‘Ik weet een goed idee,’ zei de ervaren journalist tijdens de brainstorm die maandagochtend. ‘We laten échte mensen aan het woord. De man in de straat. De ontslagen arbeider die geen nieuwe baan vindt. De onderbetaalde huishoudhulp. De overbelaste zorgverlener.’
‘De jeugd van tegenwoordig,’ piepte schuchter een jonge meisjesstem.
‘In mijn tijd vroegen we het woord in plaats van het klakkeloos te nemen,’ morde de oude knar. Hij taalde nu al naar de lunch en de Franse brandewijn uit een goed jaar bij de koffie. Wat kon het hem ook allemaal schelen? Verkiezingskoorts, hij had het al zo vaak gezien, na de stembusslag komt toch gewoon de zon weer op.
‘Op mijn leeftijd ga ik echt niet een hoop jong grut lopen modereren,’ wimpelde hij de stagiaire af. Die kleurde rood en boog het hoofd.
‘Hoeft ook niet,’ schoot het redactiehoofd haar te hulp. ‘Een kanon hebben we nodig. Een kijkcijfermagneet. Vergeet niet, in de eerste plaats is televisie show.’ Mijn koninkrijk voor een cognac, snakte de reporter.
Vlijtig tekende de stagiaire een format uit. Ze selecteerde scholen, maakte afspraken, legde agenda’s vast en schotelde een acteur die van diepzinnig kijken zijn handelsmerk had gemaakt en nooit iemand voor het hoofd zou stoten een lucratief aanbod onder de neus.
De camera’s zoemden. Microfoons aan lange stokken zweefden boven de hoofden. In het midden van de kring zat de partijvoorzitter te wiebelen op zijn stoel als een kikker op een waterlelie in de vijver. De leerlingen om hem heen wachtten op het afgesproken teken. Dit is geen debat, had de stagiaire benadrukt. Je wacht je beurt af, stelt beleefd je vraag, laat de voorzitter uitpraten en gaat niet in discussie. Dat er op woensdagmiddag voor balorige leerlingen altijd wel een lokaal beschikbaar was, had de schoolprefect daar nog fijntjes aan toegevoegd. De goede naam van de school was hier in het geding.
Breedsmoelerig pareerde de kikker elke vraag.
‘Ik ben geboren in het lichaam van een meisje maar ik voel me een jongen,’ outte zich een zestienjarige.
‘Dat moet moeilijk zijn voor je,’ zei de kikker. Mocht hij wenkbrauwen hebben gehad, hij zou ze hebben gefronst. ‘Uw probleem echter erken ik niet. En dat er met u al eens gelachen wordt, is toch ook het einde van de wereld niet.’ Dat klonk ingewikkeld: de situatie was moeilijk en wordt als niet bestaand beschouwd maar er mag wel mee gelachen worden. Je wordt vast geen politicus als je je school niet hebt afgemaakt, bedacht ik in mijn luie zetel.
‘Ik zou het overigens niet fijn vinden wanneer mijn dochter na een wedstrijd samen met een jongen onder de douche moet,’ kwaakte de kikker nog. Tevreden blies hij de kaken bol, zijn tong flitste hongerig in het luchtledige. Dat was toch niet de vraag, dacht ik een tikje kregelig. Geen leerling startte een discussie, de acteur wandelde ernstig kijkend tussen de rijen door.
Een meisje met getaande huid vreesde door de kikker en zijn puitjes te worden gediscrimineerd.
‘Mijn partij is tegen discriminatie,’ antwoordde de kikker fors. Dat antwoord bokste als de rechtse van een zwaargewicht in mijn onderbuik. Als de neus van Pinoccio groeide er een kroontje op zijn kruin. Soms moet je tegenspreken, riep ik de jongelui toe. Protesteren! Rebelleren! De scholieren bleven stil. Ach, in mijn tijd, dacht ik nostalgisch. Die demonstraties tegen de dertig miljard van Van den Boeynants. Die pamfletten van RAL of AMADA die mijn maatje Filip en ik bedeelden aan de schoolpoort. Die klasstaking tegen te hoge werkdruk in het laatste jaar. Mijn leerlingen later die naar Brussel trokken als protest tegen het spaghetti-arrest.
‘Op uw affiches staan alleen maar witte mensen,’ probeerde het meisje nog. Goed zo, kind, applaudisseerde ik.
‘Ach,’ zei de kikker, ‘louter toeval.’ Stroperig bengelde zijn tong uit de bek. ‘‘Blijkbaar vind niet ik maar u huidskleur erg belangrijk. Ik besluit daaruit dat niet ik maar u discrimineert.’
Het meisje keek beduusd.
‘Zeg dan dat hij liegt,’ schreeuwde ik naar de acteur, ‘zeg hem dat er niets toevalligs is aan alleen maar witte mensen in zijn straatbeeld. Help dat kind. Ze is te jong, te naïef en kwetsbaar. In deze kikker schuilt geen prins, hij is een wolf op een waterlelie.’ Doof ijsbeerde de acteur met diepzinnige blik heen en weer door de klas.
‘Gooi met tomaten,’ hitste ik de jongeren op. ‘Draag hem de studio uit! Ga zelf weg en laat hem kwaken!’ Welopgevoed en beleefd hielden de jongeren zich aan de regels van het spel. Met zijn tong likte de kikker zijn lippen, als een dikke vlieg kleefde er een halve natie aan.
‘Ik sta toch altijd weer te kijken van de mondigheid van onze jeugd,’ evalueerde de acteur tijdens het praatje achteraf terwijl hij nadenkend in de camera keek.
‘Je moet eerlijk tegen ze zijn,’ antwoordde de kikker, ‘ze kijken zo door een leugen heen.’ Hij liet een boertje en sprong voldaan in zijn poel.
