De reis van de held

               Andere kinderen blonken uit in tekenen, hardlopen of blokfluit spelen, ikzelf excelleerde in Bewondering. Ik kon opkijken naar mijn helden als geen ander. Meer dan gewone sympathie koesterde ik voor De Eenzame Cowboy Lucky Luke en de onversaagde Rode Ridder, ik adoreerde Robin Hood, de voorvechter der verdrukten, Winnetou die vocht voor de vrijheid van zijn volk en D’Artagnan, de vierde musketier.
Mijn helden waren allen mannen, gehouwen uit graniet, die hun woorden voor zichzelf hielden en hun daden lieten spreken.

               Een held achtervolgde de slechterik tot in de verst gelegen uithoek, bevrijdde weerloze vrouwen uit de klauwen van de onbehouwen bruut waarop de veelal rondborstige deerne hem trouw beloofde tot het einde van haar dagen ook al wist zij net als hij diep vanbinnen dat hij ook bij haar niet blijven kon. Helden domesticeren slecht. Een held moet zwerven, nieuwe avonturen tegemoet. Hoog gezeten op een gevlekte schimmel, sneller dan een weerlicht en angst noch vermoeidheid kennend, colt, zwaard of kruisboog binnen handbereik, trekt hij ten strijde tegen onrecht. Onverschrokken en eigenzinnig bewandelt hij het pad waarvan hij beter dan de gewone sterveling weet dat dit het enige juiste is. Een held reist alleen maar is nooit eenzaam. Hij verdraagt als het moet tijdens een pragmatisch bondgenootschap voor een wijle een medestander, hij weet dat ook dat op een dag weer voorbij zal zijn.
               Een held vecht met open vizier en blote handen. Magische krachten bezit hij niet, hij kan vliegen noch op muren lopen, een held is net als u en ik een mens van vlees en bloed, alleen heeft hij een ijzeren karakter.
                Later, dacht ik, als ik groot zal zijn, ga ik worden zoals zij.

               In de jaren die volgden ging ik grote-mensen-boeken lezen. Mijn helden veranderden van queeste. Zij bestreden niet langer het onrecht maar het leven zelf. Zij waren schrijvers zonder lezers die leefden in de marge van de gemeenschap. God noch gebod erkenden zij, aan zeden of normen lieten zij zich weinig of niets gelegen. Ook zij gingen, net als de helden uit mijn kindertijd, onverstoord hun eigen weg. In afwachting van De Grote Doorbraak voerden zij de kippen met etensresten uit de smoezelige keukens van Oosterse restaurants waar zij nachtenlang de borden wasten, de glazen spoelden en toiletten dienden uit te kuisen.
               Ik verslond de werken van Charles Bukowski en John Fante. Hun verhalen waren opwindend, hun levens spannend. Dronkaards allebei, vechtersbazen, berooid als een straatrat, strompelend van job naar job, kroeg naar kroeg, vrouw naar vrouw, hier een bar uitgegooid, daar door een jaloerse echtgenoot in elkaar geslagen, elders kerfde een ladderzatte vergane schoonheid met de hak van haar stiletto een blijvend litteken in hun hart. Het weerhield ze er niet van door te gaan, onvervaard en eigenzinnig, de bluts aanvaardend met de buil, de hoogste toppen scherend om dan weer te belanden in de diepste dalen der droefenis. Rauw en ruw was hun taal, roekeloos en woest hun leven, onvermijdelijk hun lot. Ze dienden te gaan waar niemand hen was voorgegaan.
               Later, dacht ik, als ik echt groot zal zijn, wil ik worden zoals zij.

               Later is nu haast voorbij. Ik ben inmiddels groot genoeg geweest om langzaamaan weer klein te worden. De opstap naar het heldendom is aan me voorbijgegaan, ergens onderweg heb ik een afslag gemist.
               Die gedachte schoot me door het hoofd toen ik helemaal alleen de trein opwachtte die me doorheen de nacht naar de hoofdstad van Bohemenland zou rijden. Welke onverlaat zou mijn pad kruisen, vroeg ik me af, welke obstakels diende ik te overwinnen, welke prinses zou ik gaan bevrijden?
               De held in mij heeft nog groeimarge, leerde ik. Echte helden maken zich geen zorgen over de stiptheid van de trein, vragen zich niet bezorgd af waar op het perron zij moeten wachten, of zij hun coupé zullen moeten delen, of het toilet wel smetteloos proper is. Echte helden vragen geen hulp aan mannen in azuurblauw uniformhemd, controleren niet ontelbare keren of ze hun paspoort en kredietkaart niet vergeten zijn.

               Bij het vallen van de avond kwam de treinbegeleider nog even kijken of ik het naar mijn zin had. Of hij nog wat voor me kon betekenen, vroeg hij. Als u wat nodig hebt, dan roept u maar. Slaap lekker. Morgenochtend bezorg ik uw ontbijt. Ei zo na tekende hij een kruisje op mijn voorhoofd.
               Ze keerden zich bij bosjes om in hun graf, mijn helden. Lucky Luke, Robin Hood, De Rode Ridder. Winnetou en D’Artagnan. Charles Bukowski en John Fante. Aanbidder zijn kan iedereen, het heldendom daarentegen is niet elkeen gegeven.

Een gedachte over “De reis van de held”

Plaats een reactie