Tussen zes en zeven in de ochtend

            Onder de deken in het donker nog. In de verte klinkt gezang:
            I hope he will understand.
            Een Lorelei. Ik ken de zangwijs. Ik ken ook de woorden. Of toch die ene zin. Het lied herken ik niet. Ik weet niet wie die sirene is, ook wie he is weet ik niet noch wat hij understanden moet. Mijn geest tast duf en slaperig, geblinddoekt in het duister, in de plooien van de tijd. Was dat niet iets van Prince? Ik weet het niet. Ik wil slapen.  
            I hope he will understand.

            De deken nog wat strakker.
            Verschijnt in beeld een vrouw. Ze zegt te lijden aan het leven. Lijden doen we allemaal, zeg ik haar. Een ander liedje plots, Robert Long: Het Leven was Lijden, als je danste een heiden, als je lachte te luchtig, als je kuste ontuchtig.
            Dat lijkt niet echt te troosten.           
Lijden is van alle tijden, zeg ik.
            Vandaag is anders, zegt de vrouw.
            Zou kunnen. Het kan ook van niet. Ben ik al wakker?
            I hope he will understand   

            De vrouw gaat zomaar weg, een man verschijnt.
            Hij zegt bang te zijn. Bang zijn we allemaal, zeg ik. Robert Long gaat door, zijn liedjes ken ik uit het hoofd: dat is Allemaal Angst, allemaal angst, de allergrootste schreeuwers zijn dikwijls het bangst, en als er ooit iets gebeurt, nou, dan moet het zo wezen, wie het meeste angst heeft, heeft vaak het minst te vrezen.
            Dat lijkt niet echt te troosten.
            Angst is van alle tijden, zeg ik.
            Vandaag is anders, zegt de man, rustig, beheerst. Schreeuwen doet hij niet. Hij is misschien wel minder bang dan hij zelf denkt.
            Hij zegt: ‘De allergrootste schreeuwers wonen in paleizen en sturen jonge goedgelovigen naar het front.’ Ook het front is van alle tijden weet ik, maar ik laat het zo. Tussen nacht en dag is niet de tijd voor een discussie met een bange man.
            Hij zegt: ‘Ik ben bang op een dag op een perron, getroffen door een vingerstraal uit de hemel stokstijf stil te staan terwijl voor mijn ogen de trein vertrekt.’
            ‘Ik kan je niet helpen,’ zeg ik. ‘Laat mij slapen.’
            I hope he will understand.

            De deken vecht tegen het licht.
            Een stoet boze mijnheren trekt met borden in de lucht waarop kleurrijke spreuken staan, aan mijn geestesoog voorbij.
            Moeten we nu ook nog meer bewegen terwijl we toch al moeten werken tot we honderd zijn, schreeuwt een jonge, nog gezonde man. Moet just niks, wil ik hem zeggen. Het leven is keuzes maken. Gemompel in mijn slaap.
            Weg met oranje! De nieuwe president is paars! roept een ander.
            De wereld is om zeep, er gebeuren rare dingen, gilt een derde.
            Uit de vormeloze massa doemt onverwacht het gezicht op van mijn vader:  jij, zegt hij, mag later alles worden, behalve politicus of agent. Hij lacht. Ik lach met hem mee. Hij is mijn vader en ik een kleine jongen op de fiets, beide handen in de lucht, de nieuwe wereldkampioen. Een traan van trots in zijn ogen.
            Het is me niet gelukt, wereldkampioen.
            I hope he will understand.

            Licht valt de kamer in, de deken mijn laatste schild.
            Verschijnt een meisje dat een kind gaat krijgen, een vrouw al voor de wereld. Voor mij een meisje. Elke vrouw onder de zestig blijft een meisje, elk meisje ouder blijft een jonge vrouw. Schoonheid is van alle leeftijden.
            Mannen worden naar men zegt met het ouder worden mooier. Er is nog hoop. Morgen houd ik op met drinken, ga gezonder eten en mijn stappen tellen. Morgen. Vandaag wil ik slapen.
            Legers marcheren, troepen paraderen, armen en benen pompend als ijzeren stangen in een moorddadige machine. Tankers exploderen, een regen van zwarte, zilveren, rode en oranje slingers. Een feestelijk vuurwerk van verspilling en dood.
Mocht het niet zo lelijk zijn, ik zou het mooi vinden.
            Is dit het echte leven, is dit slechts fantasie?
            Is dit een grap of om te huilen?
            Laat me. Laat me. Laat me mijn eigen gang maar gaan.
            Hoog, Sammy, kijk omhoog, Sammy, want daarboven lacht de maan.

            Finaal en ongenadig breekt het daglicht door de deken.
            Ik weet het weer. Cindy heet ze, de Lorelei. Cindy Lauper. Een Madonna-achtige uit een voorbije eeuw.
            She Bop heet het liedje. She Bop, Be Bop Ba Lu Bop, I Bop, You Bop, They Bop. Over zelfbevrediging gaat het.
            Boppen is van alle tijden, zeg ik haar. We doen het allemaal. Het lijkt te troosten. Ze weet nu: He will understand.

Plaats een reactie