Een Basil

          Er is meer kans op vrede in het Midden-Oosten dan dat ik ooit miljonair word, ik weet het. En dat de gokker altijd verliest, dat weet ik ook. Dat de Nationale Loterij niets meer is dan door de overheid georganiseerde geldklopperij, ook daarvan ben ik me bewust. Toch koop ik samen met ongeveer zes miljoen (gokje) andere domoren wekelijks een biljetje van de Lotto. Omdat hoop doet leven. Wat immers is het leven zonder hoop?
          Die ochtend stond ik in de krantenwinkel achter een gekromde, oude man mijn beurt af te wachten. Hij morrelde wat in zijn portefeuille en legde naast zijn nieuwe Lotto-formulier en een paar winstbriefjes van vorige deelnames, een bankkaart op de toonbank. Ondertussen dagdroomde ik over zon en zee, exotische gebieden, lekkere bubbels en de heerlijkste spijzen. Zoals ik al zei, wat is het leven zonder hoop.
           Plots teleporteerde een woeste uithaal me weer naar het hier en nu.
    ‘Meent gij dat nu!?’
          De lange, graatmagere man achter de toonbank spreidde zijn armen als was hij Christus aan het kruis. Woedend keek hij op het mannetje voor me neer. Dat kromp zichtbaar in elkaar.
          ‘Echt of wat?’ De krantenboer staarde naar het mannetje alsof die een goedkope Russische drone was die ongevraagd zijn nering was binnengezeild. Ogen als schoteltjes, van alteratie trilde het fijne snorretje op zijn bovenlip.
          ‘Gade gij nu echt met de kaart betalen?’
          Blikken als vonkende vuurpijlen, zijn stem klonk als een gewet mes. Hij hief beide armen ten hemel alsof hij hoopte op tussenkomst van de allerhoogste. Die echter bleef naar aloude traditie ook bij deze ellende oorverdovend stil. God ziet alles en bemoeit zich nergens mee.
          ‘Poeh,’ klonk het plots, een luchtbel die dringend uit de longen moest. Basil Fawlty leeft, bedacht ik, hij baat een krantenwinkel uit in S. en is ook daar niet echt gelukkig.
          ‘Euh, jawel,’ bekende het mannetje. Hij verkeerde net als ik blijkbaar nog in de waan te leven in een land van vrijheid, een land waar je zomaar je gedacht mocht zeggen, gaan en staan waar je beliefde en autonoom beslissen hoe je je financiën regelde. Zoals zovele dingen in het leven bleek ook die vrijheid een illusie.
          ‘Negentig cent!’ schreeuwde de krantenman hem toe. En opdat wij allen de diepte van het drama terdege zouden vatten, herhaalde hij: ‘Negentig cent. En gij wilt met de kaart betalen.’ Het klonk als een doodsvonnis. Stilaan beving ook mij lichte paniek. Tegen beter weten in probeer ik wanhopig bij de tijd te blijven, daarom betaal ik uitsluitend nog digitaal. Nooit draag ik nog tastbaar geld op zak. Cash is voor oude mensen en zij die belastingen willen ontwijken, ik behoor tot geen van beide.
          ‘Euh, ja … ‘ fezelde het mannetje, duidelijk niet opgewassen tegen de verbale orkaan die over hem heen raasde. Ik voelde met hem mee, toch probeerde ik me te verplaatsen in de krantenman. Op vrijdag laat gaan slapen, misschien een glas erbij gehad, op zaterdag vroeg op. Het is ploeteren en zwoegen om de doening draaiende te houden, hard labeur met vele offers. Daar stond tegenover: ik zag niemand met een tweeloop tegen zijn slaap.

          ‘Negentig cent godverdomme!’ Hij kreeg er duidelijk geen genoeg van terwijl de inmiddels ruim aangedikte klantenrij de kern van het dispuut wel had begrepen. Hij raakte niet alleen het Noorden kwijt, hij verloor voeling met elke windstreek uit het heelal:
          ‘Niet moeilijk dat de kleine winkelier verdwijnt! Negentig cent! Daar moet ik vijftien cent op betalen. Dieven zijn het, niks minder! Alles gaat hier naar de kloten. Elke cent die binnenkomt moet ik meteen weer afgeven.’ Het was helder: wat in Gaza of Oost-Congo aan de gang is, verdween in het niets bij wat deze man dagelijks diende te verduren.
          ‘Een mens verzet godverdomme hemel en aarde om het hoofd boven water te houden, ondertussen vijzen zijn eigen klanten de poten vanonder zijn stoel vandaan.’ Met onverholen misprijzen keek hij op zijn clientèle neer. Toen, plots, als na een stroomstoot rechtte hij de rug, greep het pinapparaat en smeet dat richting oud mijnheertje. Diens hoofd was inmiddels verdwenen tussen zijn schouders. Bevend diepte hij een muntstuk van 1 Euro uit zijn geldbeugel.
          ‘Laat dát nu ook maar,’ blafte de uitbater. Niettemin schoof hij toch de geldlade open en liet een tien centstuk stuiteren in het weergeefschaaltje. Verslagen tjokte het mannetje de winkel uit.

          Nog nooit was ik zo blij ook deze keer weer geen cent te hebben gewonnen. Opgewekt betaalde ik, met kaart, de volle pot, me er ten volle van bewust dat met deze winstmarge de krantenboer die avond makkelijk een tafeltje kon reserveren in een rustiek restaurant met op het menu typisch Vlaamse lekkernijen bereid op oma’s wijze.
          Het was hem zeer gegund. Nooit zal ik me door hem nog een loterijbiljet laten aansmeren. Zo had die dag iedereen toch wat gewonnen.

Plaats een reactie