Duifdenken

          Elke ochtend landt rond tien uur een duif op een kale tak in de kruin van de boom in de tuin. Die tak gaat daardoor lichtjes wiegen, als drijfhout in open zee. De duif deint dan gelaten mee, duiven weten dat in het universum krachten huizen die zij niet verklaren kunnen en waartegen hier op aarde niets of niemand iets vermag. Peinzend kijk ik dit gebeuren aan. Zo immers vul ik mijn dagen: koffiedrinkend staren door het raam, mijmeren over mensen, het universum en het leven.

          Schichtig draait de duif de kop naar links, naar rechts, pikt met zijn snavel driftig onder zijn rechtervleugel. Waar het jeukt, moet ook een duif krabben. Ik probeer hem na te doen, het lukt me niet, het ziet er bovendien belachelijk uit. Jij kan dingen die ik niet kan, mompel ik. Ik ben een man die tegen duiven praat. Het beest wiegt zwijgend verder op zijn tak.
          Als een oudje achter een raam staart de duif in de leegte onder hem. Hem, zeg ik, al kan ik daar niet stellig over zijn. Bij mensen valt geslacht of gender meestal nog te raden, bij duiven ligt dat anders. Heb je er één gezien, dan heb je ze allemaal gezien.

          Heel alleen zit hij daar terwijl duiven, dat is toch algemeen bekend, liefst in gezelschap verkeren. Ik ben geen duif, zo blijkt maar weer. Sociale dieren zijn het, vriendelijk, zorgzaam, zuiver van hart en ziel. Duiven leggen voor zover wij weten geen plechtige geloften af, hullen zich niet in opzichtig verenkleed, organiseren geen overdadig eetfestijn, toch beloven ook doffer en duivin elkaar liefde en trouw tot de dood hen scheidt. Bouwend aan de toekomst sleept het mannetje bladeren en takjes aan waarmee het vrouwtje een gezellig nestje knutselt. Duiven houden van strak afgelijnde rolpatronen, zij vinden het leven op zich al ingewikkeld genoeg. De eieren broeden zij samen uit, hij overdag, zij ’s nachts. Beiden leveren zij melk aan uit de krop in hun keel, later zorgt zij voor de kinderen en beschermt hij het nest. Mijnheer Den Uil zei het in mijn kinderjaren al, dieren zijn precies als mensen, met dezelfde mensenwensen, dat staat allemaal in de krant.

          Toch zit elke ochtend tegen tienen deze duif in zijn eentje op een kale tak in een boom in mijn tuin. Wat hij daar zoekt? Wellicht denkt hij daar net als ik na over de duiven, het universum en het leven. Of speelt hij stiekem schalks op weduwschap? Honger immers is de beste saus. Erger misschien, er ging wat mis met de liefde van zijn leven. Sliep zij toevallig in de hoek van het portaal waar een onverlaat een handgranaat naar binnen wierp? Duiven hebben net als kinderen tegen granaten geen verweer, zelfs produceren zij, alweer voor zover wij weten, geen moordend wapentuig om soortgenoten van het leven te beroven. Vloog zijn eega stomweg tegen de wentelende wiek van een windmolen? Botste ze, met gesloten ogen dromend over het geluk dat het leven haar geschonken had, tegen de vleugel van een vliegtuig aan?
          Duiven maken dingen mee waar een mens geen weet van heeft. Bitter weinig weten wij over het leven van een ander. Duiven, zegt de volksmond, zijn de ratten van de lucht. Nergens goed voor. Ze schijten op de standbeelden van onze voorvaderen, op de pas gewassen voorruit van je wagen en op je kop. De volksmond doet er vaak beter aan de lippen op elkaar te houden. Zo misprijzend denkt alleen de mensensoort die in iedereen en alles wel een vijand ziet terwijl de duif toch staat voor liefde, vrede en geluk.
          Mij zou het niet verbazen mocht in Duivenland mens een grover scheldwoord zijn dan rat.

          Misschien, kan best, grote geesten denken immers gelijk, kiest deze duif precies deze boom omdat hij en ik verwante zielen zijn. Brengen de geheimzinnige krachten in het universum hem en mij bij elkaar omdat hij daar op zijn tak en ik hier achter het raam hetzelfde denken over dezelfde dingen. Misschien wordt ook hij soms wakker in het midden van de nacht om te staren naar de sterren aan de hemel, zich vragend: Moeder Duif, waarom leven wij? Ook duiven hebben, dat is vast wetenschappelijk bewezen, net als mensen muizenissen in hun hoofd, knopen in hun maag, kroppen in hun keel, al levert dat laatste bij hen tenminste nog wat melk op voor de kleintjes.
          In wat voor wereld leven wij, vraagt deze duif zich af, als iemand zes miljoen betaalt voor een banaan terwijl 45 miljoen kinderen aan ondervoeding lijden. Acht miljard mensen, hoe lang nog voor de planeet bezwijkt onder dat obees gewicht? Hoeveel graden warmer nog voor de natuur meedogenloos finaal de boeken sluit? Ook dat vraagt deze duif zich af.        
          En ook, ik voel het, is dit nu alles? Je gaf je ziel en zaligheid aan je duivin, zocht voor je nest het mooiste blad, de beste tak, beschermde vrouw en kroost tegen tegenslag en onheil, streefde een leven lang naar liefde en geluk en aan het eind zit je alleen met jezelf op een kale tak in een kille, herfstige tuin, aangestaard door een oud mannetje achter een raam.
          Dat allemaal denkt die duif.
          Of het ligt aan mij, kan ook altijd.

Frekkel

          Mijn kinderen hebben geen kinderen en daar kan ik best mee leven. Toch droom ik soms over een kleinzoon op mijn schoot, een schattig knaapje van een jaar of zes, twee druppels zijn opa zestig jaar geleden, op zijn hoofd de tere krulletjes van een engel, hemelsblauwe ogen, zijn vrolijke gezicht bezaaid met fijne sproetjes waardoor ze hem al in het eerste leerjaar Frekkel zijn gaan noemen.
          ‘Zeg eens jongen,’ vraag ik hem, ‘wat wil jij later worden?’ Blijkbaar heeft hij daar al over nagedacht, hij antwoordt binnen de seconde:
          ‘Reporter ter plaatse,’ roept hij luid, hij weet dat de oren van zijn opa hun beste tijd wel hebben gehad.

          Van trots gaan mijn ogen glimmen. Helemaal generatie Alpha is dit kind, geboren in een tijd van FOMO en Kijk-naar-mij. Wat er waar ook in de wereld gaande is, hij wil erbij zijn. Tevens is hij slim genoeg zich voor die ongebreidelde nieuwsgierigheid royaal te laten betalen, ik mag hopen dat hij zich alleen al van de onkostennota’s aandelen kan verwerven in een ethisch verantwoorde onderneming voor wanneer hij zelf met een kleinzoon op de knie zal zitten. Dit kind verstaat nu al de kunst om zich handig in het brandpunt van een gebeuren te posteren en tegelijk toch aan de zijlijn te blijven, als een partijleider die ongestoord kritiek mag geven op een regering waarin zijn eigen team de lakens uitdeelt.
          Veel hoeft hij bovendien niet te kunnen om zijn dromen waar te maken. Marsorders volgen en herhalen wat hem wordt voorgekauwd brengen hem al een eind op weg.
          De orders: download je ticket, pak je koffers, stap op het vliegtuig. Ter plekke zoek je een telegenieke plek, laten we zeggen een heuvel met uitzicht op de puinhopen na het bombardement, een hotelbalkon met panoramisch vergezicht over de kolkende modderstromen, desgevallend met blote voeten in de branding van de oceaan voor het buitenverblijf van de presidentskandidaat. Steek je oortje in en luister naar het anker in de studio, kijk bekommerd in de camera en herhaal:
          ‘Dag Reporter ter Plaatse, op de beelden achter je zien we een en al ellende, is het niet?’
          ‘Zeker Anker. Zoals je ziet is het hier een en al ellende, de slijkerige bruine brij stormt als een vloedgolf door de stad.’
          ‘We zien drijvende auto’s, ontwortelde bomen, huizen die tot de bovenverdieping onder water staan.’
          ‘Het is vreselijk wat hier gebeurt, Anker. Auto’s drijven door de straten, bomen worden losgerukt, huizen staan tot aan het dak onder water.’
          ‘Hoe reageren de mensen? Zijn ze boos? Op de overheid misschien?’
          ‘O ja, de mensen zijn heel boos en verontwaardigd, Anker, met name op de overheid. We vroegen het enkele voorbijgangers op straat, kijk even mee naar de reportage.’
          ‘Dank je wel, Reporter ter Plaatse, en wees alsjeblieft voorzichtig, we willen je heelhuids terugzien.’
          Klaar is kees.

          Trots als een pauw druk ik mijn kleinzoon tegen me aan. Zes nog maar en al helemaal een man van deze wereld. Nu al beseft hij donders goed dat het in deze tijd belangrijker is interessant te lijken dan het echt te zijn. Je hoeft niet per se meerwaarde meer te bieden om status en welstand te verwerven, het volstaat in beeld te komen, deel te worden van de show. Dit kind gaat het vast nog heel ver brengen.
          ‘Het gaat niet zo best met het nieuws vandaag de dag,’ vraag ik hem, ‘er is meer fake dan echt, heb je dan een plan B?’ Even denkt hij na.
          ‘Influencer misschien,’ zegt hij dan. Ik hoor aarzeling in zijn stem, hij is bang dat zijn oude opa zich bij deze roeping niet zoveel kan voorstellen. Hij heeft gelijk.
          ‘Daar zijn er wel al veel van, lees ik overal,’ antwoord ik. Even zwijgen we allebei.
          ‘Weet je? Je zou bijvoorbeeld ook opiniepeiler kunnen worden. Je bouwt vooraf een ruime foutenmarge in en zit je er nadien toch nog mijlen naast, dan komt dat door de kiezer. Die is immers, dat is algemeen geweten, wispelturig als de wind.’
          De jongen gaapt en schikt zich op mijn schoot.
          ‘Federaal formateur, kan ook altijd,’ kom ik nu op dreef. ‘Lukt het niet, dan ligt dat nooit aan jou maar aan de koppige karakters aan de tafel. Of klimaatactivist, altijd werk. Stoelgangspecialist of menopauzewatcher, krijg je een eigen televisieshow. Magazijnbeheerder van bestanden in de cloud zodat een mens makkelijk zijn oude documenten terugvindt, ook heel erg nodig.’ Ik hoor hoe het kind op mijn schoot dieper gaat ademen, aai dromerig de fijne krullen op zijn hoofd.
          ‘Ach, van opa mag je alles worden wat je wil hoor, zolang je maar gelukkig bent.’ Dat laatste heeft hij vast niet meer gehoord.
          Als hij maar geen voetballer wordt, ze schoppen hem misschien halfdood, flitst me nog door het hoofd, al is dat misschien meer een beeld van vroeger. Stilletjes leg ik hem in zijn bedje en teken een kruisje op zijn voorhoofd.

Over de schoonheid en de troost

               Soms staat een mens het water aan de lippen. Al het donker uit de grond wrikt zich langs de scheuren en de kloven onderaan je voeten een weg naar binnen, je lichaam loopt van je tenen tot je kruin vol met zwaarte en zwartgalligheid. Je verstikt in je bestaan, licht heb je nodig, lucht en ruimte, het is de hoogste tijd voor decompressie, ontspanning, ledigheid.
          Wie het kan, boekt een kleine reis naar Dubai voor een dag of tien en laat zich daar exotische luxe welgevallen. Een ander zweet de zwaarte van het leven uit bij eucalyptusgeuren in de buitenmaatse hitte van een warmtecabine en laat zich achteraf onder zachte handen suf masseren. De strijdmacht van dit land, zo lees ik in mijn krant, zuipt zich in een buitenlands hotel de pampus en gaat dan gretig op de vuist.
          Ikzelf daarentegen, immer minzaam en zachtaardig als een pasgeboren kind, zoek vertroosting in de schoonheid in de wereld van de zeven kunsten.

          In een uithoek van het land belandde ik in een zaal die men daar theater noemt. Vijf vrouwen brachten een bewerking voor het voetlicht van een boek over het lange leven van een vrouw. De Jaren heet dat boek, geschreven door Annie Ernaux die ondermeer daarvoor met een Nobelprijs werd bekroond. Dat laatste kan eenieder zomaar overkomen, daarom ook dat ik in een vlaag van overmoed onlangs een werk van eigen makelij verzond naar een befaamde uitgeverij. Wellicht slaapt men daar nog, of is men op vakantie, of liggen de werken tijdelijk stil wegens verbouwingen. Ik houd u op de hoogte.
          Beeldend en beklijvend regen de dames fragmenten en citaten uit het boekwerk aan elkaar. Zij smeten zich ten volle, het podium hun speelterrein, zij lachten en zij dansten doch schuwden ook de bitterste pijnen niet. Zij namen de bezoekers bij de hand of grepen ze krachtig naar de keel. Het schuurde en schampte soms en somtijds deed het pijn, zoals dat in het leven gaat. In het publiek begon een vrouw te huilen, anderen stampvoetten met haast militair vertoon het theater uit.
          Kunst mag dan de blik zijn in haar ogen, kunst krast tevens soms ook nijdig op de ziel.

          Ik bezocht de expositie van Emile Claus, een verfkunstenaar uit vervlogen tijd. Een waterval van kleuren, hoogzomer in november en oer-Vlaamse thematiek. Van nature ben ik niet die fiere Vlaam, toch liet ik me door de schilder voeren naar het platte land van de boeren, twee voeten in Vlaamse klei, kinderen in een dorpsschool, modderige bietenvelden, waterige akkers dooraderd door kronkelige beekjes en omzoomd door bonkige populieren. Het Vlaanderen van Brel en van Gezelle en hier toch ook een beetje van mij.
          In het meisje op het schilderij De Hooister had een man zowaar zijn eigen oma herkend, nauwelijks zestien was ze toen de schilder haar beeltenis aan het canvas toevertrouwde, blote voeten in het veld, op de schouders een bussel hooi, mistroostige blik, gebukt onder de lasten van de tijd. Ook in 1896 zal het leven af en toe wel lijden zijn geweest.
          Dat was het ogenschijnlijk toch voor de weduwe van de schilder. Na zijn dood liet zij zijn lichaam opdelven om het te begraven in haar eigen tuin, enkel en alleen opdat zijn minnares niet langer bloemen kon gaan leggen op zijn graf. Liefde, zo blijkt, overstijgt de dood, zoals muziek dat doet, of beelden en verhalen.

          Tussen de bedrijven door voltooide ik ook een boek, als lezer weliswaar. Het Achtste Leven (voor Brilka), door Nino Haratischwili, over vier generaties van een familie in Georgië, over de revolutie van Lenin, het juk van Stalin, de omwenteling onder Gorbatsjov. Kunst legt verbanden, schept inzicht. Ik prees me gelukkig hier te zijn geboren en niet daar, u zou het ook moeten zijn. In dit ondermaanse je geluk herkennen is ook een kunst. Stop dus met zagen en met zeuren, elders is het heus niet beter. Toen ik het boek dichtklapte stapte Joe de cowboy naar de stembus, u weet hoe dat is afgelopen.
          Gelukkig, zo mocht ik ook besluiten, verschijnt aan het eind altijd weer een leeg wit blad, een nieuwe kans op een nieuw verhaal. Het is nooit voorbij voor de dikke dame stopt met zingen, altijd draait de wereld door. 1272 pagina’s telt dit epos, elk woord doet ertoe, elk leesteken, elke witregel, elk wit blad, (voor Brilka) in de titel staat niet zomaar tussen haakjes. Zelfs de laatste bladzij, nochtans blank en onbeschreven, treft je in je hart.
          Want ook dat doet kunst: voelbaar maken wat het oog niet ziet, wat het oor niet hoort, en je dan daarover aan het denken zetten.

          Ik moest huilen haast, dat deed ik toch maar niet. Elders op de wereld worden bitterder tranen vergoten, met meer recht en reden dan om schoonheid of ontroering.
          Wat mij betreft, ik had gevonden wat ik zocht. Ik kon weer door.
          Met frisse moed begon ik aan dit toen nog onbeschreven blad.

De waan

               Laten we doen alsof er niets gebeurd is, al was het voor één dag.
               Hemelpoorten zouden openscheuren, banbliksems en hellevuur nederdalen over onze hoofden, zeeën zouden stormen, tempels en kathedralen splijten en verkruimelen. Of op zijn minst zou toch de stemming in onlusten ontaarden en tot een burgeroorlog leiden die de grenzen van gods eigen land ver overstijgen zou.

               Zo is het niet gegaan.
               In de Verenigde Staten van Amerika, door velen geroemd als de moeder aller democratieën, mocht het volk bepalen wie van de zegge en schrijve twee door multimiljonairs gesponsorde kandidaten morgen leiding zal gaan geven. Het volk deed wat het volk wel vaker pleegt te doen: het verkoos de verkeerde.
               Dat is althans hoe wij dat zien. De kiezer heeft gelijk, tenzij hij wat anders doet dan wijzelf zouden doen. Average Joe koos ervoor de ene oude witte man uit zijn fraaie witte huis te trappen teneinde plaats te ruimen voor een andere oude witte man.
               Wij begrijpen zulke dingen niet

               Joe, wat doet u nu, zo vragen wij.
               Wij keken door de foute bril, lieten ons verblinden door eigen wensen. Meer dan eens verdwaalden wij in oeverloze debatten. Als drenkelingen in open zee klampten we ons vast aan professoren en geleerden die hun wijsheid ook maar haalden uit statistieken, tabellen en analyses. We raadpleegden glazen bollen, wat als dit en wat als dat en gingen in onze zelf bedachte antwoorden geloven. Wij peilden bij journalisten en reporters die vandaag, ter plaatse staande voor een palmboom met buigend hoofd bekennen: neen, ook wij hadden dit niet gezien. De peilingen nochtans.
               Zo gaat het elke keer opnieuw, de peiler wikt, de kiezer schikt. Ik ga voor partij X, bekende ooit een drinkebroer in een café, want die gaan winnen. Niks inflatie, niks LGBTQ, niks politiek. Hij koos een winnaar.

               Meningen hebben wij voldoende, weten doen we veel te weinig.
               Wat weet De Slimste Mens alhier over de pindaboer in Carolina? Over de Irakveteraan in een verloederd trailerpark in een verloren hoek van Florida? Beetje wind en je woonwagen staat te pootjebaden in de oceaan, daar denken wij hier niet aan. Dat de regering het klimaat aanstuurt, hoorde ik onlangs een vrouw beweren. Ze had het van een nieuwsbericht op Fox. Of van een voormalig president, they’re eating the dogs. Dat vinden wij hier te gek om los te lopen, maar daar? Alles is er mogelijk. Yes, we can.
               Wij begrijpen dat niet.
               In een labyrint van vooroordelen lopen wij verloren.
               In het land van Uncle Sam, zo redeneren wij, vreet het volk zich vet aan burgers, draagt iedereen een wapen en beslecht men discussies met de vuist. De armen slapen er op straat, de rijken zijn er stinkend rijk en wie langs Start passeert krijgt duizend en één kansen.
               Met nog banger hart blikken we in de toekomst. De dag van morgen ligt besloten in de hand van god, al is ook die naar verluidt het noorden kwijt. Geen god die ons vertellen kan wat nog komen zal. Enkel dat we doodgaan, ja, dat weten wij, dat voelen wij aan ons hartje.

               Doch kijk.
               Vier nachten zijn sindsdien verstreken. Nog altijd maalt de aarde gelijkmatig om haar eigen as, begint de dag met licht en eindigt hij met donker, nog altijd ziet de mens zichzelf als het centrum van de schepping. Nog altijd doet hij zomaar wat, op weg naar niets.
Geloof mij, er is niets gebeurd.
Ergens huilden mensen, elders werd gelachen.
Ergens werd een kind geboren, elders ging een ander dood.
Ergens werden raketten afgevuurd, elders deed men aan de liefde.
Alles bleef zoals het was.
De dag van morgen zal niet anders zijn dan die van gisteren of vandaag.
Alleen de waan zal weer een andere zijn.

November

               Gisteren belden twee kinderen aan. Een jongen in een wit laken met twee gaten in om doorheen te kijken, een meisje verkleed als bloedend geraamte. Ze hield een zeis in de hand. ‘Halloween,’ brulden ze, vast met het doel me te laten schrikken. Ik gaf geen krimp.
 ‘Hallolach,’ antwoordde ik prompt. Terwijl ze beteuterd met de zeis tussen hun benen afdropen riep ik ze nog na: ‘Geraamtes bloeden niet!’. Een Chagrijnige Oude Man te worden was altijd al een kinderdroom.
               Op Allerheiligen loop je nu eenmaal niet te bedelen langs de straten, mijn gedacht. Deze Kleine Jan heeft op school geleerd dat je op deze dag de doden gedenkt. We trekken in trossen naar het kerkhof, spons en emmer als gebedenboeken in de hand. We spoelen de dode bladeren van de grafstenen en zetten kleurrijke bloemen in de plaats, acht of twaalf euro, daar ligt een mens echt niet wakker van.
               Tenminste, dat doet u misschien, mij zie je daar niet vandaag. Deze Mopperende Oude Man vindt dit alles toch een beetje Valentijnsdag voor de doden. Toen het lijk nog warm was huilden we de ziltste tranen, bezwoeren we de aflijvige nooit nog te vergeten, elke dag aan hem of haar te denken en ervan te blijven houden voor eeuwig en één dag. Die ene dag is dan vandaag.

               Toch ben ik diep vanbinnen, ik biecht het op met enige schroom, een kerkhoftoerist. Menige wandeling leidt me naar een dodenrijk, dichtbij gelegen of verder weg. Nergens is dan een hond te zien, wel vaak hier en daar een kat. Tussen de grassprieten hoor je onvervulde dromen en gedachten ritselen, op de wispelturige, kille herfstwind vervliegen flarden hoop en grote verlangens. Daartussen kuier ik dan bedachtzaam, met de handen op de rug als een schrijver op zoek naar inspiratie. Ik lees de namen op de zerken en u mag dat gek vinden, ook sla ik soms een praatje met wie onder de zerk ligt. Eerlijk waar, vaak vind ik het makkelijker praten met de mensen die er niet meer zijn. Ze zeggen alleen maar wat je het liefst wil horen en gunnen jou het laatste woord. Dat kom je bij leven zelden tegen.

               Naar men zegt is in het dierenrijk alleen de homo sapiens zich van zijn sterfelijkheid bewust. Misschien hechten we daarom zo krampachtig aan het leven. Daar ben ik vaak mee bezig, u hebt vast wat beters te doen.
               Ik blijf staan bij een vrouw van vijftig. Haar jaren later overleden zoon, vijfendertig slechts geworden, rust in hetzelfde graf. Een bijzondere liefde, fluistert de vrouw. Ik stel geen vragen, doden hoeven nergens nog voor te liegen en zich voor niks te schamen. Niemand kan ze nog wat maken.
               Inger V verderop, ook nauwelijks eenenvijftig jaar geleefd. Ik realiseer me dat ik oud ben mogen worden. Een half jaar na haar stierf ook haar echtgenoot. Het feest der liefde overstijgt het leven: na het echtelijke bed delen zij nu ook het echtelijke graf.  
               Naast Inger en haar man rust Louis W, een IJzertoren in de zerk gegrift, AVV VVK. Ik zie een leven lang gewijd aan Vlaamse onafhankelijkheid, ontvoogding, Leuven Vlaams, wat Waals is vals is. Het leven is een strijd.
               Naast hem geen eigen volk. Vanja C, meer medeklinkers in haar onuitspreekbare naam dan jaren in haar leven. Op de foto een vrouw in joggingpak, gestifte lippen, brede glimlach. Hoeveel rondjes liep je rond de vijver om toch zo lang het kon fit te blijven, lieve Vanja? Slank, sterk en gezond tot de dood je toch kwam halen? Waarvan droomde je toen je je verre land ruilde voor deze kille plek? Veel tijd was je niet gegund, tweeënveertig, Vanja, is erg jong om dood te gaan. Daar dacht ik toen er op mijn kruin nog blonde krullen bloeiden, anders over. I hope I die before I get old, ik meende het echt. En kijk nu.
               Stokoud worden wil ik dan toch ook weer niet. Las ik onlangs niet dat de eerste mens die duizend jaar oud zal worden, vandaag al is geboren? De wetenschap staat voor niets, geloof mij, het menselijk vernuft heeft haar buitengrenzen nog bijlange niet bereikt. Ik vraag u: als het kan, moet je het daarom ook willen?

               Mezelf geselend met vragen slenter ik van graf naar graf. Het kinderperk laat ik links, nergens slaat de zinloosheid van het bestaan me harder in het gezicht. Het leven is een tranendal, zoveel weet ik inmiddels wel.
               Dicht bij de uitgang praat ik nog even met Zulma D, geboren, getogen, geleefd en gestorven rond dezelfde kerktoren, van 1907 tot 2001. Twee grote oorlogen meegemaakt, fascisme en communisme zien komen en gaan, de tijdlijn overbrugd tussen bajonet en mosterdgas in het Westen tot dagelijkse lange afstandsraketten in het Oosten, tussen paard en kar en Tesla, tussen boerenkool met worst en quinoa glutenvrij.
               Zeg mij, Irma, vraag ik stil, denk goed na, neem je tijd, het is niet dat je daar veel omhanden hebt: dat heilige leven dat wij zo graag beleven, vind jij dat nu achteraf bekeken allemaal de moeite waard?