Blog

Woordangst

Ik ben bang van een boek.
Kan dat? Je kan schrik hebben van dieren, ja. Van mensen, zeker. Maar van dingen? Een ding op zich is dood, is niets. Een keukenmes in een blok is even boosaardig als een pasgeboren baby. Pas als een dronken kok ermee begint te zwaaien, wordt het gevaarlijk.

Het boek is niet eens dik of zwaar, amper tweehonderd pagina’s.
De flap is zwart. In rustige witte letters, Times New Roman, de naam van de auteur, titel en ondertitel. Dat avondwit op nachtzwart beangstigt een beetje. Hier geen kleur, zelfs geen grijs. Tussen auteur en titel de contouren van een gezicht. Geen gerimpeld voorhoofd, geen neus, geen ogen, geen vlekjes of puistjes. Het gelaat als een vel papier, vol met handgeschreven, niet te ontcijferen woorden. Twee dikke strepen rode verf bedekken de mond. Je ziet geen lippen, geen tanden, geen lach, enkel die twee ruwe, dikke vegen. Monddood.

Het boek heet ‘Ik zal de wereld nooit meer zien’. Ahmet Altan is de schrijver. De ondertitel: Aantekeningen uit de gevangenis.
Je weet nu al: dit boek vertelt een verhaal. Niet een verhaal waarbij je opgewonden raakt of niet kan stoppen met lezen voor je weet wie het gedaan heeft. Maar een echt verhaal, een dat moet verteld worden. Omdat de wereld hoort te weten hoe het is, in dat land van Erdogan, in die gevangenis. Het enige dat de gevangene nog kan, is het woord verspreiden. Hij is niets meer, heeft geen ogen, geen neus, geen gezicht. Hij is alleen nog stem. Met rode verf probeert men ook die te smoren. Maar het woord laat zich niet vangen, sijpelt overal doorheen.

Tijdens een avond in een bruin café vertelde iemand me over dit boek.
“Mijn vrouw,” zei hij, “leest nooit boeken.”
Anekdotes over echtgenotes doen het altijd goed. Dat belooft lachen.
“Ikzelf lees altijd en overal. In bad, bed, op het toilet.” Herkenbaar.
“Na dit boek ging dat niet meer,” ging hij door. “Het bleef zinderen in mijn hoofd. Ik kan een flinke zeur zijn af en toe en bleef er maar over doordrammen.” Nog steeds herkenbaar.
“Tijdens  een wandeling met mijn vrouw, ik had het al minstens een week uit, opnieuw. Dit boek kleeft aan me, vertelde ik haar. Ik krijg het niet van me afgeschrobd, het zit op en ook onder mijn huid. Ik weet niet wat ik hiermee moet.”
Ze antwoordde: “Lees dan zulke dingen niet.”
Je begrijpt haar, zij bewaakt de rust in huis. Maar je weet natuurlijk dat haar voorstel geen optie is.

Dat vertelde ook Erik Vlaminck, voorzitter van PEN Vlaanderen. PEN ijvert voor vrije meningsuiting, ook hic et nunc een belangrijk goed waar we zuinig op moeten zijn. PEN zet zich in voor vervolgde auteurs en verzet zich tegen elke vorm van censuur.
Ik probeer me voor te stellen hoe dat is, een vervolgde auteur zijn. Waar haal je de moed om te blijven spreken? Je taal wordt verkracht, je woorden verdraaid, misbruikt, in andere contexten geplaatst.
Je weet dat.
Je blijft doorgaan, welke prijs je ook betaalt, al kost het je je vrede, je vrijheid, je leven.

Zelf ben ik niet zo’n held. Ik schrijf soms een onnozel verhaaltje. Hier en daar voelt een Langteen zich aangesproken. Men weent, dreigt wat, een telefoontje, een sms’je, een mail. En ik zwijg. Ik blijf zwijgen tot op de dag dat ik me veilig weet. Laf misschien, het zij zo, het heldendom is niet aan mij besteed.
Echte helden, echte schrijvers ook, laten zich het zwijgen niet gelasten.

PEN-auteur Peter Theunynck schreef daarover een gedicht, ‘Vink’.
Dat deed hij voor Ashraf Fayadh, een Palestijns dichter die wegens godslastering in Saudi-Arabië tot onthoofding werd veroordeeld. Die straf zette men om in acht jaar gevangenisstraf en achthonderd zweepslagen, toe te dienen op zestien verschillende tijdstippen.
Lees deze laatste zin nog een keer.

Vink

Voor Ashraf

Een vink blijft zingen
achter tralies.

Een vink blijft zingen
met een kap op de kooi.

Een vink blijft zingen
op water en brood.

In het holst van de winter
blijft de vink zingen.

Schroei haar ogen dicht
en zingen doet de vink.

God schiep de vink
om te zingen.

Peter Theunynck (Uit: Tijdrijder, Wereldbibliotheek, Amsterdam)

En nu, laat me, ik ben er even niet. Ik ga de wereld zien zoals Ahmet Altan het doet. Vanuit zijn  gevangenis.

Wat we zelf doen

U moet me geloven.
Heel graag had ik u op deze pagina een vrolijk discours geboden, doorspekt met woorden van blijdschap en genoegen.
Zeer zeker had ik gehoopt met u mijn contentement te kunnen delen over de dagen van vreugd en welbehagen die ons de komende vijf jaren staan toe te lachen.
Volgaarne zou ik u, weliswaar spreekwoordelijk maar niettemin smeltend van hartstocht, hebben omarmd om samen de polonaise te dansen op de tonen van een onverslijtbaar Zo Ne Goeie Hebben Wij Nog Niet Gehad.

Helaas.
Het is me vandaag droef te moede.
Het zal wel toeval zijn, maar precies op het ogenblik dat de schouw van de statige ambtswoning op het Martelaarsplein witte rook uitwasemde en het Habemus Papam over het land schalde, begon de hemel zachtjes te huilen. Misschien had ook het zwerk gehoopt dat over deze morzel grond, de grootte van och heer ocharme een kinderzakdoekje, een boodschap van Verlichting zou weerklinken. Allen zijn wij broeders, Vrijheid, Gelijkheid, Broederlijkheid weze onze leus. Echter, nog steeds pleuren de wolken zonder ophouden zure tranen over het grondgebied.

Ten tweede male, helaas.
Ik moest denken aan mijn vader. Bij leven zou hij vandaag zijn negenentachtigste winter afwachten. Echter, hij keerde al weder tot stof en as. Vergis u niet, de herinnering verplettert mij niet met groot verdriet. Er werden de voorbije jaren in dit huis geen tranen over zijn verscheiden geplengd. Voor menig buitenstaander wellicht moeilijk te bevatten doch wie beschikt over enig inzicht in de familiekroniek, kijkt niet verbijsterd op.
Het is de laatste verzuchting op zijn sterfbed die door mijn gedachten dwaalt: “Als ik ergens spijt van heb,” zei hij, “dan wel dat ik Vlaanderen nooit onafhankelijk heb gezien.” Er waren, zelfs nog op dat moment, dwingender excuses te bedenken die me wellicht milder hadden gestemd. Het zij zo. De dood sluit elke herkansing meedogenloos uit.

Een anekdote, u moet me geloven.
Ik leerde het toetsenbord bepotelen op een groene Olivetti 46, gesteund door de handleiding ‘Typ Gezwind, Tienvingerblind’, bij een leraar die P. Jambon heette. Uit te spreken op zijn Frans, jean-bon. Dat klonk statig, rook naar gezag. Vandaag horen we ‘jam’-‘bon’ te zeggen, als een halfslachtig oordeel over een kwakje aardbeienconfituur. De vrouw van die leraar overigens, heette Vanespen. Op een roze tekenblad van dun karton tekenden wij in sierlijke letters de namen van de echtelieden, h inclusief. Voor op de deurbel, schreven we erbij. Met een rekkertje schoten we de prop naar het bord. Flauw, reageerde hij dan. Wellicht had hij gelijk, maar wij vonden het grappig.

Helaas, driewerf.
De nieuwe leider kondigde een lustrum aan van kou en kilte. Hijzelf ziet dat anders. Hij troggelt van de toch al kale kip de laatste duiten af, bergt de boei waaraan de vluchteling zich nog kon klampen, metselt een extra stenenrij op de muur die de behoeftige scheidt van de vetpot en declameert: “We zijn een natie, warm en gastvrij. Excelleren gaan we, ze zullen ons niet temmen.” Hij orakelt en oreert, probeert het volk te paaien met dure slogans. Onderaan de woordenbrij pulseren de drie woorden waar zijn beleid op steunt en die hij vruchteloos probeert te maskeren: eigen volk eerst.

Ik weet niet wie dat is, eigen volk. Die liefde voor het vaderland is mij onbekend. Wie claimt verdienste over de akker waarop zijn vader zaaide? Wat is een mens meer dan het snelste zaadje uit de zondvloed van de dag? Hoe ijdel is hij die gelooft dat zijn geboorteplek een geschenk is, exclusief voor hem voorbehouden, waar alleen hij en hij alleen recht op heeft? Hoeveel heilige gronden telt deze gestaag opwarmende planeet, deze minuscule stip in een uitspansel waarvan men de grenzen niet kent?

Dit is een land van stickers op autoruiten: VTM Kleurt Je Dag, Ik Ben Vlaming en Ik Ben er Fier op, Plopsaland.
Een land waar men bakkeleit en hakketakt over de kleur op het lint om de buik van de burgemeester. Waar men strijdt voor Zwarte Piet en varkensvlees. Een natie die klauwt en brult naar al wat vreemd is: kleur van vel, klank van taal, dracht van kleren, plek van herkomst, vorm van liefde, geslacht, geloof, overtuiging.

Ergens in Brasschaat, in een door groen omzoomde villa vullen de tonen van La Traviata de ruimte. Cognac walst in het bolle glas. Uitkijkend over de tuin vraagt de bewoner zich af: Armoede, bestaat dat?
Hij gelooft: Wat we zelf doen, Doen we beter.
Hij dwaalt.

Vogels moeten vliegen

Ze zegt: het is tijd.
Grote woorden maakt ze er niet aan vuil, het staat immers sinds ze zich heugen kan in haar sterren geschreven. Ze wist altijd al dat dit zou gebeuren. Niet of, vroeg ze zich, maar wanneer. En dat is nu.

Haast zesentwintig is ze.
Het nest is te klein. Ze heeft genoeg van rondjes draaien op de paardjesmolen rond de eeuwenoude kerktoren in het midden van het dorpsplein. Rond en rond en rond en nergens heen. Dat pad is plat. Betrapt en betreden door altijd dezelfde mensen, dezelfde dingen, dezelfde zinnen. Generaties deden haar dat al voor, generaties zullen volgen. Maar niet zij. Vogels moeten vliegen.

Morgen spreidt ze haar vleugels.
Naar Voelspriet of Nelspruit of zoiets, een of ander oord waarvan in deze contreien nog geen sterveling heeft gehoord. Het zwarte continent trekt aan haar als zwaartekracht. In de luchtstroom van de gierzwaluw ontvlucht ze de Noordse winter, naar het diepe Zuiden waar ook de zomer zich met lome tred op gang trekt. De zon reist met me mee, zegt ze en ze lacht. Warmen jullie je maar aan elkaar.
Ze gaat er luistervinken in het oerwoud, wil weten wat leeuwen brullen naar elkaar. Ze zal trompetten met de olifant en de ossenpikkers turven die zich tegoed doen op de schoften van buffel en nijlpaard. Samen met de giraffen wil ze eten van de hoogste bladeren. Ze gaat de slangen bezweren die zich ongenodigd in haar slaapplaats hebben genesteld.
Ze wil versmelten met een wereld die nog is zoals hij werd bedoeld, hem behoeden voor de alles verterende vernielzucht van het beest dat mens heet.

Dagen vullen zich met afscheiden en loslaten. Met eenzelfde zwaai moeten draden worden doorgeknipt en ankers uitgeworpen. Er dienen voorbereidselen getroffen. Injecties ingespoten, documenten opgemaakt. Bankrekeningen afgesloten, abonnementen opgezegd. Veel, heel veel wordt er geknuffeld. Beloftes gemaakt, we komen af, we gaan zeker skypen, een dagboek wordt verwacht.
Er moet ook ver vooruit gedacht, voor later, je weet maar nooit, een jaar is zo voorbij. Ook dan zal nog altijd het nest te klein zijn. Als ik dan toch niet daar, waar dan?
Hoeveel schier onzichtbare draden, kleverig als het web van een spin, lijmen ons aan de bodem waarop men ons geworpen heeft? Scherven van twijfels liggen als versplinterd glas aan haar voeten. Ze stapt er overheen, de lichte tred van de jeugd. Roekeloos en zonder zorgen zweeft ze haar dromen tegemoet. Ginds, achter verre einder en dan nog verder, straalt in een rode gloed haar toekomst. Niets of niemand, mens noch maatschappij, zal staan tussen haar en haar wereld. Ook de Liefde dient zich te bewijzen.
Ieder moet zijn dagen slijten en mijn dagen zijn van mij, zegt ze. Je wil toch niet aan het eind spijt over de tijd die je verloor met niet te doen wat je graag had gedaan?

Dagen lossen op in de tijd. Ze past haar kleren in een koffer die zich al wekenlang laat vullen en weer leegmaken, denkt aan dingen die ze zeker niet mag vergeten. Winkels worden bezocht, vriendinnen nog een laatste keer omarmd. De dag van Vaarwel Het Ga je Goed komt plots sneller dan verwacht, het leek eerst zo lang te duren.
Hoe lang ze gaat weet ze niet en ook hoe ver is nog onzeker. Ze denkt aan platte liedjes, afscheid nemen bestaat niet maar zij weet beter. Ze knuffelt mensen waarvan ze weet dat het de laatste keer kan zijn, die ze nooit meer in de ogen zal kunnen kijken. Dit begin is, cliché, ook een einde.
Heimwee beschouwt ze als een zinloos verlangen dat je geheugen je voorliegt. Een misleidend gezucht naar een plek en een tijd die nooit waren hoe je hoofd het zich verbeeldt.
Missen doe je pas als je niets beters omhanden hebt, des avonds, want het wordt er vroeg aardedonker. Ze redt zich wel, is het niet goedschiks, dan wel anderzijds.
Eenzaam zijn vreest ze niet. Hoe kan je eenzaam zijn in al dat leven? Temeer, de wereld is een dorp, thuis nooit ver. Ook Afrika kent internet.

Ze is klaar, warm van woorden, gekregen van mensen die ze met blinkende ogen achterlaat. Ze klappert even met haar vleugels, speels en energiek en roltrapt naar de tarmac. Ze wuift en lacht.
Morgen staat voor de deur.

#Hoaxen

“#HoaxenAlsVB al gezien?”
De twee jonge mannen aan het tafeltje schuin voor me, spelen met hun telefoon. Het glinsterende glas van het terras weert de wind, de zon warmt ons behaaglijk op. De tafeltjes staan op elkaar geprakt, het was wurmen voor een stoeltje.
Vooralsnog vergun ik ze geen aandacht. Ik nip dromerig van mijn Triple d’Anvers, geniet nog na van het zogeheten audiovisueel spektakel dat ik afgelopen weekend met fascinatie had gadegeslagen. Mijn stad, wispelturige metropool onder de Onze-Lieve-Vrouwetoren, herdacht het einde van de Tweede Wereldoorlog. Precies vijfenzeventig jaar geleden ranselden vereende krachten de Duitse bezetter uit haar straten en stegen, haar kieren en krochten. Het werd een beklijvende projectie op de façade van het pronte stadhuis.

“Op Twitter,” gaat de man door.
“Jij zit toch al op Facebook? En Instagram? LinkedIn? Pinterest? YouTube?” pruttelt de ander. En het leven, denk ik, niet vergeten. Je zit ook voor ongeveer tachtig jaar gelijmd op het platform dat wij Leven noemen.
Mijn hoofd herbeleeft de beelden van het Bevrijdingsfeest, in zwartwit, over de volle 76 meter gevelbreedte, gesplitst in drie panden. Het thema: Altijd Vrij, Nooit Vanzelfsprekend. Op een podium aan de voet imiteerden met weidse gebaren acteurs de dagen in oorlogstijd. Bezetting, honger, schaarste, het opspelden van de Davidster, het af- en aan gerij van vrachtwagens en treinen. Terwijl op de gevel zich langwerpige SS-panden ontrolden en wat we niet collaboratievlag mogen noemen, verhaalden Tourist LeMC en anderen over het stadse leven, hier en toen. Over twijfel en innerlijke strijd, welke kant te kiezen, welke prijs te betalen, over schaamte en wraak. Barre tijden zijn het geweest en het leven moeilijk. Aan het eind: 1944, Britten, Amerikanen en Canadezen. Altijd Vrij, Nooit Vanzelfsprekend.

“Twitter is echt lachen,” gaat de sociale mediaman veel te luid verder. Facebook is voor de vrienden maar Twitter, dat is voor de vijanden.” Zulke zinnen doen mijn oren groeien.
De Twitteraar gaat nu helemaal op in zijn eigen lied: “Filip Dewinter en Dries Van Langenhove hadden een filmpje rondgestuurd van camions waar allemaal mensen tussen liepen. Daar stond iets bij als: moedige Nederlandse trucker laat zich in Calais niet intimideren door blokkeervluchtelingen en crimigranten, zoiets. Maar dat had daar helemaal niks mee te maken, dat was een filmpje van Gele Hesjes in Luik. Dat is framing, compleet fake, snap je? Een hoax, zoals ze zeggen!”
Framing, fake, een hoax. Toen ik nog een korte broek droeg, noemden we een verhaal vertellen dat niet waar was, liegen. Achterklap. Kwaadsprekerij. Alsof in een modern kleedje bedrog minder erg lijkt.

Niemand kan op dit vlak levenslang onschuldig pleiten, bedenk ik. Zelf zweer ik In principe ten allen tijde bij de waarheid en niets dan de waarheid. Edoch! Als elke leugen met de doodstraf werd bestraft, ik bestond al lang niet meer. Het probleem van de overbevolking was als vanzelf van de baan. De waarheid verbloemen ligt in de aard der mensen ingebed.
Als kind verveelde ik mijn moeder na school vrijwel dagelijks met vertelsels. In een groot gezin heb je fantasie nodig om te worden opgemerkt. Die ene met nul fouten op dat dictee? Moi! Wie vloog het hoogst over plint en bok in de turnles? Yep! Wie mocht de priester vertolken bij het naspelen van de heilige mis en kende de gehele liturgie uit het hoofd? Hier se, Bibi!
Na een vakantie aan zee met de mutualiteit, ik was een jaar of elf, kwam ik thuis met een boek, de eerste prijs bij de zwemwedstrijd op de sportdag aldaar. Ze geloofde me niet. Dat krijg je als je altijd maar fantasietjes vertelt, zei ze. Als je verhaaltjes wil verzinnen, ga dan boeken schrijven.

Ik moet verder. “En nu is #HoaxenAlsVB trending,” hoor ik nog, “hier, kijk hier. Echt lachen, maat.”
Trending? Lachen? Laat maar. Ik vind dit niet om te lachen. Dit is boosaardig en intriest. Dit is ver voorbij de haatzaaierij, die zaden zijn eerder al gezaaid. Dit is bemesten, aanwakkeren, besproeien met groeihormoon in de hoop dat.. Ja, dat wat?
Altijd vrij, nooit vanzelfsprekend. Nooit.

Ik vraag de rekening.
Ik herinner me niet meer hoeveel hoeken van kamers ik ooit van heel dichtbij heb gezien, met hoeveel pedagogische tikken mijn fantasieën zijn betaald. Dat mag vandaag niet meer, dat vind ik ook.
Maar soms, zoals in Nu, voor de Parlementair Onschendbare Blokkeerpolitiekers en Criminformanten, wil ik ook van dát principe graag een keertje afwijken.
En het mag hard zijn.

 

Loslaten

De trein zucht, als torst hij een bezwaard gemoed. Zijn snuit, een slangenkop, kijkt sissend in het zwarte gat van de tunnel waarin hij straks moet verdwijnen. Langzaam vult zijn langgerekte lijf zich met argeloze passagiers, in zichzelf gekeerd, op weg naar ergens, een doel misschien.
Het hoofd van een man steunt tegen het raam. Zijn ogen staren, zien niets.
“De meneer kijkt verdrietig,” fluistert aan de overzijde van het gangpad het meisje tegen haar mama. Die tuit haar lippen en drukt er haar wijsvinger tegen: “Ssst, zo’n dingen zeg je niet.” Naar kinderen wordt zelden geluisterd.

Weifelend en kreunend sleept de slang zich traag over de rails, verdwijnt als een schaduw in het donker van de lange pijp. Arm in arm met het versnellende ritme klinkt ook luider het geluid: te–dem, te–Dem, Te-Dem, TeDEM, TEDEM. Pas waar het zwart van de tunnel en het melkwitte septemberlicht in elkaar overlopen, ontwaakt de man uit zijn verdoving, een boreling op zoek naar licht en lucht.
Wat voorbij is, ettert nog daar, voorbij het donker achter hem. Aan de hemel ziet hij hoe traag een kleine stip voorbij glijdt. Een oud liedje in zijn hoofd: ‘Dan plukte mijn hand hem uit de lucht en ik bracht jou weer bij mij terug. Als ik god was.’ Waarom zou god zoiets doen, vraagt hij zich af? Als hij de afloop toch al kent? What is the fucking point?

Het landschap raast voorbij. Een weide, bomen, een huizenrij, koeien. De laatste weken, de weken die de herinnering aan het afscheid oppookten, waren ook dit jaar weer, zoals elk jaar, als blootsvoets stappen over een kiezelstrand, scherpe venijnige steentjes die telkens weer op dezelfde plek dezelfde nog altijd rauwe wonden openrijten.
Alles gaat voorbij, zeggen ze. Er komt altijd weer iets anders in de plaats. Ze zeggen: blijven stilstaan heeft geen zin, het leven gaat door. Laat het los. Hoe dat moet, zeggen ze er niet bij.

Het melkwit verdonkert, de lucht kleurt grijzig. Het begint flauw te miezeren. De zon is al met vakantie, bedenkt hij. De zwaluwen zijn het land al uit en de kinderen weer op school. De bomen laten hun gebladerte los, de herfst komt vroeg dit jaar. Kastanjes bedekken als een bedsprei het plaveisel, overal vind je eikels. Hij monkelt.
De tijd vliegt. Het ene seizoen volgt op het andere, onafwendbaar, alles is altijd nieuw en tegelijk blijft alles ook altijd hetzelfde. Niets staat ooit stil, de wereld is altijd in beweging en niets verandert. Of toch? Alles komt ook altijd terug. Volgend jaar zijn er weer zwaluwen, dragen de bomen weer vrucht en blad, wordt het weer zomer. Alleen wat nooit beweegt, verdort en gaat dood.

In de verte ziet hij hoe de miezer verstuift en oplost, de zon een straaltje door het grijs prikt en de hemel kleurt met een streepje blauw. Misschien zit er nog wel een mooi nazomertje in, denkt hij.
De trein vermindert vaart, hakkelt, stopt. De man staat op. Hij rekt zich uit, maakt zich groot, schudt de stramheid uit zijn lijf, neemt zijn koffer, knikt naar de mama en het meisje en stapt naar de uitgang.
“Waarom lacht de meneer, mama?” vraagt het meisje.
De mama leunt met haar hoofd tegen het raam. Ze heeft niets gehoord, niets gezien.

Een beetje leuk

Het is weer ‘Terug naar School’.
Is dat niks voor de canon: Weer of Terug? Noemen of Heten? Die of dat? Neuken of Poepen? Haha, grapje, er mag toch wel eens gelachen worden, zeker?
Niet op school, begrijp ik. Daar boert alles alleen maar achteruit. Het moet daar anders, naar het schijnt. Daar moet worden geëxcelleerd. Vandaag is het er een en al leukigheid. Schluss damit. Alles is Ernst en Ordnung muss sein.
Leuk staat uitblinken in de weg, lijkt men te willen zeggen. Het tegendeel is waar. Leuk stimuleert.

Gelachen werd er niet bij de immer getroebleerde Broeder Gust in het zesde leerjaar! Sloop als een gifslang door de klas en schoof dan plots over je schouder om mee te lezen in je schriftje. Je keek stokstijf voor je uit en hield je adem in om te ontsnappen aan die verzuurde oude mannengeur. Die vlezige speeksellippen! Die plukken haren uit neus en oren! De man ademde dreiging uit en knoflook. Plots, brullend in je oor: “Carabouya! Zo zot als een mus!”. Hij wees met een dikke vinger naar je in schoonschrift gekalligrafeerde oefening: ‘Zoud gij vader niet gaan helpen bij het werk in de tuin?
“Zoud? Staat daar gij zoud?!!” Hij duwde de knokkels van zijn vingers op je schedel en wreef het er letterlijk in: “Gij hebt niet geluisterd! Gij zijt een lui kind, gij let niet op, speelt en prutst maar wat en droomt de hele dag. Ik weet zeker dat uw ouders zich schamen voor u. Carabouya!” Zijn  knokkels bleven pijnlijk voren trekken op je schedeldak, van pijn sprongen tranen in je ogen. Hij trok je aan je oor uit je bank. “Vervoegingen! Nu! Tegenwoordige Tijd!” Je hakkelde: “Ik drink nooit thee, gij drinkt altijd thee, hij drinkt thee als hij tegenwoordig is en…”.
De rest van het versje ben ik kwijt, enkel de Carabouya weet ik nog.
Neen, het was niet leuk bij Broeder Gust. En ik heb er niets geleerd.

Als je daarentegen naar het vierde leerjaar overging, bad je al dagen vooraf dat god en het schoolhoofd je indeelden in de klas van Meester Walter. Meester Walter hield van poppenkast en speelde toneel in zijn vrije tijd, dat wisten wij. Hoe hij ons leerde staartdelen, zal niemand van ons vergeten zijn.
Er waren vier personages, Deler, Deeltal, Quotiënt en Rest, die in een ingewikkelde relatie tegenover elkaar stonden. Rest liep altijd weg, tot aan de overzijde van het klaslokaal, waarop Deler hem moest gaan halen omdat Mevrouw Quotiënt zonder Rest diep ongelukkig was. Wij, kinderen van tien, raakten verslingerd aan dit soort gratis theater. Wij smulden ervan. Ook hier traanden ogen, van vermaak en dolle pret deze keer en na afloop wisten wij precies hoe de vork in de steel zat. Voldaan keek dan Meester Walter de klas rond. Hij beloonde zichzelf met een banaan. Die smikkelde hij op zijn dooie gemakje helemaal op. Tot onze verbijstering toverde hij, geloof me, erewoord, ik zweer het, de vrucht daarna weer helemaal in de schil. “Voor straks, tijdens de pauze. Na jullie oefeningen,” zei hij dan, waarop wij stomverbaasd vlijtig aan het werk gingen.
Vandaag ben ik nog steeds de Keizer van het Staartdeeluniversum. Ik deel staart in keuken, bad en bed, bij nacht en ontij, hittegolf, wind of regen, in de stad of op het strand. Helaas, door voortschrijdende technologische ontwikkeling kelderden de staartdeelwaarden op de beurs.

Ik wens ze een Meester Walter toe, allemaal.
De kleintjes die zich nog even vastklampen aan mama’s rok.
De jongen van de basisschool die ja oma antwoordde, toen ze zei dat hij heel goed zijn best moest doen en braaf luisteren naar de meester. Het heeft hem een trolleyboekentas, sporttas en pennenzak van FC Barcelona opgeleverd.
De knaap van twaalf in zijn hoody van Fortnite en met gel in zijn haren, de meisjes die hun vlechten hebben losgegooid.
De puber die met bloedend hart dag zei aan vakantielief en spelconsole en zich met goede voornemens wapent: dit wordt een goed jaar, een jaar zonder gedoe, altijd op tijd, goed plannen, opdrachten tijdig klaar, en vooral ook zwijgen. Zwijgen als een leerkracht wat stoms vertelt, over haar kinderen begint of met een flauwe mop afkomt. Als beloning wacht later unief of hogeschool, dat is het doel.

Dat er al eens mag gelachen worden. Dat het een beetje leuk mag zijn.

Dear Uncle

Anna Lyste straalde. Het zomerreces had het Redactiehoofd Politiek bij De Schrijverij waarneembaar  goed gedaan. “Vijf weken met twee vriendinnen: van Tasjkent in Oezbekistan over Kirgizië naar Astana, Kazachstan. Zalig! Dat je dat vandaag de dag zomaar kan, super toch?” Anna heeft een zwak voor reizen in het Oosten, ze versleet ooit schooluniformpjes onder het juk van een Roemeense dictator. Nog helemaal in goede voornemensmodus hapte ze in haar zelfgebakken peterselietaartje. “Ik ben er weer helemaal klaar voor. En jij?”

“Ach, ik,” sputterde ik. Er moesten bakstenen worden betaald. En de tijding van mijn vriend Ilja Pfeiffer vanuit zijn tijdelijke residentie, Grand Hotel Europa, had ik niet naast me neergelegd. Blijf weg uit Italië, berichtte hij. Het krioelt hier van selfieënde toeristen uit het verre Oosten die zich vergapen aan de tanende glorie van het Avondland. Ze beschouwen het hele continent als een gigantisch openluchtmuseum.
“Het kleine moet je ook eren.” zei ik ietwat verontschuldigend, “Wij bleven dicht bij huis. We wandelden rond de Dom van Utrecht, aten Hollandse Nieuwe in Yerseke, fietsten van Leeuwarden naar Bolsward en Sneek. We dobberden op een sluimerbootje in Giethoorn, doorkruisten Gelderland en Brabant. Een mens steekt er zelfs nog wat van op.”
“Je vond het toch wel leuk?” drong Anna aan.
“Leuk is wat je ervan maakt, zo is het leven,” antwoordde ik lankmoedig. “Ook in Nederland zijn de terrasjes gezellig en de koks bekwaam. Je kan er heerlijk fietsen en wandelen en de mensen zijn er vriendelijk en open.”
Ik vertelde liever niet over die meneer bij zijn pilsje met zijn grapjes over onze Vlaamse ministers-president. Elk land heeft wel een politicus die te veel drinkt en scharrelt met een betaalde dame, al wist ik me niet zo meteen een Hollands exemplaar te herinneren. Ik zei niets. Zwijgen was hier wel degelijk goud. Daarenboven, elke vogel is vrij de wijs te fluiten die hij belieft.
“Die vlag een vod noemen, wel krasjes hoor,” strooide de man nog wat zout, “dat zou ons hier in Nederland niet lekker zitten, nou.” Zelf ben ik niet zo’n vlaggenman maar ik begreep hem wel, voor sommige mensen liggen symbolen gevoelig.

“Ook nog wat gelezen, deze zomer?” doorbrak Anna mijn malheureus gepeins. Ik dacht aan Dave Sedaris en zijn rafelige familie. Ik had er de mijne in herkend. Aan Bart Van Loo met zijn Bourgondiërs, een taaie hap. Des avonds voor het slapengaan beleefde ik met de jonge Kurt Wallander moord en gruwel in het hoge Noorden.
“Het mooiste,” zei ik, “las ik in Oosterbeek, op een oorlogskerkhof. Er liggen meer dan zeventienhonderdvijftig soldaten begraven, het merendeel Britten. Eindeloze rijen witte stenen, een kruis erop, allemaal eender, allemaal anders: ‘21st September 1944 Age 21’, ‘21st September 1944 Age 19’, ‘September 1944 Known Only Unto God’. Op een ervan wuifde een plastieken mapje ons op de warme wind uitnodigend toe. Er stak een briefje in, gelijnd, als uit een schoolschriftje:
Dear Uncle. We never met. Your sacrifice gave me the freedom to be here. Forever grateful. We will never forget. Your nephew, Matthew.’ Gezwollen woorden misschien maar daar, op die plek, mocht het.”

“Wat mooi van die Matthew,” zei Anna, “komt helemaal uit Engeland om zijn gesneuvelde oom te bedanken. Vrijheid is een dierbaar goed. Het is hard bevochten, onnoemelijk veel jongens hebben er het leven voor gelaten. Dat mogen we niet vergeten.” Ze slikte het laatste peterseliehapje door.
“Het minder fraaie verleden moffelen we liever weg,” antwoordde ik, “niet alles past in die canon die we zo graag willen.”
De radio verhaalde over geschoffeerde meisjes op een muziekfeest, age 17, 18, 19. Zij rechtten de rug voor een droom, klapten in de handen om de toekomst aan te pakken. Ze werden daarvoor belaagd, beschimpt, bedreigd, met flessen urine bekogeld.

“Daar word ik heel triest van,” fluisterde Anna, alsof achter haar schouder de Securitate nog elk woord bewaakte. “In dit land mag je vrij je mening kwijt, toch? Zonder dat De Onschendbare Partijleider een fatwa uitspreekt? Of je aangeschoten wild wordt? Aan de schandpaal wordt genageld? Online met de dood bedreigd?”
Ze ademde diep in en uit: “Wat zou die oom dáárover denken?”

Known Only Unto God, dacht ik.
“Kom,” zei ik, “laten we maar beginnen. Er is nog veel werk te doen. Nog heel veel werk.”