Blog

De terugkeer van Darkwing Duck

          Groot feest vandaag!
          Slingers aan de lampions, confetti op de vloer, bubbels in het glas, kreeft en oesters en toast met kaviaar. Volgens officiële telling leest u op dit ogenblik de zegge en schrijve tweehonderdvijftigste publicatie in uw favoriete Sprekershoek. Jezus Mina Jozef man! Tweehonderdvijftig!
          Edoch. Geen polonaise ten kantore hier. Geen orkest speelt hier ten dans. Wij hebben onze twijfels. Wij kunnen vergeven ja, vergeten helaas kunnen wij slecht.

          Er is dat ene stukje, nergens nog te vinden, dat op dit jubileumfeest toch weer de kop opsteekt. Destijds moest het gedumpt, verwijderd, weggevaagd als een dorp door een hoos. Wellicht herinnert u zich dat niet zo maar wij, wij weten nog.
          Darkwing Duck heette het, naar de eend der wrake uit de wereld van Walt Disney toen de kinderen nog konden blij gemaakt met een surprise-ei en een half uurtje later pas naar bed. Darkwing Duck, de dreiging die flappert door de nacht, het stinkdier dat de lucht vervuilt, de vlek die nooit verdwijnt.

          Aanleiding was een boek. Een gewezen omroepster van de Vlaamse Televisie schetste een portret van de arbeidsvloer waarop zij zelden vrolijk had gedanst. Ze bezigde daarbij woorden als verziekt, rot en tragisch. Haar collega’s noemde ze bronstige bonobo, bunzing of hysterisch. Dat viel slecht in de pers en keerde als een boemerang weer in haar gezicht. Men noemde haar verbitterd, rancuneus, een natrappende nestbevuiler.
          Mocht ik over de plek waar ik de meeste dagen van mijn leven sleet ooit wat te vertellen hebben, zo zette ik in De Sprekershoek, ik zou het anders doen. Ik zou – voorwaardelijke wijs – een dorp verzinnen en dat Fostran noemen. Fostran, dat is Zweeds voor onderwijs. Dat dorp zou in Elkland liggen. Elk Land. Een onbestaand dorp in een onbestaand land, welkom in de wereld van de fictie, zo dacht ik naïef. Fictie. Fictief. Verzonnen. Ach, hoe jong en goedgelovig was ik toen.

          In de dorpsschool van Fostran zou een nieuw schoolhoofd vegen met een stel nieuwe bezems. Zij liet zich daarbij bijstaan door valse vazallen en uitgekookte assistenten. Gewone luiden beklijven niet in literatuur, daarom bedeelde ik mijn personages met een extra aardigheid. Naast de troon een vileine adviseur, een slechterik belust op macht, die ik boetseerde naar beeld en gelijkenis van de butler Anatool uit de strips van Jommeke. Ook altijd in de buurt een op Theo Francken lijkende brulboei, veel blabla zonder boem boem. Voor de holder en de kolder daarbij nog twee olijke drinkebroers, een o my god-mevrouw die in elke mug een olifant zag en een nar zonder specifieke functie.
          In het plot zou ik mijn personages dingen laten doen die in het echte leven echt niet kunnen: snoepreisjes maken tijdens werktijd, enigszins aangeschoten aan de arbeid gaan, natuurfilms analyseren waarin mijnheren en mevrouwen zonder kleren acrobatisch gymnastiek proberen. Het bijna ongelooflijke geloofwaardig maken, dat leek mij literatuur. En tegelijk ook met een kwinkslag en een knipoog wijzen op wat beter kan.  

          Het schrijven van dit kolderiek verhaal in voorwaardelijke wijs zou mij helpen te verwerken, dacht ik toen. Na bijna veertig jaar was de intense relatie met mijn eigen werkplek als een schip op drift onverwacht en ongelukkig tegen de klippen aangeknald. Dat deed pijn. Heling had ik nodig. Closure, zoals dat modern heet. Het bord moest schoongeveegd opdat een nieuwe wind zou kunnen waaien en een nieuw verhaal geschreven.
          Dat leek aanvankelijk ook te lukken. De statistieken van de Sprekershoek piekten hoger dan de kathedraal. Veelvuldig werd het stuk gelezen en gedeeld. Bijval, knipoog, schouderklop. Tot plots, het komt als je het niet verwacht en er is niets tegen te doen, het tij keerde. Hoe merkwaardig het ook klinkt, in sommige personages meende men zichzelf te herkennen. Hoe kon dit? Schemerde dan door mijn verzinsels toch een zweem van waarheid? Smaad en laster werden mij verweten. Met represailles werd gedreigd, dreigmails kreeg ik toegezonden, anonieme telefoons. Ruïneren zou men mij, schade zou ik vergoeden tot ik dood zou bloeden. Voor de rechtbank zou men mij slepen, uit mijn ambt ontzetten zo men kon. Niet alleen mijn trots en eer, ook mijn opgebouwde rechten voor de oude dag stonden hier op het spel.

          ‘Kunnen die mensen dan niet lezen,’ vroeg ik mijn advocaat, ‘dit is toch allemaal verzinsel!’ Daarover sprak de man geen woord. Wel hield hij voet bij stuk dat hij voor elke interventie in dit onsmakelijk dossier de onwrikbare som van zevenhonderd knotsen factureerde, waardoor mijn appel voor de dorst alreeds verteerd zou zijn voor ik er met mijn tanden nog maar de eerste beet had in gezet. Dat bezegelde mijn lot. Zeer tot mijn spijt en gans tegen mijn wil boog ik het hoofd en verwijderde het verhaal uit de publieke ruimte.
          Weg heling. Weg closure. Bleef over: een letsel dat niet genezen wou.

          Het is niet waar wat mensen zeggen, tijd heelt echt niet alle wonden. Wat toen gebeurde zeurt en zaagt ook nog vandaag, knaagt als een rat wiens honger nooit gestild geraakt. Blijft me achtervolgen, als een dreiging die flappert door de nacht. Als een stinkdier dat de lucht vervuilt. Als een vlek die nooit verdwijnt.
          Tweehonderdvijftig stukjes in De Sprekershoek.
          Tweehonderdvijftig. Plus één.
 

Die Mooie Zomer

Oh Oh Oh
Wat voelt het goed om weer bij u te zijn.

          Wat wil ik u graag vertellen over die lange, mooie zomer die alweer traag doch gestaag richting herfst glijdt. Over mooie reizen, avonturen en malheuren, wijn en oesters en la dolce vita. Over zon, zee, strand en een wereld zonder zorgen.
Helaas. Ik kan het niet.

          Over waar ik zoal ben geweest. Over wandelen en fietsen langs de oevers van de Vecht. Over de molens op de oevers met hun malende wieken. Over reigers in het riet, glinsterend twinkelend water met daarop juffers die een salsa dansen. Over de tuinen en kastelen in het Gooi. Over het Duitse Düsseldorf, haar knusse Altstadt warm als een vrouwenschoot, haar tijdloze kunstcollectie, haar Bourgondische keuken. Over klauteren op de rotsen in de Alpen, elektrisch MTB-en in echte bergen, wandelen door zwarte bossen naast een klaterende waterval op het ritme van vrolijk vogelzang. Over mijmeren en praten, filosoferen en lameren en soms ook stilletjes zwijgen. Over mensen op je pad en de dingen die voorbijgaan.
Het spijt me. Het lukt me niet.

          Over wat ik in die maanden heb gelezen nu er weer de tijd voor was. Over die dichter die de wereld wou veranderen en dat ook een beetje deed, Paul van Ostaijen, dat meesterlijke werk van Matthijs De Ridder. Over de Dagboeken en Notities van Patricia Highsmith of hoe getroebleerd, getormenteerd een schrijversleven wel kan zijn. Eer en glorie komen niet vanzelf. Ook vijftig, honderd jaar geleden leden lieden aan de kunst en aan de wereld. Roken, drinken, fladderen en vlinderen, nooit en nergens ergens rust. Geen oase in je hoofd waar je heen kan gaan, wanneer je reist, reizen je besognes met je mee.
          Over schoonheid wil ik praten, beloken erotiek en een liefde die niet mogelijk is, De Dood in Venetië, die stilistische novelle van Thomas Mann en hoe gekeerd de tijdsgeest is. Kan dat nog vandaag de dag, in de literatuur je liefde voor een jonge knaap belijden? Hoe fijn zou het zijn samen met u daarover een boompje op te zetten.
Het kan helaas niet zijn.

          Wat zou ik me graag met u vrolijk maken over die invasie van die olifanten in dat heerlijke Het Geschenk van Gaea Schoeters. Wat een mooi en goed bedacht verhaal! Of hoe wij hier ten Westen van de wereld denken alles alsmaar beter te weten dan de ander. Wij het grote gelijk, wij de correcte levenswaarden en zij, zij niet. Tot blijkt, ook hier weer dwalen wij, zoals we dat wel vaker doen.
          In De Schönwalds stelt Philipp Oehmke ook een vraag: iets niet zeggen, is dat liegen? Heeft niet ieder recht op ten minste één geheim? Ik vraag het voor dat meisje dat een winkel opent met geërfd nazigeld. Of toch naar men meent te weten. Laat je oude koeien beter in de sloot? Is alle kennis relevant, moet eenieder altijd alles weten? Sowieso had ik daar graag op een augustusavond bij een gebraden boutje en een fijne Chardonnay uw en mijn gedachten gedeeld.
Alleen, dat kan nu even niet.

          De bomenkap. Dat miserabele Anderlecht. De fratsen van die Trump. Jeuk op je rug waar je net niet bij kan. Die slecht gespeelde komedie van presidenten en wereldleiders die doen alsof ze iets aan het doen zijn. Spieken op examens. Chat GTP. Ik kan nog wel een tijdje doorgaan zo, mocht dat alles ertoe doen.
Dat doet het echter niet.

Het is dat ene beeld.
Die foto van dat kind.
Dat hulpeloze kind. In die veel te grote handen van die radeloze moeder.
Dat kind. Je hoort het krijsen van de honger, de ogen leeg en zwart als het graf dat wacht.
Dat beeld. Dat kind.
Je kijkt er zo doorheen. Knoken en beenderen in een vlies van vel.
Je kan de ribben tellen, met het blote oog. Zelf heeft het daar de kracht niet voor. Zelf zal het ook nooit tellen leren. Er zijn niet langer scholen in die stad. Er is geen 1 september, geen nieuwe juf. Niet voor dit kind.
Dat beeld. Dat kind.
En een wereld die ernaar kijkt en niets aan doet.
Daarover moet het gaan.

Kutmug

          In mijn ogen was mijn oma altijd oud. Gekromd door de klappen van het leven sleepte zij zich steunend op een houten stok door het bestaan, onophoudelijke motregen in haar blik. Ik was een beetje bang van oma en ik hield van haar. Nooit verhief zij haar stem. Geduldig, traag en wijs droeg zij haar lot. Vloeken deed zij nooit. Mijn oma was een dame, statig, trots, waardig en beschaafd.
          ‘Je vangt geen vliegen met azijn,’ leerde ze ons. Dat je makkelijker het verschil kan maken niet door wat je zegt maar door hoe je het verwoordt. Daar moet ik steeds aan denken wanneer in een Amerikaanse film de held ontslagen wordt: ‘Je bent ontslagen. Op staande voet! Eruit, nu, voor ik je met een trap onder je gat de deur uitschop!’ Bij ons in Europa gaat dat meestal toch fijnzinniger: ‘We zijn bang dat we je moeten laten gaan. Dank voor je inzet. We wensen je het allerbeste in je verdere loopbaan.’
          Andere cultuur, andere zeden, zeg maar.

          In gedachten zat mijn oma mee te kijken naar dat interview met de Amerikaanse president vlak voor hij het vliegtuig op ging stappen dat enkele uren later zou gaan landen op nauwelijks honderdvijftig kilometer van mijn voordeur, ik tintelde haast bij de gedachte de machtigste man ter wereld bijna aan te kunnen raken. Die opwinding vloeide sneller weg dan afwaswater in de gootsteen toen ik hem hoorde zeggen: ‘They don’t know the fuck what they are doing,’ vrij vertaald: zij hebben geen neukend idee van wat ze aan het doen zijn. Naar mijn smaak kreeg in deze zin het substantief een bijvoeglijk naamwoord dat er niet geheel bij past. In mijn hoofd hoorde ik ook mijn oma zuchten. Een tikje vulgair, toch? En ook dat rode petje stoorde me een beetje. Op de school waar ik werkte, een flinke tijd geleden intussen, ik weet het, was het leerlingen verboden een petje te dragen.
          Andere tijden, andere zeden, zeg maar.

          Presidentiële woorden reizen sneller rond de wereld dan de Air Force One. Nog terwijl de wereldleider zich tussen de wolken de nek liet epileren en de oren waxen, verkleedde de grote baas van het grootste militaire apparaat in onze wereld zich in een klein meisje dat in het gevlei wil komen bij de oude vieze oom die haar in een goede bui bij zich op schoot trekt en snoepjes geeft en op een kwade dag met een pets op de billen de hoek in duwt.
          ‘Mijnheer de President, stuurde hij, gefeliciteerd met dat bombardement, een daad die enkel en alleen u aandurfde. Er komt nog meer: allemaal gaan we zwaar betalen voor de wapens die u ons verkoopt, ook dat zal geheel en al uitsluitend uw overwinning zijn.’
          De president voelde zich de mooiste, de beste, de bovenste beste. Zijn neus ging ervan krullen. Prompt stuurde hij ook dat bericht de wereld rond. Fuck privacy, moet hij presidentieel hebben gedacht.

          Samen keken oma en ik de volgende dag naar het persmoment van beide belangrijke heren. Vanzelf gingen mijn tenen nog krommer krullen. Zelfs oma wond zich op: ‘Dit is niet langer vliegen vangen met stroop, dit is glijmiddel voor je-weet-wel,’ mompelde ze in mijn hoofd, ‘soms moet papa lelijke woorden zeggen, hoe ranzig moet het nog worden?’ Ik was het met haar eens. Het kleine meisje en de vieze oom schurkten nu wel heel erg dicht tegen elkaar aan. Niets mooier dan twee mensen die elkaar erg graag zien, toch voelde het lichtelijk gênant mannen op leeftijd in blauw maatpak elkaar zo openlijk onbeschaamd hun liefde te zien belijden.

          Toen sloeg ik me met platte hand veel te hard op mijn rechterslaap.
          ‘Stomme kutmug!’ riep ik uit. Oma schrok op, het leek of het achter haar ogen nu volop zou gaan regenen. Beschaamd boog ik het hoofd: nu deed ik het zelf. Ook vorig weekend toen het strand genadeloos onder mijn voeten brandde,  klotezand had ik geroepen.
          Een neukend idee, kutmug, klotezand.
          Wat is er mis met ons? Wanneer we dingen niet leuk vinden benoemen we ze met geslachtsorganen of woorden die verwijzen naar het bedrijven van de liefde. Je hoort het duizend keer per dag. Klotebaan, kutminister, kuttekop, klootzak. Nooit bedoelt men daar iets lieflijks of lekkers mee. Bij kutweer denk je niet aan een wandeling in het park, je denkt aan regen, ijzel, bitter kou. Bij klote-auto verschijnt niet voor je geestesoog een Bugatti Mistral of Rolls-Royce Sweptail, eerder zeg maar een Lada of een Skoda. Ik heb er neukend genoeg van betekent ook niet dat je tussen twee vrijpartijen door aan een kwartiertje rust toe bent.

          Waarom we dat doen, weet ik niet en begrijp ik niet. Net als u weet ik over enkele dingen weinig en over de meeste dingen niets. Het aan mijn oma vragen kan niet meer en bovendien, oma sprak een andere taal, statig, waardig en beschaafd.
          Soms wou ik dat mijn fucking oma nog bij ons was.  

De nar

          Het is de taak van de nar de koning te vermaken met grappen en grollen, verhalen en muziek, acrobatiek en goocheltrucs. Anders dan de andere hovelingen is hij vrij van spraak, hij mag zeggen wat hij wil, soms zelfs de waarheid, zonder daarbij te moeten vrezen dat zijn hoofd van zijn romp gescheiden wordt.

          Zoals elke dag liet ook deze ochtend de nar zich wekken door de haan. Hij rolde uit de bedstee, waste met ijskoud water de slaap uit zijn ogen en zette zich bezield aan de werktafel voor het kleine uitkijkraam. Hij wilde vandaag iets extra aardigs bedenken, iets dat de koning werkelijk vrolijk stemmen zou. De tijden waren bar, de sfeer aan de dis te snijden, donkere wolken van onheil en oorlog klitten samen boven het koninkrijk.
          Met de fijnste ganzenveer al in de hand draaide hij de zandloper om. Nog voor de laatste korrel de bodem zou bereiken, zou zijn taak zijn volbracht.  De nar wist immers goed welke kronkels de geest in deze korte spanne tijds kan maken, welke verbanden hij legt tussen gisteren en vandaag, werkelijkheid en fantasie, diepe ernst en je reinste kolder.

          De zandloper liep. De nar wachtte. De woorden echter kwamen niet. De hand bleef roerloos, het perkament onbeschreven. Hoezeer hij ook probeerde, geen woord schoot hem te binnen, geen kiem van een gedachte, geen begin, geen midden, geen slotakkoord. Soms schreef een verhaal zich haast vanzelf, vandaag gebeurde helegans niets.
          Lijd ik aan een Writer’s Block, vroeg de nar zich angstig af, voor een artiest een diep doch nauwelijks waarneembaar lijden. Het zou een goede zaak zijn mochten troubadours omstreeks de kerst rond deze ongekende kwaal een warme week organiseren, dacht hij er verbitterd bij. Intussen raakte hij niet verder dan een vette punt aan het begin van wat een zin had moeten zijn.

          Wat is er toch loos met mij, vroeg hij zich ontredderd af. Ik wil wel maar ik kan niet. Mijn gedachten stroppen, de inspiratiebron blijft droog, waar zit de dam in mijn ideeënstroom?
          Tijdens de vele decennia aan het hof had de nar een hoop ervaring bij elkaar gegaard. Hij wist, als je niets verzinnen kan, schrijf dan neer wat door je hoofd schiet. Dan verbrokkelt vanzelf de blokkade, gaan weer spontaan de vingers tintelen, het bloed stromen, de geest gisten.
          Zonder verder denken kribbelde hij enkele eerste woorden.
          J’en ai marre, las hij verbaasd. Schreef hij nu ook al in het Frans? Ik ben het beu. Hij zoog de woorden in, liet ze weken diep in hem als boontjes in een weckpot. Ze lichtten op in zijn hoofd waar Ratio en Rede samenwoonden, beroerden zijn hart waar Amor en Empathie de sponde deelden.

          Eureka, riep toen de nar als waande hij zich een oude Griek in bad. Zonder verder dralen greep hij een vel nog maagdelijk blank, doopte de veer in inkt zo zwart als git en schreef:

          Hoogedele Heer

          Ik weet, ik ben maar een onooglijke nar. Een clown. Een potsenmaker. Geen hooggeleerd filosoof ben ik, geen expert in wat dan ook, geen intellect dat over alles en nog meer een mening heeft. Men nodigt mij niet in debatten, naar mijn gedacht wordt niet getaald. Ook mijn stem wordt niet gehoord, net zomin als de roep van die honderdduizend goede zielen die nog voorbije week marcheerden door uw straten, beladen met goede moed, bezwaard door ijdele hoop.

          Mijn Heer
          Het wordt tijd dat de gek de waarheid zegt.
          Ik ben het beu.
          Doodmoe word ik van uw wereld.
          Beu ben ik de arrogantie van uw almacht.
          Beu uw vernieldrang en barbarij.
          Beu ben ik recht te moeten praten wat krommer is dan de rug van een stokoude heks onder een takkenbos. Beu uw stroom van drogredenen en excuses voor onafgebroken moord en slacht, brandstichterijen, gelijkmaken met de grond van huis en haard, ziekenhuis en school, uw roosteren van kind en kraai, uw politiek van laten sterven van de honger. Zelfs een gek op jaren wordt het op een dag te veel.
          Beu ben ik uw gebrek aan mededogen.
          Beu uw nonchalante achteloosheid, ach, ik bekijk volgende week na mijn partijtje golf nog wel weer of ik die mensen naar de hel torpedeer.
          Beu uw schijnheiligheid, uw slachtofferschap, uw hypocriete retoriek.
          Beu op de knieën te blijven slikken wat u mij smakeloos voorkauwt.
          Beu uw mantra dat ik alweer een nieuwe vijand heb.
          Beu dat u mij verplicht van mijn schaarse duiten evenredig veel te besteden aan duizend bommen en granaten als aan brood, fruit en groenten.
          Beu ben ik dat alles, driewerf beu.
          Ik vind in mij niet langer ruimte voor een grap, een scherts, een grol. De scherpste grap blijkt toch het leven zelf.

          Mijn Heer
          Ik zeg u geen tot weerziens, geen vaarwel. Tot nooit meer, zeg ik u.
          Ik weet zeker dat u zich vastklampt aan uw macht tot de laatste dag der tijden, dus ik ga.

          Hé hé, dacht de nar, dat lucht lekker op.
          Hij propte wat appelen en peren, eieren, linzen en studentenhaver in een knapzak, boven alles blijft toch gezond eten tot de dood erop volgt de boodschap, stak er een kruik brandewijn bij, sloeg de deur achter zich dicht en trok opgeruimd de wijde wereld in.

Prisencolinensinainciusol

               Ik dans nooit in het openbaar.
               Wanneer ik alleen ben durf ik nog weleens de vloer te raken als de jonge Elvis, lichtvoetig, sierlijk en soepel als een cobra uit een mandje op de tonen van een panfluit. En altijd met de ogen dicht. Dansen brengt me in een roes die zich door de lelijkheid van de wereld niet breken laat.  
               Deze week nog, op een vroege ochtend, op de tonen van Prisencolinensinainciusol van Adriano Celentano uit 1973. Opgezweept tot de hoogste sferen trippelde ik door de kamer, licht en vrolijk als een veulen. Toen ging het mis. In al mijn euforie wilde ik mee gaan zingen. Dat lukte natuurlijk niet. Ik kende van dat hele liedje welgeteld twee woorden: Prisencolinensinainciusol en Allright. Die hoogmoed riep nare herinneringen op.

               Als jongeman leed ik aan buien van Zware Melancholie. Op mijn onverwarmde zolderkamer verzon ik saaie gedichten over onbereikbare verlangens, mijn verdriet om de leegte van het leven spoelde ik op vrijdag graag door met een Primus van de tap in café Spike. Starend in de halflege pint lipte ik daar quasi achteloos de integrale Life at Budokan van Bob Dylan mee. Geen idee waar de Bob het over had, een Dylan-connaisseur te lijken leek me gewoon goed voor mijn imago van lijdend poëet. Even droefgeestige, langharige meisjes in slordig gedragen doch zorgvuldig uitgekozen slobbertrui zouden dromerig en stil verliefd worden op een man met ook een zachte kant.
               Meisjes, zo bleek, zijn niet zo gek op Dylan.

               Op school deelde ik de bank met de broer van een bekende gitarist. Tijdens een les Frans leerden hij en ik het libretto van Bohemian Rapsody uit het hoofd. Terwijl de rest van de klas zich bekommerde om des tout petits petons van ene Valentine, een vriendinnetje van de Franse chansonnier Maurice Chevalier, deden wij vrolijk de fandango.
                I’m just a poor boy from a poor family, dat mocht de wereld weten. Na de inname van mijn voorraad Primus palmde ik schaamteloos de vloer in van menig danslokaal, Freddy Mercury gelijk, zij het zonder snor. Wederom hoopte ik hiermee mooi vrouwvolk te imponeren, helaas ving weer mijn aas de verkeerde vis. Toen ik op een keer na het dansen mijn ogen opende, zag ik me omcirkeld door een bende puisterig schorriemorrie dat me barstend van nijd en afgunst van kop tot teen stond aan te gapen. Hun eigen Bohemiankennis reikte natuurlijk niet verder dan Is this the real life, is this just fantasy, in mij zagen zij een snob, een streber, een aandachtzoeker. Ze keken naar me alsof ik iets onbehoorlijks met hun mama had gedaan, hielden een boksijzer, ketting of ijzeren staaf in de knuisten. Geloof mij, meer overtuigingskracht heeft de charmezanger in mij niet nodig om een toontje lager te gaan zingen.

               Het bloed echter kruipt waar het kruipen moet.
               Tijdens een kortstondige romance gingen mijn liefde van één nacht en ikzelf helemaal choco op Paradise by the Dashboard Light in een overvolle bruine kroeg. Niet alleen zongen we de glazen van de schabben, we evoceerden daarbij ook vlekkeloos de geile videoclip. Waar ik enige bijval had verwacht, een bescheiden handgeklap, misschien een biertje van de zaak, werden we nog voor de laatste noot was uitgedoofd vriendelijk maar dringend verzocht het etablissement te verlaten.
               It was long ago and it was far away but it was so much better than it is today.

               Nog had ik mijn lesje niet geleerd.
               Carnavalsavond, halfweg jaren tachtig. Het lief van een bevriend cafébaas was een halve dag met me in de weer geweest: oogschaduw, blush, dreadlocks, rozerode nagellak, haarband, hoed. In een line-up met vijfmaal Boy George had u in mij nog altijd de zanger van Culture Club gezien.
               In een zwarte Mercedes met open dak paradeerden we door de stad. Stationskwartier,  Stadswaag, de oude binnenstad. Uiteindelijk parkeerden we in het midden van de Vrijdagmarkt voor het populaire danscafé Den Ossenpoot.
               De portier knipte als een mes. Deuren waaiden open, de muziek viel stil, de vloer werd een tableau vivant. Begeleid door een gele spot schreed ik als een diva naar de tapkast, de massa opende zich als voor Mozes de Dode Zee. Een champagnekurk plofte, het ging alom van O en Ah en Is Hij Het Echt. Meisjes sloegen de handen voor de mond, rukten zich van hun koorknaapjes los, drongen hitsig om me heen, raakten mij aan, drukten ongevraagd hun lippen op mijn wangen. Terwijl ik met links van mijn champagne nipte, kribbelde ik met rechts mijn naam op handen, polsen, armen, benen, borsten, dijen. Het leven was een feest en ik het varken. Eindelijk, o eindelijk, het hoogste doel bereikt.

               Toen legde de dj een plaatje op.
               Do You Really Want To Hurt Me, Culture Club. Terwijl nog altijd de talloze schoonheden met grote ogen vol verwachting naar me keken, zag ik aan de einder al mijn ondergang komen aanwaaien. Van dit liedje kende ik wel de moves, van de tekst evenwel alleen Do you really want to make me cry?
               Onder een stortbui van cocktailglazen, halfopgerookte sigaretten en uitgespuwde zoute chips vluchtte ik de straat weer op waar inmiddels ook de Mercedes in geen velden of wegen nog te bekennen was.
               Sinds die dag dans ik enkel nog met mezelf.  

Na de biep

Gegroet, Lezers van de Sprekershoek

          Lichtjes desperaat wend ik mij tot u. U bent mijn laatste hoop. Ik bid u: help mij, help mij uit de nood.

          Het zit zo.
          Om nog langer mobiel te kunnen telefoneren, vrijelijk te kunnen surfen over het wereldwijde web of op verloren avonden domweg televisie te kunnen kijken, diende ik enige tijd geleden van dienstverlener te veranderen. Zeer tegen mijn zin was dat, het leven en het telecombedrijf echter volgen een eigen bedding waarin de mens slechts als een vis meedrijft op het ritme van de golven. Niet elke vis kan een zalm zijn.
          Op zich nog niet een groot probleem. De adder in het gras: bij een nieuwe leverancier hoort een nieuwe melding op het antwoordapparaat. En daar knelt de strop.

          Ik ga eerlijk met u zijn. Enige ijdeltuiterij is mij niet vreemd. Ook ik sta weleens graag in het licht van de spot. Diep vanbinnen evenwel blijf ik die eenvoudige jongen die net als u probeert van dit ondermaans verblijf wat leuks te maken. Daarom durf ik weleens domweg en onverwacht een grapje maken, enkel en alleen voor uw vermaak en amusement en ook opdat u later, wanneer mijn assen waaieren in de wind, niet zou hoeven denken: in deze doodse bodem heeft deze dorre plant eindelijk zijn vaste grond gevonden.

          Zodoende probeer ik dus de pijn van mijn afwezig zijn wanneer iemand mij belt, met een vleugje humor te verzachten. Een kleine witz als welkomstwoord, een leukigheidje. Niets bijzonders, net genoeg om achteraf te kunnen zeggen: ik kreeg hem dan wel niet te pakken, zijn boodschap op de voicemail straalde toch als een schaarse zonnestraal door dat saaie grijze wolkendek dat ik Mijn Leven noem.

          Wie mij enkele simkaarten geleden belde, kreeg te horen: ‘Spreek uw boodschap in na de biep, want voor de biep zou belachelijk zijn.’ Leuk, toch? Vind ik wel. Ik herinner me nog ene Kevin uit het vijfde jaar die het bij het beluisteren van dit bericht bescheurde en me daarop meer dan twintig keer belde. Toen ik dan een keer daadwerkelijk opnam reageerde hij verbolgen. Jaja, veel werd er in mijn lessen niet bijgeleerd maar mijn leerlingen en ik hebben danig veel gelachen samen en geloof mij, oppervlakkige pretpedagogie belegt de boterham even royaal.
          De eerlijkheid gebiedt mij te bekennen dat ik bovenstaande blague niet zelf had bedacht. Ontleend zeg maar, noem het gestolen voor mijn part, van Kamagurka of Jacques Vermeire. Die twee zijn soms moeilijk uit elkaar te houden.

          Een volgende bedacht ik helemaal zelf: ‘Hey. Ik ben er niet. Ik weet zelf ook niet waar ik ben. Spreekt u maar een boodschap in …’ Op een keer werd ik gebeld door een mij onbekende vrouw, ze deed iets in het bankwezen of verzekeringsbedrijf. Even bleef het stil, toen schoot ze in een slappe lach. Na een tijdje haakte ze weer in. Nooit heb ik nog wat van haar gehoord.

          Vandaag echter, Lieve Vrienden van de Sprekershoek, staat het huilen mij nader dan het lachen. Het is crisis in mijn hoofd. Het vat der inspiratie is leeg. De koekjes uit de Trommeldoos der Leukigheden op. De voorraad Lichte Luchtigheden uitgeput.
          Vertwijfeld zocht ik nog soelaas bij het veelgeprezen Chat GTP, de Slimste Mens van Morgen die naar verluidt op elke vraag het antwoord weet. De droeve waarheid is: Artificieel en Intelligent misschien nog wel, gevoel voor humor: een dikke buis.
          Of wat dacht u van deze: “Hallo! Je spreekt met [jouw naam]. Ik ben momenteel niet beschikbaar om de telefoon op te nemen, maar als je een goed mopje vertelt na de piep, beloof ik dat ik je zo snel mogelijk terugbel!” Daar zakt toch je broek van op de knieën?!
          Of dit: “Hoi daar! Ik ben er niet, maar als je een bericht achterlaat, zal ik doen alsof ik heel geïnteresseerd ben wanneer ik terugbel.” Say no more!
          Wanneer je denkt de bodem te hebben bereikt, is er altijd nog de kruipkelder: “Je hebt [jouw naam] aan de lijn. Ik ben er niet om op te nemen, maar als je je favoriete karaoke-hit zingt na de piep, beloof ik je dat ik hem niet doorverkoop aan platenmaatschappijen!”

          Begrijpt u mijn radeloosheid?
          Verloren voel ik mij. Een vis in de woestijn. U bent mijn laatste hoop. Daarom, op mijn blote knieën deze bede. U weet dat ik u hoog inschat en zeer waardeer.  Om uw warm hart, uw empathische ziel, uw messcherpe geest, uw speels karakter en niet in het minst uw spits en fijn gepunt gevoel voor de lichte lach. Ik smeek u: help mij! Overlaad mij met aforismen, citaten, aardigheidjes, leukigheden, een scherts, een kwinkslag.
          Als tegenprestatie beloof ik u: wanneer u me dan belt, neem ik in geen geval de telefoon nog op zodat u zo vaak u maar wil kan genieten van uw eigen grap.

          Nederig dank ik u bij voorbaat.

Heim Orropa

‘Een goed boek is een hart dat in de borst van een ander klopt.’ (Rebecca Solnit)

          Rebbeca Solnit, nog nooit van gehoord. Ik las het citaat in een vraaggesprek met Samantha Schweblin in de boekenbijlage van mijn krant. Kende ik ook niet. Allebei schrijfsters nochtans, de eerste is Amerikaanse, de tweede Argentijnse.
          Ik ben een lezer. Mijn hele lange leven al. Toch blijkt steeds maar weer hoe bedroevend weinig ik afweet over literatuur. Wanneer échte geletterden bij een glas rijkelijk namen laten vallen van hun helden van de pen, sta ik erbij als een aap op de boekenbeurs. En vraagt u mij waarom u dit of dat boek goed zou moeten vinden, ik wauwel als die student die voor het verkeerde examen heeft geleerd.
          Een amateur ben ik. Een dilettant. Als leek ben ik geboren, als leek zal ik ook sterven. Je zou bijna gaan denken dat het al voor nop is geweest.

‘Een goed boek is een hart dat in de borst van een ander klopt.’

          Een zin om te bewaren onder je huid. Een criterium ook. Een graadmeter. Een hulp. Kenners, ja, die kunnen dat, goede boeken onderscheiden van het kaf. Kenners maken hitparades van de werken die ze lazen als waren het wielrenners in de Tour des Lettres. Een top twintig, een top vijf, de primus bovenaan.  
          Dat vind ik moeilijk. Ik ben zoals dat meisje uit dat liedje, ik hou van kaas maar ook van jam. Ik vind veel dingen lekker, houd van veel muziekjes, druk heel veel boekwerk tegen de borst.

          Een tweevoudige oppergaai, de Libris en de Boon, wees de jury dit jaar toe aan Safae el Khannoussi. Haar Orropa is een meesterwerk, lees ik, een fenomenaal debuut. Een uitbundige vertelling, meeslepende verhaallijnen, vernuftige constructie.
          Ha, denkt dan deze leek. Lezen! En wel nu, tout de suite, maintenant, heute godverdomme.

          Nou moe!
          In de eerste plaats: schrijven zoals Safae el Khannoussi, ik wou dat ik het kon. Jeroen Brouwers weet hoe het moet, zij ook. Mooie zinnen, ingenieus in elkaar gezette compositie, met fijn penseel ingekleurde beelden, een auteur die weet wanneer spreken zilver is en zwijgen goud. De dilettant leest, wikt en bewondert. Ja, het is mooi. Ja, het is slim. Knap. Ja, als dit een debuut is, dan wacht ons en de auteur een rijke toekomst.
          Maar. Soms is er een maar. Wat zegt de Rebecca Solnitmaatstaf?
          Vooralsnog is mijn hart een betrouwbare metronoom, hout vasthouden. Helemaal ok. Klopt rustig en gelijkmatig als een Zwitsers zakhorloge. Dat deed het ook bij lezing van Orropa: voor, tijdens en na sloeg het precies dezelfde slag. Nooit ging het als een wildeman tekeer. Nooit ging het blindweg hollen als opgejaagd wild. Geen enkel ogenblik ging het in het rood.
          Orropa raakte meer aan mijn verstand dan aan mijn gemoed. Al te vaak moest ik mijn lezing onderbreken en me vragen: waar ben ik, wie is nu weer dit personage, waar past het in het verhaal, welk verband heb ik gemist, wanneer wordt dat losse eindje opgeraapt?
          Een mooi boek, het deed helaas mijn hart niet sneller slaan.

          Terwijl. Dat oude hart van mij durft weleens paukenslagen kloppen. Dat oude hart van mij durft huilen als een kind, ontdaan en troosteloos zoals het deed bij Tot ik jou vind van John Irving, bij Vele hemels boven de Zevende van Griet Op de Beeck, bij De Boekendief van Markus Zusak. Het kan overlopen van medeleven en empathie zoals met Valentino Achak Deng uit Wat is de Wat van Dave Eggers, met Stach uit Koning van Katoren, met Anna Karenina.
          Dit hart is niet van steen.

          Integendeel.
          Het ging spontaan op scherp staan bij de eerste zinnen in Heim, een boek van Caroline De Mulder. Een verhaal over de kraamklinieken van Hitler, het Lebensborn project in nazi-Duitsland. Het ging bloeden bij het meisje Renée. Zwanger en alleen, doelloos op de vlucht. Uitgespuwd, uitgeteerd, uitgemergeld en al op pagina twee beroofd van de laatste kruimels van haar laatste koek. Door Marek, een wandelend lijk, Dachau overleefd, dwangarbeider die aardappelschillen kauwt en het vocht uit kiezelsteentjes zuigt. Mijn hart scheurt. Krimpen van compassie deed het voor de naïeve Helga, blonde verpleegster, geboren aan de verkeerde kant van het licht, verblind door liefde voor de Fürher. Haar geloof in de superioriteit van haar eigen ras, haar trouw aan haar leiders is zo onschuldig dat het pijn doet.
          Heim. Drie lotgenoten, drie levens, die in mijn hart elk in een eigen kamer onderkomen vonden.
          Het moet gezegd, schrijven zoals Caroline De Mulder, ik wou dat ik het kon.
          Heim klopt nog steeds als een dolgedraaide drummer in mijn borst.

De Warmste Week

          Als het paard in een draaimolen schiet mijn gemoed de laatste tijd van de hoogste top naar het diepste dal.
          Omhoog: de Campus Cup.
          Omlaag: een onpartijdig songfestival
          Omhoog: eindelijk nog eens een ontroerend boek in handen.
          Omlaag: stemmen troggelen aan een ziekbed
          Omhoog: Er komt weer een Warmste Week!

          Een warme week voor onzichtbare ziekten, dat juich ik toe.
          Zelf ken ik nog de tijd waarin wat je niet zag gewoon niet bestond, god en mijn vader uitgezonderd. Die twee kreeg je ook nooit te zien, toch wisten ze altijd waar je had gezeten en wat je had uitgespookt. Maar onzichtbaar ziek? Geen koorts is niet ziek is naar school. Hoofdpijn, maagpijn, platte kak zouden even snel weer weggaan als ze gekomen waren. Het leven was eenvoudig toen.

          Terwijl vandaag.
          We kennen allemaal wel iemand die gebukt gaat onder dwanggedachten, neuroses, angsten of depressie. Iemand lijdend aan migraine, of diabetes. Goed dus dat we daar een weekje bij stil zullen blijven staan,  als een ster bij een stal.  
          Toch kijk ik ook ietwat nostalgisch terug naar toen het allemaal begon. Allen tezamen gingen we van de wereld een betere plaats maken. We are the world, we are the children. We verzamelden voor een glazen huis, lieten plaatjes draaien, zwaaiden naar de camera en openden hart en beurs om in een onbestemde regio een waterput te financieren, malariamug of diarree te bestrijden of de hele wereld van drinkbaar water te voorzien. Zoals Ella het zegt: met zijn allen op weg naar de ideale wereld.
          ‘Is er niet genoeg miserie in eigen land misschien?’ gingen al gauw ontevreden vingertjes in de hoogte. Eigen miserie eerst, een oud verhaal. Helaas is het antwoord ja, al zou dat niet mogen in dit welvarende land. Elke wijk een eigen zorg. Fluks plantte men hier een speeltuin, werd daar een barak opgetrokken voor de jeugdbeweging en verderop een exclusieve rolstoel aangeschaft.

          De mens is graag ontevreden.
          Allengs gingen we het weer groter zien. Kansarmoede, eenzaamheid, kunnen zijn wie je bent, meetbare verschijnselen, te vatten in tabellen en grafieken, te staven met getuigenissen. De pauper kreeg een stem, een oude knar deelde al veertien jaar lief en leed met zijn opgezette hamster, steeds vaker bleken mensen op zoek naar zichzelf. Of die Warmste Weken die ellende ook verholpen kregen, is me niet bekend. Best kans dat er hier en daar nog ergens een kansarme is, een eenzame of iemand op de dool.

          En nu dan dus, eindelijk, oog voor de niet met het blote oog waarneembare kwalen. Steeds meer mensen lijden aan de wereld, zo blijkt. Ik ken ze, ik voel ze, ik deel hun pijn. Ook hier weer een toefje nostalgie: ik heb de dagen nog gekend van doodgewoon gelukkig zijn met een eigen huis, een plek onder de zon en altijd iemand in de buurt die van je houden kon. Geluk helaas is uit de tijd. Ieder van ons is vandaag wel ergens de dupe van. Miskend, benadeeld, misnoegd.

          Hoe kan het anders?
          De tijden zijn niet vrolijk. De wereld is geen rozentuin. Veel doornen, weinig roos. Oorlog hier, slachting daar. Alom geweld en bommenregens. De leiders van de wereld deert het niet. Ziet u nog de zeven verschillen tussen Witte Huis en Leugenpaleis? Die politiek, wie heult met wie? Geen touw kan je er nog aan vastknopen. Zelfs van wat je op je eigen scherm ziet, weet je niet wat waarheid is en wat gelogen. Onafgebroken wordt over onze hoofden een stortvloed uitgebraakt van miserabel nieuws, op de knieën moeten wij en slikken, zoals de keizer het ons bevolen heeft.
          Natuurlijk wordt dat Korneel op een dag te veel.

          Ik voel het ook.
          Ook mijn lijden is onzichtbaar. Deze wereld en ik, wij worden alsmaar vreemder vreemden voor elkaar. Laat mij met rust, denk ik steeds meer, ik wil eruit. Draai maar lekker door maar laat mij erbuiten.
          Het is maar hoe je in het leven staat, hoor ik zeggen. Waarheid!
          Dus probeer ik positief te zijn. Goed gezind en blij gemutst. Genieten van een mooie lente met veel zon, de terrassen zitten vol, de glazen tinkelen. Dan lees ik weer: elke maand een warmste maand. Gletsjertoppen smelten sneller dan een ijsje in een kinderhand. IJsbergen lossen op in zee, dat brengt dan weer stormen en tornado’s met zich mee, waardoor mensen op de vlucht gaan slaan en hier de herberg gesloten vinden. En steeds meer mensen wonen op een bol die niet vanzelf groter wordt.
          Velen van ons lijden aan de wereld, de wereld lijdt ook aan velen van ons.

          Misschien moeten we toch maar weer de blik verruimen.
          Volgend jaar geen warmste week, volgend jaar het Warmste Jaar.
          Ik kijk er al naar uit.

Het lied van de krekel

          De zon stond al hoog toen aan de rand van het bos de krekel wakker werd. Hij wreef zich in de ogen en overschouwde de verlaten zanderige vlakte voor hem.  
          Zo laat alweer, dacht de krekel. Hij rekte zich uit en geeuwde. De nacht was kort geweest, toch voelde hij zich uitstekend en in opperbest humeur. Tot in de kleine uurtjes had hij gezongen en ten dans gespeeld, tot groot jolijt van de talrijke door op drift geslagen hormonen voortgestuwde krekeljongens en krekelmeisjes. Verzaligd mijmerde de krekel over wat zich op het ritme van zijn viool in de struiken achter hem had afgespeeld. Hij glimlachte. Een krekel moet horen, zien en zwijgen.

          Als op automatische piloot reikte zijn voorste pootje naar zijn viool. Het beroeren der snaren zit de krekel in het bloed. Een dag niet gefiedeld is een dag niet geleefd. Het instrument had nog zijn overgrootvader toebehoord, later had zijn grootvader het bespeeld, na de oorlog had zijn vader het eigenhandig weer opgeknapt en nu was het van hem. Zijn viool was de krekel haast liever dan zijn eigen leven waar hij toch zeer gehecht aan was.
          Een krekel moet doen wat een krekel moet doen. Hij sloot de ogen en als vanzelf ging de paardenharen strijkstok soepel dansen op de snaren. Nog hoger aan de hemel klom de zon, nog warmer voelde zijn gloed. Opgewekt ritselde de wind, de blaadjes in de struiken wiegden vrolijk mee op tonen die aan lente, Mozart of Vivaldi deden denken.

          Anders dan de krekel had verwacht, vulde zich de leegte voor hem niet meteen met vrolijke geluiden. Waar hij op trippelpasjes had gehoopt, zwierige sprongetjes en opgewonden meisjeslach, hoorde hij schurend geschuifel en zuchten zo diep dat ze uit de aarde zelf leken te komen. Zijn voelsprieten registreerden afkeuring waar hij bijval had verwacht, ongenoegen in plaats van blijdschap, vijandschap in plaats van liefde.
          Verbijsterd staakte hij zijn spel. Hij opende zijn ogen. Voor zover hij kijken kon zag hij voor zich een mierenleger staan, nors en vijandig. Eén soldaat steunde met een poot op de resten van een veldmuis, een ander sleepte een afgeknabbeld kippenbeentje met zich mee, een derde kauwde onverdroten op wat niet lang geleden nog het middenrif van een insect moet zijn geweest. En werkelijk allen, van de eerste tot de laatste, staarden hem aan met woeste blik. 
Toen overviel de krekel een niet in woorden te vatten angst. Hij voelde zich onzeker en onveilig, verlaten en bedreigd.
          ‘Gij daar,’ donderde luid en bars een stem.
          ‘Ik?’ piepte de krekel. Zijn aangeboren opgewektheid was hem ontvlucht als een dief in de nacht.
          ‘Ja gij! Luie Labbekak! Potverteerder! Tijdverliezer! Subsidieslurper! Staakt uw nutteloos kattengejank. Maakt u uit de voeten. Uw speeltijd is voorbij! Maakt u nuttig. Zoekt u een fatsoenlijke baan! Scheert u weg voor ik mijn manschappen opdraag u in duizend-en-één stukken te scheuren en als tussendoortje te gebruiken.’
          Die boodschap hoefde niet herhaald. Mistroostig tot op het ruggenmerg nam de krekel zijn viool onder de arm en verdween in het donkere bos. Een banneling. Ontmand. Een krekel die niet spelen kan is als een pomp zonder water, een zee zonder vis, een vis zonder graat.

          Als een krekel zonder lied.
          Zo voelde ik mij nadat ik in het gemeentehuis van mijn dorp een foto wilde maken voor een paspoort om naar den vreemde te mogen reizen. Mijn leven lang slalom ik door dit bestaan met goedgemutste blik, een web van fijne lachrimpels om de ogen, vrolijke kuiltjes in de wangen, lippen die spontaan omhoog gaan krullen. Een dag niet gelachen, dunkt mij, is een dag niet geleefd.
          Lachen evenwel was verboden tijdens de fotoshoot. Wie lacht op zijn zelfportret wordt geweerd. Afgekeurd. Vrolijkheid taboe. Blije gezichten zijn verboden in de koude wereld waarin we leven. Vier keer maar liefst werd mijn beeltenis geweigerd. Neutraal staren in de lens moest ik, geen schijnsel vrolijkheid in de ogen, donker en somber als woonde ik de begrafenis van een dierbare bij, de blik dof, de mond een strenge streep.
          Vier keer! Mocht het zo triest niet zijn, ik zou erom bulderen en schaterlachen.

          Toen ik me na afloop met lood in de voeten weer huiswaarts sleepte, moest ik denken aan een liedje bij het kampvuur uit mijn kinderjaren. If you’re happy and you know it clap your hands. O wat klapte ik toen in mijn handen tot ze gloeiden, wat stampte ik met mijn voeten de stenen uit de grond, wat draaide ik rondjes tot ik er tureluurs van werd. Geen handgeklap, geen voetgestamp, geen rondedans vandaag. Te frivool. De toestand is ernstig, op het randje van hopeloos.
          Weer thuis sloot ik de deuren en de ramen en schoof de gordijnen toe. Ik draaide de volumeknop op tien en speelde Mozart en Vivaldi tot de zon weer opkwam, danste tot ik duizelde en viel tenslotte uitgeput in slaap. Een krekel zal altijd een krekel zijn.

Livio

          Tijdens mijn dagelijkse gezondheidswandeling zag ik op een dag een man op een bankje zitten.
          ‘Beetje fris voor de tijd van het jaar misschien maar al bij al toch een mooie dag vandaag,’ groette ik opgewekt. Op een goede dag kan ik het ijs breken als de beste. Goede dagen helaas komen even vaak voor als sneeuw in april.
          ‘Hmm,’ deed de man. Poolijs, dik en weerbarstig.
          De man keek voorovergebogen naar het uitgestrekte weiland aan de andere kant van het wandelpad. Zijn schedel zo kaal een naaktkat met in het midden een rode wijnvlek, zijn gelaat dichtbehaard: sik van Lenin, knevel van Stalin, wenkbrauwen van Brezjnev. Toen hij langzaam naar me opkeek, meende ik in zijn ogen te lezen dat hij de dood meer beschouwde als een welkome vriend dan een te ontwijken vijand.

          In de wei stonden vier hoefdieren van een mij onbekende soort plukken gras uit de grond te rukken, hun kaken malend als molens.
          ‘Lama’s,’ zei de man ongevraagd alsof hij mijn gedachten lezen kon.
          ‘Lama’s? Hier? Horen die niet in …’
          ‘Zuid-Amerika? Iran? Vroeger, ja. Vroeger, toen alles nog een eigen tijd en plaats had. Welkom in de eenentwintigste eeuw, jongen. De wereld is een dorp vandaag.’ Jongen, hij zei het echt terwijl hij toch niet zo heel veel ouder leek dan ik. Ook bleek hij spraakzamer dan je van iemand met op zijn gezicht de drievoudige haargroei van een oppersovjet zou verwachten.
          ‘Mensen, dieren, gewassen, iedereen en alles reist de wereld rond. Vroeger leefden we in hokjes, netjes van elkaar gescheiden, vandaag loopt alles door elkaar. Kop noch staart krijg je eraan. Daar komt dan weer al verwarring vandaan, misverstand en trammelant.’ Die verzuchting liet ik voor wat het was. Ik speel niet mee in het vroeger-was-alles-beter orkest. Een verhaal van alle tijden. Als het vroeger zoveel beter was moesten we ons maar weer gaan tooien in dierenhuid en bij de beren in holen gaan leven.

          ‘Waarom zijn ze hier dan?’ vroeg ik.
          ‘Ha!’ zei hij opgewekt, ‘dat is de vraag van één miljoen.’ Kleine vuurlichtjes flikkerden in zijn ogen, op de rozige middellijn tussen snor en sik verscheen een zweem van een glimlach.
          ‘De lama,’ hij vertelde fluisterend en gewichtig als een voorleesouder aan een kinderbed, ‘draagt het kleine geheim van het grote geluk in zich.’
          ‘Het geheim van het geluk!’ herhaalde ik ietwat ontdaan.
          ‘Kom mee en leer,’ zei de man. Hij stond op, opende het poortje van de weide en stapte op de viervoeters toe.
          ‘Livio,’ sprak hij tot een gevlekte herkauwer, ‘deze jongen hier is …’
          ‘Schrijver,’ lispelde ik beduusd.’ Livio keek naar me met de grote, kastanjebruine ogen van een exotische prinses in een Disneyfilm, ontwapenend onschuldig. Veel indruk maakte mijn verschijning blijkbaar niet, onverstoorbaar bleven zijn kaken malen.
          ‘Als hij je niet mocht, spuwde hij zijn lunch wel in je gezicht,’ glimlachte de man. Toen stopte hij een touw in mijn handen.
          ‘Ga maar,’ zei hij, ‘je zal wel zien.’ Ik stapte naar het poortje, mak en inschikkelijk stapte Livio met me mee. Volslagen vreemden voor elkaar waren we, we woonden in andere werelden, communiceren konden we enkel met onze ogen, de spiegels van de ziel. Toch voelde ik meteen: wij begrijpen elkaar. Er groeide gestaag verstandhouding tussen ons. Livio stapte trager dan ik, had hier en daar meer tijd nodig. Ik paste mijn tred aan zijn tempo aan. Wanneer hij halthield, wachtte ik geduldig. Zij aan zij gingen we dan eens rechts, dan weer links, het touw bungelde als een slappe koord tussen ons in. Wie wie leidde? Wie zal het zeggen?
          Lama’s zijn van aard nieuwsgieriger dan bijbelse vrouwen. Alles wilde hij zien, elk geluid in zich opnemen, elke geur opsnuiven. Wanneer iets zijn aandacht trok, maakte hij pas op de plaats, stak de neus in de lucht, spitste de oren, zoog door de brede neusgaten de reuk naar binnen. Ik liet hem, tot hij klaar was of ik het genoeg vond. Dan stapte hij zonder tegenstribbelen weer gedwee naast me mee. Ik gunde hem zijn pleziertje en hij mij het mijne. Leven en laten leven, ik ben een lama in het diepst van mijn gedachten.

          ‘Het grote geheim van het kleine geluk, of was het omgekeerd? Hoe moeilijk kan het zijn?’ vroeg ik de man toen ik hem het touw weer overhandigde.
          ‘Wij mensen praten te veel en luisteren te weinig. We zijn doof en blind voor wat de natuur ons voorleeft,’ bromde hij vanonder zijn knevel. Hij sloot het poortje, zette zich weer op zijn bankje, liet zijn hoofd zakken op zijn borst.  In diepe gedachten verzonken wandelde ik weer naar huis.
          Hoewel wat frisjes voor de tijd van het jaar, was het waarlijk weer een mooie dag geworden.