Blog

Zoomen

               Die middag werd ik voor een bespreking verwacht in de stad. Buienradar.be hield het droog, dus er met de auto naartoe was geen optie. Omwille van zijn ouderdom mag de minivan toch al de stad niet in en filerijden als vrijetijdsbesteding vind ik een nog waanzinniger concept dan Koen Kennis als Schepen van Mobiliteit.

               Openbaar vervoer zou kunnen. De haltes liggen op loopafstand, Google Maps gokt op een reistijd van een klein uur. Ik heb helemaal niets tegen bus of tram maar echt gezellig is het niet en een uur zomaar wat voor je uit zitten staren tussen die andere sufkoppen die ook niets te melden hebben is niet mijn kopje thee.
               Wandelen misschien? Goed voor het herstel van mijn hielspoor, een ongemak waarvan de naam me doet denken aan een giftig onkruid.  ‘Uw voeten staan verkeerd,’ zei de podoloog, een forsgebouwde man met een Duits accent. Dat die vaststelling wel redelijk laat kwam, antwoordde ik. Op een bepaald moment denk je toch jezelf te kennen, je geest en je lichaam en daar doe je het dan mee. Niet dus. ‘Glücklich hebben we daar iets voor,’ zei de voetenman. Sindsdien loop ik op steunzolen door het leven, rol ik tweemaal daags een met ijs gevulde fles onder mijn voetzool en stretch ik zo vaak ik kan mijn tenen als een ballerina. Je verwacht het niet, maar het dragen van een tutu doet iets met een man.
               Uiteindelijk opteerde ik voor de fiets. Ik houd van fietsen. De wind om je hoofd, de geluiden van de straat, het palet aan geuren onderweg. Fietsen is gezond en je hoeft niet op zoek naar een parkeerplaats. Mijn fiets, een oudmodische Trap-Hem-Zelf, is ongeveer even oud als ik.
               De wind stond fors tegen, het oude ding kreunde en kraakte maar dat kon de pret niet drukken. Tegen de wind weet de eenzame fietser zich sterk. Al van bij de start schoten mij links en rechts gemotoriseerde tweewielers voorbij. Ik ben de laatste pedaleur op mankracht. ’s Avonds beloon ik mij daarvoor met een koppel ijskoude Duvels of een fles witte wijn uit een goed jaar. De volgende ochtend protesteert de weegschaal. Onze relatie is problematisch. We zijn allebei van goede wil maar misschien niet echt voor elkaar gemaakt.
               Ik ben een fietser uit een oud Hollands boek, wapperende sjaal en manen, een zweetdruppel op het voorhoofd. Geen luidsprekers in mijn oren, geen halve kokosnoten eroverheen, geen telefoon op de oorlel gepind. Ik hoef niet steeds bereikbaar te zijn, zo belangrijk ben ik niet. Ik ben keihard old skool, ik respecteer zelfs nog min of meer de regels. Misschien kent u ze ook nog. Bij rood moet je stoppen, een blauw bord zegt waar je rijden moet, het rode bord verbiedt. Die details.

               Volgens Ann Christy is gelukkig zijn een deur die plots opengaat. Dan bedoelt ze vast niet het openzwaaiende achterportier van de lichte vrachtwagen die zich op het fietspad parkeert. De bestuurder merkt je nooit op, het hulpje uit de winkel zet zich pardoes in het midden van de fietsstrook. Vloekend slalom je tussen de messcherpe laadklep en de uitgestalde bakken sla, tomaten en watermeloenen, terwijl aan de andere kant een jongetje zigzaggend op een loopfiets met ernaast zijn mama achter een met boodschappentassen overladen kinderwagen hetzelfde proberen te doen. Je overleeft.
Uit de volgende zijstraat schiet een BMW met getinte ruiten naar voren. Het rood van het fietspad werkt als een lap op zijn gaspedaal. Remmen waren net als pinklichten een optie waarvoor je moest bijbetalen. Het leven is hard voor iedereen.
Onversaagd trap ik door. Voor de jongens van Pizza Domino en Deliveroo op hun brommertjes telt elke seconde. Zij erkennen slechts één rijrichting, de hunne, en één snelheid, de hoogste. Het fietspad is een bowlingbaan, wie de helm draagt is de bal, dat maakt jou de kegel. Toch begrijp je die jongens, je was zelf ooit ook zo, de dagen dat ook jij moest bakkeleien voor elke cent vergeet je nooit.
               Als steprijscholen niet bestaan, dan moet iemand ze dringend uitvinden. Aanbevolen Stepattitude: recht de rug, span de schouders, borst vooruit, kin omhoog, staar naar het verste punt aan de horizon. Moedig Voorwaarts, Step en kijk niet om en ook niet op. Zie niet, Hoor niet. Step Stokstijf, waar het kan op ramkoers. Ben je er klaar mee, slinger het ding zover je kan van je weg, liefst op een plek waar de hinder maximaal is.  

               Mijn bijdrage op de bijeenkomst beperkte zich tot het voorstel om de volgende keer gewoon als vanouds weer lekker te Zoomen.

Velpop 100

               Radio 1 houdt Belpopdag. Honderd muziekstukjes van uitsluitend Belgische snit. De luisteraar bepaalt de volgorde, Alles Begint bij Luisteren is immers het huisdevies. Het plaatje dat het meest gevraagd wordt, wint. Tegen zes mag de kurk van de fles. Dan overstijgt een Ruimtevaarder een pesterige leraar, tuimelt in Ploegsteert een wielergod van de fiets of bladeren verderop Twee Meisjes op een strand in modebladen.

               Op wie te stemmen?
               Ik grasduinde door de lijst van vorig jaar, speurend naar liedjes uit de tijd van de Belgische Radio en Televisie. De Vlaamse zanger smeekte om er te mogen worden gehoord.
               ‘Onze eigen muziek vinden ze te min op de BRT,’ beweerde onze vader, zelf nochtans ook bepaald geen adept van het Vlaamse lied. The Strangers, Schele Vanderlinden, ja, lachen. Of Louis Neefs, pinten pakken met Benjamin. Maar dat was het dan wel ongeveer.
               Onze zielen waren onbesmet, onze hormonen sliepen nog, we waren naïef genoeg om hartstochtelijk te delen in de pijn van het levenslied. Ik zag hem daar echt staan, Willy Sommers, aan die voordeur van dat rijhuis, in zijn armen een bruidsboeket van Zeven Anjers, Zeven Rozen. Hij klonk zo triest en ongelukkig dat wij heel zeker wisten dat ze nee zou zeggen. Een kind voelt zoiets. We leerden tevens dat liefde je veel geld kan kosten en dat zelfs ook dat geen garantie biedt op een kus.   
               Zo mooi, Zo blond en Zo alleen waren wij, net als Jimmy Frey. Het zou niet mogen zijn. Jimmy, de tachtig voorbij nu, heet weer gewoon Ivan Moerman en geniet van elke dag die hem nog is gegund. Aan het eind komt alles goed. De getormenteerde wanhoop van de jeugd ruimt ergens onderweg plaats voor de rustige weemoed van de oude dag. Iets om naar uit te kijken.
               ‘Ik ben verliefd op jou,’ kwetterde Paul Severs wanhopig.
               ‘Paul Zevers zou een betere naam zijn,’ mopperde onze vader. Wij daarentegen kweelden luidkeels met Paul mee, het galmde over de tuinen en daken van onze wijk naar achterliggende huizen waarin meisjes woonden die Suzanne heetten, Marina of Hilde. ’s Nachts versmoorden wij ons verlangen in zoute tranen met de handen onder de lakens.
               Geen levenslied helaas in Belpop. Het behang van onze jeugd verbleekte onder de adem van de tijd. Alleen nog Will Tura, langer dan zestig jaar de gekroonde koning van het Vlaamse lied, neemt Eenzaam Zonder Ons plaats op nummer 41, net voor Naar de Wuppe. Grapje van het lot.
               Ook BRT zelf is niet meer. Het moest met V, tot meerdere glorie van onze Vlaamse volksaard en het eeuwige geneuzel daaromtrent in dit plat pays qui est le mien (op 56 overigens).

               Hoe Belgisch oogt dan nog de Belpoplijst?
                Ik zocht naar Pierre Rapsat – ‘Rapsat? Rap zat, zeker,’ (onze vader) – om een of andere reden bezorgde zijn Judy et Cie mij weleens een warme ril. Ik vond hem niet.
               Jean Vallée dan, ‘L’ Amour, c’est tellement fantastique’, ‘L’ amour, on devient musicien, de vrais petits Chopin, rien que pour une blonde’, voor hoeveel blondines hebben wij deze aria niet op de knieën gedeclameerd, compleet en al in de taal van Molière en de Liefde? Die Jean Vallée dus, uit Verviers, geridderd, de eerste keer achtste op het Eurovisie Songfestival, bij de herkansing tweede. Tweede! Dat is bijna ABBA. Niet in de lijst.
               Enkel Sandra Kim deed ooit beter. Ik weet nog waar ik was die avond in de lente van 1986. Achter de tapkast tijdens een huwelijksfeest. De dans hield halt om te luisteren naar de ultieme points of de zury op de radio. Een meisje van dertien hield van het leven en wij dus ook, iedereen rap zat. Ik heb haar gezocht, Sandra Kim. Helaas ook niet gevonden.

               Tegelijk met de B heeft de V ons nationaal erfgoed uit het geheugen geramd. Acht Franstalige liedjes slechts op honderd. Acht. Adamo, het zou nog mankeren. Angèle en Jo Lemaire. Stromae natuurlijk, twee keer, Formidable quoi?
               Brel, grootste Belg bezuiden de taalgrens, meester Jacques, passie in persoon, meer parels aan de kroon dan een top tien kan bevatten, drie keer. Op ocharme zevenenzeventig, zesenvijftig en uiteindelijk op twintig het tijdloze, altijd weer opnieuw beklijvende Ne me quitte pas. Op twintig. Een schande is het, Luisteraar.
               Misschien luister ik straks nog wel maar Belpop is het niet.

Dertien levens

               De mens is een gewoontedier. Ik ook. Elke ochtend hetzelfde ritueel: koffie, een licht ontbijt, badkamer, weer koffie. En dan is het boekentijd. Gehuld in een schort met rode papaverprint, een paarse plumeau in de ene en een stofdoek in de andere hand lanterfant ik wat tussen de rekken van mijn bescheiden bibliotheek. Net als alles wat leeft op de planeet hebben ook boeken nood aan zorg en liefde. Niet alleen omdat hun inhoud ons gemoed verrijkt, maar ook omdat zij bedacht en geschreven zijn om de tand des tijds te doorstaan. Ook een boek wil zich nog op gezegende leeftijd spic en span aan de potentiële lezer of lezeres kunnen presenteren.
               Strak gelijnd staan ze in het gelid, geordend op auteursnaam van A naar Z. Geen ezelsoor is gepermitteerd, onderstreping noch kanttekening wordt getolereerd, ook niet als ze vrijwel ondoorzichtig met fijn potlood werden opgetekend. Mijn boeken behandel ik als geliefden, ik streel hun ruggen met de zachte pluim, aai ze, fluister iets liefs of neem ze teder in mijn handen waar ze hun bladeren gewillig door mijn vingers laten betasten.

               Ik ontdoe ze van de onooglijke schilfers en het laagje fijn stof dat het voorbije etmaal ongevraagd op ze is neergedaald. Minuscule restjes van mijzelf zijn dat, dat leerde ik bij de letter D van Dekkers, Midas. In zijn ‘De Vergankelijkheid’ beschrijft hij hoe onze cellen voortdurend in beweging zijn. Oude sterven af, nieuwe komen in de plaats, zij het van een wat mindere kwaliteit. Je darmen vernieuwen zich op een paar dagen, je huid doet er jaren over, je hersenen hebben meer tijd nodig. Dat laatste valt weleens te betreuren, je wenst menig medemens sito presto een nieuw brein toe opdat ze in hun vijftigste levensjaar zouden ophouden snot te willen lurken uit de neus van een ander, een vrijetijdsbesteding die wij afbouwden aan het eind van onze peutertijd.

               Fascinerend vind ik dat, opnieuw geboren worden, een fabelachtig geschenk van Moeder Natuur. De complete wissel duurt zeven jaar, dan ben je helemaal nieuw. ‘Ik ben altijd zo geweest,’ hoor je weleens. Dat klopt dus niet. Niemand is na zeven jaar nog die baby op dat schapenvel met die fonkelende blauwe oogjes. De weerbarstige puber, betweterige student, de ambitieuze dertiger, schuinsmarcherende veertiger, nog altijd flukse vijftiger, ze bestaan niet meer, ze zijn vergaan tot stof en as zoals de Schrift het heeft voorgeschreven, met plumeau en stofdoek weggevaagd en het huis uitgeklopt, gejaagd door de wind.
               Ik beeld me in dat de laatste versie van jezelf, nummer dertien of veertien, inhoudelijk de beste is, met al die wijsheid en ervaring die je een leven lang vergaard hebt. Betreurenswaardig wel dat je bouwstenen inmiddels van inferieure kwaliteit geworden zijn. De motor wil zich nog bewijzen maar de carrosserie kan het niet meer aan. De vergankelijkheid, tragisch en onontkoombaar.

               Het is niet iedereen gegeven, realiseer ik me als de paarse veren aaitjes geven aan de M van Mijlemans, Marc. ‘Mijl op Zeven’ heet het boek, een verzameling tv-kritieken en kortverhalen van een begenadigd journalist/tv-criticus/auteur uit de vorige eeuw. Hij werkte voor het toen nog eigenzinnige blad HUMO en pende op wekelijkse basis parels bij elkaar als: “Zaterdag. De wekker loopt af als een kind met stuipjes. Eén stap buiten de lakens ligt de Noordpool; in het water van de wasbak plenzen jonge ijsbeertjes.” of “Op zaterdag hult C. zich in zwart en zet haar beste beentje voor. Op zaterdag lééf ik.” Erotiek in een vingerhoed.
               Op de achterflap kleeft de auteur in zwartwit tegen een bar. Achter hem een flinke voorraad geestrijke drank en een kasregister dat je vandaag enkel nog vindt in Het Huis van Alijn. Een jonge man met een veelbelovende toekomst, achtentwintig, vier stofwisselingen ver. Vier, wat stelt het voor? Zijn geadoreerde C., gezel voor het leven en moeder van hun nog jonge dochter, lost na een fatale hersenbloeding voor eeuwig op in het grauwste zwart. Het niet te beteugelen verdriet dat daarop volgt, vertaalt zich achttien maanden later in een al even ongenadige kanker.
               Donderdag was het precies vijfendertig jaar geleden dat Marc Mijlemans overleed. Ik herinner mij nog het ongeloof, de hand voor de mond, de stomp in de maag. Hier hadden nog makkelijk acht, negen nieuwe versies bij gekund, denk ik terwijl de stofdoek helemaal autonoom de achterflap blijft liefkozen.
               Doe mij dan toch maar de vergankelijkheid.

Tinderen

               Wat is deze wereld anders dan een balzaal waar acht miljard huidhongerigen op zoek zijn naar een maatje om te paardansen? Gelukkigen vallen elkaar pardoes in de armen, anderen dralen, talmen als een oud besje aan de groentekraam dat liefst elke paprika of mango uitgebreid bepotelt, twijfelaars kleven als klimop aan de muur, beduusd en verlegen of tijdens een eerdere dans pijnlijk op de tenen getrapt. In hun ogen lees je de angst om nooit meer liefkozend te worden omarmd en als een ballerina te worden opgetild.
               Ook voor die eenzamen is er hoop. Die heet Tinder. Een kinderlijk eenvoudig appje. Jij vertelt eerlijk over jezelf, een ander doet het ook en Tinder zegt of jullie matchen. Uiteindelijk behoud jij de eindredactie over de finale swipe. Is in politiek en maatschappij de krijtlijn tussen links en rechts uitgevaagd, Tinder is helder: links is een No Go, rechts een Yes You Can.

               ‘Schrijver, schets eens wie ik ben in pakweg vijfhonderd tekens,’ vroeg een vriendin onlangs, een vrolijke dame van middelbare leeftijd met een gouden hart, goedlachs, houdt van uitgaan maar blijft ook graag gezellig thuis, zorgzaam bovendien en gedienstig. Ze houdt van films, dansen, reizen, koken en lekker eten. Aan de afschrikzijde vermeldde ze gescheiden, twee kids.
               ‘Jamais de ma vie zou ik daten met iemand die kids zegt,’ zei ik.
               ‘Omdat jij een moeilijk karakter hebt. Jij legt op te veel slakken zout. Sorry, maar iemand moet het zeggen. Maar ik blijf je altijd graag zien hoor.’
Bij de kids vermeldde ze nog dat die het nest al waren uitgevlogen en dat ze een man zocht moest er ook nog bij, om mogelijke misverstanden te voorkomen. Haar aanbod leek ons de gebraden kip waarvoor de hongerige eenzame enkel nog de mond hoefde te openen.

               Een week later klonk ze depri aan de telefoon. We keuvelden wat, over alweer geen winter, dat ook de eenvoudigste trui in de solden nog stukken van mensen kost en allebei vonden we Tom Waes in Undercover weinig geloofwaardig. Toen diende de Vraag der Vragen te worden gesteld:  
               ‘Heb je al reacties gehad,’ vroeg ik. Een tijdje bleef het stil.
               ‘Eentje.’
               ‘Beter één vogel,’ probeerde ik.
               ‘Ach, deze zingt een droevig lied,’ antwoordde ze, ‘Luister’:

‘Mijn vader was Belg en mijn moeder kwam uit de VS, ik ben geboren in België, maar groeide op en studeerde in de VS. Mijn ouders hadden een zakelijke onderneming in North Dakota, VS, dus we woonden in North Dakota, waar ik naar de universiteit ging (University Of North Dakota).”

               ‘Klinkt logisch,’ zei ik.

“Mijn ouders zijn 22 jaar geleden overleden. Mijn vader stierf op 85-jarige leeftijd en mijn moeder op 80. Ik was het enige kind dus erfde ik de eigendommen van mijn vader.”

               ‘Als zijn vader tweeëntwintig jaar geleden vijfentachtig was, hoe oud zou hijzelf nu dan zijn?’ vroeg ik, maar ze ging onverstoord door.

               “Ik ben op 30-jarige leeftijd in de VS getrouwd en heb 23 jaar gelukkig samengewoond. Helaas is mijn vrouw twee jaar geleden omgekomen bij een auto-ongeluk met mijn enige kind. Het was een groot verlies voor mij, het was alsof alles voorbij was, ik zat in de problemen, ik huilde ’s avonds laat in mijn kamer.
Ik ben 7 maanden geleden naar België verhuisd, ik heb maar twee maanden in Antwerpen gewoond voordat ik vijf maanden aan boord van het schip ging. Ik heb minder dan drie weken om aan boord te blijven. Ik ga met pensioen na deze reis.”

               ‘Wacht even,’ probeerde ik weer. ‘Dus we hebben hier een bejaarde universitair die vijf maanden voor zijn pensioen matroosje gaat spelen?’ Ze negeerde me.

               “Ik keerde terug naar België omdat ik de rest van mijn leven in mijn thuisland wilde wonen. En zoek ook een leuke vrouw waar ik gelukkig mee kan leven. Er was voor mij geen enkele reden meer om in de VS te wonen.
Ik ben een scheepswerktuigkundige, dus ik werk op een schip terwijl het vaart. Momenteel ben ik op mijn laatste reis naar Azië, maar zal binnen minder dan drie weken terug naar mijn huis zijn. Ik hoop dat je geduldig op me kunt wachten.”

               ‘Die drie weken zijn het probleem niet, wel?’ vroeg ik.

               “Toen ik je voor het eerst op TINDER zag, was het eerste dat in me opkwam wanneer, waar en hoe ik je kan zien. Maar binnenkort zullen we samen zijn als alles goed gaat voor ons allemaal. Je kunt me meer vertellen over je familieachtergrond en je mag me altijd alles vragen.
Hoop snel van je te lezen”

               ‘Arme stakker,’ zei ze. ‘Mijn hart bloedt. Ik heb zo met hem te doen. Zal ik …?’
               ‘Swipen! Naar LINKS. Nu!’ antwoordde ik.
Het bleef toen een hele poos stil, slechts af en toe onderbroken door een hulpeloze zucht.
               ‘Ik heb hier nog wel wat rode wijn,’ zei ik tenslotte, ‘Kom maar af.’
Want ik zie haar ook graag.

Gewone mensen

Wanneer de zon het vertikt om op te staan, de nacht ongemerkt dag wordt en weer nacht en wolken verstuiven tot smurrie en smodder, willen wij graag de Heer loven en prijzen en hem danken voor alle wonderen van Zijn schepping en de uitvinding van streamingsdiensten in het bijzonder. Geruggesteund door Netflix en VRTNu dromen wij ons door de winter, verfrommeld onder een fleece deken, slechts gehuld in een slonzige pyjama, in gezelschap van een mok hete chocola, een koekje van speculaas en marsepein en onze Zapper, trouwe metgezel, volgzamer, goedkoper en minder vermoeiend dan een Dalmatiër of Siamese kater.

Wij teleporteren ons naar de weeën en troebelen van de Britse Upper Class in Downton Abbey. Ach, ach, wat hadden ze het moeilijk in het eerste kwart van de vorige eeuw, die Lords en Lady’s met hun jachtpartijen, party’s en amoureuze machinaties, de teloorgang van de etiquette, de vooruitgang en de alsmaar luider klinkende stem van de gewone man.
Als een kind laven wij ons aan dit sprookje. Een boosterprik voor oog, oor en monkellach, niet in het minst dankzij de stokoude doch immer messcherpe Dowager Countess of Grantham:Servants are human beings too, but preferably only on their days off.’ Zoals dat gaat in sprookjes, eindigt iedereen gelukkig: er wordt trouw gezworen uit oprechte liefde, de booswicht komt miraculeus tot inkeer en in een warme kamer wordt een kind geboren terwijl buiten feeëriek sneeuwvlokken een wit tapijt draperen over het land.  
Carson, een zakdoekje, graag.

U en ik echter weten beter. Het leven is geen sprookje, al helemaal niet voor gewone mensen zoals wij en het eenzame tienermeisje Marianne uit Normal People, opgroeiend in een verhakkeld gezin, intelligent en eigenzinnig en gebukt onder veel te veel pijn op veel te jonge leeftijd. De hel zijn echt de anderen. Ze vecht voor zichzelf, Marianne, tussen de zee identieke schooluniformen in de eindexamenaula pronkt haar gele trui als de zon aan een grijze hemel. Er wonen veel Mariannes in Marianne.
Connell is de held van het rugbyveld. Vanbuiten een David van Michelangelo, vanbinnen vloeibaar als honing. De trots van de moeder, slim, betrouwbaar, het hart op de juiste plaats. Mocht ik opgroeien in Sligo en behept zijn met een andere geaardheid, nou. ‘Als je het niet fijn vindt, kunnen we altijd ophouden,’ stelt hij Marianne gerust als ze voor het eerst aan de liefde gaan doen. Een sprookje, zou je denken, a match made in heaven.

Maar ook in Connel wonen meerdere Connels en u en ik weten inmiddels, sprookjes bestaan niet. Elkaar graag zien is nog geen garantie op geluk. Connell heeft een reputatie hoog te houden: ‘Jij en ik, dat vindt de wereld wellicht een beetje raar.’ Marianne knikt. Het past bij haar zelfbeeld. Tranen vloeien pas nadat hij de deur uit is. Ze accepteert dat hij haar binnen de schoolmuren negeert, dit is het spel, dat zijn de regels, zo moet het worden gespeeld. Als Connell niet haar maar de blitse blonde meevraagt naar het bal, zoomt de camera in op een schokkende rug in een rommelig meisjesbed.
Carson, hoe herstel je een gebroken hart?
Een keer komt hij voor haar op, als ze op een feestje wordt bepoteld door een dronken klasgenoot. Verder benadert hij haar in het openbare leven ijziger dan een ijsbeer op de Noordpool in hartje winter.

Zij trekken aan en stoten af, in trage close-ups en lange stiltes. Woorden maken stuk, je bent er beter zuinig op. Wat niet wordt uitgesproken zegt vaak het meest. 
‘Ik ga,’ zegt hij.
‘Ik blijf hier.’ antwoordt zij. ‘We zullen dat goed doen.’ De pijn van het zijn.

Wij kennen dat, u en ik.
Wij zijn ook jong geweest. Raakten net als Connell en Marianne ooit ook verstrikt in de doolhof waar je als kind wordt in gelokt en als volwassene weer moet uit geraken. De jaren waarin je stem daalt terwijl je alsmaar meer eelt kweekt op je ziel, je leert dat sprookjes verzinsels zijn en je vreest dat de toekomst veel te zwaar wordt om te torsen op jouw frêle schouders. Pas veel later krijg je door dat dat hele leven uiteindelijk veel minder weegt dan de zeepbel die je als kind de lucht inblies.

A cause de nous

Je zit vast.
De bron der letteren staat droog. Verhalen vliegen door de lucht zeggen ze, je hebt ze enkel maar te plukken, op een goede dag vallen ze zelfs zomaar als rijpe vruchten in je schoot. Weinig oogst in december dan toch. Misschien staat de wind verkeerd, of let je niet goed op.
Ach, denk je, weet je wat? Ik sla een weekje over. Geen hond die het merkt. De wereld zit heus niet op jou te wachten. Iedereen is net als jij, druk met dingen doen waarvan we morgen vergeten zijn waarom we ze gisteren nog zo belangrijk vonden.

Je wurmt je onder je stolp vandaan en trekt de wijde wereld in. Naar een andere stad, andere lucht, andere mensen. Niet eens zo ver van huis, maar ver genoeg. De mensen spreken er een andere taal. Je begrijpt ze maar moeizaam, hun tong is rad, waar jij hapert en pruttelt, stromen bij hen de woorden als een rivier. Zo ongeveer moet het voelen als je nieuw leven zoekt in onbekend gebied waarvan je niet alleen de taal mankeert maar ook de zeden en gewoonten. Altijd een buitenstaander.

Je struint doelloos door de straten.
Alles zou inspiratie moeten zijn maar dat is het niet. De vriendelijke dame aan de balie van het hotel. De kinderen op de schaatspiste in het stadcentrum. De vrouw die je op de kerstmarkt een braadworst verkoopt. Ze ratelt aan een stuk door, je begrijpt geen jota van wat ze zegt, knikt van si en oui. Tot ze vraagt welke saus je op je broodje wil en je antwoordt met: ‘Je viens d’ Anvers.’ Het ratelen sputtert, de vrouw morrelt plots met overgave in de grote pan met uien. Ze wijst naar een bordje, zes euro, nu begrijpen jullie elkaar.

De wolken hangen laag. Toch huur je een fiets voor een tochtje langs de rivier. Diepzinnige gedachten en poëtische zinnen die je zeker niet mag vergeten schieten door je hoofd. Eerst dicteer je ze nog in je telefoon maar na triljoenen keren stilstaan houd je ook dat voor bekeken. De lucht klaart langzaam op, het is nog warm voor de tijd van het jaar.
Het grijs opent zich, hier en daar verschijnt een vlekje blauw. Het peddelen lucht op, je wordt er een tikje vrolijk van. Je ademt de frisse buitenlucht diep in en uit, vult je longen en laat ze ook weer leeglopen. Dat doet ook je achterband. Hier sta je dan, in het midden van nergens. Racefietsers snellen je voorbij, wandelaars op leeftijd knikken bonjour, niemand vraagt ça va.

Gelukkig weet je inmiddels dat geweeklaag en gejammer je geen meter dichter bij huis zullen brengen. Je schreeuw om hulp valt tegen. Zoek een treinstation, zegt de fietsverhuurder, of een bus. Probeer een duim omhoog, wie weet stopt er iemand met een bestelwagen waar ook je fiets in kan. ‘On peut toujours marcher’, zegt hij nog, je fantaseert er de lach op zijn gezicht bij.
Twaalf kilometer, dat zijn hoeveel calorieën? Het water glinstert, de nu blauwe hemel weerspiegelt erin. Tussen de struiken aan de oever schuilt een reiger. Bevers hebben de voorbije nacht aan boomstammen geknaagd. Verderop gooit een visser een lijntje uit.

Traag nordic walken drie dames op leeftijd een eind voor je uit. Ze hebben elkaar veel te vertellen, hun gekwetter overstemt je fietsbel. Uiteindelijk draait de kleinste haar hoofd, ze stoot de anderen aan. Meteen leggen ze zichzelf het zwijgen op. Vriendelijk zetten ze een stap opzij.
‘Vous êtes à pied a cause de nous?’ vraagt de mevrouw in het midden koket. Haar haar heeft de kleur van mahonie, haar gezicht is gegroefd. Wat zou ze blij zijn, denk je in een flits, als je ja zou zeggen. Ja, natuurlijk, dat doe je voor een dame. Je neemt je tijd, stapt van je fiets, een dame heeft recht op kleine égards. Je laat haar voorgaan, houdt het portier voor haar open, drapeert je jas om haar schouders als ze het koud heeft. Ouderwets misschien, maar met stijl. Je ziet hoe ze glimt. Je gunt het haar.

Beelden en woorden vullen je hoofd, je ziet een vertelling groeien. Maar niet in haar taal.
Hélas.
‘Je suis désolé,’ zeg je. Onhandig wijs je naar je fietsband.
‘Ah oui, ça je connais,’ antwoordt ze.
Ver voorbij de zeventig moet ze zijn, maar ze lacht nog altijd de lach van een meisje.
Opgewekt stap je verder, genietend van de pluk van de dag.

Nijlpaarden is een werkwoord

Een deur, een viskom, een tafel en twee stoelen.
Meer rekwisieten stonden er niet op het podium. Meer hoeft ook niet, de toeschouwer vult wel aan. Hij fantaseert zich een woonkamer in een rijhuis met oprit en garage. En een man die net vernomen heeft dat zijn laatste dag nakend is, zijn jonge minnares annex poetsvrouw die kapotgaat van verdriet en een echtgenote die, zoals het placht te gaan, altijd de laatste is die iets in het snuitje heeft.

Toneel is code. Aanname. Die vrouw wist alles al veel langer dan wij, zowel het uitgangspunt als de afloop. Ze heeft dat stuk talloze malen gerepeteerd om toch maar zo goed mogelijk te doen alsof zij nergens van weet. Wij op onze beurt doen alsof we haar geloven. Zo spelen wij het spel mee. Bovendien betalen wij daar zelfs nog entreegeld voor, het zou hier zomaar om een plan van Donald Trump kunnen gaan.  Elkeen acteerde naar best vermogen. De acteurs gebaarden, fluisterden, verbeeldden het echte leven. Tweehonderd liefhebbers lieten zich gewillig op sleeptouw nemen, lachten wanneer het werd verwacht en slikten als het nodig was een krop weg. In hun bokaal zwommen de vissen lijdzaam rondjes. Zij werkten op me in als een koude Duvel op een zomerdag. Telkens weer moest ik naar ze kijken.

Dit doet de vis: hij zwemt.
Je weet niet waar hij aan denkt. Zijn mimiek blijft stoïcijns, geen enkele emotie op zijn wezen. Hij deelt vreugde noch verdriet, niet met jou en voor zover je dat kan beoordelen ook niet met zijn soortgenoten. Je zag niet opeens twee vissen gezellig met elkaar keuvelen over dagdagelijkse vissenbesognes. Tekst voor het stuk hadden ze ook niet. Ze stonden nooit prominent op het kruisje centraal vooraan op het podium. De hoofdrol was niet voor hen geschreven.
Zij zwommen. Van links naar rechts, van voren naar achteren. En weer terug. Zonder regieaanwijzing, er heerste absolute willekeur in het water. Geen verkeerslichten of wegwijzers. Eentje zwenkte onverhoeds naar links waardoor een ander bruusk in de remmen moest. En toch, geen vin verroerde, nooit verhief er eentje zijn stem, tot slaande ruzie leidde het niet. Ook in de zaal dacht niemand eraan de ordediensten te alarmeren.
Een vis tikte stomweg tegen het glas, als een roodborstje uit een liedje. Als om te bewijzen dat hij wel degelijk een goudvis was, tuitte hij daarbij de lippen, als bij een kus. Eat that, readbreast!

De symboliek was me vanzelfsprekend niet ontgaan.
Ik kan dat wel hebben, een heldere, duidelijke metafoor. Liever leesbare dan onontwarbare puzzelpoëzie. Drie vissen in hun bokaal die geen kant op kunnen, dat waren natuurlijk die drie personages, muurvast gebetonneerd in hun eigen levens, woorden, gedachten en gevoelens. Zo wil een van hen naar Kaapstad emigreren. Een nieuw leven, een tweede kans, wie kent het verlangen niet? Dat gebeurt natuurlijk niet. Een ander gaat gewoon dood, de ultieme vlucht vooruit.
Zoals gezegd, toneel is code. Op het einde wipte de man als Lazarus van zijn sterfbed en nam hij buigend een verdiend applaus in ontvangst. Sterven loont, op een of andere manier.

De volgende ochtend stootte ik in de krant toevallig op een merkwaardig weetje. “Nijlpaard zwemt in eigen (en andermans) darmflora”. Daar had ik nog nooit bij stilgestaan. Nijlpaarden stappen niet uit het water om zich achter een struik op de hurken te zetten en zich te ontlasten. Zich schoonvegen met een Kleenexdoekje, dat doen nijlpaarden niet. Bij een pandemie geen nijlpaardenstormloop om toiletpapier. Beetje modale hippopotamus laat het lopen waar hij staat. Daardoor leeft in het water dezelfde bacteriegemeenschap als in de darmen van de dikhuidige, “een soort meta-microbioom dat de eigenschappen van het water in hun voordeel verandert.”
Zo doet natuurlijk ook de vis, bedacht ik. Die stapt er ook niet zomaar even uit de bokaal voor ontlasting, seks of andere dingen waarvoor wij aparte kamers hebben ontworpen. Zijn gehele doen en laten speelt zich af in dezelfde omgeving. Supergezond zwemt hij zich een weg naar het applaus aan het eind.

En wij?
Wij hadden gezondheidspas en identiteitskaart getoond en hielden onze mondmaskers op, een tikje moeizaam ademend, de keel droog, de bril bewasemd. Onmiddellijk na de voorstelling een korte passage naar het toilet.
Misschien spiegelen we ons beter aan het voorbeeld van het nijlpaard en de goudvis. Alles gewoon laten lopen waar we bijstaan en dan samen verder ploeteren in onze collectieve shit.

De dame en het brood

Dus ik moest naar Colruyt.
Ik dacht slim te zijn. Pal op het middaguur draaide ik de parking op, tussen twaalf en één eet immers iedereen. Weinig volk, snel klaar. Hoe moeilijk kan het zijn?
Ik was niet de enige die dacht het scherpste mes in de lade te zijn. Lange rijen aan de kassa. Murphy is overal. Hij plaatst winkelwagens van onbekenden precies voor de wijn die ik zoek. Of, als hij werkelijk provoceren wil, een onwrikbaar palet goedkope witte uit Chili of Zuid-Afrika.

Aan de bakkerijafdeling worstelde een oudje met de broodsnijmachine. Een vrouwtje zo klein, frêle en breekbaar dat ik er haast week van werd. Als het virus haar aantikt, is ze weg, dacht ik. Ze was vast ooit groter en pronter geweest maar de tijd had haar alle weelderigheid en charme ontstolen. Wat overbleef was een voorafname van het stof en as waar ze weldra naar zou wederkeren.
Het besje morrelde met de broodschuif. Het scheen niet goed te lukken. Ze sloeg haar waterige puppyogen naar me op. Ik meende haar onderlip te zien trillen.
Woorden wekken, voorbeelden strekken.
Ik legde een rond boerenwit in de tweede snijmachine, griste boven haar hoofd papieren zak nummer D uit een vak en stopte het gesneden brood er vlotjes in. Handig ben ik niet, maar brood bergen in een speciaal daarvoor ontworpen papieren zak, dat kan ik.

‘Mijnheer,’ kraste ze. Ik bukte me naar haar toe, alleen al het spreken vergde zichtbaar van haar krachten. ‘Hier staat: vergeet niet uw etiket te kleven.’
Fuck, dacht ik, maar dat zei ik niet. Fuck zeggen tegen onbekende dames, ongeacht hun leeftijd, is middeleeuws en barbaars en geheel uit de tijd.
Ik begreep haar probleem. Technologie maakt het leven van de ouderling niet eenvoudiger. Al helemaal niet als bedoelde etiketten zich op basketspelershoogte bevinden. Zelfs al mocht ze nog sterk genoeg zijn om haar arm boven haar hoofd te tillen, ze zou nooit hoog genoeg kunnen reiken. En de tijd van huppelen en springen lag duidelijk minstens een halve eeuw achter haar.
Ooit zwoer ik nog bij de waarden van de jeugdbeweging. Je naaste liefhebben, het goede doen, oude mensen de straat helpen oversteken, u kent dat. Dus vroeg ik welk brood ze precies had gekocht. Dat wist ze niet meer zeker, haar bevende vinger wees naar het goedkoopste. Ik drukte een etiket af en kleefde het op haar broodzak.
Mijn goede daad van de dag.

Aan het einde van de rayon botste ik bijna pardoes op het winkelwagentje van een vrouw die net de hoek om draaide. Onnozel als altijd, deed ik alsof ik door het bruuske remmen dubbel plooide over de handgreep van mijn eigen kar. Jaja, met mij kan je lachen, ik ben me er eentje.
‘Oeps, spannend,’ zei ik.
‘Spannend? Zeker spannend. Die pijlen op de grond wijzen pertang wel in welke richting je moet gaan,’ reageerde ze bits. Nog voldaan over mijn goede daad, wilde ik mijn luim geenszins laten bederven. Niet iedereen staat even vrolijk in dit bestaan, ik begrijp dat. Bovendien had ze gelijk.
‘Voor u ook een goede middag,’ zei ik en vervolgde mijn weg.

Een lange rij aan de kassa.
In het midden was ruimte maar de man voor mij blokkeerde het pad. Geduldig wachtte ik dus mijn beurt af, iets anders zat er niet op.
Een winkelkar stootte in mijn zij.
‘Excuseer, …’ probeerde ik. Nog voor ik me had omgedraaid, een tweede por, doortastender nu. Ik begon me te voelen als die kegel aan het einde van de bowlingbaan. In mijn hoofd zag ik een scène passeren uit een slechte Amerikaanse film, over een razende SUV die een hulpeloze cabrio het ravijn in bulldozert.
Inmiddels werd ook de man voor mij opzij gekegeld.
Eerst zag ik het brood, dan de met levervlekken bedekte handen, dan de kruin. Alles precies zoals bij de broodmachine. Het vrouwtje keek op noch om, banjerde onverstoord door de wachtrij heen. Die spleet uit elkaar zoals de zee voor Mozes en zijn volgelingen. Ik geloofde mijn ogen niet. Iedereen zette voor dit verschrompelde oudje spontaan een stap opzij. Als gehypnotiseerd voor zich uitkijkend kraste ze: ‘Jullie denken toch niet dat ik hier ga blijven staan zeker?’ Het klonk als een opgejaagde kraai in het wild.
Sprakeloos keek ik toe. Steeds verder schoof ze van me weg naar de lege ruimte in het midden. Het was overdreven boertig en onbeschaamd en onweerstaanbaar grappig tegelijk. De mensen keken nors en morden tegen elkaar, maar tegen haar zei niemand wat.
Een Colruytmeisje laadde de inhoud van haar karretje in een grote tas. Ze wenkte een sterke collega die de tas oppakte en het oudje naar de uitgang begeleidde.
‘Godverdomme,’ dacht ik, ‘jij gemeen serpent.’
Ik ben zo goed als zeker dat ze ook haar brood te weinig heeft betaald.

Een leven lang liefde

Zestig is ze.
Ze glimt op de cover van de weekendbijlage, tussen rondborstige Temptationbabes van wie we zelfs terwijl we ze lezen de namen alweer vergeten.
Het leven ploegde groeven in haar voorhoofd, weefde een web van kraaienpootjes rond haar ogen, experimenteerde met de rekbaarheid van mensenhuid. Desondanks sprankelen haar ogen als sterren in de nacht. Een glimlach op de lippen, de rustige vastheid van de jaren. Haar handen vormen een kom waarin een sjaal haar hoofd een warm kussen biedt. Op zestig voelt het leven kouder aan.
Ze heeft veel van de wereld gezien. Ze zag meisjes genitaal worden verminkt in Afrika en vrouwen lijden in Afghanistan. Bezocht gelukszoekers in het hoge Noorden en broeierige Zuiden. Ze is begaan met adoptiekinderen en draagmoeders, heeft een mening over klimaat en cancel culture. Ze maakte programma’s voor televisie en publiceerde boeken. Deze vrouw gaat het leven niet uit de weg, het leven dat zalfde en sloeg, zoals het leven doet. Ze huwde, kreeg kinderen, scheidde.
Optimism is a moral duty,’ zegt ze, en jaagt daarmee de herfst ver voorbij de horizon.
Dat ze weer verliefd is, vertelt ze vrolijk. Dat dat nog kan! ‘Het is voor mij een revelatie dat je op mijn leeftijd nog even verliefd kan worden als op je achttiende.’

Wat dacht je dan, vraag ik me af.
Bestaat er misschien een houdbaarheidsdatum waarop je je emoties voortijdig dient uit te zwaaien? ‘Ga maar jongens, het is goed geweest. Dag Angst, dag Woede, dag Vreugde en Verdriet, dag Verwondering, dag Vlinders in de buik. Voor jullie is het feest voorbij. Voorzichtig onderweg en houd daarboven een plekje vrij. Wij, Krakkemikkig Lichaam en Gezond Verstand, kuisen hier verder de boel wel op. Wij hebben nog wat losse eindjes bij elkaar te rafelen, belachelijke misverstanden recht te zetten, een erfenis te verdelen. Daarbij hebben we jullie niet vandoen.’

Dit denken wij te zien.
De afdeling Groenten en Fruit. Een man op jaren schuifelt mokkend achter vrouw en winkelkar, de ogen dof. Hij fantaseert over de wedstrijd van vanavond vanuit zijn zetel, flesje Tripel Karmeliet erbij. Hopelijk gaat ze vroeg naar bed. Dromerig grijpt hij naar een appel. ‘Laat liggen,’ sist zij. ‘Wat denk je te gaan doen? Het is niet dat je er nog de tanden voor hebt.’ Zuchtend verzaakt hij aan de verboden vrucht.
In de Lunch Garden morrelen ze zwijgend in papperige puree. Door het grote raam gapen ze terug naar de voorbijgangers, als apen in de Zoo. Hun ogen flets en onleesbaar. De spiegel van de ziel, bedekt met eelt of minstens zwaar bewasemd.
Wij zien hen niet, kijken niet voorbij de bedrieglijke waterspiegel aan het oppervlak, hebben geen oog voor de kolkende stroming eronder.

Hoe gruwelijk de gedachte dat vanaf de middelbare leeftijd enkel nog de Rede heerst. Hoe meer littekens het leven tekent aan de buitenkant, hoe lager de passiemeter binnenin, zo redeneren wij. Liefde, verlangen, hartenpijn, het voorrecht van de jeugd. Wij, grijzer en wijzer, reciteren droefgeestig Elsschot uit het hoofd:

               Hij vloekte en ging tekeer en trok zich bij den baard
               en mat haar met den blik, maar kon niet meer begeren
               hij zag de grootste zonde in duivelsplicht verkeren
               en hoe zij tot hem opkeek als een stervend paard

Hij wilde haar doodslaan maar, dat is bekend, hij deed het niet. De drang nochtans was heftig en intens, hij vloekte, ging tekeer, trok zich bij den baard. Wat hem weerhield zijn droom in daad om te zetten, waren wetten en praktische bezwaren en, dat vergeten wij, weemoedigheid die des avonds komt wanneer men slapen gaat.
Hoeveel heftiger kan het zijn? Hoeveel drift raast in deze gekwelde ziel? De vulkaan braakt dan wel geen kokend lava uit, ziedend woedt en laait het vuur nog in de krater. Gelukkig voor zijn vrouw heeft hij de jaren bereikt waarin het hoofd het weleens mag winnen van het hart.
Wij kennen dat. Ook wij klemmen nu en dan de lippen op elkaar om uitbarsting te voorkomen.

Als drift dat al vermag, waarom zou dan de liefde niet?
Er wordt getinderd dat het een lieve lust is, door hoogopgeleide nog midden in het leven staande jong van hart en geest zijnde vrijgezellen m/v/x die nu de kroost het huis uit is een tweede, derde of vierde kans wagen op zoek naar warmte en begeerte en als het even kan graag ook nog een vleugje, zeg maar vlaag, erotiek.
Er wordt blind gedatet door paren op jaren die niettegenstaande enige recente en minder recente gebeurtenissen toch nog een verblijf op amoureus gebied overwegen.
U wil niet weten hoeveel er wordt gefrunnikt en gefoezeld in bejaardenhuizen en serviceflats.
Echt niet.
Het is pas voorbij als de dame met zingen ophoudt.

Het licht in haar ogen

Wat is kunst?
Over deze en andere vragen breken u en ik al eens graag het hoofd. Een sluitend antwoord vinden we niet maar wat zou het? Prakkiseren over wat er uiteindelijk niets toe doet, het vult de donkere dagen, kost geen geld en houdt ons van de straat.

De blik in haar ogen, ja, dat is kunst, dat weten wij. Dat heeft Stijn er nog stevig ingedramd.
De glinstering in de blauwe irissen van Marieke Lucas Rijneveld vorige zaterdag bij Thomas Vanderveken kwam wel heel erg dicht bij die definitie. Ogen zijn de spiegel van de ziel, zo zegt de dichter. De ziel van de schrijfster zal dan blank en ongeschonden zijn. Onschuld borrelde van diep vanbinnen omhoog en zocht zich een uitweg langs oog en mond.
‘Noem mij maar Tussenpersoon,’ zei ze. Omdat ze het zelf ook niet weet, of ze een zij is of een hij. Allebei, denkt ze. Noem haar wat mij betreft Totaalpersoon. Zij is zoveel meer dan de som van zomaar een jongen en zomaar een meisje. Om de woorden van een andere schrijfster te ontlenen, zij mag alles zijn.
Alles zijn en toch gewoon jezelf blijven, grote kunst.

Meer nog dan een praat- is ‘Alleen Elvis blijft bestaan’ een luisterprogramma.
Twee mensen aan een tafel, glas water, close-up camera’s. De twee kennen elkaar hooguit van naam. Samen met zijn redactie heeft de ene het komende anderhalf uur minutieus voorbereid, de ander scharrelde intussen wat beeldfragmenten bij elkaar. Patti Smith, Billie Eilish, Theo en Thea.
Er ontstaat een heus gesprek, zonder debatfiches. Met woorden, blikken, stiltes. Er valt al eens een euh. De twee snuffelen, tasten, zoeken, willen elkaar beter leren kennen. Zij ontdekken, geven zich bloot, kwetsbaar haast als geliefden. Er gebeurt iets, ze verrijken zich aan elkaar.
Daarvan getuige te mogen zijn, beschouw ik als een voorrecht. Tijdens de aftiteling vervlochten hun handen zich. Een klein gebaar van grote schoonheid.

Meisjes uit Bulgarije of Litouwen die getooid in traditionele jurken folkloristische liedjes zingen, ook dat is kunst.
Ik zag ze op het heilige podium van de Koningin Elisabethzaal. Zoals alles van waarde kwamen ook zij weerloos, met alleen maar hun stemmen en een aandoenlijk jeugdig enthousiasme. Niets schept meer vreugde dan onbekommerd getwinkel van opgewekte meisjes. Het warmde de mens vanbinnen, krulde een glimlach op de lippen. Je zou willen meezingen maar ontbeert daarvoor de stem en noodzakelijke basiskennis van het Bulgaars of Litouws. Wegdrijven op melodieën van engelenkoren, dat kon dan weer wel.
Ook een koor uit de omgeving gaf present. Tachtig jonge Borgerhoutenaren zongen boodschappen van belofte en hoop. Hun gezangen klommen omhoog boven het dagelijkse brommergeknetter van snelle drugkoeriers, loeiende sirenes en de occasionele ontploffing van een granaat.
Helaas, ze werden niet gehoord door de afwezige burgemeester en zijn vazallen. Het zou hun kijk op een bepaalde gemeenschap mogelijk enigszins hebben bijgesteld, muziek verzacht immers de zeden. De andere kant opkijken, kansen laten liggen om vooroordelen bij te sturen en dichter bij elkaar te komen, koud kunstje voor een uil die niet wil zien.

Oude kunst gezien ook in het schilderachtige Delft, vorige week.
Schuilen voor de regen kan er bij het praalgraf van Willem van Oranje. Maar het is daar kil en stil en niemand zegt wat terug. Een tombe is zelden interactief.
Doe mij maar het Huis van Johannes Vermeer. Van souterrain tot nok volgestouwd met relieken en prullaria ter meerdere eer en glorie van de ongelukkige Meester van het Licht. Geleefd als een artiest, berooid tot in de kist. Stijn had helemaal gelijk, de blik in de ogen van Het Meisje met de Parel, dat is kunst.

Onze onophoudelijke zoektocht naar schoonheid liep enigszins spaak in het feeërieke Gent. Mia had er nochtans het licht gezien, zo was ons toch verteld. Wat Mia kan, zou ons ook wel lukken.
Driewerf helaas.
Ik word niet week van een rode lichtkolom op een kale muur. Een stroboscopisch kleurenpalet wekt in mij geen diepere emoties op. Krassende en krijsende kreten onder een tollend spotlicht, ik word er koud noch warm van.
Gelukkig bood af en toe een installatie schoonheid en troost. Gezichtsmozaïeken geprojecteerd op boomblaadjes. Verlichte waterdruppels die raadselachtige woorden vormden. Voor idee, uitvoering en balsem op de ziel, een tien.

Aan het einde van de route mocht de bezoeker lege bladen vullen. ‘Wendy was hier,’ las ik, en ‘Groeten uit Venlo.’
‘Zolang de laatste maar niet vergeet het licht uit te doen,’ kribbelde ik speels op een verder  onbeschreven blad.
Een grapje. Al lachend zegt de nar de waarheid.