Een lelijk sprookje

          Er was eens …

          … een mooie jongen die met een beeldschoon meisje ging wandelen in het bos. Achttien waren ze en op elkaar verlekkerd als een beer op honing. Ze lachten en flirtten en fantaseerden over later. Daarover verschilden ze van mening, in blinde woede kliefde toen het meisje met een stok de schedel van haar Romeo en liet hem bloedend achter in het struikgewas.
          Neen. Slecht idee. Geen mens wil bij de koffie zoiets lezen.

          … een stel op jaren dan, op een bankje in het park. Weet je nog, zegt zij vertederd, hoe gelukkig we toen waren? Nooit, bromt hij. Mijn leven lang heb ik me bekneld gevoeld, verbitterd en diep bedroefd. Geen dag heb ik oprecht van je gehouden. Ik bleef bij jou omdat het moest, dat hoorde zo, wat zouden wel de buren niet hebben gezegd?
          Neen. Ook niet. Mensen hebben van zichzelf al miserie genoeg.

          Het wilde maar niet lukken.
          Wat is er met mij mis, vroeg de schrijver zich wanhopig af. Plots moest hij denken aan een mopje. Komt een man bij de dokter met een kikker op zijn hoofd. Wat heb jij nu aan de hand, vraagt de dokter stomverbaasd, hoe is dit kunnen gebeuren? Zegt de kikker: Wel dokter, het begon met een kleine zwelling onder mijn rechtervoet.
          Mijn zwelling, dat waren de drones, dacht de schrijver toen. Die waren op een dag verschenen uit het niets, ontelbaar veel, overal en elke dag. Een grapje van de Russen, naar men zei. Alarmbellen, flikkerlichten en rantsoenpakketten, dringend handelen was geboden. Het Rode Gevaar diende terstond bezworen. Dure eden werden gezworen, onderhandelingen opgestart, zware contracten ondertekend. Geld daarvoor zou men nog wel vinden, voor het vaderland is het volk tot veel bereid. Het hielp: geen mens heeft sindsdien nog een drone gezien.
          Follow the money, dacht de schrijver toen. Schrijvers moeten nu eenmaal kritisch zijn. De weg van het geld leidde niet naar het Oosten.

          Soms vertelt men ons maar wat, dacht de schrijver scherp. Er komt aanhoudend dreiging uit het Oosten, de geldla van de staat is altijd leeg, de vijand komt in bootjes naar ons toe gedobberd en hult zich in lompen. Verhalen met meer levens dan een kat. Hij hoorde ze toen hij vijf was, vijftien en vijfenvijftig, en altijd weer ging het erin als zoete koek.
          Vragen en twijfels buitelden als acrobaten door zijn hoofd. Het zijn toch de hoge heren die het land organiseren? Dat doen toch niet de arme sloebers? Niet zij hebben de macht in handen om de wereld te veranderen?
          Onlangs had hij een ander en veel beter schrijver aangehoord. De veertig rijkste mannen van de wereld, had die beweerd, zijn samen even rijk als de armste helft van de wereld. De rijkste alleen al is zo rijk, dat hij vijf jaar lang de hele wereld van voldoende voedsel kan voorzien. Wat voor iemand ben je dan, dacht de schrijver, wanneer je dat zelfs niet eens overweegt? En zat niet ook die rijkste man mee aan de knoppen van het rijkste land?

          De schrijver kon niet eens meer aan schrijven denken.
          Het zijn de mannen in de blauwe pakken met een gele of oranje das die ons zeggen wat we moeten denken. Spelden zij ons wat op de mouw? Die kat komt werkelijk altijd weer. Goed twintig jaar geleden had men een land platgebombardeerd voor wapens die niet hadden bestaan, vandaag kondigde men weer hetzelfde aan, terwijl men pasgeleden nog beweerde dat men datzelfde land van al haar slagkracht had ontdaan.

          Woede en verontwaardiging namen nu de bovenhand in zijn gedachten.   In de bakermat van de vrijheid staat de vrijheid zelf op het spel. Boeken worden uit de bib geweerd. Vrij verslag verboden. Een eigen mening mag nog wel, zolang het maar de mening is van de macht. Wie pruttelt wordt opgepakt of koudweg op klaarlichte dag neergeknald. Wie anders is van ras of gender of gedacht, wordt achteruit gesteld. Een migrant noemt men een alien, een wezen  uit de ruimte dat katten en ook honden eet en op den duur de tanden in zichzelf zet. De mens ontmenselijken, weer een kat die opduikt uit het donker van het verleden.

          Toen klopte de schrijver ook op de eigen borst.
          En ik, dacht hij, wat doe ik daaraan? Ik sta erbij en kijk ernaar, drink Duvel of champagne, kijk naar Netflix en naar sport vanuit mijn luie zetel, verzin verhaaltjes over mooie jonge mensen die op hun oude dag gelukkig zullen zijn. Sprookjes, die met de werkelijke wereld niets te maken hebben.
          Dat werkt zo niet langer. De sprookjes zitten vast, de rauwe wereld zit hen in de weg. Dat moet eerst. Wie woorden heeft, moet spreken. Zwijgen is niet langer nog een optie.

          … en hij leefde nog lang en gelukkig, wilde hij nog schrijven. Maar daar was hij niet langer meer zo zeker van.

Niet de Dromen

          Zijn eerste interview gaf hij toen hij tien was, in de badkamer voor de spiegel.
          ‘Niemand in de club zwemt de vlinderslag sneller dan ik,’ vertelde hij zijn spiegelbeeld, ‘zelfs in de ganse provincie niet. Gauw word ik kampioen van België, mijn hoogste streven is Olympisch goud. Mexico komt deze zomer nog te vroeg, mijn ouders kunnen die reis ook niet betalen (dat laatste zei hij off the record, hij vertrouwde toen de mensen nog), München kan misschien maar Montréal in ’76 moet goud en glorie brengen tot aan het einde van mijn dagen.’
          Hij droomde groot, zoals jongens dromen moeten.

         Enkele jaren later. De spiegel kijkt begrijpend terug. De jongen schetst van zichzelf een portret voor een damesblad, Libelle/Rosita of Het Rijk der Vrouw, tijdschriften die ook zijn moeder las al hield hij zich daarom niet in, miniem immers was de kans dat zij in dit godenkind een vrucht uit eigen schoot herkennen zou.
          ‘Het is waar,’ opent hij zijn hart, ‘de vrouw van mijn leven heet Suzanne. En neen, gepraat hebben wij nog niet. Ook nog niet gekust, dat spreekt. Dat zij ook voelt wat ik voel, lees ik in haar ogen wanneer ik tijdens mijn fietsrondjes door de wijk haar huis passeer waar zij dan even stopt met hinkelen of touwtjesspringen en naar me kijkt met die grote bruine ogen van een ree. Op een dag horen we samen en worden we gelukkig, niet zoals bij mij thuis maar zoals in films op tv.’

          Op zijn achttiende geeft hij een terugblik op zijn jeugd in een onafhankelijk weekblad voor radio en televisie dat in zijn klas enkel wordt gelezen door hemzelf en twee klasgenoten, de ene wilde dichter worden maar ontbeerde daarvoor het talent, de andere was een rat die de staking brak toen gans de klas de pen had neergelegd uit protest tegen de stortvloed aan opdrachten van De Dikke Moef en hij de eerste was geweest die ze weer had opgeraapt. Hij zou later nog carrière maken in de politiek.
          In dit vraaggesprek vormde Falen de rode draad. Hij had als kind toch ook een boom geplant? Gedemonstreerd tegen de aanleg van die snelweg door het bos? Zich uitgesproken tegen onrecht, hongersnood en nieuwe wapens voor het leger?
          ‘Dat was al water naar de zee geweest,’ bekende hij zijn spiegelbeeld ootmoedig. Nee, de wereld had hij niet gered. Ook Mexico, München en Montreal had hij niet gehaald. Te weinig steun van thuis, was zijn excuus, te weinig begeleiding in de club, een trainer die hem vanwege zijn komaf maar links liet liggen en zich liever ontfermde over de kindjes van de papa’s die hem in de cafétaria na de training op een pint trakteerden. Ook op school had hij gefaald, de leerstof vond hij saai en nutteloos, de leerkrachten onkundig. En neen, ook met Suzanne was het niets geworden. Ook niet met Els of Linda, Sonja of Nicole, Christel of Marleen. Liefdes, zo had zijn vader hem geleerd, komen en gaan.

          Weken bleef dit interview hem achtervolgen. Telkens wanneer hij zich ging wassen of zijn tanden poetste, hoorde hij een of andere stem. Zijn trainer noemde hem een leugenaar en lui, verweet hem een gebrek aan discipline. Zijn oude schoolhoofd eiste Recht Op Antwoord en pleegde toen karaktermoord, citeerde uit het puntenboekje en de agenda woorden die zijn eigen korps daar had ingepend, dat de jongen op school een klaploper was, een lanterfanter,  schaamteloos aan iedereen en alles zijn voeten had geveegd, steevast het laatste woord had opgeëist met in zijn tong dodelijker gif dan van een cobra. De Vereniging van Bevrijde Vrouwen noemde hem een charlatan en Don Juan die enkel leefde voor de liefde voor zijn eigen lid. Zelfs zijn eigen vader ontkende met zijn zoon ooit enig woord over de liefde te hebben gewisseld. En Suzanne deed er stoïcijns het zwijgen toe.

          Sindsdien mijdt hij de openbaarheid en praat hij voor de spiegel enkel nog met zichzelf.
          ‘Kijk naar wat van jou geworden is,’ mompelt hij dan mismoedig. ‘Je gelaat verrimpeld, je huid verslapt en vol met vlekken, waterzakken onder je ogen, je haar te dun, je buik te dik. Die jongen van weleer is niet meer, de zwemmer zwemt niet meer, de protesteerder roept niet meer, het gif in de tong is opgedroogd.’ Hij pletst een geut koud water over zijn gezicht. ‘Alles wat ooit was is weg,’ zegt hij, ‘enkel het oog blijft onveranderd. Dezelfde vorm, dezelfde kleur, dezelfde twinkel, dezelfde glans.’ Hij recht zijn rug en ziet zichzelf staan. ‘En ook nog altijd klopt het hart, stroomt het bloed, tolt het hoofd van woorden, beelden en verhalen.’
          Alles gaat voorbij, denkt hij, maar niet de dromen. Hij schenkt zich een kop koffie in en haast zich naar het lege blad waar hij met de ambitie van een kind de mooiste woorden wil gaan geven aan de dromen en gedachten in zijn tienjarige jongenshoofd.  

Een vlieg op je bord

          Met een vriend ging ik een hapje eten in de stad. Ik kijk er elke keer naar uit hem weer te zien. Mijn vriend is een aangenaam verteller die vrijwel alles weet.
          ‘Behalve misschien één ding,’ monkelde ik plagerig. Niemand kan immers werkelijk álles weten. Zijn gelaat betrok.
          ‘Wat weet ik dan niet?’ vroeg hij.
          ‘Dat weet ik niet,’ antwoordde ik, ‘ik weet immers oneindig veel minder.’ Ik merkte bij hem licht ongemak, alsof een vlieg op zijn bord was komen zitten.

          Ons gesprek bewandelde al gauw vertrouwde paden. We praatten openhartig over onze werken, wanen en angsten en de cirkel van het leven. Nu en dan dropte een van ons de naam van een bekend auteur die hij persoonlijk kende. Ik bekende soms jaloers te zijn op zijn succes terwijl ik hem dat tegelijk van harte gunde, dubbel maar waar, het leven is niet wit of zwart maar morsig grijs. We biechtten op hoe blij je soms kan worden van een hartje of een duimpje op je socials en beseften tegelijk hoe relatief dit alles is in het aanschijn van de eeuwigheid.

          Tweeënveertig is mijn vriend.
          ‘Toen ik zo oud was als jij,’ lachte ik, ‘was heel de wereld bang voor de millenniumbug.’ Hij knikte. Dat wist hij nog. ‘We betaalden nog met Belgisch geld,’ ging ik door, ‘en alleen de happy few die zich belangrijk vonden hadden een mobiele telefoon.’  
          ‘Vertel eens iets wat ik nog niet weet,’ antwoordde hij verveeld.
          ‘Ik zou niet weten wat,’ mompelde ik naar waarheid, ‘jij weet toch alles al.’ We stapten de deur uit. ‘Behalve misschien één ding.’ Een plagerijtje dat ik niet kon laten, zoiets moet kunnen onder vrienden. Mijn grapje viel even slecht als een onterecht gefloten strafschop in blessuretijd. Zijn hoofd zakte tussen zijn schouders, zijn blik werd dof, zijn voeten sleepten over het trottoir. Eens te meer besefte ik dat je moet voorzichtig zijn met woorden. Woorden doen ertoe. Woorden kunnen pijn doen. Met wapens voert men strijd, het zijn woorden die de oorlog verklaren en woorden die tot vrede leiden.
          ‘Dat was maar een grapje,’ probeerde ik vergoelijkend maar het kwaad was al geschied. Het knaagde, de gedachte dat er iets was wat hij nog niet wist, leek welhaast ondraaglijk. Somber slenterden we zwijgend in het donker. De sfeer was weg, de avond leek verloren. Wat te doen?
          Ik legde hem twee opties voor: of we gingen op zoek naar wat hij nog niet wist, zonder enige notie over wat we zochten en waar we dat dan moesten vinden, of we trokken naar de voorstelling in de schouwburg om de hoek waarvoor hij twee kaartjes in de binnenzak van zijn jas had zitten. Uit gemakzucht opteerden we voor dat laatste.

          Op de scène een witte man van middelbare leeftijd en een jong, zwart meisje. In de tijd van de millenniumbug had de man zich als theaterdocent bezondigd aan grensoverschrijdend gedrag. Hij probeerde zoveel jaren later een comeback. Het woord grensoverschrijdend bestond toen nog niet eens, verdedigde hij zich.
          ‘Het is niet omdat er geen woord voor is, dat het gedrag niet bestaat,’ pareerde het meisje gevat. Zo ging het honderd minuten door, een pingpongspel over macht en vrijpostigheid, over empathie en schuldinzicht, over hoe moeilijk het is geloofwaardig en oprecht te zeggen dat iets je spijt. De voorstelling deed helemaal wat kunst behoort te doen: ze stelde vragen en liet het publiek naar antwoorden zoeken.

          ‘Poeh, ingewikkeld,’ oordeelde ik achteraf, wat een pleonasme is want oordelen doe je in principe altijd pas achteraf. ‘Toen ik nog lesgaf over liefde en relaties predikte ik mijn leerlingen: als ze neen zegt, zegt ze neen. Daar ligt de grens. Helder.’
          ‘Alles in de wereld is fluïde geworden vandaag de dag,’ wist mijn vriend, ‘grenzen zijn niet meer altijd bij en voor iedereen even duidelijk.’ Zwijgend stapten we de nacht in, allebei dwalend in het eigen hoofd.
          ‘Maar hoe kan je dan weten …’ begon ik.
          ‘Hoor eens,’ zei mijn vriend, ‘dat weet ik ook niet. Ik moet het net als iedereen ook allemaal maar uitzoeken.’ Perplex bleven we staan en keken we elkaar aan in het gouden schijnsel van de maan. Dit was het antwoord. Dit was wat we al de hele avond zochten. Hoe dat allemaal moet in het leven, dat omgaan met elkaar, leven in vrede en harmonie zonder elkaar pijn te doen? Hij wist het ook niet. Eindelijk had hij gevonden wat hij nog niet wist.
          Toen kusten we elkaar opgewekt ten afscheid en stapten blijgemoed naar huis. Ik kijk al uit naar de volgende keer.

En de winnaar is

          In de hectiek van het dagelijks bestaan is het u wellicht ontgaan, maar in de schaduw van de MIA’s werden deze week ook de BIA’s uitgereikt, de BoekenIndustrie Awards zoals we dat zo mooi in onze moerstaal zeggen. De Sprekershoek viel vlotjes in de prijzen. Niet alleen winnaar in enkele kleinere categorieën als Eeuwigste Belofte, Trouwste Lezerspubliek – een prijs voor u, dank u wel daarvoor – en Milde Ironie, aan het einde van de avond ook de absolute triomfator toen me de oppergaai, de gouden schoen in letterland zeg maar, werd toegekend.
          De Pommelien van de Pen, u weet dat, is in het berglandschap van de schrijverij de allerhoogste top.

          Mijn leven zou gans anders worden.
          Men zou mij voortdurend vragen als deskundige in praatprogramma’s, mijn mening over zowat alles doet er voortaan toe. Een vrolijk jurylid zal ik zijn in populaire quizzen, hoofdattractie op voorleesavonden en literaire festivals, presentator van modeshows, host bij filmpremières, ceremoniemeester op huwelijken van bekende mensen. Die alomtegenwoordigheid zal zich uiteraard niet alleen vertalen in roem en waardering maar ook mijn saldo op de bank tot ongekende hoogten stuwen. In restaurants zal de maître mij de beste tafel wijzen, mijn werk wordt opgenomen in de canon, integraal en ongecensureerd, de vakpers zal mij overvloedig prijzen en ook op sociale media niets dan lof.

          Vanaf vandaag zal ik een voorbeeld zijn. Voortaan zal ik signeren met het motto numquam desperandum, Latijn voor Wanhoop Nooit. Ik zal gratis clinics geven aan aanstormend talent, benadrukken dat succes heus niet uit de bomen valt, geen kwestie is van stom geluk maar slechts verkregen wordt door tomeloze inzet, onmetelijk geduld en een onwrikbaar geloof in eigen kunnen en dat een zin begint met een hoofdletter en eindigt met een leesteken.

          Mijn leven zal zich uiteraard naar mijn nieuwe status moeten schikken. Een oud landhuis zal ik kopen, met vele kamers en uitzicht op een uitgestrekte tuin, in het midden daarvan een vijver, aan de einder een prieel om bij valavond te aperitieven. Een tuinman voor het snoeiwerk, knechten en meiden onder toezicht van een strenge dame voor de huishouding en mijn agenda laat ik beheren door een dame op jaren die in tal van internationale organisaties de strepen op haar mantelpakje heeft verdiend.
          ‘Is alles naar uw wens?’ zal zij elke ochtend vragen wanneer mijn kleine gouden lepel het zacht gekookte scharrelei aantikt. Wanneer ik dan tevreden knik, overlopen we samen de agenda van de dag.
          ‘In de voormiddag wordt u in uw geboortedorp tot ereburger benoemd,’ zal zij melden. Daar zal ik blij om zijn. Ik zie het als een eer te worden gefêteerd op de plek waar ik meer dan een halve eeuw geleden op de wereld kwam. Ach, hadden mijn ouders dit nog maar mogen meemaken.
          ‘De lunch gebruikt u met de burgemeester van onze stad en haar bejaarde echtgenoot. Zij zal u vragen uw laatste werk met een hoogstpersoonlijke opdracht te signeren. Ik dacht iets als Een teken van genegenheid voor een bijzonder iemand?’
          ‘Dan zou ik eerder zeggen: Het lot is grillig, jouw wil wijst de weg,’ in de schier onleesbare hanenpoten die een schrijver eigen zijn. Mysterieus en toch ook iets om over na te denken.’
          ‘Na de middag knipt u het lintje door van dat museum waarvoor u onlangs de openingsrede schreef, weet u nog?’
          ‘Dikke duiten voor weinig werk,’ zal ik monkelen, een gedachte die ik vanzelfsprekend nooit zou vermelden in het openbaar.
          ‘Volgt het avondlijk welkomstdiner voor het personeel. 25 couverts alles bij elkaar. Iets eenvoudigs, dacht de chef. Een kervelsoep met balletjes, een malse kippenbout in dragonsaus met daarbij een witloofstronk en een toefje knolselderpuree. Misschien een crême brûléetje na?’
          ‘Klinkt verrukkelijk.’
          ‘Daarna dan La Traviata in de opera, een uitnodiging van Het Hedendaags Genootschap voor Moderne Muzen. Vanaf een uur of elf heeft u dan alle tijd voor uzelf,’ waarop mijn bevallige agendabeheerder elegant een halve draai zal maken om haar eigen as en met de haar aangeboren klasse wiegend op haar hoge hakken de kamer uit zal lopen.

          Dat alles flitste tijdens de ceremonie op het podium door mijn hoofd. Plots werd ik bevangen door paniek. Zou dit mijn nieuwe leven worden? Heel de dag tussen de mensen? Vriendelijke knikjes links en rechts, glimlachjes uit blik, gemaakt vrolijk kijken naar het vogeltje, keuvelen en kallen over kalfjes en koetjes, ijle ademwolkjes in de wind?  
          Wat dan met mijn vrije tijd? Met die honderdduizend mensen in mijn hoofd? Al die verhalen die nog woorden zoeken? De plots, intriges, emoties? Wat met u, Trouwste Publiek? Een schrijver moet toch schrijven, net als een bakker bakken moet en een koetsier zijn postkoets poetsen?

          ‘Dank u maar toch liever niet,’ mompelde ik toen en ijlings liep ik van het podium waardoor het evenement geen finale kende, derhalve ook niet op televisie werd gebracht en niemand erover meldde in de media.
          Waarschijnlijk ook daarom dat u er nog geen woord over had gehoord.