Sprookje

            Er was eens een schrijver in een land niet eens zo ver van hier en een tijd niet eens zo lang geleden. Uit heimwee naar zijn peuterjaren besloot hij op een dag een sprookje te gaan schrijven. Een verhaal met een moraal in een kinderlijke fantasie. Over de liefde tussen een prins en een prinses met aan het eind lang en gelukkig leven en een varken met een lange snuit. Maar dan wel in deze tijd. Een Sneeuwwitje, Assepoester, Schone Slaapster 2.0, om het hedendaags te formuleren.

            Hij zag in zijn verbeelding meteen het allermooiste meisje, slapend in haar hemelbed. Ook verscheen aan de einder al gauw de prins, hoog gezeten op een witte ruin, met kloppend hart en stromend bloed op een meisjeskus belust. Tot zover loopt het lekker, dacht de schrijver nog. Toen schoof een eerste wolk over zijn verhaal.

            Dat meisje.
            Met de vrijheid van de dichter schetste hij haar blonde krullen, de frêle trilling van haar lange wimpers, het zachte wiegen van haar borst. Zij slaapt in onschuld, zoals zij dat al honderd lange jaren doet. Wie gelooft dat nog, vandaag de dag, vroeg zich de schrijver af. In deze era van technologie en communicatie wordt immers elk kind om de haverklap gewekt, hier een ping, daar een tjing. Ook in de nacht moet worden gescrold, bewonderd en geliket. Op Insta een clip van een vriendinnetje en haar mama in roze onesie allebei en met witte laarsjes aan, vrolijk huppend op een liedje van K3. Op TikTok laat Taylor Swift een wind, op You Tube scheert een onbekende kerel snor, baard en wenkbrauwen weg. Duizend keer per nacht geeft een kind vandaag een duim, een hartje of een kudo.
            Ik maak een sprookje, besliste toen de schrijver. Dit is literatuur. Toen dat kind ging slapen, bestond niet eens de telefoon. Basta.
            Schrijven is ook keuzes maken.

            Een tweede wolk, zwarter en zwaarder.
            Dat kasteel. Waar vind je nog een burcht die toegankelijk is, waar een prins ongezien binnen kan? Een vesting zonder bewaking, sensoren, camera’s, zichtbare en onzichtbare beveiligingssystemen? Rookmelders vormden geen probleem. Geen vrouw ter wereld laat zich vandaag nog kussen door een man die ruikt naar pijp, sigaar of pruimtabak.
            Hoe kreeg hij die prins in dat paleis? Hij kon hem moeilijk zomaar laten aanbellen, ding dong, en dan schalks en kwansuis: ‘Hallo daar, ik ben prins Amehula uit Moldavië, ik kom de prinses wakker kussen.’ Ze zouden hem zien komen! In 2025 wordt een nieuwkomer van kop tot teen gescreend, aan diepgaand verhoor onderworpen. Was hij werkelijk te paard gekomen of stak hij stiekem in een bootje één der zeven zeeën over? Heeft hij de juiste paperassen bij? Wie hier geluk komt zoeken, onderneemt een kale reis. Dat hebben wij hier niet in overvloed. En dat hij niet denkt dat hij hier zomaar zijn goesting kan komen doen. Onze meisjes komen kussen, mooi is dat! En dat nog vrolijk rondbazuinen ook! Wat een lef, die kerel!
            Dat hij mijn gat maar kust. Dat van de timmerman is daar!

            Stel. Stel dat hij dan toch de prins bij de prinses zou krijgen? Hoe blij zou die laatste daarmee zijn? Voelt zij na honderd jaar nog half slapend de lippen van een onbekende man drukkend op de hare. Wat zou zij daarvan zeggen? Vrouwen zijn mondig vandaag de dag, zij laten zich niet langer zomaar doen, hebben een eigen mening over alles en nog één ding.
            ‘Eindelijk ben je daar! Heeft dat echt honderd jaar moeten duren? Waar heb jij gezeten, die hele tijd? Toch niet gaan pinten pakken zeker, gaan biljarten of godbetert, zeg dat het niet waar is, gauw nog even bij een madeliefje van de straat je lusten botgevierd?’
            De schrijver wist, mensen van koninklijken bloede vermijden ook in furie platvloers taalgebruik, zij verkiezen bloemrijke verzen.

            Ontmoedigd boog onze held het hoofd. In de stilte van de twijfel hoorde je het vallen van zijn gulden pen op het cahier dat hij zich speciaal voor sprookjesschrijven voor veel geld had aangeschaft. Het was hem zwaar te moede. Hij was niet goed bezig. Had de tijdsgeest gans verkeerd ingeschat. Was als een uitgedoofde ster stil blijven staan in een bestoft verleden. Enkel een auteur met middeleeuws moraal liet vandaag nog ongevraagd een vreemde man de lippen van een meisje kussen, al helemaal wanneer ze slaapt. Dat was zo hard uit deze tijd! Hij zag een storm van klachten regenen, hoorde het bulderend gedonder van de polemiek, zag zich gecanceld worden, uitgespuwd, nooit nog gepubliceerd, laat staan gelezen.
            Neen, begreep de schrijver. Dit. Kon. Echt. Niet.

            Sprookjes, dacht de schrijver toen, zijn niet meer van deze tijd.
            Hij trok zijn jas en schoenen aan en trok de stad in, liet zich door de waardin van café ’t Oud Genoegen een Duvel schenken. Terwijl het schuim hem op de lippen stond, bliksemde hem als afgevuurd door het stokje van een toverkol, een nieuwe vraag door het hoofd: mag een schrijver die niet schrijven durft wat hij werkelijk schrijven wil, zich nog wel een schrijver noemen?
            Proost, zei hij toen tot het varken met de lange snuit.

2 gedachten over “Sprookje”

  1. ‘Mag een schrijver die niet schrijven durft wat hij werkelijk schrijven wil, zich nog wel een schrijver noemen?’ Wat een toeval dat wij het daar juist over hadden in de kroeg! Also de Duvel ermee speelt.

    Geliked door 1 persoon

Plaats een reactie