Laat mij uw Herder zijn

Eerwaarde Kardinalen

          Om maar meteen de kelk te laten rondgaan: met deze bescheiden encycliek wens ik mij kandidaat te stellen voor de vrijgekomen plaats op de stoel van Petrus, gods gezant op aarde, vader van alle schepselen. Een kinderdroom gaat in vervulling: nog voor ik devoot met de ogen toe de eerste hostie in mijn leven liet smelten op mijn tong, droomde ik er al van hoeder te mogen zijn van armen en verdrukten, trooster van bedroefden, heler van klein en groot verdriet.

          In het bijzonder trof mij in uw vacature het aanbod van levenslang gratis kost en inwoon. Als een bruidegom naar het bruidsbed kijk ik uit naar mijn intrek in de pauselijke paleizen. De in de loop der eeuwen vergaarde kunstwerken zal ik bewonderen en bewaren als een goede huisvader, nederig zal ik smikkelen wat de pot mij schaft. Culinair veeleisend ben ik niet. Een zachtgekookt eitje, vier minuten op de kop in tegen het kookpunt borrelend water bij het ontbijt. Een gebraden kippetje op zijn tijd. Af en toe iets van de Thai of de Chinees. Immers, van alle schapen wil ik herder zijn, op alle weiden wil ik grazen (beschouw dit laatste beeld als een metafoor). Daarbij een vraagje: bepaalt de paus zelf het menu of kiest de kok voor hem? In het tweede geval zag ik graag Johan Segers als chef de cuisine in de Vaticaanse keuken. Bloemkool met witte beuling, lekker.

          Werkkledij en wagen op kosten van het werk. Dankzij de vaste lijn van mijn troon naar de provider in de hemel is er geen nood aan een mobiele telefoon. Geen Orange, Proximus of Telenet, een zegen. Het scheelt een flinke slok op de wijn en een hoop gedoe. Voor boodschappenlijstjes, afspraken en agenda zorgen de zusters, mag ik hopen. Er bestaan, de heer zij geloofd, gelukkig ook nog kwezels die belangeloos willen dienen.
          Mijn zomers laat ik gaarne doorgaan in het Apostolisch Paleis van Castel Gandolfo, lekker dicht bij Rome. Verre reizen op kosten van de zaak maakt een paus voor zijn werken immers al het hele jaar door.

          Waarom mijn kandidatuur uw beraad in afzondering wellicht tot hooguit een weekenduitstapje zal inkorten? Mijn 67ste geboortedag staat voor de deur, veel te pril nog om onbekommerd vrij te luieren en te potverteren, ik ben het hier met ’s lands bestuurders eens. Het leven is lijden en luiheid des duivels oorkussen. Net als mijn op tweede paasdag naar de hemel opgestegen voorganger wil ik ernaar streven mijn roeping te vervullen tot mijn laatste snik.

          Ervaring in het herderschap vergaarde ik in de jaren die ik wijdde aan het onderrichten van kennis en vaardigheden en het voorleven van normen en waarden aan opgeschoten jongelui die er geen graten in zagen in volle klas hun puisten uit te knijpen of neuskeutels weg te schieten. Dat deed ik met bezieling, geduld en overgave. Waar iemand de draad verloor, raapte ik hem op. Wie doolde wees ik de weg. Wie met de duivel verkeerde, leidde ik naar maagd of engel. Dat pad mag ik vandaag beschouwen als een leerschool, een opstap voor de zware opdracht die de heer op mijn schouders legt, te weten het leiden van gods kudde door dagen van twijfel aan mensheid en geloof.

          Beknopt ontvouw ik u mijn herderlijke ambities. Het moge in uw oren klinken als oude wijn in nieuwe zakken, niet alle puin werd al geruimd, niet alle schuld beleden, niet alle zonden zijn vergeven. Ootmoedig buigen van de kerk voor alle mannen, vrouwen en kinderen die in de loop der eeuwen in naam van de heer werden mismeesterd, misbruikt, vermoord. Een penitentie is hier op zijn plaats, het mag wat meer zijn dan drie keer een rozenkrans, tien onze vaders en evenveel weesgegroetjes. Eveneens een knieval voor het vaak wat dubieuze standpunt in tijden van vuurhaard en conflict zoals halfweg de voorbije eeuw in onze contreien hier en heden ten dage in het Midden-Oosten.
          Waar ook de pauselijke vlucht landen zal, ik zal er knielen en mijn lippen op de aarde drukken. Elke grond is even heilig, wie er ook wandelt, woont of werkt, elkeen is voor de vader een kind van god.
          Met vuur en zwaard en een tong als een machete zal ik strijden tegen de zeven ondeugden die van oudsher onze vijand zijn, tegen afgunst en hoogmoed, tegen hebzucht, gulzigheid en wellust, tegen woede en de hang naar nietsdoen en lanterfanterij. Niet alleen binnen de gemeenschap van ons geloof maar ook ver daarbuiten wil ik weer de vlaggen hijsen waarop de oude waarden prijken zoals de heer ze in de oudheid in stenen heeft gebeiteld: de hongerigen zal ik spijzen, een boterham met kop of kaas, de dorstigen laven, een rondje kan er altijd wel af, de naakten kleden, tweedehands eventueel of uit de Kringloop, de vreemdelingen herbergen, maar dan écht, de zieken verzorgen, de gevangenen bezoeken en, ook in Gaza, de doden begraven.

          In de hoop, beminde en geëerde leden van de clerus, dat u deze kandidaatstelling in volle vertrouwen wil overwegen, toon ik me graag bereid mijn ideeën en ambities oraal te komen toelichten opdat spoedig uit uw schouw vrank en vrolijk witte rook moge kringelen.

          Met ingetogen groet

Boulevard Nostalgie

          Als koorknaap zong ik als sopraantje ooit mee het Hooglied in de paasmis. Met passie en met overgave loofde ik de werken van de heer. Doe alles wat je doet met hart en ziel, het zat er heel vroeg bij mij al in. Aan die dagen moest ik denken bij Joan Osborne, What if God was one of us (632). Goede vraag, dacht ik. Hij zou zich vast ook enige vragen stellen bij zijn schepping.

          Veertig dagen eerder al bereidden we ons voor. Op een woensdagochtend wipten we voor school even snel de kerk in waar een oude priester zijn duim in een zwart goedje doopte en die smurrie met twee ruwe vegen uitsmeerde op je voorhoofd. Zonder kruis van as kwam je niet in de klas. Als boetedoening voor je pekelzonden beloofde je god in de hemel en je moeder aan de haard veertig dagen niet te snoepen, te liegen of te bedriegen tijdens Mikado of Mens-Erger-Je-Niet.  

          Het sopraantje werd een barse bas. Ook gingen de liturgische feesten een toontje lager zingen. Kerst en Pasen verloren hun hemelse klanken. Wie staat nog stil bij het verraad van de apostel op Witte Donderdag? Wie hoort nog het luiden van de klokken, het scheuren van de tempel op Goede Vrijdag? Wie verzaakt op de sterfdag van Jezus nog aan alle vlees? Wie viert nog de verrijzenis voor het rapen van de eieren? Zeg maar niets meer. The Times they are a Changing, staat vast ook wel ergens in de lijst.

          De heilige week is nu gewoon de tweede week van de Classics 1000 op Radio 1. Veertien dagen geleden dansten Martha Reeves and The Vandellas in The Streets (1000) en begon het aftellen naar paasavond. Elk liedje brengt een memorie met zich mee, vormt een stipje op de tijdlijn van je leven, was een stapsteen in je bestaan. 
          Hoeveel tijd verdoen we met terugblikken naar wat voorbij is? Father and Son (462) was een  lijflied toen mijn vader nog een issue was en werd het een tweede keer toen ikzelf issue werd voor mijn zoon, inmiddels even oud als Jezus toen hij opstond uit de doden en net als zijn vader even goddelijk.
          Joe Cocker teleporteerde me naar de wei van Woodstock waar ik vanzelfsprekend nog nooit was maar die ik vanuit mijn bed kon ruiken bij het bulderende With a Little Help from my Friends (458) in de dagen dat baard- en schaamhaar donzig gingen groeien, dat waren nog eens tijden. Waar is die oermens toch gebleven, vroeg ik me af bij het stukje pottenbakkersmuzak N’Oubliez Jamais (633). Ach, vergeet het.

          I still haven’t found what I’m looking for (823). Nog altijd niet. Het zoeken is meer waard dan het vinden. Ik waan me weer in mijn antieke Renault 6 op weg naar een waterpolowedstrijd, kant A van de cassette U2’s The Joshua Tree, kant B Automatic For the People van R.E.M. met Losing My Religion (83). Dat deden we dan samen.
          Ik monkel bij Every Breath you Take (826). Een collega koos het ooit als openingsdans op zijn trouwfeest. Waar je gaat, waar je staat, wat je zegt, wat je doet, ik houd je in de gaten. Klinkt als een vrijbrief voor Blok C, cel 14 in de Begijnenstraat.

          Ach, hoe lichtvoetig hitte ik de vloer op Tainted Love (817) in ’t Wilgenhof of de Parochiezaal van ’s Gravenwezel, dertig kilogram minder en evenveel jaren geleden? Ze draaiden elke keer ook La Bamba toen, de kuskesdans. Dat zie ik ze vandaag in Club Lima niet meer doen. Vast grensoverschrijdend.
          The Doors riden on the storm (komt vast op de laatste dag) naar mijn vervallen zolderkamer in het ouderlijk huis waar ik een artiestenleven wilde leiden, compleet met matras op de grond en van zelfgerolde peuken uitpuilende groene Tigra-asbak. Van onder een ruwe dikke deken zou ik er de Vlaamse Dostojewski worden. Niet gelukt. Ik ben gewoon geworden wie ik blijkbaar worden moest. Dromen zijn bedrog, dat hoeft niet eens in de lijst.

          De Classics is veertien dagen lang in rode schoenen de bleus dansen. Meer nog dan nectar en ambrozijn voor het oor, is het balsem voor de ziel. Een weemoedige wandeling langs Boulevard Nostalgie. Een paternoster van herinneringen. Vaak zitten daar glinsterende parels tussen, soms doffe bollen. Straks, wanneer het einde nadert en het gordijn gaat vallen, kennen we de nieuwe nummer 1.
          Mijn psalm zal dit jaar van Frank Sinatra zijn.  

For what is a man, what has he got?
If not himself, then he has naught
To say the things he truly feels
And not the words of one who kneels
The record shows I took the blows
And did it my way

          Ik hoop voor u hetzelfde.

Mijn gedacht

          Laat me gerust.
          Waag het niet.
          Vraag me niet wat ik denk over dat vonnis van die rechter over die dronken jongen en dat nog meer dronken meisje. Ik kan niet met kennis spreken, ik heb het dossier niet gelezen.
          Vraag me niet mijn mening over de veroordeling van die populaire Franse politica. Meer dan wie zijn gat brandt moet ook op de blaren zitten kan ik niet meteen bedenken.
          Vraag me niets over invoertarieven, Tom Waes of de spurt van Wout van Aert. In tegenstelling tot de rest van de bevolking, heb ik over weinig zaken echt een mening. De dingen gaan zoals ze gaan.
          Et alors?

          Rechtspraak weer in opspraak. Iedereen edelachtbaar: de rechter doet zijn taak niet, dat vonnis is te mild, justitie is corrupt. Elkeen heeft zo zijn gedacht en moet het aan de wereld kwijt.
          Ik kom uit andere tijden. Toen ik nog in korte broek liep, eerlijk en oprecht geloofde in Sinterklaas en ooievaars en je voor drie smoelentrekkers één enkele Belgische Frank betaalde, gebeurde het weleens dat mijn moeder me een onleesbaar lange boodschappenlijst in de handen drukte, een draagtas om de nek hing waar ik zelf in verdwijnen kon en een briefje van honderd frank in mijn broekzak propte met de vraag die niet echt als vraag bedoeld was: ‘Ga jij voor mij even naar de winkel?’
          Met zware voeten slofte ik dan naar de kleine kruidenier op de hoek. Daar diende ik de lijst te overhandigen aan de altijd nors kijkende winkelierster, tien minuten doelloos te staan dralen, het bankbriefje op de toonbank te leggen waarbij ik vooral niet vergeten mocht het wisselgeld te incasseren om dan mijn zware vracht als het sleepnet van een visser achter me aan naar huis te slepen.

          Honderd frank was in die tijd veel geld en al zeg ik het zelf, ik was niet het botste mes in de la. Op een dag bedacht mijn rechtvaardigheidsgevoel dat tegenover zware arbeid evenredige verloning hoort te staan. Loon noch zakgeld keerde mijn moeder uit, van haar zou het niet komen. Zelfzorg dus. Ik kende dan misschien het woord nog niet, diep vanbinnen voelde ik er wel de noodzaak van. Waarom mijzelf niet van de vele wisselgeld een bescheiden toelage toebedeeld teneinde me voor dit bovenmenselijk labeur te belonen met een zwarte nestel, een colalolly of drie smoelentrekkers? Plus, één of twee frank, dat zou mijn moeder vast nooit merken.

          Ach, hoe schoon toch de onschuld van een kind.
          Mijn moeder leidde haar gezin als een generaal zijn leger. Orde moest er zijn, discipline. Alles hoorde ze, alles zag ze, alles wist ze, ook dingen die zij onmogelijk weten kon. Zij kende van elk product precies de prijs, wist exact wanneer de aardappelen het goedkoopst waren en de rode bieten het duurst en boven alles besefte zij heel goed tot welke snode daden de vruchten van haar schoot capabel waren. Appelen, met hoevelen ze ook mogen groeien, vallen nooit ver van de boom. Over de boom die deze appelen had afgeschud kon ze boeken schrijven waarvan je oren spontaan blozen gingen. Toch bleef ze ondanks alles om haar vinger trouw de ring dragen die mijn vader daar jaren eerder met twinkelende ogen en brandend buikgevoel overheen geschoven had.

          Wie zijn kinderen liefheeft spaart de roede niet.
          Zij heeft haar kinderen innig liefgehad, mijn moeder. Na een gesprek dat geen gesprek mag worden genoemd – ‘Is dat alles?’,  ‘Ja.’, ‘Je weet het zeker?’, ‘Euh …, ja.’, ‘Leugenaar,’ – kon ik in de spiegel van de badkamer door mijn tranen heen de afdruk van haar trouwring op mijn wangen zien. Twee ringen links, twee ringen rechts. Mijn moeder was onderzoeker, rechter en beul in één persoon. Een drievuldigheid, in moeders wonen massa’s mensen.
          Ik had mijn straf kritiekloos te aanvaarden. Ik droeg schuld, ik moest boeten. Moeders wil was wet, zoals die van de gendarme op straat, de meester op school, de rechter in de rechtszaal.
          Aan gezag werd niet getornd.

          Dat ligt vandaag dus anders. Voor de ene is een straf te licht, voor een andere te zwaar, wie het niet zint komt de straat op.
          Ik doe niet mee. Ik weet te weinig van de wet, ken de finesses van al die zaken niet.
          Daar staat tegenover: hoe ongelovig ik ook ben, ik geloof.
          In de wetten die onze verkozenen in onze naam hebben uitgevaardigd.
          In de rechtschapenheid van zij die over feiten moeten oordelen en weten waar ze over praten. Dura lex, sed lex. Dat rommelt weleens in de onderbuik.  Precies daarvoor dient dan ook die wet, denk ik dan, om boven de emoties recht te spreken.

          Mijn moeder had meer dan eens gelijk, ze had vaak ook ongelijk. Zij deed wat zij dacht te moeten doen, naar best vermogen, volgens de zeden van haar tijd, met de middelen die het lot haar had toebedeeld.
          Daar moest ik de voorbije week vaak aan denken.
          En aan die ring die ze in haar graf heeft meegenomen.