Elke keer als ik voet zet in Antwerpen-Centraal moet ik naar het toilet. Echt elke keer. Vaker plassen hoort bij ouder worden, dat weet ik. Maar waarom precies daar? Die majestueuze inkomhal werkt blijkbaar op mijn blaas als een baby op een moederborst.
De toiletten in dit overigens prachtige stationsgebouw hoeven niet vermeld op de Wereld Erfgoedlijst. Ze zijn, in drie woorden, kaal, kil en klam. Wel proper. En ook merkwaardig duur: je betaalt een volle euro terwijl je er strikt genomen toch een deel van jezelf achterlaat. Gelukkig onthaalt je voorbij het draaihek een vriendelijke mijnheer die je als een dienstbode de weg wijst. Ik werd er zowaar verlegen van. Ik vermoedde in de man een ex-gevangene die in deze baan een tweede kans zag om de trein van zijn leven alsnog weer op de rails te krijgen. Trein, rails, station, hebt u hem? Jaja, ik ben me er eentje.
Op het ritme van de natuur nam ik er de tijd voor. Het is niet meer wat het ooit is geweest: voluit voor- en achternaam pissen in de sneeuw, compleet met hoofdletters en een puntje op de i, zit er niet meer in. Geen erg, voor één euro mag het feest best wel wat langer duren. Naast plasdwang komt met de jaren ook Geduld.
Naast me hoorde ik een man friemelen aan een ceintuur, in minder dan geen tijd klaterde een luidruchtige waterval in het urinoir naast het mijne. Verlegen focuste ik in mijn eigen bakje op de vlieg op het witte email.
‘He he,’ zei de man. De vlieg gaf geen krimp. Ik ook niet.
‘Wat vindt u daar nu allemaal van,’ vroeg de man plots. Hij was groter dan ik, jonger wel maar kaal, stoppelbaard, azuurblauw pak, bruine schoenen. Ik meende hem al eens eerder te hebben gezien maar zou bij god niet weten waar. Ik had ook geen idee waarop hij doelde.
‘Op mijn leeftijd vind je niet meer zoveel,’ mompelde ik tegen de vlieg. Wijsheid, krijg je er met het klimmen der jaren ook zomaar bij. Dat je over alles wat moet vinden, daarmee heb ik het stilaan wel gehad.
‘Dat Pietengedoe,’ verduidelijkte de man. Dat gaf deze conversatie tussen twee onbekende mannen in het herentoilet toch een wat curieuze wending. ‘Zwarte Piet. Roetpiet. In Gent hebben ze zelfs een vrouwelijke Sinterklaas.’ Met kracht lanceerde hij een tweede straal. ‘Zwart ook nog,’ zei hij. Even vreesde ik voor springtij in zijn urinoir.
Van mijn vele gebreken is het onvermogen te kunnen zwijgen als me daartoe de kans geboden wordt, misschien wel de grootste. Ik kan het niet. Ook hier. Ik wilde niet, beet in de koortsblaas op mijn lip, het baatte niet.
‘Zie het zo,’ zei ik, ‘De Sint bestaat niet echt. Het is een doen alsof, zoals carnaval. Er lopen gewoon wat meer poppen in de stoet.’
‘Dit is wel onze traditie,’ gromde de man, geprikkeld door mijn woke woorden.
Plasdrang. Geduld. Wijsheid. Voeg daarbij Bedachtzaamheid.
Ik dacht aan de tijden van niet meer dan één Sint. Die verleende audiëntie op een rode troon in Grand Bazaar. Vandaag tuimelen de Sinten met bosjes tegelijk uit de taxi, elke kind een eigen Sint. Halloween heette nog Allerheiligen toen, die dag herdachten we de doden. Op Aswoensdag moest je een kruisje op je voorhoofd, het begin van veertig dagen zonder snoep. Op kerst kwam eerst de nachtmis en daarna pas de drank. We spraken met twee woorden, zegden u tegen grote mensen, bleven op de tram niet zitten als ouderen moesten staan. Al tradities en gewoonten die zonder veel gedruis verdwenen in het gat van de geschiedenis en vandaag verteerd zijn door de tijd. Enkel over deze blijven we bakkeleien: een oude man in een jurk lokt met snoep en speelgoed argeloze kinderen op zijn schoot en laat zich daarbij hautain bedienen door een zwartgeverfde witte man.
Dat alles dacht ik dus. Maar ik zei:
‘Alles heeft zijn tijd, weet u. Alles gaat voorbij en voor alles komt iets nieuws in de plaats.’ Berusting, zet maar bij op mijn oude mannenlijst.
‘Voor mij is dat de laatste druppel,’ zei de man bits. Een zip van een rits en toen wist ik het. Dat gretige plassen, die raspende stem, de laatste drop. Hij was het, die komiek van the emmer is full!
Buiten knoopte ik mijn sjaal strak om mijn hals en mijn jas tot het bovenste knoopsgat. Het was koud geworden. De Winter staat voor de deur, dacht ik. En meteen daarbij: Wilders dan dit hoeft het voor mij niet te worden.
Want ja hoor, ik ben me er nogal eentje.
