De dag waarop we elk jaar de doden gedenken, loopt er een kat door de tuin. Ik ben niet echt een kattenman. Een kat is geen hond. Een hond geeft, een kat neemt. Een kat hoeft niets en mag alles. Muist Miss Poes er stiekem onderuit, men speurt de straten af, kleeft affiches aan lantaarnpalen, betraande kinderen bellen aan de deur. Drie dagen later paradeert mevrouw parmantig door de kamer, bezwangerd en wel. Poes meteen weer op de schoot, kommetje melk erbij, stukje verse haring van de visboer. Moeten jij, je dochter of je hond een keer proberen.
Het grijze beest lonkt naar de vissen in de vijver. Ik zie vraatzucht in haar ogen, een likkebaardende tong, trillende snorharen. Ogenblikkelijk laat ik het sjalotje op de snijplank voor wat het is, storm pardoes de tuin in, snijmes nog in de hand. Een vergetelheid, fysiek geweld zit niet in mij; ik ben een volbloed pacifist, een mug op mijn arm vraag ik vriendelijk doch met aandrang het zuigen van mijn bloed te staken.
Gezwind ontvlucht de grijze gluiperd tuin en toorn over het muurtje achteraan; tegelijk gaat aan de voorkant van het huis de bel. Frappant hoe schijnbaar los van elkaar staande gebeurtenissen vaak zoveel gelijkenis vertonen. Een naïeve ziel zou denken dat Een Hogere Macht er de hand in heeft. Voor me staat een zorgvuldig gecoiffeerde man, haren zilverwit, strak in het pak alsof hij dansen gaat, een en al lach. Zijn naam ken ik niet, zijn gezicht evenwel herken ik van propagandafolders in mijn brievenbus.
‘Neen,’ zeg ik bot, ‘u niet.’
‘Mijnheer, alstublieft, mag ik even?’ bedelt hij.
‘Neen,’ bits ik terug, ‘ik moet u niet. U zetelt in de gemeenteraad, voor die partij die haat en verdeeldheid zaait, onverdraagzaamheid predikt, met mijn basiswaarden de vloer aanveegt. Laat mij en ga.’
Wie mij kent, weet, ik ben de minzaamheid in persoon. Tolerant, geduldig, immer goedlachs, een tikje onhandig misschien. Maar mijn allergie voor bepaalde denkbeelden overtreft ruimschoots nog die voor katten. Al helemaal vandaag gedenk ik ook al die doden die daardoor ooit het leven lieten. En ook nu nog laten.
‘We kunnen toch met elkaar praten?’ onderbreekt de man mijn tirade, tot mijn verbijstering nog altijd een en al glimlach. Hij heeft gelijk, ik geef het toe. Men raakt alleen maar uit conflict door dialoog. Ik zuig de kille herfstlucht in mijn longen, de temperatuur van mijn bloed zakt weer naar normale waarden.
‘In het belang van onze wijk,’ zegt de man. Hij zwaait met een petitielijst. In stilte vraag ik me af of we voor deze woonwijk allebei dezelfde warmte voelen. Ik vermoed van niet.
‘Een mevrouw wil verderop een kapperszaak beginnen. Dat vinden wij niet goed,’ zegt de man. Die wij, dat zijn zij zonder mij. Zorgt voor overlast, beweert hij, flink op dreef nu, en een ongecontroleerde toestroom van onbekenden, parkeerproblemen, afval op straat, vandalisme wellicht, criminaliteit. Hoe gaan u en uw vrienden naar de kapper, wil ik vragen, als de spionkop van Deurne Noord misschien?
Ik blijf beleefd, zwijg en luister. Dat de buurt een residentieel karakter heeft, orakelt de man, waar handel en neringdoenderij niet zijn toegestaan. Dat daarover een heus charter bestaat, uit 1988, toen op deze plek villa’s en fermettes als paddenstoelen uit de grond schoten. Stilaan oude geschiedenis maar soit, er bestaan ook mensen die gronden claimen waarop drieduizend jaar geleden hun stamvaders woonden.
‘Zeg nu zelf, mijnheer,’ vraagt de man, ‘wonen wij niet in een oase van rust?’ Ik denk aan de dagdagelijkse kakafonie van grasmaaiers, boomzagen, bladblazers en te pas en onpas loeiende alarmsystemen. De mijnheer argumenteert, ik riposteer, er groeit iets dat op een gesprek gaat lijken. De man blijft minzaam en geduldig, in ruil verontschuldig ik me tot twee keer toe voor mijn onbehouwen onthaal. Tenslotte is hij ook maar gewoon een man met een wereldbeeld, net als ik.
‘Toch’ zeg ik, ‘komt het wel weer hierop neer: een nieuwkomer zoekt een beter leven op de plek waar wij wonen. En u gooit de deur dicht voor zijn neus.’
‘In het belang van de wijk,’ houdt de man het been stijf.
We kunnen kallen tot Kerstmis, het water tussen ons blijft even diep. Uiteindelijk gaan we akkoord om niet akkoord te gaan. Want, besluiten we, gelukkig wonen wij wel nog in een land waar men vrijelijk van mening mag verschillen.
‘Over heel wat dingen zijn we het niet met elkaar eens,’ stelt de man vast, ‘maar over andere dingen zeker wel.’ Dromerig kijkt hij in de verte.
‘Er zouden geen kinderen mogen doodgaan in Gaza,’ zucht hij.
In roerende eensgezindheid schudden we elkaar de hand.
