Zijn eerste interview gaf hij toen hij tien was, in de badkamer voor de spiegel.
‘Niemand in de club zwemt de vlinderslag sneller dan ik,’ vertelde hij zijn spiegelbeeld, ‘zelfs in de ganse provincie niet. Gauw word ik kampioen van België, mijn hoogste streven is Olympisch goud. Mexico komt deze zomer nog te vroeg, mijn ouders kunnen die reis ook niet betalen (dat laatste zei hij off the record, hij vertrouwde toen de mensen nog), München kan misschien maar Montréal in ’76 moet goud en glorie brengen tot aan het einde van mijn dagen.’
Hij droomde groot, zoals jongens dromen moeten.
Enkele jaren later. De spiegel kijkt begrijpend terug. De jongen schetst van zichzelf een portret voor een damesblad, Libelle/Rosita of Het Rijk der Vrouw, tijdschriften die ook zijn moeder las al hield hij zich daarom niet in, miniem immers was de kans dat zij in dit godenkind een vrucht uit eigen schoot herkennen zou.
‘Het is waar,’ opent hij zijn hart, ‘de vrouw van mijn leven heet Suzanne. En neen, gepraat hebben wij nog niet. Ook nog niet gekust, dat spreekt. Dat zij ook voelt wat ik voel, lees ik in haar ogen wanneer ik tijdens mijn fietsrondjes door de wijk haar huis passeer waar zij dan even stopt met hinkelen of touwtjesspringen en naar me kijkt met die grote bruine ogen van een ree. Op een dag horen we samen en worden we gelukkig, niet zoals bij mij thuis maar zoals in films op tv.’
Op zijn achttiende geeft hij een terugblik op zijn jeugd in een onafhankelijk weekblad voor radio en televisie dat in zijn klas enkel wordt gelezen door hemzelf en twee klasgenoten, de ene wilde dichter worden maar ontbeerde daarvoor het talent, de andere was een rat die de staking brak toen gans de klas de pen had neergelegd uit protest tegen de stortvloed aan opdrachten van De Dikke Moef en hij de eerste was geweest die ze weer had opgeraapt. Hij zou later nog carrière maken in de politiek.
In dit vraaggesprek vormde Falen de rode draad. Hij had als kind toch ook een boom geplant? Gedemonstreerd tegen de aanleg van die snelweg door het bos? Zich uitgesproken tegen onrecht, hongersnood en nieuwe wapens voor het leger?
‘Dat was al water naar de zee geweest,’ bekende hij zijn spiegelbeeld ootmoedig. Nee, de wereld had hij niet gered. Ook Mexico, München en Montreal had hij niet gehaald. Te weinig steun van thuis, was zijn excuus, te weinig begeleiding in de club, een trainer die hem vanwege zijn komaf maar links liet liggen en zich liever ontfermde over de kindjes van de papa’s die hem in de cafétaria na de training op een pint trakteerden. Ook op school had hij gefaald, de leerstof vond hij saai en nutteloos, de leerkrachten onkundig. En neen, ook met Suzanne was het niets geworden. Ook niet met Els of Linda, Sonja of Nicole, Christel of Marleen. Liefdes, zo had zijn vader hem geleerd, komen en gaan.
Weken bleef dit interview hem achtervolgen. Telkens wanneer hij zich ging wassen of zijn tanden poetste, hoorde hij een of andere stem. Zijn trainer noemde hem een leugenaar en lui, verweet hem een gebrek aan discipline. Zijn oude schoolhoofd eiste Recht Op Antwoord en pleegde toen karaktermoord, citeerde uit het puntenboekje en de agenda woorden die zijn eigen korps daar had ingepend, dat de jongen op school een klaploper was, een lanterfanter, schaamteloos aan iedereen en alles zijn voeten had geveegd, steevast het laatste woord had opgeëist met in zijn tong dodelijker gif dan van een cobra. De Vereniging van Bevrijde Vrouwen noemde hem een charlatan en Don Juan die enkel leefde voor de liefde voor zijn eigen lid. Zelfs zijn eigen vader ontkende met zijn zoon ooit enig woord over de liefde te hebben gewisseld. En Suzanne deed er stoïcijns het zwijgen toe.
Sindsdien mijdt hij de openbaarheid en praat hij voor de spiegel enkel nog met zichzelf.
‘Kijk naar wat van jou geworden is,’ mompelt hij dan mismoedig. ‘Je gelaat verrimpeld, je huid verslapt en vol met vlekken, waterzakken onder je ogen, je haar te dun, je buik te dik. Die jongen van weleer is niet meer, de zwemmer zwemt niet meer, het protesteerder roept niet meer, het gif in de tong is opgedroogd.’ Hij pletst een geut koud water over zijn gezicht. ‘Alles wat ooit was is weg,’ zegt hij, ‘enkel het oog blijft onveranderd. Dezelfde vorm, dezelfde kleur, dezelfde twinkel, dezelfde glans.’ Hij recht zijn rug en ziet zichzelf staan. ‘En ook nog altijd klopt het hart, stroomt het bloed, tolt het hoofd van woorden, beelden en verhalen.’
Alles gaat voorbij, denkt hij, maar niet de dromen. Hij schenkt zich een kop koffie in en haast zich naar het lege blad waar hij met de ambitie van een kind de mooiste woorden wil gaan geven aan de dromen en gedachten in zijn tienjarige jongenshoofd.
