Daar zit je dan, op je stoeltje in de tram. Tas soepel over je schouder, paraplu tussen je benen, je lijkt een oude man uit een film in zwartwit. Niemand van je medereizigers heeft blijkbaar de prognose van de weervrouw opgepikt: wisselvallig, overwegend droog met af en toe een bui. Of denken ze zich straks, als weer maar eens een wolk breekt, droog te kunnen houden onder hun telefoon? Die hebben ze massaal in de aanslag.
Jij laat de jouwe waar hij zit. Je vergaapt je aan de mensen. In zichzelf gekeerd turen ze gebiologeerd naar het kleine scherm in hun handen. Veel vrolijks lijkt daar niet te zien. Niemand lacht, niemand stoot een ander aan, niemand zegt moet je kijken, hier, hoe geestig. Stil zijn ze. Hoe zouden ze zich voelen, vraag je je af, na al die bagger die in de dagen voor de stembusgang over hun hoofden werd uitgestort?
Jullie hebben toch ook gestemd, vraag je in stilte aan de twee zwijgende mannen op het bankje voor je, uit Afghanistan, schat je, of Pakistan. Of vonden jullie het net als dat één miljoen Belgen niet de moeite je naar een school of sporthal te begeven, keuvelend over de mooie blauwe dag een kwartiertje aan te schuiven en daarna een bolletje of drie in te kleuren? Burgerplicht, zegt de politiek. Nutteloos, vindt iemand met een pet. Mensenrecht, in jouw beleving. De ene beleving is wellicht de andere niet. Jij bent hier ook de enige met een paraplu en, het valt je nu pas op, vrijwel de enige met een witte huid.
Een man wrikt zich op het stoeltje naast je. Hij ruikt naar de drank, hoewel de ochtend nog maar nauwelijks halfweg is. Hij zou uit de Balkan kunnen komen. Ongeschoren, zorgelijk kijkende zwarte ogen onder gefronste wenkbrauwen. Ook hij plukt uit het borstzakje van zijn hemd een telefoon. Je doet je best niet stiekem naar het scherm te kijken maar hebt het Facebooklogo meteen herkend. Bent u een van Onze Mensen of hoort u er niet bij, vraag je je af, je bent daar niet trots op, het schiet zomaar door je hoofd zoals dat met gedachten gaat.
Aan een drukke halte stappen drie vrouwen op mét hoofddoek en vier jonge meisjes zonder. Ze praten in groepjes op basis van leeftijd, de vrouwen in een taal waarin je Berbers vermoedt, de meisjes bezigen een Nederlands met veel wie-jo’s en klemtonen waarin muziek verscholen zit. Ze praten over elkaars kleren, ze lachen, zonnestralen zijn het op een bewolkte dag. Zouden zij Eigen Mensen zijn, of vormt hun accent daarvoor een barrière? Je weet het niet, dat is het moeilijke met die ongedefinieerde begrippen, het Vlaamse Volk, Onze Eigen Mensen, De Kiezer, Normen en Waarden, iedereen lijkt ze te begrijpen terwijl niemand exact weet uit te leggen wie of wat er precies mee wordt bedoeld. Je dacht dat met de jaren het leven minder ingewikkeld worden zou, ook dat had je fout.
Een getaande oude man sleept een overladen tas van Action achter zich aan. Een buikige zwarte mijnheer gebruikt zijn telefoon als megafoon, tot ver voorbij Gibraltar is hij nog te horen. Je begrijpt geen woord van wat hij roept. Zevenduizend talen zijn er op de wereld, in dit land spreekt geen kat de zijne. Hij is vast elders wel een Eigen Mens. Een armoedzaaier duwt een plastieken beker onder je neus. Neen, weer je af, niet omdat je hem niets gunt of vindt dat hij op zoek moet naar een baan – bedelen is ook hard werken, vernederend bovendien, je doet het echt niet voor je hobby, – maar omdat je nooit nog cash op zak draagt. Een kaartenman ben je geworden, dat besef voelt nogal middenklasse, pompeus, kijk mij, vier bankkaarten in de beurs, de onderlaag van munten en biljetten ontstegen. Eigen Volk, gewis.
Een vrouw van om en bij de dertig, huid als room, hoge jukbeenderen, slanke leest, leunt tegen de deur. Het alarm noopt de chauffeur uit zijn cockpit. Hij oogt Oriëntaals, zijn haren zwart als git, hij praat beter Nederlands dan Georges-Louis Bouchez, ook een winnaar zondag maar vast geen Eigen Mens. De vrouw begrijpt het niet, haar vriendin helpt haar uit de nood in wat jij als Oekraïens vermoedt. Ontheemd, voor de oorlog op de vlucht, word je dan ooit nog ergens Eigen Mens?
Bovengronds slenter je naar het Centraal Station. Het plein baadt in de zon. Mannen roken, praten, jongeren hangen, vrouwen laveren er tussendoor, mensen in alle maten en gewichten, in kleuren en in geuren. Hoe kaal wordt deze stad, vraag je je af, wanneer alleen nog Eigen Volk overblijft?
Op de trein zoek je een wagon waarin nog niemand zit, een plek voor jou alleen, waar je vrij en vrolijk helemaal je Eigen Zelf kan zijn.

Een gedachte over “Je Eigen Mens te Zijn”