Kutmug

          In mijn ogen was mijn oma altijd oud. Gekromd door de klappen van het leven sleepte zij zich steunend op een houten stok door het bestaan, onophoudelijke motregen in haar blik. Ik was een beetje bang van oma en ik hield van haar. Nooit verhief zij haar stem. Geduldig, traag en wijs droeg zij haar lot. Vloeken deed zij nooit. Mijn oma was een dame, statig, trots, waardig en beschaafd.
          ‘Je vangt geen vliegen met azijn,’ leerde ze ons. Dat je makkelijker het verschil kan maken niet door wat je zegt maar door hoe je het verwoordt. Daar moet ik steeds aan denken wanneer in een Amerikaanse film de held ontslagen wordt: ‘Je bent ontslagen. Op staande voet! Eruit, nu, voor ik je met een trap onder je gat de deur uitschop!’ Bij ons in Europa gaat dat meestal toch fijnzinniger: ‘We zijn bang dat we je moeten laten gaan. Dank voor je inzet. We wensen je het allerbeste in je verdere loopbaan.’
          Andere cultuur, andere zeden, zeg maar.

          In gedachten zat mijn oma mee te kijken naar dat interview met de Amerikaanse president vlak voor hij het vliegtuig op ging stappen dat enkele uren later zou gaan landen op nauwelijks honderdvijftig kilometer van mijn voordeur, ik tintelde haast bij de gedachte de machtigste man ter wereld bijna aan te kunnen raken. Die opwinding vloeide sneller weg dan afwaswater in de gootsteen toen ik hem hoorde zeggen: ‘They don’t know the fuck what they are doing,’ vrij vertaald: zij hebben geen neukend idee van wat ze aan het doen zijn. Naar mijn smaak kreeg in deze zin het substantief een bijvoeglijk naamwoord dat er niet geheel bij past. In mijn hoofd hoorde ik ook mijn oma zuchten. Een tikje vulgair, toch? En ook dat rode petje stoorde me een beetje. Op de school waar ik werkte, een flinke tijd geleden intussen, ik weet het, was het leerlingen verboden een petje te dragen.
          Andere tijden, andere zeden, zeg maar.

          Presidentiële woorden reizen sneller rond de wereld dan de Air Force One. Nog terwijl de wereldleider zich tussen de wolken de nek liet epileren en de oren waxen, verkleedde de grote baas van het grootste militaire apparaat in onze wereld zich in een klein meisje dat in het gevlei wil komen bij de oude vieze oom die haar in een goede bui bij zich op schoot trekt en snoepjes geeft en op een kwade dag met een pets op de billen de hoek in duwt.
          ‘Mijnheer de President, stuurde hij, gefeliciteerd met dat bombardement, een daad die enkel en alleen u aandurfde. Er komt nog meer: allemaal gaan we zwaar betalen voor de wapens die u ons verkoopt, ook dat zal geheel en al uitsluitend uw overwinning zijn.’
          De president voelde zich de mooiste, de beste, de bovenste beste. Zijn neus ging ervan krullen. Prompt stuurde hij ook dat bericht de wereld rond. Fuck privacy, moet hij presidentieel hebben gedacht.

          Samen keken oma en ik de volgende dag naar het persmoment van beide belangrijke heren. Vanzelf gingen mijn tenen nog krommer krullen. Zelfs oma wond zich op: ‘Dit is niet langer vliegen vangen met stroop, dit is glijmiddel voor je-weet-wel,’ mompelde ze in mijn hoofd, ‘soms moet papa lelijke woorden zeggen, hoe ranzig moet het nog worden?’ Ik was het met haar eens. Het kleine meisje en de vieze oom schurkten nu wel heel erg dicht tegen elkaar aan. Niets mooier dan twee mensen die elkaar erg graag zien, toch voelde het lichtelijk gênant mannen op leeftijd in blauw maatpak elkaar zo openlijk onbeschaamd hun liefde te zien belijden.

          Toen sloeg ik me met platte hand veel te hard op mijn rechterslaap.
          ‘Stomme kutmug!’ riep ik uit. Oma schrok op, het leek of het achter haar ogen nu volop zou gaan regenen. Beschaamd boog ik het hoofd: nu deed ik het zelf. Ook vorig weekend toen het strand genadeloos onder mijn voeten brandde,  klotezand had ik geroepen.
          Een neukend idee, kutmug, klotezand.
          Wat is er mis met ons? Wanneer we dingen niet leuk vinden benoemen we ze met geslachtsorganen of woorden die verwijzen naar het bedrijven van de liefde. Je hoort het duizend keer per dag. Klotebaan, kutminister, kuttekop, klootzak. Nooit bedoelt men daar iets lieflijks of lekkers mee. Bij kutweer denk je niet aan een wandeling in het park, je denkt aan regen, ijzel, bitter kou. Bij klote-auto verschijnt niet voor je geestesoog een Bugatti Mistral of Rolls-Royce Sweptail, eerder zeg maar een Lada of een Skoda. Ik heb er neukend genoeg van betekent ook niet dat je tussen twee vrijpartijen door aan een kwartiertje rust toe bent.

          Waarom we dat doen, weet ik niet en begrijp ik niet. Net als u weet ik over enkele dingen weinig en over de meeste dingen niets. Het aan mijn oma vragen kan niet meer en bovendien, oma sprak een andere taal, statig, waardig en beschaafd.
          Soms wou ik dat mijn fucking oma nog bij ons was.  

De nar

          Het is de taak van de nar de koning te vermaken met grappen en grollen, verhalen en muziek, acrobatiek en goocheltrucs. Anders dan de andere hovelingen is hij vrij van spraak, hij mag zeggen wat hij wil, soms zelfs de waarheid, zonder daarbij te moeten vrezen dat zijn hoofd van zijn romp gescheiden wordt.

          Zoals elke dag liet ook deze ochtend de nar zich wekken door de haan. Hij rolde uit de bedstee, waste met ijskoud water de slaap uit zijn ogen en zette zich bezield aan de werktafel voor het kleine uitkijkraam. Hij wilde vandaag iets extra aardigs bedenken, iets dat de koning werkelijk vrolijk stemmen zou. De tijden waren bar, de sfeer aan de dis te snijden, donkere wolken van onheil en oorlog klitten samen boven het koninkrijk.
          Met de fijnste ganzenveer al in de hand draaide hij de zandloper om. Nog voor de laatste korrel de bodem zou bereiken, zou zijn taak zijn volbracht.  De nar wist immers goed welke kronkels de geest in deze korte spanne tijds kan maken, welke verbanden hij legt tussen gisteren en vandaag, werkelijkheid en fantasie, diepe ernst en je reinste kolder.

          De zandloper liep. De nar wachtte. De woorden echter kwamen niet. De hand bleef roerloos, het perkament onbeschreven. Hoezeer hij ook probeerde, geen woord schoot hem te binnen, geen kiem van een gedachte, geen begin, geen midden, geen slotakkoord. Soms schreef een verhaal zich haast vanzelf, vandaag gebeurde helegans niets.
          Lijd ik aan een Writer’s Block, vroeg de nar zich angstig af, voor een artiest een diep doch nauwelijks waarneembaar lijden. Het zou een goede zaak zijn mochten troubadours omstreeks de kerst rond deze ongekende kwaal een warme week organiseren, dacht hij er verbitterd bij. Intussen raakte hij niet verder dan een vette punt aan het begin van wat een zin had moeten zijn.

          Wat is er toch loos met mij, vroeg hij zich ontredderd af. Ik wil wel maar ik kan niet. Mijn gedachten stroppen, de inspiratiebron blijft droog, waar zit de dam in mijn ideeënstroom?
          Tijdens de vele decennia aan het hof had de nar een hoop ervaring bij elkaar gegaard. Hij wist, als je niets verzinnen kan, schrijf dan neer wat door je hoofd schiet. Dan verbrokkelt vanzelf de blokkade, gaan weer spontaan de vingers tintelen, het bloed stromen, de geest gisten.
          Zonder verder denken kribbelde hij enkele eerste woorden.
          J’en ai marre, las hij verbaasd. Schreef hij nu ook al in het Frans? Ik ben het beu. Hij zoog de woorden in, liet ze weken diep in hem als boontjes in een weckpot. Ze lichtten op in zijn hoofd waar Ratio en Rede samenwoonden, beroerden zijn hart waar Amor en Empathie de sponde deelden.

          Eureka, riep toen de nar als waande hij zich een oude Griek in bad. Zonder verder dralen greep hij een vel nog maagdelijk blank, doopte de veer in inkt zo zwart als git en schreef:

          Hoogedele Heer

          Ik weet, ik ben maar een onooglijke nar. Een clown. Een potsenmaker. Geen hooggeleerd filosoof ben ik, geen expert in wat dan ook, geen intellect dat over alles en nog meer een mening heeft. Men nodigt mij niet in debatten, naar mijn gedacht wordt niet getaald. Ook mijn stem wordt niet gehoord, net zomin als de roep van die honderdduizend goede zielen die nog voorbije week marcheerden door uw straten, beladen met goede moed, bezwaard door ijdele hoop.

          Mijn Heer
          Het wordt tijd dat de gek de waarheid zegt.
          Ik ben het beu.
          Doodmoe word ik van uw wereld.
          Beu ben ik de arrogantie van uw almacht.
          Beu uw vernieldrang en barbarij.
          Beu ben ik recht te moeten praten wat krommer is dan de rug van een stokoude heks onder een takkenbos. Beu uw stroom van drogredenen en excuses voor onafgebroken moord en slacht, brandstichterijen, gelijkmaken met de grond van huis en haard, ziekenhuis en school, uw roosteren van kind en kraai, uw politiek van laten sterven van de honger. Zelfs een gek op jaren wordt het op een dag te veel.
          Beu ben ik uw gebrek aan mededogen.
          Beu uw nonchalante achteloosheid, ach, ik bekijk volgende week na mijn partijtje golf nog wel weer of ik die mensen naar de hel torpedeer.
          Beu uw schijnheiligheid, uw slachtofferschap, uw hypocriete retoriek.
          Beu op de knieën te blijven slikken wat u mij smakeloos voorkauwt.
          Beu uw mantra dat ik alweer een nieuwe vijand heb.
          Beu dat u mij verplicht van mijn schaarse duiten evenredig veel te besteden aan duizend bommen en granaten als aan brood, fruit en groenten.
          Beu ben ik dat alles, driewerf beu.
          Ik vind in mij niet langer ruimte voor een grap, een scherts, een grol. De scherpste grap blijkt toch het leven zelf.

          Mijn Heer
          Ik zeg u geen tot weerziens, geen vaarwel. Tot nooit meer, zeg ik u.
          Ik weet zeker dat u zich vastklampt aan uw macht tot de laatste dag der tijden, dus ik ga.

          Hé hé, dacht de nar, dat lucht lekker op.
          Hij propte wat appelen en peren, eieren, linzen en studentenhaver in een knapzak, boven alles blijft toch gezond eten tot de dood erop volgt de boodschap, stak er een kruik brandewijn bij, sloeg de deur achter zich dicht en trok opgeruimd de wijde wereld in.

Prisencolinensinainciusol

               Ik dans nooit in het openbaar.
               Wanneer ik alleen ben durf ik nog weleens de vloer te raken als de jonge Elvis, lichtvoetig, sierlijk en soepel als een cobra uit een mandje op de tonen van een panfluit. En altijd met de ogen dicht. Dansen brengt me in een roes die zich door de lelijkheid van de wereld niet breken laat.  
               Deze week nog, op een vroege ochtend, op de tonen van Prisencolinensinainciusol van Adriano Celentano uit 1973. Opgezweept tot de hoogste sferen trippelde ik door de kamer, licht en vrolijk als een veulen. Toen ging het mis. In al mijn euforie wilde ik mee gaan zingen. Dat lukte natuurlijk niet. Ik kende van dat hele liedje welgeteld twee woorden: Prisencolinensinainciusol en Allright. Die hoogmoed riep nare herinneringen op.

               Als jongeman leed ik aan buien van Zware Melancholie. Op mijn onverwarmde zolderkamer verzon ik saaie gedichten over onbereikbare verlangens, mijn verdriet om de leegte van het leven spoelde ik op vrijdag graag door met een Primus van de tap in café Spike. Starend in de halflege pint lipte ik daar quasi achteloos de integrale Life at Budokan van Bob Dylan mee. Geen idee waar de Bob het over had, een Dylan-connaisseur te lijken leek me gewoon goed voor mijn imago van lijdend poëet. Even droefgeestige, langharige meisjes in slordig gedragen doch zorgvuldig uitgekozen slobbertrui zouden dromerig en stil verliefd worden op een man met ook een zachte kant.
               Meisjes, zo bleek, zijn niet zo gek op Dylan.

               Op school deelde ik de bank met de broer van een bekende gitarist. Tijdens een les Frans leerden hij en ik het libretto van Bohemian Rapsody uit het hoofd. Terwijl de rest van de klas zich bekommerde om des tout petits petons van ene Valentine, een vriendinnetje van de Franse chansonnier Maurice Chevalier, deden wij vrolijk de fandango.
                I’m just a poor boy from a poor family, dat mocht de wereld weten. Na de inname van mijn voorraad Primus palmde ik schaamteloos de vloer in van menig danslokaal, Freddy Mercury gelijk, zij het zonder snor. Wederom hoopte ik hiermee mooi vrouwvolk te imponeren, helaas ving weer mijn aas de verkeerde vis. Toen ik op een keer na het dansen mijn ogen opende, zag ik me omcirkeld door een bende puisterig schorriemorrie dat me barstend van nijd en afgunst van kop tot teen stond aan te gapen. Hun eigen Bohemiankennis reikte natuurlijk niet verder dan Is this the real life, is this just fantasy, in mij zagen zij een snob, een streber, een aandachtzoeker. Ze keken naar me alsof ik iets onbehoorlijks met hun mama had gedaan, hielden een boksijzer, ketting of ijzeren staaf in de knuisten. Geloof mij, meer overtuigingskracht heeft de charmezanger in mij niet nodig om een toontje lager te gaan zingen.

               Het bloed echter kruipt waar het kruipen moet.
               Tijdens een kortstondige romance gingen mijn liefde van één nacht en ikzelf helemaal choco op Paradise by the Dashboard Light in een overvolle bruine kroeg. Niet alleen zongen we de glazen van de schabben, we evoceerden daarbij ook vlekkeloos de geile videoclip. Waar ik enige bijval had verwacht, een bescheiden handgeklap, misschien een biertje van de zaak, werden we nog voor de laatste noot was uitgedoofd vriendelijk maar dringend verzocht het etablissement te verlaten.
               It was long ago and it was far away but it was so much better than it is today.

               Nog had ik mijn lesje niet geleerd.
               Carnavalsavond, halfweg jaren tachtig. Het lief van een bevriend cafébaas was een halve dag met me in de weer geweest: oogschaduw, blush, dreadlocks, rozerode nagellak, haarband, hoed. In een line-up met vijfmaal Boy George had u in mij nog altijd de zanger van Culture Club gezien.
               In een zwarte Mercedes met open dak paradeerden we door de stad. Stationskwartier,  Stadswaag, de oude binnenstad. Uiteindelijk parkeerden we in het midden van de Vrijdagmarkt voor het populaire danscafé Den Ossenpoot.
               De portier knipte als een mes. Deuren waaiden open, de muziek viel stil, de vloer werd een tableau vivant. Begeleid door een gele spot schreed ik als een diva naar de tapkast, de massa opende zich als voor Mozes de Dode Zee. Een champagnekurk plofte, het ging alom van O en Ah en Is Hij Het Echt. Meisjes sloegen de handen voor de mond, rukten zich van hun koorknaapjes los, drongen hitsig om me heen, raakten mij aan, drukten ongevraagd hun lippen op mijn wangen. Terwijl ik met links van mijn champagne nipte, kribbelde ik met rechts mijn naam op handen, polsen, armen, benen, borsten, dijen. Het leven was een feest en ik het varken. Eindelijk, o eindelijk, het hoogste doel bereikt.

               Toen legde de dj een plaatje op.
               Do You Really Want To Hurt Me, Culture Club. Terwijl nog altijd de talloze schoonheden met grote ogen vol verwachting naar me keken, zag ik aan de einder al mijn ondergang komen aanwaaien. Van dit liedje kende ik wel de moves, van de tekst evenwel alleen Do you really want to make me cry?
               Onder een stortbui van cocktailglazen, halfopgerookte sigaretten en uitgespuwde zoute chips vluchtte ik de straat weer op waar inmiddels ook de Mercedes in geen velden of wegen nog te bekennen was.
               Sinds die dag dans ik enkel nog met mezelf.  

Na de biep

Gegroet, Lezers van de Sprekershoek

          Lichtjes desperaat wend ik mij tot u. U bent mijn laatste hoop. Ik bid u: help mij, help mij uit de nood.

          Het zit zo.
          Om nog langer mobiel te kunnen telefoneren, vrijelijk te kunnen surfen over het wereldwijde web of op verloren avonden domweg televisie te kunnen kijken, diende ik enige tijd geleden van dienstverlener te veranderen. Zeer tegen mijn zin was dat, het leven en het telecombedrijf echter volgen een eigen bedding waarin de mens slechts als een vis meedrijft op het ritme van de golven. Niet elke vis kan een zalm zijn.
          Op zich nog niet een groot probleem. De adder in het gras: bij een nieuwe leverancier hoort een nieuwe melding op het antwoordapparaat. En daar knelt de strop.

          Ik ga eerlijk met u zijn. Enige ijdeltuiterij is mij niet vreemd. Ook ik sta weleens graag in het licht van de spot. Diep vanbinnen evenwel blijf ik die eenvoudige jongen die net als u probeert van dit ondermaans verblijf wat leuks te maken. Daarom durf ik weleens domweg en onverwacht een grapje maken, enkel en alleen voor uw vermaak en amusement en ook opdat u later, wanneer mijn assen waaieren in de wind, niet zou hoeven denken: in deze doodse bodem heeft deze dorre plant eindelijk zijn vaste grond gevonden.

          Zodoende probeer ik dus de pijn van mijn afwezig zijn wanneer iemand mij belt, met een vleugje humor te verzachten. Een kleine witz als welkomstwoord, een leukigheidje. Niets bijzonders, net genoeg om achteraf te kunnen zeggen: ik kreeg hem dan wel niet te pakken, zijn boodschap op de voicemail straalde toch als een schaarse zonnestraal door dat saaie grijze wolkendek dat ik Mijn Leven noem.

          Wie mij enkele simkaarten geleden belde, kreeg te horen: ‘Spreek uw boodschap in na de biep, want voor de biep zou belachelijk zijn.’ Leuk, toch? Vind ik wel. Ik herinner me nog ene Kevin uit het vijfde jaar die het bij het beluisteren van dit bericht bescheurde en me daarop meer dan twintig keer belde. Toen ik dan een keer daadwerkelijk opnam reageerde hij verbolgen. Jaja, veel werd er in mijn lessen niet bijgeleerd maar mijn leerlingen en ik hebben danig veel gelachen samen en geloof mij, oppervlakkige pretpedagogie belegt de boterham even royaal.
          De eerlijkheid gebiedt mij te bekennen dat ik bovenstaande blague niet zelf had bedacht. Ontleend zeg maar, noem het gestolen voor mijn part, van Kamagurka of Jacques Vermeire. Die twee zijn soms moeilijk uit elkaar te houden.

          Een volgende bedacht ik helemaal zelf: ‘Hey. Ik ben er niet. Ik weet zelf ook niet waar ik ben. Spreekt u maar een boodschap in …’ Op een keer werd ik gebeld door een mij onbekende vrouw, ze deed iets in het bankwezen of verzekeringsbedrijf. Even bleef het stil, toen schoot ze in een slappe lach. Na een tijdje haakte ze weer in. Nooit heb ik nog wat van haar gehoord.

          Vandaag echter, Lieve Vrienden van de Sprekershoek, staat het huilen mij nader dan het lachen. Het is crisis in mijn hoofd. Het vat der inspiratie is leeg. De koekjes uit de Trommeldoos der Leukigheden op. De voorraad Lichte Luchtigheden uitgeput.
          Vertwijfeld zocht ik nog soelaas bij het veelgeprezen Chat GTP, de Slimste Mens van Morgen die naar verluidt op elke vraag het antwoord weet. De droeve waarheid is: Artificieel en Intelligent misschien nog wel, gevoel voor humor: een dikke buis.
          Of wat dacht u van deze: “Hallo! Je spreekt met [jouw naam]. Ik ben momenteel niet beschikbaar om de telefoon op te nemen, maar als je een goed mopje vertelt na de piep, beloof ik dat ik je zo snel mogelijk terugbel!” Daar zakt toch je broek van op de knieën?!
          Of dit: “Hoi daar! Ik ben er niet, maar als je een bericht achterlaat, zal ik doen alsof ik heel geïnteresseerd ben wanneer ik terugbel.” Say no more!
          Wanneer je denkt de bodem te hebben bereikt, is er altijd nog de kruipkelder: “Je hebt [jouw naam] aan de lijn. Ik ben er niet om op te nemen, maar als je je favoriete karaoke-hit zingt na de piep, beloof ik je dat ik hem niet doorverkoop aan platenmaatschappijen!”

          Begrijpt u mijn radeloosheid?
          Verloren voel ik mij. Een vis in de woestijn. U bent mijn laatste hoop. Daarom, op mijn blote knieën deze bede. U weet dat ik u hoog inschat en zeer waardeer.  Om uw warm hart, uw empathische ziel, uw messcherpe geest, uw speels karakter en niet in het minst uw spits en fijn gepunt gevoel voor de lichte lach. Ik smeek u: help mij! Overlaad mij met aforismen, citaten, aardigheidjes, leukigheden, een scherts, een kwinkslag.
          Als tegenprestatie beloof ik u: wanneer u me dan belt, neem ik in geen geval de telefoon nog op zodat u zo vaak u maar wil kan genieten van uw eigen grap.

          Nederig dank ik u bij voorbaat.