Terugblik op morgen

Drie mannen, samen om en bij de 210. De ene sukkelt met het hart, de tweede ging onlangs door zijn knie en ik zit met muizenissen in mijn hoofd. Die  zaten samen met mijn luie oog en zacht karakter in het pakket dat me bij geboorte werd meegegeven.
          Hoe het gaat, vragen we elkaar. Een babbel over bloeddruk, cholesterol, prostaat. En dat we niet mogen klagen, we kennen er genoeg die er veel slechter dan wij aan toe zijn, of zelfs niet meer.
          ‘Alweer bijna nieuwjaar,’ zegt Knar 1, die met het zwakke hart. ‘Had jij ooit gedacht het 2026 te zien worden?’
          ‘Als kind dacht ik dat in deze tijd de mensen zich in Ufo’s zouden verplaatsen, robotten al het werk zouden doen en er nergens nog honger of oorlog zou zijn,’ antwoord ik.
          ‘Die mobiele telefoon, dat hadden we toch nooit kunnen verzinnen,’ zegt Knar 3 daarop. Waarop we doen wat oude knarren doen, mijmeren, vragen stellen maar niet langer antwoorden verwachten.
          ‘Of ik dat nu allemaal zoveel beter vind?’ vraagt Knar 1. ‘Op restaurant moest ik van de week eerst een code scannen om het menu te downloaden en mijn bestelling online te kunnen plaatsen. Weg mopje met de ober, weg flirtje met de serveuse.’
          ‘De vooruitgang zeker? De wereld is een bizarre plek geworden,’ zeg ik maar.
          ‘Met een clown in het Witte Huis,’ zegt Knar 3, ‘we lachen er allemaal mee maar het is niet grappig.’
          ‘En de Russen die weer voor de deur staan,’ zeg ik.
          ‘Daar stonden ze al toen wij nog in de pampers zaten.’ Het geheugen van Knar 3 doet het nog prima. ‘Toen zaten ze in Cuba. Een paar jaar later bijna in Vietnam. In de jaren tachtig stonden ze bijna in onze keukens, weet je nog? Vandaag staan ze tot hun knieën in de Oekraïense modder, die geraken nooit tot hier.’
          Het een leidt tot het ander. We hebben het over geschiedenis die zich herhaalt. Over gruwel die van alle tijden is, nu eens in Auschwitz, dan in Vietnam of Cambodja, Congo, Irak of Palestina. Honger heerste eerst in Biafra of Angola, dan in Jemen, Ethiopië of Somalië. De mens leert weinig en wennen doet het nooit. We worden er stil van.

‘Ik zag onlangs een serie,’ breek ik de stilte, ‘over een medicijn waardoor je dubbel zo lang kan leven. Waanzinnig. Een duffe oude dame in een rusthuis sloeg plots weer aan het dansen. Een grijsaard kreeg weer spontaan erecties, de hele dag door. Was ook wel grappig, haha.’ Met grote ogen keken de twee me aan.
          ‘Blij dat ik daar vanaf ben,’ verzucht Knar 1. ‘Ik heb mijn deel gehad. Al dat gedoe.’ We lachen alle drie, denken daar het onze van.
          ‘Maar echt hé,’ ga ik door, ‘Niet dat ik per se morgen al dood wil gaan, maar tweehonderd worden, dat wil ik dan toch ook weer niet. Ik kan nu al niet meer mee.’
          ‘Daar bestaat vast wel een appje voor,’ reageert Knar 3 gevat. ‘Of een QR-code die je moet scannen.’ We lachen en verzinken weer stilzwijgend in gedachten.

 ‘Jongens,’ zeg ik, ‘we zijn verkeerd bezig. Wie van ons leed honger, het voorbije jaar? Wie van ons kwam wat te kort?’ Weet je wat het is? We zijn gewoon drie oude zagemannen geworden. De wereld heeft ons ingehaald.’
          ‘En achtergelaten,’ zegt Knar 1. ‘Ja, ik geef toe. Ik ben van de oude stempel. Ik blader liever in een boek dan te scrollen op een reader. Ik betaal nog altijd liever cash, dan weet ik tenminste wat ik in mijn handen heb. Ik sta liever in de wachtrij aan een loket dan thuis online te zitten knoeien.’
          ‘Maar we zijn er nog. Gezond van lijf en leden. Wat zitten wij dan te zeuren?’ Ik kom nu echt op dreef. ‘Wij moeten ons gelukkig prijzen. Het is hier Gaza niet. Ook al is alles niet perfect, we hebben alles wat we ons maar wensen, het is nog altijd vrede hier, al meer dan tachtig jaar. Kijk naar onze ouders, onze grootouders. Hadden die het zoveel beter?’
          ‘En onze kinderen?’ vraagt Knar 1. Weer wordt het stil.

‘Morgen,’ zegt uiteindelijk Knar 3, ‘zal niet veel anders zijn dan gisteren. Maar als het min of meer blijft zoals het is, dan mogen we tevreden zijn.’ Ondanks zijn slechte knie mankt hij naar de keuken. Bij terugkomst in zijn handen een Moët & Chandon, Brut Impérial.
          ‘Uit een goed jaar,’ prijst Knar 1.
          ‘Misschien nog wat vroeg?’ oppert Knar 3. Toch gaat de kurk van de fles. Het is nooit te vroeg om vrolijk te zijn. Ook dat heeft het leven ons geleerd.
          ‘Voor mij maar een halfje, ik mag eigenlijk niet van de dokter,’ zegt Knar 1.
          ‘Ik ook maar een beetje. Ik kan er niet zo best meer tegen,’ zegt Knar 3.
          ‘Ik doe de rest wel,’ zeg ik spontaan. Gulzig leven, zat ook bij het geboortepakket. We heffen de glazen.
          ‘Op een goede gezondheid, want dat blijft toch altijd het belangrijkst.’
          Proost.

De Beste Mama

          ‘Joehoe! Schat, ik ben thuis.’
          ‘In de keuken,’ roept ze terug. Ze prakt een banaan in een plastieken kommetje. Achter haar rug voelt ze hem dichterbij komen. Hij kust de lucht naast haar kaak. Al jaren vermijden ze elk lichamelijk contact. Alleen wanneer ze bij plechtige gelegenheden toch samen in het openbaar moeten verschijnen, gaan de handen weleens in elkaar. Dat is de afspraak. Protocol. Mede ook daarom probeert ze zulke uitstapjes zo vaak ze kan te mijden. Mede daarom ook was ze vandaag niet meegegaan. Voetbal vindt ze sowieso al een stompzinnig spel, aan die lawaaierige Village People met dat stompzinnige YMCA heeft ze een bloedhekel. En dat nieuwe vriendje van hem, Infantilo of zoiets, vertrouwt ze nog minder dan een cobra in een badkuip.
          Ze legt de vork op het aanrecht, neemt het rode rugzakje met zijn naam op, van zijn schouders.
          ‘Hoe was je dag, lieverd?’ Haar mond vriendelijk, haar blik stilstaand water. Dat ziet Donald niet. Een kwart eeuw is het al geleden dat hij in die ogen nog verdronk. Vandaag zou hij zelfs hun kleur niet meer kunnen zeggen.
          ‘Kijk wat ik gekregen heb,’ zegt hij. Fier als een pauw in het park wijst hij op het blauwe lint met witte letters om zijn hals en de blinkende ronde plak op zijn borst. In zijn handen een perkamenten papier met in vergulde letters zijn naam erop getekend in sierlijk kalligrafisch schrift. Iets wat op een diploma lijkt, een oorkonde of een prijs.
          ‘Mwah! Kijk eens aan! Wat mooi,’ zegt ze. Ze slaat beide handen voor haar mond. Hij straalt als een kind dat net de kleuterschool heeft afgewerkt. Precies dat vindt ze nog altijd zo mooi aan hem. De meeste mensen vergeten op weg naar volwassenheid het kind dat ze ooit zijn geweest. Ergens onderweg laten ze het achter. Niet haar Donald. Diep vanbinnen is hij altijd nog een kleine jongen gebleven.
          ‘Mag ik er eens aan voelen?’ vraagt ze. Haar ranke vingers met paarsgelakte nagels glijden speels over zijn trofee. Dan neemt ze streng zijn kin in haar hand en draait zijn hoofd naar zich toe:
          ‘Kijk eens in mijn ogen. Eerlijk. Waar heb je dat vandaan? Gevonden, gekregen of ingepikt?’ Ze kent haar pappenheimertje inmiddels wel.
          ‘Gekregen natuurlijk,’ antwoordt hij verontwaardigd. ‘Eerlijk verdiend zelfs.’
          ‘Hoe heb je dat dan gedaan?’
          ‘Zeven oorlogen heb ik beëindigd,’ zegt Donald trots. Of zijn het er acht? Ik ben geloof ik de tel een beetje kwijtgeraakt.’
          Daar had je hem weer. Die arme Dodo. Cijferen was ook op school al niet zijn beste vak. Verhalen fantaseren, spreekbeurten houden voor de ganse klas, daarin was hij naar verluidt een kei. Wanneer hij zijn fantasie de vrije loop mocht laten, creëerde hij een eigen universum, bevolkt met vijanden die ter plekke uit zijn duim kwamen gevloeid. Antifascisten, communisten, buitenlanders. Stuk voor stuk kwaadaardig en gemeen. Moordenaars allemaal, drugsdealers en dieven. Maar zijn klasgenootjes en ook de juffen smulden ervan. Ze hingen aan zijn lippen als was hij hun eigen adem. Aan het eind van elk verhaal natuurlijk was hijzelf de superheld. Oorlogen beëindigen zat er van de kleuterschool al in. Zo zegt de overlevering, zelf was ze toen nog niet geboren.

          ‘Zeven oorlogen is ook al veel hoor, jongen,’ zegt ze.
          ‘De meeste mensen beëindigen er niet één,’ antwoordt hij. Dan gaat hij met dansende vuistjes de tuin in. Ze snijdt een Pink Lady in dunne schijfjes, legt er de partjes van het mandarijntje bovenop en roert met een plastieken lepel het mengsel door elkaar. Ze glimlacht. Als je hem nu zou vragen hoeveel vruchten er in zijn papje zitten, hij zou zeggen honderd. En dan kijken met die blik van kan-je-dat-geloven? Hij rondt graag af naar boven, liefst tot voorbij de sterren. Hij denkt in hyperbolen, ziet de dingen in het groot. Biljoenen en biljoenen dollars, winsten die de wereld nooit eerder heeft gezien, miljoenen criminelen opgejaagd, niemand in de geschiedenis heeft ooit eerder iets als hij gedaan.

          Dromerig kijkt ze door het raam. In het midden van de tuin staat hij op het podium dat hij goedkope werklui uit Venezuela heeft laten bouwen, breed gebarend voor een onbestaand publiek, zwaaiend met oorkonde en medaille, orerend als een Griekse redenaar. Dan gaat op haar gouden horloge met ingelegde diamanten een alarm af. Half zeven.
          ‘Het is tijd, Dodo,’ roept ze. Hij gebaart dat hij gaat afronden, hij moet alleen nog het applaus ontvangen. Intussen laat ze vast het bad al vol warm water lopen, legt een vers gestreken nachthemd voor hem klaar, zet het potje naast zijn bed.
          Ze denkt: kan die infantiele vriend van hem ook niet voor mij zo eens een prijs bedenken? Sinds we met elkaar getrouwd zijn, bijna eenentwintig jaar geleden nu, ben ik toch elke dag opnieuw de allerbeste mama van de hele wereld?

Dag Sinterklaas

Beste Sinterklaas

          Het zal een slordige zestig jaar geleden zijn dat ik u nog een briefje schreef. Een brief aan Sinterklaas, wordt dat nog veel gedaan, vandaag de dag? Gaat dat niet per mail, sms of langs WhatsApp?
          Maak u geen zorgen, Sinterklaas. Ik ben niet plots weer kinds in de kop en heb ook niets nodig. Slechts twee minuten van uw tijd. Gewoon een praatje kom ik doen. Eens vragen hoe het met u gaat. Of u zich nog amuseert.

          Lieve Sint wilde ik eerst schrijven. Dat heb ik toch maar niet gedaan. Lief heb ik u nooit gevonden. Al weken voor uw komst lag ik wakend in mijn bed, starend in het donker, klam van zweet en gans van angst verstijfd. U zou mij komen halen. Mij steken in een juten zak die weinig lucht doorliet en pijn deed aan mijn vel. Me dumpen op een onbestemde plek en daar ranselen tot bloedens toe met gard en roe. Uw lat lag veel te hoog voor mij. Mijn eerste levensjaar nog daar gelaten is het mij nooit gelukt een heel jaar lang volgzaam en braaf te zijn. Nog altijd een werkpunt.
          Ik deed alles om te flemen. De avond voor uw komst zette ik een groot glas whisky op de schouw, een wortel voor uw paard erbij. Uw Zwarte Pieten kregen niets, zij waren knechten in die tijd. Dat was zo de gewoonte toen. Daarvan heb ik nu wel spijt. Ook ik heb onrecht aangedaan, al kan ik zeggen dat ik dat toen niet wist.
          Aan de schoorsteenvoet een bord. Mijn schoenen waren veelal vies en tot op de zool versleten. Daarin zou u vast maar weinig achterlaten. Ik zette een teljoor, groot en rond als volle maan en daarop een briefje met mijn naam voor mocht u die toevallig niet meer weten. Mijn kinderhand was gauw gevuld. Een Rode Ridderstrip, een stel warme winterwanten, een mannetje van chocolade, een sigaar van marsepein. Meer hoefde dat niet te zijn. Ik gloei opnieuw vanbinnen wanneer ik aan die tijden denk.

          Ik werd ouder, Sinterklaas.
          Ik ben niet langer bang voor u. Angst maakte plaats voor mededogen. Bekommerd ben ik om uw welzijn. Vindt u het nog leuk? De wereld is veranderd. U was een heilig man destijds, die glorie is getaand. Naar uw komst werd uitgekeken toen, wekenlang. Vandaag zit u geprangd tussen twee weken Zwarte Vrijdag en de Zwaarste Feesten van het jaar. Lichtjes flikkeren al aan de kerstboom nog voor uw schip is aangemeerd. U valt een beetje tussen de plooien door. Wie zit nog op uw komst te wachten? Hier en daar een arm kind misschien, maar telt u echt nog mee?
          Uw boodschap Sinterklaas, is helaas voorbijgestreefd. Geven zonder terug te vragen is al jaren uit de tijd. Zelfs wie een oorlog stoppen wil, telt eerst zijn winst voor hij tot actie overgaat. Terwijl u, wat kreeg u voor uw gaven terug? Een borrel hier, daar een sigaar, is dat nog wel de moeite waard?
          U was destijds de grootste kindervriend. Een wonder dat u nog bestaat. Een oude witte man die kinderen lonkt, ze verleidt met goed en snoep en knuffelt op zijn schoot. Er worden er voor minder aangeklaagd. Mocht ik hetzelfde proberen, men sloot mij in een donker hok, schilderde lelijke woorden op de deur en liet mij daar verteren.

          Vandaar dit briefje, Sinterklaas.
          Is niet stilaan uw tijd van gaan gekomen? U draagt nog steeds dezelfde kleren, u werkt nog steeds met knol en knecht. Alle heiligen zijn vergeten, god is al jaren op de schop, u bent de laatste die het licht uitdoet. We moeten u behouden, wordt gezegd. U bent traditie en cultuur. Ach Sinterklaas, dat waren ook Sint-Maarten, Sint-Antonius en Sint-Amadée. Niemand die die drie nog kent. Niemand die nog zijn vasten houdt of zijn Pasen, tijdens advent een kaarsje brandt, nuchter ter communie gaat of voor de mis te biechten. Ik was in een kerk laatst. Waar vroeger nog een biechtstoel stond, is nu een toilet gemetst. Voorbij een molentje dat draait voor vijftig cent. Waar je vroeger op je knieën om vergeving vroeg, mag je nu staand plassen.

          Mijn raad is: laat het, Sinterklaas. U blijft mijn Sint, voor altijd in mijn hart en ziel. Mijn respect voor u is onmetelijk, mijn eerbied immens. Maar alles is eindig, Sinterklaas. Aan wie het zelf niet ziet, moet iemand het zeggen. Die iemand, dat ben ik.
          Zet uw spullen op Bol.com of Tweedehands.be. U krijgt er vast nog wel een centje voor. Verwen uzelf met een geschenk. Iets moois, iets leuks, iets waar u jarenlang plezier aan heeft. Geef uzelf een biljartstok of snookerkeu zoals u mij destijds gegeven hebt. Ga met me mee op café, pintje drinken, balletje spelen, een beetje naar de vrouwen kijken en uren zemelen en zwetsen. Het wordt vast gezellig. Ik trakteer de eerste keer.

          Met dank voor alles, Sinterklaas.
          De eerste borrel staat al klaar..

          Tot in De Zoeten Inval

          Uw kapoen