In het Tijdloosceen, een helaas gans vergeten tijdsgewricht, leefde de mens samen met de andere dieren op het ritme van licht en donker, de stand van sterren en planeten en het ritme van de regen en de seizoenen. Hij verliet zijn grot bij het krieken van de dag, dat poëtische moment waarop het licht het duister breekt – en ging ’s avonds samen met de kippen op stok. Kippen kwamen toen nog uit een ei. Over wie van de twee het eerst was breekt men zich tot vandaag nog steeds het hoofd. Enfin, ook de kippen waren er toen nog als de kippen bij. Ze scharrelden wat rond, pikten hier en daar een graantje mee, legden af en toe een ei. Bij het eerste duister ging de hele bende gezellig samen zitten pitten, oogjes dicht, snaveltjes toe.
De boer, hij ploegde naarstig voort. Hij wroette en hij zwoegde in het zweet zijns aanschijns, trotseerde zon en regen, storm en wind. Stond de zon op haar hoogst, hij legde het werk neer, zichzelf in het gras en plunderde zijn plunjezak. Hij vierde hoogfeest na het binnenhalen van de oogst, leed honger putje winter, leegde de provisiekast op Vastenavond. Lang leefde hij niet, gelukkig was hij misschien ook niet echt maar hij droeg zijn lot. Hij was beest tussen de beesten, puur natuur en de natuur, dat is bekend, gaat onverstoord zijn eigen gang.
Iemand bedacht het rad. Een andere slimmerd, vermoedelijk uit het Oosten, vond het buskruit uit. Plots werd het ook tijd de tijd te meten. In elke hoge toren beierde een klok opdat de mens misschien nog niet exact maar toch wel ongeveer zou weten hoe laat het was en wat hem dan te doen stond. Bidden tot de almacht of gewoon de mis bijwonen. Een boer of kind ten grave dragen of de aankomst vieren van een hooggeplaatste. Hij wist wanneer de stad haar poorten zou gaan sluiten, er brand of oorlog of enig onheil dreigde. Hij ging leven op de polsslag van de tijd die de kerkklok hem gaf.
Steeds geraffineerder instrumenten vond men uit om de tijd te kunnen meten. De waterklok, de zandloper, men zette streepjes op een kaars. Een klok kon staan of hangen aan een wand. Er verschenen zak- en polshorloges, pendules, chronometers, kwartsuurwerken en wat weet ik al. De atoomklok meet vandaag de dag nauwkeurig tot een miljardste van een seconde.
Toch bleef de mens nog steeds, de natuur getrouw, min of meer baas over zijn eigen tijd. Elk seizoen kwam en ging wanneer de tijd er rijp voor was. Er was een tijd van werken, er was een tijd van nietsdoen en een tijd van feesten. Kwam het voorjaar, kwam ook Pasen. Na de lente kwam de zomer, voor een kind een zee van vrije tijd. Sinterklaas kwam samen met de sneeuw, na kerst en oudjaar gingen we vasten en begon het verhaal weer van voren af aan. De rustige vastheid van het leven. Met het verstrijken van de jaren kwam daar af en toe nog wel een feestje bij, ook daarom werd niet getreurd. Hartjesballonnen, pralines en zwoel kaarslicht op Valentijn, pompoenspookjes met Halloween, elke reden goed om het leven met een feestje op te leuken.
Wanneer het dan gebeurde, kan niemand precies zeggen. De boer, hij ploegde en zwoegde en had niets in de gaten. Na het ene volgde het ander. Alsmaar sneller ging het leven, alsmaar preciezer werd zijn tijd gemeten, hij hield het niet meer bij, de tijd holde hem als een gek voorbij. Nooit nog kon hij even ergens stil bij blijven staan, het ene was nog niet gedaan, het andere bood zich al trappelend aan.
Zo was het nog maar pas september, de zomer is maar net voorbij. Meesters en juffen leren na de uren nog de namen van hun leerlingen uit het hoofd en links en rechts gaat al een kerstmarkt open. Halloween popelt nog voor de deur, we moeten de heiligen en de zielen nog gedenken, het paard van Sinterklaas staat nog op stal en reeds smijt men ons de kerststallen en -bomen naar het hoofd. Slingers, kerstmannetjes, rendieren in hout, gips of steen, kerstballen in triljoenen kleuren, maten en gewichten en zoveel sfeerlicht dat de sfeer er tegen kerst wel helemaal uit zal zijn. Kopen, nu! is het devies. Er is haast bij, de tijd vliegt snel, tijd heeft vleugels en geen teugels, voor je het weet is het feest voorbij en staat de lente voor de deur. De nieuwe tuinmeubelcollectie en barbecue staan te drummen in het magazijn.
Waar is de tijd dat we tijd konden nemen wanneer hij nodig was of we er zin in hadden. Zomaar, vijf minuutjes tijd. Die vind je niet meer, nergens nog, nooit. Hij is weg, verschwunden, foetsie. Tijd is geld geworden.
En dat is ook op, naar het schijnt.

tijd…. Op te eisen en proberen de druk ervan te negeren…
LikeGeliked door 1 persoon