Een vriend zien huilen

          Toen liet ik mijn zakdoek vallen.
          Het bukken ging stroef. Een pijnscheut door mijn rug, heet en pijnlijk als een kogel. Denk ik. Ik weet niet hoe een kogel voelt. Als een verroeste meetlat boog ik door de knieën en schraapte met mijn vingertoppen het beduimelde stuk textiel van het asfalt.
          ‘Dat ging vlotjes,’ lachte mijn vriend. Ik lachte groenig mee. In een flits zag ik nu ook wat hij net had gezien: een oude man die nauwelijks nog door de benen kan. Grimassend tastte ik naar mijn rug. Uit de binnenzak van zijn jas diepte mijn metgezel een pakje tissues op. ‘Iedereen gebruikt deze tegenwoordig. Lekker makkelijk.’ Het klonk neerbuigend, ik voelde me een restant uit een voorbije eeuw. Ik snoot mijn neus en frommelde het vochtige papiertje in mijn broekzak, rechtte mijn rug, drukte de pijn met beide handen weg. Weer verdween zijn hand in de binnenzak. Nu toverde hij een pillendoosje tevoorschijn.
          ‘Tegen de pijn,’ bood hij aan. Ik knikte van nee.
          ‘Verdoven is alleen maar rond de pijn omheen fietsen. Genezen doet het niet,’ zei ik. Dat had mijn oma mij geleerd. ‘Wat is daarvan het nut?’
          ‘Wat is de zin van lijden?’ antwoordde mijn vriend. Hoezeer we ook op elkaar waren gesteld, hoe warm ook onze sympathie, hoe groot ons wederzijds respect, we verschilden wel vaker van mening. Erg is dat niet. Hij is in mijn ogen nog altijd jong en onervaren, in mij ziet hij een oude man in een krakend lijf, tot het schedeldak gevuld met oude mannenmeningen.

          Keuvelend vervolgden we onze wandeling. Onstuitbaar als een vloedgolf gulpte het eruit: hoe ingewikkeld en veeleisend het leven wel geworden is, gans anders dan de rustige vastheid van weleer. Hoeveel ballen een man tegelijk in de lucht moet houden vandaag de dag: je baan, je geliefde, je kinderen, je pas neergepote huis. Over blijven zoeken naar jezelf, je telkens weer opnieuw heruit te moeten vinden, yoga, zelfzorg, een baan te zoeken die matcht met je inner core, waarin je in je eigen kracht kan staan en je diepste ik ten volle kan ontplooien.
          Ik luisterde maar moest tegelijk ook toch aan mijn moeder denken, met haar ambachtelijke huishouden en het half dozijn vruchten uit haar schoot, toch ook flink veel ballen om hoog te houden. Natuurlijk hield ik dat beeld voor me. Mijn tijd van spreken ligt achter mij. Ik zeg toch maar de foute dingen, men hoort niet mij, men hoort een oude man. Woorden komen vaak heel anders uit mijn mond dan hoe ik ze in mijn hoofd hebt bedacht. Meestal veranderen ze ook nog een keer van betekenis en toon wanneer ze het oor van de toehoorder bereiken. Die hoort dan iets gans anders dan wat ik heb bedoeld. Dus beet ik maar het puntje van mijn tong.

          ‘Nu sta ik dus op een kruispunt in mijn leven,’ hoorde ik mijn vriend zeggen.
          ‘Voor elke deur die sluit, gaat een andere deur weer open,’ zei ik. Muurtegels citeren kan ik nog altijd als de beste. ‘Ga je dromen achterna. Wat wil je nog worden? Rijk? Beroemd? Gelukkig? Ga ervoor. Beter te proberen en te falen dan helemaal niet te hebben geprobeerd.’ Met confectiewijsheden kan ik een jaarkalender vullen als het moet.
          ‘Eigenlijk wil ik alles,’ zei mijn vriend. Alles, dat zijn heel veel ballen voor maar twee voeten, dat had het leven mij intussen wel geleerd. Ook dat zei ik niet. Een mens leert niet van andermans ervaring, alleen maar van zijn eigen fouten. De blik van mijn vriend vernevelde, zijn geest reisde naar Fantasia.
          ‘Influencen,’ prevelde hij toen. ‘Op TikTok. Mensen overhalen om door veel warm water te drinken en elke dag ochtendgymnastiek, volbloed Chinees te worden. En dan door Xi Jinping te worden gefinancierd.’ Het bestaat, ik had het ook op de radio gehoord. Het is iets van deze tijd, terwijl bij mij TikTok toch altijd nog deed denken aan de kippenren vroeger achteraan in onze tuin, het eindeloos gekakel en de bergen stront die we nauwelijks kregen opgeruimd.
          ‘Kan je schatrijk mee worden,’ droomde mijn vriend verder. Schatrijk en geluk zijn niet per se synoniemen, bedacht ik meteen.
          ‘Of ik kan content gaan createn,’ droomde mijn vriend, ‘dingen verzinnen uit het niets. Die dan verspreiden op het web zodat talloze mensen gaan liken en sharen en adverteerders in dichte drommen mijn rekening beginnen spijzen.’
          Met dat concept was ik vertrouwd. Veel boter op je brood verdiende je er niet mee, wist ik. En van de respons word je ook niet altijd even vrolijk. Dat wilde ik hem ook zo zeggen. Dat kwam er helemaal anders uit.
          ‘De allerindividueelste expressie van je hoogstpersoonlijke emotie, zeker doen,’ zei ik bemoedigend.
          Want een vriend zien huilen, ik kan het nog altijd niet.

Tussen zes en zeven in de ochtend

            Onder de deken in het donker nog. In de verte klinkt gezang:
            I hope he will understand.
            Een Lorelei. Ik ken de zangwijs. Ik ken ook de woorden. Of toch die ene zin. Het lied herken ik niet. Ik weet niet wie die sirene is, ook wie he is weet ik niet noch wat hij understanden moet. Mijn geest tast duf en slaperig, geblinddoekt in het duister, in de plooien van de tijd. Was dat niet iets van Prince? Ik weet het niet. Ik wil slapen.  
            I hope he will understand.

            De deken nog wat strakker.
            Verschijnt in beeld een vrouw. Ze zegt te lijden aan het leven. Lijden doen we allemaal, zeg ik haar. Een ander liedje plots, Robert Long: Het Leven was Lijden, als je danste een heiden, als je lachte te luchtig, als je kuste ontuchtig.
            Dat lijkt niet echt te troosten.           
Lijden is van alle tijden, zeg ik.
            Vandaag is anders, zegt de vrouw.
            Zou kunnen. Het kan ook van niet. Ben ik al wakker?
            I hope he will understand   

            De vrouw gaat zomaar weg, een man verschijnt.
            Hij zegt bang te zijn. Bang zijn we allemaal, zeg ik. Robert Long gaat door, zijn liedjes ken ik uit het hoofd: dat is Allemaal Angst, allemaal angst, de allergrootste schreeuwers zijn dikwijls het bangst, en als er ooit iets gebeurt, nou, dan moet het zo wezen, wie het meeste angst heeft, heeft vaak het minst te vrezen.
            Dat lijkt niet echt te troosten.
            Angst is van alle tijden, zeg ik.
            Vandaag is anders, zegt de man, rustig, beheerst. Schreeuwen doet hij niet. Hij is misschien wel minder bang dan hij zelf denkt.
            Hij zegt: ‘De allergrootste schreeuwers wonen in paleizen en sturen jonge goedgelovigen naar het front.’ Ook het front is van alle tijden weet ik, maar ik laat het zo. Tussen nacht en dag is niet de tijd voor een discussie met een bange man.
            Hij zegt: ‘Ik ben bang op een dag op een perron, getroffen door een vingerstraal uit de hemel stokstijf stil te staan terwijl voor mijn ogen de trein vertrekt.’
            ‘Ik kan je niet helpen,’ zeg ik. ‘Laat mij slapen.’
            I hope he will understand.

            De deken vecht tegen het licht.
            Een stoet boze mijnheren trekt met borden in de lucht waarop kleurrijke spreuken staan, aan mijn geestesoog voorbij.
            Moeten we nu ook nog meer bewegen terwijl we toch al moeten werken tot we honderd zijn, schreeuwt een jonge, nog gezonde man. Moet just niks, wil ik hem zeggen. Het leven is keuzes maken. Gemompel in mijn slaap.
            Weg met oranje! De nieuwe president is paars! roept een ander.
            De wereld is om zeep, er gebeuren rare dingen, gilt een derde.
            Uit de vormeloze massa doemt onverwacht het gezicht op van mijn vader:  jij, zegt hij, mag later alles worden, behalve politicus of agent. Hij lacht. Ik lach met hem mee. Hij is mijn vader en ik een kleine jongen op de fiets, beide handen in de lucht, de nieuwe wereldkampioen. Een traan van trots in zijn ogen.
            Het is me niet gelukt, wereldkampioen.
            I hope he will understand.

            Licht valt de kamer in, de deken mijn laatste schild.
            Verschijnt een meisje dat een kind gaat krijgen, een vrouw al voor de wereld. Voor mij een meisje. Elke vrouw onder de zestig blijft een meisje, elk meisje ouder blijft een jonge vrouw. Schoonheid is van alle leeftijden.
            Mannen worden naar men zegt met het ouder worden mooier. Er is nog hoop. Morgen houd ik op met drinken, ga gezonder eten en mijn stappen tellen. Morgen. Vandaag wil ik slapen.
            Legers marcheren, troepen paraderen, armen en benen pompend als ijzeren stangen in een moorddadige machine. Tankers exploderen, een regen van zwarte, zilveren, rode en oranje slingers. Een feestelijk vuurwerk van verspilling en dood.
Mocht het niet zo lelijk zijn, ik zou het mooi vinden.
            Is dit het echte leven, is dit slechts fantasie?
            Is dit een grap of om te huilen?
            Laat me. Laat me. Laat me mijn eigen gang maar gaan.
            Hoog, Sammy, kijk omhoog, Sammy, want daarboven lacht de maan.

            Finaal en ongenadig breekt het daglicht door de deken.
            Ik weet het weer. Cindy heet ze, de Lorelei. Cindy Lauper. Een Madonna-achtige uit een voorbije eeuw.
            She Bop heet het liedje. She Bop, Be Bop Ba Lu Bop, I Bop, You Bop, They Bop. Over zelfbevrediging gaat het.
            Boppen is van alle tijden, zeg ik haar. We doen het allemaal. Het lijkt te troosten. Ze weet nu: He will understand.

Onze Jan

          Hallo?
          Wie?
          Onze Jan? Ach mijnheer, het is altijd iets met onze Jan. Dat heeft hij al van kinds af aan. Wij zeggen het al van toen hij nog in korte broek rondliep, onze Jan, dat is een goed manneke maar hij presenteert slecht op een foto en hij moet wegblijven van een microfoon. Onze Jan, dat is een man voor in het atelier. Maar ja, dat ging natuurlijk niet, met die twee linkse handen van hem.
          Weet je wat het is met onze Jan?
          Die ziet de dingen anders dan de meeste mensen. Een beetje een artiest, ja, diep vanbinnen. Spijtig genoeg zo diep dat het er dikwijls nogal verfrommeld uitkomt.
          Allé. Pakt, die aanslagen toen in Zaventem. Niemand had het gezien maar onze Jan natuurlijk wel. Als enige op heel de wereld. Mijnheer had moslims zien dansen in de straten van Brussel. Wij zeggen allé Jan, moslims dansen toch niet op straat. Moslims claxonneren. Elke zaterdag is dat hier een begankenis van hier tot ginder al van ’s morgens vroeg. Uitslapen, dat kennen die mannen niet. Witte linten aan de auto’s, vensters open. En lawijt! Dan denk ik maar: allé vooruit, er zijn er weer twee van ’t straat. Maar hij maar blijven zeggen, ik heb de beelden zelf gezien, dansen deden ze. Hij kan koppig zijn zenne, onze Jan.
Weet ge wat ge doet, Jan, zegden wij. Schrijf er een liedje over, of een opstelleke, of teken een schoon schilderij. Iets artistieks, zodat ge later altijd nog kunt zeggen, vrije interpretatie. En in uw positie, wie weet hoeveel is een aquarelleke van uw penseel binnen een paar jaar niet waard? Denkt gij dat dat iets geholpen heeft? Niks niemendal, mijnheer moest en zou op tv gaan zeggen wat hij had gezien. Een hoop gezever natuurlijk. Gelukkig heeft Bart hem toen nog kunnen helpen. Over die twee kan een mens boeken schrijven. Jaren al is dat twee handen op één buik. Bart, die kan het wél goed uitleggen. Die kan aan de dingen een draai geven, niet normaal. Dus in Terzake zegt die: Hoe Jan de wereld ziet, dat is een kwaliteit die we moeten koesteren. Wij allemaal zien moslims net als wij van de schrik een gat in de lucht springen, Jan herkent daarin een vredesdans. Dat is die speelse kronkel van het kind dat hij diep vanbinnen nog altijd is gebleven. Schoon hé, toch?

          Enfin, nu ben ik mijn draad kwijt.
          Ah ja, het atelier. Niks voor hem dus. O, zegden wij toen. Boekhouder. Of iets op de bank maar beter niet aan het loket. Want onze Jan, ge moogt er veel van zeggen maar ik ken niemand die zo goed kan tellen en niemand die beter op de centjes let. Ik weet nog goed. Hij was een jaar of tien en Sinterklaas had een zakje met centjes van chocola in zijn schoen gelegd. Kijk eens tante Jeanne zei onze Jan, en hij beet die cent in twee stukken. Nu heb ik twee cent, zei hij. Knap gezien toch, niet?
          Zo hebben ze later samen ook, onze Jan met Bart en Ben en nog een paar, toch die crisis in de jaren tachtig opgelost? Weet ge nog, Wilfried Martens, er is licht aan het einde van de tunnel? Awel, dat licht, dat was onze Jan. Wat we zelf doen, doen we beter, zei hem. Eén regering en zoveel schuld? Wij maken er zes,  voor hetzelfde geld. Zes regeringen! Voor elk dialect een eigen kabinet. Doe het maar na hé! Daar kan die Jezus met zijn visjes en zijn pistolekes nog een punt aan zuigen.
          Veel respect heeft hij daarvoor niet gekregen. Spijtig genoeg. Hij heeft zich toen wat laten vangen en, ik moet het eerlijk zeggen, daar is zijn degout tegen de vrouwen begonnen. Er was er eentje in dat parlement, domme toch, Myriam, Mergim, Meyrem, ik wil het kwijt zijn, en die zei: Janneman, hoe hebt gij dat gedaan gekregen? En hij, ik zeg het hé, koppig, hij zegt: dat zeg ik niet. En zij: gij moet dat zeggen. En hij: ik zeg het niet. En zij: ik wil hier sofort alle papieren zien, maandag brengt gij die mee. En hij: da gade gij niet bepalen. Maar ja, hij heeft wel moeten toegeven hé.

          Maar nu, mijnheer, nu weet ik het ook niet meer.
          Vrouwen moeten hun eigen aanpassen. Waar haalt hij dat nu toch weer uit? Ge moogt dat misschien denken maar zoiets zegt ge toch niet? Als minister! Als hij nu had gezegd: alle mensen, iedereen en alleman. Maar nee. Onze slimme pikt er weer een groepje uit. Nu staan ze fameus te dansen in de straten van Brussel. En Bart mag niets zeggen hé, als eerste minister. En als hij het van Valerie gaat moeten hebben, dat hij dan maar hout vasthoudt. Daar is hij nog niet mee aan de nieuw patatjes. Dat is een felle zenne. Zeker als het over vrouwenzaken gaat. Die past haar eigen nog niet zo gemakkelijk aan.
          Allé, ik ga voort stofzuigen. Ge hebt nu wel genoeg voor uw gazetje zeker?
          Dadakes.

De stille hond

          Blaffende honden bijten niet.
          Het is dan ook zonder een zweem van angst dat ik op weg naar het warenhuis voorbij het grasveld fiets en ze op me komen toegelopen, keffend en blaffend en blij als een kind, de dalmatiër en de teckel, de mopshond en de setter, puppy, reu of teef.
          Goeiemorgen, blaffen ze, fijne dag vandaag. Wie de taal der dieren spreekt, begrijpt vaak ook de mensen beter.

          Het is dat ander type hond dat me meer zorgen baart.
          Zo’n beest dat onbeweeglijk op zijn poten staat, vervaarlijk naar je kijkt alsof jij net zijn bot hebt ingepikt en lijkt te denken: jij bent nog geen blafje waard. Een hond die weet, stilte jaagt meer angst aan dan lawaai.
          Mijn hart sloeg dan ook slagen over toen ik afgelopen donderdag aan de overkant van de hondenwei, daar waar het bankje staat en het gras nog zoveel groener lijkt, een groot bruin beest de kop zag heffen, de oren spitsen, een negentig gradenbocht zag maken en als een hazewind op me komen afgestormd. Een Mechelse herder, bleek alras, mij blijkbaar niet zo best gezind. Hij rende en hij holde en hij raasde op me af, zijn ogen hielden me gevangen en lieten me het ergste vrezen, het verleden had immers al bewezen dat menig hond in mij een lekker hapje zag. Verlangen las ik in zijn blik, en honger ook al gaf het beest geen kik, kwam uit zijn bek geen boe of ba of blaf.
          Op het bankje achteraan zat zijn baasje, de leiband in haar hand, vrolijk giechelend met een oude man want ja, de lente was al in het land.

          Zijn poten raakten amper grond. De kluiten vlogen in het rond. Van pure schrik verstijfde ik, mijn fiets blokkeerde, ik zette beide voeten op de grond. Gelukkig was er nog de kippendraad, woest smeet het beest zich daar tegenaan, toen bleef het vervaarlijk kijkend staan. Als stilte ooit echt oorverdovend was, dan was het toen en daar, op die zomerse middag nabij de hondenwei.
          Als twee cowboys in een verlaten straat stonden we tegenover elkaar. We keken elkaar in de ogen. Geen dreiging las ik daar, geen schrik. Ik zag integendeel een bede, een smeken, een desperate vraag: help mij help mij uit de nood. Toen zag ik wat er loos was. Dit beest zat met zijn bek gevangen in een masker, een gareel, een korf die hem het blaffen en het bijten moest beletten, de kaken op elkaar geklemd, de tong gevangen, de tanden overbodig.
          Hoe vreselijk moet dat zijn, dacht ik meteen, je blafdrang in te moeten houden? Niet vrijuit te kunnen blaffen, te kunnen happen naar een vlieg, met je tong te kunnen likken onder een vreemde hondenstaart? Wat ben je in de hondenwereld dan nog waard? Geen hond die je nog vreest, geen wijfje kijkt nog naar je op. Ik was vervuld van medelij maar wist niet wat te doen.
          Op het bankje had de vrouw de leiband naast zich neergelegd, haar hand rustte nu op een oude mannendij.

          Ik smolt onder de hulpeloze hondenblik. Dit lot verdient een levend wezen niet. Natuurlijk moest ik denken aan wat er in de mensenwereld gaande was. Ook mensen wordt heel vaak het zwijgen opgelegd. Op veel plekken moet men op zijn woorden letten, voorzichtig zijn, over de schouder kijken.
          Hoe graag wilde ik dit dier bevrijden uit zijn lijden, ik zou alleen niet weten hoe. Moest ik gaan praten of geweld gebruiken? Misschien is dan die oorlog toch zo verkeerd nog niet, dacht ik toen plots. Die mensen zullen toch gelukkig zijn wanneer ze weer vrijuit praten kunnen, onbevreesd en bevrijd van alle juk, niet langer onderdrukt. Wat ik een week geleden nog verschrikkelijk vond, leek me nu plots een goede zaak.

          De strijd voor vrije spraak is nu wel echt begonnen, dacht ik opgewekt. Venezuela vinkt men af, ook in Iran is het bijna gedaan. Morgen komt Cuba er al aan, daarna zijn vast de Saudi’s aan de beurt, Oman, Turkije of Afghanistan waar men toch ook niet zomaar wat zeggen kan. En dan naar Rusland, en naar China en wie weet, op een dag steekt men misschien nog wel de hand in eigen boezem?
          Hoewel ik dit arme dier niet helpen kon, stapte ik toch welgezind weer op mijn stalen ros. Ik fietste om de weide heen tot bij het bankje aan de overkant waar het gras plots toch minder groen scheen dan ik had gedacht. De vrouw zonder leiband op haar schoot liet haar hoofd inmiddels rusten op de schouder van de oude man.
          Fuck you, riep ik haar toe. Fuck you. Uit afkeer, woede, onvermogen.
          Maar toch in de eerste plaats omdat dat hier nog kan.