2061

          Lang geleden jogde ik – sukkeldraafde is misschien een beter woord – op een avond door de straten van mijn dorp. Ik zorgde er wel voor de uit de ramen tuimelende lichtkegels te ontwijken van De Mus en De Nieuwe Lantaarn. Ik wilde liever niet worden gezien terwijl ik met uitpuilende buik in krappe legging en fluorescerend hesje met Dankzij Humo staat hier geen andere onzin op de rug voorbij kwam hobbelen als een nijlpaard dat net een poot heeft laten amputeren.

          Ik was altijd een matig loper maar in die dagen wel een verbeten sporter. Sporten zuivert de geest en stelt inzichten helder. De voorbije zomer was ik nog de Col de la Madeleine op gefietst, enkel en alleen omwille van haar naam die me als een Lorelei had gelokt. Voor dag en dauw was ik aan mijn tent vertrokken, de andere kampeerders nipten aan hun derde aperitiefje toen ik laat in de namiddag weer op de camping arriveerde. Het was een dag geweest van ploeteren en zwoegen, stoempen en klauwen maar ik had het wel gehaald.
          Veel woorden maakte ik daaraan toen niet vuil. Ik ben eerder iemand die zijn pijntjes liever voor zichzelf houdt. Dat zit ons in de genen. In onze clan worden wij als clown geboren. Wij witten ons gezicht, stiften onze lippen en lachen uitdagend naar de wereld. Meesters van het masker, dat zijn wij. Dat besefte ik daar en toen, bovenop la Madeleine.

          Terwijl ik daar zo liep, begeleid door hier en daar wat gelig licht van een lantaarn, af en toe knikkend naar een wandelaar met een hond, diep verzonken in gedachten, hoorde ik in mijn hoofd plots klaar en helder een stem waarvan ik niet meteen kon zeggen of ze een man dan wel een vrouw toebehoorde:
          ‘Weet, Gij Schrijver, en besef, op de tel dat deze woorden op u nederdalen  bevindt gij u waarachtig en exact, onomstotelijk en gewis op het absolute midden van de tijdlijn van uw leven,’ waarop de stem even snel verdween als ze verschenen was en in mijn hoofd een stilte liet die de mens alleen ervaren kan voor hij wordt geboren of na zijn sterven.

          De stem had gesproken op een toon doordrenkt van overtuiging en gezag. Wie behoorde ze toe? Wie of wat in dit heelal kan mij met autoriteit vertellen wanneer mijn uur van gaan zal zijn gekomen? Dat kon voorwaar alleen toch maar … Ik voelde meer dan ik het werkelijk wist, ik was bezocht door een engel, de aartsengel, Gabriël, eerste gezant van god, hij die de maagd destijds berichtte dat ze onverwacht een kind zou baren.
          Dat de tweeslachtige zich verwaardigde een eenvoudig man in strakke legging te bezoeken met een boodschap, verbaasde mij geenszins. Zelfs Google Maps vindt heden ten dage vrijwel nergens nog een maagd en niemand wordt nog onverklaarbaar zwanger, eenieder heeft tegenwoordig overal een uitleg voor.

          Belangrijker nog dan wie was de vraag: waar had die gast het over? Als dit exact de helft van mijn leven is, berekende ik – rekenen uit het hoofd kon ik altijd al veel beter dan hardlopen of een Alpencol opfietsen, hoe verleidelijk ook haar naam, dan loop ik mijn finale ronde in 2061. 2061! Dan ben ik 103!
          Is dat werkelijk wat ik wil?

          Ik herinnerde me de jaren waarin ik nog niet volwassen hoefde zijn. De jaren waarin ik geloofde dat wanneer ik later groot en sterk zou zijn, de auto’s zouden zweven door het zwerk, de mensen in vrede leven, er weelde en overvloed zou zijn voor iedereen. Niemand hoefde nog te werken, als krekels zouden we dansen en zingen en fiedelen met de viool. Computers en machines zouden alle werk verrichten, ze zouden dat goed doen en met de beste bedoelingen voor iedereen, ongeacht afkomst, kleur, geloof. Niemand zou nog boosaardig zijn, afgunstig of gewoon maar ontevreden. We zouden blij en vrij zijn en reizen naar maan, Mars of liefst van al naar Venus. De minder begoeden onder ons waartoe ook ik behoorde konden minstens toch ook voor veertien dagen naar de zee of de Ardennen.

          In 2061, dat weet ik nu aan volwassenheid nauwelijks nog te ontsnappen valt, is de planeet gemiddeld vier graden warmer dan vandaag en moet hij elf miljard mensen voeden. In de Balkan spreekt men Russisch. Canada, Panama en Groenland zijn Verenigde Staten en Gaza is een populair vakantieoord. In 2061 moet je minstens 103 zijn om nog het verschil te kennen tussen Filistijn en Palestijn, om te weten dat Taiwan ooit geen China was, je te herinneren dat de Zoute Zeeën lang geleden Lage Landen waren.

          2061. Ik zie me in een stoeltje, voor het grote raam op de eerste verdieping van RVT De Oude Knook, een katoenen deken op schoot en uitzicht op het kerkhof, denkend aan wat eens was en nooit meer worden zal. Daarbij voel ik ook die onmacht, dat onnoemelijke spijt en het knagen van de vragen: waarom hebben we toen niet, had ik maar dat.
          En ik vraag me: is dat werkelijk wat ik wil?

Te doen of niet te doen

          In de gezellige bistro waar ik die middag een koffietje ging drinken, praatten de vrouw en haar vriendin aan het tafeltje naast het mijne zo luid dat ik niet anders kon dan hun discours beluisteren.
          ‘Voor ik aan de dag begin maak ik elke ochtend een to do-lijstje,’ zei de vrouw. Ze schreeuwde het haast uit opdat zowel de ober als ikzelf toch zeker zouden begrijpen hoe belangrijk en druk-druk-druk haar dagelijks bestaan wel was. ‘Daar zet ik dan klusjes op die op een mum verwerkt zijn, een bevestigingsmail sturen, een verjaardagskaart voor een collega schrijven, mijn balpennen rangschikken op kleur. Taakjes die ik dan meteen kan afvinken. Dat geeft extra stimulans voor wat ik allemaal nog te doen heb.’
          ‘Slim,’ antwoordde haar vriendin. Er klonk in haar stem iets droevigs door.
          ‘Sorry,’ zei de eerste vrouw,  ‘ik stond er niet bij stil. Misschien moeten we over wat anders praten, nu jij zo zonder werk …’
          ‘Nee hoor,’ antwoordde de vriendin, ‘Ik zat alleen te denken, wat wil ik in dit leven nog écht graag gaan doen. Niet zo heel veel, vrees ik.’

          Doe dan maar niets, dacht ik, dat is ook een actie.
          Onlangs had ik gelezen dat het mentaal gezonder voor een mens zou kunnen zijn een overzicht op te stellen van dingen die hij liever niet wil doen. Dat je van dingen niet doen misschien wel veel gelukkiger wordt.
          Bovenaan mijn lijst: ’s nachts niet langer met ogen open liggen piekeren tot de schaapjes met meer dan duizend zijn. De ochtend zou zich vast minder somber aandienen.
          Bij het ontbijt niet de radio aanzetten, een goede nummer twee. Geen onheilsberichten over importtarieven en handelsoorlogen, daar begrijp ik toch geen jota van. Ook geen doemverhalen bij je boterham over de belabberde toestand van het land, de torenhoge staatsschuld en werken tot je neervalt.
          Ook van de aan-knop van de laptop blijf ik af. Ik wil niet langer lezen over oude mannen die per se de wereld willen tonen hoe machtig en viriel ze nog wel zijn, over welk land nu weer moet worden aangehecht, welk volk nu weer geknecht, welk dispuut nu weer met bruut geweld beslecht. Geen woord meer wil ik horen over de zakenman die een volk van haar geboortegrond verjagen wil om op de puinhopen en ruïnes van een weggevaagde stad een aards paradijs neer te poten.  

          Ik ga vandaag niet scrollen op mijn socials, wil niet weer verdwalen in de doolhof van verleiding, verdrinken in de stroom van advertenties voor producten die ik niet eens ken, ga geen tijd verdoen aan spelletjes die mijn brein beledigen. Ook wil ik deze dag niet kwijt aan hartjes tellen bij mijn laatste post. De lezer lust het of hij lust het niet, daar heb ik weinig op te zeggen. Ik houd me ver van domme commentaren van domme mensen over doodgewone dingen, dan hoef ik me ook nergens over op te winden. Dat iedereen over alles een gedachte heeft, mij best, ik hoef het allemaal niet te weten, het kleurt mijn dag alleen maar grauw.

          Wat ik nog meer niet ga doen?
          Ik ga niet somber voor het raam wat voor me uit gaan zitten staren, mijmerend over wat is en wat had kunnen zijn. Beter trek ik een jas aan, trek het park in, maak een ommetje langs de kapster en laat haar mijn haren föhnen volgens de nieuwste mode. Terwijl ik wacht blader ik niet in het nieuwe lifestyle magazine dat me vertelt hoe ik beter leven moet, me voeden met avocado’s, granola en veel noten, superfijn voor je buik en darmen en daarbij een fikse scheut gemberthee met kokos en jasmijn. Oneindig veel bewegen, ik word al moe als ik het lees. Vandaag maar even niet. Een dag zonder kudo’s op Strava is daarom geen verloren dag.

          Ik kijk straks ook geen tv. Hoe weer een blik Bekende Vlamen een hoge berg over moet, in een gammel bootje dobbert op een oceaan of bepakt, gezakt en door camera’s omzwermd een potje gaat lopen huilen in een woestijn om het onheil dat het leven hen heeft toebedeeld, het interesseert me echt geen hol. Dat is nu eenmaal wat het leven doet. Ik heb ook zelf mijn portie weleens gehad, hoort u mij klagen? Ik dacht van niet. Zoals die Kreuner ook al zei: ik dans wel met mezelf.

          Dat alles dacht ik dus, die middag bij die koffie, naast twee druk koutende vrouwen. Ik wenkte de kelner, rekende af, trok mijn jas aan.
          ‘Een fijne dag nog dames,’ zei ik opgewekt.
          Buiten prikte een straaltje zon een gaatje door het wintergrijs. Op de kale takken van een boom hupte een roodborstje, tussen de wortels staken schuchter de eerste krokusjes hun kopjes uit de koude grond.

Pitch

VOOR

          Jij hebt een gedachte, een overtal aan woorden, een vlotte pen, de tijd. Je schrijft en schrapt zoals je het op school hebt geleerd. Je valt en staat weer op. Je vijlt en schaaft en op een dag ben je waarlijk de god die ziet dat het goed is. Het kan de deur uit zeg je, als was het je oudste zoon. De wereld in. In gedachten zie je jezelf achteloos voorbij etalages kuieren, de zon als een aureool om je hoofd. Hoe dichter bij de boekhandel, hoe trager je pas:
          ‘Kijk,’ wijs je naar de hele wereld, ‘daar, die harde cover.’ Dagen van Stof staat erop en daaronder in grote, sierlijke letters jouw naam.

          En als het niet zo gaat, dan maar niet, zeg je tegen jezelf. Geen kat overboord. Dit doe je immers toch alleen maar voor je eigen lol? Wat moet je anders? De Col du Galibier beklimmen lukt al lang niet meer, voor een hele dag kookprogramma’s kijken voel je je nog te jong.

          En inderdaad, zo gaat het niet.
          Je ontdekt de diepgang van bekende woorden: boekenvak, boekenmarkt, boekhandelaar. Je leert dat een vis niet zomaar zwemt vanuit de zee naar de boter op je bord. Dat wat jij maakt vanuit jouw hart met jouw zweet en jouw twijfels in jouw cocon in de grote wereld een product wordt. Jij, onwetende, naïeve schepper denkt: ik ben de bron, de as, van dit werk toch de kern. Het is al ijdelheid. Het gaat niet om jou.
          Stel: jij knutselt nauwgezet en met veel geduld ambachtelijk een negentiende-eeuws zakhorloge in elkaar. Je steekt er nachten van je leven in, koopt de delicaatste instrumenten, gebruikt de zeldzaamste en dus duurste materialen, je schept een werk van kunst, nergens en nog nooit gezien. Helaas voor jou, in deze tijden denkt men digitaal.

DE PITCH

          Dus je moet de straat op, je werk moet verkocht.
          Je blinkt je schoenen, studeert je praatje in. Waar je woont, wat je doet, wie je bent, wie je kent. Iets literairs ertussendoor: ‘het zaadje waaruit dit boek kon groeien,’ een grapje: ‘heel vaak schreef ik voor de liefde, met wisselend succes’, je dropt op tijd een naam: ‘ik volgde les bij die en die, ik drink weleens een glas met die of dat talent.’ Jij geeft het beste van je zelf en hebt er alle vertrouwen in: na jou neemt je werk het van je over.

NA

          Dat het er allemaal niet toe doet, houd je jezelf voor. Er was een leven vóór, er is een leven na. Jij bent gezond, ook je kinderen, je geliefden. Je komt rond, leeft in een land van vrede, er is melk en honing in overvloed. Wat je lang vooraf al wist: velen geroepen, weinigen uitverkoren. Het is beter te proberen en te falen dan helemaal niet te proberen, die gebruik je ook. De clichékast puilt nu stilaan uit. Dat de markt groot is, de kansen legio, er nog heel wat braakland kan worden afgeschuimd.

          Alleen, dat praatje echoot in je hoofd. Die jonge vrouw van die grote uitgeverij waarop jij stiekem hoopte, ze had gelijk. Je voelt het, je wéét het, het knaagt.
          O, wat begon ze mooi: ‘Een sterke pen! Echt bij het betere dat ik onder ogen kreeg! Hoe je de lezer je verhaal inleidt, je zoog me helemaal mee. Ik voelde spanning, dreiging, wilde meer.’
Je voelde hoe je opsteeg uit je geblonken schoenen. Nog terwijl jij zweefde ging zij door, vriendelijk, beslagen in haar vak, helder in haar communicatie. Hoe ze de spanning had voelen ebben uit je vlakke verhaal, hoe het banaal werd, hoe ze zich vragen was gaan stellen. Je werd langzaam zwaarder weer en landde naast je stoel.
          Met een glimlach spietste ze twee gepunte vragen in je weke schrijvershart: ‘Waar zit de noodzaak voor de lezer jouw vertelling te willen lezen,’ vroeg ze, en: ‘Waarom zou ik erin investeren?’

          Ze deed niet uit de hoogte, was in geen geval pedant, ze was gewoon degene aan het stuur. ‘Wat jij moet doen,’ zei ze als een koning die zijn ridder opdracht geeft op zoek te trekken naar de Heilige Graal, ‘is het verhaal te vinden dat de lezer lezen wil. Zoek het, Vind het, Schrijf het. En doe dat onverbloemd. Onbeschaamd. Bevrijd van de ketenen van voorspelbaarheid en medeleven. Wanneer je daarmee klaar bent, kom je bij me terug.’

          Wellicht zag je eruit als die bokser die net een linkse directe heeft geïncasseerd en pretendeert niet geraakt te zijn. Weer op straat schudde je je hoofd, eenmaal, tweemaal, scheepsrecht, haar woorden vielen waar ze wezen moesten.
          ‘Dit schrijf ik op,’ beloofde je jezelf, ‘want dat is wat ik doe.’
          Zo is het maar net.
          Je schrijft. Dus je blijft.

Maar in Amerika

          Toen ik op een ochtend zat te bladeren door mijn krant moest ik plots denken aan Marc Dex. Zomaar, uit het niets. Hoe zou het nog zijn met die charmezanger uit de jaren stillekes, de vader van Barbara, de broer van Juul Kabas, vroeg ik me af.
          Toen wij nog cowboy en indiaantje speelden, vijf kortgeknipte vlaskoppen in korte broek, altijd wel iemand een blauwe plek of een gescheurde lip, zag je Marc Dex zo ongeveer elke zaterdagavond op de televisie. In een of andere pronkerige show waar mijn moeder zo graag naar keek, Canzonissima, Ontdek de Ster of de Muziekkampioen.
          Marc Dex. Leek meer op een verkoper van stofzuigzakken dan op een liedjeszanger. Klein van stuk, vroeg kaal, altijd strak in pak en das. Zo herinner ik het mij althans. Had niet dat David Cassidyachtige van een Willy Sommers, die kwajongensblik van een Joe Harris en helemáál niet dat zelfrelativerende van een Louis Neefs. Nee nee, volgens mij, Marc Dex, die meende het.

          Wij hadden met Het Vlaamse Lichte Lied niet veel vandoen. Waren we alleen thuis, dan zetten we knop op Tienerklanken of TopPop. Maar wilden we op zaterdag langer opblijven, dan moesten we daar wat voor over hebben. In het hele huis was slechts één televisietoestel te vinden, onze moeder bepaalde wat we gingen kijken. Ze controleerde ook je glazen limonade, mat met haar ogen je portie zoute chips en bepaalde wanneer jij moe was en naar bed moest. Pas nadat je op de dag van je Vormsel voor het eerst in het openbaar een sigaret had gerookt en in de haag je eerste pint uitgekotst, verwierf je een beperkt soort zeggenschap over je eigen leven.
          Al vonden we die smartlappen maar niks, toch keken we. De teksten metsten zich als kinderrijmpjes in je hoofd. Om elkaar te pesten zette iemand het in de vroege zondagochtend in de slaapkamer weleens luidkeels op een zingen: Drink Rode Wijn, Laten we Alle Dagen Vrolijk Zijn. Dat onding zeurde dan de ganse dag in ieders hoofd. Zulke pesterijtjes vonden wij grappig.
          Als we al hielden van elkaar, dan toonden we dat op onze eigen wijze.

          Goedemorgen Morgen, zongen wij met Nicole en Hugo.
          Breng die Rozen naar Sandra, met Jimmy Frey.
          Ik ben verliefd op jou, met Paul Severs waarbij we keken alsof we het meenden.
          Met Marc Dex zongen we:

Maar in Amerika Maar in Amerika
Daar vlieg je like a monkey naar de maan
Maar in Amerika Maar in Amerika
is ’t hippy happy hoep en ’t is gedaan

          Lyriek vol mysterie, vonden wij. Als een aap vliegen naar de maan? Hallo? Hoe moeten we ons dat voorstellen? Hippy happy hoep? Hoe oud is die kerel? En dan dat slotakkoord: gedaan! Hoezo, gedaan?

          Tegelijk prikkelde dat Amerika hogelijk onze verbeelding. Wij waren kinderen van het oude continent, beladen met een geschiedenis van bloed en oorlog terwijl Amerika, dat was de nieuwe wereld. De dollars vielen er als hemels manna uit de lucht. Ieder kon er bereiken waar hij van droomde. Het geluk lag er op de straten voor het rapen. Amerika, land van duizend en nog meer mogelijkheden, ons voorbeeld, onze gids, onze redder ook. Dankzij Amerika spraken wij hier nog altijd ons Schoon Vlaams en geen Duits. In Amerika, daar groeide kauwgom aan de bomen, stroomde cola in de rivieren, liep iedereen op straat met een pistool en hadden actrices de grootste borsten. Alles was groter in Amerika. En de president van Amerika was de machtigste man op aarde

          Daarover ging het in mijn krant, over die nieuwe president, uiteraard, al weken heeft men het nergens anders over. Over de zondvloed aan decreten en besluiten die hij over de hoofden van zijn onderdanen had uitgestort. Twee miljoen mensen stuurde hij een mail met een voorstel om hun werk te behouden. Take it or leave it. Ontheemden liet hij in de boeien slaan en gewapenderhand het land uitzetten. Leave! Zijn land, van nature al het mooiste, het grootste, het beste, bewoond door Gods uitverkoren volk, zou onder zijn beleid nog mooier, groter, beter worden.
          Zelf had hij de mantel der beschaving tijden geleden al afgelegd. Zijn leven was gespaard door een eigenhandige interventie van de Here in den Hoge zelf. Dat gaf hem het recht te schimpen en te schelden, te kwetsen en vernederen, rond te banjeren als de bullebak op de speelplaats. Wie zich roert, moet vrezen voor emplooi en vrijheid. In zijn graf draait inmiddels JFK rondjes tot hij er tureluurs van wordt. Niet langer vraagt de leider wat hij kan doen voor het land, hij vraagt wat het land nog kan doen voor hem.

          Aan dat alles moest ik dus denken die ochtend, tijdens het bladeren door mijn krant. En aan het eerste levenslied van Marc Dex:

Kom maar binnen
Kom maar binnen
Het spektakel gaat beginnen
Luid applaus nu voor koning clown

Het spiegelbeeld van
Knechten boeren en magisters
Bazen metsers en ministers
Al hun glorie is maar fantasie
Clown

          Hoe weinig het ook weegt, er zit meer in een liedje dan je denkt.