Hoogmoed (C-kronieken 10)

Avondklok. Samenscholingsverbod. Sociale lockdown.
De stad versmacht onder de geladen stilte van een kerkhof. Ratten kruipen uit riolen, lichtekooi, dronkaard, hoerenloper moeten weer in hun kot. Granaten ontploffen achter de neergelaten blinden. Het lijkt een oorlog waarin jij de vijand bent.
De omgang is bits en grimmig. Iedereen ontevreden. Je ziet geen glimlach meer in straat of zaak, geen kuiltjes in de wangen, geen sensuele lippen. Slechts half dichtgeknepen ogen die argwanend controleren of ook jij je aan de regels houdt. Je laatste hand gaf je, tja, wanneer? Je herinnert je geen knuffel meer, laat staan een zoen. Je volgt kruiperig wetten die je gisteren nog voor ondenkbaar hield, en waarvan je je vandaag angstig afvraagt of ze ooit weer weg zullen gaan. 

Je bent kwaad, maar je weet niet op wie.
Niet op het virus, hoe stom zou dat zijn? Trouwens, mocht je zelf virus zijn, je zou het niet anders hebben aangepakt. Missie geslaagd, helemaal zoals destijds besproken tijdens de internationale top met de Grote Vijf in Viranië.
“Het is de mens, dat verwaande dier”, had Griep gezegd.
“Zelfverklaard orgelpunt der schepping”, antwoordde Sars.
“Hij vermenigvuldigt zich onophoudelijk, neemt alsmaar meer ruimte in, sjoemelt met de wereld, houdt enkel rekening met zichzelf”, mopperde HIV verslagen.
“Maar hij vindt wel overal een antwoord op”, reageerde Ebola somber.
“Denkt hij,” onderbrak Covid kordaat. “Laat hem. Zijn ego is zijn zwakke plek. Niet enkel de soort zwelgt in ijdelheid, dat doet ook ieder van hen. Laat hem maar geloven in zijn onkwetsbaarheid. Hoe meer eigenwaan, hoe minder waakzaam. Ze zullen ons minachten, ons bestaan ontkennen, denken dat we vanzelf wel weer weg zullen waaien. Zij dwalen.”
De strategie was even helder als eenvoudig. Startsein voor de aanval op een doordeweekse markt, ergens in het Oosten.
“Dat wint tijd. In het Westen maalt men niet om ellende op een ander continent. Zolang er brood en spelen zijn en de beurzen juichen, mag de rest van de wereld in de koudste oceanen ten onder gaan. De reiziger vliegt elke microbe onachtzaam en gewillig de wereld rond. Minuscuul zullen we zijn, onzichtbaar voor het blote oog, maar talrijk en altijd en overal, achteloos tussen de volkeren zweven en immer alert. Infiltreren gaat eenvoudig doch efficiënt. Niet langer dat vermoeiende gedoe met seks zoals met HIV destijds, niet moeilijk doen.”
Nee, was jij een virus, je had het niet beter bedacht.

Je zou je kunnen opwinden over de kapiteins op het zwalpende schip.
Onze roergangers slagen er slechts moeizaam in een overtuigend plan te bedenken, een remedie waarin je kan geloven. Maar wat zou het? Zij behoren net als jij tot hetzelfde mensdom. Beperkt in talent, in snelheid afgetroefd, gebonden aan wetten van economie en ethiek, wanhopig op zoek naar, godbetert, draagvlak, en eeuwig bezorgd om persoonlijke carrière. Hoe zou je zelf zijn? Zou jij het beter doen? Op een dag raakt ook hun toorts opgebrand en komen weer andere verlichte geesten in de plaats. Als motten cirkelen wij dan weer rond die nieuwe, felle gloed. Ook dat zal, zoals alle dingen, tijdelijk zijn. Alras worden zij op hun beurt voorwerp van spot, rottend ongenoegen, venijnig verwijt en boertig gebagger op Twitter.

Natuurlijk kan je je ergeren aan je lotgenoten.
Er zijn er genoeg die je gramschap verdienen. De politicus die met vrienden roekeloos barbecuet in de tuin, feest in den vreemde of danst op een dakterras. De jogger of wielertoerist die zich in je ademzone wringt, vergezeld van  penetrante zweetgeur en bijhorende druppels. De suffende shopper die de dikke markeringen op grond en uitstalraam weigert te begrijpen, het onderscheid niet kent tussen links en rechts. De vrouw met de monddoek onder kin of neus. Het heethoofd dat de beschermlap weigert om te binden. De wijsneus die pretendeert beter te weten, alsof hij het is die zich tureluurs blokte op de cursussen Virusleer en Studie der Pandemische Remedies. De kneus met de altijd weerkerende vragen: “Als ik een masker moet bij fietsen en touwspringen, mag ik dan steppen en hinkelen zonder? Daarover zeggen ze niets.” Doodmoe word je daarvan. Op televisie geeft de professor toelichting, als een juf voor de kleuterklas. Je wil ook niet voor de zoveelste keer je energie verspelen aan de burgemeester wiens stad in lichterlaaie staat. “Dat ze ginds maar uitkijken, daar gaat het morgen helemaal fout”, wijst hij. De slaafse journalist wijst mee.

Het heeft geen zin.
We zitten allemaal in dezelfde schuit.
Het is niemands schuld, of die van iedereen. Het is niet kwaadheid die je kribbig maakt. Het is onmacht, radeloosheid.
Het besef dat niet langer jij, superieure mens, meester bent over de schepping. Dat er dingen gebeuren waarover geen van ons ook maar de geringste controle heeft, al zijn we met bijna acht miljard. Het ego van de homo sapiens is midscheeps geraakt. We zijn niet langer onaantastbaar.
Wat ons pijn doet, is de les in nederigheid.

Een gedachte over “Hoogmoed (C-kronieken 10)”

Laat een reactie achter op Patricia bib Reactie annuleren

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s