Blog

Ballaleer

               Net als die troubadour mag ik bij nacht graag verdwalen in de straten van de stad. Schimmige figuren schieten je in de schemer gehaast voorbij. Geel licht buitelt uit de ramen, schaamteloos vergaap ik me aan de medemens in zijn huiselijke biotoop, languit op de bank, chips, huisgenoot en wijn binnen bereik. Aan de wand flikkert kamerbreed een scherm waarop een opgewekte man met een vaatdoek in de hand en een vrouw in overall met overgave het nieuwste wasproduct aanprijzen.

               Verdwalen maakt dorstig, dat is een ijzeren wet. In de oude binnenstad duikel ik een café in. Een kroeg, geen eigentijdse brasserie van dertien in een dozijn waar nu al een namaakkerstboom staat met irriterend sfeerlicht en op het menu vol-au-vent van het huis en scampi diabolique, door een derderangse chef vermassacreerd met een kilo zout en hectoliters ingedikte room, het is een ordinair volkscafé, bruin en donker, de klanten heten er Swa en Jeanne, op de toog een schaal hardgekookte eieren en uit de jukebox de onverslijtbare gezangen van Elvis Presley en Edith Piaf. Een pils van 33 cl kost er twee euro en een glimlach.
               Op het tafeltje staat nog een groene asbak met daarop een wulpse dame in tijgerpak die mijn fantasie prikkelt en me doet verlangen naar een sigaret. Swa en Jeanne zitten aan het tafeltje tegenover mij. Swa voert het hoge woord, luistervinken wil ik niet maar hem niet horen is geen optie, elke lettergreep is een gongslag die Elvis en Edith naar het achtergrondkoor verwijst. Jeanne naast hem is murw gegongd, haar ogen staan glazig, haar onderlip lebbert alsof de rek eruit is, in haar mond gaapt een gat waar vroeger tanden hebben gestaan. Een straaltje vocht biggelt over haar kin. Haar hoofd weegt meer dan haar nek kan dragen.
               ‘Toen wij klein waren voetbalden we na school op de straat,’ roept Swa, ‘we hielden alleen even op als er een auto voorbij moest. Dan was het ballaleer en ging het spel voort.’ Ballaleer. Ik proef het woord op mijn tong, het smaakt naar weleer, naar onschuld en vrijheid, naar de tijd dat nog het Frans en niet het Engels zich danig met onze woordenschat vervlocht. Balle à l’air, scheidsrechtersbal heet dat vandaag. Ik ruik weer de vallende avond, hoor joelende jongens, bewonder de voorbijrijdende automobielen, een Citroën DS, sierlijk en statig wiegend als een vrouw op hakken, een Volkswagen Kever, die bolhoed op wielen of een Deux Cheveaux, dat wiebelende eendje.
               ‘We gingen pas naar huis als we in het donker de bal niet meer zagen,’ draaft Swa luidkeels door. Intussen deint de kinnebak van Jeanne als een bootje op haar enorme boezem. Hij merkt het niet. ‘We wasten ons in de keuken met koud water en lagen daarna in bed nog urenlang met elkaar te fezelen, stil genoeg opdat ze ons beneden niet konden horen. We speelden Personen Raden in twintig Ja/Neen-vragen, Of De Laatste Letter, je noemde een dier en je broer zijn dier moest dan beginnen met de laatste letter ervan, poema – aap – panter – reiger, snap je?’ Of de vrouw het daadwerkelijk snapte behoort tot de geheimen van haar leven.
               ‘We gingen te voet naar school, of met de fiets, zonder moeders of vaders. Alleen. Onderweg kregen we weleens ambras, met elkaar, met andere jongens of met een of andere pipo die vond dat wij voor hem opzij hadden moeten gaan. Als je dan thuiskwam met een blauw oog of een gescheurde lip, vroeg onze vader: ‘Die andere kerel ziet er toch nog slechter uit, mag ik hopen?’ De Swa lacht, haalt zijn neus op en giet een geut gerstenat door zijn keelgat. Ik wil niet voor hem onderdoen.

               Onverwachts kijkt hij in mijn richting, hij ziet me niet, geloof ik, zijn ogen staan op oneindig.
               ‘Wat wisten wij toen van het leven? Niks wisten wij. Op de radio ging het altijd over politiek ja, dat interesseerde ons niet. De oorlog was al lang voorbij, er was vrede en werk en in de toekomst zouden we op vakantie kunnen naar de maan. Je hoefde niet bang te zijn op straat, je kon gaan en staan waar je wilde, als je wat uitstak had niemand het gezien…’
               Zijn stem stokt. Dronkemanstranen vullen zijn ogen.
               ‘Mijnheer,’ vraagt hij plots, ‘als je vandaag zo oud bent als wij toen, is dat dan nog hetzelfde? Met al dat geweld en die bombardementen en al die dode kinderen op tv? Als je acht of tien jaar bent, wat denk je dan als je in je bed ligt, alleen op je kamer?’
               Ik doe er net als Elvis en Edith het zwijgen toe, gooi enkele munten in de asbak en verdwijn peinzend in de nacht.

Leven zonder angst

            Het wordt een marathon. Zes uur maar liefst, toch liggen je verwachtingen voor deze voorstelling hoog. Einde tegen middernacht, dat betekent dus overnachten in die stad met die bedenkelijke reputatie, dat shithole, eerder deze week nam een fanaat op een bromfiets er nog twee levens.
            Je hebt er zelf ook al wel eens wat meegemaakt, dat zal je niet een tweede keer gebeuren, niet met deze ezel. Nog voor de trein zijn deuren openklapt, wurm je je portefeuille in je broekzak vooraan rechts, je telefoon links. Daardoor stap je als een bejaarde in een pamper maar het zal een knappe jongen zijn die met zijn tengels aan je rijkdom gaat friemelen.
            Dom ben je vanzelfsprekend niet. Jij weet ook wel dat angst aanjagen een verdienmodel is voor politiekers die daar garen bij spinnen. En dat het werkt, net als terreur. Eén idioot op een bromfiets wordt terreuralarm 4 over het ganse land. Jij laat je niet zomaar inpakken, jij doorziet de truken van de foor, met alle Chinezen maar niet met jou.

            In de stationshal lopen mannen zonder vrouw of kind met mobiele telefoons doelloos heen en weer. Wellicht sliepen ze vannacht hier ergens in de buurt, op de grond, op een stuk karton onder een vieze deken. Ze hebben vast meer honger dan duiten, je leest het zo van hun gezicht. Even checken of je broek nog goed zit.
            Gewoonlijk ga je voor de coole look, lederen tas losjes over je schouder, hier sla je toch de schouderband over je borst want echt, geen tweede keer, om de dooie dood niet. Een vrouw steekt een plastieken bekertje naar je op, op de bodem enkele schamele munten. Haar blik doorboort je hart, je maakt er een steen van; als je elke bedelaar een cent toestopt kan je er morgen zelf bij gaan zitten. Een jonge man met ogen als pek en dito haar kijkt je monsterend aan. Wil hij wat van je?
            Je slaat je ogen neer en vlucht de straat op.

            Strategisch lanterfant bij de uitgang een groepje mannen, roltabak, blikje goedkope pils erbij, een winkelkar vol kleren en beddengoed. Links ervan op een deken een vrouw en een kind met dezelfde ogen als dat Afghaanse meisje op die poster. Je doet of ze onzichtbaar zijn. Gelukkig moet je rechts.
            Je steekt je oortjes in. Een vrouw met Hollands accent wijst je de weg. Haar stem voelt veilig, je loopt met haar in westelijke richting. Twee keuvelende mannen van kleur kijken je na, twintig meter verderop zie je over je schouder hoe ze in jouw richting beginnen te bewegen. Je zet er flink de pas in, tas tegen je lichaam, ook al staat het licht op rood, zonder wachten steek je toch de straat over. De stad bruist, de ganse wereld huist hier, alsof de wind vanuit alle streken mensenkinderen naar de hoofdstad waait. Mensen die er anders uitzien, anders lopen, kijken, denken, ruiken, althans, dat laatste denk je, het is een vooroordeel, je laat niemand dicht genoeg om hun geur te kunnen ruiken. Je voelt je hier wat alleen, een minderheid, dat brengt ongemak. Je kan deze mensen niet lezen, je dicht ze eigenschappen toe waar je geen grond voor hebt alleen maar omdat hun buitenlaag, hooguit vier millimeter dik, een andere tint heeft, je kent ze niet, weet niets van ze, daar bestaat een woord voor.

            Je verstand weet, het doet er niet toe wie hier honderd jaar geleden woonde, of gisteren, wie hier geboren werd of van ver gekomen is, het doet er niets en niemendallen toe, al helemaal niet voor jou, jij draagt immers het hart op de goede plaats, jij gelooft niet in grenzen, in religies, in vooroordelen, jij gelooft in dat liedje van John Lennon, in iedereen is gelijk en de meeste mensen deugen al vraag je je diep vanbinnen benepen af hoe dat dan moet, straks, na de voorstelling in het nachtelijke donker, helemaal alleen op straat?

            In de lobby ontspant je maag. Lichtvoetig check je in, grapje met de receptioniste, ze lacht in jouw taal. Je valt op je bed, legt je hoofd in je handen, praat met jezelf. Je wil dit niet, je wil zo niet zijn, niet bij vertrek thuis de sleutel twee keer omdraaien, voor het slapen gaan elk slot dubbel controleren, een alarm installeren, de fiets aan de ketting bij de bakker, verontrust over je schouder kijken op straat. Dat ben jij niet. Jij laat je niet door angstprofeten manipuleren, door extremisten intimideren. Jij wil leven, leven zonder angst.

            Maar je voelt wat je voelt. Liegen tegen een ander is erg, tegen jezelf nog veel erger. Je kan niet blind zijn voor de gapende kloof tussen je nobele en oprechte gedachten en het weeë wantrouwen in je ranzige buik. Het is uitkijken of je valt.
            De voorstelling overigens straks gaat over Waakzaam Zijn. Weldenken. Woke.
            Je sluit je ogen. Je schaamt je.

Een Woord van Liefde

               Die avond zat ik met mijn notitieboekje op schoot in het park op een bank aan de vijver. Een oude mannenstem sneed als een gekarteld mes door mijn enigszins dromerige gedachten.         ‘Vroeger geloofden de mensen dat de aarde in het midden van de hemel stond, wist je dat?’ Natuurlijk weet ik dat, wilde ik verontwaardigd reageren. Een meisje was me voor:
               ‘Was jij toen nog een kleine jongen, Bompi?’ beantwoordde ze de vraag met een vraag.
               ‘Helaba Knuffeltje, zo oud is je Bompi nu ook weer niet hoor,’ lachte de man. De twee hadden een plekje gevonden op het bankje naast het mijne. In het schijnsel van de maan leek de man op een heiligenportret, dun haar golfde als een grijze halo om zijn hoofd. Een bevende arm wees naar de schaarse knipogende sterren aan het firmament.
               Ze hadden hetzelfde idee gehad als ik. De avond was te zacht en mooi om binnen in huis te blijven, net als voetbal en schansspringen hoort televisiekijken toch eerder bij de wintersporten. Het park was een oord van rust en vrede, aan de overkant struinde nog een eenzame wandelaar met een hond, verder hoorde je niets dan het ruisen van de wind in de struiken en het kalmerende klotsen van het vijverwater tegen de houten afbakening.
               ‘Hoe zijn de mensen dan van gedacht veranderd, Bompi?’ vroeg het meisje. Ze kon niet ouder dan tien geweest zijn.
               ‘Een heel slimme mijnheer heeft het op een dag voor ze uitgevogeld,’ zei de man. Hij zuchtte. ‘Eerst wilden ze hem niet geloven. Maar hij kon het bewijzen. Op den duur moesten ze hem wel gelijk geven.’
               ‘Mensen zijn stom,’ zuchtte nu ook het meisje. De waarheid komt uit een kindermond.
               ‘Tja,’ zei de Bompi, ‘je ongelijk toegeven is natuurlijk ook niet makkelijk. Je hele leven geloof je rotsvast in iets en dan moet je je mening helemaal herzien. Dat gaat niet zomaar.’ Zijn stem knarste als een stuk krijt op een schoolbord. Het meisje dacht even na en zei:
               ‘Ik geloof ook. Ik geloof dat er op een dag vrede op aarde komt.’
               ‘Dat vindt Bompi heel mooi van jou, Knuffeltje,’ kraste de krijtstem liefelijk, ‘jij bent het liefste meisje van de hele wereld.’ Hij streelde de haren op haar hoofd, ik kon tot op mijn plek voelen hoe zacht ze waren. Je hoefde er de violen maar bij te denken en je pinkte zo een traan weg, al hoorde ik in zijn stem tegelijk ook iets breekbaars, een ondertoon die niet helemaal paste bij de woorden die uit zijn mond kwamen. Natuurlijk gunde hij haar graag haar dromen, toch kon je in zijn stem horen dat zijn eigen geloof in de mensheid in de loop der jaren menige bluts en buil had opgelopen.

               Die weemoed kwam me bekend voor. Vrede op aarde, ook ik geloof er niet echt meer in. Niet zolang de mens blijft wie hij is, een bloeddorstig beest dat zijn primitiefste driften prutserig maskeert onder een dunne laag beschaving. Er is niet veel nodig om dat dunne vlies van begrip en verdraagzaamheid als een slangenvel van ons af te gooien. Ik kribbelde bij het schaarse licht van de maan enkele rijmelarijen in mijn boekje: 

De Rus gelooft dat het buurland in wezen gewoon ook Russisch is,
de Israëliet gelooft in Zijn Heilige Land,
de één zijn mening leidt bij de ander tot ergernis
de halve planeet staat in brand

De katholiek weet heel zeker dat Islam gevaarlijk is,
de rijke voelt zich door de arme bedreigd,
de hetero vindt elke andere geaardheid mis,
de loonslaaf verdient meer dan hij krijgt.

Want dit is toch waarlijk mijn grootste verdriet
De één gunt de ander het licht in de ogen niet

               Vondel had het vast beter verwoord, ik weet het. Ik stopte mijn schriftje weer in mijn tas. Een zwarte wolk gleed voor de maan die er meteen met een fijn penseel een zilveren rand omheen tekende. Het was nog altijd warm voor de tijd van het jaar al stak er wel een windje op. Tijd maar weer om te gaan.
               ‘En ook zal ik mijn Bompi graag blijven zien. Altijd,’ beloofde het meisje. Ze wierp haar twee armen om de nek van de oude man.
               ‘Ik jou ook, mijn Knuffeltje,’ kraste een versmoorde stem.
               Ik sloot mijn ogen. Ik rook de avond, hoorde de violen, zag voor mijn netvlies een veld roze rozen wiegen op de ruisende wind, het water klotste vredig tegen de houten boord.
               Er is liefde, dus er is hoop, dacht ik.
               Opgewekt stapte ik naar huis.

Eendagsvlieg

            Op een nacht droomde ik dat ik beroemd was.
            Waar ik mij vertoonde draaiden alle hoofden in mijn richting. Monden vielen stil, handen gingen als vanzelf op elkaar. Ongevraagd stonden op trein, tram en bus mensen mij hun zitje af. Ik werd genodigd op exposities en concerten, kreeg in schouwburgen de ereloge toegewezen en bij filmpremières oogstte ik meer bijval dan de makers en acteurs. De exclusiefste restaurants van het land boden mij hun beste tafels, de chef toverde uit zijn koksmuts exquise spijzen die de sommelier voorzag van flessen wijn die enkel bij kroningsfeesten en presidentiële bezoeken uit de kelder mochten. Nooit en nergens hoefde ik ook maar een schamele cent te betalen, men dankte mij integendeel bescheiden voor de tijd die men in mijn gezelschap mocht vertoeven. Mijn brievenbus kreunde onder knisperende enveloppes waarin de pikantste lingerieën zich aan me openbaarden, voorzien van de meest gewaagde foto’s waar op de achterzijde in glanzend rode lippenstift een telefoonnummer en smachtende lippen stonden getekend.
            In de etalages glommen mijn boeken, mijn naam in gouden letters op het omslag. Over het hele land discussieerden leesgroepen tot diep in de nacht in openbare bibliotheken over mijn werk. Men roemde de diepe gelaagdheid en rijke taal, de ingenieuze plots, de fijnzinnige karaktertekeningen van mijn personages. Mijn oeuvre werd bekroond met zowat elke prijs die er te winnen was, het was nog slechts een kwestie van geduld voor in Stockholm mijn naam door het Nobelprijscomité zou worden afgeroepen.
            Men nodigde mij in televisiestudio’s doch nooit diende ik mij smadelijk te verkleden in een panda of konijn. In ernstige praatprogramma’s dorste men naar mijn diepste roerselen, mijn inzichten zorgden voor een omslag in de publieke opinie, niet enkel bij ons, ook in de ons omringende landen. Gedragen door mijn verlichte ideeën marcheerde het land eindelijk richting betere wereld. Ik zag en vond dat het goed was, ik schitterde en straalde als een Zonnekoning op zijn troon.

            Waar ging ik fout?
            Was het een zaak van een mooi liedje met te korte levensduur of eenvoudigweg de hoogmoed die zoals bekend steeds de val voorafgaat? Ik weet het niet. Misschien gleed ergens van mijn tong ongepast een woord dat niet meer in dit tijdsbeeld past. Misschien stelde ik een gebaar dat in vervlogen tijden gangbaar was maar vandaag volledig uit den boze. Misschien ging ik naast mijn schoenen lopen of werd ik op een dag gewoon te oud en traag, een storend anachronisme in de tijd. Nogmaals, ik weet het niet. Het doet er ook niet langer toe. Mijn fortuin keerde. Op een dag wees het volksgericht niet langer met de duim omhoog. De guillotine werd geslepen en gehesen. Mijn hoofd lag op het blok.
            Voor ik het besefte tuimelde ik van het helste licht in het donkerste duister. Trollenlegers bestookten vierentwintig op zeven mijn accounts. Roddel en laster raasden als laaiende vuren over het land. In mijn brievenbus niet langer prikkelende slipjes maar aangedikte declaraties van dure restaurants voor diners die ik me in de verste verte niet herinneren kon, er stonden wijnen op vermeld waarvan ik de namen zelfs niet luidop gelezen kreeg. Theaters en bioscopen ontzegden mij de toegang, galerijhouders lieten de gordijnen neer terwijl ik voor hun deuren stond, boekhandels en bibliotheken weerden mijn werk, stopten alles waar mijn naam op stond in kartonnen dozen en voerden het naar de ramsj. De duimpjes en hartjes op mijn sociale media smolten als sneeuw, Elon Musk verbande me hoogstpersoonlijk van X.
             Ik durfde mijn huis niet meer verlaten. Aanklacht na aanklacht over ik weet al niet wat werd me ten laste gelegd door mannen en vrouwen die ik in mijn ganse leven nog nooit eerder had gezien. Ik diende vaker voor de rechter te verschijnen dan Donald Trump. Zowel mentaal als fysiek bevond ik mij al gauw ver voorbij de rand van de afgrond. Mijn beste vrienden hadden me de rug toegekeerd, mijn naasten en geliefden hadden me verlaten, ik voelde me eenzamer dan die kluizenaar na veertig jaar in zijn grot. De hamerende vraag in mijn hoofd ging al lang niet meer over of en waarom maar veeleer over wanneer en hoe. Werden het de aders van de pols in een warm bad, een pathetische sprong van het dak van de Boerentoren of ongezien zinken onder het oppervlak van een donker water?

            Toen, badend in het zweet mijner angsten, schoot ik wakker.
            Toen besefte ik weer hoe fijn het was om gewoon maar mij te zijn.

Van de kip en de koe

               ‘Ik voel me als een kip die melk geeft,’ appt het meisje A.
               ‘Mooi gezegd,’ antwoord ik.
               ‘Kwam zomaar in me op,’ stuurt ze terug.
               ‘Een gave. Je weet van wie je die hebt 😊.’ sluit ik af.
               Ze weet het allemaal niet zo goed. Ze twijfelt over de zin van wat ze doet. We hadden het erover toen de bus maar niet wilde komen. Of ze niet beter voor het platte geld zou kiezen in plaats van voor haar idealen. Goede wil wordt slecht betaald, ze ontvangt niet bepaald loon naar werken. Een elektrische wagen zit er niet meteen in.
               ‘Die dat wel kunnen betalen, krijgen daar dan nog eens vijfduizend euro bovenop,’ klaagt ze. Ze spaart al maandenlang mondjesmaat voor een elektrische fiets. Haar ogen zie je dromen van wat ze met vijfduizend euro zou kunnen doen.
               ‘Zuiniger. Ecologischer. Gezonder,’ somt ze op. Ik spreek haar niet tegen, ik ga het onverdedigbare niet verdedigen, al helemaal niet tegen mijn eigen vlees en bloed.
               ‘Het is gewoon niet eerlijk,’ fulmineert ze opgewonden. ‘Waarom geen premie voor mensen die nauwelijks een fiets kunnen betalen? De helft bijvoorbeeld, tweeduizendvijfhonderd, voor de aankoop van een e-bike. Veel meer mensen in beweging, minder auto’s in de file. Ik wed dat je nog een pak goedkoper uitkomt ook.’ Een ei van Columbus. Ook dat geniale denken heeft ze van geen vreemden.
               ‘Leg me dat maar eens uit,’ daagt ze me uit. Ook die eigenschap herken ik. Ik leg haar het evangelie van Mattheüs voor. Al vaart de kerk in woelige wateren, het kan nooit kwaad terug te grijpen naar in steen gebeitelde bijbelse waarden: ‘Want aan ieder die heeft, zal gegeven worden, zelfs in overvloed gegeven worden: maar wie niet heeft, hem zal nog ontnomen worden zelfs wat hij heeft.’
               ‘Onrechtvaardig dus, wat ik al zei,’ stelt ze vast. Ik zwijg. Ik heb haar nooit beloofd dat de wereld een rozentuin zou zijn. Ik vond het al een hele opgave haar destijds te laten geloven in Sinterklaas.
               ‘Ik heb de verkeerde stiel gekozen,’ besluit ze. Vandaar dus, een kip die melk geeft.

               Dat ze aan zichzelf twijfelt, maakt haar helemaal een kind van deze tijd. We leven in het tijdvak van de Voortdurende Zelfbevraging. Terwijl je nog in bed ligt vraag je je al af welke outfit je die dag aan moet. Ik moet denken aan mijn grootmoeder. Die bewoonde een boerderij en kleedde zich altijd in het zwart. Daarover droeg ze een blauwe keukenschort met onduidelijk patroon, elke dag dezelfde. Mijn grootvader liep in klompen en droeg buitenshuis altijd een pet. Die hing in huis aan een haakje naast de deur, jaar in jaar uit, zelfde pet, zelfde haakje. Ze hoefden zich nooit af te vragen welke foto’s ze zouden plaatsen op Insta, naar welke city ze zouden trippen, wie wanneer de kinderen waar naartoe zou brengen, of er op het etentje straks ook een vegetariër mee aan zou schuiven. Er zijn er die het rustige vastheid zouden noemen.
               Je zal me nooit horen beweren dat in die dagen alles beter was, ik heb Godvergeten ook gezien. Er waaide ook al eens een oorlog over het land. Toch vraagt soms een mens zich af: zou een heel klein beetje zekerheid soms niet beter kunnen zijn? Al die vragen, ben ik een man, een vrouw, allebei of nog iemand anders, ga ik voor levenslange trouw, ben ik serieel monogaam of polyamoureus, welke kleur op mijn nagels vandaag, mag ik dat ene woord nog zeggen, daar worden we toch collectief tureluurs van?
               Ik heb het zelf ook. Vorige week nog poneerde ik stoutmoedig niet langer over iedereen en alles een mening te willen hebben. Zwitserland op twee benen zou ik zijn. Die mening heb ik alweer herzien. Ik denk heus wel het mijne over dat Mattheüseffect en ook heb ik mijn gedacht over die windhaan uit Middelkerke die de ene dag de praatbarak belooft te verlaten, vervolgens probeert een eigen partijtje bij elkaar te harken en op dag drie elders op een kieslijst gaat staan. Alles om zich een tweede elektrische wagen te kunnen permitteren. Een man, een woord? Zeker, maar wel elke dag een ander.

               Haar bus vertrekt, ik wuif haar na. Stukje schrijven, denk ik. Of toch maar beter niet? Dit pijnigen van de geest, dit woelen in de ziel, wordt daar dan iemand beter van? Vaak loopt het voor geen meter, het schuift bovendien geen cent en immer knaagt de angst niet goed genoeg te worden bevonden. Waarom niet gewoon lekker met de caravan gaan pensioneren op een weide in Schouwen-Duiveland? Zo ken ik er ook.
               Soms voel ik me als een koe die eieren legt. De appel valt nooit ver van de boom.

Geen mening

               ‘Wat vind jij?’ vraagt ze.
               Ik weet perfect wat Het Ideale Antwoordenboek voorschrijft: ‘Heel mooi. Echt. Staat je beeldig.’ Daarbij de minzaamste glimlach en koosnaam naar keuze.
               ‘Rood? Of groen?’
               Met een ernstig gezicht doe ik of ik nadenk. In de paardans van het leven is dit een beweging die finesse en uiterste fijngevoeligheid vereist. Voor je het weet heb je op een lange teen getrapt.         ‘Of toch maar ecru? Zal ik deze nog gauw proberen? Rood is toch mijn kleur niet.’ Ze verdwijnt weer achter het gordijntje. Op de stoel naast me speelt een jongeman Candy Crush op zijn gsm. Dadelijk is ook hij aan de beurt. Even monsteren we elkaar. Lotgenoten.
               Ze vraagt me naar mijn mening maar die heb ik niet. Rood, groen, ecru, mij is alles best. Een man zonder mening ben ik. Standpunten, bedenkingen, overtuigingen, ik doe er niet meer aan. Iedereen heeft er immers al, over alles. En iedereen vindt het ook nog eens nodig om er als een middeleeuwse heraut van markt naar markt mee te lopen zeulen om ze daar met veel klaroengeschal luidkeels uit te bazuinen. Hoor Hoor! Ik heb er de buik van vol. Het enige dat ik zeker weet, is dat een lekker gekoelde Duvel er vlotjes in zou gaan.

               Bart vindt wat over woke en Tom vindt het tegendeel. Siska laat zich ontdopen en een kerkjurist evalueert een schoonheidswedstrijd. Jeroen heeft een mening over kindermisbruik in de kerk. Meningen vliegen je om de oren als sneeuw in een lawine. En nergens kijk je nog van op. Oude wijn in nieuwe zakken. Nooit hoor je eens iets waarvan je zegt: nou, die had ik niet zien komen. Niemand zegt eens een keer: ja, dat gefoefel aan de misdienaar, lekker, daar ben ik werkelijk helemaal voor. Niemand kleeft een sticker op zijn achterruit: Ik ♥ doofpot. Iedereen toetert hetzelfde. Heeft die hele mening van Jeroen mijn denken aangescherpt? Als u het mij vraagt nee, dat lijkt me niet.
               Marnix fulmineert over wandelaars die op zondag in het Ardense bos de hond niet aan de leiband houden. En passant wil hij ook nog wat kwijt over dames op een racefiets, het zogeheten Kopecky-effect. Voel ik mij, nu Marnix in mijn krant zijn frustraties van zich heeft afgeschreven, plots zoveel beter? Als u het mij vraagt, nee, dat lijkt me niet.
               Hilde vindt, houd u vast, dat we te veel betalen voor energie. En dat het moeilijk soebatten is daarover met de jobstudenten in het callcenter. Zo, denk ik. Vindt Hilde dat? Hm, een scherp mes, die Hilde. Zelf zou ik zulke diepe gedachten nooit kunnen bedenken. Blij dat zij daarover een column (haar woorden) mag schrijven. U vraagt het me natuurlijk niet echt, u kent het antwoord. Dat Hilde me met haar opstel een nieuw inzicht heeft verschaft, nee, dat lijkt me niet.

               Met de blik van een koningin die het volk groet stapt het meisje dat bij de Candy Crusher hoort uit haar pashokje.
               ‘Wat denk je?’ vraagt ze. De jongen keurt haar als een veekoopman op de ossenmarkt.
               ‘Eerlijk?’ vraagt hij. De overmoed van de jeugd. Eerlijk duurt het langst. Ik kuch, luid, drie keer. Hij geeft geen krimp. Ik laat opzichtig mijn notitieboekje vallen. Schraap demonstratief mijn stoel over de vloer. Niet doen, fluister ik. Maar hij is zo jong nog, hij gelooft nog in de waarheid. Hij ziet alleen maar vorm, veel te weinig staat hij stil bij de inhoud.
               ‘En?’ dringt ze aan.
               ‘Eerlijk gezegd vind ik je gat in deze rok een beetje…’ Vind je in geen enkele editie van Het Ideale Antwoordenboek, geloof mij.
               Ogenblikkelijk wordt het in de ganse pasruimte stiller dan een graf. Als gestoken door een wesp schiet de verkoopster, een kleine vrouw met de geur en de kleur van kaneel, als een Zwitserse garde te hulp.
               ‘Blauw is écht wel uw kleurtje, nietwaar mevrouw? We hebben dit modelletje ook nog in het zwart. Of misschien draagt u het liever wat losser? Is heel erg in de mode, vandaag de dag. Haal ik gauw een XL’etje voor u?’

               Terwijl ze wegholt, gaat de jongen naast me langzaam dood onder de bliksems van zijn aanbedene. Dat krijg je, wil ik hem zeggen. Soms houd je beter je diepste gedachten voor jezelf. Enfin, dat is mijn gedacht. U mag daar gerust een andere mening over hebben.
               ‘Ik ben klaar,’ zegt een mij bekende stem. Om haar arm drie beeldige jurkjes: een rode, een groene, een ecru. De Duvel lacht me toe.

Nooit Vergeten

            Vorige week schreef ik een stukje over een meneer die een uitroepteken zette achter zijn carrière. Vanwege beginnende Alzheimer, dat weet hij nog, zette ik er schalks bij. Ik weet dat nog.

            En nu dit. Karma, het kan niet anders.
            Het vocht is uit de pot. Op de bodem van de pan een pulp van plat gekookte groenten. Fijn versnipperde uien, netjes in brunoise gesneden prei, selder en wortelen en talloze kleine gehaktballetjes vormen een ondoorzichtige brij, als de hoofdstraat van een dorp na de doortocht van een orkaan. Stomweg vergeten het vuur uit te draaien.
            Exact zoals mijn moeder zoveel jaar geleden. Ze was wel wat ouder toen dan ik vandaag, maar toch. Meteen trokken we destijds met de ganse familie in conclaaf om een oplossing te zoeken voor een probleem dat niet langer houdbaar was.
            Ik smeek u, geen woord hierover aan mijn kinderen. Ik mag dan misschien wel al langer een probleem zijn, voor die oplossing ben ik nog niet klaar.

            Het overkomt me vaker, de laatste tijd.
            Ik vergeet de lichten uit te doen. Ik zie gezichten maar kom niet op de namen die erbij horen. Ik vertel een verhaal en weet halfweg niet meer waar het naartoe gaat. Staan er meer dan drie artikels op de boodschappenlijst, ik krijg hem niet meer uit mijn hoofd geleerd.
            Het kleine vergeten is begonnen, aan de einder ligt het grote op de loer.

            Soms zie ik een visioen van mijn toekomst. Als een hersenloze kip scharrel ik door een doolhof van gele en roze post-its in mijn huis. TV, kleeft er op een afstandsbediening. Vuilnisbak, staat op de trommel waarin ik mijn klein volkoren wil opbergen. Een briefje wijst me naar de koffiezet, ik weet alleen niet waar de koffie staat. Dat dit hier de vaatwas is, lees ik, waarvoor al die knopjes dienen staat er niet bij. Een ei hoort in een eiskast, logisch. Maar wat is in ’s hemelsnaam een microgolf? Een warm jasje voor een baby? Wat moet ik met een baby?
            Dat beeld maakt me bang.
            Konden we maar al die kennis en wetenschap, die enorme voorraad aan wijsheid en ervaring opgedaan tijdens dat lange leven, bewaren in de opbergkast van ons geheugen, op elke lade een roze of geel etiket, zodat we tot het einde van onze dagen altijd zouden vinden wat we nodig hadden.

            Toen keek ik naar Godvergeten, die serie over mensen die niet vergeten kunnen. Ook al willen ze zo graag. Anders dan ik onthouden zij. Alles, tot in het kleinste detail. Als kind mismeesterd. Gebruikt en vernederd door paters, priesters en broeders, gezanten van de heer op aarde, machthebbers die zich beschermd wisten door pij en status en een kerkelijke overheid die in naam van de heer al die vunzige strapatsen oogluikend door de vingers liet glippen. Een eindeloze stoet gekneusden en gekwetsten, slachtoffers, maar ook moeders en vaders, broers en zussen van kinderen die nooit volwassen zijn geworden. Door mijn schuld, door mijn schuld, door mijn grote schuld, hamerde het elke dag in die eenzame jongens- en meisjeshoofden. De ene raakte er overheen, de ander ging eronderdoor.

            Mijn geloof verdampte in de tijd van mijn Plechtige Communie, na een smeekbede aan de heer. Hij aanhoorde me niet. Ik vroeg hem mijn lot tot op de dag van het laatste oordeel te verbinden aan dat van de mooie Suzanne met de reebruine ogen. Zijn wegkijken deed pijn. Hij en ik, we gingen uit elkaar. Geen Suzanne, dan ook geen liefde voor god. Vandaag breekt nood wet. Nog één keer wil ik het erop wagen. Op mijn blote knieën:

            Heer
            Ik smeek u om een teken van uw liefde en uw goedertierenheid
            Voor u een klein mirakel, voor ons een groot gebaar
            U leerde ons blinden weer te laten zien, doven weer te laten horen
            U leerde ons harten transplanteren, tanden implanteren, organen te doneren en van geslachtelijkheid changeren
            Wil nu dan alsjeblieft ook met onze hersenen jongleren en onze geheugens manipuleren
            Neem weg bij de ene wat hij in overdaad heeft en schenk het aan de ander die te weinig heeft.
            Opdat wij in onze hoofden weer rust zouden vinden.
            Opdat zij die u destijds in de steek liet, zouden kunnen vergeten.
            En opdat ik weer wat beter kan onthouden.

Ik mis ze zo

            Laat ik maar meteen bekennen, ik heb een zwak voor het Nederlandstalige lied. Dus vlijde ik me voorbije zaterdag languit op de bank voor de Lage Landenlijst op Radio 1. Thermos koffie erbij. Voor een gepensioneerde is zaterdag een dag als een ander. De krant op de bijzettafel blijft ongeopend. De strapatsen van dronken politici die ons nu ook letterlijk in de zeik nemen laat ik graag aan me voorbijgaan. Het moraalridderschap is niet zo aan mij besteed. Dat fatsoensrakkers het met hun eigen normen wel vaker niet al te nauw nemen, weet ik al sinds Malle Babbe, die aanstekelijke meezinger die overigens niet voorkomt in de Top 100 van het Nederlandstalige chanson. Vraag me niet waarom. Ik kan echt niet alles zelf doen.

            Wel in de lijst, nieuw op 63, Will Tura. Ik lip de tekst geluidloos mee.

De regen stroomt als tranen langs de ruit
’t Is of de ganse hemel om je huilt
Ik voel me zo mistroostig als het weer
Ik mis je zo ik mis je meer en meer

            Niet bepaald Shakespeare. Toch reis ik met elke noot en elke lettergreep wat verder terug in de tijd. Voor ik het doorheb, baadt de dag in die behaaglijke, oranjerode gloed van weemoed die vertrouwd voelt maar ook een beetje pijn doet, als een wonde die nooit helemaal toegaat.

‘k Herinner mij de tijd van jij en ik
Van d’ allereerste tot de laatste blik
‘k Zie je nog altijd als verslagen staan
Toen ik vertelde dat ik weg moest gaan

            Onlangs zag ik op televisie Luc Alloo in gesprek met Arthur Blanckaert, zijn schoonvader. Arthur Blanckaert bekt niet als artiestennaam, vandaar dus Will Tura. Arthur Blanckaert is tweeëntachtig nu. Hij lijdt aan beginnende Alzheimer, dat wist hij nog. Tijd voor Will Tura om ermee op te houden. Ten afscheid blikte hij nog een laatste plaatje in. ‘Als ik terugkijk,’ heet het. Aan vooruitblikken doe je niet meer als je tweeëntachtig bent.

            Ik hoor mezelf zingen. De woorden ken ik uit mijn hoofd. Will Tura, Eddy Merckx, zat zijn op zaterdag en pistolets op zondag, dat zijn de bloemen op het behang van je leven. Je beseft nauwelijks nog dat ze er zijn, tot ze op een dag verdwenen zijn. Martine Tanghe.
            Toen ik in korte broek liep, was Will Tura mijn idool. Eenvoudig mee te zingen melodietjes, niet al te ingewikkelde rijmpjes en verhalen die mateloos mijn fantasie prikkelden. Wat vond ik die Linda een gemeen serpent, hoe ze daar lag te kronkelen in de armen van een andere man! Wat zielig ook voor die arme Joe! En wat had ik graag een El Bandido willen zijn. Ook ik werd verliefd op een airhostess waarmee ik op maandag landde in Moskou en op dinsdag in San Fransisco stad. Ook draaide ik op Wills advies 79 72 04. Ik belandde bij een man in Nederland, hij bleek niet bepaald gelukkig me te leren kennen.
            Ik gaf een recital in onze huiskamer, sober gekleed in een wit katoenen onderbroekje. Mijn oude oma was mijn publiek, haar houten wandelstok mijn gitaar. Een weergaloos optreden, oma en ik zijn het nooit vergeten: Aan mijn darling, Wat je diep treft, Eenzaam zonder jou. Ongevraagd bisnummer werd het vrolijke Zonneschijn. Oma zat de hele tijd enthousiast te schuifelen op haar stoel. Zonder hulp van mijn gitaar kon ze niet naar het toilet. Dat kreeg ik pas door toen het te laat was.

            Mijn zingen is nauwelijks nog zingen meer. Toen kwam het verraad. Ik kreeg de baard in de keel. Mijn muzikale smaak overschreed de grenzen van taal en grondgebied. Hoogmoedig keerde ik de rug naar de West-Vlaamse minnestreel. Die kinderlijke teksten. Die flutmelodieën. In mijn caravan ben ik Superman, Jezus! Ik was dan wel een puistenkop, maar wel een puistenkop met goede smaak. De Clement Peerens van mijn tijd was ik, popkenner, vrouwenliefhebber, aanhanger van de Diepste Poëzie. Ik ruilde Tura in voor Dylan. Je verstond geen woord van wat hij zei, maar het was goed voor je imago. Het leven is Mooi? Vergeet Barbara? Het Leven was Lijden en wie the fuck was Barbara?

            Ik schreeuw de longen uit mijn lijf nu. De ruiten trillen. Er loopt nat over mijn wangen.

Ik mis je zo ik mis je meer en meer
Ik zie je in mijn dromen keer op keer
Wie zegt me hoe en waar zie ik je weer
Ik mis je zo ik mis je meer en meer

            Een karamellenvers. Natuurlijk. De zoveelste treurzang om een liefde die niet kon zijn. Maar niet vandaag. Vandaag huilt de ganse hemel niet om een gemiste liefde. Vandaag ben ik mistroostig om een wonde die nooit heelt. Keer op keer zie ik in een oranjerode gloed de bloemen op het behang van mijn leven verbleken. De ruiten tranen om dat kind in korte broek dat liedjes speelt op de houten wandelstok van zijn moeizaam haar plas ophoudende oma. Om die puistenkop die verwaand met Dylan dweepte. Om al die jongens die ik ooit geweest ben en nooit meer worden zal.
            Ik mis ze zo. Ik mis ze meer en meer.

Een hamster in de woestijn

               Die ochtend valt de regen met bakken uit de lucht. Uit de hemel, dacht ik te zeggen, maar ik betwijfel of die bestaat.
               Op mijn rug in bed geniet ik met de ogen toe van het ritme van de regen op het vensterraam. Mijn oren suizen, een late uitloper van mijn wilde jaren waarin ik tijdens fuiven en feesten voornamelijk danste met mijzelf en driftig de luchtgitaar bespeelde met mijn oren tegen de luidsprekers. Hoe gaat dat? Je bent jong, je wil wat, liefst een lief, lawaai, leven. Later wordt dat anders, nu is algehele stilte mijn beste vriend. Veel wil je op mijn leeftijd ook niet meer, je bent blij met wat je in de schoot valt.

               ‘Nu de vakantie voorbij is, ga ik vrolijker in het leven staan’, zeg ik zacht tegen mezelf. ‘Al die mistroostigheid, die negatieve gedachten, ze vreten aan een mens als een rat in een keukenkast en leiden verder tot helemaal niets.’ Moe maar voldaan over deze eerste diepzinnigheid van de dag, trek ik de deken nog wat verder over mijn hoofd. Goede voornemens bedenken, het is een gave, ik maakte er in mijn leven genoeg om de Chinese Muur mee te plaveien.
               Ongevraagd onderbreekt de radio mijn blijmoedige gedachten. Een verhaal over een Bekende Vlaming. Een onderzoek. In het kader van. Op verdenking van. Meer wist het journaille ook niet. Iets voelt niet lekker, ik kan er niet meteen de vinger op leggen. Daarom herkauw ik het bericht alsof ik zes ben: Men (wie) onderzoekt (kijkt na) of Bekende Vlaming (Naam en Toenaam) betrokken is bij iets (vaags) dat mogelijk (misschien wel, misschien niet) strafbaar is. Genoemde Bekende Vlaming is vast geen lid van een studentenclub, bedenk ik. Stel: morgen blijkt dat deze mijnheer werkelijk nergens mee te maken heeft, kan hij dan op zondag weer vrolijk in de rij staan aanschuiven bij de bakker om warme broodjes?

               Kan iets dat letterlijk elk kind al zijn ganse leven weet nog nieuws zijn? De radioman laat weten dat een nieuw schooljaar voor de deur staat. Dat is even schrikken! Die hadden we tijdens de laatste week van augustus niet zien komen.
               De bevoegde minister riedelt zijn bekende liedjes. Mijn darmen spelen op. Ik onderdruk de aandrift om minister met radio en al de regen in te keilen. Ik doe het niet, de kracht van het positieve denken, ik sta nu immers goedgemutst en welwillend in het leven. O kijk, de minister heeft een plan. Lieve god in de hemel, geef ons een teken. Schenk ons een bewindsman die minder doet aan plannen en beloven, aan ideologie en populistisch gezwets, iemand (m/v/o) die gewoon aan beleid doet. Meer vraag ik niet, god. Ik ga prompt in u geloven en vertrek vandaag nog met de fiets op bedevaart naar Compostella. De Heer hoort mij niet, misschien was ook hij in zijn jonge jaren een fervent luchtgitaarvirtuoos.

               Vanzelf dwalen mijn gedachten naar mijn voornemens aan het begin van de vakantie. Ik zou een meesterwerk maken, u herinnert zich dat nog, u kocht een staatsbon minder om dat magnum opus te kunnen bekostigen. Ik moet u zeggen: er is nog wat werk aan. Praktische bezwaren wrikten zich tussen droom en daad, zeg maar. Ik diende te reizen om te leren, feestjes en partijen te vermaken met spitse humor en scherpe witz, te schransen en te dansen, bier te drinken en wijn en talloze oesterschelpen leeg te slurpen. Maar het komt goed, op een dag. Denk positief.
               Veel tijd vergde ook mijn niet aflatende, diepe bekommernis om de planeet en haar bewoners, zoals daar in de eerste plaats zijn de wolf en de wilde hamster. De wolf kweekt te veel. Dat is bedreigend nieuws voor geit en schaap. De wilde hamster daarentegen is minder wild dan zijn naam ons wil doen geloven. Hij paart nog minder dan de panda en is daardoor met uitsterven bedreigd. Daarover moeten we ons grote zorgen maken.
               Die tragedie vernam ik op dezelfde dag dat in een woestijn de uitgedroogde lichamen werden gevonden van een moeder en haar kind. Hun zoektocht naar een beter leven spatte uit elkaar op de muur rond het fort van onze rijkdom. We zijn, geloof ik, in de rangorde der prioriteiten de weg een beetje kwijt.

               Uiteindelijk gaan mijn ogen open. De lucht is uitgehuild. Stralen zon vlammen door de grijze wolken. Het wordt vast weer een mooie dag. Voor de spiegel valt mij in dat exact vandaag elf jaar geleden mijn vader doodging, meer dan tachtig jaar een van de vrolijkste jongens op de planeet.
Elke dag ga ik een beetje meer op hem lijken.

Zou een heel klein beetje afscheid

               Ik had vannacht een kwade droom.

               Ik zat opgesloten in een barbaarse gevangenis die was uitgehouwen in een rots, een warrige doolhof van gangen, middeleeuws donker, slechts zuinig verlicht door enkele brandende fakkels die spookachtige schaduwen wierpen in mijn cel waar op de grond enkel wat naar lijken meurend stro lag waarin het krioelde van de ratten.
               Zestien jaar zat ik daar al, precies een tiende van de mij toebedeelde strafmaat. Honderdzestig jaar ondergrondse dwangarbeid was de op een na zwaarste straf die de rechter in dit land volgens het strafwetboek mocht uitspreken. Officieel heette mijn misdrijf ‘Anti-Bestuurlijk Verzet en Weerspannigheid tegen het Regime’. Zelf vond ik mij eerder het slachtoffer van een pervers totalitair systeem.

               In mijn droom leven we in dictatoriale tijden.
               Geheel naar eigen willekeur zwaait het Opperste Gerecht te pas en onpas met de zwaarste straf: de dood. Door de kogel, ophanging, verbranding of het hoofd afgehakt door een willekeurige burger. Die laatste wordt door het lot aangeduid en dient zichzelf als uitverkoren te beschouwen. Het onthoofden van een subversief element is een door de Overheid verleende gunst, een kans om het land te zuiveren van elke vorm van weerbarstigheid. Met een houthakkersbijl de nek te klieven van een muitzieke opstandeling dient als een opperste dienst aan de Natie te worden beschouwd. Wie aan die eer verzaakt, verzet zich per definitie tegen het Hof en bij uitbreiding tegen de absolute onfeilbaarheid van de Staat.

               Ik ben niet als held geboren en zal het ook nooit worden. Ik vind het woord heldendom een uiterst accurate term. Toen het lot dus precies mij uitkoos om een staatsvijandig landgenoot een kopje kleiner te maken, voelde ik mij niet vereerd maar integendeel zelf voor het blok gezet. De veroordeelde was een jongen van zestien wiens enige misdaad erin bestond gespot te hebben met het nationale vaandel. In een dronken bui had hij de leeuw op de vlag, het symbool van Het Rijk, boudweg pussy genoemd. Die respectloze vrijpostigheid zou hij betalen met zijn leven.
               Ik scharrelde wat spullen bij elkaar, propte die in mijn plunjezak en vluchtte als een dief in de nacht. Lang duurde mijn escapade niet. Twee straten later werd ik gevangen door de verblindende lichtbundel van een van de schijnwerpers die vanop de daken alles capteerden wat zich na de avondklok nog buitenshuis bewoog. De stad bij nacht leek op een Duits strafkamp tijdens de tweede wereldoorlog.

               Ik wist mijn lot bezegeld. Op desertie staat Doodstraf door Verdrinking. Desondanks verleende de rechter mij alsnog clementie. Voor mij pleitte mijn ronduit uitstekende beheersing van de zwemkunst. Het Hof achtte de kans dat ik me onder water alsnog als een Houdini uit de touwen zou bevrijden niet denkbeeldig. In onderhavig geval zou ik mijn geluk kunnen beproeven op het grondgebied aan de andere oever, in Vrijland, waar alle dagen de zon gratis scheen, mensen vrank en vrij spirituele grassen rookten en de meisjes vrijpostig en losbandig waren.
               De rechter liet me dus het leven, zij het niet zonder voorwaarden. Het land kreunde onder een prangend probleem. De gehele bevolking morde en verdorde door een nijpend tekort aan kunst en schoonheid. Onder de ontelbare terechtgestelden bevonden zich voornamelijk dansers, muzikanten, schilders, schrijvers, acteurs. Een totalitaire staat heeft per definitie immers een ingewikkelde verhouding met eigenzinnige geesten. Door het elimineren van elke vorm van speelse creativiteit groeide onder de bevolking een niet te stillen honger naar beeldrijke geschiedenissen en sprookjesachtige verhalen.

               Aldus vermeldt het vonnis:

               ‘Bij deze veroordeelt Het Hof genaamde instelling De Schrijverij ertoe op dagelijkse basis ten minste een fragment of sequentie ener fictieve vertelling te verzinnen, uitmondend in de vorm van een novelle of roman, ter ondersteuning van de Natie in al haar Glorie en ter plezier ende vermaak zijner onderdanen.’
               Na deze uitspraak schoot ik zwetend wakker.

               ‘Het is maar een droom,’ zegt u, ‘dromen zijn bedrog.’
               ‘Dat mag dan wel zo zijn, deze heeft er toch flink ingehakt,’ antwoord ik dan. ‘Een verwittigd man is er twee waard.’
               Daarom, mijn lieve lezers en lezeressen, het zekere voor het onzekere. Dit stukje is voor enige tijd het laatste dat De Sprekershoek u kan bieden. Een Autoriteit veel hoger dan de mijne heeft het zo beslist.
               Ik dien de komende maanden verhalen te verzinnen die door mama’s en papa’s bij valavond zullen worden voorgedragen aan hun kroost, die kinderen op hun beurt zullen lezen voor hun indommelende ouders, zelf te zwak geworden om nog een laatste bladzijde om te slaan. Verhalen die zullen doen lachen en wenen, tot nadenken stemmen en naar adem happen. Verhalen die u tot aan het einde van uw dagen zullen heugen.
               Iemand moet het doen.

               Intussen, lieve lezers en lezeressen, drink, vecht, huil, zing, lach en bewonder.
               Laat het werken maar even.
               Prettige vakantie.