Die avond zat ik met mijn notitieboekje op schoot in het park op een bank aan de vijver. Een oude mannenstem sneed als een gekarteld mes door mijn enigszins dromerige gedachten. ‘Vroeger geloofden de mensen dat de aarde in het midden van de hemel stond, wist je dat?’ Natuurlijk weet ik dat, wilde ik verontwaardigd reageren. Een meisje was me voor:
‘Was jij toen nog een kleine jongen, Bompi?’ beantwoordde ze de vraag met een vraag.
‘Helaba Knuffeltje, zo oud is je Bompi nu ook weer niet hoor,’ lachte de man. De twee hadden een plekje gevonden op het bankje naast het mijne. In het schijnsel van de maan leek de man op een heiligenportret, dun haar golfde als een grijze halo om zijn hoofd. Een bevende arm wees naar de schaarse knipogende sterren aan het firmament.
Ze hadden hetzelfde idee gehad als ik. De avond was te zacht en mooi om binnen in huis te blijven, net als voetbal en schansspringen hoort televisiekijken toch eerder bij de wintersporten. Het park was een oord van rust en vrede, aan de overkant struinde nog een eenzame wandelaar met een hond, verder hoorde je niets dan het ruisen van de wind in de struiken en het kalmerende klotsen van het vijverwater tegen de houten afbakening.
‘Hoe zijn de mensen dan van gedacht veranderd, Bompi?’ vroeg het meisje. Ze kon niet ouder dan tien geweest zijn.
‘Een heel slimme mijnheer heeft het op een dag voor ze uitgevogeld,’ zei de man. Hij zuchtte. ‘Eerst wilden ze hem niet geloven. Maar hij kon het bewijzen. Op den duur moesten ze hem wel gelijk geven.’
‘Mensen zijn stom,’ zuchtte nu ook het meisje. De waarheid komt uit een kindermond.
‘Tja,’ zei de Bompi, ‘je ongelijk toegeven is natuurlijk ook niet makkelijk. Je hele leven geloof je rotsvast in iets en dan moet je je mening helemaal herzien. Dat gaat niet zomaar.’ Zijn stem knarste als een stuk krijt op een schoolbord. Het meisje dacht even na en zei:
‘Ik geloof ook. Ik geloof dat er op een dag vrede op aarde komt.’
‘Dat vindt Bompi heel mooi van jou, Knuffeltje,’ kraste de krijtstem liefelijk, ‘jij bent het liefste meisje van de hele wereld.’ Hij streelde de haren op haar hoofd, ik kon tot op mijn plek voelen hoe zacht ze waren. Je hoefde er de violen maar bij te denken en je pinkte zo een traan weg, al hoorde ik in zijn stem tegelijk ook iets breekbaars, een ondertoon die niet helemaal paste bij de woorden die uit zijn mond kwamen. Natuurlijk gunde hij haar graag haar dromen, toch kon je in zijn stem horen dat zijn eigen geloof in de mensheid in de loop der jaren menige bluts en buil had opgelopen.
Die weemoed kwam me bekend voor. Vrede op aarde, ook ik geloof er niet echt meer in. Niet zolang de mens blijft wie hij is, een bloeddorstig beest dat zijn primitiefste driften prutserig maskeert onder een dunne laag beschaving. Er is niet veel nodig om dat dunne vlies van begrip en verdraagzaamheid als een slangenvel van ons af te gooien. Ik kribbelde bij het schaarse licht van de maan enkele rijmelarijen in mijn boekje:
De Rus gelooft dat het buurland in wezen gewoon ook Russisch is,
de Israëliet gelooft in Zijn Heilige Land,
de één zijn mening leidt bij de ander tot ergernis
de halve planeet staat in brand
De katholiek weet heel zeker dat Islam gevaarlijk is,
de rijke voelt zich door de arme bedreigd,
de hetero vindt elke andere geaardheid mis,
de loonslaaf verdient meer dan hij krijgt.
Want dit is toch waarlijk mijn grootste verdriet
De één gunt de ander het licht in de ogen niet
Vondel had het vast beter verwoord, ik weet het. Ik stopte mijn schriftje weer in mijn tas. Een zwarte wolk gleed voor de maan die er meteen met een fijn penseel een zilveren rand omheen tekende. Het was nog altijd warm voor de tijd van het jaar al stak er wel een windje op. Tijd maar weer om te gaan.
‘En ook zal ik mijn Bompi graag blijven zien. Altijd,’ beloofde het meisje. Ze wierp haar twee armen om de nek van de oude man.
‘Ik jou ook, mijn Knuffeltje,’ kraste een versmoorde stem.
Ik sloot mijn ogen. Ik rook de avond, hoorde de violen, zag voor mijn netvlies een veld roze rozen wiegen op de ruisende wind, het water klotste vredig tegen de houten boord.
Er is liefde, dus er is hoop, dacht ik.
Opgewekt stapte ik naar huis.
