Blog

C-kronieken (2)

In het derde leerjaar lazen we tijdens de les Moedertaal wel eens een gedicht. Dat leerden we dan uit het hoofd om het de volgende dag voor de klas beeldend voor te dragen. Zo herinner ik me nog de eerste verzen van Boerke Naas:

“Wie heeft er ooit het lied gehoord,
het lied van Boerke Naas
’t en had, ’t is waar, geen leeuwenhert
maar toch, ’t en was geen dwaas.”

Dit dichtwerk van Guido Gezelle verhaalt over een slimme boer, een domme rover en zeven kogels. Mijn voordracht oefende ik in de tuin, twee broers als gastacteurs. De ene was de rover, een ander Boerke Naas. De verteller was ik. Plaats van handeling was het platgetreden pad langs de waslijn, waar bij mooi weer witte lakens wapperden. Rekwisieten: een ingebeelde wijde jas, een ingebeelde wijde broek, duim en wijsvinger als pistool.
Ook al betrof het een lang gedicht, we repeteerden met volharding. De volgende dag, na de Zeer Goed-stempels voor Uitspraak en Uitbeelding, droomde ik me een carrière als acteur. In zekere zin ben ik dat ook geworden, zoals wij allemaal.
Een zomervakantie verder, in het vierde, schotelde meester Walter ons een nieuwe opgave voor:

De Tuinman en De Dood

Een Perzisch Edelman:

Van morgen ijlt mijn tuinman, wit van schrik
Mijn woning in: ‘Heer, Heer, één ogenblik!

Ginds, in de rooshof, snoeide ik loot na loot,
Toen keek ik achter mij. Daar stond de Dood.

Ik schrok, en haastte mij langs de andere kant,
Maar zag nog juist de dreiging van zijn hand.

Meester, uw paard, en laat mij spoorslags gaan,
Voor de avond nog bereik ik Ispahaan!’ –

Van middag – lang reeds was hij heengespoed –
Heb ik in ’t cederpark de Dood ontmoet.

‘Waarom,’ zo vraag ik, want hij wacht en zwijgt,
‘Hebt gij van morgen vroeg mijn knecht gedreigd?’

Glimlachend antwoordt hij: ‘Geen dreiging was ’t,
Waarvoor uw tuinman vlood. Ik was verrast,

Toen ‘k ’s morgens hier nog stil aan ’t werk zag staan,
Die ‘k ’s avonds halen moest in Ispahaan.’

(Uit: Verzameld Werk van P.N. van Eyck (1887-1954)

Was meester Walter onderwijzer, zijn ware liefdes heetten Poppenspel en Theater. In zijn eentje gaf hij leven aan edelman, tuinman en dood, een Drievuldigheid die tot dan toe alleen maar voorkwam in de Heilige Catechismus. Het gedicht betekent, declameerde hij met veel aplomb, dat je voor de dood niet kan schuilen. Hij liet donder roffelen over onze hoofden: “Als hij je zoekt, zijn je dagen on-her-roe-pe-lijk geteld! Dan komt hij je halen en daar is niks tegen te doen!”
Acht of negen waren we en we wisten voor altijd dat de dood overal was en je opzocht wanneer hij daar zin in had. Ik herinner me niet dat iemand nog vragen had. Wij accepteerden dat, zoals wij ook onze geboorte hadden geaccepteerd.

Zoals de tuinman vloden ook de jaren heen. De onzichtbare aanwezigheid van de dood lag verankerd in mijn gemoed. Op vrijdagavond filosofeerde ik daar vaak over met mijn boezemvriend Filip en schuimende Primus van Haacht.
“Het plaatst het leven in een ander perspectief, als je je ervan bewust bent dat je op een dag weer doodgaat,” zei hij. “Wat stelt dit alles dan voor?”
Daar klonken we dan op.
Dan hadden we het over een uitgedoofde liefdesvlam. Over onze wonderjaren die voor altijd voorbij waren. Over hoe seizoenen komen en gaan en hoe er dan weer nieuwe komen, fris en onwetend van wat ooit was.
Filip zei dan dingen als: “Wist jij dat thuis het stof op de kast eigenlijk schilfers zijn van je huid? Dat ben jij die daar ligt. Of wie jij was.”
Ik antwoordde dan iets onnozels: “En ons moeder ligt daar ook tussen, dan?”
Maar hij bleef serieus: “Alles gaat voorbij. Ooit leefde de holenbeer. Of de gouden pad. Maar nu niet meer. Weg, allemaal weg. Waarom doen wij dan of wij voor eeuwig zijn?”
Een vraag van die orde was het sein voor een nieuw glas.
Op de achtergrond draaide men The End van The Doors. We stelden elkaar vragen als waarom doen we alsof ons eeuwig leven is gegeven of waarom zijn we blij bij een geboorte en droef bij de dood of wie in godsnaam wil eeuwig leven.

Het is nu later.
Onze kinderverzen zijn met stof bedekt.
Mijn vriend Filip loste op als stof in de wind.
Af en toe, bij een glas, stel ik me vragen.

Egidius waer bestu bleven
Mi lanct na di gheselle mijn

C-kronieken (1)

Het zijn barre tijden, zegt men.
De Schrijverij, een eenmanszaak, onverdroten met de vinger aan de pols, verspreidt via de gangbare sociale media onderstaande dienstmededeling:

“Maak er een fijne dag van.
Praat met elkaar.
Leer schaken.
Bak een taart. Of twee, voor de bovenbuurman ook eentje.
Studeer wat, er zijn zoveel dingen die je nog niet weet.
Neem nu eindelijk de handleiding van je nieuwe microgolfoven door.
Lees een boek.
Schrijf er eentje, als je het niet kan laten.
Blijf gezond.”

De buitenwereld knikt goedkeurend.
Buiten beeld, verder ploegend als de boer, ga ik nog een stapje verder. Er is zoveel te doen. Mijn haren groeien. Ik luister naar de melodieën die vogels fluiten en kijk toe hoe het gras weer groener wordt, ook aan deze kant. Op straat mag het niet, maar hier in huis dansen we de nachten weg.

Wat we hebben geleerd:

Skypen in audio- en videomodus.
Facetimen.
Videochatten op WhatsApp.
Conference callen met Zoom of Jitsi.
Social Distancen. Maar eerlijk, dat deed ik al.

Verboden is:

Treuren omdat je in je kot moet blijven. Wees blij dat er een kot is.
Zeuren omdat je bestelling niet wordt geleverd. Zelfs niet als het de verhalenbundel ‘Ik moet u echt iets zeggen’ van Mensje van Keulen betreft.
Eigen mondmasker eerst.
Kijken op Twitter.
Reageren op Twitter.
Nadenken over ‘woorden ter verduidelijking’, een dagelijks cursiefje door Ben Weyts.
Hamsteren. Ik zou gaan pinten pakken met een maat, maar we drinken thuis terwijl we Skypen. “Je vraagt je toch af hoeveel er bij de mensen aan hun gat blijft plakken, als ze zoveel papier nodig hebben,” zegt hij. Plastische verbeelding is niet altijd een zegen.

Iemand waarschuwde me: “Jij hoort bij een risicogroep, dat weet je toch?” Risicogroep,  een pleonasme. Plots voel ik me Mathusalem.
Ik moest aan mijn moeder denken. Was ze er nog, ze telde vandaag zesentachtig levensjaren. We zouden vrezen voor haar leven. In volslagen eenzaamheid zou ze haar tijd verdrijven, uren van Thuis, Familie en Dieren in Nesten absorberen en weer vergeten.
Of de radio zou aanstaan en plaatjes draaien zoals vroeger, toen ze nog mooi was en op straat werd nagefloten. Ramona, van The Blue Diamonds. Marina, van Rocco Granata. Meisjesnamen die op een virus lijken.

De uitspraak van de week.
De prijs gaat naar Mark Rutte, minister-president van Nederland. Minister-president stelt daar wél iets voor. Een ware leider staat in tijden van crisis tussen de mensen. Op wandel door een warenhuis vraagt hem een dame of hij nog genoeg toiletpapier heeft. Zijn oogjes twinkelen, hij zegt: “Ja hoor, in Nederland is meer dan genoeg wc-papier voorradig. We kunnen nog tien jaar poepen.”
Op Twitter zet men zijn reactie prompt tussen andere legendarische uitspraken, zoals daar zijn:

“Ich bin ein Berliner”
“I have a dream”
“Tear down this wall”
“Yes, we can”
“We kunnen nog tien jaar poepen”

Humor als troost. We glimlachen ons door de ellende heen.
Hoe anders vergaat het op ons Schoon Verdiep. De burgervader loopt nors en nukkig door het stadhuis, als lijdt hij aan permanente constipatie en plast hij azijn. Niets deugt, alles gaat fout en altijd is het de schuld van de ander. Wenen als politieke strategie. Constructief is het niet en niemand wordt er beter van maar hey, ieder vult zijn levensdagen naar believen.

Waar ik wel vrolijk van word:

De totale filelengte bedraagt twaalf kilometer.
Er zwemt weer vis in de kanalen van Venetië.
Gisteren was Internationale Geluksdag. In de radiostudio interviewde men een geluksexpert.
Vroeg de presentator: “Ik kan me voorstellen dat er ergens in het land eenzame mensen naar dit gesprek zitten te luisteren en denken: ‘rot toch een eind op met je geluk, man.’ Ze lachten, vonden het allebei grappig gezegd. Geluk zit in kleine dingen.

Volgende week wordt nog druk druk drukker, dan tel ik mijn zegeningen.
Er zijn er die het veel en veel moeilijker hebben.

Smetstof

“L’enfer, c’est les autres?” vroeg ik.
“Sartre, Huis Clos,” reageert Anna bliksemsnel. Zij en ik treinen richting Amsterdam. We spelen raadseltjes als onderdeel van ons teambuildingsweekend.
“De anderen zijn de hel, in volle oorlogstijd niet echt een diepzinnige gedachte.” Ons Hoofd Redactie Politiek neemt zelden een blad voor de mond, zij komt uit het Oosten.
“Vandaag is het toch weer zo,” antwoord ik, “Daarom is aanraken noch kussen toegestaan.”
“Wie gewend is om te werken met de ellebogen, heeft nu een voetje voor,” lacht ze.
“Ik vraag me af of die zin anatomisch wel klopt,” bedenk ik.
“Moet je horen,” zeg ik, wijzend naar het scherm van mijn Galaxy S8: “Een bedrijf dat koortsdetectiesystemen verkoopt, floreert. “Van waar die hardware dan wel mag komen? “Wel, uit China, meer bepaald uit Wuhan”, grinnikt de zaakvoerder bij dat bizarre toeval.
“Het is altijd de economie, stupid,” antwoordt ze.

“Hoe reizen virussen eigenlijk?” breekt ze wat later de stilte.
“In een tank zeker? Heb je hem, vier Russen?”
“Jezus, jongen, echt. Blijven lachen tot in het graf, echt waar.”
“Sorry,” zeg ik. Dikwijls is een mop gewoon niet grappig. En grapjes over het Oosten liggen bij haar nogal gevoelig. Maar een mens doet wat hij kan.
Die avond vraag ik het me toch ook af. We zitten helemaal op de eerste rij in de Wim Sonneveldzaal in theater De La Mar, capaciteit 949 personen. Ik denk: stel dat in een van die 948 neuzen een kriebeltje borrelt. Dat jeukt en zwelt en pompt zich een weg naar de uitgang, onhoudbaar als lava in een krater. Die neus stuwt wolken nies de lucht in, in drievoud, als een kraaiende haan. Als een raket razen onooglijke virusjes en minuscule microben hier over onze hoofden. Langzaam minderen ze vaart, gapen dwaas in het rond, zweven onzichtbaar door de zaal.
En dan? Marcheren zij als soldaten op zoek naar de vijand recht naar hun doel? Of dansen zij als krekels zingend de wijde wereld in tot zij zich door een schijnbaar onschuldige ademteug laten inhaleren?

De voorstelling, Lazarus, verdrijft mijn naargeestige gedachte. Elke aanwezige laat zich prikkelen door zang, dans en spel. Kunst is de toeschouwer het vermogen bieden om even te ontsnappen aan de banaliteit en lelijkheid van de wereld buiten. Ik voel hoe de intense schoonheid van het spektakel ook Anna aantast. Een meter slechts scheidt ons van de scène. Acteurs dringen schaamteloos in onze ademruimte. Speeksel begeleidt getormenteerde uithalen, zweet spat van hun voorhoofd op het onze. Hun passie is besmettelijk. Wij worden collectief getroffen, tijdens de staande ovatie wellen tranen in onze ogen.

De volgende ochtend worstelt dezelfde vraag zich opnieuw voorbij andere gedachten, in het Huis van Anne Frank. 8 mensen, twee armen, twee benen, hetzelfde bloed als u en ik, zien zich veroordeeld tot jarenlange quarantaine in enkele schamele, piepkleine ruimtes, verstoken van licht en leven. Een scrupuleus bewind had gedeclareerd dat zij niet langer behoorden tot de menselijke soort, als ongedierte dienden te worden uitgeroeid.
In die donkere dagen van haar ballingschap vertrouwt een meisje van veertien haar dagboek toe wat haar bezig houdt, hoe ze denkt, wat ze voelt. De Anne in het huis en het boek leeft op hoop. Door een kier ziet ze vogels vliegen, ze droomt zich een leven in vrijheid. Het was haar nooit vergund. Het virus van de haat leidde tot verraad en gaskamers. Ook dat bezoek nestelt zich onder onze huid.

Non, non, rien n’a changé. We drinken koffie in café De Twee Zwaantjes.
“Mazelen, pest, cholera, dat overwinnen we allemaal,” zucht Anna. “Corona zal ons ook wel lukken. Het zal ons wat kosten, we zullen het moeten uitzweten, maar we lossen het wel op.”
“Zeker,” zeg ik enigszins overbodig, “mensen kunnen veel.”
“Maar als je kijkt wat er nu weer gebeurt aan de grenzen van Griekenland en Turkije. Hoe we wegkijken. Dat misprijzen voor wie daar in de modder ploetert, vernederd wordt en opgejaagd. De hardvochtigheid van onze woorden, dat gebrek aan empathie, die weerzin en die haat. Dat vergif krijgen we maar niet uitgeroeid.”
Ik zwijg. Soms ben ik slim.
“Terwijl, volgens mij is het niet eens zo moeilijk. Niet alle eigenschappen die de heer ons heeft toebedeeld, zijn goede. Haat zit in ons, in de achterkamer van de liefde. Niet alleen het virus, ook het medicijn kregen we mee. Het is zaak waakzaam te zijn en te beseffen: les autres, dat zijn wij.”
Toen stapten we maar weer de trein op.

Gezien

Geachte mijnheer Zuckerberg
Beste Mark

Deed u dat ook, als klein peutertje? Je hield je handen voor je ogen, of je stak je weg onder een handdoek. En dan plots, piep, daar was je weer! Ach, de mooiste tijd van je leven, maar dat weet je pas als hij al lang vergleden is.
Ik heb me nog jarenlang onzichtbaar gewaand, geloofde dat ik kon doen wat ik wilde zonder dat iemand het zag. Dan bladerde ik in een boekenzaak in Rode Oortjes, of ik plaste im Nacht mit Nebel im Kopf tegen een lantaarnpaal, of ik vergaapte me aan de borsten van mijn tante, altijd ging ik ervan uit dat niemand mij in de gaten had. Dat kan ook echt zo zijn geweest. Misschien waren we toen minder bang, of bestond er minder technologie. Je kon nog staan kussen achter de kerk zonder dat iemand je betrapte. Vandaag smoezelt in je achterhoofd toch altijd de idee dat god weet waar een vies mannetje op een scherm naar je zit te kijken. Niet dat me dat nog vaak overkomt, ik ga al jaren niet meer naar de kerk.

Soms denk ik dat u dat mannetje bent. U schijnt alles van me te weten. Zo reed ik pas nog lek met de fiets. Gelukkig weet ik me door de heer gezegend met een flinke dosis gezond verstand, een hart van peperkoek en twee rechterhanden. Een wip, een duw, een abracadabra, weg lek. Er zijn, je gelooft het bijna niet, in dit land ook mensen die problemen oplossen.
Ik vond dit voorval te futiel om te vermelden op uw sociaal medium. Edoch, des avonds, als de weemoedigheid komt voor het slapengaan, ontving ik volgende melding: Platteband.nl, de superpomp. Nobel, zeker. Gedienstig ook. Maar natuurlijk stelt zich de vraag: wie, wat, waar, wanneer, hoe had u mijn pech opgepikt en beslist: die mijnheer dient gesteund, we geven hem een zetje?

U ziet mij graag. U snelt mij immers vaker ongevraagd te hulp. NMBS Internationaal en Booking.com bieden aan mij te begeleiden op mijn trip naar Amsterdam. Buitengewoon vriendelijk, maar bedankt. Ik ga er spreken op een congres voor influencers. Transport in limousine, met chauffeur, maaltijden en verblijf – vanzelfsprekend – contractueel geregeld, u weet hoe dat gaat.
FCR Media Belgium wil mijn website verbeteren, NEFF-kooktoestellen vraagt zich af of mijn keuken, nu ik zo tevreden ben over de nieuwe oven met roldeur, nog andere toestellen nodig heeft. Museum PASS musée helpt voorkomen dat het laatste deel van mijn leven verglijdt naar de cultuurbarbarij.

Denk niet, beste Mark, dat ik die bekommernis om mijn welzijn niet waardeer. Integendeel, ik ben tot tranen toe geroerd. Het doet me meer dan ik kan zeggen. Maar geloof me, het gaat goed met me, bedankt. Geen aanleiding om té bezorgd te worden. Vindt u echt dat ik een Master Class Dramatic Writing nodig heb? De Guardian Weekly moet lezen? Of me dankzij Natuurhuisje of Huttopia best zo ver mogelijk distantieer van de beschaafde wereld?
Vragen stel ik wel bij de houten armbanden van Holzkenn, de damesbloezen van Closet by Romy en de pikante lingerie van BHcomfort.nl. Te persoonlijk, toch? Als ik samen met mijn boezemvrienden Theo en Jean-Marie op een avond een volledige jaargang Temptation Island wil bingewachten, zijn het toch uw zaken niet hoe wij ons kleden? En mag ik u vragen nog een wijle te wachten voor u bevriende producenten van hoorapparaten, rollators of pampers op me loslaat? Een paar jaartjes nog, hout vasthouden.

Nog een kleine vraag misschien. Onlangs circuleerde er, ook op mijn tijdlijn, een beeld, niet gesponsord. Dat is u vast niet ontgaan. Er stonden kindjes op waarvan je met het blote oog de ribben kan tellen. De beeltenis vergelijkt het gedoe rond een actueel virus met het aantal hongerdoden per dag. Voor ons, rijken, vormt het hongermonster geen bedreiging. Het is niet interessant, is de boodschap. Al vreet hij dagelijks ongeveer vierentwintigduizend levens. Enfin, ik hoef u dat allemaal niet te vertellen, u hebt dat natuurlijk ook gezien, u houdt al lang niet meer de handjes voor de ogen. Kan u uw behulpzame adverteerders niet overhalen de blik eens te richten naar gene zijde van de aardbol? Met de middelen waarover u en zij beschikken, financieel, logistiek, technologisch, moeten jullie toch in staat zijn deze veelvraat te verdrijven, die ellendige onrechtvaardigheid voor eens en altijd uit onze wereld te verjagen?

Alvast mijn allergrootste dankbaarheid daarvoor.

Met het hoogste respect,

heel vriendelijke groeten

Uw Facebookvriend

Vier stippen

Een man sopt het stukje biefstuk, goed doorbakken, in de spinazie op zijn bord en steekt het in zijn mond.
“Wat heb jij daar op je hand?” vraagt hij.
Het kind prikt achteloos in haar groenteburger. “Dat zijn vier stippen, opa.”
Dat zie ik zelf ook wel, denkt de man, kan een kind tegenwoordig niet eens een gewoon  antwoord geven?
“Ja, Molleke,” zegt hij, “maar waarom staan die daar, dat zou ik wel eens willen weten.”
“Dat is van de week tegen pesten. Elk kind op school heeft er, en de juffen ook.”
“Dus jij hebt in de ganse week niet een keer je handen gewassen dan?” Het is sterker dan hemzelf.
Eerst antwoordt het meisje niet, ze kijkt alleen maar naar hem. Ze morrelt wat met haar spinazie en couscous, schraapt haar bord leeg. Dan zegt ze: “Dat is speciale stift, dat gaat er niet af. Zo onthoud je dat pesten verkeerd is. Soms vind jij dingen grappig en iemand anders niet. Dan doe je die mensen pijn. En dat mag niet.”
De man kauwt op zijn vlees. Weer wat nieuws. Leren ze dat op school, vandaag de dag? Waar gaat het naartoe? Toen hij zo oud was, leerde je nog gewoon rekenen en taal. De rest leert het leven je vanzelf wel. Al die flauwekul.

Het kind kan er ook niets aan doen. Nog geen tien, zijn oogappeltje. Maar hoe ze hem aankeek. Dat had hij vroeger niet hoeven te proberen. Een draai tegen zijn oren, maar ja, vandaag noemen ze dat kindermishandeling. Een week tegen pesten, begot. Ze zouden kinderen beter wat meer weerbaar maken, het leven is niet voor watjes.
Hij denkt aan die stille jongen in het vierde middelbaar, donker krulhaar en een gezicht vol puisten. Soms liep hij met pleisters op zijn gezicht. Lachen. Die wilde je niet naast je in de les of in je team bij sport. Lepra, noemden ze hem. Iemand was de Lange Leegte, een ander de Muis en die kerel dus de Lepra. Hoe heette die eigenlijk echt? Enfin, op een dag kwam die niet meer naar school. Nooit geweten waarom, nooit meer iets van gehoord ook.
Of de Rosse Tits, die halve zot. Die vroeg er gewoon om. Bij Frans hadden ze hem eens een heel lesuur opgesloten in de kast. En iemand had een keer de emmer krijtwater over hem gekieperd. Stinken man, dat water werd in weken niet ververst, en dan die spons. Maar wel gelachen. En niks klas- of kringgesprekken of bollen op uw pollen. Terwijl vandaag, wenen, wenen, wenen.

“Kom Molleke het is Vastenavond, oma heeft pruimentaart gebakken.” Kennen die snotapen dat nog, Vastenavond? Aswoensdag? Vasten, wordt dat nog gedaan? Ze zouden beter die dingen leren op school, alle tradities gaan in dit land naar de knoppen.
Wij moesten indertijd ’s ochtends vroeg nog eerst langs de kerk, een kruisje halen. “Van stof en as zijt gij gemaakt, tot stof en as zult gij wederkeren” murmelde de priester en hij veegde twee zwarte strepen op je voorhoofd. Kwam je zonder in de klas, je kreeg van broeder Gust, het alziend oog van god op aarde, de volle laag. Een halfuur op de knieën op de houten trede vooraan, de armen omhoog, gestrekt. En denk je dat er toen ouders kwamen protesteren op school misschien? Jongens, jongens toch.

Ze zitten naast elkaar op de sofa, met een zwarte stift heeft ze vier dikke dotten getekend naast zijn duim. Ze maakt gekke gezichtjes met de puntjes op haar hand. Ze eten pruimentaart en kijken naar het journaal. Beelden tonen mannen met lange baarden, een grote plastieken haakneus en een sjtreimel op hun hoofd. Ze zijn helemaal in het zwart, kijken nors en aanbidden een klaagmuur van goudklompen.
“Waarom is die mijnheer zo boos, opa?” vraagt het meisje.
“Vorige week met carnaval was jij toch een regenboog? Deze meneren hebben zich ook verkleed. Precies zoals die boze mijnheer, die ziet er elke dag zo uit.”
“Lachen ze met zijn kleren en zijn haar? Waarom?” dringt ze aan.
“Gewoon. Het is toch carnaval.”
“Maar die mijnheer vindt dat niet leuk?”
“Sommige mensen kunnen niets verdragen, Molleke. Het is toch maar om te lachen?” Hij wordt een tikje kregelig, maar op haar kan hij natuurlijk nooit kwaad worden.

“Kijk opa,” zegt ze. Ze gaat voor hem staan, neemt zijn grote hand in haar kleine witte vingertjes en kijkt hem recht in de ogen: “Stip 1: die mensen lachen met de mijnheer. Stip 2: de mijnheer vindt dat niet leuk. Stip 3: die mensen doen verder. Stip 4: die mijnheer heeft pijn.”
Hij zegt niets.
Ze zegt: “Dat is pesten, opa. Dat hebben wij op school geleerd.”

Een archeoloog

Het gebeurde deze week drie keer. Ik trek de voordeur achter me dicht en ontdek wat later dat ik op stap ben zonder portefeuille. Zonder identiteitskaart, rijbewijs of cash. Geen erg, ik weet het, een mens kan zonder. Met je telefoon koop je makkelijk tickets voor bus of trein, betaal je in de broodjeszaak en vind je de weg naar huis terug, als je tenminste het adres nog weet. Maar toch, drie keer.
Soms loop ik de trap op en weet ik boven niet meer wat ik er kom zoeken. Dan realiseer ik me vijf minuten later dat ik mijn tanden zou gaan poetsen. In het warenhuis sta ik maar wat voor me uit te staren, het boodschappenlijstje ligt nog ouderwets thuis op de tafel. En u wil echt niet weten hoe vaak de vuilnisbakken niet tijdig buiten staan, of hoe dikwijls ik geen brood heb gekocht voor morgenvroeg.
Dramatisch is dat niet. Het is het alledaagse vergeten dat ons allemaal wel eens overkomt. Het is een ander soort vergeten dan dat van mijn moeder toen ze het vuur liet branden onder de aardappeltjes. Of toen ze voor de derde keer vroeg hoe het nog ging met de kinderen, achter hun namen moest ze nog even gissen.

In mijn schooltijd leerden wij voornamelijk onthouden. Het hoofd als encyclopedie. De zesentwintig grootste rivieren van Europa, zei de meester van het vijfde leerjaar, tegen morgen vanbuiten kennen. Van buiten kennen betekende: het in je hoofd wurmen, dat vond ik altijd raar.
Dat kan de stomste boer, zei onze vader dan. Wie de stomste boer was, wisten we niet, maar hij kon wel veel: uit het hoofd leren, manieren hebben, veters knopen, proper zijn op zijn eigen. Hij kon meer dan wij.
Petsjora, Dvina, Neva, dat was in het oosten, Elbe, Oder, Wezer al dichter bij huis maar toch nog ver weg, Rijn, Maas, Schelde, dat was bij ons. Zo voeren we tot diep in het zuiden en dan weer richting Azië. De volgende dag moesten we dat stromende water duiden op een blinde kaart. Dat is een landkaart met alleen maar lijnen op. Die wetenschap moest toen allemaal in je hoofd. De moderne mens bewaart ze in zijn telefoon.
Men blijft maar herhalen dat het vroeger beter was.

Ik ken ze nog, mijn rivieren, al leidt die kennis nergens toe. Ze munt uit in overbodigheid. Hoogstens kan je er een fles wijn mee winnen bij een quiz. Al wil ik ze vergeten, alle zesentwintig, ze blijven plaats innemen in mijn hoofd.
Je vergeet blijkbaar niet zomaar wat je wil. Het lief dat van je wegging, de dronken ruzie waar je je nog voor schaamt, hoe op school ook jij die jongen pestte, hoe je die keer dat ene meisje kwetste, die herinneringen wil je kwijt maar ze blijven je achtervolgen.

Merkwaardig genoeg zoek ik vandaag naar fragmenten uit het verleden die, vind ik, niet mogen  vergeten worden. Ik woel en graaf, maak slapende honden wakker, schraap roest van wat al jaren rust. Oude portretten krijgen kleur. Ouders, grootouders, overgrootouders, over-overgrootouders blaas ik nieuw leven in. Ik klauter in stambomen en besnuffel archieven, adem, zoals mijn vader in de koolmijn, wolken stof, opwaaiend uit vergeelde bladen die knisperen onder je vingers, perkament bijna, broos en breekbaar. Ik zoek en tast en puzzel, praat met verwanten die ik een halve eeuw niet meer heb ontmoet. Als een mol graaf ik in de ingezakte gangen van onze familiegeschiedenis. Achter elk verhaal schuilt weer een ander, un train peut en cacher un autre.

Ik wil weten: wie deed wat, wanneer, waar en hoe. En waarom. De lijnen op die blinde kaart vragen om een naam. Voor het grote vergeten begint.

PS:
Vannacht bedacht ik een echt briljante slotzin. Helaas, hij is weg.
Stomweg vergeten toch wel, zeker.

Een avondje uit

Dinsdagavond, Brigitte Kaandorp, Koninklijk Circus, Brussel. Eindelijk, de tickets waren al haast vergeeld. Lachen zou het worden. Goed gemutst trok ik de voordeur achter me toe. Bewakingslichten boven garagepoorten floepten aan, wie in onze wijk beweegt, wordt gezien.
De tramrit verliep rumoerig. Het was het uur dat kinderen en pubers uit de scholen worden vrijgelaten. Ze genoten uitbundig, met grote woorden en luide wie-jo’s. Opgewonden verhalen, die is geschorst, en toen zei die van wiskunde, en die heeft gekust met…
Ik deed of ik doof was.

De weg van metro naar stationshal loopt onder de grond. Tegen een muur zat een man, het hoofd gebogen en de  schouders ingezakt. Voor hem een kartonnen bekertje. Nonchalante jongelui in hoody’s, vrouwen op tikkende hakken en gehaaste pendelaars liepen hem voorbij. Ook ik had niet de geringste intentie om hem enige aandacht te vergunnen. The rich may be rich and the poor may be poor, they all beat the shit out of each other, putain.
Een stevige, zwarte jongeman hield halt, pal voor het gezicht van de bedelaar. Hij rommelde wat in zijn binnenzak, gooide enkele munten in het bekertje. De man op de grond wiegde zijn bovenlichaam naar voren, alsof de schenker een sleuteltje op zijn rug had opgewonden. Toen ik kind was, hadden wij een opwindclown die hikkend lachte als je aan het sleuteltje draaide. Of was het een pop die mama riep, ik herinner het me niet meer precies, het geheugen is onbetrouwbaar.
Het gebaar van de jongeman kleefde me aan de plakkerige grond. Ik verschool me achter een pilaar, scharrelde in mijn portefeuille wat kleingeld bij elkaar en dropte dat, enigszins verlegen, in het bekertje. De man begon weer te wiegen. Hij murmelde iets, enkjoe enkjoe, en keek op. Vanuit de hoogte zag ik zijn ogen waterig blinken. Hij leek gelukkig met die ene euro en twintig cent die ik al bij al toch niet nodig had. Al moest ik wel naar het toilet. Ik kromp een beetje in elkaar, probeerde mijn schaamte van me af te schudden en stapte zwijgend verder.

Om de hoek, voorbij de stukgetrapte glazen deur, zat op de trap een vrouw. Nog geen vijftig schatte ik, al had ze ook vijfendertig kunnen zijn. Ze murmelde tegen zichzelf, had haar hele vrouwelijkheid weggemoffeld tussen vijf of zes lagen kleergoed. Misschien woog ze geen zestig kilo, ze had iets van een sumoworstelaar. Ze bazelde aan een stuk, onderbrak haar monoloog enkel om te slurpen van de halve liter Jupiler in haar hand. Een fijn bierstraaltje zocht vanuit haar mondhoek langs een huidplooi een bedding naar haar hals.
Munten had ik niet meer. Kop in de grond, blik strak vooruit, stapte ik haar voorbij, ik had een trein te halen. Haar rechterhand klemde zich om de leuning van de trap, de sumoworstelaar vocht zich wankelend een weg omhoog. Het kostte zichtbaar moeite. Ik schoot niet als een hulpvaardige Samaritaan naar haar toe, droeg immers dure tickets in mijn binnenzak die me een avond vol vrolijkheid en vermaak garandeerden. Dat was die avond mijn bestemming.
Precies toen ik haar passeerde, de afstand tussen ons geen twee meter, hoorde ik een geluid dat in ons huis in principe enkel pruttelt in het kleinste kamertje. Alsof onder haar klerenbundel een binnenband protesterend leegliep. Alsof haar billen applaudisseerden. Of neen, schrap dat beeld voor het u achtervolgt.

In het station stond mijn date me lachend op te wachten. Voorpret. We keuvelden en ginnegapten, zoals altijd blij om bij elkaar te zijn. In het Centraal Station van de hoofdstad probeerden we, zo goed en zo kwaad als dat ging de omgeving niet in ons op te nemen. We liepen als blinden voorbij de oudere mannen aan de schaakborden, deden alsof we de kartonnen lappen en vuile dekens niet zagen liggen, vermoedden lichamen onder dikke jassen. Een bottine, de zool vooraan losgescheurd, lag naast een grote, uitpuilende tas met blauwe ruitjes. Ernaast sliep een mens. Ik stelde vragen, maar niet hardop. Verzon ook geen antwoorden.

We zetten ons in het warme, rode pluche van het Cirque Royal. De cabaretière was in grote conditie. Ze verhaalde over het ongemak van ouder worden, over haar woonwijk, uithuizige kinderen en bejaarde ouders, beschreef hilarisch haar bezoek aan een staatsdiner in aanwezigheid van de koningsparen van haar en ons land. Als een mitraillette vuurde ze grap na grap na grap op ons af. Tranen in de ogen en pijn in de buik. Dubbel van het lachen, die avond.

Op weg naar huis hebben we niemand meer gezien.

Erexit

Birth. School. Work. Death.
Op de tijdlijn van het leven zet ik vandaag een derde vinkje, een gepast ogenblik om achterom te kijken. “Ok, Schrijver, vertel eens, wat heb je gedaan in luik drie van je bestaan? Wat laat je achter?” Dat heb je met Anna. Als het cruciaal wordt is Anna Lyste, hoofd van de redactie Politiek bij De Schrijverij, een rots.
“Jongens, zei ik, heel veel jongens.

Die jongen uit het tweede jaar, lang geleden, aan mijn voordeur: “Mijnheer, het is om te zeggen dat ik die plaat kom brengen van Roxy Music maar ik ben ze vergeten.”
Die rare puber uit mijn beginjaren, die aan een piepjonge juf zijn pietje wilde laten zien. “Het was maar om te lachen, mijnheer.” Humor, een moeilijke discipline. “Bedenk een hashtag om het af te leren,” zei ik hem. Niet dus, maar het had gekund.
Een vraag op de eerste lesdag, in de brugklas: “Hoeveel letters kent ons alfabet?” “Veertig,” antwoordde de jongen. “Schrijf die eens op,” zei ik. Hij kwam tot zestien.
Een glunderende mama op een ouderavond: “Dank u mijnheer, zulke mooie woorden schreef nog nooit iemand op zijn rapport,” of: “Hij gaat graag naar school, nu.”
Het jongetje dat ik naar huis bracht, de houten maquette waar hij een week had aan gewerkt, voorzichtig in zijn twee handen. Hij ging zitten op de grond naast de voordeur. “Ik wacht hier, papa werkt tot zeven uur.” Een geensleutelkind.
Of de knaap die thuis aanbelde na een driedaagse en zijn zus die opendeed: “Hey Achterlijke, wat kom jij hier doen?”
En natuurlijk, na hun afstuderen, de dronken kerels aan de toog: “Weet je nog, mijnheer? PAV is alles en alles is PAV?”
Ja, ik weet dat nog.”

“Met die verhalen moet je misschien iets doen, je hebt er nu de tijd voor,” zei Anna, er zitten mooie tussen.“
Ik antwoordde, een beetje weemoedig:
“Net als van de dode zanger mag je van me zeggen dat ik een dromer ben. Ik ben niet de enige.
Het ideale wilden we, niets minder. Niet voor ons, voor hen. Geboren in de jaren van goud, geloofden wij in de maakbaarheid der dingen. Wij dachten voorbij het leerboek. Een leerling was niet zomaar een leerling. Het was een mens van vlees en bloed, een kind van iemand, al dan niet bemind. Het was niet ons eigen kind, maar het had gekund.” Ze lachte haar fijne lachje, gelukkig.
“Wij oordeelden niet maar reikten onze handen. Ook wie door iedereen was opgegeven, kon wat. Er moest alleen ook iemand in geloven. Plus est en vous, zegden wij, kom. Het badwater kieperden we weg maar het kind wilden we houden. Koppig, soms ook tegen beter weten in. Je kan ze niet allemaal winnen, maar we hebben minstens geprobeerd. Yes, we can en when they go low, we go high.”

Ik raakte helemaal op dreef: “Van miljoenen gesprekken en discussies, over drugs of refterkosten, zin van proefwerken of jaarplannen, over koffiezetten en tafels ruimen in de leraarskamer, mocht ik verslag doen. Mijn amusement. ‘Hij leerde zijn volk lezen’, zei ik, als ik zag hoe gretig die schrijfsels werden verslonden. Proficiat, schreef ik met lichte spot in lettergrootte acht onder een verslag, u leest ook de kleine lettertjes. We lachten wat af in die dagen.
Soms woei de wind ons loeiend tegen, we wilden schuilen noch buigen. We staken het hoofd boven het maaiveld en ontweken de zeisen. Meer groen, vroegen wij, we kregen stenen in de plaats. Taaltips, Gedichtendag, Gelijke Kansen, Zorg, Schoolprojecten, Evaluatiesystemen, onbegrip, hoongelach, weerstand. Aan zelfverklaarde pedagogen in ivoren torens smeekten we, tegen de tijdsgeest in, om mededogen en begrip voor het geknakte kind. We sloopten heilige huizen en stuiterden op ego’s. Nu het voorbij is, snap ik het, we waren onze tijd vooruit, l’histoire se répète.

“Heeft het dan allemaal wel zin gehad,” vroeg Anna. Echte vrienden mogen alle vragen stellen, ook als ze pijn doen.
“Zeker en vast,” knikte ik overtuigd. “Die kleine jongens arriveerden op kleine fietsjes met kleine wieltjes aan de zijkant. Die vezen we er eerst af. Dan gingen we samen op zoek, naar evenwicht en een haalbaar pad. We gaven ze een duwtje en viel er eentje, we raapten hem op: en avant, opnieuw, volgende keer beter, tot het lukt. Van de honderd fietsen er vandaag misschien negenennegentig vlotjes door het leven. Enfin, een beetje zoals wij dan toch.
We hebben, zoals de zegswijs zegt, stenen verlegd waardoor rivieren konden stromen. Voor velen hebben wij echt een verschil gemaakt. Dat hebben we gedaan. Daar mogen we trots op zijn.”

Anna walste de champagne in haar glas.
“Zeg, eerlijk,” zei ze en ze aarzelde even, “tussen ons, heb je dan werkelijk nergens spijt van?”
“Herman Brood, een andere dode zanger, zegt: ‘Spijt is wat de koe schijt,’” zei ik.
“Het is tijd voor deel vier. Proost.”

Minnie

In de garage lag een muis. Haar laatste adem liet ze in de enge opening tussen de blauwe zak voor PMD en de grote doos voor het karton. Niet groter dan tien centimeter was ze, de vacht nog vaal glanzend, grijsbruin. Haar zwarte ogen keken naar me, alsof ze nog wat wilde vragen. Ocharme Minnie, lispelde ik. Dat had ik misschien niet mogen doen. Dat schept een band, een naam geven, betrokkenheid. Voor je het weet ben je Charlie, of raak je gehecht aan baby Pia. Daar komt alleen maar pijn van.

Ik trok een flesje Duvel open en zette me op de halfvolle bak. Ik keek naar het lijkje.
Proost Minnie, zei ik, op jou.
Vanwaar kom jij, muisje, wat bracht je hier? Koos je zelf deze plek, of heeft de dood je overvallen, onverwacht en laf, zoals de dood dat doet?
Het diertje bleef zwijgen. Haar blik kleefde zich aan mij.

Ik nam een slok. Gaf het leven je waar je als klein muisje van droomde, Minnie? Leerde je flink graantjes tellen in de muizenschool? Las je moeder je voor het slapengaan sprookjes, over boosaardige uilen en hermelijnen die je, als je ongehoorzaam was, zouden komen roven uit het nest, vetmesten en aan stukken scheuren?
Ik vroeg me af hoe het eraan toe gaat in de wereld van de veldmuis. Bestaat er een hiërarchie? Zijn sommige soorten machtiger dan andere of zijn veldmuizen adepten van Marx en Engels? Klopt mijn vooroordeel, streven zij in hun leven alleen maar naar eten en seks? Misschien lijken we meer op elkaar dan we willen toegeven, Minnie, glimlachte ik. Was zij zich überhaupt bewust van het bestaan van de mens? Is voor veldmuizen de veldmuis de parel aan de kroon van de schepping? Geloven zij in een Grote Knager? En heeft die voor elke muis dezelfde naam en betekenis?

Hou oud werd je uiteindelijk, Minnie? Anderhalf jaar? Stel, je was geslachtsrijp na drie maanden, wat aan de late kant. Dan had je vijftien maanden de tijd om te jongen. Neem een worp of zes, zeven, met gemiddeld zeven minimuisjes per keer. Dan heb je tussen de veertig en vijftig kindjes op de wereld gezet. Dan heb je niet voor niets geleefd, Minnie, gefeliciteerd.
Ik goot nog een flinke teug naar binnen. Mijn gedachten driftten weg. Stel je voor dat deze berekening klopte. Als elk wijfje zo kweekte, we werden binnen de kortste keren overspoeld door een muizentsunami. Gelukkig zorgt de natuur zelf voor haar evenwicht, bestaan er marters en katten en roofvogels om die populatie binnen de perken te houden.

Waar zijn al je kinderen, Minnie? Maakte je nog afspraken of verdween je als een dief in het duister van de nacht? Reisde je alleen? En je vrienden, je familie? Lieten zij jou in de steek, of omgekeerd?
Wat zocht je in dit huis? Een schuiloord? Dacht je te overwinteren tussen onze restanten, je te goed te doen aan onze ontbijtgranen, je vol te vreten met de zaden en noten die wij in onze kelders bewaren? Had Magere Muizenhein met zijn kleine zeisje je niet een halt toegeroepen, hier en nu, met hoevelen zouden jullie je dan op deze plek hebben genesteld? En wat had dat voor ons betekend?

Ze bleef onbeweeglijk naar me kijken. Ik kieperde het laatste restje van mijn flesje achterover.
Dat was het beeld, aan de ene kant ik, op een bierbak, een leeg Duvelflesje in mijn hand. Aan de andere kant, tussen karton en PMD, Minnie de dode muis, met zwarte ogen die me niet wilden lossen.
Ik nam een plastieken schepje voor in de zomer op het strand. Achteraan in de tuin, onder de eik, groef ik een kuiltje. Voorzichtig, om haar in haar eeuwige slaap niet te storen, legde ik Minnie, in een versleten doekje, in haar graf. Ik schoof er de aarde over.
Zo lig je tenminste warm, zei ik.

Weer in huis zette ik de radio aan.
De nieuwslezer berichtte over een ongeluk. Een rubberen bootje kapseisde, wierp zestien mensen, in zelfontworpen zwemvest, in de ijskoude Noordzee. Met man en muis vergaan, zei hij.
Namen noemde hij niet.

Die jongen

Jaar 2

In de kelder vond ik nog een foto, zie bijlage, had hij gemaild. Hij woont tegenwoordig in Afrika, maar ooit volgden we samen een opleiding. We leerden voor leraar. We filosofeerden samen, studeerden, fantaseerden. Kaarten deden we ook. Een keer overspeelde ik mijn hand, een driedubbele miserie op tafel. Die bluf kostte me een kleine driehonderd Belgische Frank, mijn weekgeld.

Op de foto een docent en negentien studenten, jonge blanke mannen. De meesten dragen een trui over een hemd met puntige kraag en een broek met breed uitwaaierende pijpen. Mijn blik blijft hangen bij de jongen met de lange, goudkleurige haren op de tweede rij. Hij kijkt terug. Hij lacht. Wij kennen elkaar. Ik ben hem geweest.

“Waarom wapent gij u met een glimlach,“ vroeg een paar jaar eerder de directeur van het middelbaar. “Dit schrijven de leerkrachten over jou op je rapport. Arrogant. Kinderachtig. Moet altijd het laatste woord. Weerbarstig. Betweter. Een storend element. Toont geen respect. En ook: maakt deugden van zijn gebreken.“
Ik ben die arme schoolfrikken van toen nog altijd dankbaar. Het is goed je al jong bewust te zijn van je kwaliteiten.
“De lach is het wapen van de clown,” zei mijn klassenleraar.

“Waarom die lach, clown?” vraag ik mijn scherm.
Niet omdat je per se daar wilde zijn. Leraar worden zag je niet als hoogste streven in het leven. Maar je wieg stond niet in een wereld waar men dromen en fantasieën najoeg. De centen werden er verdiend in het zweet des aanschijns. Men beet er in, ze werden omgedraaid. Dat beperkte drastisch de opties wereldreizen en universitaire loopbaan.
Je was een dagplukker. Zelf zou je je wellicht een Carpe Diemist hebben genoemd. Je gebruikte graag moeilijke woorden, wilde je bewijzen, een woordhaan. Dan zei je op café: “Als je dat epibreert komt het vanzelf wel goed.” Om je het zwijgen op te leggen, trakteerde men je nog een pint. Wat kon het je ook schelen? Ontelbare dagen lagen nog voor je uitgespreid, het leven was een wazig web waar je doorheen moest, over hoe dat zou gaan had je weinig of niets te zeggen. Je zou wel zien.

Je leerde over ingewikkelde dingen. Boomdiagram en dieptestructuur van een zin. Taxonomie van Bloom. Didactiek, pedagogiek. Je volgde onderricht bij een wijze pater, viel van je stoel en je geloof. De stoel klom je weer op. Je leerde er lessen uitschrijven, van het eerste gesproken woord tot het laatste. Een oefening in dialogen maken. Ruimte voor improvisatie liet men niet.
Je leerde er niets over de lerarenkamer. Over ongeschreven wetten die je stilzwijgend diende te onderschrijven. Over lobbyen voor lessenroosters en opdrachten. Niets over de olifanten in die kamer en hoe je moest doen alsof je die niet zag.
Je leerde over de aanpak van de moeilijke leerling. “Fixeren. Blijven aankijken. Wordt hij niet rustig, strenger fixeren. Volhouden, op de duur kalmeert hij vanzelf wel.” Toen je dat later in praktijk omzette, vroeg de leerling: “Heb ik iets van u aan, misschien?”
Pedagogen, van nature wereldvreemd, waarschuwden: “Vermijd de beroepsschool. Die leerlingen daar zijn onhandelbaar, halve wilden, die eten je op.” Men had het hier over je vrienden op hun zelf gebricoleerde Zundapp. Over je broers die liften installeerden, rekken vulden of haren bij elkaar vaagden in dameskapsalons.
Je besefte het niet, maar je leerde er meer dan je wel dacht. Je leerde welke leraar je niet wilde worden. Jij zou geen doorgeefluik zijn van boomdiagrammen en dieptestructuren of moeilijke woorden als taxonomie. Dat kon iedereen wel.

Jij was anders. Jij had idealen. Jij zou gaan voor de bricoleerders van de Zundapp, de liftenbouwers, de harenvegers. Jij wist waar ze woonden, hoe ze dachten, hoe het voelde om onhandelbare wilde te worden genoemd. Jij sprak hun taal. Je zou de boswachter worden die eens stroper was.
Je zou het in de loop van je leven wel duizend keer herhalen:
“Het is allemaal een kwestie van graag zien.”