Etiquette

                    Ze drinkt haar thee met de pink omhoog. Oogschaduw, lippenstift, blush. Haar kapsel de kleur van een blauwe reiger. Verkreukeld vel over been. Dicht bij de negentig, toch fonkelen nog altijd haar ogen als sterren in een winternacht. Ze weet dat zwijgen goud is, ze kiest voor zilver met een stem die nog altijd verleiden kan.

          Ze wijst naar een man met een pet aan een tafeltje verderop in de cafetaria die zij Ons Restaurant noemt. Ze kijkt naar de hemel, haalt haar neus op, knikt van neen. Misprijzen zonder woorden.
          ‘Tja,’ zeg ik, ‘de mode, niet?’
          ‘Ik weet het hoor,’ antwoordt ze, ‘ik stam uit een vergeten tijd.’ De tijd van mijn ouders. ‘Toen liepen enkel boefjes met zo’n ding op hun hoofd. Kwajongens, snotneuzen. Maar nu?’ Ik geniet van de nostalgische klank van haar woorden. Klinkt stukken beter dan tuig of criminelen.
           ‘Denkt zo een uitgezakte veertiger met bolle buik nu werkelijk dat een pet met Old Fuckers Club erop zijn dikke kop en kale kruin jonger doet lijken?’ Ze krijgt het vulgaire opschrift nauwelijks door de keel. ‘Godgeklaagd, als je het mij vraagt.’ Het kopje en haar pink gaan weer de hoogte in, ze drinkt alsof de goden het drankje speciaal voor haar hebben gebrouwen.
           ‘Gisteren zag ik op de televisie een komiek, zogenaamd. Leren hesje zonder mouwen, oorbel, tatoeages. Een uur lang schelden, schreeuwen, bulderen, ik kreeg er hoofdpijn van. Dan denk ik toch, geef mij maar weer een Hermans of een Sonneveld. Rustig en bedaard, altijd netjes in het pak. Die hadden het niet nodig hun eigen lachband te moeten zijn. Een monkellachje was genoeg.’ Monkellachje, weer zo’n woord.

          Ze daalt af langs de lange Laan der Herinneringen. Plots stokt ze. Ze kijkt verbijsterd, hapt naar adem, even vrees ik dat ze nog blauwer zal uitslaan. Ook ik zie de Pettenman druk met zijn telefoon in de weer terwijl de vrouw tegenover hem doelloos om zich heen gaapt.
           ‘Goede manieren zijn naar de genoffels,’ zucht mijn blauwe reiger. Genoffels. Een bloem. Geen geslachtsorgaan, een verademing. ‘Boertigheid is de norm vandaag.’ Aangemoedigd door mijn zwijgen gaat ze door:  
          ‘Vroeger. Een man vroeg je uit op restaurant. Dat was een feest. Een traktatie. Verwennerij.’ Ze huivert van plezier. Inmiddels heeft de vrouw van de man met de pet ook haar telefoon opgeduikeld.  
          ‘Bij binnenkomst nam hij je jas aan en schoof je stoel naar achteren zodat je makkelijk kon gaan zitten.’
          ‘Nogal neerbuigend, niet?’ pruttel ik, ‘seksistisch bijna. Een vrouw is best zelf in staat haar jas uit te doen en op een stoel te gaan zitten, zou ik denken.’
          ‘Daar gaat het toch niet om,’ bijt ze me toe, feller dan je van een breekbaar besje zou verwachten. ‘Natuurlijk kan een vrouw voor zichzelf zorgen. Oneindig beter dan menig man, neem dat maar van me aan.’ Menig man, wie zegt dat nog?
          ‘Weet je waar het wél om gaat?’ Antwoorden is geen optie, ik wacht geduldig tot het komt.
          ‘Het gaat erom gezien te worden,’ zegt ze. ‘Etiquette lijkt een spel, een vormelijkheid, dat is het niet. Het is een uiting van respect. Iemand laat je merken dat hij wat voor je over heeft, moeite voor je wil doen.’ Voor de tweede keer haalt ze haar neus op. ‘Wie te laat verscheen op een afspraakje of in een hemd of godbetert met een stomme pet op zijn hoofd, stuurde ik meteen terug naar zijn grot.’

          Ze legt haar gemanicuurde handen op de tafel. Nagels bloedrood, aan elke vinger een ring, zilveren horloge met wijzerplaat. Ze buigt voorover en fluistert:
          ‘Ooit was er een man, … de nacht van mijn leven.’ Ze aarzelt een seconde en dan, betrapt: ‘Waarom vertel ik jou dit? Heb jij wat in mijn thee gedaan?’ Alsof ze het fijn zou vinden dat iemand er alles voor over zou hebben haar haar intiemste geheimen te ontfutselen.
          ‘Een héérlijke man. Meteen toen hij me zag, nam hij zijn hoed voor me af. Opende de deur van het restaurant, liet me voorgaan. Hielp me uit mijn jas, gaf me aan tafel de beste plek met zicht op de hele zaak. Ik woonde toen nog bij mijn ouders maar had al een eigen baan, toch liet ik hem betalen. Waarom ook niet? Het hoorde bij het spel.’ Hoewel ze nog altijd naar me kijkt, geloof ik niet dat ze me ziet. Ze vertoeft op een plek een halve eeuw of langer geleden in de tijd.
          ‘Het regende die avond,’ lacht ze. ‘Hij hield het portier van de auto voor me open, hief de paraplu boven mijn hoofd terwijl hijzelf helemaal doorweekte. Toen legde hij zijn jas over een plas. Het hielp niet, mijn voeten werden even nat, maar het ging om het gebaar. Bij het afscheid ook geen klef, opdringerig gesmeek. Neen, een lichte handkus, een warme oogopslag waarin je kon leren zwemmen en de onuitgesproken belofte voor een volgende keer. Ik weet nog goed: ik kroop in bed die avond en dacht: als hij me vraagt, zeg ik ja.’
          Dan valt ze stil.
          ‘En toen?’ moedig ik aan.
          ‘Dat heb ik gedaan.’ antwoordt ze vlak. ‘In de volgende vijftig jaar heeft hij geen enkele keer nog voor me zijn jas over een plas gelegd.’
          Plots is het meisje een oude vrouw geworden.   

Een gedachte over “Etiquette”

Plaats een reactie