Blog

Minnie

In de garage lag een muis. Haar laatste adem liet ze in de enge opening tussen de blauwe zak voor PMD en de grote doos voor het karton. Niet groter dan tien centimeter was ze, de vacht nog vaal glanzend, grijsbruin. Haar zwarte ogen keken naar me, alsof ze nog wat wilde vragen. Ocharme Minnie, lispelde ik. Dat had ik misschien niet mogen doen. Dat schept een band, een naam geven, betrokkenheid. Voor je het weet ben je Charlie, of raak je gehecht aan baby Pia. Daar komt alleen maar pijn van.

Ik trok een flesje Duvel open en zette me op de halfvolle bak. Ik keek naar het lijkje.
Proost Minnie, zei ik, op jou.
Vanwaar kom jij, muisje, wat bracht je hier? Koos je zelf deze plek, of heeft de dood je overvallen, onverwacht en laf, zoals de dood dat doet?
Het diertje bleef zwijgen. Haar blik kleefde zich aan mij.

Ik nam een slok. Gaf het leven je waar je als klein muisje van droomde, Minnie? Leerde je flink graantjes tellen in de muizenschool? Las je moeder je voor het slapengaan sprookjes, over boosaardige uilen en hermelijnen die je, als je ongehoorzaam was, zouden komen roven uit het nest, vetmesten en aan stukken scheuren?
Ik vroeg me af hoe het eraan toe gaat in de wereld van de veldmuis. Bestaat er een hiërarchie? Zijn sommige soorten machtiger dan andere of zijn veldmuizen adepten van Marx en Engels? Klopt mijn vooroordeel, streven zij in hun leven alleen maar naar eten en seks? Misschien lijken we meer op elkaar dan we willen toegeven, Minnie, glimlachte ik. Was zij zich überhaupt bewust van het bestaan van de mens? Is voor veldmuizen de veldmuis de parel aan de kroon van de schepping? Geloven zij in een Grote Knager? En heeft die voor elke muis dezelfde naam en betekenis?

Hou oud werd je uiteindelijk, Minnie? Anderhalf jaar? Stel, je was geslachtsrijp na drie maanden, wat aan de late kant. Dan had je vijftien maanden de tijd om te jongen. Neem een worp of zes, zeven, met gemiddeld zeven minimuisjes per keer. Dan heb je tussen de veertig en vijftig kindjes op de wereld gezet. Dan heb je niet voor niets geleefd, Minnie, gefeliciteerd.
Ik goot nog een flinke teug naar binnen. Mijn gedachten driftten weg. Stel je voor dat deze berekening klopte. Als elk wijfje zo kweekte, we werden binnen de kortste keren overspoeld door een muizentsunami. Gelukkig zorgt de natuur zelf voor haar evenwicht, bestaan er marters en katten en roofvogels om die populatie binnen de perken te houden.

Waar zijn al je kinderen, Minnie? Maakte je nog afspraken of verdween je als een dief in het duister van de nacht? Reisde je alleen? En je vrienden, je familie? Lieten zij jou in de steek, of omgekeerd?
Wat zocht je in dit huis? Een schuiloord? Dacht je te overwinteren tussen onze restanten, je te goed te doen aan onze ontbijtgranen, je vol te vreten met de zaden en noten die wij in onze kelders bewaren? Had Magere Muizenhein met zijn kleine zeisje je niet een halt toegeroepen, hier en nu, met hoevelen zouden jullie je dan op deze plek hebben genesteld? En wat had dat voor ons betekend?

Ze bleef onbeweeglijk naar me kijken. Ik kieperde het laatste restje van mijn flesje achterover.
Dat was het beeld, aan de ene kant ik, op een bierbak, een leeg Duvelflesje in mijn hand. Aan de andere kant, tussen karton en PMD, Minnie de dode muis, met zwarte ogen die me niet wilden lossen.
Ik nam een plastieken schepje voor in de zomer op het strand. Achteraan in de tuin, onder de eik, groef ik een kuiltje. Voorzichtig, om haar in haar eeuwige slaap niet te storen, legde ik Minnie, in een versleten doekje, in haar graf. Ik schoof er de aarde over.
Zo lig je tenminste warm, zei ik.

Weer in huis zette ik de radio aan.
De nieuwslezer berichtte over een ongeluk. Een rubberen bootje kapseisde, wierp zestien mensen, in zelfontworpen zwemvest, in de ijskoude Noordzee. Met man en muis vergaan, zei hij.
Namen noemde hij niet.

Die jongen

Jaar 2

In de kelder vond ik nog een foto, zie bijlage, had hij gemaild. Hij woont tegenwoordig in Afrika, maar ooit volgden we samen een opleiding. We leerden voor leraar. We filosofeerden samen, studeerden, fantaseerden. Kaarten deden we ook. Een keer overspeelde ik mijn hand, een driedubbele miserie op tafel. Die bluf kostte me een kleine driehonderd Belgische Frank, mijn weekgeld.

Op de foto een docent en negentien studenten, jonge blanke mannen. De meesten dragen een trui over een hemd met puntige kraag en een broek met breed uitwaaierende pijpen. Mijn blik blijft hangen bij de jongen met de lange, goudkleurige haren op de tweede rij. Hij kijkt terug. Hij lacht. Wij kennen elkaar. Ik ben hem geweest.

“Waarom wapent gij u met een glimlach,“ vroeg een paar jaar eerder de directeur van het middelbaar. “Dit schrijven de leerkrachten over jou op je rapport. Arrogant. Kinderachtig. Moet altijd het laatste woord. Weerbarstig. Betweter. Een storend element. Toont geen respect. En ook: maakt deugden van zijn gebreken.“
Ik ben die arme schoolfrikken van toen nog altijd dankbaar. Het is goed je al jong bewust te zijn van je kwaliteiten.
“De lach is het wapen van de clown,” zei mijn klassenleraar.

“Waarom die lach, clown?” vraag ik mijn scherm.
Niet omdat je per se daar wilde zijn. Leraar worden zag je niet als hoogste streven in het leven. Maar je wieg stond niet in een wereld waar men dromen en fantasieën najoeg. De centen werden er verdiend in het zweet des aanschijns. Men beet er in, ze werden omgedraaid. Dat beperkte drastisch de opties wereldreizen en universitaire loopbaan.
Je was een dagplukker. Zelf zou je je wellicht een Carpe Diemist hebben genoemd. Je gebruikte graag moeilijke woorden, wilde je bewijzen, een woordhaan. Dan zei je op café: “Als je dat epibreert komt het vanzelf wel goed.” Om je het zwijgen op te leggen, trakteerde men je nog een pint. Wat kon het je ook schelen? Ontelbare dagen lagen nog voor je uitgespreid, het leven was een wazig web waar je doorheen moest, over hoe dat zou gaan had je weinig of niets te zeggen. Je zou wel zien.

Je leerde over ingewikkelde dingen. Boomdiagram en dieptestructuur van een zin. Taxonomie van Bloom. Didactiek, pedagogiek. Je volgde onderricht bij een wijze pater, viel van je stoel en je geloof. De stoel klom je weer op. Je leerde er lessen uitschrijven, van het eerste gesproken woord tot het laatste. Een oefening in dialogen maken. Ruimte voor improvisatie liet men niet.
Je leerde er niets over de lerarenkamer. Over ongeschreven wetten die je stilzwijgend diende te onderschrijven. Over lobbyen voor lessenroosters en opdrachten. Niets over de olifanten in die kamer en hoe je moest doen alsof je die niet zag.
Je leerde over de aanpak van de moeilijke leerling. “Fixeren. Blijven aankijken. Wordt hij niet rustig, strenger fixeren. Volhouden, op de duur kalmeert hij vanzelf wel.” Toen je dat later in praktijk omzette, vroeg de leerling: “Heb ik iets van u aan, misschien?”
Pedagogen, van nature wereldvreemd, waarschuwden: “Vermijd de beroepsschool. Die leerlingen daar zijn onhandelbaar, halve wilden, die eten je op.” Men had het hier over je vrienden op hun zelf gebricoleerde Zundapp. Over je broers die liften installeerden, rekken vulden of haren bij elkaar vaagden in dameskapsalons.
Je besefte het niet, maar je leerde er meer dan je wel dacht. Je leerde welke leraar je niet wilde worden. Jij zou geen doorgeefluik zijn van boomdiagrammen en dieptestructuren of moeilijke woorden als taxonomie. Dat kon iedereen wel.

Jij was anders. Jij had idealen. Jij zou gaan voor de bricoleerders van de Zundapp, de liftenbouwers, de harenvegers. Jij wist waar ze woonden, hoe ze dachten, hoe het voelde om onhandelbare wilde te worden genoemd. Jij sprak hun taal. Je zou de boswachter worden die eens stroper was.
Je zou het in de loop van je leven wel duizend keer herhalen:
“Het is allemaal een kwestie van graag zien.”

Rusalka

In den beginne was er niets.
Er was de oudejaarsnacht en wij. Wij zopen ons er doorheen. We wensten elkaar seks, drugs en rock and roll, in bulk, en hosten vervolgens van kroeg naar festijn in Harmonie of Stadsfeestzaal alwaar Raymond, Arno of Katastroof musiceerden ter vermaak.
Opeenvolgende jaarovergangen, langzaam ouder maar nog steeds beneveld, gunden we elkaar een goed lief of een vaste baan. Of allebei. En dat we ze nog lang mochten mogen.
Op een koude nieuwjaarsdag hoorde je jezelf: “Een goede gezondheid, dat is tenslotte toch het belangrijkste.” Je stopte ook wat eerder al met slempen, want morgen was er weer een dag.

Het wordt minder, dacht je. Je was niet meer jong en uitbundig, zorgeloos en vol van wilde sprongen. Het beste had je al gehad. Prijs je gelukkig met een kwaaltje hier, een mankementje daar, en wacht. Op een dag vallen jij en je schaduw samen en maakt de tijd er een einde aan.
Dat zag je verkeerd. Aan de einder brandt de mooiste zon, licht versluierd en roodgloeiend, pootjebadend in de zee. De zon heeft geen pootjes, ik weet het, het is een beeld. Het zegt: het is andersom, het wordt alsmaar beter.

Deze oudejaarsavond vond je ons in De Koninklijke Vlaamse Opera. Het plein ervoor fonkelnieuw, met een opvallend gebrek aan groen. Een statement van het stadsbestuur, al te vrolijk moet het niet worden in deze zelfverklaarde Metropool.
Al bij de entree proef je de belegen grandeur, honderd jaar oud misschien. Brede gangen, hoge zuilen. Mannen in driedelige pakken. Vrouwen in lange gewaden, hangers aan gouden kettingen tussen borsten die ook ‘s winters troost en warmte bieden. Armbanden rinkelen om elegante polsen, nagels glanzen fel gelakt, bruin, paars, dieprood. Hakken klepperen niet, ze tikken de tegels, van vestiaire naar toilet naar zaal. Je inhaleert esthetiek.

Zelf droeg ik mijn duurste en witste hemd van Desigual onder een buik maskerende, roestbruine trui van Emporio Armani. Mijn skinny jeans, licht gebleekt, uit het Broekenpaleis maar dat kon je er niet aan zien, viel naadloos op de glimmende, lichtbruine schoenen, Gucci, uiteraard. De kin spiegelglad, een zweem Jungle Man, wat nog rest van mijn wilde haren – in een ver verleden volgens mijn haarstyliste wasted on a man, casual in de war, stijlvol, grijswit. We misten nog een koningin of toch minstens een minister-president.

Op de scène een imposant decor. Houten waterdruppels, vijf meter hoog. Water van hout bestaat niet, ik weet het, het is een beeld. Ze draaiden op ronde schijven die de ene keer een kabbelend meer suggereerden, dan weer vasteland of storm. Het licht acteerde mee, maakte wind, woei woeste golven .
Bombast, zeker. Kosten noch moeite waren gespaard opdat de Verbeelding zou krijgen wat ze verdient en Schoonheid het respect dat haar toekomt.
Rusalka, een sprookje. Met een wanhopige waternimf, een prins, een watergeest, een heks. Met liefde, wanhoop, valse beloften, intrige en dood. Zangers stalen onze asem, verdubbelden of verveelvoudigden hem en lieten ermee donder rollen over het uitverkochte theater, of harten smelten. Dansers, buigzaam en plooibaar, met meer beweeglijkheid en souplesse dan stengels wuivend riet aan de oever van het wassende water. Ik lachte bij ’t zien van dees Schoonheid. Dat is uit een ander stuk, ik weet het, maar het zegt wat ik bedoel.

Uren verstreken maar dat merkte je niet.
Het werd middernacht. We knuffelden, omhelsden en kusten elkaar, bedwelmd nog, vervuld van een zeldzaam warme gloed. We waren geïnjecteerd.
Twee dagen later werkte die prik nog altijd door, toen ik, gelegen voor Pampus, overlopend van sentiment meeleefde met Bregje Hofstede en haar schrijnende pijn in Drift. Schrijft zij, pagina 285: “Ik moet steeds dromen inslikken, ik ben er misselijk van.
Dat heb je verdomd mooi gezegd, dacht ik, en liet bezinken. Ik had jaloers kunnen worden maar besloot haar woorden te proeven, liet ze smelten in mijn gemoed, als een praline op de tong. En ik wist het zeker: 2020 wordt het jaar van de Schoonheid.
Ik wenste het mij en ik wenste het u.

Inmiddels.
Een zoon komt niet thuis. De minister-president verspreidt geruchten. Een staatshoofd bestelt een moord, vliegtuigen vallen uit de lucht. Bossen branden, mensen en dieren vluchten of verkolen.
Ook dat is het leven. Het ligt niet in mijn handen.
Wat kan ik doen?
Dit.
Schone Dingen die ik zie, zal ik plukken uit de lucht. Ze koesteren en met liefde bewaren, in frêle doosjes, aan de binnenkant met witte wattenbollen bekleed.
Soms, in tijden van troost, maken we ze open en kijken we ernaar.
U en ik. Samen.

De Laatste Week

Het zou niet mogen zijn.
De mens richtte zich nooit eerder zo erg op zichzelf als vandaag, zegt men. Individualisme viert hoogtij, het is alles ik, ik en ik. Nochtans, ik herinner me hoe mijn moeder onze immer afwezige vader typeerde, toen we nog met een kroontjespen peuterden in een inktpot: “Zijn naam is Alexander, alles voor mij en niks voor een ander.” Ook die milde aanleg voor poëzie zit ons in de genen.

Eenenvijftig weken per jaar verfoeit men het pamperen en verwennen. Je moet hard zijn, weerbaar. Wie ziek is, de rekening niet betaald krijgt of op een onhandige plek geboren wordt, eigen schuld! Dop zelf uw boontjes, solidariteit is zo hard vorige eeuw, nu dient de broeksriem aangesnoerd. Sparen is het marsorder. Allemaal op weg naar niets.
De overheid snoeit in subsidies en preventieprojecten. Voor later, wordt gezegd. Mensen vergeten gauw, maar sparen voor later deden we ook al toen mijn vader Alexander heette en mijn moeder nog helder genoeg was om daarover versjes te rijmelen. Wilfried Martens zag ooit licht aan het einde van de tunnel. Wilfried wie? Inderdaad.

In de op een na laatste week voor nieuwjaar bloedt in het ganse land het hart. In de Dorpsstraat bierpongen mensen van goede wil tot ze erbij neervallen. Ze struinen rond met de rostjespot, boetseren bruisballen voor uw bad. Wie zijn deze Franken en Simonnekes? Wat drijft ze? Eten zij vlees of zijn ze vegan? Lezen ze bijbel, koran of HLN? Doen ze bovengemiddeld aan de liefde? Hebben ze een job? Spijbelen ze voor het klimaat? Rijden ze met auto of bakfiets? Beschouwen zij illegaal en crimineel als synoniemen? Dragen ze roze sokken? Trollen ze op Twitter? Zijn ze boomer, millenial of gen Z?
Wie maalt erom? Ze delen gezamenlijk een leed en de behoefte dat te stelpen. Hun bekommernis is oprecht. Geen druppel bloed in mij, geen vezel, geen porie, geen ader of geen cel, twijfelt aan de rechtschapenheid van iedere ik die zich tijd en moeite getroost om een andere ik, ergens, wat warmte te schenken. Helden! Hulde!

En toch. Het zou niet mogen zijn.
Music For Life, geboortejaar 2006, mobiliseerde vanuit het Glazen Huis rond universele thema’s: slachtoffers van landmijnen, drinkbaar water, diarree, weeskinderen en asielslachtoffers. Hoorde je in die pretwittertijd op café: “Mooi, maar ze zouden beter iets voor onze eigen mensen doen.” Wie dat waren, wist men ook toen niet te vertellen.
Aldus geschiedde. Zes jaar later, we vergeten snel in dit land, draaide men nog plaatjes om dementie in de spot te plaatsen. Daarna kon elke burger, elke actiegroep een Goed Doel aandragen. Die kwamen in groten getale. Er valt veel te verhelpen in dit onooglijke paradijs aan de Noordzee.

Wederom, het zou niet mogen zijn.
Dichtte niet ons aller Stijn Meuris: “De mensenzee klotst voort in een radeloze deining”? Zo is het maar net. Niets verandert.
De schreeuw om hulp is als een gloeiende plaat. Elk jaar weer druppen Gutmenschen daar een emmertje koelwater op. Kss, kss, kss, sist de plaat. De laatste dag, in Grande Finale, slepen bedrijfsleider, minister-president en premier brandweerslangen aan, getooid met logo, leeuw of tricolore lint. Zij sproeien uitbundig de plaat. Spektakel, opgewonden ooohs en aaahs uit het publiek. De plaat kkssssstttt, spuwt een reusachtige stoomwolk naar de hemel. Engelen jubelen, het is kerst.  Ontroering, gejuich, tranen. Eindbalans: haast twintig miljoen.
De hitte lijkt gedoofd, het leed geleden. Trots! Dit hebben we gedaan, dit voelt goed. Nog gauw een appeljenever of glühwein en we schrijden, tevreden met onszelf, goedgemutst ter kalkoene. Achter de rug helaas, verdampt de stoom, warmt de plaat weer op, eenenvijftig weken lang, je zal er maar beter met je handen afblijven.

Het zou niet mogen zijn.
Goed bestuur maakt Warmste Weken overbodig.
Wij schonken onze overheid instrumenten om dit lijden te verzachten. Wij legden de macht in haar handen, betaalden daar onder gemurmeld gemor onze bijdragen voor, fors, het moge gezegd, elk jaar weer.
Veel vragen wij niet. Een beleid, genereus, waar de nood van iedereen, in de eerste plaats de kansarme, gelenigd wordt. Wij vragen niet de rijke rijker, wij vragen de arme minder arm.
De overheid verkiest om die instrumenten niet te gebruiken. Zij laat het aan u en mij.

Dat zou niet mogen zijn.
Dat zouden wij niet mogen toestaan.
Zou een heel klein beetje oorlog soms niet beter kunnen zijn?
Dat wij blijven hameren op die nagel, dat zou mijn aanbeveling zijn voor een nog beter leven in 2020.

Voor eenieder van u: een heel gelukkig nieuw jaar.

Robin Hood

Zeven of acht was ik.
In de boeken die ik las, beleefden helden de avonturen waar ik van droomde. Zo schermde ik als de vierde musketier, D’ Artagnan. Of werd ik Richard Leeuwenhart, verbannen koning van  Engeland. Winnetou, de heldhaftige Apache, was ik ook. Maar liefst kroop ik in het groene pak van Robin Hood, van emplooi struikrover uit Nottingham.
Hoe heerlijk, vrij te zwerven in onmetelijke wouden, met spitsbroeders, door bloed verbonden tot aan de dood. Wars van gezag, soeverein, onversaagd en gezegend met een hart van goud. Stelen van de rijken om te geven aan de armen, in onvermoeibaar verzet tegen valse koning of snode generaal, ziedaar de missie in mijn leven!

Helaas, deze piepjonge held diende zich eerst nog te ontdoen van het ouderlijk juk. Mijn moeder en vader maakten korte metten met mijn roep naar vrijheid en rechtvaardigheid. In hedendaagse tijden valt met Struikroverij geen droge homp te verdienen, beweerden ze. Het redden van de smachtende jonkvrouw kan altijd later nog, nu eerst in korte broek, billen bloot, hop naar school. Rijken bestelen kan wachten, verover eerst maar een diploma van bankbediende of boekhouder, ga in de politiek desnoods. Legale criminaliteit, onschendbaar en beter betaald, stelde mijn vader.
Ik borg mijn idealen op maar vergat ze niet.
Wonderjaren beleefde ik. Lag Robin Hood of musketier nog in een onbekende toekomst, Pietje Bell en Witte van Zichem vulden de vrijgekomen ruimte bereidwillig in met wat toen nog onschuldig kattenkwaad werd genoemd.

Ik dacht, zo vergaat het elk kind.
Maar passeerde me daar deze week een figuur! Patser, bol opgespannen buik bij elkaar gehouden door een strak geknoopt hemd. Biertje erbij. IJsberend van deze naar gene zijde, drukke gestes. Een tirade, het moest eraf. Onderwerp: de vrouw. Niet eentje, niet enkele, nee, de vrouw als algemeen verschijnsel. Als een kenner oogde hij niet. Hij debiteerde filosofieën die al in het Pleistoceen als achterhaald mochten beschouwd.
Idioten zullen er altijd zijn en overal. Hang een camera in het dorpscafé, je krijgt dit soort ongein op je scherm. De vraag van de dag echter: hoe groeit een jongetje van zeven, ooit toch ook zuivere onschuld in zomershorts, uit tot zulk gal opgevend organisme? Wat is er fout gegaan?

Dan dit.
Een Amerikaanse producent van films, befaamd pussygrabber voor, na en tijdens de werkuren, schikt in der minne.  25 miljoen dollar, dan zijn we ervan af. Mijn toast, besmeerd met een veegje caloriearme boter en een dikke laag vier vruchtenjam, hapert in mijn keel. Hoezo, schikking? Wat dan met de eerbaarheid? Moeten ook niet rijke, dikke, witte mannen manieren leren? #metoo toch? Alle vunzigheid de wereld uit! Je zonden kopen met een aflaat, hoe donker middeleeuws is dat? Valt dat ook onder rechtvaardigheid?

Je dacht het wel gezien te hebben. Tot dit.
Een kind, elf, sukkelt onder een vrachtwagen. Kind dood, chauffeur in shock, buurt bang: wordt mijn kind het volgende slachtoffer? Zegt de burgervader: “Het wordt zoeken naar het delicate evenwicht tussen verkeersveiligheid en economische belangen.” Mijn toast weer op weg naar de ingang. Huh? Hoeveel kinderen zijn we bereid te offeren op het altaar van de economische winst? Is dit écht een overweging, zelfs? Serieus?

En dan.
Europa heeft een Green Deal. Eindelijk, een lichtpunt, denk je. Vergeefs. Wij, geboren op deze heilige korrel, weten beter. In de Vlaamse navel ontspringt de Bron van Alle Wijsheid, dat is geweten, zo dicteert het de canon. Als dat geld kost, zegt de minister, dan niet met mij. Misschien, het is maar een ideetje, brengt een mondmaskerfabriek in het midden van een woonwijk nog wel wat op?
Wanneer stootte de K van Kapitaal de S van Samenleven van de eerste plaats in de Hitparade der Normen en Waarden? Wanneer verdwenen woorden als Respect en Fatsoen in de vergeetput? Waar zaten wij toen? Naarstig aan de arbeid wellicht, kop in de grond, laat de boeren maar doen. De karavaan trok voorbij, we zagen hem niet.

Vandaag doe ik niets.
Ik kijk naar National Geographic, een documentaire over de mammoetjacht. Er bestaan sprekers die  daar nog hebben aan deelgenomen. Speren prikken venijnig in dikke vachten, schril geschreeuw jaagt de kudde op. De kolossen roffelen hun zware poten, de grond davert. De giganten draaien doelloze rondjes. Slagtanden zwaaien heen en weer. Onrust. Paniek. De leider schudt dwaas de kop, vlucht. De kudde volgt, stormt als bezeten recht vooruit, alsmaar recht vooruit, kop in de grond, verstand op nul, blik op oneindig. Aan het einde wacht de afgrond of de kloof.
En er is niets tegen te doen.

Een reverence

In den beginne is er het donker. Op een enkele lichtbundel na, gelig en eenzaam, als op een koude winteravond langs een verlaten oude baan buiten het dorp.
Onder de spot wiegen fijne wolkjes stof een tango, gewichtsloos en ongrijpbaar. Over het podium schuift vanuit de zwarte leegte, zwoel en warm, een vrouwenstem. Ze komt uit een buik en kriebelt in je binnenste.
“Dit licht,” zegt ze, “blijft schijnen, altijd, ook nog als acteurs, technici en publiek de zaal hebben verlaten, vertier zoeken aan de bar of in het donker van de nacht de weg naar bed weer vinden. Als alle leven hier is gedoofd, dan nog schijnt het licht. This is the light that never goes out.”
To die by your side, must be a heavenly way to die, neuriet een minuscule Morrissey op mijn schouder.

Het duister wijkt als een gordijn. Uit de schemer maakt een schim zich los. Schrijdt de diva naar de spot? Dat zou verbeelding zijn. Haar stap is houterig, ze doet me aan mijn moeder denken. Mijn verwachting, te hoog gespannen, daalt weer neder op de aarde.
Ik zit vooraan, ze kijkt me aan. Haar ogen grijsgroen, onpeilbaar diep water. Onder het rimpelende oppervlak bruist nog altijd een vulkaan. Ik smelt. Ze zet zich hoekig op een stoel. Streelt handen en armen en benen, acteert, vertelt. Over dingen die ontstaan, zomaar, en even achteloos weer vergaan. En over wat zij, in de tijd daartussen, dan allemaal zoal heeft gedaan.

Zie ik een fee? Nee.
Haar beweging mag eerder wankel genoemd. Dit is niet meer de soepele elegantie van de jonge deerne. Haar schouders rechten zich niet meer met de trots van de gevierde diva. Staat voor ons: een vrouw van vlees en bloed, die vele verledens heeft overleefd. Een monument van eenentachtig.
“Wanneer gebeurt dat,” vraagt ze zich af. “dat je oud wordt? Je weet, ooit gebeurt het, maar komen zie je het niet. En dan ineens, zomaar.” Verwonderd als een kind terwijl je kan zien, de tijd haalt alle leven in, genadeloos en onherroepelijk.

Uit de hemel dwarrelt af en toe een geheugensteuntje, een blaadje met woorden, om niet te vergeten wat ze hoort te zeggen. Op brede, halfhoge hakken hakt ze er naartoe. Met de tippen van haar schoenen schuift ze de beide randen van het papiertje naar het midden. Het blad bolt de rug zodat de actrice minder diep hoeft te bukken. Hup, fluks, geen centje zweet.
Beelden achter haar rug.
“Ach, toen. Die voorstelling, met die en die. Grote acteurs, ” herinnert ze ons. En zichzelf ook, soms twee keer. “Die keer zat ik daar tot aan mijn nek in het zand op dat podium. Ook mijn handen ingepakt, compleet machteloos. Wat je doet voor de kunst, ach. Snipverkouden was ik. Mijn neus lekte, en mijn handen in dat zand. Dan heb ik alles maar opgelikt.”
Of: “Nand, mijn man, die was zo grappig! Tot op de scène dwong hij zijn medespelers tot de slappe lach. God, wat ben ik boos op hem geweest.”
Ze demonstreert. Hoe ze als kostschoolmeisje had geleerd een buiging te maken, voor als een hooggeplaatste op visite kwam. Het Cultureel Centrum van Schoten houdt de adem in. Je hoort denken: “Op die leeftijd!” Maar zie, er zijn meisjes die altijd meisjes zullen zijn, tot de dag des oordeels. Ze buigt, diep, elegant, nederig en met stijl. Een reverence voor ons, haar publiek.
“U,” zegt ze en ze wacht even, “vraagt zich nu natuurlijk af: raakt ze nog wel weer rechtop? Kijk, dat gaat zo. Een, twee, drie.” En ze staat.
Kaarsrecht.

Dat doen wij ook. Wij klappen onze handen rood, een ovatie, een glinstering in  haar ogen. Wij zijn al lange tijd geen zeven meer, die onnozele verliefdheid ver voorbij. Vandaag buigen wij voor Chris Lomme, hoofd en romp, diep en nederig. Wat kunnen wij anders?
Drie Duvels later, het podium pikzwart. Een enkele lichtbundel schijnt nog, gelig en eenzaam.
Well, the pleasure, the privilege is mine, neuriet de minuscule Morrissey.

Eens een kind

“O, maar u moet vroeger ook een klein meisje zijn geweest, juffrouw Bulstronk. Dat kan niet anders,” zei juffrouw Engel.
“Dan in ieder geval niet lang,” blafte het Hoofd grijnzend. “Ik was in minder dan geen tijd volwassen.”

(Uit ‘Matilda’ – Roald Dahl)

Of ik een meeting wilde bijwonen.
Over moordend wapentuig zou het gaan, en de trafiek ervan, vanuit onze contreien naar die bevriende Arabische natie waar het ukje Osama bin Laden zijn eerste vliegtuigjes modelleerde. In een inleidende film kon je zien waar en hoe deze ondingen werden gebruikt. Je zag een autobus, gevuld met blije Jemenitische kinderen op schooluitstap, uit elkaar spatten. Men vertelde niet welk heilig boek tot deze barbaarsheid inspireerde. Men toonde wel het verband tussen dat, en wat opruiende lieden graag een vluchtelingencrisis noemen. Na de pauze zouden we bekijken wat wij, burgers van  de vrije wereld, konden ondernemen om dit vreselijks te stoppen.
“Iedereen kan wel iets betekenen,” zei de moderator, een prille dertiger.
Ik vroeg het me af.

Beweren dat deze bijeenkomst een stormloop enthousiastelingen op de been bracht, is liegen. En wie er was, had slechts een beperkt aantal jaarringen vergaard. Jongens en meisjes, jong, gezond van lijf, gemoed en geest, bezetten schaars de houten stoelen. Verontwaardigd waren ze. Woedend ook. Tot actie bereid. Men wilde afficheren, demonstreren, opmarcheren, zich ketenen aan hekken en spijlen en als een Jane Fonda, met minder klasse weliswaar, in boeien geklonken het avondjournaal halen.

Tijdens de pauze droop ik stilletjes af, beschaamd, door onmacht bezwaard. Cynisme houd ik voor de dommen, maar hier was ik al eerder geweest, dit had ik al eens gezien. Ik had wel bewondering voor die jeugdige geestdrift, dat wel, en respect voor hun idealen evenzeer. Ik deel ze zelfs. Maar waar zij nog beschikken over een heilig geloof, ben ik het mijne, met het voortschrijden der jaren, onderweg kwijtgeraakt, zoals een vogel van zijn pluimen laat.
Thuis beluister ik, gelegen in mijn gifgroene relax, waarvan je met een eenvoudige druk op een knop zowel het beenstuk als de rugleuning kan verschuiven, nog wel eens een protestlied, Dylan, Lennon, de Groot. Tot daar mijn meest slagkrachtige verzet. Na de lunch zak ik dan in een droomloze slaap.

Andere tijden zouden komen. Wij geloofden dat. Alleen wanneer, dat was de vraag.
Zo waren wij toen. Kleurenblind, we onderscheidden ras noch kleur, iedereen gelijk. Geef ons de planeet, we zullen haar genezen. Vrede op aard en aan alle mensen van goeden wille ook, en dat waren we allemaal, toch? Samen met nonkel Bob plantten we een boom, Laat ons wat Groen, Imagine, We shall overcome. Presidenten zouden we tot luisteren dwingen, nie wieder Krieg en werden we zelf ooit rijk, we deelden ons bezit met de arme sloebers die door dame Fortuna minder gunstig waren bedeeld. Raketten en honger zwierden we de wereld uit. A better place, for you and me. Wij geloofden dat mensen hun naasten liefhadden, liefde onvoorwaardelijk en voor altijd was. Hilversum drie bestond en ieder had een eigen stem.

Word volwassen, eiste de goegemeente. We wilden niet maar plooiden toch. Zoals het gebladerte de boom verlaat, zo verwaaiden onze idealen. Blad na blad. Bij een fikse windstoot – een ongemak hier, een kernramp daar, een nieuwe wereldbrand ginder, woeien hele takken weg. Tot van de boom niets restte dan een kale, dorre stam, te droog om nog vrucht te dragen. Angstaanjagend gekraak en geknisper, meer heeft hij niet te bieden.

In het zaaltje zaten jonge twijgen, de eiken van morgen.
Je zou ze bij de hand willen nemen. Ze leiden en wijzen: let op gindse valkuil, daar een obstakel, kijk uit, een hindernis.
Waarschuwen wil je, blijf aan gene zijde, koester die droom, vergeet hem niet. Onvermijdelijk gaat ooit ook jouw lichaam in verval, maar onthoud: de geest kan tijdloos zijn. Hoed je voor de aanwas van eelt op je ziel, zeg je er nog bij.
Versaag niet. Verglijd bij onkans niet in cynisch gelamenteer. Het is gemakkelijk, lost niets op en bovendien, daarvan hebben we er al genoeg, zij behoeden wet, kerk en kapitaal en staan aan de overkant. Waar zij verblijven, vluchtte alle schoonheid. Men spreekt er de taal van harde valuta en jobs, jobs, jobs.

Dat allemaal wil je ze zeggen.
Dat herhaal je ook. En nog een keer. Tot in den treure.
Want als er eentje naar je luistert, slechts eentje maar, dan heb ook jij iets betekend.