Hallo?
Wie?
Onze Jan? Ach mijnheer, het is altijd iets met onze Jan. Dat heeft hij al van kinds af aan. Wij zeggen het al van toen hij nog in korte broek rondliep, onze Jan, dat is een goed manneke maar hij presenteert slecht op een foto en hij moet wegblijven van een microfoon. Onze Jan, dat is een man voor in het atelier. Maar ja, dat ging natuurlijk niet, met die twee linkse handen van hem.
Weet je wat het is met onze Jan?
Die ziet de dingen anders dan de meeste mensen. Een beetje een artiest, ja, diep vanbinnen. Spijtig genoeg zo diep dat het er dikwijls nogal verfrommeld uitkomt.
Allé. Pakt, die aanslagen toen in Zaventem. Niemand had het gezien maar onze Jan natuurlijk wel. Als enige op heel de wereld. Mijnheer had moslims zien dansen in de straten van Brussel. Wij zeggen allé Jan, moslims dansen toch niet op straat. Moslims claxonneren. Elke zaterdag is dat hier een begankenis van hier tot ginder al van ’s morgens vroeg. Uitslapen, dat kennen die mannen niet. Witte linten aan de auto’s, vensters open. En lawijt! Dan denk ik maar: allé vooruit, er zijn er weer twee van ’t straat. Maar hij maar blijven zeggen, ik heb de beelden zelf gezien, dansen deden ze. Hij kan koppig zijn zenne, onze Jan.
Weet ge wat ge doet, Jan, zegden wij. Schrijf er een liedje over, of een opstelleke, of teken een schoon schilderij. Iets artistieks, zodat ge later altijd nog kunt zeggen, vrije interpretatie. En in uw positie, wie weet hoeveel is een aquarelleke van uw penseel binnen een paar jaar niet waard? Denkt gij dat dat iets geholpen heeft? Niks niemendal, mijnheer moest en zou op tv gaan zeggen wat hij had gezien. Een hoop gezever natuurlijk. Gelukkig heeft Bart hem toen nog kunnen helpen. Over die twee kan een mens boeken schrijven. Jaren al is dat twee handen op één buik. Bart, die kan het wél goed uitleggen. Die kan aan de dingen een draai geven, niet normaal. Dus in Terzake zegt die: Hoe Jan de wereld ziet, dat is een kwaliteit die we moeten koesteren. Wij allemaal zien moslims net als wij van de schrik een gat in de lucht springen, Jan herkent daarin een vredesdans. Dat is die speelse kronkel van het kind dat hij diep vanbinnen nog altijd is gebleven. Schoon hé, toch?
Enfin, nu ben ik mijn draad kwijt.
Ah ja, het atelier. Niks voor hem dus. O, zegden wij toen. Boekhouder. Of iets op de bank maar beter niet aan het loket. Want onze Jan, ge moogt er veel van zeggen maar ik ken niemand die zo goed kan tellen en niemand die beter op de centjes let. Ik weet nog goed. Hij was een jaar of tien en Sinterklaas had een zakje met centjes van chocola in zijn schoen gelegd. Kijk eens tante Jeanne zei onze Jan, en hij beet die cent in twee stukken. Nu heb ik twee cent, zei hij. Knap gezien toch, niet?
Zo hebben ze later samen ook, onze Jan met Bart en Ben en nog een paar, toch die crisis in de jaren tachtig opgelost? Weet ge nog, Wilfried Martens, er is licht aan het einde van de tunnel? Awel, dat licht, dat was onze Jan. Wat we zelf doen, doen we beter, zei hem. Eén regering en zoveel schuld? Wij maken er zes, voor hetzelfde geld. Zes regeringen! Voor elk dialect een eigen kabinet. Doe het maar na hé! Daar kan die Jezus met zijn visjes en zijn pistolekes nog een punt aan zuigen.
Veel respect heeft hij daarvoor niet gekregen. Spijtig genoeg. Hij heeft zich toen wat laten vangen en, ik moet het eerlijk zeggen, daar is zijn degout tegen de vrouwen begonnen. Er was er eentje in dat parlement, domme toch, Myriam, Mergim, Meyrem, ik wil het kwijt zijn, en die zei: Janneman, hoe hebt gij dat gedaan gekregen? En hij, ik zeg het hé, koppig, hij zegt: dat zeg ik niet. En zij: gij moet dat zeggen. En hij: ik zeg het niet. En zij: ik wil hier sofort alle papieren zien, maandag brengt gij die mee. En hij: da gade gij niet bepalen. Maar ja, hij heeft wel moeten toegeven hé.
Maar nu, mijnheer, nu weet ik het ook niet meer.
Vrouwen moeten hun eigen aanpassen. Waar haalt hij dat nu toch weer uit? Ge moogt dat misschien denken maar zoiets zegt ge toch niet? Als minister! Als hij nu had gezegd: alle mensen, iedereen en alleman. Maar nee. Onze slimme pikt er weer een groepje uit. Nu staan ze fameus te dansen in de straten van Brussel. En Bart mag niets zeggen hé, als eerste minister. En als hij het van Valerie gaat moeten hebben, dat hij dan maar hout vasthoudt. Daar is hij nog niet mee aan de nieuw patatjes. Dat is een felle zenne. Zeker als het over vrouwenzaken gaat. Die past haar eigen nog niet zo gemakkelijk aan.
Allé, ik ga voort stofzuigen. Ge hebt nu wel genoeg voor uw gazetje zeker?
Dadakes.
