Blog

Een Schitterend Wit

          Ik heb een boekje gelezen.

          Boekje.
          77 pagina’s. A-5 formaat. Lettergrootte 12, op zijn minst. Gewicht: 100 gram. Zelf gewogen. Op de keukenweegschaal. Wat voor iemand ben je wanneer je boeken gaat wegen op je keukenweegschaal?

          Het paste precies in de zak van mijn jas. Ik stapte de tram op aan de beginhalte, eindhalte voor wie van de andere kant komt. Ik ging zitten en sloeg het open.
          ‘Ik reed weg. Het deed goed. De beweging deed goed. Ik wist niet waar ik heen zou gaan. Ik reed gewoon. Ik was gegrepen door verveling, ik die me anders nooit verveelde was gegrepen door verveling.
          Veel ikken, vond ik. Het voelde alsof ik die ik was. Reed ook ik immers niet weg? Dat deed goed. Ook ik was vertrokken zonder doel. Strikt genomen wist ik natuurlijk wel waar de tram naartoe zou gaan, maar een bewust gekozen bestemming, neen, die had ik niet. Waarom deed ik dat? Misschien wel gegrepen door verveling. Zou best kunnen, terwijl ik me anders nooit verveel. Ik weet niet hoe dat moet, je vervelen.

          Vast zijn er onderweg mensen de tram ingestapt. En er ook weer uitgegaan. Dat moet haast wel. Ik heb het niet gezien. Ik reed mee met de man in het boek. Die reed met de auto zomaar nergens heen. Tot hij niet meer verder kon. Hij sukkelde een landweg in, raakte vast in de modder, kon niet meer voor- of achteruit. Toen begon het ook nog te sneeuwen.
          De man stapte in het donker het bos in. Waarom doet een man zoiets, hulp zoeken in een donker bos in een barkoude winternacht? Hij wist het niet, hij deed het gewoon. Mensen doen vaak dingen zonder precies te weten waarom. In dat aardedonkere bos komt een licht hem tegemoet. Een wit licht. Geen gloei- of spaarlamp, geen lantaarn of kaars, geen mens. Gewoon een licht. Een omtrek, een schijnsel. Een schitterend wit licht.
          Als u wil weten wat er dan gebeurt, moet u het boek maar lezen.

          Aan de eindhalte, de beginhalte voor wie aan die kant opstapt, zat ik helemaal alleen op de tram. Het boekje op mijn schoot. De bestuurder liet me. Misschien had hij me niet gezien. Misschien zitten er wel vaker oude mannen of vrouwen met een boek op hun schoot op zijn tram. Mensen gegrepen door verveling die zomaar even nergens naartoe willen gaan. Misschien leest hij zelf graag een boek. Dan weet hij dat wie leest liever niet gestoord wil worden.

          Een Schitterend Wit.
           Zo heette het boekje. De naam van de auteur is Jon Fosse. Jon. Niet John, zoals ik lang heb gedacht. Dus ook geen Amerikaan. Ik weet niet waarom ik dacht dat Fosse een Amerikaans schrijver was. Jon Fosse is een Noor. Hij is een jaar jonger dan ik en won enkele jaren geleden de Nobelprijs voor Literatuur. Ik dacht altijd dat die prijs alleen maar werd toegekend aan schrijvers van dikke boeken, turven van een kilogram of meer, met zinnen van twee tot negen pagina’s lang waarvan de kop zich ergens in het midden bevindt en de staart vooraan. Ingewikkeld, moeilijk, erudiet. Dat je als lezer zegt: Wauw! Wat is die mijnheer of mevrouw slim! Wat heeft die de materie tot op het bot uitgebeend! Wat heeft die die vertelling mooi gestileerd! En zo meesterlijk verwoord! En dat Bob Dylan daarop dan de uitzondering was. Al begrijp je daar vaak ook veel niet van.
          Jon Fosse schrijft in korte, haast kinderlijke zinnen. Droog. Mededelend. Soms een vraag, wel met een punt achteraan, geen vraagteken.
          ‘Ik zeg: wat wil je van me – en de gedaante geeft geen antwoord. Ik zeg: wil je dat niet vertellen. En de gedaante zegt: ik kan het niet vertellen. Ik zeg: waarom niet – en de gedaante geeft geen antwoord.’

          Toen de tram opnieuw de plek bereikte die voor mij beginpunt was en voor anderen het einde, had ik het boekje helemaal uit. Ook op de terugweg zijn er vast weer mensen ingestapt en ook weer uitgegaan. Dat moet haast wel. Ik heb het niet gezien. Ik heb de tram nergens halt weten houden. Weet niet wanneer we onder de grond gingen en er weer bovenuit kwamen. Vraag me niet of het geregend heeft of de zon geschenen heeft. Ik weet het niet. Ik was gewoon een man in een donker bos op een koude winternacht die het licht gezien heeft. Een schitterend wit licht.

          Een schitterend boek.

          Boek.

Het oog van Grote Broer

          Lang geleden leerde ik uit 1984 van George Orwell over leven in een wereld waarin Grote Broer elk gebaar, elke gedachte, elk woord van je in de gaten houdt. Leven in een dwangbuis, ellende. Naast een goede gezondheid is toch vrijheid blijheid ons hoogste goed. Ach, dacht ik toen, het is een boek. Fictie. Fantasie.
          De wereld heeft inmiddels de verbeelding ingehaald. Drones filmen ongezien de tuin waarin jij dacht naakt te liggen zonnen. Je telefoon legt vast wanneer en waar je gaat en staat. Op elke straathoek registreert een camera je doen en laten. Plas je in het bos tegen een boom, de boswachter in zijn peperkoeken huisje zit ernaar te kijken. Every Breath You Take, Big Brother’s Watching You.
          Wat is jouw probleem, vraagt u. Wie zich aan de regels houdt, hoeft toch nergens bang voor te zijn? Nou.

          Onlangs vond ik een bekeuring in mijn brievenbus. Drieënzestig waar je maar vijftig mocht, in een dorp onder de taalgrens. Op zich al raar. Ik rijd traag als een olifant die een alp over moet, bedachtzaam als een schaker, voorzichtig als een moeder met haar pasgeboren kind. En wat nog vreemder was: mijn wagen had die hele dag onbeweeglijk stilgestaan, honderdvijftig kilometer van de plek waar hij was geportretteerd.
          Ik dacht: wie zijn gat brandt moet op de blaren zitten, maar waar geen vuur is, kunnen ook geen brandwonden zijn. Dit kon ik zo niet laten.

          Bij het bericht stond ook een nummer.
          De dame aan de lijn klonk vriendelijk, geduldig, beschaafd. Een vrouw waarvan je bij het eerste woord al weet dat het in haar gezelschap fijn toeven is. Twee kinderen had ze in haar eentje groot te brengen, vertelde ze, doch ongelukkig was ze niet. Ze hield van haar baan, was tevreden met het loon al mocht dat natuurlijk wel wat meer zijn. Die avond had ze al wat op de agenda staan, anders graag, misschien een andere keer. Over mijn bekeuring, ze zou de bevoegde instanties verzoeken me een bewijsstuk te bezorgen. Inmiddels hoefde ik niets te doen, de boete werd voorlopig opgeschort.
          Een glimlach en een vriendelijk woord openen harten en deuren in deze al te harde wereld. Enkele weken later werd de zaak geseponeerd.

          Eind goed, al goed, zal u zeggen. Foutje, kan gebeuren. Was het maar zo eenvoudig. Grote Broer laat niet af.
          Met een vriend uit Nederland wilde ik wat gaan pilsen. We spraken af aan een tapkast in Breda, ergens halverwege. Nu moet u weten, mijn auto is een tiny camper, met koelkast, kookvuur en een bed. En Breda biedt voor campers een staanplaats, zeven euro voor één nacht, daarvan gaat een mens niet sukkelen.
          Ik mag dan thuis de leukste zijn, de slimste ben ik niet. Ik had net betaald toen ik me realiseerde mijn kenteken foutief te hebben ingegeven. Een 5 waar dat een 8 moest zijn. Dat dacht ik even zo te laten maar om die avond zorgenvrij te kunnen hijsen, betaalde ik een tweede keer, met correcte cijfers en letters deze keer. Ook veertien euro is nog steeds een habbekrats voor een nacht. Volgde een Bourgondische avond waarover verder geen details: wat gebeurt in Breda, blijft in Breda.

          Komt Kafka.
          Deze week in de brievenbus, in vette boze letters: ‘Naheffingsaanslag Parkeerbelasting’. Noord-Hollands voor boete. De stad Breda wilde graag 51.29 euro van me krijgen, ik zou hebben nagelaten mijn parkeerplek te betalen. Mocht ik een klomp hebben, die zou ter plekke zijn gebroken.
          De ervaringsdeskundige in mij schoot meteen in gang. In het oerwoud van kleine lettertjes vond ik, diep verscholen als een egel in het struikgewas, het nummer van mijn dossier. Verderop in nog kleiner schrift een wachtwoord, zeven hoofdletters met een kleine b erbij. Driftig vulde ik op de website de vakjes in. Al heel gauw raakte ik tot aan mijn nek verstrikt in een strop. Men zegt weleens: verzamelen is een vorm van liefde. Mijn liefde voor het parkeerticket is daarvoor niet groot genoeg, ik gooi die krengen na gebruik meteen weer weg. Derhalve had ik geen bewijsstuk om in te scannen.
          Nog altijd geen paniek. Aan de telefoon ben ik goed met vrouwen. Met vergrootglas en Sherlockskills zocht ik een nummer. Weer een vrouw, met een stem van metaal deze keer. Een bandje, een soort podcast voor Naheffingsaanslag Parkeerbelastingbetwisters.
          Ze ratelde en ratelde, wederwoord duldde ze niet. Dat je telefonisch geen bezwaar kan indienen, daar diende de website voor. Dat onderzoek naar dat bezwaar makkelijk zes weken kon duren. Dat dat geenszins leidde tot uitstel van betaling. Dat je dus best toch maar meteen betaalde, desgevallend stortte de bekeurder je achteraf de som wel weer terug. Dat hiermee het gesprek finaal ten einde was.

          Verweesd bleef ik achter, als een haas in een strop verstrikt in de doolhof van de bureaucratie. En ik dacht: als die parkeerautomaat een agent was geweest en die stem een echte vrouw, een glimlach en een vriendelijk woord hadden het ijs gebroken.
          Uiteindelijk kostte het me een halve dag het bezwaarformulier online in te vullen, compleet met bankafschriften en motivatiebrief. Dat leverde me, zo bleek gisteren, toch weer 51,29 euro op.
          Eind goed, al goed, zal u zeggen.
          Nou.

1 November vieren

          Dode bladeren op de aarde. Kale bomen die verweesd achterblijven. Mist over het land. De zon maakt zich op voor een winterslaap. De hemel huilt een beetje. Mannen gehuld in sjaals in jassen met opgezette kragen. Vrouwen onherkenbaar in het zwart. Overal chrysanten, de droefste aller bloemen. De wereld werkelijk een tranendal.

          Dit moet 1 november zijn, de dag om doden te gedenken. Treurnis, droefenis, groot verdriet. Maar dan toch niet hier! Ik weiger daaraan mee te doen. Vandaag is ook een vrije dag, een dag van feest, officieel. Er moet wat worden gevierd. Dus ik ga niet rouwen om de doden, ik ga de levens eren die eraan zijn voorafgegaan. Ik schuif de gordijnen toe, steek hier en daar wat kaarsjes aan, trek de kurk van een fles en omring mij met een greep uit wie zijn heengegaan.  

          Openen doen we met een eerbetoon aan de dode van de week. De Winnaar is Prunella Scales, Sybil Fawlty uit Fawlty Towers. Speciaal voor haar: Always look on the bright side of life. Drieënnegentig mocht zij worden. Tot op haar sterfdag keek zij naar haar favoriete serie. Met een lach op de lippen ging zij van ons heen, zo zie ik dat, en dat zij daarom voor ons allen voorbeeld moge zijn.
          Een beetje peper in het gat dan, voor een oude maat van toen. Op de stomende bassen van Level 42 kwam Max met zijn brommer onder een bestelwagen terecht. End Game. Love Games voor hem, op je vierentwintig is het Spel der Liefde het enige spel het spelen waard. Misschien is dat wel je ganse leven zo.
          Uit hetzelfde café, mijn maatje Flip. Vaker te vinden aan de toog dan op een werkvloer. One speel ik voor hem, met de stem van Johnny Cash. Omdat wij sinds ons eerste puistje één waren, inderdaad, maar toch nooit dezelfden. Santé voor hem. Ik doe niet zo aan missen, maar als ik iemand missen moet, dan zal het wel mijn maatje zijn.
          In een andere kroeg ontmoette ik mijn favoriete nachtraaf, Robbie was zijn naam. Een kilo of honderdtwintig, altijd jongen van de straat, stem als een asfaltschraper, een hart van koekebrood. Beat It, Robbie, samen met de Michael, ook al heel lang niet meer onder ons. Volumeknop op hard, ik doe mijn ogen toe,  voor me zie ik weer vliegensvlugge vingers vlinderen over de denkbeeldige gitaar van de beste luchtgitarist die de Seefhoek ooit gekend heeft. Beten en scheten hebben we gelachen samen, dat blijven we doen tot ik zijn laatste grap vergeten ben. Die van die kneukelende nozems zal dat zijn, wellicht.
          Voor Walter op de fiets nog een breed en lang Riders on the Storm, graag met forse tegenwind en heel veel regen, daar wordt ie alleen maar sterker van.

          Vrienden komen, vrienden gaan. Je verwacht het minder in Thuis en Familie. Toch schreven zich ook daar al beide ouders en enkele broers vroegtijdig de serie uit. Voor de jongste, die met de hardste kop, iets voor zijn door weinigen gekende binnenkant. Nothing Rhymed van Gilbert O’ Sullivan, dat rare mannetje met pet en in te korte broek dat hij als knaap zo grappig vond.  Vanzelf wordt inmiddels mijn glas door weemoed bewasemd. Dan toch. Ach, mijn broer. This feeling inside me could never deny me the right to be wrong if I choose. Mocht eigenwijsheid tot kunst verheven zijn, hij had nu vast zijn eigen  galerij.
          Voor de oudste van de twee graag iets licht, iets luchtigs en eenvoudig. Een meezinger van Will Tura of iets in die aard. Hopeloos, zo’n beetje wat hij van de wereld vond, of iets van De Strangers, Schele Vanderlinden of de Blauwe Geschelpte. Een Café Zonder Bier kan ook altijd.

          Dat brengt de sfeer er lekker in.
          Sfeer bracht ook mijn vader, zij het niet altijd de beste. Voor hem My Way, hoe kan het anders, door Frank Sinatra. Die leefde ook een tweede leven in het donker waarover niemand echt het fijne wist maar iedereen zo zijn gedachten had. Ooit legde ik mijn vader pesterig de versie van Sid Vicious voor, notoir Sex Pistol on dope, gestorven aan een overdosis. Het hielp onze zo al wankele relatie niet bepaald vooruit. Ha!
          Het laatste lied is voor mijn moeder. Dag Vreemde Man dan maar, door de ook al jaren wijlen Anneke Christy. Die laatste twee verzen faden we er dan wel uit, die vond mijn moeder flauwekul. Samen met het plaatje krijgt zij van mij een Kleenex mee.  

          De fles is leeg, het glas tot op de laatste druppel uitgewrongen. Tijd voor nog een laatste toegift. Eentje voor mijzelf: I was only Joking. Noteer dat in uw telefoon voor later.
          Ten slotte, bij het sluiten van de dans, de uitsmijter. Die is voor U.  
          En voor U.
          En voor U en U en U.
          Komt-ie! Zing en Dans nu allen mee met kleine André Hazes!
          En Lééf!

Zonde van de tijd

          In het Tijdloosceen, een helaas gans vergeten tijdsgewricht, leefde de mens samen met de andere dieren op het ritme van licht en donker, de stand van sterren en planeten en het ritme van de regen en de seizoenen. Hij verliet zijn grot bij het krieken van de dag, dat poëtische moment waarop het licht het duister breekt – en ging ’s avonds samen met de kippen op stok. Kippen kwamen toen nog uit een ei. Over wie van de twee het eerst was breekt men zich tot vandaag nog steeds het hoofd. Enfin, ook de kippen waren er toen nog als de kippen bij. Ze scharrelden wat rond, pikten hier en daar een graantje mee, legden af en toe een ei. Bij het eerste duister ging de hele bende gezellig samen zitten pitten, oogjes dicht, snaveltjes toe.
          De boer, hij ploegde naarstig voort. Hij wroette en hij zwoegde in het zweet zijns aanschijns, trotseerde zon en regen, storm en wind. Stond de zon op haar hoogst, hij legde het werk neer, zichzelf in het gras en plunderde zijn plunjezak. Hij vierde hoogfeest na het binnenhalen van de oogst, leed honger putje winter, leegde de provisiekast op Vastenavond. Lang leefde hij niet, gelukkig was hij misschien ook niet echt maar hij droeg zijn lot. Hij was beest tussen de beesten, puur natuur en de natuur, dat is bekend, gaat onverstoord zijn eigen gang.

          Iemand bedacht het rad. Een andere slimmerd, vermoedelijk uit het Oosten, vond het buskruit uit. Plots werd het ook tijd de tijd te meten. In elke hoge toren beierde een klok opdat de mens misschien nog niet exact maar toch wel ongeveer zou weten hoe laat het was en wat hem dan te doen stond. Bidden tot de almacht of gewoon de mis bijwonen. Een boer of kind ten grave dragen of de aankomst vieren van een hooggeplaatste. Hij wist wanneer de stad haar poorten zou gaan sluiten, er brand of oorlog of enig onheil dreigde. Hij ging leven op de polsslag van de tijd die de kerkklok hem gaf.
          Steeds geraffineerder instrumenten vond men uit om de tijd te kunnen meten. De waterklok, de zandloper, men zette streepjes op een kaars. Een klok kon staan of hangen aan een wand. Er verschenen zak- en polshorloges, pendules, chronometers, kwartsuurwerken en wat weet ik al. De atoomklok meet vandaag de dag nauwkeurig tot een miljardste van een seconde.
          Toch bleef de mens nog steeds, de natuur getrouw, min of meer baas over zijn eigen tijd. Elk seizoen kwam en ging wanneer de tijd er rijp voor was. Er was een tijd van werken, er was een tijd van nietsdoen en een tijd van feesten. Kwam het voorjaar, kwam ook Pasen. Na de lente kwam de zomer, voor een kind een zee van vrije tijd. Sinterklaas kwam samen met de sneeuw, na kerst en oudjaar gingen we vasten en begon het verhaal weer van voren af aan. De rustige vastheid van het leven.      Met het verstrijken van de jaren kwam daar af en toe nog wel een feestje bij, ook daarom werd niet getreurd. Hartjesballonnen, pralines en zwoel kaarslicht op Valentijn, pompoenspookjes met Halloween, elke reden goed om het leven met een feestje op te leuken.

          Wanneer het dan gebeurde, kan niemand precies zeggen. De boer, hij ploegde en zwoegde en had niets in de gaten. Na het ene volgde het ander. Alsmaar sneller ging het leven, alsmaar preciezer werd zijn tijd gemeten, hij hield het niet meer bij, de tijd holde hem als een gek voorbij. Nooit nog kon hij even ergens stil bij blijven staan, het ene was nog niet gedaan, het andere bood zich al trappelend aan.

          Zo was het nog maar pas september, de zomer is maar net voorbij. Meesters en juffen leren na de uren nog de namen van hun leerlingen uit het hoofd en links en rechts gaat al een kerstmarkt open. Halloween popelt nog voor de deur, we moeten de heiligen en de zielen nog gedenken, het paard van Sinterklaas staat nog op stal en reeds smijt men ons de kerststallen en -bomen naar het hoofd. Slingers, kerstmannetjes, rendieren in hout, gips of steen, kerstballen in triljoenen kleuren, maten en gewichten en zoveel sfeerlicht dat de sfeer er tegen kerst wel helemaal uit zal zijn. Kopen, nu! is het devies. Er is haast bij, de tijd vliegt snel, tijd heeft vleugels en geen teugels, voor je het weet is het feest voorbij en staat de lente voor de deur. De nieuwe tuinmeubelcollectie en barbecue staan te drummen in het magazijn.

          Waar is de tijd dat we tijd konden nemen wanneer hij nodig was of we er zin in hadden. Zomaar, vijf minuutjes tijd. Die vind je niet meer, nergens nog, nooit. Hij is weg, verschwunden, foetsie. Tijd is geld geworden.
          En dat is ook op, naar het schijnt.

Sprookje

            Er was eens een schrijver in een land niet eens zo ver van hier en een tijd niet eens zo lang geleden. Uit heimwee naar zijn peuterjaren besloot hij op een dag een sprookje te gaan schrijven. Een verhaal met een moraal in een kinderlijke fantasie. Over de liefde tussen een prins en een prinses met aan het eind lang en gelukkig leven en een varken met een lange snuit. Maar dan wel in deze tijd. Een Sneeuwwitje, Assepoester, Schone Slaapster 2.0, om het hedendaags te formuleren.

            Hij zag in zijn verbeelding meteen het allermooiste meisje, slapend in haar hemelbed. Ook verscheen aan de einder al gauw de prins, hoog gezeten op een witte ruin, met kloppend hart en stromend bloed op een meisjeskus belust. Tot zover loopt het lekker, dacht de schrijver nog. Toen schoof een eerste wolk over zijn verhaal.

            Dat meisje.
            Met de vrijheid van de dichter schetste hij haar blonde krullen, de frêle trilling van haar lange wimpers, het zachte wiegen van haar borst. Zij slaapt in onschuld, zoals zij dat al honderd lange jaren doet. Wie gelooft dat nog, vandaag de dag, vroeg zich de schrijver af. In deze era van technologie en communicatie wordt immers elk kind om de haverklap gewekt, hier een ping, daar een tjing. Ook in de nacht moet worden gescrold, bewonderd en geliket. Op Insta een clip van een vriendinnetje en haar mama in roze onesie allebei en met witte laarsjes aan, vrolijk huppend op een liedje van K3. Op TikTok laat Taylor Swift een wind, op You Tube scheert een onbekende kerel snor, baard en wenkbrauwen weg. Duizend keer per nacht geeft een kind vandaag een duim, een hartje of een kudo.
            Ik maak een sprookje, besliste toen de schrijver. Dit is literatuur. Toen dat kind ging slapen, bestond niet eens de telefoon. Basta.
            Schrijven is ook keuzes maken.

            Een tweede wolk, zwarter en zwaarder.
            Dat kasteel. Waar vind je nog een burcht die toegankelijk is, waar een prins ongezien binnen kan? Een vesting zonder bewaking, sensoren, camera’s, zichtbare en onzichtbare beveiligingssystemen? Rookmelders vormden geen probleem. Geen vrouw ter wereld laat zich vandaag nog kussen door een man die ruikt naar pijp, sigaar of pruimtabak.
            Hoe kreeg hij die prins in dat paleis? Hij kon hem moeilijk zomaar laten aanbellen, ding dong, en dan schalks en kwansuis: ‘Hallo daar, ik ben prins Amehula uit Moldavië, ik kom de prinses wakker kussen.’ Ze zouden hem zien komen! In 2025 wordt een nieuwkomer van kop tot teen gescreend, aan diepgaand verhoor onderworpen. Was hij werkelijk te paard gekomen of stak hij stiekem in een bootje één der zeven zeeën over? Heeft hij de juiste paperassen bij? Wie hier geluk komt zoeken, onderneemt een kale reis. Dat hebben wij hier niet in overvloed. En dat hij niet denkt dat hij hier zomaar zijn goesting kan komen doen. Onze meisjes komen kussen, mooi is dat! En dat nog vrolijk rondbazuinen ook! Wat een lef, die kerel!
            Dat hij mijn gat maar kust. Dat van de timmerman is daar!

            Stel. Stel dat hij dan toch de prins bij de prinses zou krijgen? Hoe blij zou die laatste daarmee zijn? Voelt zij na honderd jaar nog half slapend de lippen van een onbekende man drukkend op de hare. Wat zou zij daarvan zeggen? Vrouwen zijn mondig vandaag de dag, zij laten zich niet langer zomaar doen, hebben een eigen mening over alles en nog één ding.
            ‘Eindelijk ben je daar! Heeft dat echt honderd jaar moeten duren? Waar heb jij gezeten, die hele tijd? Toch niet gaan pinten pakken zeker, gaan biljarten of godbetert, zeg dat het niet waar is, gauw nog even bij een madeliefje van de straat je lusten botgevierd?’
            De schrijver wist, mensen van koninklijken bloede vermijden ook in furie platvloers taalgebruik, zij verkiezen bloemrijke verzen.

            Ontmoedigd boog onze held het hoofd. In de stilte van de twijfel hoorde je het vallen van zijn gulden pen op het cahier dat hij zich speciaal voor sprookjesschrijven voor veel geld had aangeschaft. Het was hem zwaar te moede. Hij was niet goed bezig. Had de tijdsgeest gans verkeerd ingeschat. Was als een uitgedoofde ster stil blijven staan in een bestoft verleden. Enkel een auteur met middeleeuws moraal liet vandaag nog ongevraagd een vreemde man de lippen van een meisje kussen, al helemaal wanneer ze slaapt. Dat was zo hard uit deze tijd! Hij zag een storm van klachten regenen, hoorde het bulderend gedonder van de polemiek, zag zich gecanceld worden, uitgespuwd, nooit nog gepubliceerd, laat staan gelezen.
            Neen, begreep de schrijver. Dit. Kon. Echt. Niet.

            Sprookjes, dacht de schrijver toen, zijn niet meer van deze tijd.
            Hij trok zijn jas en schoenen aan en trok de stad in, liet zich door de waardin van café ’t Oud Genoegen een Duvel schenken. Terwijl het schuim hem op de lippen stond, bliksemde hem als afgevuurd door het stokje van een toverkol, een nieuwe vraag door het hoofd: mag een schrijver die niet schrijven durft wat hij werkelijk schrijven wil, zich nog wel een schrijver noemen?
            Proost, zei hij toen tot het varken met de lange snuit.

Die jongen van Gisteren

          Die ochtend hoefde ik niet eens langs de krantenwinkel. Soezend lag ik nog in de bedstee toen de stem van een engel de Blijde Boodschap bracht: afgelopen nacht had vrede gebracht. Nog voor mijn ogen zich openden, liepen ze vol tranen. Violenkoren, engelenzang, jingle bells all the way. Een zondvloed van gelukzaligheid overspoelde lijf en leden, hart en ziel, een emotie zo intens dat ik heel even dacht in het hiernamaals te zijn opgenomen. De idee dat vanaf nu alle volkeren één, alle mensen broeders zouden zijn, we samen eendrachtig de handen aan de ploeg zouden slaan, nooit eerder in mijn leven was geluk zo tastbaar en dichtbij.

            Enkele tellen nog, pakweg een minuut of twee, bleef ik mij laven in dit bad van vreugd en vrede. Toen riep helaas de plicht. In opperbest gemoed richtte ik me op en schoot mijn kleren aan. Prompt gleed dat gevoel van blijdschap als een nachtkleed van mijn schouders. De koude kilte van de werkelijke wereld legde ijskoud twee grijparmen om mijn leest, van kop tot teen rilde en trilde ik, alle opwinding vlood uit mijn lichaam als lucht uit een lekke band.
            ‘Geloof jij nu zelf,’ fluisterde het duivelsstemmetje in mijn hoofd, ‘dat van de ene op de andere dag alle leed geleden is? Zoals bij een ordinaire ruzie op café destijds, toen we nog niet voor elke scheef gelaten scheet de troepen alarmeerden? Even een aflap buiten, ik een bloedneus, hij een blauw oog en dan samen een pint gepakt en zand erover? Serieus? Mensen werden van een feest geplukt, weggevoerd, vermoord. Vaders, moeders, broers en zussen van geliefden beroofd. Steden onbarmhartig met de grond gelijk gemaakt. Een volk van hot naar her gegeseld. En dan zou nu, als bij donderslag, in één nacht er plots voor eens en altijd vrede zijn?’
            ‘Je bent een oude man geworden,’ mopperde ik tegen de spiegel tussen het tandenpoetsen door. ‘Een kniesoor. Een grompot. Een rimpelig brok chagrijn.’

            In mijn werkkamer keek ik dromerig naar een kaartje aan het prikbord waarop de titel van een nog te schrijven hoofdstuk voor Het Boek Dat Maar Niet Afgeraakt. Kon ik maar weer die jongen zijn.
            Die jongen. Dat kind dat als een rots in Sinterklaas geloofde. Dat buiten speelde tot de avond viel, in het donker op zijn hurken in het zand ging zitten en zich afvroeg op welke ster precies toch God zou wonen. Onschuldig kind dat echt geloofde dat in het donkere gewelf boven zijn hoofd een goede vader huisde die het beste voorhad voor de wereld en zijn mensen, die onze zonden kon vergeven, ons meer van onze naaste laten houden dan van onszelf.
            Dat laatste leek niet eens zo moeilijk, dacht toen ook al dat kind, want kijk mij nu helemaal.

            ‘Kijk mij nu helemaal,’ zuchtte deze oude mopperkont die ochtend.
            ‘Waar is dat kind gebleven? Terwijl de wereld juicht en jubelt, presidenten en ministers, machtigen der aarde over elkaar heen tuimelen, de mensen in de straten wijn drinken, dansen en zingen en spontaan kindjes beginnen maken, terwijl er weer hoop is, de hemel zij geprezen, de heer geloofd, eindelijk vrede op aarde aan alle mensen van goede wil, er is waarlijk leven na de dood, wijn vloeit bij beken, men bakt de zoetste broodjes en jij, verbitterd betweter van het zevende knoopsgat, jij gelooft het allemaal zo gauw nog niet.’
            Mijn oog viel op het boek op tafel dat ik net gelezen had. Het had me danig bij de keel gegrepen. De Wereld van Gisteren, heette het, door ene Stefan Zweig. Het verhaal begint in de prachtige zomerdagen aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog en eindigt jaren later, het kwaad is dan alweer geschied. De democratisch verkozenen hebben finaal de democratie versmoord. Oppositie wordt de mond gesnoerd, boeken verbrand, troepen regelen de orde in de straten, bevolkingsgroepen worden met alle zonden Israëls beladen, kakkerlakken en ratten genoemd, opgepakt en afgevoerd. Ik had gelezen hoe de Prime Minister van Engeland uit het vliegtuig was gestapt, fier zwaaiend met een vel papier. Peace in Our Time, had hij gejubeld. De mensen waren veilig. Er was ernstig onderhandeld, men had elkaar diep in de ogen gekeken, handen waren geschud. In de straten dronken de mensen wijn, ze dansten en ze zongen en gingen nog spontaner nog meer kindjes maken.
            Wat lijkt de wereld van vandaag, zo dacht ik nog, verbazend veel op die van gisteren.

            Heel even wou ik dat ik dat boek niet had gelezen.
            Heel even niet weten wat ik wist.
            Wou ik dat ik in dit lange leven niet zo vaak woorden had zien waaien op de wind, beloftes had zien breken, bloemen verwelken, schepen en dromen vergaan.
            Heel even wou ik weer in Sinterklaas geloven. In een God die het beste voorheeft met de wereld en zijn mensen. In het donker tussen de sterren zoeken waar hij woont.
            Heel even wou ik weer die jongen zijn.
            Al was het maar voor één dag.

Zandloper

          Verwacht van mij geen diepzinnige gedachten. Geen lyrische verzen over liefde, geen metaforen, allegorieën, beeldende beelden. Hoop ook maar niet op kunstige zinnen, fraai van snit en perfect op maat geknipt. Niet dat me de goesting of de wil ontbeert, er is gewoon de tijd niet voor. Het is al van opzij, opzij, opzij, maak plaats, maak plaats, maak plaats, we hebben ongelooflijke haast.

          Ook in de oude dag raast het leven als een sneltrein door. Nu eens hier met dichtgeknepen keel en knieën van flanel bungelen aan een touw tegen de puntige flanken van een rots, dan weer in een Middeleeuws kasteel in een onbekende Poolse stad met de voeten onder tafel, eendenbout en rode biet op het menu. In een gewijde stilte op de groene tafel punten willen scoren in het snooker of het biljart, elders dan weer baantjes willen trekken als weleer, Netflix kijken, boeken lezen, je Facebook en je Insta in de gaten houden. Altijd maar aan de gang, altijd bezig, altijd druk en drukker in de weer.

          ‘Waarom toch,’ vroeg onlangs mijn jongste broer.
          Hij is er nog, de oudste ook, ik zweef daar ergens tussenin. We ontmoeten elkaar geregeld, ook je contacten onderhouden vraagt uren van je tijd.
          ‘Jij lijdt aan het Tom Waes-syndroom. Jij moet overal zijn geweest, alles hebben meegemaakt. Waarom, zeg mij waarom?’
          ‘Ik weet het niet,’ antwoordde ik naar waarheid, ‘en wat die Waes betreft, ik mag toch hopen iets minder bink te zijn en een tikje beter de Nederlandse taal te respecteren.’

          Blijft inderdaad de vraag: waarom?
          Het is niet alleen de liefde die ons drijft. Misschien toch ook een angst. Een fear of missing out. Een doe het nu voor je het later niet meer kan. De schrik op een dag niets meer zelf te kunnen doen, afhankelijk te moeten zijn, je te moeten laten bijstaan bij het lepelen van je lauw geworden soep, het schoonvegen van je billen, het herinneren van je dochters naam.
          ‘Ik slaap wel wanneer ik dood ben,’ antwoord ik dan stoer mijn broer. Zelf zit hij ook niet stil. Daarover praten wij dan, twee belegen mannen. En over zij die veel te vroeg van ons zijn heengegaan en dat we dat toch ook niet meteen de beste keuze vinden, ook al worden spieren strammer met de dag, gaat de wereld alsmaar sneller aan ons voorbij en loopt het hoofd vol en voller met ergernissen en chagrijn waartegen je je dan weer stijfkoppig wil verzetten.   
          Dan praten wij over onze oude moedertje dat we in haar laatste jaren vaker dan ons lief was liggend op haar zetel troffen, starend naar het scherm naast het schrijn op de schouw, de rolluiken neer tot halfweg het raam, asbak meer dan vol, afstandsbediening op haar schoot.
          ‘Koffie vind je op het aanrecht, water in de koelkast,’ zei ze dan. Ze keek nog nauwelijks naar je op. ‘Of trek je liever graag een wijntje open?’ Bij dat laatste hoorde je wat hoop doorklinken, ze zag in onze aanwezigheid kans zichzelf en haar pijn wat dieper te verdoven. Wij hadden dan weliswaar wel een broer verloren, shit happens, life goes on, zij een zoon.
          De dag van zijn dood was haar sterre stille blijven staan, het licht in haar ogen beginnen doven. Ze haspelde de personages van Thuis en Familie door elkaar, wist niet te zeggen wie meedeed in de avondafleveringen van de nieuwe jaargang of in de vroege namiddag figureerde in de herhalingen van twee seizoenen eerder. Zij keek naar kookprogramma’s zonder zelf nog te koken, naar documentaires over het leven van het stokstaartje in Zuid-Afrika, het meest hield ze nog van integrale bergetappes in de Tour de France vanwege de schilderachtige vergezichten van plekken waarvan zij haar ganse leven alleen maar had mogen dromen er ooit te kunnen komen.
          Haar oude dag duurde nog zes lange jaren tot ook zij uiteindelijk heenging, liggend, zoals ze dat die hele tijd geoefend had. Het mocht van ons, zij had haar rust verdiend, haar leven lang haar nestel afgedraaid, een ietsepietsie voor zichzelf en het grootste deel voor ons.

          Daarover praten wij dan, mijn broer en ik. En over hoe ook wij hebben geprobeerd er maar het beste van te maken, struikelend en hortend kinderen mee grootgebracht, een bescheiden welvaart verworven, lief en leed geleefd. Hoe ook voor ons langzaam de zandloper leegloopt, de ligzetel lonkt. Dat ook wij op een dag alleen nog rusten, berustend in het lot en bij pijp en borrel daarover keuvelen met elkaar, uitgesponnen en langdradig.
          Maar beter liever nog niet nu. Geen tijd. Guus kom naar huus want de koeien staan op springen, om zo te zeggen, de varkens motten vreten en het hooi mot van het land.
          Zoveel valt er nog te doen, en de klok zegt tik, tik.

Klaaglied voor Tatjana

          ‘Heer, vergeef het hem, hij weet niet wat hij doet,’ zuchtte mijn vader.
          Ik had school gespijbeld om mee te lopen in een demonstratie tegen de aankoop van gevechtsvliegtuigen door toenmalig Minister van Defensie Paul Vanden Boeynants, de Theo van zijn tijd. Dertig miljard BEF, terwijl intussen we elke avond op televisie kinderen uit Afrika zagen creperen van de honger. We wisten heel goed wat we deden, we wilden de wereld beter maken, we wisten alleen niet hoe.

          ‘Heer, vergeef het hem, nog altijd heeft hij niet geleerd,’ zuchtte mijn vader wederom toen ik opnieuw de straat opging, tegen kernwapen en kruisraket van zowel Oosterse als Westerse makelij dit keer. ‘Een nuttige idioot is mijn zoon, een speelbal voor de bolsjewiek, alleen, hij beseft het zelf niet,’ vond mijn vader. Sloganesk poneerde hij: ‘Liever een raket in de tuin dan een Rus in de keuken.’
          ‘Als ze Tatjana heet, over een fijn paar borsten beschikt en op tijd en stond de afwas doet, is ze welkom,’ pareerde ik, duidelijk een appel te dicht bij de boom beland. Zulke uitspraak zou vanzelfsprekend vandaag niet meer kunnen. Elk gezin heeft een vaatwas tegenwoordig, mijn vader zwijgt al jarenlang en de tijden waarin je niet zo erg op je woorden hoefde te letten, zijn voorbij.

          ‘Heer, vergeef het hem, hij weet niet wat hij heeft gedaan,’ zei deze week een vrouw op de televisie. Zij betreurde de vader van haar kinderen met wie ze had gehoopt samen oud te worden. Een kogel in de hals. Veel volk op deze herdenking. Men joelde, juichte, klapte in de handen, stampte met de voeten. De overledene had hun strijd gestreden, was hun held geweest, in dit land van de vrijen, haven van de dapperen hun speerpunt in de strijd voor het Vrije Woord. In de schaduw van de weduwe kreeg de oude man met gouden haren de handen maar niet op elkaar. Gedachten zijn vrij, het meest van al nog de zijne. Om zijn visies en ideeën hadden de bewoners van alle vijftig staten plus het District van Columbia hem tot president verkozen, overal en overweldigend. De president zou de president niet zijn als hij bij woorden van vergeving niet zo zijn eigen gedachten had. Weliswaar was hij gekomen om deelneming te betuigen, wij hier in het Avondland weten: tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bezwaren, maar bovenal grillen van het gemoed die niemand kan verklaren. Zo verging het ook de president.

          ‘Het spijt me, Erika,’ antwoordde hij de bedroefde vrouw met de mooie naam, ‘vergeving is een mooie deugd maar ik, ik kan het niet.’ Zo boog hij geslepen de aandacht naar zijn eigen onvolprezen zelf. ‘Mijn vijand blijft mijn vijand. Ik zit hem na, jaag hem op, tot in de grotten van Bora Bora als het moet. Eens in het nauw, knijp ik hem dood. Als een kakkerlak.’
          Opnieuw joelde, juichte, applaudisseerde en stampvoette de meute op het plein, volgzaam en gedwee. Ergens in mijn achterhoofd echode mijn vader: ‘nuttige idioten.’ Gulzig dronken zij elk woord uit de mond van de gebronsde voorman met het gouden haar. Hij was de gids, de maat der dingen, de zon in hun melkwegstelsel. Hij stond persoonlijk borg voor hun recht op vrijheid in woord en daad, nu, altijd en overal. ‘En wie het niet met me eens is,’ duwde de president dapper door, ‘snoer ik kordaat de mond. Ik korf die muilen, ontsla of laat ontslaan, smoor elk verzet in de prilste kiem, met knots en knuppel als het moet desnoods.’
          In de coulissen stond Erika er wat beteuterd bij. Haar neergeschoten eega leek alweer vergeten. Alleen de president ging nog over de tongen, zijn onverschrokken verschijning, de woorden die hij had gesproken, het aura van geluk dat hij over de hoofden van het volk had uitgestrooid.

          ‘Heer,’ zo dacht ik toen, ‘vergeef al deze mensen, zij weten niet wat ze doen.’
          Maar hij, die president, dacht ik, die weet het wel. Hij weet het donders goed. Hij heeft zonet zijn natie de mondklem opgevezen. Een verbod op Anders Denken uitgevaardigd. De vogel verboden nog langer te zingen zoals hij is gebekt. Het behoorde dan wel tot zijn presidentiële plicht bij tweedracht eensgezindheid te betrachten, bij poeha de gemoederen te bedaren, dat deed de president net niet. Integendeel. Een wig wilde hij drijven in de natie, tweespalt creëren, een kloof uitdiepen die in geen jaren zou te dichten zijn. Verdelen en heersen als Nero in het oude Rome. Hij sleepte daarvoor de vaagste woorden en begrippen aan, links, antifa, woke, termen die als oude regenjassen over elke schouder vallen. Niemand wist precies wat ze betekenden doch men kauwde ze als zoete koek.

          Een halve eeuw nu al bijna staat die raket te blinken in mijn tuin.
          De man met het gouden haar in de keuken heeft geen leuke boezem.
          Ook de afwas doet hij niet.

Een Basil

          Er is meer kans op vrede in het Midden-Oosten dan dat ik ooit miljonair word, ik weet het. En dat de gokker altijd verliest, dat weet ik ook. Dat de Nationale Loterij niets meer is dan door de overheid georganiseerde geldklopperij, ook daarvan ben ik me bewust. Toch koop ik samen met ongeveer zes miljoen (gokje) andere domoren wekelijks een biljetje van de Lotto. Omdat hoop doet leven. Wat immers is het leven zonder hoop?
          Die ochtend stond ik in de krantenwinkel achter een gekromde, oude man mijn beurt af te wachten. Hij morrelde wat in zijn portefeuille en legde naast zijn nieuwe Lotto-formulier en een paar winstbriefjes van vorige deelnames, een bankkaart op de toonbank. Ondertussen dagdroomde ik over zon en zee, exotische gebieden, lekkere bubbels en de heerlijkste spijzen. Zoals ik al zei, wat is het leven zonder hoop.
           Plots teleporteerde een woeste uithaal me weer naar het hier en nu.
    ‘Meent gij dat nu!?’
          De lange, graatmagere man achter de toonbank spreidde zijn armen als was hij Christus aan het kruis. Woedend keek hij op het mannetje voor me neer. Dat kromp zichtbaar in elkaar.
          ‘Echt of wat?’ De krantenboer staarde naar het mannetje alsof die een goedkope Russische drone was die ongevraagd zijn nering was binnengezeild. Ogen als schoteltjes, van alteratie trilde het fijne snorretje op zijn bovenlip.
          ‘Gade gij nu echt met de kaart betalen?’
          Blikken als vonkende vuurpijlen, zijn stem klonk als een gewet mes. Hij hief beide armen ten hemel alsof hij hoopte op tussenkomst van de allerhoogste. Die echter bleef naar aloude traditie ook bij deze ellende oorverdovend stil. God ziet alles en bemoeit zich nergens mee.
          ‘Poeh,’ klonk het plots, een luchtbel die dringend uit de longen moest. Basil Fawlty leeft, bedacht ik, hij baat een krantenwinkel uit in S. en is ook daar niet echt gelukkig.
          ‘Euh, jawel,’ bekende het mannetje. Hij verkeerde net als ik blijkbaar nog in de waan te leven in een land van vrijheid, een land waar je zomaar je gedacht mocht zeggen, gaan en staan waar je beliefde en autonoom beslissen hoe je je financiën regelde. Zoals zovele dingen in het leven bleek ook die vrijheid een illusie.
          ‘Negentig cent!’ schreeuwde de krantenman hem toe. En opdat wij allen de diepte van het drama terdege zouden vatten, herhaalde hij: ‘Negentig cent. En gij wilt met de kaart betalen.’ Het klonk als een doodsvonnis. Stilaan beving ook mij lichte paniek. Tegen beter weten in probeer ik wanhopig bij de tijd te blijven, daarom betaal ik uitsluitend nog digitaal. Nooit draag ik nog tastbaar geld op zak. Cash is voor oude mensen en zij die belastingen willen ontwijken, ik behoor tot geen van beide.
          ‘Euh, ja … ‘ fezelde het mannetje, duidelijk niet opgewassen tegen de verbale orkaan die over hem heen raasde. Ik voelde met hem mee, toch probeerde ik me te verplaatsen in de krantenman. Op vrijdag laat gaan slapen, misschien een glas erbij gehad, op zaterdag vroeg op. Het is ploeteren en zwoegen om de doening draaiende te houden, hard labeur met vele offers. Daar stond tegenover: ik zag niemand met een tweeloop tegen zijn slaap.

          ‘Negentig cent godverdomme!’ Hij kreeg er duidelijk geen genoeg van terwijl de inmiddels ruim aangedikte klantenrij de kern van het dispuut wel had begrepen. Hij raakte niet alleen het Noorden kwijt, hij verloor voeling met elke windstreek uit het heelal:
          ‘Niet moeilijk dat de kleine winkelier verdwijnt! Negentig cent! Daar moet ik vijftien cent op betalen. Dieven zijn het, niks minder! Alles gaat hier naar de kloten. Elke cent die binnenkomt moet ik meteen weer afgeven.’ Het was helder: wat in Gaza of Oost-Congo aan de gang is, verdween in het niets bij wat deze man dagelijks diende te verduren.
          ‘Een mens verzet godverdomme hemel en aarde om het hoofd boven water te houden, ondertussen vijzen zijn eigen klanten de poten vanonder zijn stoel vandaan.’ Met onverholen misprijzen keek hij op zijn clientèle neer. Toen, plots, als na een stroomstoot rechtte hij de rug, greep het pinapparaat en smeet dat richting oud mijnheertje. Diens hoofd was inmiddels verdwenen tussen zijn schouders. Bevend diepte hij een muntstuk van 1 Euro uit zijn geldbeugel.
          ‘Laat dát nu ook maar,’ blafte de uitbater. Niettemin schoof hij toch de geldlade open en liet een tien centstuk stuiteren in het weergeefschaaltje. Verslagen tjokte het mannetje de winkel uit.

          Nog nooit was ik zo blij ook deze keer weer geen cent te hebben gewonnen. Opgewekt betaalde ik, met kaart, de volle pot, me er ten volle van bewust dat met deze winstmarge de krantenboer die avond makkelijk een tafeltje kon reserveren in een rustiek restaurant met op het menu typisch Vlaamse lekkernijen bereid op oma’s wijze.
          Het was hem zeer gegund. Nooit zal ik me door hem nog een loterijbiljet laten aansmeren. Zo had die dag iedereen toch wat gewonnen.

Komt een man bij de dokter

          Mijn leven lang al kijk ik met enig argwaan naar de onophoudelijke stroom gezondheidstips en welzijnswenken waarmee men ons dagdagelijks om de oren slaat. Veilig en voorzichtig moeten we zo lang als kan laveren door het leven tot het leven zelf er genoeg van heeft. Kilo’s fruit en groenten, granen en noten, sporten elke dag maar ook weer niet te veel, doe yoga en wellness en ban vanzelfsprekend het roken en het drinken. Als je daaraan niet voldoet, dan …     
Ja. Dan wat?
          Vaak moet ik dan denken aan de jaren toen ik meer hormoon dan jongen was. Door god en zijn gezanten werd ons aanhoudend ingepeperd hoe je van zelfbevlekking doof en blind zou worden en dat er op je rug een bochel zou gaan groeien. Liefde voor jezelf was toen nog des duivels, een regelrechte rit op de highway to hell. Geloof mij op mijn woord, heel wat zaad viel intussen droog op de rotsen, toch is met mijn ogen nog altijd weinig mis en loop ik nog flink rechtop. Enkel het gehoor ging wat achteruit. Dat vind ik geen erg, het meeste van wat wordt gezegd is niet de moeite van het aanhoren waard.

          ‘Dat ga ik niet doen,’ besloot ik dus, ‘dat ze maar zelf met een stokje in hun kak gaan zitten roeren,’ waarop ik de uitnodiging voor het Preventieonderzoek naar Darmkanker verticaal klasseerde tussen de oude kranten, lege broodzakken en belegen moppen van de scheurkalender in de doos met oud papier.
          Een daad die bij zij die het goed met mij menen slechts onbegrip en schampere vragen oogstte. Achteloos lachte ik hun wat-alsen weg. Wat als je ongezien ziek zou zijn? Zich in jouw lichaam een microbe heeft genesteld die zich genadeloos een weg vreet naar je hart? Wat als? Wat als si en wat als la. Ik citeerde dan uitdagend eerst die quote van Gunter Lamoot laatst op de televisie, dat we allemaal geboren worden in ons eigen lijk. Dat vond ik geestig. Om het pleit finaal te beslechten voegde ik daar dan als uitsmijter nog aan toe: ‘Het ergst wat een mens kan doen is leven, daar ga je zo onherroepelijk dood van. Zeg dat maar tegen je zwemmertjes voor je ze te water laat.’
          Waarom men mij nooit vraagt voor de Ideale Wereld, ik begrijp het ook niet.

          Dat de aanhouder altijd wint, wisten zelfs de predikers in de woestijn. Zodoende vond ik in mijn brievenbus enkele weken later een geheugensteun. Dat men mijn staal nog niet ontvangen had, dat het hier wis en zeker een vergetelheid betrof. Misschien was in de drukte van mijn alledaags bestaan hun goedbedoeld verzoek me gans ontgaan. Zoekgeraakt tussen de plooien van de zomerpost misschien? Of stomweg het wattenstaafje in de pot gesukkeld? Of ik alsnog, bij deze. In bijlage een instructievel, afdekpapiertje, wattenstaaf en enge proefbuis van plastiek.
          Ach, dacht ik ten langen leste. Baat het niet, schaden zal het ook wel niet, dus nam ik zorgvuldig de instructies door. Dat je voor je aan het echte werk begint een plasje hoort te maken, leek me logisch. Het papiertje evenwichtig spreiden over de pot leek me al een tikje ingewikkeld, hier kwamen rolmeter, passer en geodriehoek bij te pas. Eindelijk konden dan vrij en vrolijk de darmen open, altijd weer een dat-lucht-lekker-op-gevoel.
          Naar het schijnt bestaan er mensen die bij elke beurt hun afscheiding onderwerpen aan een keuring van textuur en vorm, kleur en geur. Zelf ben ik meer het type klaar-schoonvegen-doorspoelen. Nu echter diende ik omzichtig met een wattenstaaf te roeren in de drek, er zorg voor te dragen dat voldoende van de smurrie bleef kleven aan het watje en ondanks de tremor die met de jaren komt moest ik proberen het staafje zonder bibberen en beven in het ranke kokertje te mikken.

          Zo komt uiteindelijk een man dus bij de dokter. Natuurlijk had die wat gezien, daar heeft hij jarenlang voor school gelopen. Een stappenplan werd voorgelegd dat ik rancuneus diende op te volgen, of anders. Geen zin in weer discussie deze keer, volgzaam en gehoorzaam als ik ben, deed ik nauwgezet wat me was opgelegd.
          Enkele dagen geleden klokte ik op een avond een kleverig goedje met sinaasappelsmaak door het keelgat, daar goot ik een liter water achteraan. De rest van de avond bracht ik door met de broek op de enkels in de kleinste kamer. De volgende ochtend herhaalde zich dat procedé. In de douche schrobde ik me suf en schoon in de hoop mijn buitenkant even rein en rimpelloos te schuren als mijn binnenkant. Een uitzichtloze opdracht, op mijn leeftijd.
          Van het onderzoekje heb ik niet veel gemerkt. Ik sliep. Maar beter ook. Ik kijk liever niet toe wanneer een hypergesofisticeerde camera of godbetert een in plastiek gehulde hand op speurtocht gaat naar ongewenste gasten in mijn darmkanaal. Na het kopje koffie en het broodje ham dat een vriendelijke mevrouw mij bij mijn ontwaken presenteerde, tastte ik nieuwsgierig naar mijn achterkant.
          Ik voelde niets, helemaal niets.
          Ook de arts had niets gevonden.
          Dan was het alles toch niet voor niets geweest.