Het gebeurt niet al te vaak en het gaat gelukkig ook weer gauw voorbij, maar soms geloof ik werkelijk een soort van kunstenaar te zijn. Kunst is een ambt dat offers vraagt. Voor de kunsten moet men lijden, dat geloof ik dan beslist. Een oor eraf is van het goede wat te veel, maar tot diep in de nacht gans alleen koteren in de krochten van mijn ziel, daar oude wonden doen ontwaken, ze met een krassende kroontjespen op beduimeld perkament in mooie woorden gieten bij het schaarse licht van een kaars, dat beeld zie ik dan. Een knagende honger hoort daarbij en een niet te lessen drankzucht. Als een vogel die een ei gaat leggen, trek ik me terug uit het bestaan.
Zo zonderde ik me deze week dus weer eens van de wereld af. Ik betrok een kamer in een klein hotel aan zee en noemde mezelf Schrijver in Residentie. Een kunstenaar die lijdt, doet niet aan valse bescheidenheid.
Ik was hier al eerder geweest. Toen werd ik vriendelijk onthaald door een geblondeerde jongedame die een soort van the emmer is full Engels sprak met Oost-Europees accent. Ze wees me een kleine kamer toe, proper en gerieflijk, voorzien van bed, warm water en een stopcontact voor de laptop. Bovendien serveerde men er al in alle vroegte een copieus ontbijt. Tot mijn grote vreugde. De ochtend immers bestaat uit goede voornemens en sloten koffie. Daar mag ik dan graag een toast of pistolet en een eitje bij hebben.
Wat me echter ook deze keer finaal weer voor deze plek deed kiezen, was de belachelijk kleine bijdrage die men maar vroeg. Ik beeldde me ietwat overmoedig in dat men het als een eer en gunst beschouwde voor enige dagen een auteur van mijn kaliber te mogen huisvesten.
Ik had hier oprecht naar uitgekeken. Duizend-en-één ideeën borrelden in de rechterhelft van mijn brein. Ik was hogelijk gemotiveerd, topfit, vastbesloten shiften te draaien als een havenarbeider op zwart zaad.
Alle tekenen waren gunstig. De zon scheen. Het verkeer stroomde in de goede richting terwijl het stremde aan de andere kant. Nog niet eens ver voorbij Beveren-Waas liep het water me al uit de mond bij de gedachte aan een British Breakfast, toast, tomaat, bruingebakken worstjes, witte bonen in tomatensaus, een spiegelei en de ganse ochtend koffie à volonté. Ik reikhalsde nu al naar een ontspannen avond na noeste arbeid waar ik in een artisanaal eethuisje een krokant gebakken pladijs op een bedje van puree met peterselie zou doorspoelen met een glas gekoelde Chardonnay. Of twee, mocht de puree aan de droge kant uitvallen.
Waar blijft dan het lijden van de artiest, vraagt u zich af. Welaan dan, hier. U kent de zegswijs: wie pinda’s betaalt zal in de aap logeren. Er wachtte me deze keer niet de sympathieke Oekraïense van weleer, ook geen oude knar of nurkse Basil Fawlty. Er wachtte helemaal niemand. Het onthaal bestond uit een troosteloos, compleet ontoegankelijk, hermetisch met traliewerk afgesloten loket. De bezoeker diende nauwgezet de richtlijnen te volgen die op keurig getypte briefjes op traliehek en muren prijkten.
Om bij aankomst uw verblijftaks te betalen, scan de QR-code.
Als bewijs van betaling ontvangt u een cijfercode op uw telefoon.
Open met de verkregen cijfers mini-locker nummer zeven die u vindt naast de voordeur. Opgelet: uw kamersleutel opent ook de buitendeur.
Praktisch, dat zeker. Harteloos kil en koud nog meer. TL- licht waar ik kaarsen had verwacht. Ik voelde me niet meer de welkome gast van destijds, ik voelde me een kip die gepluimd moest en om wiens welzijn verder niemand taalde. Gedwee volgde ik als een boyscout op sporentocht de opdrachten. Het spoor leidde naar de lift waar zich op de deur het finale eindspel aankondigde, op een wit blad, Times New Roman, lettergrootte 16: ‘Onze excuses voor de hinderlijke situatie, maar het ontbijt komt te vervallen omdat de verwarming niet werkt.’
Tot diep in de nacht graven tot het pijn doet in de kelders van je ziel is één ding. Een oor eraf een tweede. Bestaan er echter gruwelijker zaken dan een ochtend zonder koffie? Zonder toast? Zonder ei? Ik zeg u: niet in mijn wereld. De grond waarop ik stond werd drijfzand, mijn wereld stortte in, zelfs het lijden van een kunstenaar kent zijn limieten. Teleurstelling en woede worstelden in hart en hoofd om voorrang.
Ik dacht: ik moet hier als de weerlicht weg.
Ik dacht: Reclameren. Protesteren. Fulmineren.
Ik dacht: Compensatie! Schade! Vergoeding voor geleden leed! Een goedmaakweekend voor twee plus gratis diner in het duurste restaurant in de buurt!
Toen dacht ik aan dat ziekenhuis in Gaza. Die moeders en hun kinderen.
Ik trok de deur weer achter me toe en ging op zoek naar een bakker voor een brood voor morgenvroeg
