Klaaglied voor Tatjana

          ‘Heer, vergeef het hem, hij weet niet wat hij doet,’ zuchtte mijn vader.
          Ik had school gespijbeld om mee te lopen in een demonstratie tegen de aankoop van gevechtsvliegtuigen door toenmalig Minister van Defensie Paul Vanden Boeynants, de Theo van zijn tijd. Dertig miljard BEF, terwijl intussen we elke avond op televisie kinderen uit Afrika zagen creperen van de honger. We wisten heel goed wat we deden, we wilden de wereld beter maken, we wisten alleen niet hoe.

          ‘Heer, vergeef het hem, nog altijd heeft hij niet geleerd,’ zuchtte mijn vader wederom toen ik opnieuw de straat opging, tegen kernwapen en kruisraket van zowel Oosterse als Westerse makelij dit keer. ‘Een nuttige idioot is mijn zoon, een speelbal voor de bolsjewiek, alleen, hij beseft het zelf niet,’ vond mijn vader. Sloganesk poneerde hij: ‘Liever een raket in de tuin dan een Rus in de keuken.’
          ‘Als ze Tatjana heet, over een fijn paar borsten beschikt en op tijd en stond de afwas doet, is ze welkom,’ pareerde ik, duidelijk een appel te dicht bij de boom beland. Zulke uitspraak zou vanzelfsprekend vandaag niet meer kunnen. Elk gezin heeft een vaatwas tegenwoordig, mijn vader zwijgt al jarenlang en de tijden waarin je niet zo erg op je woorden hoefde te letten, zijn voorbij.

          ‘Heer, vergeef het hem, hij weet niet wat hij heeft gedaan,’ zei deze week een vrouw op de televisie. Zij betreurde de vader van haar kinderen met wie ze had gehoopt samen oud te worden. Een kogel in de hals. Veel volk op deze herdenking. Men joelde, juichte, klapte in de handen, stampte met de voeten. De overledene had hun strijd gestreden, was hun held geweest, in dit land van de vrijen, haven van de dapperen hun speerpunt in de strijd voor het Vrije Woord. In de schaduw van de weduwe kreeg de oude man met gouden haren de handen maar niet op elkaar. Gedachten zijn vrij, het meest van al nog de zijne. Om zijn visies en ideeën hadden de bewoners van alle vijftig staten plus het District van Columbia hem tot president verkozen, overal en overweldigend. De president zou de president niet zijn als hij bij woorden van vergeving niet zo zijn eigen gedachten had. Weliswaar was hij gekomen om deelneming te betuigen, wij hier in het Avondland weten: tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren, maar bovenal grillen van het gemoed die niemand kan verklaren. Zo verging het ook de president.

          ‘Het spijt me, Erika,’ antwoordde hij de bedroefde vrouw met de mooie naam, ‘vergeving is een mooie deugd maar ik, ik kan het niet.’ Zo boog hij geslepen de aandacht naar zijn eigen onvolprezen zelf. ‘Mijn vijand blijft mijn vijand. Ik zit hem na, jaag hem op, tot in de grotten van Bora Bora als het moet. Eens in het nauw, knijp ik hem dood. Als een kakkerlak.’
          Opnieuw joelde, juichte, applaudisseerde en stampvoette de meute op het plein, volgzaam en gedwee. Ergens in mijn achterhoofd echode mijn vader: ‘nuttige idioten.’ Gulzig dronken zij elk woord uit de mond van de gebronsde voorman met het gouden haar. Hij was de gids, de maat der dingen, de zon in hun melkwegstelsel. Hij stond persoonlijk borg voor hun recht op vrijheid in woord en daad, nu, altijd en overal. ‘En wie het niet met me eens is,’ duwde de president dapper door, ‘snoer ik kordaat de mond. Ik korf die muilen, ontsla of laat ontslaan, smoor elk verzet in de prilste kiem, met knots en knuppel als het moet desnoods.’
          In de coulissen stond Erika er wat beteuterd bij. Haar neergeschoten eega leek alweer vergeten. Alleen de president ging nog over de tongen, zijn onverschrokken verschijning, de woorden die hij had gesproken, het aura van geluk dat hij over de hoofden van het volk had uitgestrooid.

          ‘Heer,’ zo dacht ik toen, ‘vergeef al deze mensen, zij weten niet wat ze doen.’
          Maar hij, die president, dacht ik, die weet het wel. Hij weet het donders goed. Hij heeft zonet zijn natie de mondklem opgevezen. Een verbod op Anders Denken uitgevaardigd. De vogel verboden nog langer te zingen zoals hij is gebekt. Het behoorde dan wel tot zijn presidentiële plicht bij tweedracht eensgezindheid te betrachten, bij poeha de gemoederen te bedaren, dat deed de president net niet. Integendeel. Een wig wilde hij drijven in de natie, tweespalt creëren, een kloof uitdiepen die in geen jaren zou te dichten zijn. Verdelen en heersen als Nero in het oude Rome. Hij sleepte daarvoor de vaagste woorden en begrippen aan, links, antifa, woke, termen die als oude regenjassen over elke schouder vallen. Niemand wist precies wat ze betekenden doch men kauwde ze als zoete koek.

          Een halve eeuw nu al bijna staat die raket te blinken in mijn tuin.
          De man met het gouden haar in de keuken heeft geen leuke boezem.
          Ook de afwas doet hij niet.

Een Basil

          Er is meer kans op vrede in het Midden-Oosten dan dat ik ooit miljonair word, ik weet het. En dat de gokker altijd verliest, dat weet ik ook. Dat de Nationale Loterij niets meer is dan door de overheid georganiseerde geldklopperij, ook daarvan ben ik me bewust. Toch koop ik samen met ongeveer zes miljoen (gokje) andere domoren wekelijks een biljetje van de Lotto. Omdat hoop doet leven. Wat immers is het leven zonder hoop?
          Die ochtend stond ik in de krantenwinkel achter een gekromde, oude man mijn beurt af te wachten. Hij morrelde wat in zijn portefeuille en legde naast zijn nieuwe Lotto-formulier en een paar winstbriefjes van vorige deelnames, een bankkaart op de toonbank. Ondertussen dagdroomde ik over zon en zee, exotische gebieden, lekkere bubbels en de heerlijkste spijzen. Zoals ik al zei, wat is het leven zonder hoop.
           Plots teleporteerde een woeste uithaal me weer naar het hier en nu.
    ‘Meent gij dat nu!?’
          De lange, graatmagere man achter de toonbank spreidde zijn armen als was hij Christus aan het kruis. Woedend keek hij op het mannetje voor me neer. Dat kromp zichtbaar in elkaar.
          ‘Echt of wat?’ De krantenboer staarde naar het mannetje alsof die een goedkope Russische drone was die ongevraagd zijn nering was binnengezeild. Ogen als schoteltjes, van alteratie trilde het fijne snorretje op zijn bovenlip.
          ‘Gade gij nu echt met de kaart betalen?’
          Blikken als vonkende vuurpijlen, zijn stem klonk als een gewet mes. Hij hief beide armen ten hemel alsof hij hoopte op tussenkomst van de allerhoogste. Die echter bleef naar aloude traditie ook bij deze ellende oorverdovend stil. God ziet alles en bemoeit zich nergens mee.
          ‘Poeh,’ klonk het plots, een luchtbel die dringend uit de longen moest. Basil Fawlty leeft, bedacht ik, hij baat een krantenwinkel uit in S. en is ook daar niet echt gelukkig.
          ‘Euh, jawel,’ bekende het mannetje. Hij verkeerde net als ik blijkbaar nog in de waan te leven in een land van vrijheid, een land waar je zomaar je gedacht mocht zeggen, gaan en staan waar je beliefde en autonoom beslissen hoe je je financiën regelde. Zoals zovele dingen in het leven bleek ook die vrijheid een illusie.
          ‘Negentig cent!’ schreeuwde de krantenman hem toe. En opdat wij allen de diepte van het drama terdege zouden vatten, herhaalde hij: ‘Negentig cent. En gij wilt met de kaart betalen.’ Het klonk als een doodsvonnis. Stilaan beving ook mij lichte paniek. Tegen beter weten in probeer ik wanhopig bij de tijd te blijven, daarom betaal ik uitsluitend nog digitaal. Nooit draag ik nog tastbaar geld op zak. Cash is voor oude mensen en zij die belastingen willen ontwijken, ik behoor tot geen van beide.
          ‘Euh, ja … ‘ fezelde het mannetje, duidelijk niet opgewassen tegen de verbale orkaan die over hem heen raasde. Ik voelde met hem mee, toch probeerde ik me te verplaatsen in de krantenman. Op vrijdag laat gaan slapen, misschien een glas erbij gehad, op zaterdag vroeg op. Het is ploeteren en zwoegen om de doening draaiende te houden, hard labeur met vele offers. Daar stond tegenover: ik zag niemand met een tweeloop tegen zijn slaap.

          ‘Negentig cent godverdomme!’ Hij kreeg er duidelijk geen genoeg van terwijl de inmiddels ruim aangedikte klantenrij de kern van het dispuut wel had begrepen. Hij raakte niet alleen het Noorden kwijt, hij verloor voeling met elke windstreek uit het heelal:
          ‘Niet moeilijk dat de kleine winkelier verdwijnt! Negentig cent! Daar moet ik vijftien cent op betalen. Dieven zijn het, niks minder! Alles gaat hier naar de kloten. Elke cent die binnenkomt moet ik meteen weer afgeven.’ Het was helder: wat in Gaza of Oost-Congo aan de gang is, verdween in het niets bij wat deze man dagelijks diende te verduren.
          ‘Een mens verzet godverdomme hemel en aarde om het hoofd boven water te houden, ondertussen vijzen zijn eigen klanten de poten vanonder zijn stoel vandaan.’ Met onverholen misprijzen keek hij op zijn clientèle neer. Toen, plots, als na een stroomstoot rechtte hij de rug, greep het pinapparaat en smeet dat richting oud mijnheertje. Diens hoofd was inmiddels verdwenen tussen zijn schouders. Bevend diepte hij een muntstuk van 1 Euro uit zijn geldbeugel.
          ‘Laat dát nu ook maar,’ blafte de uitbater. Niettemin schoof hij toch de geldlade open en liet een tien centstuk stuiteren in het weergeefschaaltje. Verslagen tjokte het mannetje de winkel uit.

          Nog nooit was ik zo blij ook deze keer weer geen cent te hebben gewonnen. Opgewekt betaalde ik, met kaart, de volle pot, me er ten volle van bewust dat met deze winstmarge de krantenboer die avond makkelijk een tafeltje kon reserveren in een rustiek restaurant met op het menu typisch Vlaamse lekkernijen bereid op oma’s wijze.
          Het was hem zeer gegund. Nooit zal ik me door hem nog een loterijbiljet laten aansmeren. Zo had die dag iedereen toch wat gewonnen.

Komt een man bij de dokter

          Mijn leven lang al kijk ik met enig argwaan naar de onophoudelijke stroom gezondheidstips en welzijnswenken waarmee men ons dagdagelijks om de oren slaat. Veilig en voorzichtig moeten we zo lang als kan laveren door het leven tot het leven zelf er genoeg van heeft. Kilo’s fruit en groenten, granen en noten, sporten elke dag maar ook weer niet te veel, doe yoga en wellness en ban vanzelfsprekend het roken en het drinken. Als je daaraan niet voldoet, dan …     
Ja. Dan wat?
          Vaak moet ik dan denken aan de jaren toen ik meer hormoon dan jongen was. Door god en zijn gezanten werd ons aanhoudend ingepeperd hoe je van zelfbevlekking doof en blind zou worden en dat er op je rug een bochel zou gaan groeien. Liefde voor jezelf was toen nog des duivels, een regelrechte rit op de highway to hell. Geloof mij op mijn woord, heel wat zaad viel intussen droog op de rotsen, toch is met mijn ogen nog altijd weinig mis en loop ik nog flink rechtop. Enkel het gehoor ging wat achteruit. Dat vind ik geen erg, het meeste van wat wordt gezegd is niet de moeite van het aanhoren waard.

          ‘Dat ga ik niet doen,’ besloot ik dus, ‘dat ze maar zelf met een stokje in hun kak gaan zitten roeren,’ waarop ik de uitnodiging voor het Preventieonderzoek naar Darmkanker verticaal klasseerde tussen de oude kranten, lege broodzakken en belegen moppen van de scheurkalender in de doos met oud papier.
          Een daad die bij zij die het goed met mij menen slechts onbegrip en schampere vragen oogstte. Achteloos lachte ik hun wat-alsen weg. Wat als je ongezien ziek zou zijn? Zich in jouw lichaam een microbe heeft genesteld die zich genadeloos een weg vreet naar je hart? Wat als? Wat als si en wat als la. Ik citeerde dan uitdagend eerst die quote van Gunter Lamoot laatst op de televisie, dat we allemaal geboren worden in ons eigen lijk. Dat vond ik geestig. Om het pleit finaal te beslechten voegde ik daar dan als uitsmijter nog aan toe: ‘Het ergst wat een mens kan doen is leven, daar ga je zo onherroepelijk dood van. Zeg dat maar tegen je zwemmertjes voor je ze te water laat.’
          Waarom men mij nooit vraagt voor de Ideale Wereld, ik begrijp het ook niet.

          Dat de aanhouder altijd wint, wisten zelfs de predikers in de woestijn. Zodoende vond ik in mijn brievenbus enkele weken later een geheugensteun. Dat men mijn staal nog niet ontvangen had, dat het hier wis en zeker een vergetelheid betrof. Misschien was in de drukte van mijn alledaags bestaan hun goedbedoeld verzoek me gans ontgaan. Zoekgeraakt tussen de plooien van de zomerpost misschien? Of stomweg het wattenstaafje in de pot gesukkeld? Of ik alsnog, bij deze. In bijlage een instructievel, afdekpapiertje, wattenstaaf en enge proefbuis van plastiek.
          Ach, dacht ik ten langen leste. Baat het niet, schaden zal het ook wel niet, dus nam ik zorgvuldig de instructies door. Dat je voor je aan het echte werk begint een plasje hoort te maken, leek me logisch. Het papiertje evenwichtig spreiden over de pot leek me al een tikje ingewikkeld, hier kwamen rolmeter, passer en geodriehoek bij te pas. Eindelijk konden dan vrij en vrolijk de darmen open, altijd weer een dat-lucht-lekker-op-gevoel.
          Naar het schijnt bestaan er mensen die bij elke beurt hun afscheiding onderwerpen aan een keuring van textuur en vorm, kleur en geur. Zelf ben ik meer het type klaar-schoonvegen-doorspoelen. Nu echter diende ik omzichtig met een wattenstaaf te roeren in de drek, er zorg voor te dragen dat voldoende van de smurrie bleef kleven aan het watje en ondanks de tremor die met de jaren komt moest ik proberen het staafje zonder bibberen en beven in het ranke kokertje te mikken.

          Zo komt uiteindelijk een man dus bij de dokter. Natuurlijk had die wat gezien, daar heeft hij jarenlang voor school gelopen. Een stappenplan werd voorgelegd dat ik rancuneus diende op te volgen, of anders. Geen zin in weer discussie deze keer, volgzaam en gehoorzaam als ik ben, deed ik nauwgezet wat me was opgelegd.
          Enkele dagen geleden klokte ik op een avond een kleverig goedje met sinaasappelsmaak door het keelgat, daar goot ik een liter water achteraan. De rest van de avond bracht ik door met de broek op de enkels in de kleinste kamer. De volgende ochtend herhaalde zich dat procedé. In de douche schrobde ik me suf en schoon in de hoop mijn buitenkant even rein en rimpelloos te schuren als mijn binnenkant. Een uitzichtloze opdracht, op mijn leeftijd.
          Van het onderzoekje heb ik niet veel gemerkt. Ik sliep. Maar beter ook. Ik kijk liever niet toe wanneer een hypergesofisticeerde camera of godbetert een in plastiek gehulde hand op speurtocht gaat naar ongewenste gasten in mijn darmkanaal. Na het kopje koffie en het broodje ham dat een vriendelijke mevrouw mij bij mijn ontwaken presenteerde, tastte ik nieuwsgierig naar mijn achterkant.
          Ik voelde niets, helemaal niets.
          Ook de arts had niets gevonden.
          Dan was het alles toch niet voor niets geweest.

De terugkeer van Darkwing Duck

          Groot feest vandaag!
          Slingers aan de lampions, confetti op de vloer, bubbels in het glas, kreeft en oesters en toast met kaviaar. Volgens officiële telling leest u op dit ogenblik de zegge en schrijve tweehonderdvijftigste publicatie in uw favoriete Sprekershoek. Jezus Mina Jozef man! Tweehonderdvijftig!
          Edoch. Geen polonaise ten kantore hier. Geen orkest speelt hier ten dans. Wij hebben onze twijfels. Wij kunnen vergeven ja, vergeten helaas kunnen wij slecht.

          Er is dat ene stukje, nergens nog te vinden, dat op dit jubileumfeest toch weer de kop opsteekt. Destijds moest het gedumpt, verwijderd, weggevaagd als een dorp door een hoos. Wellicht herinnert u zich dat niet zo maar wij, wij weten nog.
          Darkwing Duck heette het, naar de eend der wrake uit de wereld van Walt Disney toen de kinderen nog konden blij gemaakt met een surprise-ei en een half uurtje later pas naar bed. Darkwing Duck, de dreiging die flappert door de nacht, het stinkdier dat de lucht vervuilt, de vlek die nooit verdwijnt.

          Aanleiding was een boek. Een gewezen omroepster van de Vlaamse Televisie schetste een portret van de arbeidsvloer waarop zij zelden vrolijk had gedanst. Ze bezigde daarbij woorden als verziekt, rot en tragisch. Haar collega’s noemde ze bronstige bonobo, bunzing of hysterisch. Dat viel slecht in de pers en keerde als een boemerang weer in haar gezicht. Men noemde haar verbitterd, rancuneus, een natrappende nestbevuiler.
          Mocht ik over de plek waar ik de meeste dagen van mijn leven sleet ooit wat te vertellen hebben, zo zette ik in De Sprekershoek, ik zou het anders doen. Ik zou – voorwaardelijke wijs – een dorp verzinnen en dat Fostran noemen. Fostran, dat is Zweeds voor onderwijs. Dat dorp zou in Elkland liggen. Elk Land. Een onbestaand dorp in een onbestaand land, welkom in de wereld van de fictie, zo dacht ik naïef. Fictie. Fictief. Verzonnen. Ach, hoe jong en goedgelovig was ik toen.

          In de dorpsschool van Fostran zou een nieuw schoolhoofd vegen met een stel nieuwe bezems. Zij liet zich daarbij bijstaan door valse vazallen en uitgekookte assistenten. Gewone luiden beklijven niet in literatuur, daarom bedeelde ik mijn personages met een extra aardigheid. Naast de troon een vileine adviseur, een slechterik belust op macht, die ik boetseerde naar beeld en gelijkenis van de butler Anatool uit de strips van Jommeke. Ook altijd in de buurt een op Theo Francken lijkende brulboei, veel blabla zonder boem boem. Voor de holder en de kolder daarbij nog twee olijke drinkebroers, een o my god-mevrouw die in elke mug een olifant zag en een nar zonder specifieke functie.
          In het plot zou ik mijn personages dingen laten doen die in het echte leven echt niet kunnen: snoepreisjes maken tijdens werktijd, enigszins aangeschoten aan de arbeid gaan, natuurfilms analyseren waarin mijnheren en mevrouwen zonder kleren acrobatisch gymnastiek proberen. Het bijna ongelooflijke geloofwaardig maken, dat leek mij literatuur. En tegelijk ook met een kwinkslag en een knipoog wijzen op wat beter kan.  

          Het schrijven van dit kolderiek verhaal in voorwaardelijke wijs zou mij helpen te verwerken, dacht ik toen. Na bijna veertig jaar was de intense relatie met mijn eigen werkplek als een schip op drift onverwacht en ongelukkig tegen de klippen aangeknald. Dat deed pijn. Heling had ik nodig. Closure, zoals dat modern heet. Het bord moest schoongeveegd opdat een nieuwe wind zou kunnen waaien en een nieuw verhaal geschreven.
          Dat leek aanvankelijk ook te lukken. De statistieken van de Sprekershoek piekten hoger dan de kathedraal. Veelvuldig werd het stuk gelezen en gedeeld. Bijval, knipoog, schouderklop. Tot plots, het komt als je het niet verwacht en er is niets tegen te doen, het tij keerde. Hoe merkwaardig het ook klinkt, in sommige personages meende men zichzelf te herkennen. Hoe kon dit? Schemerde dan door mijn verzinsels toch een zweem van waarheid? Smaad en laster werden mij verweten. Met represailles werd gedreigd, dreigmails kreeg ik toegezonden, anonieme telefoons. Ruïneren zou men mij, schade zou ik vergoeden tot ik dood zou bloeden. Voor de rechtbank zou men mij slepen, uit mijn ambt ontzetten zo men kon. Niet alleen mijn trots en eer, ook mijn opgebouwde rechten voor de oude dag stonden hier op het spel.

          ‘Kunnen die mensen dan niet lezen,’ vroeg ik mijn advocaat, ‘dit is toch allemaal verzinsel!’ Daarover sprak de man geen woord. Wel hield hij voet bij stuk dat hij voor elke interventie in dit onsmakelijk dossier de onwrikbare som van zevenhonderd knotsen factureerde, waardoor mijn appel voor de dorst alreeds verteerd zou zijn voor ik er met mijn tanden nog maar de eerste beet had in gezet. Dat bezegelde mijn lot. Zeer tot mijn spijt en gans tegen mijn wil boog ik het hoofd en verwijderde het verhaal uit de publieke ruimte.
          Weg heling. Weg closure. Bleef over: een letsel dat niet genezen wou.

          Het is niet waar wat mensen zeggen, tijd heelt echt niet alle wonden. Wat toen gebeurde zeurt en zaagt ook nog vandaag, knaagt als een rat wiens honger nooit gestild geraakt. Blijft me achtervolgen, als een dreiging die flappert door de nacht. Als een stinkdier dat de lucht vervuilt. Als een vlek die nooit verdwijnt.
          Tweehonderdvijftig stukjes in De Sprekershoek.
          Tweehonderdvijftig. Plus één.