Het wordt een marathon. Zes uur maar liefst, toch liggen je verwachtingen voor deze voorstelling hoog. Einde tegen middernacht, dat betekent dus overnachten in die stad met die bedenkelijke reputatie, dat shithole, eerder deze week nam een fanaat op een bromfiets er nog twee levens.
Je hebt er zelf ook al wel eens wat meegemaakt, dat zal je niet een tweede keer gebeuren, niet met deze ezel. Nog voor de trein zijn deuren openklapt, wurm je je portefeuille in je broekzak vooraan rechts, je telefoon links. Daardoor stap je als een bejaarde in een pamper maar het zal een knappe jongen zijn die met zijn tengels aan je rijkdom gaat friemelen.
Dom ben je vanzelfsprekend niet. Jij weet ook wel dat angst aanjagen een verdienmodel is voor politiekers die daar garen bij spinnen. En dat het werkt, net als terreur. Eén idioot op een bromfiets wordt terreuralarm 4 over het ganse land. Jij laat je niet zomaar inpakken, jij doorziet de truken van de foor, met alle Chinezen maar niet met jou.
In de stationshal lopen mannen zonder vrouw of kind met mobiele telefoons doelloos heen en weer. Wellicht sliepen ze vannacht hier ergens in de buurt, op de grond, op een stuk karton onder een vieze deken. Ze hebben vast meer honger dan duiten, je leest het zo van hun gezicht. Even checken of je broek nog goed zit.
Gewoonlijk ga je voor de coole look, lederen tas losjes over je schouder, hier sla je toch de schouderband over je borst want echt, geen tweede keer, om de dooie dood niet. Een vrouw steekt een plastieken bekertje naar je op, op de bodem enkele schamele munten. Haar blik doorboort je hart, je maakt er een steen van; als je elke bedelaar een cent toestopt kan je er morgen zelf bij gaan zitten. Een jonge man met ogen als pek en dito haar kijkt je monsterend aan. Wil hij wat van je?
Je slaat je ogen neer en vlucht de straat op.
Strategisch lanterfant bij de uitgang een groepje mannen, roltabak, blikje goedkope pils erbij, een winkelkar vol kleren en beddengoed. Links ervan op een deken een vrouw en een kind met dezelfde ogen als dat Afghaanse meisje op die poster. Je doet of ze onzichtbaar zijn. Gelukkig moet je rechts.
Je steekt je oortjes in. Een vrouw met Hollands accent wijst je de weg. Haar stem voelt veilig, je loopt met haar in westelijke richting. Twee keuvelende mannen van kleur kijken je na, twintig meter verderop zie je over je schouder hoe ze in jouw richting beginnen te bewegen. Je zet er flink de pas in, tas tegen je lichaam, ook al staat het licht op rood, zonder wachten steek je toch de straat over. De stad bruist, de ganse wereld huist hier, alsof de wind vanuit alle streken mensenkinderen naar de hoofdstad waait. Mensen die er anders uitzien, anders lopen, kijken, denken, ruiken, althans, dat laatste denk je, het is een vooroordeel, je laat niemand dicht genoeg om hun geur te kunnen ruiken. Je voelt je hier wat alleen, een minderheid, dat brengt ongemak. Je kan deze mensen niet lezen, je dicht ze eigenschappen toe waar je geen grond voor hebt alleen maar omdat hun buitenlaag, hooguit vier millimeter dik, een andere tint heeft, je kent ze niet, weet niets van ze, daar bestaat een woord voor.
Je verstand weet, het doet er niet toe wie hier honderd jaar geleden woonde, of gisteren, wie hier geboren werd of van ver gekomen is, het doet er niets en niemendallen toe, al helemaal niet voor jou, jij draagt immers het hart op de goede plaats, jij gelooft niet in grenzen, in religies, in vooroordelen, jij gelooft in dat liedje van John Lennon, in iedereen is gelijk en de meeste mensen deugen al vraag je je diep vanbinnen benepen af hoe dat dan moet, straks, na de voorstelling in het nachtelijke donker, helemaal alleen op straat?
In de lobby ontspant je maag. Lichtvoetig check je in, grapje met de receptioniste, ze lacht in jouw taal. Je valt op je bed, legt je hoofd in je handen, praat met jezelf. Je wil dit niet, je wil zo niet zijn, niet bij vertrek thuis de sleutel twee keer omdraaien, voor het slapen gaan elk slot dubbel controleren, een alarm installeren, de fiets aan de ketting bij de bakker, verontrust over je schouder kijken op straat. Dat ben jij niet. Jij laat je niet door angstprofeten manipuleren, door extremisten intimideren. Jij wil leven, leven zonder angst.
Maar je voelt wat je voelt. Liegen tegen een ander is erg, tegen jezelf nog veel erger. Je kan niet blind zijn voor de gapende kloof tussen je nobele en oprechte gedachten en het weeë wantrouwen in je ranzige buik. Het is uitkijken of je valt.
De voorstelling overigens straks gaat over Waakzaam Zijn. Weldenken. Woke.
Je sluit je ogen. Je schaamt je.

Helaas herkenbaar…
LikeGeliked door 1 persoon