan je hiervan leven, vraag ik me af? Word je nooit moe? Wat schaft de pot vanavond? Heb je een naam?
Sjofele kleren, platgetrapte schoenen, ben jij ook een Dylan?

“Germaine, je mag binnen,” hoor ik de aardbeienvrouw zeggen.
De vrouw voor me wijst uit de lange rij het vierde karretje aan. De schoonmaakster veegt nog een laatste keer over de handgreep. Dan stapt de valse blonde, tot de kruin vol van zichzelf, het warenhuis binnen.
Geen dank u mevrouw, geen knikje.
Deze Dylan heeft ze niet gezien.

Diepestraat (C-kronieken 6)

Ach, wat was het makkelijk toen.
Je had nog een moreel kompas. Je geloofde in het goede: égalité, liberté, fraternité. Je droeg een Palestijnse sjaal en tooide de muur van je kamer met een vlag van Che. Je kende Imagine uit je hoofd, Wounded Knee, Bangla Desh. I hope I die before I get old, brulde je, maar dat deed je toch maar niet. Het leven ging voort.
Je ruilde je vredestekens in voor een sticker van Greenpeace op de achterruit van je eerste Mercedes. Bezit mocht dan wel diefstal zijn, je kocht een huis, een dak boven hoofd van vrouw en kind. Je demonstreerde nog wel eens, maar meer toch voor de kroegentocht dan de goede zaak. Van het strijdgewoel bleef je alsmaar verder weg.

Er bestaat vast een onwankelbaar verband tussen je hoeveelheid idealen en het volume van je bankrekening. Hoe hoger het ene, hoe lager het andere.
Je kinderen groeiden, je huis groeide mee. Je verkocht je eerste, bouwde een tweede, wisselde en passant van baan en vrouw, schnabbelde wel eens wat aan de zijkant en kneep graag ook nog een katje in het donker.

Nu ben je met pensioen maar ledigheid is des duivels kussen. Trouwens, stenen kan je niet eten. Trots ben je op je oldtimerverzameling. Ermee rijden doe je zelden, maar elke drie weken trek je een zaterdag uit om het oude ijzer met sop, zeemvel en veel liefde te strelen tot het glanst van plezier.
Wat brengen die euro’s je nu nog op, vraagt je vermogensbeheerder. In je graf zijn je duiten van generlei waarde en kijk je even om, de overheid is ermee weg. Geen groter dief dan de staat. Dan worden jouw centen, door harde arbeid en naarstig sparen bij elkaar vergaard, cadeaus voor luiaards en profiteurs. Doe er wat mee. Vastgoed, dat is het mannetje. Iets op de zeedijk, misschien?

De zee.
Niet ver van huis, de lucht is er gezond, nergens serveert men zo vers de vis. Elk jaar, half mei, poetsweekend. Terwijl jij nog gauw wat fondsen plaatst, overlegt met boekhouder en makelaar, procentje hier, envelopje daar, komen kinderen en kleinkinderen taartjes bakken met emmers zand,  nog warm van het strand. Je derde vrouw, veel jonger dan jij maar overal met veel bekijks, verblijft er tot aan de zomer.
Daarna is het niet meer te doen, lijkt de zee van iedereen.

Verpachten kan je doen, misschien aan Brian, de rekkenvuller in je magazijn, voor een prijsje, zevenhonderdvijftig per week, alles erop en eraan. Geen paperassen, mondje dicht, niemand, en zeker niet de fiscus, hoeft hier wat van te weten.
Maar niet dit jaar, zeggen ze. Met dat virus. Je mag er zelfs zélf niet eens naartoe. Je reinste vrijheidsberoving is het. Pestgedrag. Dat men niet denkt dat jij de hele zomer naast de koi in je tuin gaat zitten lanterfanten. De hardwerkende middenklasse heeft het – voor de zoveelste keer  – het zwaarst te verduren. Dat zal ze rouwen, dat gaat ze kosten! Vijftig euro. Elke dag. Minimum!

“Te duur,” zegt Brian tegen zijn Tasja.
Ze wonen in de Diepestraat, een donkere ader in het hart van een volkswijk in de stad, tweehoog, tuin noch terras. Boven, onder, links en rechts van hen, spreken de buren een raar soort Nederlands. Zij leven vooral ’s avonds en ’s nachts. Door de dunne muren hoor je ze tafelen, bidden, ruzie maken en vrijen.
Ach, slecht zijn ze niet, het is dat ze de kleine ruimte met zovelen moeten delen. Brian weet alles over iedereen. Rachida doet de kassa in de Aldi, Abdul poetst er met een doekje en desinfecterende gel de winkelwagentjes. Ze hebben drie kinderen, hun ouders wonen bij hen in. Sinds het begin van de opsluiting hebben die niet meer van de buitenlucht gesnoven. Rik van 2B bestuurt tram 7. Zijn vrouw staat op een wachtlijst maar wie weet nog voor hoelang. Amin van boven werkt nu ook, bij de stad, hij laadt de vuilkar.
Achter de geloken blinden van de Diepestraat schuilt veel ongezien tekort. Dat weet ook het stadhuis. Als in oorlogstijd bedeelt men voedselbonnen. Aan de meest kwetsbare inwoners die het moeilijk hebben de eindjes aan elkaar te knopen. Je vreet je er niet vet mee, maar wie het kleine niet eert. Twintig euro als je alleen bent, veertig voor een gezin. Elke week. Maximum.

“Jullie blijven werken, de hele tijd door. Echte helden zijn jullie,” vindt ook de baas. Uit het slaapkamerraam van zijn villa  hangt een groot wit laken.
‘Respect’, staat erop.
In dikke, bloedrode letters.
En elke avond klappen meneer en mevrouw in hun handen.

Twee kleine levens (C-kronieken 5)

Some guys have all the luck.
Bad luck, soms.
Zoals Jude St. Francis, het eerste kwart van zijn leven. Als baby gedumpt in een vuilnisbak. Opgevoed in een klooster waar de broeders hem misbruiken. Allemaal. Met broeder Luke, de enige broeder die lijkt te deugen, ontvlucht hij de aanhoudende folteringen. Maar ook broeder Luke blijkt een inslechte schurk. Gebroken vertrouwen, dat is als je lievelingstas, je krijgt de brokken nooit meer aan elkaar gelijmd. Een nieuwe vlucht. De vrachtwagenchauffeurs die hem een lift aanbieden, moet hij betalen met zijn lichaam. Allemaal.
Komt een dokter voorbij. Die raapt hem op, een half lijk langs de rand van de weg, arm kind, zestien lentes zo pril. Even gloort er hoop. Vergeefs. Nieuw misbruik, een gijzeling, een opzettelijke aanrijding. Het riet knakt. Ook later blijft het leven vaak nog doffe ellende. Jude ondergaat drama’s die mij en u, ik hoop het van harte, bespaard gebleven zijn.

Some guys have all the luck.
Good luck kan ook.
Als student hokt Jude St. Francis samen met drie vrienden. Zij worden toppers in wat ze doen. Allemaal. Jude zelf wordt een briljant advocaat. De mannen leven the American Dream, veroorloven zich flats, vakantiehuizen aan het strand, exotische reizen, delicate geschenken naar believen. En iedereen houdt van elkaar. De vrienden blijven elkaar trouw, een leven lang. Ook de nukkige en weerbarstige Jude met zijn geheimen. Van hem houden doet ook het professorenkoppel Harold en Julia die hem zelfs op latere leeftijd officieel adopteren als hun eigen zoon.

Wat op je bord ligt, eet je op.
Een klein leven’ door de Amerikaanse Hanya Yanagihare is een wereldwijde bestseller van zevenhonderdvijftig pagina’s. Ik heb ze gelezen. Allemaal. Een film afbreken, een aangebroken fles niet leegmaken, een boek wegleggen, ik vind het hondsmoeilijk. Sommige mensen nochtans, vernam ik onlangs, lieten het boek na een aantal pagina’s onaangeroerd. Ik begrijp ze.
Dit boek is every inch americana. Professioneel is elke protagonist een kanjer, buitengewoon begaafd en succesvol. Jude, de vuilnisbakbaby, wordt een zonder meer briljant student en ongelimiteerd rijk. Ergens in mijn leven heb ik iets verkeerds gedaan, of misschien ben ik gewoon niet slim genoeg. Het zal dat laatste zijn. Of allebei, wellicht.
De vriendschap, het begrip, de levenslange onvoorwaardelijke liefde voor Jude, zijn onbegrensd. De slechten zijn door en door slecht en de goeierds zo door en door goed dat je er moe van wordt. Zij weten weinig tot niets van zijn geschiedenis, vermoeden alleen maar een hoop onverwerkte ellende. Desondanks incasseren zij zijn nukken en buien met bovenaards engelengeduld. Weinig vragen stellen zij en niets verlangen ze in de plaats. Allemaal. Ikzelf, nochtans een veteraan op het slagveld van vriendschap en liefde, koester andere ervaringen.
Hey Jude, zou je willen zeggen, take a sad song and make it better. Het zou vergeefse moeite zijn. Natuurlijk blijven zijn trauma’s hem zijn leven lang vergezellen. Al probeert hij ze met overgave uit het lijf te snijden. Zijn kerven in eigen vel stapelt litteken op litteken. Hier weer, de man haalt het scheermes zo vaak doorheen het eigen vlees, dat er op een bepaald ogenblik geen flard huid meer rest waar nog verder in te snijden valt.
Cliché, maar waar, soms wordt trop echt te veel voor een mens.

Ah, dat vakmanschap, die bedrevenheid!
Natuurlijk gaat dit boek ergens over. De turf stelt buitengewoon interessante vragen. Groeien oude wonden ooit echt helemaal dicht? Hoe diep mag je grijpen in het leven van een ander? Kennen liefde en vriendschap grenzen? Hoe absoluut en onvoorwaardelijk hoort liefde te zijn? Wat mag je in een relatie van een ander verwachten? Kan je een mens verplichten om te blijven leven?
Natuurlijk kom je schitterende passages tegen. Landschappen, interieurs, recepten, decors, tot in de meest decoratieve details geëtst. Al stelt zich wel een keer de vraag: waar heb dat nou voor nodig? Hoe relevant is dit streepjespak of die kunstinstallatie voor het verhaal?
Natuurlijk kan deze mevrouw excellent schrijven. Pure klasse. I wish I could. Meesterlijke compositie, sublieme metaforen, immer het juiste woord, rijk aan volzinnen en filosofieën. Wauw!

But yes but no but yes but no.
Het boek ging dicht met een oef en een zucht.
Indrukwekkend, zonder meer. Maar een aanrader, mwaah. Aarzeling en twijfels.
En wel hierom.
Onmiddellijk erna las ik ‘Kroniek van een verzonnen leven’, door Charles Ducal. Al van gehoord?
Een herkenbare geschiedenis, dicht bij huis, helder en compact, woorden en zinnen accuraat gekozen en met een scherp mes geboetseerd.
Over een ander klein leven.
Na al dat bombast en geweld, een verademing.

Dor hout (C-kronieken 4)

Cyriel is jarig.
Niet bepaald een reden om langer dan gewoonlijk in bed te blijven liggen. Op je negentigste wil je liever niet nog tijd verliezen. Hij staat op, zet koffie en eet een boterham met smeerkaas.
De deurbel dingdongt. Voor de deur staat een mandje en op veilige afstand zijn dochter, ook lid van de risicogroep. “Gelukkige verjaardag, paps,” zegt ze. Zijn ogen worden vochtig, dat overkomt hem steeds vaker, hij wordt sentimenteler met de jaren. Hij tilt het mandje op, dat gaat nog vlot, vindt hij.
“Dank je,” zegt hij schor. Ze werpt hem een handkus toe en lipt: “Fijne dag, Ik zie je graag.”

Een klein flesje Moët&Chandon, pralines en twee blonde Leffes. Hij zet alles in de koelkast, voor straks bij de televisie. Hij gunt zich nog een koffie en klapt de laptop open. Velen van zijn leeftijd hebben onderweg ergens afgehaakt, hij niet. Hij beheert zijn bankzaken online en toen ze elkaar nog mochten zien, leerde zijn achterkleindochter hem zelfs Skypen. Een gelukje, dat komt nu netjes van pas. Hij leest de nieuwssites. Niets nieuws: uw kot, de curve, de economie.
Een woest huilende zaagmachine breekt de stilte. Door het venster ziet hij hoe een man in oranje overall grote groene lappen hapt uit het verwilderde stuk grond naast zijn huis. Het is een eenzame vlek natuur tussen de gemillimeterde voortuintjes van de wijk, een wilde oase met berkenbomen en vrijelijk woekerende struiken. Hij schuifelt er naartoe.
“Wat is het plan?” vraagt Cyriel.
“Snoeien om te groeien,” roept de oranje man terug. “Het dorre hout moet ertussenuit, het jonge groen heeft ruimte nodig.”

Dat cliché heeft hij wel vaker gehoord. Hij twijfelt, hij houdt wel van dat weelderige wilde. Laat de natuur toch gewoon zijn gang gaan, denkt hij, die lost dat probleem zelf wel op.
Hij googelt ‘dor hout’. Hij leest een artikel van een Nederlandse columniste, hij heeft haar naam nog nooit gehoord: “Het virus kapt gewoon het dorre hout. De oudjes sterven simpelweg een paar maandjes eerder. Moet iedereen die nog in de bloei van zijn leven zit daar alles voor opofferen?”
Dat gaat over mij, denkt hij. Dor hout, dat ben ik.
Wanneer ben ik dat geworden?
Hij denkt aan de gesnoeide wildernis naast zijn deur. Misschien heeft ze wel gelijk. Maakt het veel uit of mijn bestaan hier en nu ophoudt, binnen een paar maanden of een paar jaar? Ben ik oud, overbodig en economisch niet rendabel? Een kost voor de maatschappij? Het zou kunnen.
Toch doet het ook een beetje zeer.

Hij denkt aan Bonneke, de moeder van de moeder van zijn moeder. Hoe ze, gans in het zwart, van de hoge zwarte sokken in haar platgelopen pantoffels tot de aan haar hals dichtgeknoopte zwarte blouse, over het grootouderlijke erf schuifelt. Hoe ze neerploft op de met riet beklede stoel, tegen de gevel van het bijhuis waar ze mag blijven wonen tot ze doodgaat. Achter de korenvelden gaat de zon in roodgele gloed langzaam onder.
Ze is moe van een leven van ploegen en zwoegen en al een tijdje in de war. Maar ze leeft nog, schoffelt als een kip over het erf en dat mag. Dat is het geschenk dat haar kinderen haar geven, uit dankbaarheid, voor vroeger, toen zij zorgde voor hen. De lauwe pap wordt haar door dochter of kleindochter geduldig ingelepeld. Over de dunne haartjes op haar kin glijdt een dikke streep havermout langzaam omlaag, wordt weggeveegd met de vaatdoek der liefde. Haar dochter helpt haar op de wc, een rond gat in een groenige houten plank boven een diepe put, achteraan de boerderij.

Cyriel kijkt naar de foto van de stukjesschrijfster.
“Hoe draag jij bij aan onze welvaart?” lispelt hij tegen het scherm.
“Ik schuilde in kelders toen bommen over onze hoofden vlogen. Heb later mee het land weer opgebouwd. Mijn leven lang heb ik gewerkt, noeste arbeid in de haven. Drie kinderen bracht ik groot, eerst samen, en toen die klotekanker mij de Liefde van mijn Leven ontstal, alleen. Dit huis bouwde ik zelf, met deze twee handen, nu onvast maar ooit sterk als berenklauwen.”
Hij zucht. “Verliespost noemt u mij, veertienhonderd euro elke maand.”
Weer schieten zijn ogen vol als hij leest: “Oude mensen brengen niets meer op voor de economie.”
Hij heeft nooit vals gespeeld, altijd netjes zijn bijdragen betaald, hij kan de Kaaimaneilanden nog niet vinden op een map. Wat heeft hij ooit teruggevraagd?
Hij blijft kijken naar de foto van de vrouw die hij niet kent. En zij hem ook niet.
“Ja madame, het is waar” mompelt hij. “Ik ben oud en versleten en heel lang zal het waarschijnlijk niet meer duren. Maar wanneer dat zal zijn, da gade gij ni bepalen.”

Ik ben de Ben (C-kronieken 3)

Vannacht droomde ik van mijn moeder. Geen toeval wellicht, het was omstreeks deze tijd van het jaar dat ze vijf jaar geleden in eeuwige quarantaine ging.
Zoals altijd was het donker in haar gelijkvloerse flat, enkel het ononderbroken geflikker van het tv-scherm lichtte de ruimte op. Ik keek naar haar, op de driezitsbank, een sigaret in haar bevende rechterhand. Ze keek met een oog terug, met het andere naar het scherm.
“Die vent komt meer op tv dan Frank en Sabine samen,” zei ze. “en ge snapt niks van wat hij zegt.”
“Hij had mijn baas kunnen zijn,” antwoordde ik, “dat is de minister van onderwijs.”
“Oh gottekes. Ik moet er toch niet veel van hebben.”
Waarom vertelde ze niet, maar ik begreep haar. Zij was tenslotte mijn moeder, wij hadden niet veel woorden meer nodig, na al die jaren van turbulentie.
“Wat zegt die nu?” viel ze plots uit. Ze lachte, maar niet echt. Die ondeugdelijke lach van haar kon soms hard aankomen. “Een succes? Allé, stel u voor. Ik bestel bij de bakker vijfentwintig pistolets en hij geeft er vijf. Moet ik dan blij zijn? Groot succes, bakker!” Sarcasme valt niet ver van de boom.

We gaapten naar het taterende hoofd.
Ik moest denken aan het jongetje op de eerste bank vroeger, altijd druk zwaaiend met zijn vingertje: meester, meester, ikke, ikke. Wij wisten ook wel dat negen maal drie zevenentwintig was, die wetenschap volstond voor ons, wij hoefden niet zo nodig.
Stapten wij ’s ochtends de speelplaats op, dan sloten wij ons aan bij het voetbalteam met de minste spelers. Wij trokken en stampten naar elkaar en schaafden onze knieën. Bij het eerste kruisteken van de dag drupte het zweet nog van ons aanschijn. Niet bij hem. Hij ging aan de meesters een mop vertellen die hij van zijn vader of nonkel had gehoord. Hij begreep ze wellicht zelf niet, maar de meesters lachten.
Op een keer, tijdens een overhoring voor Spraakkunst, riep hij: “Meester, meester, hij kijkt af.” De sproetenkop naast hem kleurde spontaan dieprood, probeerde nog een ontkenning bij elkaar te hakkelen maar de dikke rode nul op zijn blad was ook vanop mijn plek op de laatste bank zichtbaar.
Met hem vechten kon je ook niet. Met zijn nagels pitste hij gemeen in je armen of dijen en als je hem een mep wilde geven, brulde hij als een speenvarken: “Meester, meester hij gaat mij slaan.” Dan liep jij de tien rondjes rondom de speelplaats, de armen gekruist voor de borst en de lippen stijf op elkaar. We meden hem, hij daar, wij, gewone boerenpummels, hier. Ik was niet verrast toen de minister beweerde dat kinderen best tot social distancing in staat zijn. Leek me logisch, vanuit zijn standpunt.

“Waarom wordt gij geen minister van onderwijs?” vroeg mijn moeder. “Ge weet er meer van dan hij.”
“Over de beroeps,” antwoordde ik, “en dan vooral over een enkele school. Over al die andere weet ik weinig of niets. Maar hij! Hij weet echt alles over alles.”
“Dat zoudt ge niet zeggen, als ge hem zo ziet.”
“Hij was al minister van Mobiliteit, Openbare Werken, de Vlaamse Rand, Toerisme, Dierenwelzijn, Sport en Onderwijs,” vulde ik aan.
“Hij hoort zichzelf wel graag bezig, precies,” zei ze.
“Elke dag de Big Benshow,” zei ik, feller dan ik wilde, “je ziet het dikwijls, mensen zijn ooit naar school geweest en denken dan dat ze iets van onderwijs afweten.” Ze lachte, zo heeft ze haar kinderen opgevoed.
“Voor de paasvakantie bazuint hij: leerkrachten, prepareer u, we gaan preteachen. Instructiefilmpjes maken, dan weten de mensen wat te doen, ze mochten toch niet buiten.”
“Ah, dat bedoelt hij,” mompelde ze.
“Einde vakantie: misschien kunnen ze wat langer blijven lesgeven. Diezelfde mensen dus. De volgende dag wil hij toch weer wel examens. Zogezegd om de leerlingen te motiveren. Zegt de minister dus, examens om te motiveren! Je zou toch denken dat een examen een toetsing is, een evaluatie om te zien of een leerling de leerstof beheerst? Trouwens, een goede leerkracht prikkelt, daagt uit, begeestert, maakt nieuwsgierig. Die heeft geen examens vandoen om leerlingen dingen te laten leren.”
“Ik wist wel dat gij het beter zoudt kunnen,” zei ze.
“Hij heeft wel negen jaar gestudeerd, dus misschien…”
“Stond dat in de gazet?” onderbrak ze.
“Wikipedia, een online encyclopedie die je zelf kan aanvullen,” zei ik. “Er staat wel bij dat hij tijdens zijn studies ook gewerkt heeft.”
“Hij zal de enige wel niet zijn, zeker?” reageerde ze typisch.

Ik stond op.
“Ik moet gaan, moeder,” zei ik.
“Nu al?” probeerde ze, plots een oud klein meisje.
“Ik kom gauw terug,” antwoordde ik, “tot morgen,”
Op een ochtend als vandaag voel ik dat morgen al een hele tijd geleden is.

C-kronieken (2)

In het derde leerjaar lazen we tijdens de les Moedertaal wel eens een gedicht. Dat leerden we dan uit het hoofd om het de volgende dag voor de klas beeldend voor te dragen. Zo herinner ik me nog de eerste verzen van Boerke Naas:

“Wie heeft er ooit het lied gehoord,
het lied van Boerke Naas
’t en had, ’t is waar, geen leeuwenhert
maar toch, ’t en was geen dwaas.”

Dit dichtwerk van Guido Gezelle verhaalt over een slimme boer, een domme rover en zeven kogels. Mijn voordracht oefende ik in de tuin, twee broers als gastacteurs. De ene was de rover, een ander Boerke Naas. De verteller was ik. Plaats van handeling was het platgetreden pad langs de waslijn, waar bij mooi weer witte lakens wapperden. Rekwisieten: een ingebeelde wijde jas, een ingebeelde wijde broek, duim en wijsvinger als pistool.
Ook al betrof het een lang gedicht, we repeteerden met volharding. De volgende dag, na de Zeer Goed-stempels voor Uitspraak en Uitbeelding, droomde ik me een carrière als acteur. In zekere zin ben ik dat ook geworden, zoals wij allemaal.
Een zomervakantie verder, in het vierde, schotelde meester Walter ons een nieuwe opgave voor:

De Tuinman en De Dood

Een Perzisch Edelman:

Van morgen ijlt mijn tuinman, wit van schrik
Mijn woning in: ‘Heer, Heer, één ogenblik!

Ginds, in de rooshof, snoeide ik loot na loot,
Toen keek ik achter mij. Daar stond de Dood.

Ik schrok, en haastte mij langs de andere kant,
Maar zag nog juist de dreiging van zijn hand.

Meester, uw paard, en laat mij spoorslags gaan,
Voor de avond nog bereik ik Ispahaan!’ –

Van middag – lang reeds was hij heengespoed –
Heb ik in ’t cederpark de Dood ontmoet.

‘Waarom,’ zo vraag ik, want hij wacht en zwijgt,
‘Hebt gij van morgen vroeg mijn knecht gedreigd?’

Glimlachend antwoordt hij: ‘Geen dreiging was ’t,
Waarvoor uw tuinman vlood. Ik was verrast,

Toen ‘k ’s morgens hier nog stil aan ’t werk zag staan,
Die ‘k ’s avonds halen moest in Ispahaan.’

(Uit: Verzameld Werk van P.N. van Eyck (1887-1954)

Was meester Walter onderwijzer, zijn ware liefdes heetten Poppenspel en Theater. In zijn eentje gaf hij leven aan edelman, tuinman en dood, een Drievuldigheid die tot dan toe alleen maar voorkwam in de Heilige Catechismus. Het gedicht betekent, declameerde hij met veel aplomb, dat je voor de dood niet kan schuilen. Hij liet donder roffelen over onze hoofden: “Als hij je zoekt, zijn je dagen on-her-roe-pe-lijk geteld! Dan komt hij je halen en daar is niks tegen te doen!”
Acht of negen waren we en we wisten voor altijd dat de dood overal was en je opzocht wanneer hij daar zin in had. Ik herinner me niet dat iemand nog vragen had. Wij accepteerden dat, zoals wij ook onze geboorte hadden geaccepteerd.

Zoals de tuinman vloden ook de jaren heen. De onzichtbare aanwezigheid van de dood lag verankerd in mijn gemoed. Op vrijdagavond filosofeerde ik daar vaak over met mijn boezemvriend Filip en schuimende Primus van Haacht.
“Het plaatst het leven in een ander perspectief, als je je ervan bewust bent dat je op een dag weer doodgaat,” zei hij. “Wat stelt dit alles dan voor?”
Daar klonken we dan op.
Dan hadden we het over een uitgedoofde liefdesvlam. Over onze wonderjaren die voor altijd voorbij waren. Over hoe seizoenen komen en gaan en hoe er dan weer nieuwe komen, fris en onwetend van wat ooit was.
Filip zei dan dingen als: “Wist jij dat thuis het stof op de kast eigenlijk schilfers zijn van je huid? Dat ben jij die daar ligt. Of wie jij was.”
Ik antwoordde dan iets onnozels: “En ons moeder ligt daar ook tussen, dan?”
Maar hij bleef serieus: “Alles gaat voorbij. Ooit leefde de holenbeer. Of de gouden pad. Maar nu niet meer. Weg, allemaal weg. Waarom doen wij dan of wij voor eeuwig zijn?”
Een vraag van die orde was het sein voor een nieuw glas.
Op de achtergrond draaide men The End van The Doors. We stelden elkaar vragen als waarom doen we alsof ons eeuwig leven is gegeven of waarom zijn we blij bij een geboorte en droef bij de dood of wie in godsnaam wil eeuwig leven.

Het is nu later.
Onze kinderverzen zijn met stof bedekt.
Mijn vriend Filip loste op als stof in de wind.
Af en toe, bij een glas, stel ik me vragen.

Egidius waer bestu bleven
Mi lanct na di gheselle mijn

C-kronieken (1)

Het zijn barre tijden, zegt men.
De Schrijverij, een eenmanszaak, onverdroten met de vinger aan de pols, verspreidt via de gangbare sociale media onderstaande dienstmededeling:

“Maak er een fijne dag van.
Praat met elkaar.
Leer schaken.
Bak een taart. Of twee, voor de bovenbuurman ook eentje.
Studeer wat, er zijn zoveel dingen die je nog niet weet.
Neem nu eindelijk de handleiding van je nieuwe microgolfoven door.
Lees een boek.
Schrijf er eentje, als je het niet kan laten.
Blijf gezond.”

De buitenwereld knikt goedkeurend.
Buiten beeld, verder ploegend als de boer, ga ik nog een stapje verder. Er is zoveel te doen. Mijn haren groeien. Ik luister naar de melodieën die vogels fluiten en kijk toe hoe het gras weer groener wordt, ook aan deze kant. Op straat mag het niet, maar hier in huis dansen we de nachten weg.

Wat we hebben geleerd:

Skypen in audio- en videomodus.
Facetimen.
Videochatten op WhatsApp.
Conference callen met Zoom of Jitsi.
Social Distancen. Maar eerlijk, dat deed ik al.

Verboden is:

Treuren omdat je in je kot moet blijven. Wees blij dat er een kot is.
Zeuren omdat je bestelling niet wordt geleverd. Zelfs niet als het de verhalenbundel ‘Ik moet u echt iets zeggen’ van Mensje van Keulen betreft.
Eigen mondmasker eerst.
Kijken op Twitter.
Reageren op Twitter.
Nadenken over ‘woorden ter verduidelijking’, een dagelijks cursiefje door Ben Weyts.
Hamsteren. Ik zou gaan pinten pakken met een maat, maar we drinken thuis terwijl we Skypen. “Je vraagt je toch af hoeveel er bij de mensen aan hun gat blijft plakken, als ze zoveel papier nodig hebben,” zegt hij. Plastische verbeelding is niet altijd een zegen.

Iemand waarschuwde me: “Jij hoort bij een risicogroep, dat weet je toch?” Risicogroep,  een pleonasme. Plots voel ik me Mathusalem.
Ik moest aan mijn moeder denken. Was ze er nog, ze telde vandaag zesentachtig levensjaren. We zouden vrezen voor haar leven. In volslagen eenzaamheid zou ze haar tijd verdrijven, uren van Thuis, Familie en Dieren in Nesten absorberen en weer vergeten.
Of de radio zou aanstaan en plaatjes draaien zoals vroeger, toen ze nog mooi was en op straat werd nagefloten. Ramona, van The Blue Diamonds. Marina, van Rocco Granata. Meisjesnamen die op een virus lijken.

De uitspraak van de week.
De prijs gaat naar Mark Rutte, minister-president van Nederland. Minister-president stelt daar wél iets voor. Een ware leider staat in tijden van crisis tussen de mensen. Op wandel door een warenhuis vraagt hem een dame of hij nog genoeg toiletpapier heeft. Zijn oogjes twinkelen, hij zegt: “Ja hoor, in Nederland is meer dan genoeg wc-papier voorradig. We kunnen nog tien jaar poepen.”
Op Twitter zet men zijn reactie prompt tussen andere legendarische uitspraken, zoals daar zijn:

“Ich bin ein Berliner”
“I have a dream”
“Tear down this wall”
“Yes, we can”
“We kunnen nog tien jaar poepen”

Humor als troost. We glimlachen ons door de ellende heen.
Hoe anders vergaat het op ons Schoon Verdiep. De burgervader loopt nors en nukkig door het stadhuis, als lijdt hij aan permanente constipatie en plast hij azijn. Niets deugt, alles gaat fout en altijd is het de schuld van de ander. Wenen als politieke strategie. Constructief is het niet en niemand wordt er beter van maar hey, ieder vult zijn levensdagen naar believen.

Waar ik wel vrolijk van word:

De totale filelengte bedraagt twaalf kilometer.
Er zwemt weer vis in de kanalen van Venetië.
Gisteren was Internationale Geluksdag. In de radiostudio interviewde men een geluksexpert.
Vroeg de presentator: “Ik kan me voorstellen dat er ergens in het land eenzame mensen naar dit gesprek zitten te luisteren en denken: ‘rot toch een eind op met je geluk, man.’ Ze lachten, vonden het allebei grappig gezegd. Geluk zit in kleine dingen.

Volgende week wordt nog druk druk drukker, dan tel ik mijn zegeningen.
Er zijn er die het veel en veel moeilijker hebben.