Blog

In zijn hoofd

          De mare wil dat Anjet Daantje van haar omvangrijke oeuvre geen letter aan de straatstenen slijten kon tot op een dag haar Het lied van Ooievaar en Dromedaris doorheen de dijken brak. Meer dan honderdduizend exemplaren schoven over de toonbank.
          Zo snel kan het gaan. Heel lang is er niets en hupsakee, voor je het doorhebt zoek je in een Afspraak met Bart naar de meerwaarde in je werk, zit je vrolijk te wezen aan een tafel met Gert en Zoon of in de diepte van je hersenspinsels te graven met een schnabbelende letterkundige in een of andere stadsbibliotheek.
          Het was dus niet uit hovaardigheid doch louter en alleen ter voorbereiding op wat nog niet is maar onverwacht wel komen kan, dat ik voor de spiegel in de badkamer een vraaggesprek oefende met mezelf:

Beste mijnheer De Schrijver …
          Doe maar gewoon De Schrijver.

Gewoon De Schrijver. Vertelt u eens: hoe ziet een dag van een schrijver er doorgaans uit?
          Ach, weet u. Finaal is een schrijver ook maar een mens die zo omstreeks half acht krakend uit de bedstee tuimelt. Hij drinkt koffie met melk, smeert vier sneetjes witbrood met een velletje kaas, een fijne vleeswaar of een eitje op zijn tijd.

U spreekt over uzelf in de derde persoon?
          Waaruit enige bescheidenheid blijkt, vindt u ook niet? Johan Cruyff deed het ook. Geen schrijver weliswaar maar onmiskenbaar ook wel een talentje.

Hoe gaat de dag dan verder?
          Louter voor de spielerei murmelt de schrijver binnensmonds soms samen met de nieuwsvrouw op de radio de filelijsten mee. Een kleine hersenoefening, zeg maar. Het Vierarmenkruispunt, de Ring rond Brussel, de flessenhals aan de Craybeckxtunnel, de Echternachprocessie richting Nederland vanaf Sint-Anna Linkeroever tot Borgerhout. Ook een schrijver heeft soms nood aan zekerheden in het leven.

Wanneer zet u zich dan actief aan het schrijven?
          U moet rekenen, het pad van een auteur is met struikelstenen bezaaid. Enerzijds moet hij als een spons de berichten uit de wereld absorberen, anderzijds dient hij diezelfde wereld buiten de muren van zijn eigen universum te houden. Een intellectuele spreidstand van Olympisch niveau als u mij vraagt. Dat u dat niet doet, valt te betreuren.

Concreet: wanneer begint dan echt het schrijfwerk?
          Het is opdracht van de schrijver de wereld te begrijpen. Geen eenvoudige taak. Neem nu dat zogenaamde vredesvoorstel over Oekraïne. Geef je over, laat de bezetter wat hij veroverd heeft, verkoop ons de bodemrijkdommen van wat overblijft en we praten er niet meer over. Zoiets begrijpen vraagt diepgaand denkwerk. Daar kan zelfs de creatiefste uithoek van je brein maar moeilijk bij. Wie gelooft die mensen nog? Dit heeft deze schrijver inmiddels wel geleerd: de domheid van je medemens mag je nooit onderschatten.

De actualiteit belemmert dus uw werk?
          Troost biedt gelukkig nog de sport. Spelen voor het volk, maar kom. Club Brugge verlaat Champions League met opgeheven hoofd. Mooi is dat. Een opgeheven hoofd is heel wat waard vandaag de dag. De meeste mensen lopen met de blik al half in het graf. Dat doet een schrijver niet, hij gelooft als een rots in de maakbaarheid der dingen.

Daadwerkelijk schrijven begint zowat tegen de middag dan?
          Misschien eerst de geest nog laten warmlopen met een kruiswoordpuzzel. Anders blijft dat nieuws maar zeuren in je hoofd. Dat stremt het creatieve proces. Neem nu Amerikaans Milieubeschermingsagentschap steekt dolk door het hart van klimaatreligie en schrapt tientallen milieumaatregelen, zoiets hakt er echt wel stevig in. Een Zweeds raadsel verricht dan weleens een klein wonder.

De dag schuift intussen wel flink op.
          Gelijk heeft u. Helemaal. Omdat je dan eerst ook nog het wereldwijde web voorbij moet. Tijdens research stoot een schrijver weleens onbedoeld op een stukje Shakespeare door een acteur wiens gezicht hij vaag herkent. Blind van nieuwsgierigheid slibbert hij het konijnenhol in: wie is die man, waar heeft hij hem nog gezien? Aha! Ben Wishaw, Black Doves, Netflix. Met Keira Knightley. O kijk, een vraaggesprek met allebei over the making off. Kan je als schrijver natuurlijk onmogelijk laten liggen. Intussen verglijdt de tijd als water naar de zee, zoals de dichter zegt.

Laatste vraag alweer: wanneer zet u dan effectief het eerste woord op papier?
          Een schrijver die niet produceert, gaat zich al gauw schuldig voelen. Er moet gewerkt worden. Meer dan ooit regeert de middenstand het land, of zij dat beter doet dan ooit tevoren is nog maar de vraag. Hoe dan ook, nietsdoen als die krekel met zijn viool mag als schuldig verzuim worden beschouwd, minder erg nog dan roken in het openbaar maar kwalijker dan je schoonmoeder vergiftigen met eigenhandig bij elkaar geplukte paddenstoelen.

U noemt zich schrijver maar … schrijft u eigenlijk wel?
          Laat me zeggen: de meeste arbeid gebeurt in het hoofd. In het hoofd is alles heel eenvoudig. In het hoofd valt alles op zijn plaats. Er is tijd voor eender welke richting. Er is plaats voor eender welke stroof.

Dat zijn toch verzen van …
          Raymond, jazeker. Dichters dichten, grote dichters stelen. Picasso, als ik me niet vergis.

Mijnheer Gewoon De Schrijver, ik dank u voor dit gesprek.
          Geen dank. Met graagte gedaan.

          Voldaan kijk ik in de spiegel. Het komt wel goed bij Bart of Gert.

Klein Johanneke

          In de rubriek ‘Verschijnselen die niemand kan verklaren’, in willekeurige volgorde:

  1. Waarom in de Bermudadriehoek schepen spoorloos van de radar gaan.
  2. Hoe cirkels in het graan ontstaan.
  3. Waarom in de dag gebeurt wat je de voorbije nacht droomde.
  4. De wereld van Tom Wouters.

          U kent Tom Wouters niet? Tom is een vriend van me. Een gewone jongen, bedachtzaam en bescheiden, partner, vader, een mens van vlees en bloed, beenderen en organen, bij elkaar gehouden door een vlies zo dun dat je er met een oognaald gaatjes in kan prikken. Belachelijk genoeg bepaalt de kleur van dat vel hoe jij jezelf ziet en hoe anderen naar jou kijken, doch dit geheel terzijde.
          Merkwaardig aan Tom is wat in zijn hoofd gebeurt. Het klotst en gutst en gist er. Het knerpt en knispert, klettert en knalt. Vuurpijlen van verbeelding spuwt hij van onder zijn schedelpan de ruimte in, zijn imaginatie is een heelal dat geen grenzen kent, zijn verzinsels reiken tot de verst gelegen uithoek van de Melkweg en daar nog een eind voorbij. Klikt u straks maar even door naar https://www.hetongerijmde.eu/ en laat u gidsen in een wereld die alleen Tom ontginnen kan. Bent u toevallig van professie uitgever van onbekende meesters, doe deze jongen een bod dat hij niet weigeren kan. Al weet je natuurlijk met Tom Wouters nooit, maar dat geheel terzijde.

          Eerder deze week verhaalde Tom over letters die hij miste in het alfabet. Ooit kenden wij er veertig, fabuleerde hij, ellendig genoeg kon hij zich de verloren letters niet meer voor de geest toveren waardoor hij naar eigen zeggen ook niet langer schrijven kan. Niet kunnen schrijven is voor een schrijver een verschrikking, hij wordt een wielrenner zonder fiets, een nieuwslezer zonder tekst, een dag zonder weer.
          Zo een dag bestaat natuurlijk niet, maar laten we dat terzijde houden.

          Tom is dus een vriend. Vrienden helpen elkaar. Daarom Tom, voor jou, het waar gebeurde verhaal van klein Johanneke, ter lering en vermaak.
          Klein Johanneke was een guitig manneke dat lang geleden mijn klaslokaal kwam ingewaaid. Ik was in die dagen klassenleraar – waarom men in het onderwijs verkeerdelijk doch hardnekkig blijft volharden bij dat afgrijslijke titularis is ook een verschijnsel dat niemand kan verklaren, ook dat geheel terzijde – van het eerste leerjaar B, de brugklas. Een kind dat om een of andere reden slechts moeizaam de basisschool had doorworsteld en daarbij matig tot geen succes geoogst had, kon via 1B alsnog proberen de waterval naar het buitengewoon onderwijs te ontwijken. Vaak torsten deze twaalfjarigen een rugzak met een te zwaar leven op hun rug, veelal hadden ze daarbij ook een flinke leerachterstand opgelopen en een nog grotere afkeer van school en leren opgebouwd terwijl ze hoe dan ook nog zes jaar secundair onderwijs voor zich hadden liggen. Secundair overigens vind ik even lelijk als titularis, een futiel terzijde tussendoor.

          Voor de leerkrachten was het dus in de eerste plaats zaak deze kinderen weer bij de les te krijgen. Ze te laten zien dat school naast nuttig ook leuk kan zijn. En dat niets onhaalbaar hoeft te zijn. Ja, ik pamperde mijn leerlingen. Ik was er zo eentje die meer gelooft in belonen dan sanctioneren. Die een schouderklop verkiest boven een ranseling met de karwats. Die gelooft in vriendelijkheid en vertrouwen meer dan in de harde hand. Dat doe ik nog altijd, u mag daarvan denken wat u denken wil. Een ei was ik, een softie, een mei ’68’er, een wokie. Daar ben ik overigens best wel fier op, doch dit geheel terzijde.

          De hoofddoelstelling van mijn eerste les Nederlands was succeservaring. Een lage lat leggen waar iedereen overheen kon en die dan langzaam hoger leggen. Mijn leerlingen waren in hoofdzaak meer handvaardig dan verbaal, dus presenteerde ik hen op een gulden schotel de bouwstenen van de taal: de letters van het alfabet. In les 1 legde ik drie vragen voor, in les 2 waren diezelfde vragen ook hun eerste toets:

  1. Hoeveel letters telt ons alfabet?
  2. Schrijf ze op in de juiste volgorde.
  3. Welke klinkers ken je?

Een tien op tien toets, goed begonnen is half gewonnen.

          Alzo antwoordde klein Johanneke:

  1. 40
  2. Van die veertig kreeg hij er zestien op papier, welke dat waren herinner ik me niet meer.
  3. Een klinker is een steen zoals thuis op de oprit.

          Op de toets in les 2 haalde klein Johanneke tien op tien. Zijn eerste tien voor taal ooit. Ik zie nu nog altijd voor me hoe hij straalde. In de jaren die volgden leerde hij moedig lezen en schrijven, rekenen, meten, passen en lassen.
          Ik kan niet zeggen wie van ons zes jaar later in de aula van de parochie het hardst glunderde: vooraan op het podium klein Johanneke die van de directeur zijn getuigschrift Lassen-Constructie in de handen kreeg gestopt of achteraan in het donker wij, dat korps van 1B.

          Om maar te zeggen, Tom, als je echt niet langer schrijven kan, je kan altijd nog voor lasser gaan.
          Of leraar, ook een mooi beroep.

2061

          Lang geleden jogde ik – sukkeldraafde is misschien een beter woord – op een avond door de straten van mijn dorp. Ik zorgde er wel voor de uit de ramen tuimelende lichtkegels te ontwijken van De Mus en De Nieuwe Lantaarn. Ik wilde liever niet worden gezien terwijl ik met uitpuilende buik in krappe legging en fluorescerend hesje met Dankzij Humo staat hier geen andere onzin op de rug voorbij kwam hobbelen als een nijlpaard dat net een poot heeft laten amputeren.

          Ik was altijd een matig loper maar in die dagen wel een verbeten sporter. Sporten zuivert de geest en stelt inzichten helder. De voorbije zomer was ik nog de Col de la Madeleine op gefietst, enkel en alleen omwille van haar naam die me als een Lorelei had gelokt. Voor dag en dauw was ik aan mijn tent vertrokken, de andere kampeerders nipten aan hun derde aperitiefje toen ik laat in de namiddag weer op de camping arriveerde. Het was een dag geweest van ploeteren en zwoegen, stoempen en klauwen maar ik had het wel gehaald.
          Veel woorden maakte ik daaraan toen niet vuil. Ik ben eerder iemand die zijn pijntjes liever voor zichzelf houdt. Dat zit ons in de genen. In onze clan worden wij als clown geboren. Wij witten ons gezicht, stiften onze lippen en lachen uitdagend naar de wereld. Meesters van het masker, dat zijn wij. Dat besefte ik daar en toen, bovenop la Madeleine.

          Terwijl ik daar zo liep, begeleid door hier en daar wat gelig licht van een lantaarn, af en toe knikkend naar een wandelaar met een hond, diep verzonken in gedachten, hoorde ik in mijn hoofd plots klaar en helder een stem waarvan ik niet meteen kon zeggen of ze een man dan wel een vrouw toebehoorde:
          ‘Weet, Gij Schrijver, en besef, op de tel dat deze woorden op u nederdalen  bevindt gij u waarachtig en exact, onomstotelijk en gewis op het absolute midden van de tijdlijn van uw leven,’ waarop de stem even snel verdween als ze verschenen was en in mijn hoofd een stilte liet die de mens alleen ervaren kan voor hij wordt geboren of na zijn sterven.

          De stem had gesproken op een toon doordrenkt van overtuiging en gezag. Wie behoorde ze toe? Wie of wat in dit heelal kan mij met autoriteit vertellen wanneer mijn uur van gaan zal zijn gekomen? Dat kon voorwaar alleen toch maar … Ik voelde meer dan ik het werkelijk wist, ik was bezocht door een engel, de aartsengel, Gabriël, eerste gezant van god, hij die de maagd destijds berichtte dat ze onverwacht een kind zou baren.
          Dat de tweeslachtige zich verwaardigde een eenvoudig man in strakke legging te bezoeken met een boodschap, verbaasde mij geenszins. Zelfs Google Maps vindt heden ten dage vrijwel nergens nog een maagd en niemand wordt nog onverklaarbaar zwanger, eenieder heeft tegenwoordig overal een uitleg voor.

          Belangrijker nog dan wie was de vraag: waar had die gast het over? Als dit exact de helft van mijn leven is, berekende ik – rekenen uit het hoofd kon ik altijd al veel beter dan hardlopen of een Alpencol opfietsen, hoe verleidelijk ook haar naam, dan loop ik mijn finale ronde in 2061. 2061! Dan ben ik 103!
          Is dat werkelijk wat ik wil?

          Ik herinnerde me de jaren waarin ik nog niet volwassen hoefde zijn. De jaren waarin ik geloofde dat wanneer ik later groot en sterk zou zijn, de auto’s zouden zweven door het zwerk, de mensen in vrede leven, er weelde en overvloed zou zijn voor iedereen. Niemand hoefde nog te werken, als krekels zouden we dansen en zingen en fiedelen met de viool. Computers en machines zouden alle werk verrichten, ze zouden dat goed doen en met de beste bedoelingen voor iedereen, ongeacht afkomst, kleur, geloof. Niemand zou nog boosaardig zijn, afgunstig of gewoon maar ontevreden. We zouden blij en vrij zijn en reizen naar maan, Mars of liefst van al naar Venus. De minder begoeden onder ons waartoe ook ik behoorde konden minstens toch ook voor veertien dagen naar de zee of de Ardennen.

          In 2061, dat weet ik nu aan volwassenheid nauwelijks nog te ontsnappen valt, is de planeet gemiddeld vier graden warmer dan vandaag en moet hij elf miljard mensen voeden. In de Balkan spreekt men Russisch. Canada, Panama en Groenland zijn Verenigde Staten en Gaza is een populair vakantieoord. In 2061 moet je minstens 103 zijn om nog het verschil te kennen tussen Filistijn en Palestijn, om te weten dat Taiwan ooit geen China was, je te herinneren dat de Zoute Zeeën lang geleden Lage Landen waren.

          2061. Ik zie me in een stoeltje, voor het grote raam op de eerste verdieping van RVT De Oude Knook, een katoenen deken op schoot en uitzicht op het kerkhof, denkend aan wat eens was en nooit meer worden zal. Daarbij voel ik ook die onmacht, dat onnoemelijke spijt en het knagen van de vragen: waarom hebben we toen niet, had ik maar dat.
          En ik vraag me: is dat werkelijk wat ik wil?

Te doen of niet te doen

          In de gezellige bistro waar ik die middag een koffietje ging drinken, praatten de vrouw en haar vriendin aan het tafeltje naast het mijne zo luid dat ik niet anders kon dan hun discours beluisteren.
          ‘Voor ik aan de dag begin maak ik elke ochtend een to do-lijstje,’ zei de vrouw. Ze schreeuwde het haast uit opdat zowel de ober als ikzelf toch zeker zouden begrijpen hoe belangrijk en druk-druk-druk haar dagelijks bestaan wel was. ‘Daar zet ik dan klusjes op die op een mum verwerkt zijn, een bevestigingsmail sturen, een verjaardagskaart voor een collega schrijven, mijn balpennen rangschikken op kleur. Taakjes die ik dan meteen kan afvinken. Dat geeft extra stimulans voor wat ik allemaal nog te doen heb.’
          ‘Slim,’ antwoordde haar vriendin. Er klonk in haar stem iets droevigs door.
          ‘Sorry,’ zei de eerste vrouw,  ‘ik stond er niet bij stil. Misschien moeten we over wat anders praten, nu jij zo zonder werk …’
          ‘Nee hoor,’ antwoordde de vriendin, ‘Ik zat alleen te denken, wat wil ik in dit leven nog écht graag gaan doen. Niet zo heel veel, vrees ik.’

          Doe dan maar niets, dacht ik, dat is ook een actie.
          Onlangs had ik gelezen dat het mentaal gezonder voor een mens zou kunnen zijn een overzicht op te stellen van dingen die hij liever niet wil doen. Dat je van dingen niet doen misschien wel veel gelukkiger wordt.
          Bovenaan mijn lijst: ’s nachts niet langer met ogen open liggen piekeren tot de schaapjes met meer dan duizend zijn. De ochtend zou zich vast minder somber aandienen.
          Bij het ontbijt niet de radio aanzetten, een goede nummer twee. Geen onheilsberichten over importtarieven en handelsoorlogen, daar begrijp ik toch geen jota van. Ook geen doemverhalen bij je boterham over de belabberde toestand van het land, de torenhoge staatsschuld en werken tot je neervalt.
          Ook van de aan-knop van de laptop blijf ik af. Ik wil niet langer lezen over oude mannen die per se de wereld willen tonen hoe machtig en viriel ze nog wel zijn, over welk land nu weer moet worden aangehecht, welk volk nu weer geknecht, welk dispuut nu weer met bruut geweld beslecht. Geen woord meer wil ik horen over de zakenman die een volk van haar geboortegrond verjagen wil om op de puinhopen en ruïnes van een weggevaagde stad een aards paradijs neer te poten.  

          Ik ga vandaag niet scrollen op mijn socials, wil niet weer verdwalen in de doolhof van verleiding, verdrinken in de stroom van advertenties voor producten die ik niet eens ken, ga geen tijd verdoen aan spelletjes die mijn brein beledigen. Ook wil ik deze dag niet kwijt aan hartjes tellen bij mijn laatste post. De lezer lust het of hij lust het niet, daar heb ik weinig op te zeggen. Ik houd me ver van domme commentaren van domme mensen over doodgewone dingen, dan hoef ik me ook nergens over op te winden. Dat iedereen over alles een gedachte heeft, mij best, ik hoef het allemaal niet te weten, het kleurt mijn dag alleen maar grauw.

          Wat ik nog meer niet ga doen?
          Ik ga niet somber voor het raam wat voor me uit gaan zitten staren, mijmerend over wat is en wat had kunnen zijn. Beter trek ik een jas aan, trek het park in, maak een ommetje langs de kapster en laat haar mijn haren föhnen volgens de nieuwste mode. Terwijl ik wacht blader ik niet in het nieuwe lifestyle magazine dat me vertelt hoe ik beter leven moet, me voeden met avocado’s, granola en veel noten, superfijn voor je buik en darmen en daarbij een fikse scheut gemberthee met kokos en jasmijn. Oneindig veel bewegen, ik word al moe als ik het lees. Vandaag maar even niet. Een dag zonder kudo’s op Strava is daarom geen verloren dag.

          Ik kijk straks ook geen tv. Hoe weer een blik Bekende Vlamen een hoge berg over moet, in een gammel bootje dobbert op een oceaan of bepakt, gezakt en door camera’s omzwermd een potje gaat lopen huilen in een woestijn om het onheil dat het leven hen heeft toebedeeld, het interesseert me echt geen hol. Dat is nu eenmaal wat het leven doet. Ik heb ook zelf mijn portie weleens gehad, hoort u mij klagen? Ik dacht van niet. Zoals die Kreuner ook al zei: ik dans wel met mezelf.

          Dat alles dacht ik dus, die middag bij die koffie, naast twee druk koutende vrouwen. Ik wenkte de kelner, rekende af, trok mijn jas aan.
          ‘Een fijne dag nog dames,’ zei ik opgewekt.
          Buiten prikte een straaltje zon een gaatje door het wintergrijs. Op de kale takken van een boom hupte een roodborstje, tussen de wortels staken schuchter de eerste krokusjes hun kopjes uit de koude grond.

Pitch

VOOR

          Jij hebt een gedachte, een overtal aan woorden, een vlotte pen, de tijd. Je schrijft en schrapt zoals je het op school hebt geleerd. Je valt en staat weer op. Je vijlt en schaaft en op een dag ben je waarlijk de god die ziet dat het goed is. Het kan de deur uit zeg je, als was het je oudste zoon. De wereld in. In gedachten zie je jezelf achteloos voorbij etalages kuieren, de zon als een aureool om je hoofd. Hoe dichter bij de boekhandel, hoe trager je pas:
          ‘Kijk,’ wijs je naar de hele wereld, ‘daar, die harde cover.’ Dagen van Stof staat erop en daaronder in grote, sierlijke letters jouw naam.

          En als het niet zo gaat, dan maar niet, zeg je tegen jezelf. Geen kat overboord. Dit doe je immers toch alleen maar voor je eigen lol? Wat moet je anders? De Col du Galibier beklimmen lukt al lang niet meer, voor een hele dag kookprogramma’s kijken voel je je nog te jong.

          En inderdaad, zo gaat het niet.
          Je ontdekt de diepgang van bekende woorden: boekenvak, boekenmarkt, boekhandelaar. Je leert dat een vis niet zomaar zwemt vanuit de zee naar de boter op je bord. Dat wat jij maakt vanuit jouw hart met jouw zweet en jouw twijfels in jouw cocon in de grote wereld een product wordt. Jij, onwetende, naïeve schepper denkt: ik ben de bron, de as, van dit werk toch de kern. Het is al ijdelheid. Het gaat niet om jou.
          Stel: jij knutselt nauwgezet en met veel geduld ambachtelijk een negentiende-eeuws zakhorloge in elkaar. Je steekt er nachten van je leven in, koopt de delicaatste instrumenten, gebruikt de zeldzaamste en dus duurste materialen, je schept een werk van kunst, nergens en nog nooit gezien. Helaas voor jou, in deze tijden denkt men digitaal.

DE PITCH

          Dus je moet de straat op, je werk moet verkocht.
          Je blinkt je schoenen, studeert je praatje in. Waar je woont, wat je doet, wie je bent, wie je kent. Iets literairs ertussendoor: ‘het zaadje waaruit dit boek kon groeien,’ een grapje: ‘heel vaak schreef ik voor de liefde, met wisselend succes’, je dropt op tijd een naam: ‘ik volgde les bij die en die, ik drink weleens een glas met die of dat talent.’ Jij geeft het beste van je zelf en hebt er alle vertrouwen in: na jou neemt je werk het van je over.

NA

          Dat het er allemaal niet toe doet, houd je jezelf voor. Er was een leven vóór, er is een leven na. Jij bent gezond, ook je kinderen, je geliefden. Je komt rond, leeft in een land van vrede, er is melk en honing in overvloed. Wat je lang vooraf al wist: velen geroepen, weinigen uitverkoren. Het is beter te proberen en te falen dan helemaal niet te proberen, die gebruik je ook. De clichékast puilt nu stilaan uit. Dat de markt groot is, de kansen legio, er nog heel wat braakland kan worden afgeschuimd.

          Alleen, dat praatje echoot in je hoofd. Die jonge vrouw van die grote uitgeverij waarop jij stiekem hoopte, ze had gelijk. Je voelt het, je wéét het, het knaagt.
          O, wat begon ze mooi: ‘Een sterke pen! Echt bij het betere dat ik onder ogen kreeg! Hoe je de lezer je verhaal inleidt, je zoog me helemaal mee. Ik voelde spanning, dreiging, wilde meer.’
Je voelde hoe je opsteeg uit je geblonken schoenen. Nog terwijl jij zweefde ging zij door, vriendelijk, beslagen in haar vak, helder in haar communicatie. Hoe ze de spanning had voelen ebben uit je vlakke verhaal, hoe het banaal werd, hoe ze zich vragen was gaan stellen. Je werd langzaam zwaarder weer en landde naast je stoel.
          Met een glimlach spietste ze twee gepunte vragen in je weke schrijvershart: ‘Waar zit de noodzaak voor de lezer jouw vertelling te willen lezen,’ vroeg ze, en: ‘Waarom zou ik erin investeren?’

          Ze deed niet uit de hoogte, was in geen geval pedant, ze was gewoon degene aan het stuur. ‘Wat jij moet doen,’ zei ze als een koning die zijn ridder opdracht geeft op zoek te trekken naar de Heilige Graal, ‘is het verhaal te vinden dat de lezer lezen wil. Zoek het, Vind het, Schrijf het. En doe dat onverbloemd. Onbeschaamd. Bevrijd van de ketenen van voorspelbaarheid en medeleven. Wanneer je daarmee klaar bent, kom je bij me terug.’

          Wellicht zag je eruit als die bokser die net een linkse directe heeft geïncasseerd en pretendeert niet geraakt te zijn. Weer op straat schudde je je hoofd, eenmaal, tweemaal, scheepsrecht, haar woorden vielen waar ze wezen moesten.
          ‘Dit schrijf ik op,’ beloofde je jezelf, ‘want dat is wat ik doe.’
          Zo is het maar net.
          Je schrijft. Dus je blijft.

Maar in Amerika

          Toen ik op een ochtend zat te bladeren door mijn krant moest ik plots denken aan Marc Dex. Zomaar, uit het niets. Hoe zou het nog zijn met die charmezanger uit de jaren stillekes, de vader van Barbara, de broer van Juul Kabas, vroeg ik me af.
          Toen wij nog cowboy en indiaantje speelden, vijf kortgeknipte vlaskoppen in korte broek, altijd wel iemand een blauwe plek of een gescheurde lip, zag je Marc Dex zo ongeveer elke zaterdagavond op de televisie. In een of andere pronkerige show waar mijn moeder zo graag naar keek, Canzonissima, Ontdek de Ster of de Muziekkampioen.
          Marc Dex. Leek meer op een verkoper van stofzuigzakken dan op een liedjeszanger. Klein van stuk, vroeg kaal, altijd strak in pak en das. Zo herinner ik het mij althans. Had niet dat David Cassidyachtige van een Willy Sommers, die kwajongensblik van een Joe Harris en helemáál niet dat zelfrelativerende van een Louis Neefs. Nee nee, volgens mij, Marc Dex, die meende het.

          Wij hadden met Het Vlaamse Lichte Lied niet veel vandoen. Waren we alleen thuis, dan zetten we knop op Tienerklanken of TopPop. Maar wilden we op zaterdag langer opblijven, dan moesten we daar wat voor over hebben. In het hele huis was slechts één televisietoestel te vinden, onze moeder bepaalde wat we gingen kijken. Ze controleerde ook je glazen limonade, mat met haar ogen je portie zoute chips en bepaalde wanneer jij moe was en naar bed moest. Pas nadat je op de dag van je Vormsel voor het eerst in het openbaar een sigaret had gerookt en in de haag je eerste pint uitgekotst, verwierf je een beperkt soort zeggenschap over je eigen leven.
          Al vonden we die smartlappen maar niks, toch keken we. De teksten metsten zich als kinderrijmpjes in je hoofd. Om elkaar te pesten zette iemand het in de vroege zondagochtend in de slaapkamer weleens luidkeels op een zingen: Drink Rode Wijn, Laten we Alle Dagen Vrolijk Zijn. Dat onding zeurde dan de ganse dag in ieders hoofd. Zulke pesterijtjes vonden wij grappig.
          Als we al hielden van elkaar, dan toonden we dat op onze eigen wijze.

          Goedemorgen Morgen, zongen wij met Nicole en Hugo.
          Breng die Rozen naar Sandra, met Jimmy Frey.
          Ik ben verliefd op jou, met Paul Severs waarbij we keken alsof we het meenden.
          Met Marc Dex zongen we:

Maar in Amerika Maar in Amerika
Daar vlieg je like a monkey naar de maan
Maar in Amerika Maar in Amerika
is ’t hippy happy hoep en ’t is gedaan

          Lyriek vol mysterie, vonden wij. Als een aap vliegen naar de maan? Hallo? Hoe moeten we ons dat voorstellen? Hippy happy hoep? Hoe oud is die kerel? En dan dat slotakkoord: gedaan! Hoezo, gedaan?

          Tegelijk prikkelde dat Amerika hogelijk onze verbeelding. Wij waren kinderen van het oude continent, beladen met een geschiedenis van bloed en oorlog terwijl Amerika, dat was de nieuwe wereld. De dollars vielen er als hemels manna uit de lucht. Ieder kon er bereiken waar hij van droomde. Het geluk lag er op de straten voor het rapen. Amerika, land van duizend en nog meer mogelijkheden, ons voorbeeld, onze gids, onze redder ook. Dankzij Amerika spraken wij hier nog altijd ons Schoon Vlaams en geen Duits. In Amerika, daar groeide kauwgom aan de bomen, stroomde cola in de rivieren, liep iedereen op straat met een pistool en hadden actrices de grootste borsten. Alles was groter in Amerika. En de president van Amerika was de machtigste man op aarde

          Daarover ging het in mijn krant, over die nieuwe president, uiteraard, al weken heeft men het nergens anders over. Over de zondvloed aan decreten en besluiten die hij over de hoofden van zijn onderdanen had uitgestort. Twee miljoen mensen stuurde hij een mail met een voorstel om hun werk te behouden. Take it or leave it. Ontheemden liet hij in de boeien slaan en gewapenderhand het land uitzetten. Leave! Zijn land, van nature al het mooiste, het grootste, het beste, bewoond door Gods uitverkoren volk, zou onder zijn beleid nog mooier, groter, beter worden.
          Zelf had hij de mantel der beschaving tijden geleden al afgelegd. Zijn leven was gespaard door een eigenhandige interventie van de Here in den Hoge zelf. Dat gaf hem het recht te schimpen en te schelden, te kwetsen en vernederen, rond te banjeren als de bullebak op de speelplaats. Wie zich roert, moet vrezen voor emplooi en vrijheid. In zijn graf draait inmiddels JFK rondjes tot hij er tureluurs van wordt. Niet langer vraagt de leider wat hij kan doen voor het land, hij vraagt wat het land nog kan doen voor hem.

          Aan dat alles moest ik dus denken die ochtend, tijdens het bladeren door mijn krant. En aan het eerste levenslied van Marc Dex:

Kom maar binnen
Kom maar binnen
Het spektakel gaat beginnen
Luid applaus nu voor koning clown

Het spiegelbeeld van
Knechten boeren en magisters
Bazen metsers en ministers
Al hun glorie is maar fantasie
Clown

          Hoe weinig het ook weegt, er zit meer in een liedje dan je denkt.

Zorgen voor jezelf

          ‘Veeg die lach maar van je gezicht,’ zei de directeur die in die dagen nog de tijd had om in de klas de maandrapporten uit te delen. In mijn geval vond hij het nodig elk onvoldoende luidop te lezen, samen met de smalende commentaren die de leerkrachten daar in een boosaardige bui aan hadden toegevoegd. ‘Lui,’ las hij met een stem waar het misprijzen van af droop, ‘stoort voortdurend de lessen, lastpak voor zijn klasgenoten, denkt alles altijd beter te weten, wil steeds het laatste woord, onbeschoft, tegendraads.’ Met uiteraard als uitsmijter: ‘De Schrijver kan het als hij wil, maar hij wil niet.’
          Natuurlijk bleef ik lachen. In die tijd zou ik zelfs het vuurpeloton voor mijn neus met minachting in de ogen hebben gekeken.

          ‘In plaats van hooghartig te staan grijnzen,’ zwaaide de directeur met mijn puntenboekje, ‘vraag je je beter af wat je hieraan gaat doen,’ gevolgd door dat andere bekende deuntje: ‘Wat gaat je vader hierover zeggen?’
          Mijn vader was een gevoelig man. Hij zou in woede ontsteken en naar een borrel grijpen, dan ontgoocheld in zijn vierde telg zich een tweede glas inschenken, roepen, tieren, zichzelf alsmaar driester opwinden en uiteindelijk enkel in de fles nog troost vinden. Zijn stemming zou als een bosbrand uitwaaieren, elke boom in zijn gezin zou branden in zijn vuur, mijn moeder, mijn broers, mijn zus, ikzelf. Omdat ik ook toen al de diepere gevoelens van de ander boven de mijne plaatste wist ik: beter bespaar ik mijn vader deze ellende, dit kruis draag ik liever zelf.
          Die maandag leverde ik mijn rapport weer netjes ondertekend in. De handtekening van mijn vader bestond uit niet meer dan twee verticale streepjes, een horizontale langwerpige krul en een glorieus punt, het kleinste kind kon het.
          ‘En?’ vroeg mijn klassenleraar.
          ‘Hij zei dat ik beter mijn best moet doen,’ antwoordde ik met neergeslagen blik waarop de leerkracht mij grommend weer naar mijn plek helemaal achteraan in de klas verwees waar ik de hele dag probeerde mij in stilte bezig te houden.

          Ik was toen nog de kwaadste niet. De raad van de directeur was welgemeend, ik wilde hem niet zomaar in de wind slaan. Wat aan deze ellende toch te doen? Ik spitte in mijzelf tot op de bodem van mijn ziel maar vond er geen instrumenten om mijn leven te verbeteren. Zoek dan hulp, dacht ik vertwijfeld. Echter, we leefden in andere tijden toen. Internet bestond nog niet. De bib was een doolhof. In mijn familie volgde ieder een eigen spoor, zelden leidde dat ergens naartoe. Vrienden die op school wel goed presteerden had ik niet. Dus restte mij niets anders dan inderdaad, achteraan, in stilte met mezelf bezig te zijn.

          Dat was toen.
          Vandaag zou alles anders gaan. Een welzijnswerker of maatschappelijk assistent zou de hand naar me reiken. Een psycholoog zich bekommeren om mijn innerlijke rust. Een therapeut me oefenen in zelfbeheersing en interne motivatie. Het wereldwijde web en boekhandels puilen uit van zelfhulpboeken waaruit je leert de beste versie van jezelf te worden.
          Blijft nog de vraag: in dat oerwoud van adviezen, waar vind je het best passende antwoord op je vraag?

          In Handleiding voor Gezonde Relaties misschien? Vormt een goed contact met de leerkracht, openhartig en eerlijk, diepgaand en intens, gekruid met wederzijds respect en begrip en badend in een wolk van liefde niet de beste basis voor een vruchtbare samenwerking?
          Dien ik met de hulp van Hoe Ons Brein Werkt te proberen de ingewikkelde denksystemen in mijn hoofd te analyseren om zodoende adequaat te leren hoe mijn prefrontale cortex voorrang te verlenen?
          Of zou Terug Naar de Basis, een lijvig essay over de menselijk psychologie me steviger verankeren in de gevestigde waarden van de maatschappij?
          Misschien zou Afrekenen met Angst me meer van pas komen, een dikke pil over omgaan met je bindings- en verlatingsangst. Of Een Gezonde Geest in Een Gezond Lichaam, het magnum opus van een darmspecialist dat me niet alleen zou verlossen van mijn immer prikkelbare darmen maar tevens mijn dagdagelijks humeur en liefde voor het leven aanzwengelen? Omgaan met Stress zou me kunnen vertellen hoe mijn leven beter te organiseren, Leidraad voor een Holistisch Leven me leren hoe intenser waardevol contact te maken met planten, kruiden en gewassen en hoe een boom te omarmen en met het oor tegen de stam ontroerd te worden door het ruisen van de sappen onder de ruwe schors.

          Uiteindelijk zou ik, zo denk ik vandaag althans, soelaas vinden in Mediteren is Makkelijk, een bijbel uit het Oosten over omgaan met je adem, luisteren naar je hart, afdalen in jezelf, dat alles door elke dag een halfuur je benen te kruisen en je ogen te sluiten, helemaal stil te worden en nergens aan te denken.
          Een beetje zoals ik het vroeger deed: me in stilte bezighouden met mezelf.

Verloren Maandag

          De maandag was niet alleen blauw, in het ochtendjournaal noemde de nieuwslezer hem bovendien ook nog eens verloren. Verloren Maandag. Ik kon me daar wel iets bij voorstellen. Ik voel me ook weleens verloren. Dan vraag ik me vertwijfeld af, wie ben ik, waar kom ik vandaan, wat doe ik hier? Dan voel ik een onweerstaanbare dwang op zoek te gaan naar mezelf.         

          Op de tram koos ik mijn favoriete zitje, voorbij de tweede deur in het midden het eerste stoeltje rechts. Ik had geen specifieke bestemming voor ogen, liet me willekeurig rijden zomaar nergens heen. Een man op zoek, ik zou wel zien waar ik terechtkwam. Dat doe ik wel vaker. Baat het niet, het schaadt ook niet. Niemand heeft er last van, het doodt de tijd en breekt de dwangbuis van mijn gedachten.

          Achter mij zaten twee oude mannen. Wie ouder lijkt dan ik noem ik oud, wie jonger is, jong. Ik zie mezelf graag als het ijkpunt, de tijdloze maat van alle dingen. De mannen praatten ongegeneerd luid. Elke medereiziger kon elk woord verstaan, al droegen de meeste passagiers luidsprekertjes in hun oren en staarden ze verdiept naar het scherm van hun telefoon.
          ‘Worstenbrood of appelbol?’ vroeg de ene man, laten we hem voor de smaak van het verhaal Jules noemen, aan de andere, zeg maar Louis, zo luid dat ik moest denken aan die stokdove mevrouw uit Fawlty Towers die weigerde haar hoorapparaat in te schakelen omdat ze de batterij wilde sparen.
          ‘Eén enkel, één dubbel en één appelbol, elk jaar hetzelfde,’ antwoordde Louis.
          ‘Dat is straf,’ zei Jules, ‘ik neem exact hetzelfde. Verloren Maandag, dat is een enkel, een dubbel, een appelbol. Echt straf.’
          ‘Vanwaar zou dat eigenlijk komen, Verloren Maandag? Weet jij dat?’ vroeg Louis.
          ‘Toevallig weet ik dat, ja,’ antwoordde Jules. Hij klonk als een leerkracht op pensioen. ‘Lang geleden vierde het personeel van de stad nieuwjaar op de eerste maandag na driekoningen. Ze moesten dan de eed afleggen en voor de gelegenheid trakteerde de stad op een knabbeltje. Dat mocht natuurlijk niet te veel kosten, meer dan een broodje met een stukje vlees erin kon er niet af. Omdat er die dag niet werd gewerkt, werd die dag een verloren dag genoemd.’
           ‘Dan kunnen ze aan de stad veel dagen verloren noemen, hard gewerkt wordt daar niet,’ grapte Louis. Jules was de schoolmeester, Louis de nar.

          Ik wilde niet de indruk geven te zitten luistervinken en bladerde nonchalant wat door het boek op mijn schoot. Echt lezen lukte natuurlijk niet.
          ‘Dat kennen ze niet overal, hé. Dat is een typische traditie van bij ons,’ doceerde Jules enthousiast verder, ‘Verloren Maandag is een van de weinige tradities die is overgebleven.’
          ‘Vroeger was alles anders. Weet je nog, Aswoensdag? Dat je de klas niet binnen mocht zonder een kruis op je voorhoofd?’ vroeg Louis.
          ‘Zeker weet ik dat nog. Dat waren andere tijden. Gaan zingen met oudjaar en thuiskomen met een zak vol snoep, dat was een feest?’
          ‘Doen ze dat vandaag nog, denk je?’
          ‘Ik zou denken van niet,’ antwoordde Jules, ‘als een kleine vandaag met een lege zak in zijn handen een winkel binnenstapt en begint te bedelen, sturen ze hem direct naar Mol, schat ik.’
          ‘Ik ken al die liedjes nog,’ zei Louis en alsof hij helemaal alleen in de tram zat, begon hij luid te zingen: ‘Nieuwjaarke Zoete, het varken heeft vier voeten, vier voeten en een staart, is dat dan geen duitje waard?’ Tot mijn verbijstering keek nauwelijks iemand op van zijn telefoon.
          ‘En als ze niet opendeden of ze gaven niets: Hoog huis, laag huis, hier zit een gierige pin in huis,’ viel Jules hem bij. De twee deden me denken aan Slisse en Cesar, ook van alweer heel lang geleden.
           ‘Ik had een kameraad toen,’ begon Jules, ‘de mens is ondertussen al lang dood, die graag ging aanbellen aan de nieuwe appartementsgebouwen, weet je nog, de blokken van Amelinckx noemden wij die …’
          ‘Ah ja, juist, dat weet ik ook nog. Hoogbouw was allemaal nieuw toen.’
          ‘ … dan belde hij bij de zevende of achtste verdieping en als er boven iemand aan de parlofoon kwam dan zei hij: Wilt u een rolletje Wc-papier naar beneden gooien alsjeblieft? Ik heb op de dorpel gescheten. En wij maar lachen. En dan zo rap mogelijk uit de voeten, natuurlijk.’ In hun lachen hoorde ik zoete herinnering en weemoed vechten om voorrang.
          ‘Waar is hij gebleven,’ vroeg Jules. ‘die goede oude tijd. Neen, dat zie ik de jeugd van vandaag toch echt niet meer doen.’
          ‘Dat ze het maar laten ook,’ antwoordde Louis, ‘al die vuiligheid op je stoep. En weet je hoeveel dat kost tegenwoordig, Wc-papier?’
          Het leek me een goed moment om over te stappen op een andere lijn.

Vrolijk zijn Verboden

          Hooguit twee tot drie eieren per week, adviseert het Voedingscentrum. Meer is ongezond naar het schijnt. Iets met cholesterol en verzadigd vet. Dat is wel wat tegen het zere been, sommige dagen eet ik er twee tot drie bij mijn ontbijt.
          De Drugslijn raadt me aan het te houden op maximum tien glazen per week. Ik wil wel. Daarom drink ik mijn wijn nu uit een Duvelglas. Gezondheid boven alles.
          Een wielrenner, lees ik in mijn krant, krijgt een boete wanneer hij gaat juichen als zijn kopman de eindspurt van de wedstrijd wint. Een nieuwe maatregel door de Internationale Wielerunie. Renners die vieren gaan trager fietsen en vormen daardoor groot gevaar voor de rest van het peloton. Daar is lang en diep over nagedacht. Lijkt me toch pittig, dan heb je tweehonderdzeventig kilometer het zweet tussen je bilnaad gekoerst en dan mag je niet eens je armen in de lucht gooien wanneer je arbeid blijkt te lonen. Ook vraag ik me af welke professionele pedaleur nog sneller gaat trappen wanneer de winnaar al over de streep is? Waarschijnlijk snap ik niks van koers.

          Men doet maar. Men verbiedt en regelneeft dat het geen naam heeft. Voetballers die na een doelpunt met hun truitje zwaaien of op reclameborden of dranghekkens springen? Gele kaart. Laat die jongens toch. Ik vind het ook allemaal patserig en stompzinnig maar als zo een getatoeëerde posterboy daar nu voor een schamel ogenblik een heel klein beetje gelukkig door wordt hoeft hij het voor mij niet te laten.
          Een GAS-boete voor wandelen in badpak op de zeedijk. Zoenen op straat valt onder openbare zedenschennis. Vuurwerk op oudjaar is gevaarlijk en dus bij wet verboden. In Dison bij Verviers mag je niet roken in alle drie de straten van het dorpscentrum. Vanaf volgend schooljaar mag de jonge medemens ook niet langer gsm’en op school. Sociale media leiden af. Toen onze mop een mopje was, aardig om te zien en al, bestonden onze sociale media uit het boodschappen kribbelen op papiertjes en daar dan vliegertjes van maken die je naar je vriendjes gooide wanneer de leerkracht met zijn rug naar de klas de stelling van Pythagoras op het bord uittekende. Of het overschrijven van de integrale Bohemian Rhapsody uit de Joepie terwijl de leraar Frans doorzeurde over een foto van een meikever die hij een keer genomen had.
          Er mag zo weinig nog vandaag en dat komt echt niet door die woke groenen, die promoten zelfs kerstboometen.

          Mocht ik een kwaadwillig iemand zijn, ik zou denken dat een of anders schimmige macht probeert alle lol te bannen uit ons leven. De wereld is geen speelplein, alle donders nog aan toe, gelieve de stand van het bestaan ernstig te nemen. We staan voor donkere tijden, zwaar als lood. Besparen moeten we, inleveren, snoeien in lonen en uitkeringen, saneren. Er is alweer of nog altijd dat giga gat in de begroting. Dat gat is mij bekend. Ik ben er mee opgegroeid. Het was er toen ik mijn eerste tandjes kreeg, het is nooit nog weggegaan en altijd groter geweest dan het grootste gat dat ik in mijn hele leven in eender welke rok heb gezien.

          Mocht ik een tikje paranoia zijn, ik zou denken dat men ons de ene kant laat opkijken opdat we niet zouden merken welke goorheid zich afspeelt aan de andere kant. Kijk, spreken wij schande, dat wordt zomaar president terwijl hij toch veroordeeld wordt voor omkoping van een pornoster. Hoe ranzig kan het zijn? Dat diezelfde windbuil verre en dichtbije landen bij zijn territorium wil voegen is daarnaast een fait divers. Lebensraum noemden wij dat op dit oude continent een eeuw geleden. Ach, halen de slimmen en gestudeerden op televisie mak hun schouders op, de soep wordt nooit zo heet gegeten. Dat liedje was een monsterlijke wereldhit in de jaren dertig van de voorbije eeuw.

          Ik ben een oude knar stilaan, zeuren is mijn bijberoep. Of blijven hameren op dezelfde nagels, dat is hoe ik het zie. Zoals op deze: in 2024 steeg de gemiddelde temperatuur op aarde met meer dan anderhalve graad. Ik ben geen klimatoloog of wetenschapper, ik ben integendeel slechts een eenvoudige boerenjongen maar zelfs ik besef: als dit blijft doorgaan garen we binnen een paar jaren onze twee of drie eieren elke dag in open lucht. Het water in de ketel kookt, wij zijn de kikkers in de pot.

          Gelukkig zij de heer geprezen, cynisch of kwaadaardig ben ik niet. Elke ochtend spek met eieren, elke avond een sigaartje en daarbij een borrel. Of twee, als het Duvelglas in de vaatwasser steekt. Gewoon voor de binnenpret schiet ik af en toe weleens stiekem een vuurpijl in de lucht. Als we dan toch met zijn allen als een losgeslagen kudde willen razen richting ravijn kunnen we maar beter een beetje lol beleven onderweg.

Geen lijstje

          Elk jaar stelt zich tussen Sinterklaas en kerst de vraag of ik toch niet zoals zovele anderen een topperslijst publiceren moet van de boeken die de voorbije twaalf maanden door mijn handen gingen, beginnend met het door velen bejubelde maar door mij half gelezen en dan in mijn boekenkast geborgen Bloedzang van Caro van Thuyne en eindigend met een pas aan het einde van dit stukje te onthullen glorieuze nummer één.
          Elk jaar weer is het antwoord neen.

          Leeslijstjes vind ik een beetje raar.
          Eind januari meldde een mij verder onbekend persoon in een leesgroep op Facebook dat hij tijdens de eenendertig eerste dagen van het nieuwe jaar eenendertig boeken had weggewerkt. Knappe jongen, dacht ik toen, ik weet het nog. Daar zullen dan zeker niet De Rustelozen van Olga Tokarczuk of Nirwana van Tommy Wieringa hebben bijgezeten, zelf had ik daar toch meer dan één etmaal voor nodig. Een goed boek is immers als een exquis diner, je moet – je moét natuurlijk just niks – het degusteren, traagzaam de smaken laten inwerken op je gemoed. Lezen is niet een hamburger snacken bij McDonalds. Ik heb me beide werken geweldig laten smaken, al waren ze gans verschillend bereid en gekruid met ver uit elkander lopende smaken. Welke van de twee ik nu het lekkerst vond, durf of kan ik niet zomaar zeggen.

          Ik weet gewoon niet hoe dat moet, leesplezier ordenen in een hitlijst. Verloren van Ingrid Vander Veken vond ik pakkend, Dikke Freddy Forever (Erik Vlaeminck) geestig, Julia (1984) door Sandra Newman pijnlijk actueel. Opnieuw: welke van de drie me het meest bekoren kon, vraag het me niet, ik weet het niet.
          Heeft u daar overigens ook een boodschap aan? Wil u niet eerder weten hoe het gesteld is met de stramheid van mijn knieën, of mijn hart het nog goed doet, of mijn geest nog helder is en mijn ambities nog intact? Of hier wel gezond genoeg gegeten wordt en gedronken alleen met mate? Of er nog dromen zijn en liefde in dit ondermaanse leven, vragen toch van wezenlijker belang dan welk boek ik in nu 2024 werkelijk het aller, allerbeste vond?

          Ik zou natuurlijk kunnen proberen u te imponeren met dure titels van gewichtige werken zodat u denkt: die eenvoudige boerenjongen heeft het toch maar waarlijk tot een groot lezer gebracht, dat zetten we straks zo op zijn graf. Kwansuis titels laten vallen als 1942, Het jaar van de Stilte door Herman van Goethem over collaboratie heel dicht bij huis, Alkibiades door de door mij bijna op haast idolate wijze aanbeden Ilja Pfeijffer of De Kant van Swann, het eerste deel van Marcel Prousts Op Zoek naar de Verloren Tijd. Een zomer lang wandelde ik met de verteller mee en nog altijd zijn we maar halfweg, intussen is er werkelijk niets gebeurd. Misschien gelukkig maar, lezen is toch de activiteit die het niks doen het dichtst benadert al is ook hier weer niets wat het lijkt. Lezen is wel degelijk een daad en bovendien een welkome vluchtweg uit de werkelijke wereld waar een mens toch niet bepaald vrolijk van wordt.

          Zo vluchtte ik in Vader van Karl Over Knausgard waaruit ik leerde: onmachtige vaders lijken overal ter wereld heel erg op elkaar. In Het Achtste Leven (voor Brilka) van Nini Haratischwili, een meesterwerk, waarlijk. Mocht ik een toptien maken van beste boeken, ik zou het wel weten, al zouden ook Lessons door Ian McEwan of Songs of Solomon van Toni Morrison hoog scoren. Lijstjes maken doe ik dus niet, al is er wel een winnaar.

          Bij deze wordt het officieel:
          Op nummer 1: het beste boek van 2024, is het boek dat elk van u geschreven heeft. U te mogen lezen heeft mij op sommige dagen blij gemaakt, doen lachen en gelukkig zijn, op andere dagen maakte u me triest en treurig.  Soms ging er iemand dood, soms werd iemand geboren. Er waren ruzies en verzoeningen, meevallers en pech, driehonderdzesenzestig dagen na elkaar schreven u en ik een wonderlijk verhaal. Laten we het Ons Leven noemen en vandaag beginnen aan deel zoveel.
          Blijf leven, ik zal u heel graag lezen.
          Ik wens u allen voor 2025 alle goeds.