Mijn Lieve Fietseling
Ik beken, ik had beter voor je moeten zorgen.
Je niet na een tocht langs het kanaal achteloos aan het haakje moeten hangen in het houten tuinhuis. Het niet als vanzelfsprekend moeten beschouwen dat jij wel weer geduldig wachten zou op de dag waarop ik je weer een keer uit zou vragen.
Ik had, Mijn Lieve Fietseling, niet ijdel en hooghartig moeten geloven dat jij voor eeuwig en altijd bij mij zou blijven. Je aan de ketting moeten leggen zoals in deze contreien gangbaar is, dubbel op slot, onder het altoos toeziend oog van een sluiks in een hoge hoek gemonteerde camera. Te weinig deed ik om te voorkomen dat jij, hetzij op eigen kracht, hetzij bijgestaan door een vooralsnog onbekend persoon – ons verbond zou verbreken, naar het zich laat aanzien voor immer en altijd.
Vaak liet je me lijden, Mijn Lieve Fietseling. Toch bleef ik in de kern van mijn gemoed steevast geloven in ons samenzijn tot de dood, of dan minstens toch tot een of andere fatale kwaal ons scheiden zou. Geen seconde wilde ik je kwijt, hoezeer je soms ook mijn rug liet kraken, mijn dijen exploderen, mijn kuiten branden. Weet je nog hoe we ooit als uit één stuk hotsend en botsend over de bonkige bulten klauterden tussen het Hageland en de zee, stapvoets haast, een kruipdier op twee wielen, rochelend, kreunend? De Kwaremont! De Koppenberg! De Muur! Soms proef ik nog het slijk tussen mijn tanden. Ik schreeuwde tegen je, brulde, elke spier, elke klier, elke vezel stond op springen, als het aan mij gelegen had, ik had je daar en dan in gracht of sloot gekieperd en meteen een aansluitingskaart ondertekend bij een club voor bridge of petanque. Niet jij. Jij gaf geen krimp. Jij hield monotoon je ketting draaiend, liet je wielen traagzaam rondjes malen tot we ons doel hadden bereikt.
Ook jij denkt vast vertederd terug aan hoe ik je na een douche en lange nacht in bed met een zachte spons liefkozend baadde in een warm sopje en je daarna droogde met de lange, zachte halen van een droge doek. Als een verliefde jongen streelde ik je carbon kader schoon, sprenkelde een drupje olie op je delicaatste plekjes, blies verse zuurstof in je dunne banden, tikte speels en flirterig op je gladde, harde zadel en hing je dan te rusten aan je haakje.
Lieve Fietseling, je was erbij wanneer we de pijngrens ver voorbij, de top bereikten van een of andere alp. Eerst poseerde je nog als een pauw voor de ijkpaal waarop naam en hoogte van de berg, dan leidde je me kundig weer het dal in. Verstijfd van angst was ik, benauwd voor hoge hoogten, belemmerd door belabberd dieptezicht. Verkrampt klampte ik mijn vingers om je remgrepen, pijnscheuten van duim tot hersenpan. Je negeerde mijn weerbarstigheid in elke haarspeld, sneed er soepel en gezwind doorheen. Ook jij moet toch de opluchting hebben gevoeld wanneer in de laatste glooiende kilometers mijn lichaam zich ontspande, mijn benen weer vrolijk op je pedalen gingen dansen, de wind een zomerlied in mijn oren componeerde. Leek ik bij aankomst een uitgemergeld levend lijk, bleek, zweterig, zwijmelend van de dorst, jij bleef onaangedaan, helemaal nog je smetteloze wit, glanzend, trots, altijd als nieuw. Jij was waarlijk mijn stalen ros, ik noemde je mijn Liefste Fietseling.
Hoeveel uren, dagen, kilometers brachten wij niet samen door? Waar op de wereld waren wij? Bergen, dalen, bossen en valleien. Hoe sterk waren jij en ik, in alles één? Ik, kromgebogen over jouw stuur tegen de wind en jij, immuun voor regenweer, wegenwerken of oneffenheden in de weg? Waar ik ging, ging jij met me mee en ook jij ging nergens naartoe zonder mij.
Op een noodlottige ochtend, Liefste Fietseling, was je er niet meer. Weg. Foetsie. Ribbedebie. Het deurtje van jouw tuinhuis wijd open, je haakje leeg. Ik wist meteen: die is heen. Die zie ik nooit meer terug, zoals dat meisje Annabel in dat liedje. Geen afscheidsbrief, geen laatste woord; je ging, zoals men weleens zegt, als een dief in het midden van de nacht. Niemand weet waarheen, niemand weet met wie.
Is dit mijn straf dan, Mijn Liefste Fietseling?
Is een leven zonder jou de prijs die ik betalen moet voor mijn achteloze onachtzaamheid? Ik weet, het leven deelt elders raker klappen uit. Elke dag explodeert ergens wel een ziekenhuis, elke dag zoeken een vader en een moeder tussen het puin de laatste resten van hun kind. Ik weet het.
Toch doet het pijn. Ik voel me als die middeleeuwse minnestreel die zich door zijn zielsverwant verlaten wist. Dus ik vraag je
Mijn Liefste Fietseling
waer bestu bleven
Mi lanct na di gheselle mijn
