Blaffende honden bijten niet.
Het is dan ook zonder een zweem van angst dat ik op weg naar het warenhuis voorbij het grasveld fiets en ze op me komen toegelopen, keffend en blaffend en blij als een kind, de dalmatiër en de teckel, de mopshond en de setter, puppy, reu of teef.
Goeiemorgen, blaffen ze, fijne dag vandaag. Wie de taal der dieren spreekt, begrijpt vaak ook de mensen beter.
Het is dat ander type hond dat me meer zorgen baart.
Zo’n beest dat onbeweeglijk op zijn poten staat, vervaarlijk naar je kijkt alsof jij net zijn bot hebt ingepikt en lijkt te denken: jij bent nog geen blafje waard. Een hond die weet, stilte jaagt meer angst aan dan lawaai.
Mijn hart sloeg dan ook slagen over toen ik afgelopen donderdag aan de overkant van de hondenwei, daar waar het bankje staat en het gras nog zoveel groener lijkt, een groot bruin beest de kop zag heffen, de oren spitsen, een negentig gradenbocht zag maken en als een hazewind op me komen afgestormd. Een Mechelse herder, bleek alras, mij blijkbaar niet zo best gezind. Hij rende en hij holde en hij raasde op me af, zijn ogen hielden me gevangen en lieten me het ergste vrezen, het verleden had immers al bewezen dat menig hond in mij een lekker hapje zag. Verlangen las ik in zijn blik, en honger ook al gaf het beest geen kik, kwam uit zijn bek geen boe of ba of blaf.
Op het bankje achteraan zat zijn baasje, de leiband in haar hand, vrolijk giechelend met een oude man want ja, de lente was al in het land.
Zijn poten raakten amper grond. De kluiten vlogen in het rond. Van pure schrik verstijfde ik, mijn fiets blokkeerde, ik zette beide voeten op de grond. Gelukkig was er nog de kippendraad, woest smeet het beest zich daar tegenaan, toen bleef het vervaarlijk kijkend staan. Als stilte ooit echt oorverdovend was, dan was het toen en daar, op die zomerse middag nabij de hondenwei.
Als twee cowboys in een verlaten straat stonden we tegenover elkaar. We keken elkaar in de ogen. Geen dreiging las ik daar, geen schrik. Ik zag integendeel een bede, een smeken, een desperate vraag: help mij help mij uit de nood. Toen zag ik wat er loos was. Dit beest zat met zijn bek gevangen in een masker, een gareel, een korf die hem het blaffen en het bijten moest beletten, de kaken op elkaar geklemd, de tong gevangen, de tanden overbodig.
Hoe vreselijk moet dat zijn, dacht ik meteen, je blafdrang in te moeten houden? Niet vrijuit te kunnen blaffen, te kunnen happen naar een vlieg, met je tong te kunnen likken onder een vreemde hondenstaart? Wat ben je in de hondenwereld dan nog waard? Geen hond die je nog vreest, geen wijfje kijkt nog naar je op. Ik was vervuld van medelij maar wist niet wat te doen.
Op het bankje had de vrouw de leiband naast zich neergelegd, haar hand rustte nu op een oude mannendij.
Ik smolt onder de hulpeloze hondenblik. Dit lot verdient een levend wezen niet. Natuurlijk moest ik denken aan wat er in de mensenwereld gaande was. Ook mensen wordt heel vaak het zwijgen opgelegd. Op veel plekken moet men op zijn woorden letten, voorzichtig zijn, over de schouder kijken.
Hoe graag wilde ik dit dier bevrijden uit zijn lijden, ik zou alleen niet weten hoe. Moest ik gaan praten of geweld gebruiken? Misschien is dan die oorlog toch zo verkeerd nog niet, dacht ik toen plots. Die mensen zullen toch gelukkig zijn wanneer ze weer vrijuit praten kunnen, onbevreesd en bevrijd van alle juk, niet langer onderdrukt. Wat ik een week geleden nog verschrikkelijk vond, leek me nu plots een goede zaak.
De strijd voor vrije spraak is nu wel echt begonnen, dacht ik opgewekt. Venezuela vinkt men af, ook in Iran is het bijna gedaan. Morgen komt Cuba er al aan, daarna zijn vast de Saudi’s aan de beurt, Oman, Turkije of Afghanistan waar men toch ook niet zomaar wat zeggen kan. En dan naar Rusland, en naar China en wie weet, op een dag steekt men misschien nog wel de hand in eigen boezem?
Hoewel ik dit arme dier niet helpen kon, stapte ik toch welgezind weer op mijn stalen ros. Ik fietste om de weide heen tot bij het bankje aan de overkant waar het gras plots toch minder groen scheen dan ik had gedacht. De vrouw zonder leiband op haar schoot liet haar hoofd inmiddels rusten op de schouder van de oude man.
Fuck you, riep ik haar toe. Fuck you. Uit afkeer, woede, onvermogen.
Maar toch in de eerste plaats omdat dat hier nog kan.
