De winterslaap van de grondeekhoorn duurt acht maanden. Dan rinkelt de wekker, tenzij hij op zijn eekhofoon Viva la Vida als ontwaaktune heeft ingesteld. Of Lovely Day. Of Wake me Up. Begin april is het dan, niet vroeger, niet later, de klok van de natuur staat fijner afgesteld dan de nullijn in het Royal Observatory in Greenwich.
Anders dan vaak wordt aangenomen houdt de bruine beer niet echt een winterslaap. Hij rust, intussen wellicht peinzend over de dingen des levens, zoals beren en schrijvers nu eenmaal doen. Soms moet hij even het nest uit, voor een plasje of een drol, beren zijn ook maar dieren. In het voorjaar warmt op de vrolijke tonen van Viva la Vida het berenlijf zich weer op, kriebelt de geur van ontluikend blad de snuivende neus, begint de maag te grollen en jagen hormonen hem vanuit zijn grot de jachtvelden in op zoek naar vis en honing.
Begin september schudt ook De Schrijver de slaap uit zijn leden. Zoals de bruine beer heeft hij de voorbije zomer niet echt geslapen maar gerust. Een negen weken durend feest van ledigheid dat zoals dat met feesten gaat op een dag is leeggebloed.
Wat heb ik met mijn leven toch gedaan die hele tijd, vraagt zich De Schrijver droefgeestig af. Hij rommelt in papieren, luistert naar de diepzinnige gedachten op zijn telefoon die toen hij ze insprak uitermate belangrijk leken en voor de eeuwigheid bestemd.
Een mijnheer heeft tijdens zijn vakantie van twee weken tien boeken uitgelezen, hoort hij zichzelf zeggen. Hijzelf geen enkel. Met Marcel Proust ging hij Op Zoek naar De Verloren Tijd, de tocht is moeilijk en lang, het einde nog bijlange niet in zicht. Hij blaast het stof van Boekwerk 1, De Kant van Swann. Prousts levenswerk, leest hij op de achterflap. En ook: een van de grootste triomfen van de wereldliteratuur.
Smaken en Kleuren, denkt De Schrijver. Zoetjesaan beginnen nu ook zijn hersenen als een middeleeuwse molen rondjes te malen. Wat wil dat zelfs zeggen, grootste triomf? Meest verkocht? Beste boek? Kan je Kunst, Schoonheid, Ontroering in een rangorde schikken? Het mooiste liedje in onze moederstaal: Ruimtevaarder? Ploegsteert? Twee Meisjes? Of toch maar iets van Bram Vermeulen? Hoe moet je dat bepalen?
De Schrijver weet het niet. Het beste boek van deze eeuw? Geen beginnen aan. Vraag je een moeder of een vader ook welk kind hun mooiste is? Zijn verzameling Schoonheid en Ontroering staat in de boekenkast alfabetisch gerangschikt op auteur. Een beetje Ordnung muss sein, het leven is al ingewikkeld genoeg.
De bladwijzer in De Kant van Swann steekt op pagina 296. Meester Proust schildert met het fijnste penseel tot in detail en met de kleurrijkste verf elke nerf van elk blad van elke boom in het grote bos. Je ruikt de versgebakken madeleines, voelt de prille lentezon, kuiert doelloos mee over de velden. Dit kunnen er maar weinigen, denkt De Schrijver bescheiden. Hijzelf al helemaal niet. Maar toch ook vermoeiend soms. Langdradig. Meer dan een keer is hij tijdens het lezen ingedommeld. De eerste zin op pagina 296 telt tweeënzeventig woorden, de tweede tweeënzestig. De beer in De Schrijver grijnst kwaadaardig, de eerste zin van zijn eerste stukje na de zomerslaap is acht woorden lang, de tweede zestien. Vast geen triomf in de wereldliteratuur.
Grappen over Proust wordt in literaire middens als heiligschennis aanzien, weet De Schrijver. Het zij zo. Een Schrijver heeft het vrije woord, al denkt de grote Grunberg daar blijkbaar anders over.
Het tweede boek dat hij niet uitgelezen kreeg, was Alkibiades, door Ilja Pfeiffer. Een idool. Pfeiffer is de Nafissatou Thiam van de Nederlandse Letteren die hoog verheven boven de kleine letterprutser die De Schrijver is vanop de top van de Olympos minzaam neerkijkt op de wereld en zijn geschiedenis. Dit boek is groots en meesterlijk, een hoogfeest van taal en opzet. Een tikje ingewikkeld ook toch, vindt De Schrijver die verdwaalde in de talloze intriges, veldslagen en kampwisselingen. De kleine letters van de bijna tweehonderd pagina’s tellende reeks voetnoten dansen ook na zijn zomerslaap nog als glimwormen in het donker voor zijn ogen.
Ach, denkt De Schrijver, de zomer is voorbij, het is het nu dat telt. Op zijn bijna versleten HP scrolt hij door de nieuwsberichten. Omgekeerd evenredig met het stijgen van zijn lichaamstemperatuur daalt zijn humeur. Voor aanvang van zijn zomerslaap had men beloofd alras nieuwe regeringen te vormen, de kaarten hadden er nog nooit zo gunstig bijgelegen. Vandaag zegt men te moeten wachten tot de kerst. Over bedwantsen in asielcentra leest hij. Over overbevolkte gevangenissen, mannen die hun vrouw ombrengen omdat ze succesvoller zijn dan zijzelf. Over nucleaire sites, scholen en crèches die worden gebombardeerd, steden die worden platgewalst.
Mensen zijn ook maar dieren, denkt De Schrijver, net als beren. In de tuin zoekt hij de twee eekhoorntjes die in het voorjaar nog vrolijk in de bomen klommen. Ze zijn er niet. De winter komt eraan.
