Onze Jan

          Hallo?
          Wie?
          Onze Jan? Ach mijnheer, het is altijd iets met onze Jan. Dat heeft hij al van kinds af aan. Wij zeggen het al van toen hij nog in korte broek rondliep, onze Jan, dat is een goed manneke maar hij presenteert slecht op een foto en hij moet wegblijven van een microfoon. Onze Jan, dat is een man voor in het atelier. Maar ja, dat ging natuurlijk niet, met die twee linkse handen van hem.
          Weet je wat het is met onze Jan?
          Die ziet de dingen anders dan de meeste mensen. Een beetje een artiest, ja, diep vanbinnen. Spijtig genoeg zo diep dat het er dikwijls nogal verfrommeld uitkomt.
          Allé. Pakt, die aanslagen toen in Zaventem. Niemand had het gezien maar onze Jan natuurlijk wel. Als enige op heel de wereld. Mijnheer had moslims zien dansen in de straten van Brussel. Wij zeggen allé Jan, moslims dansen toch niet op straat. Moslims claxonneren. Elke zaterdag is dat hier een begankenis van hier tot ginder al van ’s morgens vroeg. Uitslapen, dat kennen die mannen niet. Witte linten aan de auto’s, vensters open. En lawijt! Dan denk ik maar: allé vooruit, er zijn er weer twee van ’t straat. Maar hij maar blijven zeggen, ik heb de beelden zelf gezien, dansen deden ze. Hij kan koppig zijn zenne, onze Jan.
Weet ge wat ge doet, Jan, zegden wij. Schrijf er een liedje over, of een opstelleke, of teken een schoon schilderij. Iets artistieks, zodat ge later altijd nog kunt zeggen, vrije interpretatie. En in uw positie, wie weet hoeveel is een aquarelleke van uw penseel binnen een paar jaar niet waard? Denkt gij dat dat iets geholpen heeft? Niks niemendal, mijnheer moest en zou op tv gaan zeggen wat hij had gezien. Een hoop gezever natuurlijk. Gelukkig heeft Bart hem toen nog kunnen helpen. Over die twee kan een mens boeken schrijven. Jaren al is dat twee handen op één buik. Bart, die kan het wél goed uitleggen. Die kan aan de dingen een draai geven, niet normaal. Dus in Terzake zegt die: Hoe Jan de wereld ziet, dat is een kwaliteit die we moeten koesteren. Wij allemaal zien moslims net als wij van de schrik een gat in de lucht springen, Jan herkent daarin een vredesdans. Dat is die speelse kronkel van het kind dat hij diep vanbinnen nog altijd is gebleven. Schoon hé, toch?

          Enfin, nu ben ik mijn draad kwijt.
          Ah ja, het atelier. Niks voor hem dus. O, zegden wij toen. Boekhouder. Of iets op de bank maar beter niet aan het loket. Want onze Jan, ge moogt er veel van zeggen maar ik ken niemand die zo goed kan tellen en niemand die beter op de centjes let. Ik weet nog goed. Hij was een jaar of tien en Sinterklaas had een zakje met centjes van chocola in zijn schoen gelegd. Kijk eens tante Jeanne zei onze Jan, en hij beet die cent in twee stukken. Nu heb ik twee cent, zei hij. Knap gezien toch, niet?
          Zo hebben ze later samen ook, onze Jan met Bart en Ben en nog een paar, toch die crisis in de jaren tachtig opgelost? Weet ge nog, Wilfried Martens, er is licht aan het einde van de tunnel? Awel, dat licht, dat was onze Jan. Wat we zelf doen, doen we beter, zei hem. Eén regering en zoveel schuld? Wij maken er zes,  voor hetzelfde geld. Zes regeringen! Voor elk dialect een eigen kabinet. Doe het maar na hé! Daar kan die Jezus met zijn visjes en zijn pistolekes nog een punt aan zuigen.
          Veel respect heeft hij daarvoor niet gekregen. Spijtig genoeg. Hij heeft zich toen wat laten vangen en, ik moet het eerlijk zeggen, daar is zijn degout tegen de vrouwen begonnen. Er was er eentje in dat parlement, domme toch, Myriam, Mergim, Meyrem, ik wil het kwijt zijn, en die zei: Janneman, hoe hebt gij dat gedaan gekregen? En hij, ik zeg het hé, koppig, hij zegt: dat zeg ik niet. En zij: gij moet dat zeggen. En hij: ik zeg het niet. En zij: ik wil hier sofort alle papieren zien, maandag brengt gij die mee. En hij: da gade gij niet bepalen. Maar ja, hij heeft wel moeten toegeven hé.

          Maar nu, mijnheer, nu weet ik het ook niet meer.
          Vrouwen moeten hun eigen aanpassen. Waar haalt hij dat nu toch weer uit? Ge moogt dat misschien denken maar zoiets zegt ge toch niet? Als minister! Als hij nu had gezegd: alle mensen, iedereen en alleman. Maar nee. Onze slimme pikt er weer een groepje uit. Nu staan ze fameus te dansen in de straten van Brussel. En Bart mag niets zeggen hé, als eerste minister. En als hij het van Valerie gaat moeten hebben, dat hij dan maar hout vasthoudt. Daar is hij nog niet mee aan de nieuw patatjes. Dat is een felle zenne. Zeker als het over vrouwenzaken gaat. Die past haar eigen nog niet zo gemakkelijk aan.
          Allé, ik ga voort stofzuigen. Ge hebt nu wel genoeg voor uw gazetje zeker?
          Dadakes.

De stille hond

          Blaffende honden bijten niet.
          Het is dan ook zonder een zweem van angst dat ik op weg naar het warenhuis voorbij het grasveld fiets en ze op me komen toegelopen, keffend en blaffend en blij als een kind, de dalmatiër en de teckel, de mopshond en de setter, puppy, reu of teef.
          Goeiemorgen, blaffen ze, fijne dag vandaag. Wie de taal der dieren spreekt, begrijpt vaak ook de mensen beter.

          Het is dat ander type hond dat me meer zorgen baart.
          Zo’n beest dat onbeweeglijk op zijn poten staat, vervaarlijk naar je kijkt alsof jij net zijn bot hebt ingepikt en lijkt te denken: jij bent nog geen blafje waard. Een hond die weet, stilte jaagt meer angst aan dan lawaai.
          Mijn hart sloeg dan ook slagen over toen ik afgelopen donderdag aan de overkant van de hondenwei, daar waar het bankje staat en het gras nog zoveel groener lijkt, een groot bruin beest de kop zag heffen, de oren spitsen, een negentig gradenbocht zag maken en als een hazewind op me komen afgestormd. Een Mechelse herder, bleek alras, mij blijkbaar niet zo best gezind. Hij rende en hij holde en hij raasde op me af, zijn ogen hielden me gevangen en lieten me het ergste vrezen, het verleden had immers al bewezen dat menig hond in mij een lekker hapje zag. Verlangen las ik in zijn blik, en honger ook al gaf het beest geen kik, kwam uit zijn bek geen boe of ba of blaf.
          Op het bankje achteraan zat zijn baasje, de leiband in haar hand, vrolijk giechelend met een oude man want ja, de lente was al in het land.

          Zijn poten raakten amper grond. De kluiten vlogen in het rond. Van pure schrik verstijfde ik, mijn fiets blokkeerde, ik zette beide voeten op de grond. Gelukkig was er nog de kippendraad, woest smeet het beest zich daar tegenaan, toen bleef het vervaarlijk kijkend staan. Als stilte ooit echt oorverdovend was, dan was het toen en daar, op die zomerse middag nabij de hondenwei.
          Als twee cowboys in een verlaten straat stonden we tegenover elkaar. We keken elkaar in de ogen. Geen dreiging las ik daar, geen schrik. Ik zag integendeel een bede, een smeken, een desperate vraag: help mij help mij uit de nood. Toen zag ik wat er loos was. Dit beest zat met zijn bek gevangen in een masker, een gareel, een korf die hem het blaffen en het bijten moest beletten, de kaken op elkaar geklemd, de tong gevangen, de tanden overbodig.
          Hoe vreselijk moet dat zijn, dacht ik meteen, je blafdrang in te moeten houden? Niet vrijuit te kunnen blaffen, te kunnen happen naar een vlieg, met je tong te kunnen likken onder een vreemde hondenstaart? Wat ben je in de hondenwereld dan nog waard? Geen hond die je nog vreest, geen wijfje kijkt nog naar je op. Ik was vervuld van medelij maar wist niet wat te doen.
          Op het bankje had de vrouw de leiband naast zich neergelegd, haar hand rustte nu op een oude mannendij.

          Ik smolt onder de hulpeloze hondenblik. Dit lot verdient een levend wezen niet. Natuurlijk moest ik denken aan wat er in de mensenwereld gaande was. Ook mensen wordt heel vaak het zwijgen opgelegd. Op veel plekken moet men op zijn woorden letten, voorzichtig zijn, over de schouder kijken.
          Hoe graag wilde ik dit dier bevrijden uit zijn lijden, ik zou alleen niet weten hoe. Moest ik gaan praten of geweld gebruiken? Misschien is dan die oorlog toch zo verkeerd nog niet, dacht ik toen plots. Die mensen zullen toch gelukkig zijn wanneer ze weer vrijuit praten kunnen, onbevreesd en bevrijd van alle juk, niet langer onderdrukt. Wat ik een week geleden nog verschrikkelijk vond, leek me nu plots een goede zaak.

          De strijd voor vrije spraak is nu wel echt begonnen, dacht ik opgewekt. Venezuela vinkt men af, ook in Iran is het bijna gedaan. Morgen komt Cuba er al aan, daarna zijn vast de Saudi’s aan de beurt, Oman, Turkije of Afghanistan waar men toch ook niet zomaar wat zeggen kan. En dan naar Rusland, en naar China en wie weet, op een dag steekt men misschien nog wel de hand in eigen boezem?
          Hoewel ik dit arme dier niet helpen kon, stapte ik toch welgezind weer op mijn stalen ros. Ik fietste om de weide heen tot bij het bankje aan de overkant waar het gras plots toch minder groen scheen dan ik had gedacht. De vrouw zonder leiband op haar schoot liet haar hoofd inmiddels rusten op de schouder van de oude man.
          Fuck you, riep ik haar toe. Fuck you. Uit afkeer, woede, onvermogen.
          Maar toch in de eerste plaats omdat dat hier nog kan.  

Een lelijk sprookje

          Er was eens …

          … een mooie jongen die met een beeldschoon meisje ging wandelen in het bos. Achttien waren ze en op elkaar verlekkerd als een beer op honing. Ze lachten en flirtten en fantaseerden over later. Daarover verschilden ze van mening, in blinde woede kliefde toen het meisje met een stok de schedel van haar Romeo en liet hem bloedend achter in het struikgewas.
          Neen. Slecht idee. Geen mens wil bij de koffie zoiets lezen.

          … een stel op jaren dan, op een bankje in het park. Weet je nog, zegt zij vertederd, hoe gelukkig we toen waren? Nooit, bromt hij. Mijn leven lang heb ik me bekneld gevoeld, verbitterd en diep bedroefd. Geen dag heb ik oprecht van je gehouden. Ik bleef bij jou omdat het moest, dat hoorde zo, wat zouden wel de buren niet hebben gezegd?
          Neen. Ook niet. Mensen hebben van zichzelf al miserie genoeg.

          Het wilde maar niet lukken.
          Wat is er met mij mis, vroeg de schrijver zich wanhopig af. Plots moest hij denken aan een mopje. Komt een man bij de dokter met een kikker op zijn hoofd. Wat heb jij nu aan de hand, vraagt de dokter stomverbaasd, hoe is dit kunnen gebeuren? Zegt de kikker: Wel dokter, het begon met een kleine zwelling onder mijn rechtervoet.
          Mijn zwelling, dat waren de drones, dacht de schrijver toen. Die waren op een dag verschenen uit het niets, ontelbaar veel, overal en elke dag. Een grapje van de Russen, naar men zei. Alarmbellen, flikkerlichten en rantsoenpakketten, dringend handelen was geboden. Het Rode Gevaar diende terstond bezworen. Dure eden werden gezworen, onderhandelingen opgestart, zware contracten ondertekend. Geld daarvoor zou men nog wel vinden, voor het vaderland is het volk tot veel bereid. Het hielp: geen mens heeft sindsdien nog een drone gezien.
          Follow the money, dacht de schrijver toen. Schrijvers moeten nu eenmaal kritisch zijn. De weg van het geld leidde niet naar het Oosten.

          Soms vertelt men ons maar wat, dacht de schrijver scherp. Er komt aanhoudend dreiging uit het Oosten, de geldla van de staat is altijd leeg, de vijand komt in bootjes naar ons toe gedobberd en hult zich in lompen. Verhalen met meer levens dan een kat. Hij hoorde ze toen hij vijf was, vijftien en vijfenvijftig, en altijd weer ging het erin als zoete koek.
          Vragen en twijfels buitelden als acrobaten door zijn hoofd. Het zijn toch de hoge heren die het land organiseren? Dat doen toch niet de arme sloebers? Niet zij hebben de macht in handen om de wereld te veranderen?
          Onlangs had hij een ander en veel beter schrijver aangehoord. De veertig rijkste mannen van de wereld, had die beweerd, zijn samen even rijk als de armste helft van de wereld. De rijkste alleen al is zo rijk, dat hij vijf jaar lang de hele wereld van voldoende voedsel kan voorzien. Wat voor iemand ben je dan, dacht de schrijver, wanneer je dat zelfs niet eens overweegt? En zat niet ook die rijkste man mee aan de knoppen van het rijkste land?

          De schrijver kon niet eens meer aan schrijven denken.
          Het zijn de mannen in de blauwe pakken met een gele of oranje das die ons zeggen wat we moeten denken. Spelden zij ons wat op de mouw? Die kat komt werkelijk altijd weer. Goed twintig jaar geleden had men een land platgebombardeerd voor wapens die niet hadden bestaan, vandaag kondigde men weer hetzelfde aan, terwijl men pasgeleden nog beweerde dat men datzelfde land van al haar slagkracht had ontdaan.

          Woede en verontwaardiging namen nu de bovenhand in zijn gedachten.   In de bakermat van de vrijheid staat de vrijheid zelf op het spel. Boeken worden uit de bib geweerd. Vrij verslag verboden. Een eigen mening mag nog wel, zolang het maar de mening is van de macht. Wie pruttelt wordt opgepakt of koudweg op klaarlichte dag neergeknald. Wie anders is van ras of gender of gedacht, wordt achteruit gesteld. Een migrant noemt men een alien, een wezen  uit de ruimte dat katten en ook honden eet en op den duur de tanden in zichzelf zet. De mens ontmenselijken, weer een kat die opduikt uit het donker van het verleden.

          Toen klopte de schrijver ook op de eigen borst.
          En ik, dacht hij, wat doe ik daaraan? Ik sta erbij en kijk ernaar, drink Duvel of champagne, kijk naar Netflix en naar sport vanuit mijn luie zetel, verzin verhaaltjes over mooie jonge mensen die op hun oude dag gelukkig zullen zijn. Sprookjes, die met de werkelijke wereld niets te maken hebben.
          Dat werkt zo niet langer. De sprookjes zitten vast, de rauwe wereld zit hen in de weg. Dat moet eerst. Wie woorden heeft, moet spreken. Zwijgen is niet langer nog een optie.

          … en hij leefde nog lang en gelukkig, wilde hij nog schrijven. Maar daar was hij niet langer meer zo zeker van.

Niet de Dromen

          Zijn eerste interview gaf hij toen hij tien was, in de badkamer voor de spiegel.
          ‘Niemand in de club zwemt de vlinderslag sneller dan ik,’ vertelde hij zijn spiegelbeeld, ‘zelfs in de ganse provincie niet. Gauw word ik kampioen van België, mijn hoogste streven is Olympisch goud. Mexico komt deze zomer nog te vroeg, mijn ouders kunnen die reis ook niet betalen (dat laatste zei hij off the record, hij vertrouwde toen de mensen nog), München kan misschien maar Montréal in ’76 moet goud en glorie brengen tot aan het einde van mijn dagen.’
          Hij droomde groot, zoals jongens dromen moeten.

         Enkele jaren later. De spiegel kijkt begrijpend terug. De jongen schetst van zichzelf een portret voor een damesblad, Libelle/Rosita of Het Rijk der Vrouw, tijdschriften die ook zijn moeder las al hield hij zich daarom niet in, miniem immers was de kans dat zij in dit godenkind een vrucht uit eigen schoot herkennen zou.
          ‘Het is waar,’ opent hij zijn hart, ‘de vrouw van mijn leven heet Suzanne. En neen, gepraat hebben wij nog niet. Ook nog niet gekust, dat spreekt. Dat zij ook voelt wat ik voel, lees ik in haar ogen wanneer ik tijdens mijn fietsrondjes door de wijk haar huis passeer waar zij dan even stopt met hinkelen of touwtjesspringen en naar me kijkt met die grote bruine ogen van een ree. Op een dag horen we samen en worden we gelukkig, niet zoals bij mij thuis maar zoals in films op tv.’

          Op zijn achttiende geeft hij een terugblik op zijn jeugd in een onafhankelijk weekblad voor radio en televisie dat in zijn klas enkel wordt gelezen door hemzelf en twee klasgenoten, de ene wilde dichter worden maar ontbeerde daarvoor het talent, de andere was een rat die de staking brak toen gans de klas de pen had neergelegd uit protest tegen de stortvloed aan opdrachten van De Dikke Moef en hij de eerste was geweest die ze weer had opgeraapt. Hij zou later nog carrière maken in de politiek.
          In dit vraaggesprek vormde Falen de rode draad. Hij had als kind toch ook een boom geplant? Gedemonstreerd tegen de aanleg van die snelweg door het bos? Zich uitgesproken tegen onrecht, hongersnood en nieuwe wapens voor het leger?
          ‘Dat was al water naar de zee geweest,’ bekende hij zijn spiegelbeeld ootmoedig. Nee, de wereld had hij niet gered. Ook Mexico, München en Montreal had hij niet gehaald. Te weinig steun van thuis, was zijn excuus, te weinig begeleiding in de club, een trainer die hem vanwege zijn komaf maar links liet liggen en zich liever ontfermde over de kindjes van de papa’s die hem in de cafétaria na de training op een pint trakteerden. Ook op school had hij gefaald, de leerstof vond hij saai en nutteloos, de leerkrachten onkundig. En neen, ook met Suzanne was het niets geworden. Ook niet met Els of Linda, Sonja of Nicole, Christel of Marleen. Liefdes, zo had zijn vader hem geleerd, komen en gaan.

          Weken bleef dit interview hem achtervolgen. Telkens wanneer hij zich ging wassen of zijn tanden poetste, hoorde hij een of andere stem. Zijn trainer noemde hem een leugenaar en lui, verweet hem een gebrek aan discipline. Zijn oude schoolhoofd eiste Recht Op Antwoord en pleegde toen karaktermoord, citeerde uit het puntenboekje en de agenda woorden die zijn eigen korps daar had ingepend, dat de jongen op school een klaploper was, een lanterfanter,  schaamteloos aan iedereen en alles zijn voeten had geveegd, steevast het laatste woord had opgeëist met in zijn tong dodelijker gif dan van een cobra. De Vereniging van Bevrijde Vrouwen noemde hem een charlatan en Don Juan die enkel leefde voor de liefde voor zijn eigen lid. Zelfs zijn eigen vader ontkende met zijn zoon ooit enig woord over de liefde te hebben gewisseld. En Suzanne deed er stoïcijns het zwijgen toe.

          Sindsdien mijdt hij de openbaarheid en praat hij voor de spiegel enkel nog met zichzelf.
          ‘Kijk naar wat van jou geworden is,’ mompelt hij dan mismoedig. ‘Je gelaat verrimpeld, je huid verslapt en vol met vlekken, waterzakken onder je ogen, je haar te dun, je buik te dik. Die jongen van weleer is niet meer, de zwemmer zwemt niet meer, de protesteerder roept niet meer, het gif in de tong is opgedroogd.’ Hij pletst een geut koud water over zijn gezicht. ‘Alles wat ooit was is weg,’ zegt hij, ‘enkel het oog blijft onveranderd. Dezelfde vorm, dezelfde kleur, dezelfde twinkel, dezelfde glans.’ Hij recht zijn rug en ziet zichzelf staan. ‘En ook nog altijd klopt het hart, stroomt het bloed, tolt het hoofd van woorden, beelden en verhalen.’
          Alles gaat voorbij, denkt hij, maar niet de dromen. Hij schenkt zich een kop koffie in en haast zich naar het lege blad waar hij met de ambitie van een kind de mooiste woorden wil gaan geven aan de dromen en gedachten in zijn tienjarige jongenshoofd.  

Een vlieg op je bord

          Met een vriend ging ik een hapje eten in de stad. Ik kijk er elke keer naar uit hem weer te zien. Mijn vriend is een aangenaam verteller die vrijwel alles weet.
          ‘Behalve misschien één ding,’ monkelde ik plagerig. Niemand kan immers werkelijk álles weten. Zijn gelaat betrok.
          ‘Wat weet ik dan niet?’ vroeg hij.
          ‘Dat weet ik niet,’ antwoordde ik, ‘ik weet immers oneindig veel minder.’ Ik merkte bij hem licht ongemak, alsof een vlieg op zijn bord was komen zitten.

          Ons gesprek bewandelde al gauw vertrouwde paden. We praatten openhartig over onze werken, wanen en angsten en de cirkel van het leven. Nu en dan dropte een van ons de naam van een bekend auteur die hij persoonlijk kende. Ik bekende soms jaloers te zijn op zijn succes terwijl ik hem dat tegelijk van harte gunde, dubbel maar waar, het leven is niet wit of zwart maar morsig grijs. We biechtten op hoe blij je soms kan worden van een hartje of een duimpje op je socials en beseften tegelijk hoe relatief dit alles is in het aanschijn van de eeuwigheid.

          Tweeënveertig is mijn vriend.
          ‘Toen ik zo oud was als jij,’ lachte ik, ‘was heel de wereld bang voor de millenniumbug.’ Hij knikte. Dat wist hij nog. ‘We betaalden nog met Belgisch geld,’ ging ik door, ‘en alleen de happy few die zich belangrijk vonden hadden een mobiele telefoon.’  
          ‘Vertel eens iets wat ik nog niet weet,’ antwoordde hij verveeld.
          ‘Ik zou niet weten wat,’ mompelde ik naar waarheid, ‘jij weet toch alles al.’ We stapten de deur uit. ‘Behalve misschien één ding.’ Een plagerijtje dat ik niet kon laten, zoiets moet kunnen onder vrienden. Mijn grapje viel even slecht als een onterecht gefloten strafschop in blessuretijd. Zijn hoofd zakte tussen zijn schouders, zijn blik werd dof, zijn voeten sleepten over het trottoir. Eens te meer besefte ik dat je moet voorzichtig zijn met woorden. Woorden doen ertoe. Woorden kunnen pijn doen. Met wapens voert men strijd, het zijn woorden die de oorlog verklaren en woorden die tot vrede leiden.
          ‘Dat was maar een grapje,’ probeerde ik vergoelijkend maar het kwaad was al geschied. Het knaagde, de gedachte dat er iets was wat hij nog niet wist, leek welhaast ondraaglijk. Somber slenterden we zwijgend in het donker. De sfeer was weg, de avond leek verloren. Wat te doen?
          Ik legde hem twee opties voor: of we gingen op zoek naar wat hij nog niet wist, zonder enige notie over wat we zochten en waar we dat dan moesten vinden, of we trokken naar de voorstelling in de schouwburg om de hoek waarvoor hij twee kaartjes in de binnenzak van zijn jas had zitten. Uit gemakzucht opteerden we voor dat laatste.

          Op de scène een witte man van middelbare leeftijd en een jong, zwart meisje. In de tijd van de millenniumbug had de man zich als theaterdocent bezondigd aan grensoverschrijdend gedrag. Hij probeerde zoveel jaren later een comeback. Het woord grensoverschrijdend bestond toen nog niet eens, verdedigde hij zich.
          ‘Het is niet omdat er geen woord voor is, dat het gedrag niet bestaat,’ pareerde het meisje gevat. Zo ging het honderd minuten door, een pingpongspel over macht en vrijpostigheid, over empathie en schuldinzicht, over hoe moeilijk het is geloofwaardig en oprecht te zeggen dat iets je spijt. De voorstelling deed helemaal wat kunst behoort te doen: ze stelde vragen en liet het publiek naar antwoorden zoeken.

          ‘Poeh, ingewikkeld,’ oordeelde ik achteraf, wat een pleonasme is want oordelen doe je in principe altijd pas achteraf. ‘Toen ik nog lesgaf over liefde en relaties predikte ik mijn leerlingen: als ze neen zegt, zegt ze neen. Daar ligt de grens. Helder.’
          ‘Alles in de wereld is fluïde geworden vandaag de dag,’ wist mijn vriend, ‘grenzen zijn niet meer altijd bij en voor iedereen even duidelijk.’ Zwijgend stapten we de nacht in, allebei dwalend in het eigen hoofd.
          ‘Maar hoe kan je dan weten …’ begon ik.
          ‘Hoor eens,’ zei mijn vriend, ‘dat weet ik ook niet. Ik moet het net als iedereen ook allemaal maar uitzoeken.’ Perplex bleven we staan en keken we elkaar aan in het gouden schijnsel van de maan. Dit was het antwoord. Dit was wat we al de hele avond zochten. Hoe dat allemaal moet in het leven, dat omgaan met elkaar, leven in vrede en harmonie zonder elkaar pijn te doen? Hij wist het ook niet. Eindelijk had hij gevonden wat hij nog niet wist.
          Toen kusten we elkaar opgewekt ten afscheid en stapten blijgemoed naar huis. Ik kijk al uit naar de volgende keer.

En de winnaar is

          In de hectiek van het dagelijks bestaan is het u wellicht ontgaan, maar in de schaduw van de MIA’s werden deze week ook de BIA’s uitgereikt, de BoekenIndustrie Awards zoals we dat zo mooi in onze moerstaal zeggen. De Sprekershoek viel vlotjes in de prijzen. Niet alleen winnaar in enkele kleinere categorieën als Eeuwigste Belofte, Trouwste Lezerspubliek – een prijs voor u, dank u wel daarvoor – en Milde Ironie, aan het einde van de avond ook de absolute triomfator toen me de oppergaai, de gouden schoen in letterland zeg maar, werd toegekend.
          De Pommelien van de Pen, u weet dat, is in het berglandschap van de schrijverij de allerhoogste top.

          Mijn leven zou gans anders worden.
          Men zou mij voortdurend vragen als deskundige in praatprogramma’s, mijn mening over zowat alles doet er voortaan toe. Een vrolijk jurylid zal ik zijn in populaire quizzen, hoofdattractie op voorleesavonden en literaire festivals, presentator van modeshows, host bij filmpremières, ceremoniemeester op huwelijken van bekende mensen. Die alomtegenwoordigheid zal zich uiteraard niet alleen vertalen in roem en waardering maar ook mijn saldo op de bank tot ongekende hoogten stuwen. In restaurants zal de maître mij de beste tafel wijzen, mijn werk wordt opgenomen in de canon, integraal en ongecensureerd, de vakpers zal mij overvloedig prijzen en ook op sociale media niets dan lof.

          Vanaf vandaag zal ik een voorbeeld zijn. Voortaan zal ik signeren met het motto numquam desperandum, Latijn voor Wanhoop Nooit. Ik zal gratis clinics geven aan aanstormend talent, benadrukken dat succes heus niet uit de bomen valt, geen kwestie is van stom geluk maar slechts verkregen wordt door tomeloze inzet, onmetelijk geduld en een onwrikbaar geloof in eigen kunnen en dat een zin begint met een hoofdletter en eindigt met een leesteken.

          Mijn leven zal zich uiteraard naar mijn nieuwe status moeten schikken. Een oud landhuis zal ik kopen, met vele kamers en uitzicht op een uitgestrekte tuin, in het midden daarvan een vijver, aan de einder een prieel om bij valavond te aperitieven. Een tuinman voor het snoeiwerk, knechten en meiden onder toezicht van een strenge dame voor de huishouding en mijn agenda laat ik beheren door een dame op jaren die in tal van internationale organisaties de strepen op haar mantelpakje heeft verdiend.
          ‘Is alles naar uw wens?’ zal zij elke ochtend vragen wanneer mijn kleine gouden lepel het zacht gekookte scharrelei aantikt. Wanneer ik dan tevreden knik, overlopen we samen de agenda van de dag.
          ‘In de voormiddag wordt u in uw geboortedorp tot ereburger benoemd,’ zal zij melden. Daar zal ik blij om zijn. Ik zie het als een eer te worden gefêteerd op de plek waar ik meer dan een halve eeuw geleden op de wereld kwam. Ach, hadden mijn ouders dit nog maar mogen meemaken.
          ‘De lunch gebruikt u met de burgemeester van onze stad en haar bejaarde echtgenoot. Zij zal u vragen uw laatste werk met een hoogstpersoonlijke opdracht te signeren. Ik dacht iets als Een teken van genegenheid voor een bijzonder iemand?’
          ‘Dan zou ik eerder zeggen: Het lot is grillig, jouw wil wijst de weg,’ in de schier onleesbare hanenpoten die een schrijver eigen zijn. Mysterieus en toch ook iets om over na te denken.’
          ‘Na de middag knipt u het lintje door van dat museum waarvoor u onlangs de openingsrede schreef, weet u nog?’
          ‘Dikke duiten voor weinig werk,’ zal ik monkelen, een gedachte die ik vanzelfsprekend nooit zou vermelden in het openbaar.
          ‘Volgt het avondlijk welkomstdiner voor het personeel. 25 couverts alles bij elkaar. Iets eenvoudigs, dacht de chef. Een kervelsoep met balletjes, een malse kippenbout in dragonsaus met daarbij een witloofstronk en een toefje knolselderpuree. Misschien een crême brûléetje na?’
          ‘Klinkt verrukkelijk.’
          ‘Daarna dan La Traviata in de opera, een uitnodiging van Het Hedendaags Genootschap voor Moderne Muzen. Vanaf een uur of elf heeft u dan alle tijd voor uzelf,’ waarop mijn bevallige agendabeheerder elegant een halve draai zal maken om haar eigen as en met de haar aangeboren klasse wiegend op haar hoge hakken de kamer uit zal lopen.

          Dat alles flitste tijdens de ceremonie op het podium door mijn hoofd. Plots werd ik bevangen door paniek. Zou dit mijn nieuwe leven worden? Heel de dag tussen de mensen? Vriendelijke knikjes links en rechts, glimlachjes uit blik, gemaakt vrolijk kijken naar het vogeltje, keuvelen en kallen over kalfjes en koetjes, ijle ademwolkjes in de wind?  
          Wat dan met mijn vrije tijd? Met die honderdduizend mensen in mijn hoofd? Al die verhalen die nog woorden zoeken? De plots, intriges, emoties? Wat met u, Trouwste Publiek? Een schrijver moet toch schrijven, net als een bakker bakken moet en een koetsier zijn postkoets poetsen?

          ‘Dank u maar toch liever niet,’ mompelde ik toen en ijlings liep ik van het podium waardoor het evenement geen finale kende, derhalve ook niet op televisie werd gebracht en niemand erover meldde in de media.
          Waarschijnlijk ook daarom dat u er nog geen woord over had gehoord.

De Denker en de Drinker

          ‘Ik denk, dus ik ben,’ zei de filosoof.
          Lap! Daar heb je hém weer. Zit je gezellig met elkaar enkele biertjes in te nemen en wat doordeweeks te wauwelen over voetbal, vrouwen, wereldleed en politiek en net wanneer je denkt, deze avond wordt nog best gezellig, dropt de Denker een of andere dooddoener in je glas. Weg sfeer.

          Deze keer zou ik me niet zomaar laten doen. Een adder in het gras zou ik wezen, een luis in de pels, jeuk op zijn rug. Ik nam een flinke teug en vroeg:
    ‘Wát ben je dan precies?’
          ‘Wie,’ corrigeerde prompt de filosoof. Hij krauwde in zijn baard. Volgens de overlevering en ChatGPT had de filosoof geen baard maar we weten allemaal dat AI hallucineert. Alle mannen hebben baarden, uitgezonderd hier en daar een melkmuil. Sommige vrouwen overigens ook maar daar hoor je nooit iemand over. Hoe dan ook, ik herken een baard wanneer ik er een zie. Misschien had de filosoof zich die avond toevallig niet geschoren, hij was tenslotte filosoof.
          ‘Wat,’ antwoordde ik, ‘soms ben je bijvoorbeeld een auto.’ De Denker trok de rechterwenkbrauw op.
          ‘Ik denk. Ik ben. Wie dus,’ hield hij vol. Hij klonk een tikje kregelig.
          ‘Dan zeg je: ik vond in jouw straat geen plaats, daarom sta ik nu bij de slager om de hoek,’ ging ik door. Nu ging ook de linker wenkbrauw in de hoogte. Wellicht bedacht de filosoof dat door de drank mijn brein beneveld was. Dat was helemaal niet het geval. Ik stond integendeel op scherp.
          ‘Of je zegt: ik lig snooker. Dan ben je een witte biljartbal,’ zei ik ietwat overmoedig. Er kon alvast geen glimlach bij hem af.
          Hij wenkte de waardin: ‘Jeanne, doe ons er nog eens twee.’ Ik kende Jeanne al jaren. Lang geleden was zij een onbereikbare liefde. Een natte droom was zij toen nog, een sierlijke zwemster ook en een hoogst verleidelijke danseres op discodeunen. Nu was ze naast cafébazin ook moeder van twee kinderen, verwoed lezeres van dikke boeken en Voorzitster van de Vereniging voor Het Behoud van de Blanke Berk in haar straat. Routineus plantte zij twee volle glazen voor ons neer.

          Ik heb een hekel aan relaties op gespannen voet, ik ben meer een man van lichte tred, dus ik zei toegeeflijk:
          ‘Ok. Ik ga met je mee. Een mens kan auto noch biljartbal zijn. Omgekeerd zijn auto’s en biljartballen ook geen mensen. Denken kunnen zij immers niet. Dat betekent, hoewel je ze met je blote oog kan zien, ze kan bevoelen en betasten, zijn ze strikt genomen niet.’ Nog steeds keek hij me aan of ik in tongen sprak, dus daar voegde ik nog aan toe:
          ‘Alleen mensen kunnen denken. Ik denk, dus ik ben een mens. Ik snap het. Maar toch: wie ben je dan?’
          ‘Aha,’ riep hij uit. Eindelijk had ik de juiste kaart op de toog gelegd. Hij rechtte zijn rug, zijn ogen lichtten op, zijn tong kwam los:
          ‘Je bent …,’ hier liet hij om de spanning op te drijven een pauze vallen, ‘… wie de ander in je ziet.’
          Lap! Een tweede keer. Had hij me het Chinese alfabet van achteren naar voren opgezegd, ik had er even weinig van begrepen.
          ‘Hoezo?’, zei ik, ‘Ik ben toch gewoon maar wie ik ben? Altijd. Overal. Mijn kwaliteiten – mocht ik die al hebben – en mijn gebreken – die ik bezit in overvloed – neem ik toch overal met me mee?’
          ‘Dat denk jij,’ antwoordde hij opgewekt. ‘Dat ziet een ander toch wel anders. Stel, je staat in de fitness op de loopband. Wie denk je dat men in jou ziet? Een schrijver? In geen geval. Een atleet? Nog minder. Men ziet een oude, licht obese man die zich staat af te beulen als een gek in de hoop het onafwendbare verval nog jaren voor zich uit te schuiven.’ Niet bepaald een filosofische gedachte. Hij had duidelijk geen idee van de impact van zijn woorden. De filosoof mocht dan slim zijn en welbespraakt, een empathisch wonder was hij niet.
          ‘Dat vind ik nogal vergezocht,’ aarzelde ik.
          ‘Kijk,’ zei hij. Hij was een schoolmeester geworden nu. ‘Als je wandelt, ben je een voetganger. Op de fiets een fietser. In de auto een bestuurder en dus een potentieel gevaar. In de trein de dupe van alweer een staking. En ga je vliegen, dan ziet men jou als egoïstische klimaatvervuiler.’
          Nu was ik mee. Meer dan dat. Ooit had ik een essay geschreven over de vrijheidsstrijder die door de vijand steevast terrorist wordt genoemd terwijl terreur in uniform zelfverdediging of ordehandhaving heet.

          Lang en diep staarde de filosoof in zijn glas. ‘In de ogen van de ander verandert de mens makkelijker en vaker van gedaante dan een kameleon van kleur.’
          ‘Ha,’ riep ik toen, ‘Ik denk. Dus ik ben een kameleon. Daar drink ik op. Jeanne!’
          Want die avond wilde ik niets liever zijn dan de leeghoofdige toogfilosoof die de wereld altijd al in mij had gezien.

Etiquette

                    Ze drinkt haar thee met de pink omhoog. Oogschaduw, lippenstift, blush. Haar kapsel de kleur van een blauwe reiger. Verkreukeld vel over been. Dicht bij de negentig, toch fonkelen nog altijd haar ogen als sterren in een winternacht. Ze weet dat zwijgen goud is, ze kiest voor zilver met een stem die nog altijd verleiden kan.

          Ze wijst naar een man met een pet aan een tafeltje verderop in de cafetaria die zij Ons Restaurant noemt. Ze kijkt naar de hemel, haalt haar neus op, knikt van neen. Misprijzen zonder woorden.
          ‘Tja,’ zeg ik, ‘de mode, niet?’
          ‘Ik weet het hoor,’ antwoordt ze, ‘ik stam uit een vergeten tijd.’ De tijd van mijn ouders. ‘Toen liepen enkel boefjes met zo’n ding op hun hoofd. Kwajongens, snotneuzen. Maar nu?’ Ik geniet van de nostalgische klank van haar woorden. Klinkt stukken beter dan tuig of criminelen.
           ‘Denkt zo een uitgezakte veertiger met bolle buik nu werkelijk dat een pet met Old Fuckers Club erop zijn dikke kop en kale kruin jonger doet lijken?’ Ze krijgt het vulgaire opschrift nauwelijks door de keel. ‘Godgeklaagd, als je het mij vraagt.’ Het kopje en haar pink gaan weer de hoogte in, ze drinkt alsof de goden het drankje speciaal voor haar hebben gebrouwen.
           ‘Gisteren zag ik op de televisie een komiek, zogenaamd. Leren hesje zonder mouwen, oorbel, tatoeages. Een uur lang schelden, schreeuwen, bulderen, ik kreeg er hoofdpijn van. Dan denk ik toch, geef mij maar weer een Hermans of een Sonneveld. Rustig en bedaard, altijd netjes in het pak. Die hadden het niet nodig hun eigen lachband te moeten zijn. Een monkellachje was genoeg.’ Monkellachje, weer zo’n woord.

          Ze daalt af langs de lange Laan der Herinneringen. Plots stokt ze. Ze kijkt verbijsterd, hapt naar adem, even vrees ik dat ze nog blauwer zal uitslaan. Ook ik zie de Pettenman druk met zijn telefoon in de weer terwijl de vrouw tegenover hem doelloos om zich heen gaapt.
           ‘Goede manieren zijn naar de genoffels,’ zucht mijn blauwe reiger. Genoffels. Een bloem. Geen geslachtsorgaan, een verademing. ‘Boertigheid is de norm vandaag.’ Aangemoedigd door mijn zwijgen gaat ze door:  
          ‘Vroeger. Een man vroeg je uit op restaurant. Dat was een feest. Een traktatie. Verwennerij.’ Ze huivert van plezier. Inmiddels heeft de vrouw van de man met de pet ook haar telefoon opgeduikeld.  
          ‘Bij binnenkomst nam hij je jas aan en schoof je stoel naar achteren zodat je makkelijk kon gaan zitten.’
          ‘Nogal neerbuigend, niet?’ pruttel ik, ‘seksistisch bijna. Een vrouw is best zelf in staat haar jas uit te doen en op een stoel te gaan zitten, zou ik denken.’
          ‘Daar gaat het toch niet om,’ bijt ze me toe, feller dan je van een breekbaar besje zou verwachten. ‘Natuurlijk kan een vrouw voor zichzelf zorgen. Oneindig beter dan menig man, neem dat maar van me aan.’ Menig man, wie zegt dat nog?
          ‘Weet je waar het wél om gaat?’ Antwoorden is geen optie, ik wacht geduldig tot het komt.
          ‘Het gaat erom gezien te worden,’ zegt ze. ‘Etiquette lijkt een spel, een vormelijkheid, dat is het niet. Het is een uiting van respect. Iemand laat je merken dat hij wat voor je over heeft, moeite voor je wil doen.’ Voor de tweede keer haalt ze haar neus op. ‘Wie te laat verscheen op een afspraakje of in een hemd of godbetert met een stomme pet op zijn hoofd, stuurde ik meteen terug naar zijn grot.’

          Ze legt haar gemanicuurde handen op de tafel. Nagels bloedrood, aan elke vinger een ring, zilveren horloge met wijzerplaat. Ze buigt voorover en fluistert:
          ‘Ooit was er een man, … de nacht van mijn leven.’ Ze aarzelt een seconde en dan, betrapt: ‘Waarom vertel ik jou dit? Heb jij wat in mijn thee gedaan?’ Alsof ze het fijn zou vinden dat iemand er alles voor over zou hebben haar haar intiemste geheimen te ontfutselen.
          ‘Een héérlijke man. Meteen toen hij me zag, nam hij zijn hoed voor me af. Opende de deur van het restaurant, liet me voorgaan. Hielp me uit mijn jas, gaf me aan tafel de beste plek met zicht op de hele zaak. Ik woonde toen nog bij mijn ouders maar had al een eigen baan, toch liet ik hem betalen. Waarom ook niet? Het hoorde bij het spel.’ Hoewel ze nog altijd naar me kijkt, geloof ik niet dat ze me ziet. Ze vertoeft op een plek een halve eeuw of langer geleden in de tijd.
          ‘Het regende die avond,’ lacht ze. ‘Hij hield het portier van de auto voor me open, hief de paraplu boven mijn hoofd terwijl hijzelf helemaal doorweekte. Toen legde hij zijn jas over een plas. Het hielp niet, mijn voeten werden even nat, maar het ging om het gebaar. Bij het afscheid ook geen klef, opdringerig gesmeek. Neen, een lichte handkus, een warme oogopslag waarin je kon leren zwemmen en de onuitgesproken belofte voor een volgende keer. Ik weet nog goed: ik kroop in bed die avond en dacht: als hij me vraagt, zeg ik ja.’
          Dan valt ze stil.
          ‘En toen?’ moedig ik aan.
          ‘Dat heb ik gedaan.’ antwoordt ze vlak. ‘In de volgende vijftig jaar heeft hij geen enkele keer nog voor me zijn jas over een plas gelegd.’
          Plots is het meisje een oude vrouw geworden.   

Queen Esther

          Mocht John Irving geen schrijver zijn geweest, hij was vast leraar geworden.
          Ook een nobel beroep. Net als schrijvers beroeren leraren geesten, harten en zielen. Net als schrijvers willen leraars verleiden, inpalmen, het publiek aan zich binden. Allebei maken ze nieuwsgierig, stellen ze vragen, zetten ze aan tot denken. Liefst verpakken ze hun boodschap in een mooi verhaal dat erin gaat als zoete koek. A teaspoon of sugar makes the medicine go down leerden we van Mary Poppins al, wat dorre schoolfrikken en uitgedroogde pedagogen daarvan ook mogen vinden. Een saai boek leg je weg, een vervelende leerkracht pest je de klas uit.
          Groot verschil: een schrijver stelt vragen, de leerkracht kent ook de antwoorden.

          Maar dus, John Irving.
          Zijn laatste werk, Queen Esther, werd met gemengde gevoelens onthaald. Hij is te oud, werd gezegd, hij heeft het niet meer. Lees eerst het boek, vel dan je oordeel, zegt daarover de auteur. Dat heb ik dus gedaan. Met graagte. Ik ben immers fan.
          Toch moet ook deze fan erkennen: in het steekspel met de schrijver won in Queen Esther de schoolmeester het pleit. Het verhaal gaat gebukt onder de leerstof, die ligt er twee vingers dik bovenop. Queen Esther is meer lesonderwerp dan roman.
          De les van vandaag, zegt Meester John, gaat over de toestand in het Midden-Oosten. Omstandig legt hij uit hoe twee partijen aanspraak maken op hetzelfde stukje land. Zij gebruiken daarvoor exact hetzelfde argument: – wij woonden hier eerder -, en dezelfde slogan: – From the river to the sea (wat betekent, verduidelijkt Meester John voor wie tijdens de les aardrijkskunde stiekem appjes zat te sturen, van de Jordaan tot de Middellandse Zee). Die patstelling, besluit Meester John, blokkeert elk mogelijk compromis. ‘Dus dat twee-statenland van jou, De Schrijver, schrijf dat maar op je buik. Gaat niet gebeuren.’
          Dan gaat de bel.

          Je zou toch denken: voor een meesterschrijver een conflict om duimen en vingeren af te likken. Dat was geloof ik oorspronkelijk ook de bedoeling. Schrijver John graaide nog een keer in de vertrouwde trukendoos die hij al sinds zijn eerstgeborene, De Beren Los uit 1968, met zich meezeult.
Dus ja, ook in Queen Esther worstelaars, alleenstaande moeders, adoptiekinderen. Een pension in Wenen ook weer, kleine, bescheiden mannen en grote, trotse vrouwen. Ook in Queen Esther gaat het hoofdpersonage boeken schrijven. Ook in Queen Esther talloze herhalingen met droogkomisch effect, een bezoekje aan de Amsterdamse Wallen met zijn prostituees en tatoeageshops. Geen beer deze keer, wel weer een hond. De hond in Queen Esther heet Hard Rain, naar het liedje van Bob Dylan. (Mijn altijd favoriete Irvinghond is Sorrow – Treurnis, vertaalt Meester John – uit Hotel New Hampshire, met het onsterfelijke Sorrow floats – Treurnis komt altijd weer, verduidelijkt Meester John voor de Engels-onkundigen.)
          Queen Esther leerde me een habbekrats Hebreeuws en een mondje Duits. Als een vogel vloog ik over de tijdlijn van de geschiedenis van het Joodse volk. Of ik wilde of niet, Meester John vond dat ik haar pijn ook moest voelen. Ergens onderweg verliest Queen Esther in onduidelijke omstandigheden een arm. Iedereen die haar ontmoet voelt die stekende pijn. Twee vingers dik dus, ik zei het al.      
          Het spijt me, maar neen.
          Ik werd door Queen Esther niet weggeblazen zoals door De Wereld volgens Garp.        
          Ik bleef in Queen Esther niet bladeren en bladeren, vergat niet tijd en plicht, verscheen niet te laat op een afspraak zoals me wel overkwam bij De Regels van het Ciderhuis.
          Ik heb niet na Queen Esther twee dagen lang gehuild zoals na Tot Ik Jou Vind. Een leerboek ontroert nu eenmaal duizend keren minder dan een leesboek.

          Tegen de stroom in laat Meester John Joodse stemmen aan het woord. Overtuigingen en twijfels, argumenten en excuses. Dat schuurt een beetje, in deze tijden van Gaza als openbaar abattoir. Dat een kunstwerk dwingt tot luisteren naar de stem van de andere kant, is echter toch vooral een meerwaarde. Het is goed in ‘t eigen hert te kijken, maar soms nog beter in dat van de ander.
          Neen. Queen Esther is niet John Irvings beste boek. Het verhaal lijkt soms nergens naartoe te gaan, te vaak dwarrelen gedachten van te veel personages als boomblaadjes in de herfst door elkaar, te dik ligt de les er bovenop, te weinig maken de personages aan het lachen of huilen, werd ik verrast, verbaasd, verdwaasd, verbijsterd.
          Maar ook het niet-beste boek van Meester John Irving blijft nog altijd wel een boek van Meester-Schrijver John Irving. Dus je gaat mij niet horen zeggen dat je er maar beter niet aan begint. Integendeel.
          Zoals de grootmeester het zelf zegt: lees.
          En oordeel dan zelf.

Met alle Chinezen

          Op een avond ging de telefoon.
          Mijn beltoon is de titeltrack van Peaky Blinders, een serie waarin niets ontziende schurken plunderen, roven, stelen, dus ja, ik weet het, ik was gewaarschuwd. Toch nam ik op.
          Met het enthousiasme van een sprekende klok beweerde een vrouw te spreken namens mijn bank. De cyberbeveiliging had een verdachte transactie geblokkeerd. De over te maken som was tienmaal groter dan het saldo op mijn rekening. Wellicht was hier fraude in het spel. Dat leek me wel zeker. Ik had die dag zelfs helemaal geen aankopen gedaan.
          ‘Dank u wel,’ prevelde ik. Om te weten hoe het met mijn bankkaart verder moest, raadde ze me op toets 1 te drukken.

          Zegt u maar niets. Ik weet het zelf ook wel.

          1, drukte ik. Een van mijn vele zwakheden is dat mijn hart het nogal makkelijk wint van mijn verstand.
          ‘Goedenavond,’ begroette me een vriendelijke mannenstem met Hollands accent, ‘zegt u het maar.’
          ‘Zegt u het maar,’ pareerde ik meteen, pissig omdat ik weer ergens was verzeild waar ik helemaal niet wilde zijn.
          ‘U heeft mij gebeld,’ bleef de man rustig.
          ‘Omdat u mij gebeld heeft,’ kaatste ik meteen terug. Een beetje bot, maar toch ook met reden. In mijn filosofie heeft een man het recht om ’s avonds ongestoord naar pulp op televisie te liggen gapen. Wordt deze jongen in die bezigheid gestoord, dan kan hij daar behoorlijk pissig van worden. U kent natuurlijk enkel maar mijn zachte kant, weet dat er ook een pitbull in mij woont die vervaarlijk durft bijten en niet meer loslaat. Had ik u al gezegd dat het inmiddels tegen tienen was?
          ‘Even kijken,’ zei de man, onverstoord als een slangenbezweerder op een spijkerbed. ‘U belt met dit nummer. De Schrijver, klopt dat? Goed zo. Uw rekeningnummer begint met de cijfers 1 2 3 4, klopt dat ook?’ Ik ben niet dom. Onder geen enkele voorwaarde geef ik het nummer van mijn rekening door via de telefoon. Maar deze noorderling kende het blijkbaar toch al.
          ‘Klopt,’ zei ik.
          ‘Goed zo,’ zei de man weer. ‘U bent duidelijk het slachtoffer van phishing.’ Plots voelde ik me een geel plastieken eendje met een ring op mijn rug en een nummer op mijn buik, drijvend in een bassin met stromend water. Wie zijn hengel door het haakje krijgt, vist naar een vette prijs.
          ‘Zullen we die transactie dan meteen maar annuleren?’ vroeg de man.
          ‘Knap dat jullie dat meteen hebben opgemerkt,’ antwoordde ik opgelucht. Zijn warme stem, de besliste aanpak waaruit kennis van zaken sprak, ik voelde me in veilige handen. Soms heeft ook een man dat nodig.
          ‘Weet u wat nu het probleem is?’ vroeg de man. Dat wist ik niet. Voor zover ik wist, had hij het probleem net al opgelost.
          ‘Mensen met slechte bedoelingen zijn blijkbaar op een of andere manier aan uw rekeningnummer geraakt. Misschien is het maar best uw kaart meteen ook maar te blokkeren. Dan ontvangt u binnen een dag of twee, drie van ons een nieuwe. Kan u dat overleven?’ Natuurlijk kon ik dat. Ik weet plekken op de wereld waar men erger dingen moet doorstaan. Minneapolis, om zo maar wat te noemen.
          ‘U doet maar,’ zei ik. Dat leek me slim. Ook met weinig geld op de bank weet je niet wat gehaaide criminelen met je bankkaart kunnen uitspoken. Plunderen. Roven. Stelen. Bovendien fantaseer ik al een leven lang over het onthechte bestaan van de dichter die leeft van ochtenddauw, liefde en honing uit de hemel. Daar kreeg ik nu alle kansen toe.
          ‘Ogenblikje,’ zei de mijnheer, nog altijd even kalm en bedaard. ‘Dan zou u nog een dingetje voor me moeten doen. Kan u voor mij de resterende cijfers van uw rekeningnummer even dicteren?’ Net zoals mijn liefde voor de medemens overschat men soms ook mijn domheid. Alles in dit leven is begrensd. In mijn hoofd zag ik de Peaky Blinders op oorlogspad.
          ‘Dat kan ik zeker …,’ antwoordde ik achteloos.
          ‘Dan heb ik dus 1 2 3 4,’ zei de man.
          ‘En dan veel vijven en zessen,’ vulde ik aan. Ik liet die cijfers even zinken. Aan de andere kant van de lijn bleef het stiller dan een nachtelijk sneeuwlandschap in de Stille Kempen.
          Toen hoorde ik de klik.

          Voor alle zekerheid de volgende dag toch maar even naar mijn bankkantoor gebeld.
          ‘Alles in orde hoor,’ verzekerde die vrouw. Ze lachte: ‘Over die habbekrats op uw rekening hoeft u zich absoluut geen zorgen te maken.’
          Goed gedaan, schrijvertje, klopte ik mezelf op de borst. Wie mij wil vissen, zal toch in een betere hengel moeten investeren.