November

               Gisteren belden twee kinderen aan. Een jongen in een wit laken met twee gaten in om doorheen te kijken, een meisje verkleed als bloedend geraamte. Ze hield een zeis in de hand. ‘Halloween,’ brulden ze, vast met het doel me te laten schrikken. Ik gaf geen krimp.
 ‘Hallolach,’ antwoordde ik prompt. Terwijl ze beteuterd met de zeis tussen hun benen afdropen riep ik ze nog na: ‘Geraamtes bloeden niet!’. Een Chagrijnige Oude Man te worden was altijd al een kinderdroom.
               Op Allerheiligen loop je nu eenmaal niet te bedelen langs de straten, mijn gedacht. Deze Kleine Jan heeft op school geleerd dat je op deze dag de doden gedenkt. We trekken in trossen naar het kerkhof, spons en emmer als gebedenboeken in de hand. We spoelen de dode bladeren van de grafstenen en zetten kleurrijke bloemen in de plaats, acht of twaalf euro, daar ligt een mens echt niet wakker van.
               Tenminste, dat doet u misschien, mij zie je daar niet vandaag. Deze Mopperende Oude Man vindt dit alles toch een beetje Valentijnsdag voor de doden. Toen het lijk nog warm was huilden we de ziltste tranen, bezwoeren we de aflijvige nooit nog te vergeten, elke dag aan hem of haar te denken en ervan te blijven houden voor eeuwig en één dag. Die ene dag is dan vandaag.

               Toch ben ik diep vanbinnen, ik biecht het op met enige schroom, een kerkhoftoerist. Menige wandeling leidt me naar een dodenrijk, dichtbij gelegen of verder weg. Nergens is dan een hond te zien, wel vaak hier en daar een kat. Tussen de grassprieten hoor je onvervulde dromen en gedachten ritselen, op de wispelturige, kille herfstwind vervliegen flarden hoop en grote verlangens. Daartussen kuier ik dan bedachtzaam, met de handen op de rug als een schrijver op zoek naar inspiratie. Ik lees de namen op de zerken en u mag dat gek vinden, ook sla ik soms een praatje met wie onder de zerk ligt. Eerlijk waar, vaak vind ik het makkelijker praten met de mensen die er niet meer zijn. Ze zeggen alleen maar wat je het liefst wil horen en gunnen jou het laatste woord. Dat kom je bij leven zelden tegen.

               Naar men zegt is in het dierenrijk alleen de homo sapiens zich van zijn sterfelijkheid bewust. Misschien hechten we daarom zo krampachtig aan het leven. Daar ben ik vaak mee bezig, u hebt vast wat beters te doen.
               Ik blijf staan bij een vrouw van vijftig. Haar jaren later overleden zoon, vijfendertig slechts geworden, rust in hetzelfde graf. Een bijzondere liefde, fluistert de vrouw. Ik stel geen vragen, doden hoeven nergens nog voor te liegen en zich voor niks te schamen. Niemand kan ze nog wat maken.
               Inger V verderop, ook nauwelijks eenenvijftig jaar geleefd. Ik realiseer me dat ik oud ben mogen worden. Een half jaar na haar stierf ook haar echtgenoot. Het feest der liefde overstijgt het leven: na het echtelijke bed delen zij nu ook het echtelijke graf.  
               Naast Inger en haar man rust Louis W, een IJzertoren in de zerk gegrift, AVV VVK. Ik zie een leven lang gewijd aan Vlaamse onafhankelijkheid, ontvoogding, Leuven Vlaams, wat Waals is vals is. Het leven is een strijd.
               Naast hem geen eigen volk. Vanja C, meer medeklinkers in haar onuitspreekbare naam dan jaren in haar leven. Op de foto een vrouw in joggingpak, gestifte lippen, brede glimlach. Hoeveel rondjes liep je rond de vijver om toch zo lang het kon fit te blijven, lieve Vanja? Slank, sterk en gezond tot de dood je toch kwam halen? Waarvan droomde je toen je je verre land ruilde voor deze kille plek? Veel tijd was je niet gegund, tweeënveertig, Vanja, is erg jong om dood te gaan. Daar dacht ik toen er op mijn kruin nog blonde krullen bloeiden, anders over. I hope I die before I get old, ik meende het echt. En kijk nu.
               Stokoud worden wil ik dan toch ook weer niet. Las ik onlangs niet dat de eerste mens die duizend jaar oud zal worden, vandaag al is geboren? De wetenschap staat voor niets, geloof mij, het menselijk vernuft heeft haar buitengrenzen nog bijlange niet bereikt. Ik vraag u: als het kan, moet je het daarom ook willen?

               Mezelf geselend met vragen slenter ik van graf naar graf. Het kinderperk laat ik links, nergens slaat de zinloosheid van het bestaan me harder in het gezicht. Het leven is een tranendal, zoveel weet ik inmiddels wel.
               Dicht bij de uitgang praat ik nog even met Zulma D, geboren, getogen, geleefd en gestorven rond dezelfde kerktoren, van 1907 tot 2001. Twee grote oorlogen meegemaakt, fascisme en communisme zien komen en gaan, de tijdlijn overbrugd tussen bajonet en mosterdgas in het Westen tot dagelijkse lange afstandsraketten in het Oosten, tussen paard en kar en Tesla, tussen boerenkool met worst en quinoa glutenvrij.
               Zeg mij, Irma, vraag ik stil, denk goed na, neem je tijd, het is niet dat je daar veel omhanden hebt: dat heilige leven dat wij zo graag beleven, vind jij dat nu achteraf bekeken allemaal de moeite waard?  

Plaats een reactie