Blog

Een Hip Hipje

          Deze week was ik jarig. Op precies dezelfde dag als altijd. Er zijn nog zekerheden in het leven: de dag waarop je bent geboren en de stelligheid van de dood. Al de rest verandert.
          In de dagen toen ik werd geboren, liepen de buren nog langs de achterdeur je keuken in, verlegen om wat boter of een ei. We speelden buiten tot we in het donker geen bal meer voor onze ogen zagen, moeders wil was wet en voor je verjaardag mocht je snoepjes mee naar school. Hilversum 3, pretparken en fastfoodrestaurants bestonden toen nog niet.

          Het is zestig jaar geleden, maar ik herinner me nog goed. Je verjaardag was een hoogdag in je leven. Hij bracht je dichter bij je grootste doel: een Grote Mens worden. Kinderen mochten niets, Grote Mensen alles. Met een brommer rijden. Roken. Bier drinken op een stoeltje tegen de voorgevel. Naar films gaan kijken waar Kinderen Niet Toegelaten waren.
          Dertig colalolly’s nam ik mee, één voor elk kindje in de klas en eentje voor de meester. Lekstok noemden wij dat toen, een term die je vandaag alleen nog tegenkomt in de Limburgse variant van Only Fans. De meester kreeg er nog sigaretten bovenop. Tigra, met een verleidelijke vrouw in tijgerprint op het pakje. Geen idee wat die daar lag te doen. Op het pakje van mijn vader stond zelfs een engel afgebeeld, de punt van zijn speer in de buik van een spartelende duivel aan zijn voeten. Ook een manier om aan te geven dat roken de gezondheid schaadt. Veel heeft dat overigens niet geholpen. Mijn vader bleef doorgaan met roken tot hij uiteindelijk aan longkanker overleed.
          Dertien jaar ouder was hij toen dan ik vandaag.

          Op weg naar school zette ik mijn fietsje aan de kant. Beter een keer te veel nageteld dan een lolly te weinig. Natuurlijk scheurde het papier. Natuurlijk vlogen mijn lolly’s alle kanten op. Natuurlijk kwamen toen toevallig twee soort van Hells Angels op zware motoren aangeraasd. Natuurlijk sloeg de angst mij om het hart. Natuurlijk hebben Hells Angels nul en generlei interesse in colalolly’s. Angst zat ook toen al het meest tussen je twee oren.
          In de klas hield je de lippen stijf op elkaar. Je had er wekenlang over lopen rondbazuinen, in je hoofd kenden vandaag alleen jij en de meester je geheim. Dan het grote geluksmoment! Enkele minuten voor de ochtendspeeltijd liet de meester de rekenschriften opbergen en mocht jij met je gescheurde zakje je rondgang maken door de klas.
          Soms duurt vriendschap een lekstok lang.  

          Thuis, met al die andere kinderen die ook elk jaar opnieuw weer jarig waren, stelde jouw geboortedag niet zo geweldig veel voor. Geen versiering aan je stoel, geen slingers aan het plafond, geen kroon op je hoofd. Bij het ontbijt wenste je moeder je gelukkige verjaardag. Je vader was er niet, misschien belde hij die avond wel. Twee cadeautjes bij je bord, oef, ze is het niet vergeten. Eentje voor de pret, eentje voor de nuttigheid. Een Jokari om in je eentje te leren tennissen en hoewel de lente pas begonnen was een mooie gebreide trui voor volgende winter. Het geld groeide mijn ouders niet op de rug, zo hielden ze ons dagelijks voor. Niemand van ons had ooit anders beweerd.
          De jarige mocht kiezen wat die avond de pot zou schaften. Die gunst was aan beperkingen gebonden. De warme maaltijd bestond uit aardappelen, groente, vlees. Op jouw dag mocht jij de groente kiezen. Mijn moeder maakte de heerlijkste savooi van de hele wereld. En bakte de lekkerste worst.

          Uitbundig heb ik niet gevierd, afgelopen week.
          Die ochtend in bed heb ik mijn zegeningen geteld. Gedacht aan de mensen om me heen. De knoken kraken soms een beetje, af en toe vergeet ik weleens een woord, vaak moet je twee keer vragen wat iemand heeft gezegd maar al bij al lukt het nog aardig. Een grote troost bij deze oude dag: u was ruimhartig in uw wensen, tot aan de middag heb ik hartjes geplaatst.
          Bij het ondergaan van de zon heb ik me een wijntje ingeschonken. Met weemoed komt berusting. De Grote Mens die ik geworden ben, wordt stilaan weer kleiner. Elke verjaardag brengt het einde dichterbij. Het beste zit er niet langer nog aan te komen, wellicht is het al geweest. Veel kans dat ik het niet eens hebt gemerkt.
          Zeker weten doe je dat nooit. Er is nog een deel te gaan. Bij leven en welzijn en wat geluk staat u en mij nog heel wat moois te wachten.
         

Een mopje gemaakt

          Het was weer eens de hoogste tijd om een stukje te gaan schrijven. Iets luchtigs liefst, een aardigheidje. Zwaarte biedt de wereld al genoeg. Een hardnekkige lenteblues echter onderdrukte mijn aangeboren gevoel voor vrolijkheid. Waar ik ook zocht in de krochten en plooien van mijn hersenpan, de lachkwab bleef zoek. Toen kreeg ik plots een inval. Een clown, dacht ik. Clowns struikelen over hun te grote schoenen, glijden uit over een bananenschil, vinden het hoedje op hun eigen hoofd niet terug. Clowns zijn altijd om te lachen, al toen ik nog een mopsje was en aardig om te zien.

          De grootste clown van gans de wereld, dat weet iedereen, woont in het verre Westen in een groot wit huis met balzaal in de aanbouw. Groter clown heeft de wereld eerder nooit gezien, al zegt hij het zelf. Elke dag een nieuwe grap. Hij en ik huldigen dezelfde levensleus: een dag niet gelachen is een dag niet geleefd. Zoiets schept een band.
          Ik hoorde deze nar een tijdje aan. Helaas, algauw versteende de glimlach op mijn lippen. Hoewel toch mooi oranje als een mandarijntje, de gekste bekken trekkend en elke dag een nieuwe bak bedenkend, wekte de man al snel meer aversie op dan sympathie. Ik moest denken aan de woorden van die vrouw die ik ooit in Polen had ontmoet: ‘We all laugh and it isn’t funny.’

          Dan de blik maar naar het Oosten.
          Meer dan één oogopslag had ik niet vandoen. Kent u een Oosters humorist? Ontwaarde u ooit een glimlach op het gelaat van de tsaar van Rusland, de keizer van China of de despoot van Noord-Korea? Weten doe ik het natuurlijk niet, maar het zou me niet verbazen mocht lachen ginds bij wet verboden zijn. Tien jaar voor een glimlach, een mop op straat bekoop je met de dood. Je moest eens weten hoe gelukkig ik me hier soms voel.
          Ik kwam in de verleiding AI voor mij het werk te laten doen, maar hoe waardeloos is dat? En die mop van Trek Eens Aan Mijn Vinger, die kende u natuurlijk al.

          Het café, dacht ik toen, daar wordt nog weleens gelachen.
          Aan de tapkast zat een man, veel volk om hem heen. Net van kantoor leken ze te komen. Das losgeknoopt, hemdsmouwen opgestroopt, machomannelijk ongeschoren.
          ‘Ja jongens, daar had ik ze toch allemaal stevig bij hun pietje,’ lachte de man met schorre stem. ‘Jeanne, geeft gij ons er eentje? Zes pintjes? Doe mij er maar twee, van lachen krijg je dorst.’ Toen wist ik zeker dat ik goed zat. Glazen klonken, oogjes blonken. Ik kende deze man, alleen zijn naam schoot me niet zo gauw te binnen.
          ‘Eerst Het Laatste Nieuws! En dan de VRT! VTM! Heel die hannekesnest er als een blinde kudde achteraan. Allemaal dezelfde foto. De vetste koppen erbij! Komt dat zien, mensen, komt dat zien! Een heuse drone, eindelijk echt op beeld! Terwijl ik en ik alleen wist, ceci n’est pas un drone. Helemaal los gingen ze. Spionage! Dreiging! Groot Gevaar! De minister zelf heeft het gezegd!’ Plots wist ik wie dit was. Ik herkende hem van een oude foto, dronken plassend in de plantenbakken in de hoofdstad. Was die foto echt geweest of nep, dat herinnerde ik me niet precies.
          ‘Jeanne, nog een rondje!’ In afwachting snoot de minister zijn neus, in een beweging veegde hij met zijn zakdoek ook de tranen van plezier uit zijn ogen. Niemand van de omstaanders die wat zei. Als de minister spreekt, zwijg en luister je. Het humeur van een leider is wispelturig als een espenblad in het voorjaar.
          ‘Maar jongens, luister, de clou moet nog komen. Bart, enfin, Mijnheer de Premier, zegt tegen mij: ‘Theo, hoe serieus is dat spel? Subiet weer heel het land in brand en bibi mag weer gaan blussen.’ Ik kon natuurlijk niet meer terug. Ik kon moeilijk zeggen, Premier, het was maar om te lachen. Hij kan daar niet goed tegen, hij is liever zelf de plezantste thuis. Dus ik gebaar van krommenaas. Ik zeg: ‘Spionage Premier, zeshonderd procent zeker. De Russen, vanzelfsprekend.’ ‘Serieus?’ vraagt hij. ‘Serieus,’ zeg ik, met een gezicht als op een begrafenis. Ogenblikkelijk de Vincent erbij. We weten allemaal hoe die op de centen zit, precies of dat belastinggeld is allemaal van hem. ‘Vince,’ zegt Bart, ‘geef Theo hier eens in de rapte een miljoen of vijftig. Schrijf maar op: Defensie tegen de Russen.’ Het café ontplofte. Gejoel, gejuich, applaus, mensen klommen op de banken en de tafels.
          ‘Dus: laat u maar een keer goed gaan hé mannekes. Het kan ervan af! Jeanne. Tournée generale!’

          Een groot feest ontstond. Iedereen bejubelde de grote leider, mensen kraaiden van de pret, sloegen zich op de dijen, omhelsden elkaar op welhaast ontuchtige wijze.
          Ik stond erbij en keek ernaar en dacht: ze lachen allemaal, terwijl, zo grappig is dit verhaal toch ook weer niet.

Een blijde verrijzenis

            Je voelt je als een kip die van de leg is.
            Of dat denk je, dat weet je niet, wellicht heeft iemand weleens een studie gepubliceerd over het gevoelsleven van de kip in de Lage Landen, maar die heb jij niet gelezen. Je hebt wel wat beters te doen. Ja toch?
            Het gaat gewoon nu even niet.
            Zegt dokter Google: Writer’s block is een tijdelijk, niet-medisch onvermogen om nieuw creatief werk te produceren, vaak gekenmerkt door een gevoel van vastlopen, gebrek aan inspiratie of geplaagd worden door perfectionisme.         
            Tijdelijk, dat troost. Gewoon even geen goesting, zoals bij een kater. Goesting komt net als treurnis altijd terug.

            Wanneer je in het midden van de nacht naar het plafond ligt te staren, kan je beter wat gaan doen. De strijkmand leegmaken, de vaatwas uitladen, het toilet herschilderen. Dat is overdag niet anders.
            Dus je laat in de keuken een handvol rozijnen wellen in witte rum.
            Waar ben je mee bezig, vraag je jezelf intussen af.
            Wat heeft het allemaal voor zin?
            Wat is jouw bijdrage aan een betere wereld?
            Je durft het antwoord niet luidop te zeggen. Een voetballer die met voetballen stopt, dat beroert de gedachten. Een wielrenner die een koers gaat fietsen, wereldnieuws. Een minister die zesduizend kilometer verderop haar C4 krijgt toegestopt, dat is belangrijk.  Wat jij doet, hoe jij denkt, hoe je het formuleert, doet er niet toe.

            Je scheurt oudbakken brood aan flarden, meer drift in je gebaren dan je bedoelt. Natuurlijk, heel veel mensen doen onopvallende dingen, dat weet jij ook. In de eerste plaats misschien wel voor de centen, toch dragen ze tegelijk aan de maatschappij een steentje bij. De vuilnisman houdt toch ook de straat proper, de buschauffeur brengt de reiziger naar zijn bestemming, de winkeljuffrouw wikkelt een feestelijk papiertje om een pakje dat straks een kind met twinkeloogjes weer los zal maken.
            En jij?

            Wat doe jij?
            Jij klutst drie eieren over een kom oud brood, giet er een gulp hete melk overheen, bepoedert het zootje met kaneel, mengelt er nog wat peperkoek onder en witte chocola. Je vergeet zelfs bijna je rozijnen nog. Die rum ga je niet drinken, je vindt jezelf te oud geworden voor dronken zelfbeklag in het midden van de dag. Roeren, husselen, mengelen, mêleren, aan woorden zal het niet mankeren. Een vinger door de dikke brij. Hmm. Wie hiervan proeven gaat, zal blij zijn.
            Iemand gaat toch proeven straks?

            Geduld is het geheim van elke kok.
            Je schuift het baksel in de oven, rijzen moet het zelf doen, zoals een kind ook zelf moet groeien. Het enige wat jou nog rest, is wachten. De tijd verdrijven, terwijl je toch met zekerheid weet, van alle dingen in het leven is alleen de tijd strikt afgemeten. Elke minuut die je verliest, is voor altijd weg.
            Het witte blad blijft naar je staren, troosteloos en leeg.
            Ik moet, denk je.
            Moet just niks. Je moet denken aan dat verhaaltje over de verliefde Fred Flintstone in dat Grote Boek van je dat maar niet geschreven raakt, she loves me, she loves me not. Je lacht. Dat moet voorwaar die geur van pudding zijn die je bureau komt ingewaaid. Mooi, het leven is mooi, schrijf je. Prachtig toch dat uit verloren brood nog wat lekkers komen kan? Gisteren nog zonder waarde, deze avond op je bord!
            Niet alleen de blik in haar ogen, ook dit is kunst.

            Gods wegen en de kronkels in een mensenhoofd zijn ondoorgrondelijk.
            Vanwaar hij komt, geen idee, maar plots begint mijnheer Den Uil te zingen in je hoofd, dezelfde stem als zestig jaar geleden: ‘Want dieren zijn precies als mensen, met dezelfde mensenwensen, en dezelfde mensenstreken, dat komt allemaal in de krant, van Fabeltjesland.’
            Dat wel, denk je, ik niet. Ik haal nooit de krant.
            Et alors, denk je er meteen bij, alsof je de zoveelste president van Frankrijk bent. Je pen gaat reizen over het blad. Omdat je toch niets anders weet, schrijf je het ganse Fabeltjeskrantlied in je ruitjesschrift, Hallo mijnheer de Uil, waar brengt u ons naartoe? Je pen glijdt vanzelf heen en weer, gedachten stromen als een vrije rivier vanuit je hoofd – of je hart – naar je blad, just niks hoef je ervoor te doen. Het komt zoals het komt.

            Wat later leun je achterover, overlees je nog een keer je laatste zin: ‘Als dieren liedjes kunnen maken en kunnen praten met een Hilversums accent, als oudbakken brood als nieuwe pudding uit een oven komen kan, als Jezus kan verrijzen uit het graf, dan kan jij het ook.’
            Dat is jouw zin.
            Spontaan wens je jezelf en alle mensen van goede wil een Zalig Pasen.

Een vriend zien huilen

          Toen liet ik mijn zakdoek vallen.
          Het bukken ging stroef. Een pijnscheut door mijn rug, heet en pijnlijk als een kogel. Denk ik. Ik weet niet hoe een kogel voelt. Als een verroeste meetlat boog ik door de knieën en schraapte met mijn vingertoppen het beduimelde stuk textiel van het asfalt.
          ‘Dat ging vlotjes,’ lachte mijn vriend. Ik lachte groenig mee. In een flits zag ik nu ook wat hij net had gezien: een oude man die nauwelijks nog door de benen kan. Grimassend tastte ik naar mijn rug. Uit de binnenzak van zijn jas diepte mijn metgezel een pakje tissues op. ‘Iedereen gebruikt deze tegenwoordig. Lekker makkelijk.’ Het klonk neerbuigend, ik voelde me een restant uit een voorbije eeuw. Ik snoot mijn neus en frommelde het vochtige papiertje in mijn broekzak, rechtte mijn rug, drukte de pijn met beide handen weg. Weer verdween zijn hand in de binnenzak. Nu toverde hij een pillendoosje tevoorschijn.
          ‘Tegen de pijn,’ bood hij aan. Ik knikte van nee.
          ‘Verdoven is alleen maar rond de pijn omheen fietsen. Genezen doet het niet,’ zei ik. Dat had mijn oma mij geleerd. ‘Wat is daarvan het nut?’
          ‘Wat is de zin van lijden?’ antwoordde mijn vriend. Hoezeer we ook op elkaar waren gesteld, hoe warm ook onze sympathie, hoe groot ons wederzijds respect, we verschilden wel vaker van mening. Erg is dat niet. Hij is in mijn ogen nog altijd jong en onervaren, in mij ziet hij een oude man in een krakend lijf, tot het schedeldak gevuld met oude mannenmeningen.

          Keuvelend vervolgden we onze wandeling. Onstuitbaar als een vloedgolf gulpte het eruit: hoe ingewikkeld en veeleisend het leven wel geworden is, gans anders dan de rustige vastheid van weleer. Hoeveel ballen een man tegelijk in de lucht moet houden vandaag de dag: je baan, je geliefde, je kinderen, je pas neergepote huis. Over blijven zoeken naar jezelf, je telkens weer opnieuw heruit te moeten vinden, yoga, zelfzorg, een baan te zoeken die matcht met je inner core, waarin je in je eigen kracht kan staan en je diepste ik ten volle kan ontplooien.
          Ik luisterde maar moest tegelijk ook toch aan mijn moeder denken, met haar ambachtelijke huishouden en het half dozijn vruchten uit haar schoot, toch ook flink veel ballen om hoog te houden. Natuurlijk hield ik dat beeld voor me. Mijn tijd van spreken ligt achter mij. Ik zeg toch maar de foute dingen, men hoort niet mij, men hoort een oude man. Woorden komen vaak heel anders uit mijn mond dan hoe ik ze in mijn hoofd hebt bedacht. Meestal veranderen ze ook nog een keer van betekenis en toon wanneer ze het oor van de toehoorder bereiken. Die hoort dan iets gans anders dan wat ik heb bedoeld. Dus beet ik maar het puntje van mijn tong.

          ‘Nu sta ik dus op een kruispunt in mijn leven,’ hoorde ik mijn vriend zeggen.
          ‘Voor elke deur die sluit, gaat een andere deur weer open,’ zei ik. Muurtegels citeren kan ik nog altijd als de beste. ‘Ga je dromen achterna. Wat wil je nog worden? Rijk? Beroemd? Gelukkig? Ga ervoor. Beter te proberen en te falen dan helemaal niet te hebben geprobeerd.’ Met confectiewijsheden kan ik een jaarkalender vullen als het moet.
          ‘Eigenlijk wil ik alles,’ zei mijn vriend. Alles, dat zijn heel veel ballen voor maar twee voeten, dat had het leven mij intussen wel geleerd. Ook dat zei ik niet. Een mens leert niet van andermans ervaring, alleen maar van zijn eigen fouten. De blik van mijn vriend vernevelde, zijn geest reisde naar Fantasia.
          ‘Influencen,’ prevelde hij toen. ‘Op TikTok. Mensen overhalen om door veel warm water te drinken en elke dag ochtendgymnastiek, volbloed Chinees te worden. En dan door Xi Jinping te worden gefinancierd.’ Het bestaat, ik had het ook op de radio gehoord. Het is iets van deze tijd, terwijl bij mij TikTok toch altijd nog deed denken aan de kippenren vroeger achteraan in onze tuin, het eindeloos gekakel en de bergen stront die we nauwelijks kregen opgeruimd.
          ‘Kan je schatrijk mee worden,’ droomde mijn vriend verder. Schatrijk en geluk zijn niet per se synoniemen, bedacht ik meteen.
          ‘Of ik kan content gaan createn,’ droomde mijn vriend, ‘dingen verzinnen uit het niets. Die dan verspreiden op het web zodat talloze mensen gaan liken en sharen en adverteerders in dichte drommen mijn rekening beginnen spijzen.’
          Met dat concept was ik vertrouwd. Veel boter op je brood verdiende je er niet mee, wist ik. En van de respons word je ook niet altijd even vrolijk. Dat wilde ik hem ook zo zeggen. Dat kwam er helemaal anders uit.
          ‘De allerindividueelste expressie van je hoogstpersoonlijke emotie, zeker doen,’ zei ik bemoedigend.
          Want een vriend zien huilen, ik kan het nog altijd niet.

Tussen zes en zeven in de ochtend

            Onder de deken in het donker nog. In de verte klinkt gezang:
            I hope he will understand.
            Een Lorelei. Ik ken de zangwijs. Ik ken ook de woorden. Of toch die ene zin. Het lied herken ik niet. Ik weet niet wie die sirene is, ook wie he is weet ik niet noch wat hij understanden moet. Mijn geest tast duf en slaperig, geblinddoekt in het duister, in de plooien van de tijd. Was dat niet iets van Prince? Ik weet het niet. Ik wil slapen.  
            I hope he will understand.

            De deken nog wat strakker.
            Verschijnt in beeld een vrouw. Ze zegt te lijden aan het leven. Lijden doen we allemaal, zeg ik haar. Een ander liedje plots, Robert Long: Het Leven was Lijden, als je danste een heiden, als je lachte te luchtig, als je kuste ontuchtig.
            Dat lijkt niet echt te troosten.           
Lijden is van alle tijden, zeg ik.
            Vandaag is anders, zegt de vrouw.
            Zou kunnen. Het kan ook van niet. Ben ik al wakker?
            I hope he will understand   

            De vrouw gaat zomaar weg, een man verschijnt.
            Hij zegt bang te zijn. Bang zijn we allemaal, zeg ik. Robert Long gaat door, zijn liedjes ken ik uit het hoofd: dat is Allemaal Angst, allemaal angst, de allergrootste schreeuwers zijn dikwijls het bangst, en als er ooit iets gebeurt, nou, dan moet het zo wezen, wie het meeste angst heeft, heeft vaak het minst te vrezen.
            Dat lijkt niet echt te troosten.
            Angst is van alle tijden, zeg ik.
            Vandaag is anders, zegt de man, rustig, beheerst. Schreeuwen doet hij niet. Hij is misschien wel minder bang dan hij zelf denkt.
            Hij zegt: ‘De allergrootste schreeuwers wonen in paleizen en sturen jonge goedgelovigen naar het front.’ Ook het front is van alle tijden weet ik, maar ik laat het zo. Tussen nacht en dag is niet de tijd voor een discussie met een bange man.
            Hij zegt: ‘Ik ben bang op een dag op een perron, getroffen door een vingerstraal uit de hemel stokstijf stil te staan terwijl voor mijn ogen de trein vertrekt.’
            ‘Ik kan je niet helpen,’ zeg ik. ‘Laat mij slapen.’
            I hope he will understand.

            De deken vecht tegen het licht.
            Een stoet boze mijnheren trekt met borden in de lucht waarop kleurrijke spreuken staan, aan mijn geestesoog voorbij.
            Moeten we nu ook nog meer bewegen terwijl we toch al moeten werken tot we honderd zijn, schreeuwt een jonge, nog gezonde man. Moet just niks, wil ik hem zeggen. Het leven is keuzes maken. Gemompel in mijn slaap.
            Weg met oranje! De nieuwe president is paars! roept een ander.
            De wereld is om zeep, er gebeuren rare dingen, gilt een derde.
            Uit de vormeloze massa doemt onverwacht het gezicht op van mijn vader:  jij, zegt hij, mag later alles worden, behalve politicus of agent. Hij lacht. Ik lach met hem mee. Hij is mijn vader en ik een kleine jongen op de fiets, beide handen in de lucht, de nieuwe wereldkampioen. Een traan van trots in zijn ogen.
            Het is me niet gelukt, wereldkampioen.
            I hope he will understand.

            Licht valt de kamer in, de deken mijn laatste schild.
            Verschijnt een meisje dat een kind gaat krijgen, een vrouw al voor de wereld. Voor mij een meisje. Elke vrouw onder de zestig blijft een meisje, elk meisje ouder blijft een jonge vrouw. Schoonheid is van alle leeftijden.
            Mannen worden naar men zegt met het ouder worden mooier. Er is nog hoop. Morgen houd ik op met drinken, ga gezonder eten en mijn stappen tellen. Morgen. Vandaag wil ik slapen.
            Legers marcheren, troepen paraderen, armen en benen pompend als ijzeren stangen in een moorddadige machine. Tankers exploderen, een regen van zwarte, zilveren, rode en oranje slingers. Een feestelijk vuurwerk van verspilling en dood.
Mocht het niet zo lelijk zijn, ik zou het mooi vinden.
            Is dit het echte leven, is dit slechts fantasie?
            Is dit een grap of om te huilen?
            Laat me. Laat me. Laat me mijn eigen gang maar gaan.
            Hoog, Sammy, kijk omhoog, Sammy, want daarboven lacht de maan.

            Finaal en ongenadig breekt het daglicht door de deken.
            Ik weet het weer. Cindy heet ze, de Lorelei. Cindy Lauper. Een Madonna-achtige uit een voorbije eeuw.
            She Bop heet het liedje. She Bop, Be Bop Ba Lu Bop, I Bop, You Bop, They Bop. Over zelfbevrediging gaat het.
            Boppen is van alle tijden, zeg ik haar. We doen het allemaal. Het lijkt te troosten. Ze weet nu: He will understand.

Onze Jan

          Hallo?
          Wie?
          Onze Jan? Ach mijnheer, het is altijd iets met onze Jan. Dat heeft hij al van kinds af aan. Wij zeggen het al van toen hij nog in korte broek rondliep, onze Jan, dat is een goed manneke maar hij presenteert slecht op een foto en hij moet wegblijven van een microfoon. Onze Jan, dat is een man voor in het atelier. Maar ja, dat ging natuurlijk niet, met die twee linkse handen van hem.
          Weet je wat het is met onze Jan?
          Die ziet de dingen anders dan de meeste mensen. Een beetje een artiest, ja, diep vanbinnen. Spijtig genoeg zo diep dat het er dikwijls nogal verfrommeld uitkomt.
          Allé. Pakt, die aanslagen toen in Zaventem. Niemand had het gezien maar onze Jan natuurlijk wel. Als enige op heel de wereld. Mijnheer had moslims zien dansen in de straten van Brussel. Wij zeggen allé Jan, moslims dansen toch niet op straat. Moslims claxonneren. Elke zaterdag is dat hier een begankenis van hier tot ginder al van ’s morgens vroeg. Uitslapen, dat kennen die mannen niet. Witte linten aan de auto’s, vensters open. En lawijt! Dan denk ik maar: allé vooruit, er zijn er weer twee van ’t straat. Maar hij maar blijven zeggen, ik heb de beelden zelf gezien, dansen deden ze. Hij kan koppig zijn zenne, onze Jan.
Weet ge wat ge doet, Jan, zegden wij. Schrijf er een liedje over, of een opstelleke, of teken een schoon schilderij. Iets artistieks, zodat ge later altijd nog kunt zeggen, vrije interpretatie. En in uw positie, wie weet hoeveel is een aquarelleke van uw penseel binnen een paar jaar niet waard? Denkt gij dat dat iets geholpen heeft? Niks niemendal, mijnheer moest en zou op tv gaan zeggen wat hij had gezien. Een hoop gezever natuurlijk. Gelukkig heeft Bart hem toen nog kunnen helpen. Over die twee kan een mens boeken schrijven. Jaren al is dat twee handen op één buik. Bart, die kan het wél goed uitleggen. Die kan aan de dingen een draai geven, niet normaal. Dus in Terzake zegt die: Hoe Jan de wereld ziet, dat is een kwaliteit die we moeten koesteren. Wij allemaal zien moslims net als wij van de schrik een gat in de lucht springen, Jan herkent daarin een vredesdans. Dat is die speelse kronkel van het kind dat hij diep vanbinnen nog altijd is gebleven. Schoon hé, toch?

          Enfin, nu ben ik mijn draad kwijt.
          Ah ja, het atelier. Niks voor hem dus. O, zegden wij toen. Boekhouder. Of iets op de bank maar beter niet aan het loket. Want onze Jan, ge moogt er veel van zeggen maar ik ken niemand die zo goed kan tellen en niemand die beter op de centjes let. Ik weet nog goed. Hij was een jaar of tien en Sinterklaas had een zakje met centjes van chocola in zijn schoen gelegd. Kijk eens tante Jeanne zei onze Jan, en hij beet die cent in twee stukken. Nu heb ik twee cent, zei hij. Knap gezien toch, niet?
          Zo hebben ze later samen ook, onze Jan met Bart en Ben en nog een paar, toch die crisis in de jaren tachtig opgelost? Weet ge nog, Wilfried Martens, er is licht aan het einde van de tunnel? Awel, dat licht, dat was onze Jan. Wat we zelf doen, doen we beter, zei hem. Eén regering en zoveel schuld? Wij maken er zes,  voor hetzelfde geld. Zes regeringen! Voor elk dialect een eigen kabinet. Doe het maar na hé! Daar kan die Jezus met zijn visjes en zijn pistolekes nog een punt aan zuigen.
          Veel respect heeft hij daarvoor niet gekregen. Spijtig genoeg. Hij heeft zich toen wat laten vangen en, ik moet het eerlijk zeggen, daar is zijn degout tegen de vrouwen begonnen. Er was er eentje in dat parlement, domme toch, Myriam, Mergim, Meyrem, ik wil het kwijt zijn, en die zei: Janneman, hoe hebt gij dat gedaan gekregen? En hij, ik zeg het hé, koppig, hij zegt: dat zeg ik niet. En zij: gij moet dat zeggen. En hij: ik zeg het niet. En zij: ik wil hier sofort alle papieren zien, maandag brengt gij die mee. En hij: da gade gij niet bepalen. Maar ja, hij heeft wel moeten toegeven hé.

          Maar nu, mijnheer, nu weet ik het ook niet meer.
          Vrouwen moeten hun eigen aanpassen. Waar haalt hij dat nu toch weer uit? Ge moogt dat misschien denken maar zoiets zegt ge toch niet? Als minister! Als hij nu had gezegd: alle mensen, iedereen en alleman. Maar nee. Onze slimme pikt er weer een groepje uit. Nu staan ze fameus te dansen in de straten van Brussel. En Bart mag niets zeggen hé, als eerste minister. En als hij het van Valerie gaat moeten hebben, dat hij dan maar hout vasthoudt. Daar is hij nog niet mee aan de nieuw patatjes. Dat is een felle zenne. Zeker als het over vrouwenzaken gaat. Die past haar eigen nog niet zo gemakkelijk aan.
          Allé, ik ga voort stofzuigen. Ge hebt nu wel genoeg voor uw gazetje zeker?
          Dadakes.

De stille hond

          Blaffende honden bijten niet.
          Het is dan ook zonder een zweem van angst dat ik op weg naar het warenhuis voorbij het grasveld fiets en ze op me komen toegelopen, keffend en blaffend en blij als een kind, de dalmatiër en de teckel, de mopshond en de setter, puppy, reu of teef.
          Goeiemorgen, blaffen ze, fijne dag vandaag. Wie de taal der dieren spreekt, begrijpt vaak ook de mensen beter.

          Het is dat ander type hond dat me meer zorgen baart.
          Zo’n beest dat onbeweeglijk op zijn poten staat, vervaarlijk naar je kijkt alsof jij net zijn bot hebt ingepikt en lijkt te denken: jij bent nog geen blafje waard. Een hond die weet, stilte jaagt meer angst aan dan lawaai.
          Mijn hart sloeg dan ook slagen over toen ik afgelopen donderdag aan de overkant van de hondenwei, daar waar het bankje staat en het gras nog zoveel groener lijkt, een groot bruin beest de kop zag heffen, de oren spitsen, een negentig gradenbocht zag maken en als een hazewind op me komen afgestormd. Een Mechelse herder, bleek alras, mij blijkbaar niet zo best gezind. Hij rende en hij holde en hij raasde op me af, zijn ogen hielden me gevangen en lieten me het ergste vrezen, het verleden had immers al bewezen dat menig hond in mij een lekker hapje zag. Verlangen las ik in zijn blik, en honger ook al gaf het beest geen kik, kwam uit zijn bek geen boe of ba of blaf.
          Op het bankje achteraan zat zijn baasje, de leiband in haar hand, vrolijk giechelend met een oude man want ja, de lente was al in het land.

          Zijn poten raakten amper grond. De kluiten vlogen in het rond. Van pure schrik verstijfde ik, mijn fiets blokkeerde, ik zette beide voeten op de grond. Gelukkig was er nog de kippendraad, woest smeet het beest zich daar tegenaan, toen bleef het vervaarlijk kijkend staan. Als stilte ooit echt oorverdovend was, dan was het toen en daar, op die zomerse middag nabij de hondenwei.
          Als twee cowboys in een verlaten straat stonden we tegenover elkaar. We keken elkaar in de ogen. Geen dreiging las ik daar, geen schrik. Ik zag integendeel een bede, een smeken, een desperate vraag: help mij help mij uit de nood. Toen zag ik wat er loos was. Dit beest zat met zijn bek gevangen in een masker, een gareel, een korf die hem het blaffen en het bijten moest beletten, de kaken op elkaar geklemd, de tong gevangen, de tanden overbodig.
          Hoe vreselijk moet dat zijn, dacht ik meteen, je blafdrang in te moeten houden? Niet vrijuit te kunnen blaffen, te kunnen happen naar een vlieg, met je tong te kunnen likken onder een vreemde hondenstaart? Wat ben je in de hondenwereld dan nog waard? Geen hond die je nog vreest, geen wijfje kijkt nog naar je op. Ik was vervuld van medelij maar wist niet wat te doen.
          Op het bankje had de vrouw de leiband naast zich neergelegd, haar hand rustte nu op een oude mannendij.

          Ik smolt onder de hulpeloze hondenblik. Dit lot verdient een levend wezen niet. Natuurlijk moest ik denken aan wat er in de mensenwereld gaande was. Ook mensen wordt heel vaak het zwijgen opgelegd. Op veel plekken moet men op zijn woorden letten, voorzichtig zijn, over de schouder kijken.
          Hoe graag wilde ik dit dier bevrijden uit zijn lijden, ik zou alleen niet weten hoe. Moest ik gaan praten of geweld gebruiken? Misschien is dan die oorlog toch zo verkeerd nog niet, dacht ik toen plots. Die mensen zullen toch gelukkig zijn wanneer ze weer vrijuit praten kunnen, onbevreesd en bevrijd van alle juk, niet langer onderdrukt. Wat ik een week geleden nog verschrikkelijk vond, leek me nu plots een goede zaak.

          De strijd voor vrije spraak is nu wel echt begonnen, dacht ik opgewekt. Venezuela vinkt men af, ook in Iran is het bijna gedaan. Morgen komt Cuba er al aan, daarna zijn vast de Saudi’s aan de beurt, Oman, Turkije of Afghanistan waar men toch ook niet zomaar wat zeggen kan. En dan naar Rusland, en naar China en wie weet, op een dag steekt men misschien nog wel de hand in eigen boezem?
          Hoewel ik dit arme dier niet helpen kon, stapte ik toch welgezind weer op mijn stalen ros. Ik fietste om de weide heen tot bij het bankje aan de overkant waar het gras plots toch minder groen scheen dan ik had gedacht. De vrouw zonder leiband op haar schoot liet haar hoofd inmiddels rusten op de schouder van de oude man.
          Fuck you, riep ik haar toe. Fuck you. Uit afkeer, woede, onvermogen.
          Maar toch in de eerste plaats omdat dat hier nog kan.  

Een lelijk sprookje

          Er was eens …

          … een mooie jongen die met een beeldschoon meisje ging wandelen in het bos. Achttien waren ze en op elkaar verlekkerd als een beer op honing. Ze lachten en flirtten en fantaseerden over later. Daarover verschilden ze van mening, in blinde woede kliefde toen het meisje met een stok de schedel van haar Romeo en liet hem bloedend achter in het struikgewas.
          Neen. Slecht idee. Geen mens wil bij de koffie zoiets lezen.

          … een stel op jaren dan, op een bankje in het park. Weet je nog, zegt zij vertederd, hoe gelukkig we toen waren? Nooit, bromt hij. Mijn leven lang heb ik me bekneld gevoeld, verbitterd en diep bedroefd. Geen dag heb ik oprecht van je gehouden. Ik bleef bij jou omdat het moest, dat hoorde zo, wat zouden wel de buren niet hebben gezegd?
          Neen. Ook niet. Mensen hebben van zichzelf al miserie genoeg.

          Het wilde maar niet lukken.
          Wat is er met mij mis, vroeg de schrijver zich wanhopig af. Plots moest hij denken aan een mopje. Komt een man bij de dokter met een kikker op zijn hoofd. Wat heb jij nu aan de hand, vraagt de dokter stomverbaasd, hoe is dit kunnen gebeuren? Zegt de kikker: Wel dokter, het begon met een kleine zwelling onder mijn rechtervoet.
          Mijn zwelling, dat waren de drones, dacht de schrijver toen. Die waren op een dag verschenen uit het niets, ontelbaar veel, overal en elke dag. Een grapje van de Russen, naar men zei. Alarmbellen, flikkerlichten en rantsoenpakketten, dringend handelen was geboden. Het Rode Gevaar diende terstond bezworen. Dure eden werden gezworen, onderhandelingen opgestart, zware contracten ondertekend. Geld daarvoor zou men nog wel vinden, voor het vaderland is het volk tot veel bereid. Het hielp: geen mens heeft sindsdien nog een drone gezien.
          Follow the money, dacht de schrijver toen. Schrijvers moeten nu eenmaal kritisch zijn. De weg van het geld leidde niet naar het Oosten.

          Soms vertelt men ons maar wat, dacht de schrijver scherp. Er komt aanhoudend dreiging uit het Oosten, de geldla van de staat is altijd leeg, de vijand komt in bootjes naar ons toe gedobberd en hult zich in lompen. Verhalen met meer levens dan een kat. Hij hoorde ze toen hij vijf was, vijftien en vijfenvijftig, en altijd weer ging het erin als zoete koek.
          Vragen en twijfels buitelden als acrobaten door zijn hoofd. Het zijn toch de hoge heren die het land organiseren? Dat doen toch niet de arme sloebers? Niet zij hebben de macht in handen om de wereld te veranderen?
          Onlangs had hij een ander en veel beter schrijver aangehoord. De veertig rijkste mannen van de wereld, had die beweerd, zijn samen even rijk als de armste helft van de wereld. De rijkste alleen al is zo rijk, dat hij vijf jaar lang de hele wereld van voldoende voedsel kan voorzien. Wat voor iemand ben je dan, dacht de schrijver, wanneer je dat zelfs niet eens overweegt? En zat niet ook die rijkste man mee aan de knoppen van het rijkste land?

          De schrijver kon niet eens meer aan schrijven denken.
          Het zijn de mannen in de blauwe pakken met een gele of oranje das die ons zeggen wat we moeten denken. Spelden zij ons wat op de mouw? Die kat komt werkelijk altijd weer. Goed twintig jaar geleden had men een land platgebombardeerd voor wapens die niet hadden bestaan, vandaag kondigde men weer hetzelfde aan, terwijl men pasgeleden nog beweerde dat men datzelfde land van al haar slagkracht had ontdaan.

          Woede en verontwaardiging namen nu de bovenhand in zijn gedachten.   In de bakermat van de vrijheid staat de vrijheid zelf op het spel. Boeken worden uit de bib geweerd. Vrij verslag verboden. Een eigen mening mag nog wel, zolang het maar de mening is van de macht. Wie pruttelt wordt opgepakt of koudweg op klaarlichte dag neergeknald. Wie anders is van ras of gender of gedacht, wordt achteruit gesteld. Een migrant noemt men een alien, een wezen  uit de ruimte dat katten en ook honden eet en op den duur de tanden in zichzelf zet. De mens ontmenselijken, weer een kat die opduikt uit het donker van het verleden.

          Toen klopte de schrijver ook op de eigen borst.
          En ik, dacht hij, wat doe ik daaraan? Ik sta erbij en kijk ernaar, drink Duvel of champagne, kijk naar Netflix en naar sport vanuit mijn luie zetel, verzin verhaaltjes over mooie jonge mensen die op hun oude dag gelukkig zullen zijn. Sprookjes, die met de werkelijke wereld niets te maken hebben.
          Dat werkt zo niet langer. De sprookjes zitten vast, de rauwe wereld zit hen in de weg. Dat moet eerst. Wie woorden heeft, moet spreken. Zwijgen is niet langer nog een optie.

          … en hij leefde nog lang en gelukkig, wilde hij nog schrijven. Maar daar was hij niet langer meer zo zeker van.

Niet de Dromen

          Zijn eerste interview gaf hij toen hij tien was, in de badkamer voor de spiegel.
          ‘Niemand in de club zwemt de vlinderslag sneller dan ik,’ vertelde hij zijn spiegelbeeld, ‘zelfs in de ganse provincie niet. Gauw word ik kampioen van België, mijn hoogste streven is Olympisch goud. Mexico komt deze zomer nog te vroeg, mijn ouders kunnen die reis ook niet betalen (dat laatste zei hij off the record, hij vertrouwde toen de mensen nog), München kan misschien maar Montréal in ’76 moet goud en glorie brengen tot aan het einde van mijn dagen.’
          Hij droomde groot, zoals jongens dromen moeten.

         Enkele jaren later. De spiegel kijkt begrijpend terug. De jongen schetst van zichzelf een portret voor een damesblad, Libelle/Rosita of Het Rijk der Vrouw, tijdschriften die ook zijn moeder las al hield hij zich daarom niet in, miniem immers was de kans dat zij in dit godenkind een vrucht uit eigen schoot herkennen zou.
          ‘Het is waar,’ opent hij zijn hart, ‘de vrouw van mijn leven heet Suzanne. En neen, gepraat hebben wij nog niet. Ook nog niet gekust, dat spreekt. Dat zij ook voelt wat ik voel, lees ik in haar ogen wanneer ik tijdens mijn fietsrondjes door de wijk haar huis passeer waar zij dan even stopt met hinkelen of touwtjesspringen en naar me kijkt met die grote bruine ogen van een ree. Op een dag horen we samen en worden we gelukkig, niet zoals bij mij thuis maar zoals in films op tv.’

          Op zijn achttiende geeft hij een terugblik op zijn jeugd in een onafhankelijk weekblad voor radio en televisie dat in zijn klas enkel wordt gelezen door hemzelf en twee klasgenoten, de ene wilde dichter worden maar ontbeerde daarvoor het talent, de andere was een rat die de staking brak toen gans de klas de pen had neergelegd uit protest tegen de stortvloed aan opdrachten van De Dikke Moef en hij de eerste was geweest die ze weer had opgeraapt. Hij zou later nog carrière maken in de politiek.
          In dit vraaggesprek vormde Falen de rode draad. Hij had als kind toch ook een boom geplant? Gedemonstreerd tegen de aanleg van die snelweg door het bos? Zich uitgesproken tegen onrecht, hongersnood en nieuwe wapens voor het leger?
          ‘Dat was al water naar de zee geweest,’ bekende hij zijn spiegelbeeld ootmoedig. Nee, de wereld had hij niet gered. Ook Mexico, München en Montreal had hij niet gehaald. Te weinig steun van thuis, was zijn excuus, te weinig begeleiding in de club, een trainer die hem vanwege zijn komaf maar links liet liggen en zich liever ontfermde over de kindjes van de papa’s die hem in de cafétaria na de training op een pint trakteerden. Ook op school had hij gefaald, de leerstof vond hij saai en nutteloos, de leerkrachten onkundig. En neen, ook met Suzanne was het niets geworden. Ook niet met Els of Linda, Sonja of Nicole, Christel of Marleen. Liefdes, zo had zijn vader hem geleerd, komen en gaan.

          Weken bleef dit interview hem achtervolgen. Telkens wanneer hij zich ging wassen of zijn tanden poetste, hoorde hij een of andere stem. Zijn trainer noemde hem een leugenaar en lui, verweet hem een gebrek aan discipline. Zijn oude schoolhoofd eiste Recht Op Antwoord en pleegde toen karaktermoord, citeerde uit het puntenboekje en de agenda woorden die zijn eigen korps daar had ingepend, dat de jongen op school een klaploper was, een lanterfanter,  schaamteloos aan iedereen en alles zijn voeten had geveegd, steevast het laatste woord had opgeëist met in zijn tong dodelijker gif dan van een cobra. De Vereniging van Bevrijde Vrouwen noemde hem een charlatan en Don Juan die enkel leefde voor de liefde voor zijn eigen lid. Zelfs zijn eigen vader ontkende met zijn zoon ooit enig woord over de liefde te hebben gewisseld. En Suzanne deed er stoïcijns het zwijgen toe.

          Sindsdien mijdt hij de openbaarheid en praat hij voor de spiegel enkel nog met zichzelf.
          ‘Kijk naar wat van jou geworden is,’ mompelt hij dan mismoedig. ‘Je gelaat verrimpeld, je huid verslapt en vol met vlekken, waterzakken onder je ogen, je haar te dun, je buik te dik. Die jongen van weleer is niet meer, de zwemmer zwemt niet meer, de protesteerder roept niet meer, het gif in de tong is opgedroogd.’ Hij pletst een geut koud water over zijn gezicht. ‘Alles wat ooit was is weg,’ zegt hij, ‘enkel het oog blijft onveranderd. Dezelfde vorm, dezelfde kleur, dezelfde twinkel, dezelfde glans.’ Hij recht zijn rug en ziet zichzelf staan. ‘En ook nog altijd klopt het hart, stroomt het bloed, tolt het hoofd van woorden, beelden en verhalen.’
          Alles gaat voorbij, denkt hij, maar niet de dromen. Hij schenkt zich een kop koffie in en haast zich naar het lege blad waar hij met de ambitie van een kind de mooiste woorden wil gaan geven aan de dromen en gedachten in zijn tienjarige jongenshoofd.  

Een vlieg op je bord

          Met een vriend ging ik een hapje eten in de stad. Ik kijk er elke keer naar uit hem weer te zien. Mijn vriend is een aangenaam verteller die vrijwel alles weet.
          ‘Behalve misschien één ding,’ monkelde ik plagerig. Niemand kan immers werkelijk álles weten. Zijn gelaat betrok.
          ‘Wat weet ik dan niet?’ vroeg hij.
          ‘Dat weet ik niet,’ antwoordde ik, ‘ik weet immers oneindig veel minder.’ Ik merkte bij hem licht ongemak, alsof een vlieg op zijn bord was komen zitten.

          Ons gesprek bewandelde al gauw vertrouwde paden. We praatten openhartig over onze werken, wanen en angsten en de cirkel van het leven. Nu en dan dropte een van ons de naam van een bekend auteur die hij persoonlijk kende. Ik bekende soms jaloers te zijn op zijn succes terwijl ik hem dat tegelijk van harte gunde, dubbel maar waar, het leven is niet wit of zwart maar morsig grijs. We biechtten op hoe blij je soms kan worden van een hartje of een duimpje op je socials en beseften tegelijk hoe relatief dit alles is in het aanschijn van de eeuwigheid.

          Tweeënveertig is mijn vriend.
          ‘Toen ik zo oud was als jij,’ lachte ik, ‘was heel de wereld bang voor de millenniumbug.’ Hij knikte. Dat wist hij nog. ‘We betaalden nog met Belgisch geld,’ ging ik door, ‘en alleen de happy few die zich belangrijk vonden hadden een mobiele telefoon.’  
          ‘Vertel eens iets wat ik nog niet weet,’ antwoordde hij verveeld.
          ‘Ik zou niet weten wat,’ mompelde ik naar waarheid, ‘jij weet toch alles al.’ We stapten de deur uit. ‘Behalve misschien één ding.’ Een plagerijtje dat ik niet kon laten, zoiets moet kunnen onder vrienden. Mijn grapje viel even slecht als een onterecht gefloten strafschop in blessuretijd. Zijn hoofd zakte tussen zijn schouders, zijn blik werd dof, zijn voeten sleepten over het trottoir. Eens te meer besefte ik dat je moet voorzichtig zijn met woorden. Woorden doen ertoe. Woorden kunnen pijn doen. Met wapens voert men strijd, het zijn woorden die de oorlog verklaren en woorden die tot vrede leiden.
          ‘Dat was maar een grapje,’ probeerde ik vergoelijkend maar het kwaad was al geschied. Het knaagde, de gedachte dat er iets was wat hij nog niet wist, leek welhaast ondraaglijk. Somber slenterden we zwijgend in het donker. De sfeer was weg, de avond leek verloren. Wat te doen?
          Ik legde hem twee opties voor: of we gingen op zoek naar wat hij nog niet wist, zonder enige notie over wat we zochten en waar we dat dan moesten vinden, of we trokken naar de voorstelling in de schouwburg om de hoek waarvoor hij twee kaartjes in de binnenzak van zijn jas had zitten. Uit gemakzucht opteerden we voor dat laatste.

          Op de scène een witte man van middelbare leeftijd en een jong, zwart meisje. In de tijd van de millenniumbug had de man zich als theaterdocent bezondigd aan grensoverschrijdend gedrag. Hij probeerde zoveel jaren later een comeback. Het woord grensoverschrijdend bestond toen nog niet eens, verdedigde hij zich.
          ‘Het is niet omdat er geen woord voor is, dat het gedrag niet bestaat,’ pareerde het meisje gevat. Zo ging het honderd minuten door, een pingpongspel over macht en vrijpostigheid, over empathie en schuldinzicht, over hoe moeilijk het is geloofwaardig en oprecht te zeggen dat iets je spijt. De voorstelling deed helemaal wat kunst behoort te doen: ze stelde vragen en liet het publiek naar antwoorden zoeken.

          ‘Poeh, ingewikkeld,’ oordeelde ik achteraf, wat een pleonasme is want oordelen doe je in principe altijd pas achteraf. ‘Toen ik nog lesgaf over liefde en relaties predikte ik mijn leerlingen: als ze neen zegt, zegt ze neen. Daar ligt de grens. Helder.’
          ‘Alles in de wereld is fluïde geworden vandaag de dag,’ wist mijn vriend, ‘grenzen zijn niet meer altijd bij en voor iedereen even duidelijk.’ Zwijgend stapten we de nacht in, allebei dwalend in het eigen hoofd.
          ‘Maar hoe kan je dan weten …’ begon ik.
          ‘Hoor eens,’ zei mijn vriend, ‘dat weet ik ook niet. Ik moet het net als iedereen ook allemaal maar uitzoeken.’ Perplex bleven we staan en keken we elkaar aan in het gouden schijnsel van de maan. Dit was het antwoord. Dit was wat we al de hele avond zochten. Hoe dat allemaal moet in het leven, dat omgaan met elkaar, leven in vrede en harmonie zonder elkaar pijn te doen? Hij wist het ook niet. Eindelijk had hij gevonden wat hij nog niet wist.
          Toen kusten we elkaar opgewekt ten afscheid en stapten blijgemoed naar huis. Ik kijk al uit naar de volgende keer.