Klassiek in de stad

               Die zondag droeg de ochtendstond waarlijk goud in de mond. De zon strooide gulle stralen, het land ontwaakte in warmte en welbehagen.  Een dag om te plukken.
               ‘Eindelijk,’ zegden wij terwijl we nog slaperig een warm broodje naar binnen werkten, ‘toch nog een sprankel zomer.’
               ‘Opgepast,’ waarschuwde prompt een roedel dermatologen op de radio. ‘Door de barre zomer is onze huid niet gewapend tegen de ongenade van de zon. Wees voorzichtig! Blijf in de schaduw! Besmeer uzelf als was u een verroeste ketting!’ Men mompelde nog wat onduidelijks over Uv-stralen en huidkankers en herhaalde deze onheilstijding elk half uur.

               ‘Fakking Jezus Christus en zijn veertig maagden!’ sakkerden wij. ‘Mogen wij nu eens voor één enkele keer eenvoudig en onbekommerd genieten van een mooie dag alstublieft?’ Het is altijd wel wat. Een virus, of iets in de lucht of in de grond; het eten waar je destijds groot en sterk van werd, wordt ongezond verklaard of schadelijk voor de planeet; groenten bevatten dioxines, fruit is te zoet; beweeg maar ook weer niet te veel. Het houdt niet op. Dingen die het leven mogelijk draaglijk maken zoals – ik doe een greep – seks, drugs en rock & roll maken je ziek en worden strafbaar. Wie oud wil worden, plant zich best in de schaduw van een boom en laat zich bijstaan door diëtiste en lijfarts. Zo geruisloos mogelijk leven uit angst voor de dood. Terwijl wij weten, aan het einde van de reis wacht onherroepelijk Hein met de zeis.
               De nieuwslezer stoorde zich niet aan ons gelamenteer. Hij ging koelbloedig door met zijn dagelijkse lijst van ellende. New York stond onder water. In een ver land ontneemt men vrouwen hun bestaan. Ergens in Afrika is een staatsgreep aan de gang. Het fragiele streepje goede luim dat schuchter als een late zomerbloem de kop had opgestoken, werd prompt weer met het gras gelijk gemaakt.

               Met alle Chinezen, dachten wij. De voeten bloot in de Birkenstocks fietsten wij de stad in. Deze dag zou de wereld aan ons voorbijgaan. Hij bevat meer triestheid en ellende dan onze frêle schouders dragen kunnen. Vandaag nemen wij een dag congé payé. Rijk der Vrijheid, wij komen eraan.
               Was het die optimistische insteek die ons bij aankomst aan het Sint-Jansplein applaus opleverde? Klaterend handgeklap toen we onze rijwielen stalden aan de rand van deze pittoreske pleisterplaats. De terrassen waren ondanks het vroege uur al flink bezet. Mensen liepen opgewekt af en aan. Vooraan een podium, Rock Werchter Main Stage gelijk. Het middenplein volgestouwd met stoelen. Dames droegen frivole jurken en kleurrijke hoeden. Ze waaierden koket met programmaboekjes als waren ze Oosterse courtisanes. Heren droegen elegant fluitglazen aan waarin bubbels sprankelend een weg zochten naar de hemel. Zo gaat het in dit land: is de stemming opperbest, men heffe het glas. Is ze dat niet, evenzeer.

               Natuurlijk had dit jolijt niets met ons vandoen. Op het podium was het drukker dan tijdens de Rubensmarkt in hoogzomer. Achteraan tot in de coulissen gevuld met muzikanten en instrumenten: van triangel tot grosse caisse, met violen, cello’s en contrabas en god weet welke toeters en bellen nog. Vraag het mij niet, ik ben een leek, kan amper een bombardon onderscheiden van een cymbaal. Op de achterste rijen een machtig koor, tal van zoetgevooisde mannen en vrouwen in galakostuum of avondjurk. Vooraan driftig een dirigent, nu eens bijgestaan door een sopraan wier stem verder droeg dan de beiaard uit de Onze-Lieve-Vrouwetoren, dan weer door een tenor of bariton die je ingewanden van plaats deden wisselen. Delicieuse klanken verspreidden zich als een duur parfum over het gehoor van het talrijke publiek.
               Opera Ballet Vlaanderen speelde ten dans. Ontroering welde in onze ogen. Die hemelsblauwe lucht, die soepele mensen, die stemmen als van engelen naast de troon. Noem mij geen kenner van het klassieke repertoire, maar voor een streepje Mozart of een aria uit La Traviata mag men me altijd storen in mijn slaap. Weill, Mozart, Puccini, Verdi, een flard Wagner als slagroom op de taart, al dat schoons werd ons zomaar in de trommelvliezen gegoten, op zomaar een plein op zomaar een dag. Om met hun naar diesel happende motoren die fijne akoestiek vooral niet te storen, reden zelfs de bussen van De Lijn een eindje om.

               Veel sneller dan verhoopt was ook dit feest even later weer voorbij. Zoals in het leven zelf, waren wij hier toevallige passanten geweest. Stilzwijgend en nog naar adem happend stapten we weer op de fiets. We trapten welgezind de toekomst tegemoet, zonder doel, we zouden gaan naar waar de wind ons waaien zou.
               Zo werd het toch nog een fijne dag.

Bens plan

Het is een traditie.
Aan de vooravond van 1 september richt de Minister van Onderwijs zich tot de natie. Ik weet nog, Marleen Vanderpoorten. Dat was toch helemaal je oma die je aanmaande heel braaf te zijn en flink je best te doen op school. En Frank Vandenbroucke. Op het schoolmeestertimbre van zijn stem viel je meteen in slaap, zodat je het nieuwe schooljaar met een frisse kop kon beginnen. Van Hilde Crevits herinner ik me enkel nog het afgedragen Chiromeisjesuniform.
Nu is er Ben.
Ben doet het anders. Ben speecht niet. Ben laat zich ondervragen als bij een mondeling examen. Hoe hij daar dan staat. In dat blauwe pak, de ene voet in een wit laarsje, de andere in een geel, slim brilletje op de neus, haartjes met speeksel of brillantine gladgestreken. Bert Bibber in Plopsaland. Heerlijke televisie. Ik zie hem zo in de klas, op de eerste bank, zwaaiend vingertje in de lucht: ‘Mijnheer, mijnheer, ik weet het, ik weet het.’ Of ook: ‘Meester, ze hebben kauwgom in mijn haar geplakt.’

Ben is trots.
Ook de scholen mogen toetreden tot Het Rijk der Vrijheid. De mondkap gaat op de schop. Het grut kan weer pesterig de tong uitsteken, spuwen op de grond of lippendienst bewijzen aan de leerkracht. Fier toont de dertienjarige het dons op de bovenlip. Er wordt weer vrijelijk in de neus gepeuterd. Uit de gruizels tussen kronen en bruggen in de kindermond leidt de leerkracht af welke chips er tijdens de pauze werden gesmikkeld.
Maar er is een maar.
‘De lat moet hoger,’ zegt Ben. ‘Gespeelde tijd is verloren tijd. Ook de twee- en driejarigen moeten aan de bak. Gedaan met duimzuigen en pamperen. Voor je zesde levensjaar beheers je best een landstaal of twee en de maaltafels tot twintig.’ Er zijn er die beweren dat de jeugd van tegenwoordig het gemakkelijk heeft. Zij dwalen. Plezier op school is keihard vorige eeuw. Gelukkig is er ook een troost. Hoe hoger op de sociale ladder, hoe lager de lat. Ook daar geeft Ben graag het voorbeeld.

Verlekkerd kijkend naar de camera, verliest Ben de nieuwe leerling uit het oog. Covid heet die. Hij komt uit een ver land, zit alleen aan een bankje, achteraan in de klas. Op de muur achter hem prijkt een pancarte in kalligrafisch schrift:

               Werkmethode regel 1

               ‘Met passen en meten
                wordt veel tijd versleten
                maar als men ’t niet doet
                is ’t werk niet goed’

Covid is een leerling van het zwijgzame type, zo onopvallend dat hij haast onzichtbaar wordt. Als je niet beter wist, je zou denken dat hij er niet was.

‘Waarom niet in elke klas een CO2– meter om de luchtkwaliteit te meten?’ durft de journalist.
‘Ach, meten, meten,’ snuift Ben verveeld, terwijl hij even de grimeuse wenkt. ‘Wat ben je daarmee? Dan stel je vast: die kwaliteit is niet goed. En dan? Is daarmee het probleem opgelost? Ik dacht het niet. CO2-meters? Neen. In een varkensstal, alla, maar niet in een klaslokaal.’

Natuurlijk lieten de Mainstream Media deze ronduit grensverleggende pedagogische visie onderbelicht. Het gaat hier nochtans om een radicale omwenteling in school en maatschappij. Vanaf heden is meten om te weten voor eeuwig en altijd old skool. Compleet achterhaald.  Beter is het niet te meten, niet te weten. Wat niet weet, niet deert.

Zoals zo vaak, heeft Ben ook nu gelijk.
Waarom de dingen ingewikkeld maken als het ook simpel kan? Waarom nog langer tijd en geld verspillen aan alarmsystemen of rookmelders? Koortsthermometers? Zwangerschapstests? Gedaan ermee. En veeg je met die preventieve mammografie en darmkankerscreening die knobbels uit je borst of gat misschien? Vaarwel ook technische en alcoholcontroles. Bodemonderzoek, overstromingsgevaar, risicokruispunt: schluss damit! Al wat ruikt naar Werkmethode regel 2: Voorkomen is beter dan genezen, weg ermee!
Voor ons even schrikken, voor Ben slechts een kleine stap, voor de mensheid een reuzensprong.

Men zegt dat de jeugd dommer wordt. Weer dwaalt men.
Dat bleek meteen die eerste schooldag, zo meldden ons talloze leerkrachten. Want zoals altijd is het de leerkracht die de vernieuwing ploeterend op het veld dient uit te zweten. En als daaruit profijt te halen valt, dan hebben die puistenkoppen het allemaal gehoord. Zo getuigt ook mevrouw K.O. uit Malle, klasleraar van een tweede jaar secundair:   
‘Jongens en meisjes, er is een batterij belangrijke dingen die jullie moeten weten om dit schooljaar te kunnen slagen.’
 ‘Dat ziet u verkeerd, juf. Dat moet helemaal niet. De Minister heeft het gisteren nog zelf gezegd: weten lost het probleem niet op. Wie niet weet, hoeft niets te doen.’
Waarop ze meteen constructief een tegenvoorstel aandroegen:
 ‘Juf, volgens de nieuwe richtlijn is het misschien beter dit schooljaar maar stilletjes te laten passeren? Wij hoeven niets te weten, dus u hoeft ook niets uit te leggen. Bespaar u de moeite. Zet u aan uw laptop, koop online een kleedje voor de eindejaarsfeesten. Wij houden ons wel in stilte bezig. Mogen wij dan onze gsm gebruiken?’
 ‘Doe maar,’ zei de juf.
Iedereen gelukkig.
Dank u Ben.

Uitgesteld

Plannen.
Wat je allemaal zou gaan doen tussen juni en september. Tweeënzestig dagen vrij in doen en laten, zonder opdracht of verplichting. Nu zou het gaan gebeuren, eindelijk! Je had een doel, een missie. Sinds decennia rijpen meesterwerken in je hoofd. De in de loop der jaren gezaaide kiemen waren tot volle wasdom uitgegroeid, je hoefde enkel nog de oogst bij elkaar te scharrelen. Fluitje van een cent.

De beste versie van jezelf zou eindelijk in het spotlicht treden. Je briljante gedachten zou je in lyrische bewoordingen vertalen. Een rauwe vertelling ging je doorweven met fijndradige intriges, pittig kruiden met hier een snuif geweld en daar een scheutje seks. Personages tot leven wekken, grote en kleine zielen, kwezels en helden, vromen, ploerten en perverten.
Je zou graven in de diepste krochten van je ziel, openhartig zijn en daardoor snaren raken, mensen doen lachen en huilen tegelijk. Lezers zouden opkijken en vanuit het hart verzuchten: ‘Waarlijk, dit had ik niet zien komen.’ Ze zouden de smaak van de laatste zin, het laatste woord, de laatste letter, op hun tong laten smelten, het boekwerk op hun schoot, de kaft ingetogen aaien en met bezwaard gemoed beseffen dat ze een avontuur hadden beleefd dat nu helaas voorbij was. Een beleving die ze nog lang zou heugen.
Neen, je ging niet voor kleine doelen.

Tot zover het plan.
Je had daar niets voor nodig. Drie d’s slechts: Daadkracht, Doorzetting, Discipline. Toevallig drie eigenschappen die de Schepper ronddeelde tijdens jouw plaspauze. Je kent ze wel, misschien behoren ze zelfs nog tot je huisraad, je bewaart ze echter niet in de bovenste la. Pronken in je vitrinekast doen ze al helemaal niet.
Het is waar. Tussen droom en daad, je kent die riedel, staan feesten in de weg, verleiding en excuses die bedacht zijn om zich ervan te bedienen. Als de weg naar de hel daadwerkelijk met goede voornemens wordt geplaveid, dan ken jij alvast je bestemming in je volgende leven.

Scheen de zon , dan was het te warm om te gaan zwoegen aan je bureau. Met je laptop naar een park of terras vond je te aanstellerig. Er was ook altijd wat te doen. Het EK waar het dreamteam het weliswaar alweer liet afweten maar waarvan je toch elke wedstrijd moest hebben gezien. De Tour de France, waarvan je geen seconde mocht missen, je staarde naar die betoverende landschapsbeelden als een vis in een aquarium.
Op je linkerschouder draag je inmiddels een tatoeage: ik ♥Netflix. Op regendagen je steun en toeverlaat. Je moet elke reeks hebben gezien, kwestie van te kunnen meepraten. The Crown, The Fall, After Life, Peaky Blinders. Waarom tellen al die series zo oneindig veel episodes? Je bestudeerde zogenaamd verhaallijnen en dialogen, goed bestede tijd, zo maakte je jezelf wijs.
De stilaan stof vergarende boeken moesten eindelijk ook gelezen. Studiemateriaal. Shuggie Bain zakte haast, het lange wachten beu, door je boekenplank. Dat oude verhaal van Kafka ging je extra bestuderen en – eindelijk – vergaarde je voldoende moed om je te wagen aan Primo Levi. Je wilde Sofie Lakmaker leren kennen en Annie Ernaux en de succesformule ontrafelen van De Zeven Zussen.
Tussendoor moest je Nina goud zien halen en Nafi als een keizerin zien stralen. Je volgde winnaars en verliezers, hoorde woorden van lof en vernedering. Je zou geen tijd verliezen aan vulgair gezwets van off screen journalisten of gewezen staatssecretarissen. Je sloeg jezelf in de ban van Twitter en Facebook, ook geen LinkedIn of Instagram. Een mens merkt pas hoe verslaafd hij aan de dingen is, als hij probeert ze niet meer te gebruiken.

Natuurlijk ging je ook nog reizen, het mocht immers weer. Je zocht de bron van de schönen blauen Donau en volgde haar grillige loop. De monding haalde je niet, die bleek net als je droom verder weg dan je had ingeschat. Je wandelde, fietste en fantaseerde langs haar oevers, vergaapte je aan abdijen en kastelen en degusteerde op Bourgondische wijze Sachertorte, Kaiserschmarrn en droge witte wijn.
Ook mocht je weer mensen zien. Je familie bleek groter dan je je nog herinnerde en je had meer vrienden dan je dacht. Iedereen wilde met je klinken, in ruil voor een kwinkslag of spitsvondigheid. Je dobberde op de bubbels terwijl je al een leven lang weet, de dag begint niet met de ochtendstond maar de avond ervoor.

Nee, dat het ook deze keer weer niet lukte, ligt niet alleen aan jou.
Gelukkig is het haast september. De wereld hervalt in haar chaotische regelmaat. Er komt weer tijd vrij, eindelijk. Nu gaat het gebeuren.
Reken maar van yes.

Het meisje A (2)

‘Papa, je bent een held,’ zei ze.  
Zij praat graag in de overtreffende trap, mijn dochter. Met hyperbolen, alles is avontuur in haar leven en haar Renault Clio noemt ze Turbo.
Dat ik haar leven had gered, zei ze nog.
Alsof ik haar nog net op tijd had weggeplukt vanop de richel van de afgrond, seconden voor de fatale tuimelperte in een gitzwarte diepte. Of ze zonder mijn tussenkomst een trauma zou hebben opgelopen dat haar elke komende dag van haar leven zou opjagen en voor altijd in een houdgreep houden. Ze was die dag weliswaar nog altijd jong en veelbelovend maar evengoed een vrouw op de rand van een zenuwinzinking.

Ik had nochtans geen heldendaad verricht.
‘Ken jij iets van banden?’ had ze ge-sms’t. Zij telefoneert niet, zij behoort tot de WhatsApp/Instagram/TikTok-generatie.
‘Ik heb ooit nog bijna in een band gezongen 😉’ stuurde ik terug.
‘….’ Zij is ook het type dochter dat dad jokes keihard negeert.
‘Ik ken de zus van Michelin. Micheline.’ probeerde ik weer.
‘…’
‘Dat schept toch ook een band. 😊😊’
‘… ‘
‘Waarom? Wat scheelt er?’
‘Turbo platte band. Domper op de sfeer. Mentale breakdown.’
‘Ik kom eraan.’

Iedereen die mij ooit heeft betrapt met een schroevendraaier in de hand weet, ik ben geen technisch mirakel. Niemand roept ooit mijn hulp in bij de bouw van zijn huis of de aanleg van een vijver in de tuin. Hoofd en voeten zijn ok maar mijn beide handen staan averechts. Als ik in de slaapkamer van dit huis de stofzuiger inplug, vallen in de ganse wijk televisietoestellen en diepvriezers zonder stroom.
Maar als je kind je roept, dan ga je.

Voor allebei werd het een ontdekkingstocht.
Ik: ‘Waar bewaart Turbo de krik?’
Zij: ‘Geen idee.’
‘Kijk eens in het boekje.’
‘Het boekje zegt: Onder de mat in de koffer. Huh? Gaat die mat er dan uit? Wist ik niet haha. Ha, kijk hier: een krik.’
‘Ligt er geen reservewiel bij?!?!’
‘Onderaan de wagen. Weet ik van de meneer van de Controle.’
‘Hoe maak je dat los?’
‘Geen idee.’
‘Kijk eens in het boekje.’
‘Het boekje zegt je moet daaraan draaien en dan aan dit kabeltje trekken.’
‘Dat draait zot!’
‘Trekken aan dat kabeltje. Papa!!! Heb jij nu echt die kabel helemaal losgetrokken? Wacht, laat mij. Kijk, los.’
‘Hoe deed je dat?’
‘Weet niet. Ineens viel dat wiel op de grond, haha…’
‘Ok. De krik moet hier, dat weet ik toevallig. Een handyman weet nu eenmaal zo’n dingen. Ontbreekt er niet nog ergens een stuk? Ik kan die bouten niet met blote handen losdraaien, hoor.’
‘Koffer is leeg.’
‘Hoe bedoel je, leeg? Kijk dan nog een keer, deze keer met je ogen open.’
‘Leeg is leeg, ik zeg het toch.’
‘Hoe kan… Wacht…Misschien als ik het zo … Aha!’
‘Goed gedaan papa.’
‘Niet te vroeg juichen, van de vier bouten is er altijd eentje …. Au, mijn rug. Au au au. Maar opgeven staat niet in ons woordenboek, hé. En hopla, nu is het kinderspel.’

Toen sprak ze dus die magische woorden: ‘Papa, je bent een held.’
Woorden die een vaderhart doen smelten.
Terwijl ook u wel beter weet. Weer een hyperbool. Een schromelijke overdrijving. Ik mag dan vele dingen zijn, een held ben ik niet. Ik ben meer als die trompetter, hij had geen geld, was geen held en hield niet van het krijgsgeweld. Beitel dat maar op mijn zerk.
Nog nooit redde ik iemands leven, stond ik ongewapend voor de loop van een tank met een roos in mijn hand of riskeerde ik lijfstraf en gevangenis voor de vrijheid van mijn mening. Nooit knielde ik in een vijandig stadion met het hoofd gebogen en de vuist hoog om mijn punt te maken. Zelfs gezeten aan mijn schrijftafel, anoniem en ongezien, steek ik nog mijn nek niet uit. Hoe weerzinwekkend en pervers ook de praatjes van de trol op mijn sociale media, ik zwijg. Ik huldig dat oude en weinig bekende zegswijs uit het China van Confucius: Bij dronkenschap of hectiek, houd u ver van polemiek.

Neen, je mag veel van me zeggen, maar een held ben ik niet.
Maar een fiere vader was ik wel.
Fier genoeg om met een heerlijk gevoel de vakantie in te gaan.

Twee mannen

Op mijn vaste bank in het park zitten twee mannen dicht bij elkaar.
Mocht dit Hongarije zijn, op het departement Openbare Zeden sloegen nu al alle alarmen tilt. Gelukkig is dit Hongarije niet. Bizar hoe men daar gelooft vooruit te kunnen door de klok terug te draaien. Ronduit weerzinwekkend bovendien hoe een overheid denkt zich te mogen mengen in mijn en uw verhaal van liefde. Terwijl ik bij een beeld van Orban niet bepaald meteen aan liefde denk. Blijven struikelen over dezelfde steen, zo onderscheidt de mens zich van de ezel. Hoe luider men schreeuwt om eigen vrijheid, eigen normen, eigen waarden, hoe meer men die van de ander wil beknotten, tot tussen de lakens toe.
Bon, met deze strategie zal Hongarije het EK niet winnen.

Twee mannen dus.
Tachtig plus. De leeftijd waarin een gezonde geest en een gezond lichaam nog zelden samenwonen. Hoofd en lijf gaan in een Latrelatie. Terwijl het ene al afscheid neemt blijft het andere koppig doorgaan.
Ze horen bij de weggemoffelde generatie. Ooit waren ze wirkmeinsch, patatten en tomaten op een roe en vrijdags is ‘t de leste en dan drinken we ons allemaal zat. Nu kraken de botten, dan houdt het op. Opzij (x3) Maak Plaats (x3). In dure opslagplaatsen met melancholieke namen als RVT Avondzon of Les Orangeries laten we grijsaards vol wijsheid en ervaring verschralen als verlepte groenten. Af en toe mag nog een krasse knar komen excuustruzen op het scherm, een Zinzen of Van Cauwelaert of tot voor kort een Paula Sémer, in een laatavondprogramma waar geen hond naar kijkt. Alles van waarde wordt weerloos.

‘Mag ik,’ vraag ik.
‘Doe maar,’ zeggen ze, blijkbaar opgetogen. Een nieuw gezicht, een nieuw klankbord.
De eerste praat als een geestelijke, devoot en ingetogen. Hij lijkt een bescheiden man, trouw aan God en zijn tien geboden. Leefde een leven als stilstaand water. Zoals dat met stilstaande waters placht te gaan, is het moeilijk peilen naar wat krioelt onder het oppervlak. ‘Mijn leven was een heerlijk diner,’ vertelt hij, ‘mijn kindertijd een appetijtelijk voorgerecht, de hoofdschotel copieus en lekker en het dessert loopt zoetjes binnen. Ik had het voorrecht drie keer gelukkig te mogen zijn.’
De ander blijkt een globetrotter, wereldburger, selfmade en van vele markten thuis. Geamuseerd aanhoor ik zijn verwezenlijkingen: ondernemer, muzikant, schilder. Een vat dat bruist van kennis en filosofie. Overal geweest, alles gedaan, een erelint hier, een exotisch huwelijk ginder, op de foto met een beroemdheid daar. Genoeg herinneringen om een dik boek te vullen.

De mannen blikken graag terug over het pad dat hen naar hun levensavond heeft geleid. In hun ogen blinken weer de jongetjes van weleer.
Ik zit erbij en knik. Ik kan heel veel dingen niet, maar luisteren kan ik wel. Vragen stellen hoeft niet, de ene anekdote brengt een andere mee. Hun verhalen draaien rondjes, komen soms aan waar ze een half uur eerder vertrokken en beginnen dan opnieuw. Soms stokt het, moet ik helpen, dáár waren we. Soms laat een woord of naam zich raden, niet elke gedachte vindt nog even vlot een uitgang uit dat nevelige geheugen.

Kleine jongens op jaren zijn ze. We kregen les van een pater nog, zijn adem meurde naar zure wijn en sigaren. We leefden buitenshuis, deden belleketrek, haalden apenstreken uit. Vandaag beland je daarvoor bij jeugdzorg of strafrechter. Kreeg je straf op school, dan volgde thuis nog een extra draai om de oren bij. Jaja, echt, leuke tijden toen. Ze vertellen met weemoed in de stem. Over een frats op school en een kwaaie meester, de muur gedaan in het leger, buitengesmeten uit een café, aangepapt met het verkeerde meisje. Het leven een paternoster van staties klein geluk.

Maar, vraag ik dan toch maar, iemand moet de pret bederven, waren jullie dan nooit bang of triest of wanhopig? Jullie doorstonden woelige tijden, toch? Stakingen, mijnrampen, Praagse en Parijse lentes. Jullie overleefden oorlogen, warm en koud. Atoomwapens dreigden, de Russen gingen komen. Men schoot op presidenten en dominees. Mei ’68, de Muur in Berlijn, aanslagen en explosies, denk Rode Brigades, Baader-Meinhoff, de Bende van Nijvel. Kinderen werden zomaar van de straat geplukt en nooit meer teruggevonden. En zelfs nog vandaag, jullie zijn volle bak risicogroep en de wereld rukt extreem naar rechts.

‘Ach jongen,’ glimlachen ze, ‘die dingen doen er toch niet toe. Dat tumult waait altijd wel weer voorbij. Het zijn de kleine dingen die het doen. Uiteindelijk volg je de richtingaanwijzers van je hart, onontkoombaar. Daar kan geen koning of keizer wat aan veranderen.’
Hier en nu nog wel, denk ik.
Hout vasthouden dat het zo blijft.

Reacties

Voor

De speler

De wedstrijd kan alle kanten uit.

Zij zijn sterk. Het wordt moeilijk maar we hebben vertrouwen, we weten waar we ze pijn kunnen doen.

Mijn persoontje is niet belangrijk. Het teambelang staat voorop.

De coach

We spelen aan de buitenkant met twee wingers, in het midden geflankeerd door een kopbalsterke centrale verdediger. In het middenveld vijf middenvelders die zowel defensief als offensief denken en dan vooraan twee spitsen met een vrije rol. Tel daar de doelman bij en je hebt ons elftal.

We willen minstens een doelpunt scoren en achteraan de nul houden.

De jongens zijn klaar om te bijten in de bal. Ik wil overgave en grinta zien. De truitjes moeten nat vandaag.

Het resultaat is niet het belangrijkst. Het is de prestatie die telt.

Wij kijken niet naar de rangschikking. Wij focussen enkel op onszelf.

De analist

Een speler die op het veld staat, denkt niet aan die winstpremie.

Ze gaan spelen in een ruit, met de punt naar voren. Of naar achteren.

Hij neemt hier wel een risico. Je kan met deze veldbezetting winnen, maar je kan er ook mee verliezen. Of gelijkspelen, ook mogelijk.

Dat gras! Zag je hoe hoog het gemaaid is? En aan het halve maantje werd net nog gesproeid. Het wordt moeilijk noppen kiezen.

Rust

 De speler

We stonden goed.

Achteraan parkeren zij de bus. Dat is hun goed recht. Het is aan ons om oplossingen te vinden.

De tweede helft moeten we beter doen.

In de zestien missen we dat tikkeltje extra scherpte.

Bij die strafschop hadden we efficiënter moeten zijn.

De analist

Het balletje moet sneller rondgaan. Tiki Taka willen we zien.

Er is te weinig rust aan de bal.

De wil om te winnen, die is er niet.

De looplijnen zijn niet goed ingestudeerd.

We missen scherpte voor doel.

We moeten meer tussen de lijnen voetballen.

Hier gaat het goed tot aan de tweede zone.

Vind jij dan dat er voldoende diepgang is?

De hulpcoach

Onze kracht ligt in de omschakeling.

We moeten verticaler spelen.

We moeten het balletje vaker rondtikken en proberen in de ploeg te houden.

Met een doelpuntje tanken we vertrouwen en knokken we ons weer in de wedstrijd.

De wedstrijd duurt tot het laatste fluitsignaal.

Na

De speler

We hadden gehoopt hier de drie puntjes te kunnen rapen. Jammer.

De analist

Je moet het durven zeggen: er was te weinig kwaliteit vandaag.

Bij zulke fases moet je als spits meer kunnen doen.

Als je de beelden bekijkt zie je dat de VAR had moeten ingrijpen. Of vind jij van niet dan?

Het balletje rolde ook niet echt voor ons.

Het was allemaal net dat tikje minder.

Een overwinning zou het vertrouwen een boost hebben gegeven.

Als we ook volgende wedstrijd verliezen, zie ik het niet meer goed komen.

De coach

Ik wilde hem na zijn blessure toch minuten gunnen om ritme op te doen. Vandaar die wissel in minuut eenennegentig.

Het veld is in het nadeel van de voetballende ploeg. Op dit niveau kan dat niet, maar ik wil dat niet gebruiken als een excuus.

We mogen hem niets verwijten. Verdedigen doe je met het hele team.

De eerste vijf minuten zaten we goed in de wedstrijd. Toen liepen zij achter de bal.

Dan scoren zij en dan weet je dat het moeilijk wordt.

De drie tegendoelpunten waren zeker te vermijden.

We hadden gewaarschuwd voor standaardsituaties en stilstaande fases.

Er was inzet en intensiteit. Kwaliteit is er ook voldoende. Alleen, in de zestien hadden we niet genoeg honger.

Onze fans zijn de beste van de wereld. We missen ze. Met de steun van onze twaalfde man kunnen we altijd dat tikje meer.

Ik beschouw deze wedstrijd als een leermoment.

In het voetbal is de volgende wedstrijd de belangrijkste. Dat is die van volgende week.

Versoepelstress

Eerste hulp bij versoepelstress, kopt de website.
Ver-soe-pel-stress. Ik laat het woord even marineren op mijn tong. Het laat een smaakje na. Zo is de mens, als er geen problemen zijn, dan bedenkt hij er wel. Kijk daar, een hoofddoek.
Het is een pracht van een dag. Door het open raam stort de zon haar stralen in de kamer. Om mijn hoofd hoor ik, zoals in dat lied van lang geleden, het scherpe hoge zoemen van een mug. Op de radio is Rob de Nijs weer zestien en het meisje achtentwintig. Hoe oud ben je geworden als je vrouwen van achtentwintig meisjes noemt?

In het kapsalon scheert een ander meisje de winterdons uit mijn nek.
‘Weer helemaal nieuw,’ zeg ik.
‘Oud nieuw,’ lacht ze.
Die durft, denk ik, terwijl ik een meegaande glimlach op mijn lippen tover. Ik heb haar nog nooit eerder gezien maar het is geen dag voor gemopper. Zij is gewoon een vrolijk meisje van veertig, een tikje aan de zware kant maar uiterst bekwaam met schaar en tondeuse. Openhartig ook, haar man is loodgieter, ze heeft een dochter en ze wacht nog steeds geduldig op haar eerste vaccinatie. ‘Als we daarna ook dat mondkapje niet meer hoeven,’ zegt ze hoopvol.
He ja, denk ik, gooien we collectief onze kap over de haag.

Ik maak nog een ommetje langs het park. Er wandelen oma’s met kinderwagens, op het gras spelen jongens en meisjes een soort van honkbal. In het midden van het veld staat een slanke man die enthousiast aanwijzingen geeft. Net zoals je de getalenteerde voetballer er al na twee baltoetsen zo tussenuit haalt, herken je een gepassioneerde leerkracht na twee woorden. Nauwelijks nog een sprietje haar op zijn hoofd, maar zijn lichaam oogt nog altijd scherp als een mes. Hij strooit zijn enthousiasme uit over zijn leerlingen, een divers publiek, een jaar of zestien, de een in shorts en de ander in jogging. Ze dragen geen uniform, in hun ogen lees je nonchalante tevredenheid.
‘Mijnheer,’ zegt er een, ‘u moet zelf ook lopen, anders kunnen we niet winnen.’
‘Je hebt gelijk,’ antwoordt de leraar. De jongen kijkt tevreden. Deze leraar maakt zijn dag.

Naast het speelveld keuvelen twee vrouwen op het gras. Af en toe zegt een van hen iets tegen een meisje waaraan je van ver kan zien dat ze niet met honkballen haar brood zal verdienen. Ik wil de dames toeroepen: zit daar niet te zitten, beweeg met dat lijf. Mijn hoofd wordt bevolkt door Nederlandstalige zangers. Speel toch mee, wil ik ze aanmoedigen, smijt je tussen team honkbal. Leerlingen vinden dat fijn en later pluk je daar in je lessen de vruchten van. Gezagsdragers laten veel te weinig merken dat zij ook maar gewone mensen zijn. Een beetje relax met elkaar omgaan, politicus en burger, agent en demonstrant, leraar en leerling, daar wordt de wereld vast niet slechter van.

In de winkelstraat kijken vrouwen naar zichzelf in etalages. Ze dragen shorts of een jurk en bloezen zonder mouwen. Ook de mannen hebben zich in korte broek gewrongen, soms tegen beter weten in. De streekbieren en pindanoten tijdens de lange winteravonden zijn duidelijk nog niet geheel verwerkt. Op een bepaald tijdstip in de geschiedenis heb ik een trein gemist, denk ik, terwijl ik me vergaap aan uitbundig getatoeëerde schouders, polsen en kuiten. Ik ben de Laatste der Tattoolozen. Smaken en kleuren, tja.

Het woord versoepelstress speelt op. De aangekondigde vrijheid werpt haar schaduw voor zich uit. Ik weet niet goed wat ik me erbij moet voorstellen. ‘Daar komen ruzies en conflicten van,’ beweert een psycholoog. Met bezorgde blik de toekomst voorspellen is ook een verdienmodel. Ik prijs me gelukkig. Er is geen reden voor nervositeit, van welke aard dan ook.
Het is bijna 9 juni. Dan mogen de teugels los. Ik denk aan mijn broer die op 9 juni jarig was maar het nooit meer zal worden. Je zou hem die dag, net als de meeste andere dagen, zeker hebben gevonden aan de toog of op een terras, sigaret in de hand, bierglas halfvol.
Zou hebben, het zal niet meer gebeuren.
Op die dag van de vrijheid drink ik wel voor twee.
Geen stress.

Alzo sprak Bob

Bob Dylan werd tachtig deze week en dat mocht gevierd. Dylan hier, Dylan daar, Dylan overal. Men draaide liedjes waarvan je geen letter verstond, declameerde aforismen en diepzinnigheden van zijn hand, deelde anekdotes en herinneringen. Fans lazen brieven voor, zongen lof in en buiten elke toonaard, het was een dag van Kumbaya en Halleluja. Het leek wel een elegie, als vertoefde Mr Tambourine Man niet langer onder ons.

Dacht men bij Radio 1, tachtig, dat scheelt nog slechts een reutel met de dood? Die attitude vonden wij misplaatst. Typisch Main Stream Media.
Bij De Schrijverij beschouwden we het als onze plicht om de Nobelprijswinnaar ook zelf aan het woord te laten. Probleem: de immer neuzelende bard bleek even onvindbaar als een para in een Limburgs bos. Getob, gepeins, gepieker. Wat te doen? Tot plots de gloeilamp in ons hoofd begon te eh, gloeien. We zochten een Bob? We kenden er genoeg. Als we Bob onze autosleutels kunnen geven, dan kunnen we Bob ook spreken. Als Bob kan rijden, kan Bob praten ook. Aldus zochten we een Bob en stelden we hem enkele pertinente vragen over leven en welzijn.  

Mijnheer Bob, gefeliciteerd. Hoe voelt u zich, in deze toch wel merkwaardige tijden?

Goed, dank u. Tja, ik heb het geloof ik eerder al wel eens gezegd, The times, they are a-changin’, nietwaar? De wereld staat nooit stil. Hij slingert heen en weer, toen ik jong was naar links, nu weer naar rechts. Ik zou zeggen, Like a rolling stone, haha.

Veel mensen vinden dat niet prettig.

Tja, wie niet als een steen wil zinken, zal moeten zwemmen. Veranderingen dwingen je tot nadenken. Over je waarden, over je keuzes. Voor zolang het duurt, want de verliezers van vandaag zullen morgen weer de winnaars zijn. Op je tachtig heb je alles al wel eens gezien. Een mens past zich vaker aan dan hij zelf doorheeft.

De mensen zijn kwaad.

Nieuw is dat niet. Denk aan de Golden Sixties, Black Lives Matter was er zestig jaar geleden ook al. Mensen protesteerden. Denk aan de marsen tegen de Vietnamoorlog, de bomaanslagen in de seventies, de demonstraties tegen de nucleaire wapens in de jaren tachtig, noem maar op. Er is altijd een roep naar Changing of the Guards. Woede is een valabele emotie die er gewoon bij hoort, net als liefde.

Die woede uit zich vaak in agressief en bruut verbaal geweld op sociale media.

Tja. Dat hadden wij natuurlijk niet. Wij hadden een blad papier en een gitaar. Maar verplaats u in de man in de straat. How does it feel, to be on your own, with no direction home, a complete unknown? Misschien staan wij daar niet genoeg bij stil. Hij voelt zich niet gehoord. Over het hoofd gezien. Aan de kant geschoven. Tekortgedaan en gefrustreerd. Zijn tijdlijn is zijn ventiel. En aan zijn klavier schuwt hij de harde woorden niet, hij spuwt ze uit, zonder spoelwater in de mond. Ah, het brengt mij zo hard terug naar mijn jonge jaren.

Valt dit klimaat nog om te buigen?

Je kan twee dingen doen. Je kan Knockin’ on Heaven’s Door en hopen dat iemand opendoet. Maar dat is toch enigszins een gok. Daarom zeg ik: Everybody must get stoned. Het lost misschien het probleem niet op, je bent er wel voor even van verlost.

In ons land wordt een viroloog met de dood bedreigd. Terwijl hij met zijn gezin moet onderduiken, sluiten vijftigduizend mensen zich aan bij een steungroep voor zijn belager. Wat moeten we daarvan vinden?

Niets. Niemand kan u verplichten ergens iets van te vinden. Maar weet je, hij doet me denken aan Rubin Carter.

De Hurricane!

Precies. The man the authorities came to blame. Mensen hebben een zondebok nodig. Alles is anders nu. In mijn tijd werd je ziek en dan zei de dokter: ‘Virusje. Medicijntjes en hup.’ Je slikte wat je kreeg en nam er voor de zekerheid nog een pilletje bij. Algauw was je weer de frisse knaap. Maar nu? De overheid bepaalt je hele doen en laten. We moeten inleveren op onze vrijheid. En op wiens advies?  Precies. De viroloog. Maar wie is dat, wat drijft hem, wat doet hij? Is dat viroliegen? Virolodelen? Virolameren? Geen hond die het weet.

Raken we hier nog uit?

Het antwoord op die vraag, mijn vriend, is blowin’ in the wind.

Wat denkt u?

Ik geloof sterk in de kracht van de verbeelding. Stel u voor, geen hemel, geen hel, geen landen, geen religies, geen bezit, geen hebzucht, niets om voor te doden of te sterven. Ha, Imagine.

Euh, excuseer, mijnheer Bob, zijn dat niet woorden van John Lennon?

John wie? Och, weet u, mijnheer De Schrijver, woorden zijn van niemand en iedereen. Ook deze hadden ook zomaar van mij kunnen zijn!

Hemelvaart

‘Er is een spookrijder gesignaleerd, gelieve uiterst rechts te blijven,’ zei de mevrouw op de radio.
Het klonk wrang, een gewaagd advies op een ogenblik dat halve legers een klopjacht hielden op een doorgedraaid en tot de tanden bewapend sujet van extreemrechtse signatuur.
Het figuur zou schuilen in het bronsgroen eikenhout waar het nachtegaaltje zingt. Bronsgroen overigens, vind ik een mooi woord, het klinkt solide en betrouwbaar en doet aan kabouters denken.

Niet langer dan een week geleden fietsten wij doorheen diezelfde uitgestrekte Limburgse bossen. Het was Hemelvaartweekend, van oudsher mijn op een na favoriete schoolvakantie. Dit jaar wilde het weer niet mee, maar doorgaans is Hemelvaart een vierdaagse van opklimmende temperaturen, shorts en T-shirts verjagen jeans en trui, luie lichamen ontwaken uit de winterslaap, de lucht barst van frisse en groene energie.
Hemelvaart, weekend van metamorfose, einde en begin. Zo ook bij de echte JC, tweeduizend jaar geleden: “Na deze woorden zagen ze dat Jezus werd omhoog geheven. Een wolk nam Jezus mee en die verdween uit hun gezicht.” (Handelingen 1:9) Men wist tenminste waar hem te vinden.

Ik houd van Limburg.
De Limburger is een minzaam man, vriendelijk, geduldig en immer goedlachs. Ik kan het weten, ik ben er zelf een en geloof mij, niemand heeft meer geduld met mij dan ikzelf. De provincie is groen en dooraderd met honderden fietskilometers en wandelwegen, de lucht gezond en vol van dansend paardenbloempluis, op de velden wiegen weelderige gele brem en boterbloemen, je ademt er poëzie.
In het herentoilet van het campingrestaurant zag ik een briefje, aan de spiegel bevestigd met doorschijnende tape: “We leggen het vertrouwen bij u om geen reinigingszeep en handdoeken mee te nemen.” Ik werd er prompt gelukkig van. Het gevoel van een Thaise massage, een weldadige gelukzaligheid. Vertrouwen krijgen van een anonieme autoriteit, het moet geleden zijn van toen de dieren nog spraken. Iemand die zegt Doe Maar en niet je moet dit, dat mag je niet, we gaan streng handhaven en harde aanpak blablabla, maar een eenvoudig we rekenen op u dat het goed komt. De omknellende kettingen van het laatste anderhalf jaar werden in een wolk omhoog geheven en verdwenen uit het gezicht.

Wij groeiden op onder ijzeren dril, je zou ervan gaan doordraaien: knoop je jas dicht doe een das om was eerst je handen kam je haren recht je schouders denk aan je tanden blijf niet hangen recht naar huis toe spreek met twee woorden stel je netjes voor eet zoals het hoort en zeg u. We Deden Maar, deze batterij aan goede manieren bood ons voldoende wapens om de resterende tachtig jaar door te spartelen. Niemand van ons hield ooit voor mogelijk dat we zelfs ruim voorbij de zestig nog altijd niet zelf de krijtlijnen van ons private leven mochten tekenen, als blind vee dienden te gehoorzamen, voor het donker thuis, kus niet schud geen handen, betreed winkel of terras uitsluitend met mombakkes.
Ik waste mijn handen in het net verkregen vertrouwen en plaatste de reinigingszeep weer netjes op het schabbetje, een handdoek helaas kon ik zo gauw niet vinden. 

Toen moest ik weer denken aan die andere Hemelvaartfietsvakantie, vier jaar geleden. De dagen leken voorbode van een warme zomer, we trapten ons in Zeeland door de westenwind. Doch. Van het Zeeuwse landschap zag ik niets, ik rook geen zee, proefde geen zout, voelde warmte noch kou. Ik beleefde, ondanks de willige zon en het opbeurende humeur van mijn naasten, vier donkere dagen, de donkerste Hemelvaart ever, donkerder nog dan de huidige dagen van wind en regen. Ik herinner me van onze honderd kilometers lange tocht alleen nog de conclusie: ik ga niet meer terug.
Niet meer terug naar de plek waar ik haast veertig jaar het beleg op mijn boterham had verdiend. Net als Jezus zou ik mij door een wolk laten optillen en uit het gezicht verdwijnen. Een donderwolk weliswaar, het werk was immers nog niet af, de doelen nog niet bereikt. Er was gezaaid maar nog niet geoogst, de boodschap verkondigd maar nog niet overal gehoord.

Struikelblok waren hier de wetten, ongeschreven weliswaar, van de lerarenkamer. Het ons kent ons, de fake en misplaatste collegialiteit, het misprijzen voor de kansarme, misplaatst machtsgebruik, de intriges en achterklap en voorgewende vriendelijkheid. Surrounded by strangers I thought were my friends, I found myself further and further from my home.
Boven het maaiveld zwaaien scherp gewette zeisen. Ik denk er nog vaak aan maar praat er weinig over, er is al genoeg geween en tandengeknars.
Burn-out, zei de psycholoog. Opgebrand. Alles geblakerd en zwart.
Nu weet ik dat het klopt: once black, you never go back.

Mijn Lieve Gunsteling

Je lag die halsstarrige zomer als een kalf in stuitligging in de kraamkamer van mijn verziekte verlangens …”
Hopla, hier gaan we weer, denk je meteen al op pagina 1. Voor je verder gaat nog even de zuurstoffles binnen handbereik zetten want een Rijneveld, dat weet je, laat je weleens naar adem happen.
Nochtans, ter voorbereiding had het boek wekenlang op de plank mogen rijpen. Zodat we aan elkaar konden wennen, samen op temperatuur komen. Omdat ik fan ben, las ik eerst ook enkele interviews met de veelvuldig bejubelde auteur.

Ik wist dus vooraf welke attributen het leven haar had toegeworpen.
Marieke Rijneveld groeide op in een Hollands boerengat onder alziend oog en eeuwige toorn van God. Die gaf afwezig toen haar broertje verongelukte en liet toe dat pijn en gemis een tweewoonst bouwden in haar hart.
Vriendjes maken viel haar moeilijk. Op school werd haar weleens pesterig gevraagd of ze nou een jongen of een meisje was. Daar wist ze niet zo gauw antwoord op. Misschien een beetje allebei? Voor de volledigheid plakte ze bij het oorspronkelijke Marieke toch ook maar Lucas tegenaan. Engelstaligen verwijzen naar haar met they.
Als tiener werd ze misbruikt, door een docent. In haar alleenheid dromend van roem en faam liet ze zich vaak denkbeeldig interviewen door Matthijs van Nieuwkerk. De wereld draaide uiteraard door, in haar hoofd verschafte een Herberg van Verbeelding onderdak aan haar fantasieën. Daar kon ze ook haar angsten een kamer toewijzen, “bang om alles kwijt te raken, bang om dood te gaan, bang om te leven, bang om niet gezien te worden, bang dat ik mensen teleurstel, bang dat ik mezelf teleurstel.

Haar dichtbundel ‘Kalfsvlies’ viel prompt in de prijzen.
Daarop volgde internationale erkenning voor haar romandebuut, ‘De Avond is Ongemak’. Een pijndoende vertelling over een verongelukte broer, lijdende ouders, eenzaamheid, barbaarse kinderhumor en een God die op alles antwoord weet maar niet op verschroeiend verdriet. Er is ook nog een veearts die wat schimmig door het beeld schuift. (https://desprekershoekvandeschrijverij.blog/?s=de+avond+is+ongemak).

In ‘Mijn Lieve Gunsteling’ treedt die veearts uit de mist, vergezeld van dezelfde terugkerende demonen: de broer, de in zichzelf verzonken vader, een meisje dat een jongensgewei begeert, niet om te ontvangen maar om te hebben. Nevenpersonages in de biecht van een man van negenenveertig die hunkert naar een meisje van veertien.
Ik was geobsedeerd. Ik zat zo diep in de veearts, dat ik hem soms wàs”, vertelt de schrijfster. Dat kan niet een fijn gevoel zijn geweest.

Het ongemak in Mijn Lieve Gunsteling overspant een hele zomer, “dat steilorige hoogseizoen”.
Er staan maar twee of drie punten in elk hoofdstuk, zo bang was ik om te stoppen en het verhaal te verliezen,” legt ze uit.
Resultaat: een wervelwind van woorden, hoofdstuk na hoofdstuk, elke zin een pulserende hartenklop, elke gedachte pompt en stuwt, jaagt je met zweepslagen vooruit, steeds dieper zink je samen met de veearts weg in de gierput van zijn perverse geest, als je niet uitkijkt verlies je jezelf, tuimel je er zo in, ik kan hem zelfs begrijpen denk je, dat benauwende dorp, dat rare meisje dat gesprekken voert met Hitler en Freud, dat Kurt Cobain op handen draagt en geobsedeerd is door de penis van zowel een otter als een knaap, misschien liever een jongen wil zijn maar onweerlegbaar een ontluikend meisje is, zo onschuldig dat je er verliefd op wordt, liefde kent geen leeftijd, natuurlijk niet, en ook de veearts is beschadigd, door eigen duivels op sleeptouw genomen, zo vergoelijkt hij zijn daden, je voelt ook met hem terwijl je natuurlijk ook beseft, gelukkig maar, zij is de vlieg in zijn woordenweb, hij verleidt, manipuleert, stuurt tot hij de controle verliest.
Ober: zuurstof!

Kunst kan wellicht niet de wereld redden, een wonde balsemen moet toch lukken. Maar dit boek is geen zalfje. Wat moet het krioelen in dat hoofd! Weer gaat Rijneveld op zoek in haar donkerste krochten, waar sarren en geesten samenklitten. Ze schuurt oude wonden met grove korrel, sluipt met enerverend geduld in brede cirkels naar de etterende kern, van buiten naar binnen, wax on, wax off. En jij, arme lezer, puft en snakt naar nog want hoe goor ook, je wil alles weten, van naaldje tot draadje, al weet je dat er misschien meer is dan je kan hebben. Het is een biecht vol weerhaken, die afschuw oproept en weerstand, openhartig, zonder genade, met woorden en beelden die beklijven en je raken in je ziel.

Wat een weergaloze vertelling!
Zegt de schrijfster: “Het is goed dat ik bij honderdduizend woorden ben gestopt. Ik weet niet hoe lang ik dit had volgehouden.”
Ik ook niet, dacht ik. Hoe lang kan een mens zonder adem?
Tijd voor stapschoenen. Er moet een hoofd leeg gemaakt, frisse lucht gehaald.
Er zit een boek onder mijn huid.