Het boek van mijn vader

               Tik. Tik. Tik.
               Soms vraag ik me af of het niet beter is er gewoon de brui aan te geven. De dop op de pen te schroeven en iets anders te gaan doen. Leeuwentemmer of zo. Professioneel snookerspeler, daar valt vast meer geld mee te verdienen. De politiek in, kan ook. Je hoeft daarvoor niet veel te kunnen, relaties, daarop komt het aan. Netwerken. Lief lachen naar de partijvoorzitter, voor je het zelf doorhebt ben je Minister van Mobiliteit en Brusselse Rand, een volgende legislatuur krijg je Onderwijs en Dierenwelzijn, de keer daarop Begroting. Kennis van zaken heb je daarvoor niet vandoen. En vind je het niet leuk, dan word je gewoon burgemeester.
               Voetbalanalist, heb ik ook altijd al willen doen. Of professor Kerkelijk Recht, en dan drie keer per week in Terzake en De Afspraak. Eindelijk beroemd!

               Tik. Tik. Tik.
               Het is niet dat ik het beu ben, er is alleen in het leven nog zoveel dat ik nog nooit gedaan heb. Koorddansen, diepzeeduiken, ballonvaren, gebouwen ontwerpen, allemaal nooit gedaan. Intussen verglijdt de tijd en klimmen de jaren. Jongeren staan op de tram spontaan hun zitplaats aan me af, mijn eigen kinderen noemen me steeds vaker bompa. En dan lachen ze.
               Doe maar een beetje rustig, zegt de dokter. Zo rimpelloos mogelijk leven, dan breekt het lijntje niet. Wat heb je aan een lange lijn als geen vis bijten wil?
               Doe niet te gek en elke dag op tijd naar bed. Drink eens vaker een gemberthee of kamille. Snoep verstandig, eet een appel. Maak je niet zo druk om die duizend bommen en granaten op het nieuws elke dag, je verandert er niets of niemand mee en het is dodelijk voor je hart. Mijd die sloten koffie in de ochtend, denk aan je bloeddruk. Wees zuinig met de drank. Bij gelegenheid af en toe een druppel, dat kan nog, twee is al veel en denk erom, niet elke zon die opkomt is een gelegenheid.
               Tabak of andere kruiden zijn natuurlijk helemaal taboe.

               Tik. Tik. Tik.
               Nu moet ik denken aan mijn vader. Precies vandaag zou hij 93 geworden zijn. Hij begon te roken op zijn veertiende en stopte ermee op zijn sterfbed. Zijn leven lang pafte hij als een Turk, mag je dat nog zo zeggen vandaag de dag, of is dat etnisch profileren?
               Naar eigen zeggen leefde hij voor twee, mijn vader. Overdag voor de plicht, in de nacht voor zijn plezier. Hij smikkelde gulzig van elk gerecht dat de Grote Kok van Het Leven hem voorschotelde. Hij heeft gezongen en gevochten, gelachen en gehuild,  liefgehad en liefdes verloren. Goede vrienden was mijn vader met lui als Johnny Walker en die Groene engel St Michel, ongefilterd. Hij kende meer kroegen dan kantoren, meed verleiding noch avontuur en betaalde nadien de rekening met zijn verbrande gat op de blaren.
               Kalm, Rustig, Gezond kwamen in zijn woordenboek niet voor. Toch werd hij 81, en vief en vinnig tot het eind, vittend op de vriendelijke verpleegster omdat hij zijn laatste soep niet heet genoeg vond.
               Ja ja, mijn vader was me er eentje, een boek zou ik over hem kunnen schrijven.

               Tik. Tik. Tik.
               Nu we het daar toch over hebben, dat laatste heb ik intussen afgevinkt. Het werk is klaar, min of meer. Niet over mijn vader gaat het, al hangt zijn schaduw er wel overheen. Een hilarisch en weemoedig verhaal is het geworden, een genot voor de lezer, je begint erin en je kan niet meer ophouden, bestsellermateriaal dat schreeuwt om te worden verfilmd. Enfin, zo denk ik erover. Mensen die het weten kunnen hebben het gewikt, gewogen en met handgeklap ontvangen. Hun oordeel is meer waard. Rest me alleen nog een ondernemende ziel te vinden die het drukken wil, inbinden en slijten aan de lezer.
               Wie zich geroepen voelt, u weet me wonen. Intussen ga ik door. Maar waarmee?

               Mijn vader overigens begon zelf ooit ook een boek. Over zichzelf, dat spreekt, zo was hij dan ook weer wel. Tweehonderdzestig pagina’s had hij klaar, die heeft hij dan versnipperd. Of verbrand. Of er tabak in gedraaid en opgerookt. Want ook zo was mijn vader: hij begon aan vele dingen maar bracht daarvan slechts weinige tot een einde. Drie keer begon hij aan een huwelijk, twaalf ambachten verrichte hij, zijn bed stond op meer plekken dan dat van u en mij tezamen. Altijd was mijn vader onderweg. Welke onrust hem dreef, ik heb er tot het einde van mijn dagen het raden naar. De tijden waren anders toen, een man deed wat hij vond dat hij te doen had, hij hoefde dat niet aan zijn kinderen uit te leggen.

               Het zou kunnen, denk ik soms, dat ik dichter bij de boom gevallen ben dan ik mijn leven lang aan mezelf heb willen toegeven.
               Bakker, misschien is dat wel iets. En dan elke dag mijn eigen zoete broodjes.
               Tik. Tik. Tik.

Artificieel Intelligent

               ‘Ooit zal de computer de mens in slimheid overtreffen,’ zei onze leraar boekhouden en informatica. Den Duits noemden we hem, vanwege zijn kortaangebonden temperament en altijd norse blik maar nog het meest vanwege de verfborstel onder zijn neus. Den Duits sprak in zekerheden, twijfelde nooit, geloofde in cijfers en getallen en bits en bytes. We waren geen vrienden, hij en ik. Ik twijfelde toen nog tussen een loopbaan als klerk in een kantoor of het haveloze bestaan van een dichter.
               ‘Gast,’ riep ik door de klas, ‘net was een computer nog een stomme machine die je moet zeggen wat hij moet doen, die niks uit zichzelf kan, en nu …’
               ‘Voor u is het mijnheer de gast,’ reageerde Den Duits rustig, ‘ga in de gang maar wat staan schreeuwen,’ waarmee de discussie eindigde nog voor ze begonnen was.  

               Een halve eeuw later vraag ik me weleens af wat er geworden is van Den Duits, De Muis of De Scheve Kop. Gekrompen oude mannetjes zullen ze nu zijn, achter een raam in een woonzorgcentrum in het zonnetje met uitkijk op het kerkhof en een dekentje op hun schoot. Al kan het ook dat ze de school des levens inmiddels hebben verlaten. Leraren zijn als mensen, ze komen en gaan. In je meest kwetsbare jaren duiken ze in je leven op, gaan een eindje met je mee en dan zijn ze weer weg. Intussen zeggen ze dingen die ze zelf de volgende dag alweer vergeten zijn maar die vijftig jaar later zomaar in jouw hoofd opduiken.

               We leefden in de digitale prehistorie toen. We leerden over ponskaarten en het binair stelsel, de computer op de foto in ons handboek vulde een volledig klaslokaal. Den Duits had in de toekomst gekeken en goed gelezen: men beweert vandaag dat Artificiële Intelligentie de mens in slimheid heeft ingehaald en achter zich gelaten. AI weet alles, kan alles, regeert de wereld. Studenten laten door AI hun papers schrijven, journalisten hun artikels, schrijvers vrezen voor de eerbaarheid van hun beroep. Eerherstel en respect voor Den Duits, besloot ik.

               Hoe gaat het nu met hem, vroeg ik aan ChatGPT.
               ‘Helaas, ik heb geen specifieke informatie over een leraar boekhouden en informatica aan het Sint-Jozefinstituut in Merksem uit de jaren zeventig. Mijn kennis is niet gedetailleerd genoeg om individuele docenten op lokale scholen uit die tijd te kennen.’
               Een afknapper groter dan de kathedraal van Antwerpen. AI, schrik der proffen, pennenvrienden en intellecten, blijft op de eenvoudigste vraag het antwoord schuldig. Kennis niet gedetailleerd genoeg! Zo ken ik er nog.
               IJdelheid is mijn tweede naam, dus de vervolgvraag lag voor de hand.
               ‘De Schrijver staat bekend om zijn scherpe observaties en ironische stijl,’ luidde het antwoord. ’ Hoewel hij niet een heel bekend publiek figuur is, heeft hij met zijn werk bijgedragen aan de Vlaamse literatuur door zijn persoonlijke, vaak introspectieve en filosofische benadering. Zijn schrijven richt zich vaak op thema’s als vervreemding, existentiële worstelingen, en de mens.’

               Victorie! Den Duits kende hij niet, mij wel! Gebakken lucht weliswaar maar toch: scherpe observaties, filosofische benadering, ironische stijl, bijdrage aan de Vlaamse literatuur. Ha! Zeg dat AI het gezegd heeft.
               ‘Schrijf eens een stukje in de stijl van De Schrijver,’ vroeg ik toen, ‘bijvoorbeeld over de domheid van AI?’ Provoceren met een glimlach zit mij in het bloed. Volgde een chaotisch traktaat over het schillen van avocado’s, ruimtevaarttechnologie en algoritmes. Saai, saaier, saaist. Nog in geen kilometers ver mijn stijl. Net toen ik verveeld mijn laptop dicht wilde klappen, viel mijn oog op volgende passage:
                ‘Er is een vreemd soort geruststelling in het idee dat een computer slimmer is dan wij. Het verlicht ons van de verantwoordelijkheid om zelf moeilijke beslissingen te nemen. Waarom zou je het zelf proberen als een algoritme het voor je kan doen?
               Hé, dacht ik. AI zegt: niet ik word slimmer, de mens wordt dommer. Hij geeft het zelf uit handen. Waarom zelf rekenen als je er een machine voor hebt? Waarom zelf schrijven als een machine het voor je kan doen? Waarom zelf sowieso iets doen als er machines bestaan die dat net zo goed of misschien wel beter kunnen?
               ‘Echte intelligentie,’ las ik, ‘… gaat verder dan feitenkennis of patronen herkennen. Het gaat over inzicht, intuïtie, een vleugje menselijke dwaasheid, een knipoog naar het absurde. Dat is precies waar AI faalt. Het kan bergen data doorspitten, verbanden leggen waar geen mens ooit aan zou denken, maar zodra je het vraagt een gedicht te schrijven over de liefde, krijg je iets wat klinkt als een middelmatige Valentijnskaart uit de supermarkt.
               Ha, dacht ik, AI weet alles over alles maar niets over de poëzie van het leven, het hart, de ziel van de mens. Slim zijn is niet over alle kennis beschikken, slim zijn is wat je ermee doet.
               Wel slim van hem zijn beperkingen meteen toe te geven.

               ‘Ik hoop dat deze tekst een stijl heeft die aansluit bij de ironische, filosofische toon van De Schrijver, met een knipoog naar de menselijke neiging om technologie te verheerlijken, maar tegelijkertijd zijn beperkingen te vergeten.
               ‘In je natste dromen, piemel,’ mompelde ik, ‘nog in geen duizend jaar.’
               Ik trok mijn schoenen aan en stapte richting woonzorgcentrum. Wie weet liep ik er een oude bekende tegen het schrale lijf.

Na Zdravi!

               Een Hollander, een Engelsman en een Belg in een restaurant, het zou het begin van een mop kunnen zijn. Dit verhaal echter steunt op waargebeurde feiten.
               Het Purkminster restaurant in Pilzen. Aan het hoofd van de tafel zit de Engelsman, een gerijpt man, in zijn gezicht meer rimpels dan een oude eik jaarringen heeft. Rechts van hem zit bescheiden en verlegen de Belg. Dat ben ik. Over mij de Hollander, een goedlachs en buitengewoon aimabel man. Naast mij zit een kleine vrouw uit Berlijn met slimme oogjes en een snelle tong en tegenover haar een jonge vrouw die hier in Pilzen woont. Van wat ze zegt begrijp ik niets, haar gezicht evenwel leest als een boek. Aan het einde van de tafel hebben een man uit Hamburg met een slepend been en een vrouw uit Budapest met rood krullend haar alleen maar oog voor elkaar.
               Hoe ben ik hier beland, vraag ik me plots af. Op deze plek, tussen deze mensen, in de herfst van mijn leven? Vierentwintig uur eerder hadden we elkaar nog nooit gezien, morgen zeggen we alweer vaarwel en wie weet tot nooit weer.

               Allemaal drinken we bier, daarom zijn we hier. De mannen praten over voetbal.
‘Kompany als coach bij FC Burnley was completely rubbish,’ zegt de Engelsman. Hij schreef ooit nog voor The Daily Mail en schuwt de harde woorden niet. Zijn stem schuurt als een stalen borstel op een ijzeren plaat. Elke vorm van nationalistisch sentiment is mij volkomen vreemd, toch voel ik me geroepen mijn landgenoot te verdedigen.
               ‘Wel een wereldvoetballer geweest,’ werp ik op en meteen daarop met een knipoog, waar het vandaan komt weet ik niet, ‘godverdikke , it’s good to be a Belgian.’
               ‘Daar klinken we op,’ roept de Hollander uit. Hij grijpt zijn bierpul bij het oor, hijst hem hoog de lucht in en proost: ‘Op dat absurde kleine land van grote mensen: Ensor, Magritte en deze fijne Belg in ons midden. Na zdraví!’ De glazen klinken, bonzen op de tafel en we drinken.  

               De vrouwen praten over het weer. ‘Zet een reporter in een plas water en een camera in de juiste hoek en de ramp stroomt zo je woonkamer in,’ zegt de Berlijnse. De omvang van de watersnood in de rest van het land is nog niet ten volle tot deze stad doorgedrongen. Kelners nemen gehaast bestellingen op, diensters lopen af en aan, uit de luidsprekers klinkt muziek. Buiten zwiept de regen als een woeste schilder dikke strepen hemelwater op de ramen.
               Dat ik hier en nu aan tafel zit, op een doordeweekse septemberavond achthonderd kilometer ver van huis, warm en droog terwijl verderop steden en dorpen onder water staan, is dat geluk? Toeval? Heb ik daar verdienste aan? Ik mijmer over vanwaar ik kom en wie ik zoveel jaren later geworden ben, welke wegen ik heb gewandeld, over mijn zegeningen en mijn fouten. Net als ik in mijn boekje wil noteren dat het leven rare kronkels maakt, roept de raspende nicotinestem van de Engelsman me weer in het heden:
               ‘Ooit trok ik met de rugzak door de States.’ vertelt hij. ‘In Idaho logeerde ik twee maanden bij een aardappelboer die mij prees om mijn kennis van het Engels. Ik kom dan ook uit Manchester, legde ik hem uit, in Old England, het land van Shakespeare. De aardappelman bleek van bard noch land ooit te hebben gehoord. Allemaal mooi, zei hij, desondanks spreek je uitstekend Engels. Alleen je accent klinkt vreselijk.’ Iedereen lachte luid behalve het koppeltje aan het andere eind dat zich in een ander universum leek te bevinden.
               ‘En dan zijn wij verbaasd dat Donald Trump in november misschien opnieuw verkozen wordt?’

               ‘Laten we daarop klinken,’ roept de Hollander weer, ‘dat wij hier in Europa van de Amerikaan niets begrijpen,’ We klinken, laten met een klap de glazen op de tafel neerkomen en drinken.
               Zo is dat, bedenk ik terwijl ik het gouden vocht in mijn keel voel glijden. Wij denken te weten maar we weten niets. We doen maar wat. Dat ik hier ben is louter toeval, het lot. Ik ben niet meer dan een druppel uit de bron waar de grote rivier ontspringt die vandaag dit halve land onder water zet. Ik ben willoos meegedreven met de stroom, voorbij boerderijen en kastelen, bossen, koren- en bloemenvelden, langs dieren en mensen en lange lappen onbewoond land, samen met triljoenen andere anonieme druppels, allemaal in dezelfde richting, door een onbekende kracht vooruit gestuwd tot op een dag ook ik zal monden in de zee en opgaan in een eindeloze Oceaan van Stilte.

               Een dienster heeft intussen onze lege glazen weer voor volle ingeruild.
               ‘Op de golfslag van het leven,’ proost ik, ‘na zdravi!’ Het gezelschap lacht, mijn toost moet in hun oren klinken als een absurde Belgenmop. We klinken en we drinken.
               Mooi, het leven is mooi, denk ik nog en dan spontaan er achteraan: let the beast go.

De reis van de held

               Andere kinderen blonken uit in tekenen, hardlopen of blokfluit spelen, ikzelf excelleerde in Bewondering. Ik kon opkijken naar mijn helden als geen ander. Meer dan gewone sympathie koesterde ik voor De Eenzame Cowboy Lucky Luke en de onversaagde Rode Ridder, ik adoreerde Robin Hood, de voorvechter der verdrukten, Winnetou die vocht voor de vrijheid van zijn volk en D’Artagnan, de vierde musketier.
Mijn helden waren allen mannen, gehouwen uit graniet, die hun woorden voor zichzelf hielden en hun daden lieten spreken.

               Een held achtervolgde de slechterik tot in de verst gelegen uithoek, bevrijdde weerloze vrouwen uit de klauwen van de onbehouwen bruut waarop de veelal rondborstige deerne hem trouw beloofde tot het einde van haar dagen ook al wist zij net als hij diep vanbinnen dat hij ook bij haar niet blijven kon. Helden domesticeren slecht. Een held moet zwerven, nieuwe avonturen tegemoet. Hoog gezeten op een gevlekte schimmel, sneller dan een weerlicht en angst noch vermoeidheid kennend, colt, zwaard of kruisboog binnen handbereik, trekt hij ten strijde tegen onrecht. Onverschrokken en eigenzinnig bewandelt hij het pad waarvan hij beter dan de gewone sterveling weet dat dit het enige juiste is. Een held reist alleen maar is nooit eenzaam. Hij verdraagt als het moet tijdens een pragmatisch bondgenootschap voor een wijle een medestander, hij weet dat ook dat op een dag weer voorbij zal zijn.
               Een held vecht met open vizier en blote handen. Magische krachten bezit hij niet, hij kan vliegen noch op muren lopen, een held is net als u en ik een mens van vlees en bloed, alleen heeft hij een ijzeren karakter.
                Later, dacht ik, als ik groot zal zijn, ga ik worden zoals zij.

               In de jaren die volgden ging ik grote-mensen-boeken lezen. Mijn helden veranderden van queeste. Zij bestreden niet langer het onrecht maar het leven zelf. Zij waren schrijvers zonder lezers die leefden in de marge van de gemeenschap. God noch gebod erkenden zij, aan zeden of normen lieten zij zich weinig of niets gelegen. Ook zij gingen, net als de helden uit mijn kindertijd, onverstoord hun eigen weg. In afwachting van De Grote Doorbraak voerden zij de kippen met etensresten uit de smoezelige keukens van Oosterse restaurants waar zij nachtenlang de borden wasten, de glazen spoelden en toiletten dienden uit te kuisen.
               Ik verslond de werken van Charles Bukowski en John Fante. Hun verhalen waren opwindend, hun levens spannend. Dronkaards allebei, vechtersbazen, berooid als een straatrat, strompelend van job naar job, kroeg naar kroeg, vrouw naar vrouw, hier een bar uitgegooid, daar door een jaloerse echtgenoot in elkaar geslagen, elders kerfde een ladderzatte vergane schoonheid met de hak van haar stiletto een blijvend litteken in hun hart. Het weerhield ze er niet van door te gaan, onvervaard en eigenzinnig, de bluts aanvaardend met de buil, de hoogste toppen scherend om dan weer te belanden in de diepste dalen der droefenis. Rauw en ruw was hun taal, roekeloos en woest hun leven, onvermijdelijk hun lot. Ze dienden te gaan waar niemand hen was voorgegaan.
               Later, dacht ik, als ik echt groot zal zijn, wil ik worden zoals zij.

               Later is nu haast voorbij. Ik ben inmiddels groot genoeg geweest om langzaamaan weer klein te worden. De opstap naar het heldendom is aan me voorbijgegaan, ergens onderweg heb ik een afslag gemist.
               Die gedachte schoot me door het hoofd toen ik helemaal alleen de trein opwachtte die me doorheen de nacht naar de hoofdstad van Bohemenland zou rijden. Welke onverlaat zou mijn pad kruisen, vroeg ik me af, welke obstakels diende ik te overwinnen, welke prinses zou ik gaan bevrijden?
               De held in mij heeft nog groeimarge, leerde ik. Echte helden maken zich geen zorgen over de stiptheid van de trein, vragen zich niet bezorgd af waar op het perron zij moeten wachten, of zij hun coupé zullen moeten delen, of het toilet wel smetteloos proper is. Echte helden vragen geen hulp aan mannen in azuurblauw uniformhemd, controleren niet ontelbare keren of ze hun paspoort en kredietkaart niet vergeten zijn.

               Bij het vallen van de avond kwam de treinbegeleider nog even kijken of ik het naar mijn zin had. Of hij nog wat voor me kon betekenen, vroeg hij. Als u wat nodig hebt, dan roept u maar. Slaap lekker. Morgenochtend bezorg ik uw ontbijt. Ei zo na tekende hij een kruisje op mijn voorhoofd.
               Ze keerden zich bij bosjes om in hun graf, mijn helden. Lucky Luke, Robin Hood, De Rode Ridder. Winnetou en D’Artagnan. Charles Bukowski en John Fante. Aanbidder zijn kan iedereen, het heldendom daarentegen is niet elkeen gegeven.

Zomerslaap

               De winterslaap van de grondeekhoorn duurt acht maanden. Dan rinkelt de wekker, tenzij hij op zijn eekhofoon Viva la Vida als ontwaaktune heeft ingesteld. Of Lovely Day. Of Wake me Up. Begin april is het dan, niet vroeger, niet later, de klok van de natuur staat fijner afgesteld dan de nullijn in het Royal Observatory in Greenwich.
               Anders dan vaak wordt aangenomen houdt de bruine beer niet echt een winterslaap. Hij rust, intussen wellicht peinzend over de dingen des levens, zoals beren en schrijvers nu eenmaal doen. Soms moet hij even het nest uit, voor een plasje of een drol, beren zijn ook maar dieren. In het voorjaar warmt op de vrolijke tonen van Viva la Vida het berenlijf zich weer op, kriebelt de geur van ontluikend blad de snuivende neus, begint de maag te grollen en jagen hormonen hem vanuit zijn grot de jachtvelden in op zoek naar vis en honing.

               Begin september schudt ook De Schrijver de slaap uit zijn leden. Zoals de bruine beer heeft hij de voorbije zomer niet echt geslapen maar gerust. Een negen weken durend feest van ledigheid dat zoals dat met feesten gaat op een dag is leeggebloed.
               Wat heb ik met mijn leven toch gedaan die hele tijd, vraagt zich De Schrijver droefgeestig af. Hij rommelt in papieren, luistert naar de diepzinnige gedachten op zijn telefoon die toen hij ze insprak uitermate belangrijk leken en voor de eeuwigheid bestemd.

               Een mijnheer heeft tijdens zijn vakantie van twee weken tien boeken uitgelezen, hoort hij zichzelf zeggen. Hijzelf geen enkel. Met Marcel Proust ging hij Op Zoek naar De Verloren Tijd, de tocht is moeilijk en lang, het einde nog bijlange niet in zicht. Hij blaast het stof van Boekwerk 1, De Kant van Swann. Prousts levenswerk, leest hij op de achterflap. En ook: een van de grootste triomfen van de wereldliteratuur.
               Smaken en Kleuren, denkt De Schrijver. Zoetjesaan beginnen nu ook zijn hersenen als een middeleeuwse molen rondjes te malen. Wat wil dat zelfs zeggen, grootste triomf? Meest verkocht? Beste boek? Kan je Kunst, Schoonheid, Ontroering in een rangorde schikken? Het mooiste liedje in onze moederstaal: Ruimtevaarder? Ploegsteert? Twee Meisjes? Of toch maar iets van Bram Vermeulen? Hoe moet je dat bepalen?
               De Schrijver weet het niet. Het beste boek van deze eeuw? Geen beginnen aan. Vraag je een moeder of een vader ook welk kind hun mooiste is? Zijn verzameling Schoonheid en Ontroering staat in de boekenkast alfabetisch gerangschikt op auteur. Een beetje Ordnung muss sein, het leven is al ingewikkeld genoeg.

          De bladwijzer in De Kant van Swann steekt op pagina 296. Meester Proust schildert met het fijnste penseel tot in detail en met de kleurrijkste verf elke nerf van elk blad van elke boom in het grote bos. Je ruikt de versgebakken madeleines, voelt de prille lentezon, kuiert doelloos mee over de velden. Dit kunnen er maar weinigen, denkt De Schrijver bescheiden. Hijzelf al helemaal niet. Maar toch ook vermoeiend soms. Langdradig. Meer dan een keer is hij tijdens het lezen ingedommeld. De eerste zin op pagina 296 telt tweeënzeventig woorden, de tweede tweeënzestig. De beer in De Schrijver grijnst kwaadaardig, de eerste zin van zijn eerste stukje na de zomerslaap is acht woorden lang, de tweede zestien. Vast geen triomf in de wereldliteratuur.    
Grappen over Proust wordt in literaire middens als heiligschennis aanzien, weet De Schrijver. Het zij zo. Een Schrijver heeft het vrije woord, al denkt de grote Grunberg daar blijkbaar anders over.

               Het tweede boek dat hij niet uitgelezen kreeg, was Alkibiades, door Ilja Pfeiffer. Een idool. Pfeiffer is de Nafissatou Thiam van de Nederlandse Letteren die hoog verheven boven de kleine letterprutser die De Schrijver is vanop de top van de Olympos minzaam neerkijkt op de wereld en zijn geschiedenis. Dit boek is groots en meesterlijk, een hoogfeest van taal en opzet. Een tikje ingewikkeld ook toch, vindt De Schrijver die verdwaalde in de talloze intriges, veldslagen en kampwisselingen. De kleine letters van de bijna tweehonderd pagina’s tellende reeks voetnoten dansen ook na zijn zomerslaap nog als glimwormen in het donker voor zijn ogen.

               Ach, denkt De Schrijver, de zomer is voorbij, het is het nu dat telt. Op zijn bijna versleten HP scrolt hij door de nieuwsberichten. Omgekeerd evenredig met het stijgen van zijn lichaamstemperatuur daalt zijn humeur. Voor aanvang van zijn zomerslaap had men beloofd alras nieuwe regeringen te vormen, de kaarten hadden er nog nooit zo gunstig bijgelegen. Vandaag zegt men te moeten wachten tot de kerst. Over bedwantsen in asielcentra leest hij. Over overbevolkte gevangenissen, mannen die hun vrouw ombrengen omdat ze succesvoller zijn dan zijzelf. Over nucleaire sites, scholen en crèches die worden gebombardeerd, steden die worden platgewalst.
               Mensen zijn ook maar dieren, denkt De Schrijver, net als beren. In de tuin zoekt hij de twee eekhoorntjes die in het voorjaar nog vrolijk in de bomen klommen. Ze zijn er niet. De winter komt eraan.

Mijn Lieve U

Liefste Lezeressen en Lezers

Aanvaard mijn nederige groet

Dat er gemopperd wordt, hoor ik.
Ongenoegen tiert op sociale media. Fans van het eerste uur, trouwe lezers vanaf dag één, u dus en ook u, zijn misnoegd. Bekocht zou u zich voelen, verwaarloosd, als een uit het nest gevallen vogel in de steek gelaten.
Door mij, uw dienaar.
Dat spijt mij zeer.

Elke zaterdag tegen tienen, laat ik mij vertellen, zoekt u asiel op deze plek. Een kleine vlucht uit de dorre alledaagsheid van de dag, de week, het leven. Vier minuten wil u toeven in de warme haven van de Sprekershoek, u laten betoveren door een feeërieke stroom van mooie woorden. Vier minuten slechts, meer vraagt u niet.

Nog maar een week is het geleden dat u op uw honger bleef. In wanhoop drukte u op refresh, eenmaal, andermaal, duizendmaal. Het baatte niet. De pagina bleef dood en onbewogen. Dat gebeurde ook eerder al, op 11 mei, op 27 april, u weet het nog goed, zoals u ook goed weet dat in periodes van vakantie in deze hoek weinig nieuws te rapen valt. De zomer kondigt zich nu al aan als een gapend gat, een leegte zonder woorden, een woestijn zonder oase van sprankelende zinnen, verfrissende gedachten in poëtische verpakking, zonder bedenking die naar een glimlach leidt. Was het maar al september, verzucht u, in stilte weliswaar, er lopen lui in uw gezin die daar gans anders over denken.

Verweesd zou u zich voelen, vertelt men mij.
Diep ontgoocheld als die supporter van de Rode Duivels die getooid met vlag en pruik het elftal volgt tot in de verste uithoek van het continent, vrouw en kinderen achterlatend, enkel en alleen om een wedstrijd bij te wonen waarin dan wel het beoogde resultaat werd behaald maar niet het spel geleverd waarop was gehoopt. Hij had net als u, lieve lezeressen en lezers, meer verwacht. Zoals hij op de vingers fluiten is u te ordinair en luidkeels boegeroep laat u aan de koe die exact daarvoor en voor haar melk op de aarde werd gezet, doch tevreden bent u niet.
De Schrijver is lui geworden, moppert u. Het is hem naar de kop gestegen. Arrogant is hij geworden, overal veegt hij zijn voeten aan, dat doet zomaar zijn zin. Hij minacht zijn publiek terwijl, wat zou hij zonder ons betekenen? Niets, nada, noppes. Een zanger zonder podium zou hij zijn. Een vijver zonder water. Een zomer zonder zon.

Lieve Lezeressen en Lezers

Als trouwe volger van de Sprekershoek is uw wijsheid bovengemiddeld, uw intelligentie niet te peilen. U bent erudiet en beslagen in vele materies en daarenboven begiftigd met een empathisch vermogen dat zijn gelijke nergens vindt. Beter dan de modale voetbalfan toont u begrip voor het feilen van uw held, zelfs wanneer u dat pijn doet. Alleen al daarom zie ik u graag. Want graag zien, u en ik weten dat, kunnen wij tot ver voorbij onze geschillen.
Geenzins wil ik een parallel trekken tussen u en de man die zichzelf, zijn kinderen en bovenal zijn vrouw wijsmaakt dat hij zijn spaarpot leegschudt uitsluitend om in een ver land zijn favoriete team te steunen terwijl in zijn achterhoofd al wekenlang fantasieën rondwaren over ongestoord baldadig zuipen, losbandig brallen en lallen en zich vergapen aan de etalages van de lokale Reperbahn. Hij gaat voor het voetbal, hij herhaalt het vaak genoeg tot hij uiteindelijk ook zichzelf heeft overtuigd, u en ik weten, de lading onder de nationale driekleur is vaak verrassend en divers van aard. U dacht toch ook wat toen u die vrouwenbenen waarnam op het bed van die reporter?

Bij deze, mijn liefste lezeressen en lezers, vraag ik u om vergeving.
U hebt recht op elke week een stukje. Ter verontschuldiging voor mijn nalatigheid toch ook een klein excuus, dat u niet denkt dat ik me heb gewenteld in ledigheid en nietsdoenerij. Ik zag niet liggend op mijn rug in het gras de dagen als witte schaapjeswolken aan me voorbijdrijven, nippend aan een glas champagne met een blokje Franse kaas erbij. Ik vertoefde elders. In een wereld die ik zelf geschapen had en in eenzaamheid en stilte toevertrouwd aan klavier en papier. 53 733 woorden telt dat universum, het beslaat in Times New Roman, lettergrootte 12, interlinie anderhalf, 148 pagina’s, voorpagina inbegrepen. Eerst heette het nog Spiegelingen, wat later werd het Ook voor een dode vis telt elke seconde, het strandde aan het eind als lekker bekkend Hotél Axél.

Het is af nu. Klaar. Verzonden. Een keur van kenners neemt het onder de loep. In september volgt het laatste oordeel. De komende maanden zal ik leven op fruit, yoghurt en hoop. Ik duim tot de kramp uiteindelijk ook in die dikke vinger schiet.
Ik hoop dat u me daarbij steunt en met me meedoet.

Intussen wens ik u een heerlijke vakantie toe.

Heel veel liefs

Tot dan

Je Eigen Mens te Zijn

            Daar zit je dan, op je stoeltje in de tram. Tas soepel over je schouder, paraplu tussen je benen, je lijkt een oude man uit een film in zwartwit. Niemand van je medereizigers heeft blijkbaar de prognose van de weervrouw opgepikt: wisselvallig, overwegend droog met af en toe een bui. Of denken ze zich straks, als weer maar eens een wolk breekt, droog te kunnen houden onder hun telefoon? Die hebben ze massaal in de aanslag.
            Jij laat de jouwe waar hij zit. Je vergaapt je aan de mensen. In zichzelf gekeerd turen ze gebiologeerd naar het kleine scherm in hun handen. Veel vrolijks lijkt daar niet te zien. Niemand lacht, niemand stoot een ander aan, niemand zegt moet je kijken, hier, hoe geestig. Stil zijn ze. Hoe zouden ze zich voelen, vraag je je af, na al die bagger die in de dagen voor de stembusgang over hun hoofden werd uitgestort?

            Jullie hebben toch ook gestemd, vraag je in stilte aan de twee zwijgende mannen op het bankje voor je, uit Afghanistan, schat je, of Pakistan. Of vonden jullie het net als dat één miljoen Belgen niet de moeite je naar een school of sporthal te begeven, keuvelend over de mooie blauwe dag een kwartiertje aan te schuiven en daarna een bolletje of drie in te kleuren? Burgerplicht, zegt de politiek. Nutteloos, vindt iemand met een pet. Mensenrecht, in jouw beleving. De ene beleving is wellicht de andere niet. Jij bent hier ook de enige met een paraplu en, het valt je nu pas op, vrijwel de enige met een witte huid.

            Een man wrikt zich op het stoeltje naast je. Hij ruikt naar de drank, hoewel de ochtend nog maar nauwelijks halfweg is. Hij zou uit de Balkan kunnen komen. Ongeschoren, zorgelijk kijkende zwarte ogen onder gefronste wenkbrauwen. Ook hij plukt uit het borstzakje van zijn hemd een telefoon. Je doet je best niet stiekem naar het scherm te kijken maar hebt het Facebooklogo meteen herkend. Bent u een van Onze Mensen of hoort u er niet bij, vraag je je af, je bent daar niet trots op, het schiet zomaar door je hoofd zoals dat met gedachten gaat.
            Aan een drukke halte stappen drie vrouwen op mét hoofddoek en vier jonge meisjes zonder. Ze praten in groepjes op basis van leeftijd, de vrouwen in een taal waarin je Berbers vermoedt, de meisjes bezigen een Nederlands met veel wie-jo’s en klemtonen waarin muziek verscholen zit.  Ze praten over elkaars kleren, ze lachen, zonnestralen zijn het op een bewolkte dag. Zouden zij Eigen Mensen zijn, of vormt hun accent daarvoor een barrière? Je weet het niet, dat is het moeilijke met die ongedefinieerde begrippen, het Vlaamse Volk, Onze Eigen Mensen, De Kiezer, Normen en Waarden, iedereen lijkt ze te begrijpen terwijl niemand exact weet uit te leggen wie of wat er precies mee wordt bedoeld. Je dacht dat met de jaren het leven minder ingewikkeld worden zou, ook dat had je fout.

            Een getaande oude man sleept een overladen tas van Action achter zich aan. Een buikige zwarte mijnheer gebruikt zijn telefoon als megafoon, tot ver voorbij Gibraltar is hij nog te horen. Je begrijpt geen woord van wat hij roept. Zevenduizend talen zijn er op de wereld, in dit land spreekt geen kat de zijne. Hij is vast elders wel een Eigen Mens. Een armoedzaaier duwt een plastieken beker onder je neus. Neen, weer je af, niet omdat je hem niets gunt of vindt dat hij op zoek moet naar een baan – bedelen is ook hard werken, vernederend bovendien, je doet het echt niet voor je hobby, – maar omdat je nooit nog cash op zak draagt. Een kaartenman ben je geworden, dat besef voelt nogal middenklasse, pompeus, kijk mij, vier bankkaarten in de beurs, de onderlaag van munten en biljetten ontstegen. Eigen Volk, gewis.

            Een vrouw van om en bij de dertig, huid als room, hoge jukbeenderen, slanke leest, leunt tegen de deur. Het alarm noopt de chauffeur uit zijn cockpit. Hij oogt Oriëntaals, zijn haren zwart als git, hij praat beter Nederlands dan Georges-Louis Bouchez, ook een winnaar zondag maar vast geen Eigen Mens. De vrouw begrijpt het niet, haar vriendin helpt haar uit de nood in wat jij als Oekraïens vermoedt. Ontheemd, voor de oorlog op de vlucht, word je dan ooit nog ergens Eigen Mens?

            Bovengronds slenter je naar het Centraal Station. Het plein baadt in de zon. Mannen roken, praten, jongeren hangen, vrouwen laveren er tussendoor, mensen in alle maten en gewichten, in kleuren en in geuren. Hoe kaal wordt deze stad, vraag je je af, wanneer alleen nog Eigen Volk overblijft?
            Op de trein zoek je een wagon waarin nog niemand zit, een plek voor jou alleen, waar je vrij en vrolijk helemaal je Eigen Zelf kan zijn.

De naaktslak in de kamer

               Het is genoeg geweest.
               Ik kan geen politici meer zien, geen stemtest meer ruiken, geen oneliner aanhoren. De debatfiches komen me de strot uit. Vraag mij ook niet op wie u morgen stemmen moet, ik ben geen adviesbureau en ook geen orakel, wat na morgen komt heeft de Alwetende ook aan mij niet geopenbaard. Al vrees ik wel het ergste nu de zuurtegraad in dit Monaco aan de Noordzee die van een fles azijn ruim overstijgt.

               Kom, ander onderwerp.
               Het leven wordt duurder, valt het u ook op? Het brood, de aardappel, het pintje, drie dingen in je winkelkar en je bent een half maandloon kwijt. Koken kost geld, jaja, ik weet het en ja, oorlogen leiden tot grondstoffentekort, de landbouw heeft het moeilijk, de lonen worden zwaar belast. Iemand zou daar iets aan moeten doen, paal en perk stellen, ingrijpende maatregelen nemen, iemand zou neen, stop, tot hier en verder niet. Dit wordt al gauw weer politiek.

               Iets anders dan. Hebt u nog wat leuks gezien onlangs? Een film, voorstelling, expositie? Wordt u net als ik ook altijd weer diep getroffen door de eigenzinnigheid van een kunstenaar die anders naar de dingen kijkt, daar dan op eigen wijze vorm aan geeft, grenzen oprekt? Tot tranen toe ontroerd kan ik worden als een artiest mijn blik verruimt, mijn zekerheden op de weegschaal legt, mijn hart verwarmt met een beeld, een zin, een klank.
               Ik hoorde stemmen deze week om hier en daar een lijn te trekken, vrijdenken in te perken in naam van goede smaak en zeden, tot meerder eer en glorie van eigen bloed en bodem. Ene mijnheer Lapzwans hoorde ik pleiten voor de opwaardering van de volksdansgroep. Het volk moet dansen naar de pijpen van de orgelman, dat is de toekomst, iemand moet daartegen toch ageren, protesteren, zeggen neen, stop, tot hier en verder niet. Oei, dat is het gladde veld der politiek.

               Laat het ons over liefde hebben, het is toch steeds de liefde die ons drijft. Het kan eenvoudig zijn: wat speelt tussen twee mensen, blijft tussen twee mensen. Liefde tussen man en vrouw, ook al is ze hobbelig soms, ingewikkeld, niet altijd tegen de tijd bestand, het leven blijft een tranendal – is algemeen aanvaard.
               Ik hoor dat men ook in de liefde nu om grenzen vraagt. Liefde kent vele vormen en gedaanten. Wie valt op wie, waarom, wanneer en hoe, het is brandstof voor de dichter en de psycholoog. Wie buiten de normering valt, moet in de toekomst minder mogen, hoor ik zeggen. De aard van je liefde bepaalt of je mag trouwen met elkaar, kinderen krijgen, elkaars eigendommen erven. Men zal toch niet van bovenaf beslissen wie of wat en hoe, iemand moet toch opstaan, op de tafel slaan, zeggen neen, houd op, tot hier en verder niet. O jee, ook dit is het terrein der politiek.

               Iets gans onschuldigs dan. Een fait divers, een niemendal, een ongemak. Vanmorgen bij het inschenken van de koffie trapte ik in de keuken op een naaktslak. Mijn blote voet plette het slijmerig gedrocht tot moes. Naaktslakken kraken niet, ze worden kwallig week en glibberig en blijven kleven aan je huid. Ik zag een slijmspoor dat halfweg het kookfornuis begon en stopte bij het aanrecht. Hoe kwam dat kleffe ding mijn keuken in? Kunnen naaktslakken vliegen?  
               De naaktslak, zo vroeg ik mij, wie is hij, wat drijft hem, waar komt hij vandaan? Hoe heet hij in het Frans? Escargot nu gokte ik verkeerdelijk, limace moet het zijn, le of la is niet geweten, Schnecke in het Duits. Voor zij die tot splitsen willen overgaan, de derde regio staat morgen niet op uw stembiljet, maar ook daar houdt de naaktslak lelijk huis. De krengen zitten overal, in de keuken, op het terras, aan de vuilnisbak, ze vreten stukken uit verkiezingsfolders in de brievenbus. Een gevolg van dat nat dat met bakken uit de hemel valt, zo laat ik me vertellen. De planeet geeft een signaal dat de mens hooghartig naast zich neerlegt. Niemand die er wat van zegt, niemand die er wat aan doet, het is al economie, koopkracht, arbeidsgraad waar het om gaat. Iemand moet hier toch een stopbord plaatsen, de woeste jacht op geldgewin en oorlogsbuit tot stilstand brengen, vragen hoe het beter kan, vriendelijker voor dier, plant en mens. Iemand zou toch neen, wacht, stop, houd op, tot hier en verder niet. Dat is de taak der politiek.

               Als een naaktslak glibbert ook de politiek altijd en overal uw leven in. In uw huis, uw keuken, uw bed. Denk daaraan, morgen. Stem op de goeie.

De kikker en de vlieg

               ‘Ik weet een goed idee,’ zei de ervaren journalist tijdens de brainstorm die maandagochtend.  ‘We laten échte mensen aan het woord. De man in de straat. De ontslagen arbeider die geen nieuwe baan vindt. De onderbetaalde huishoudhulp. De overbelaste zorgverlener.’
               ‘De jeugd van tegenwoordig,’ piepte schuchter een jonge meisjesstem.
               ‘In mijn tijd vroegen we het woord in plaats van het klakkeloos te nemen,’ morde de oude knar. Hij taalde nu al naar de lunch en de Franse brandewijn uit een goed jaar bij de koffie. Wat kon het hem ook allemaal schelen? Verkiezingskoorts, hij had het al zo vaak gezien, na de stembusslag komt toch gewoon de zon weer op.
               ‘Op mijn leeftijd ga ik echt niet een hoop jong grut lopen modereren,’ wimpelde hij de stagiaire af. Die kleurde rood en boog het hoofd.
               ‘Hoeft ook niet,’ schoot het redactiehoofd haar te hulp. ‘Een kanon hebben we nodig. Een kijkcijfermagneet. Vergeet niet, in de eerste plaats is televisie show.’ Mijn koninkrijk voor een cognac, snakte de reporter.
               Vlijtig tekende de stagiaire een format uit. Ze selecteerde scholen, maakte afspraken, legde agenda’s vast en schotelde een acteur die van diepzinnig kijken zijn handelsmerk had gemaakt en nooit iemand voor het hoofd zou stoten een lucratief aanbod onder de neus.

               De camera’s zoemden. Microfoons aan lange stokken zweefden boven de hoofden. In het midden van de kring zat de partijvoorzitter te wiebelen op zijn stoel als een kikker op een waterlelie in de vijver. De leerlingen om hem heen wachtten op het afgesproken teken. Dit is geen debat, had de stagiaire benadrukt. Je wacht je beurt af, stelt beleefd je vraag, laat de voorzitter uitpraten en gaat niet in discussie. Dat er op woensdagmiddag voor balorige leerlingen altijd wel een lokaal beschikbaar was, had de schoolprefect daar nog fijntjes aan toegevoegd. De goede naam van de school was hier in het geding.

               Breedsmoelerig pareerde de kikker elke vraag.
               ‘Ik ben geboren in het lichaam van een meisje maar ik voel me een jongen,’ outte zich een zestienjarige.
               ‘Dat moet moeilijk zijn voor je,’ zei de kikker. Mocht hij wenkbrauwen hebben gehad, hij zou ze hebben gefronst.  ‘Uw probleem echter erken ik niet. En dat er met u al eens gelachen wordt, is toch ook het einde van de wereld niet.’ Dat klonk ingewikkeld: de situatie was moeilijk en wordt als niet bestaand beschouwd maar er mag wel mee gelachen worden. Je wordt vast geen politicus als je je school niet hebt afgemaakt, bedacht ik in mijn luie zetel.
               ‘Ik zou het overigens niet fijn vinden wanneer mijn dochter na een wedstrijd samen met een jongen onder de douche moet,’ kwaakte de kikker nog. Tevreden blies hij de kaken bol, zijn tong flitste hongerig in het luchtledige. Dat was toch niet de vraag, dacht ik een tikje kregelig. Geen leerling startte een discussie, de acteur wandelde ernstig kijkend tussen de rijen door.

               Een meisje met getaande huid vreesde door de kikker en zijn puitjes te worden gediscrimineerd.
               ‘Mijn partij is tegen discriminatie,’ antwoordde de kikker fors. Dat antwoord bokste als de rechtse van een zwaargewicht in mijn onderbuik. Als de neus van Pinoccio groeide er een kroontje op zijn kruin. Soms moet je tegenspreken, riep ik de jongelui toe. Protesteren! Rebelleren!  De scholieren bleven stil. Ach, in mijn tijd, dacht ik nostalgisch. Die demonstraties tegen de dertig miljard van Van den Boeynants. Die pamfletten van RAL of AMADA die mijn maatje Filip en ik bedeelden aan de schoolpoort. Die klasstaking tegen te hoge werkdruk in het laatste jaar. Mijn leerlingen later die naar Brussel trokken als protest tegen het spaghetti-arrest.
               ‘Op uw affiches staan alleen maar witte mensen,’ probeerde het meisje nog. Goed zo, kind, applaudisseerde ik.  
               ‘Ach,’ zei de kikker, ‘louter toeval.’ Stroperig bengelde zijn tong uit de bek. ‘‘Blijkbaar vind niet ik maar u huidskleur erg belangrijk. Ik besluit daaruit dat niet ik maar u discrimineert.’

               Het meisje keek beduusd.
               ‘Zeg dan dat hij liegt,’ schreeuwde ik naar de acteur, ‘zeg hem dat er niets toevalligs is aan alleen maar witte mensen in zijn straatbeeld. Help dat kind. Ze is te jong, te naïef en kwetsbaar. In deze kikker schuilt geen prins, hij is een wolf op een waterlelie.’ Doof ijsbeerde de acteur met diepzinnige blik heen en weer door de klas.
               ‘Gooi met tomaten,’ hitste ik de jongeren op. ‘Draag hem de studio uit! Ga zelf weg en laat hem kwaken!’ Welopgevoed en beleefd hielden de jongeren zich aan de regels van het spel. Met zijn tong likte de kikker zijn lippen, als een dikke vlieg kleefde er een halve natie aan.

               ‘Ik sta toch altijd weer te kijken van de mondigheid van onze jeugd,’ evalueerde de acteur tijdens het praatje achteraf terwijl hij nadenkend in de camera keek.
               ‘Je moet eerlijk tegen ze zijn,’ antwoordde de kikker, ‘ze kijken zo door een leugen heen.’ Hij liet een boertje en sprong voldaan in zijn poel.

Mijn Amy

               Over de doden niets dan goeds, zegt de zegswijs.
               Of dat wel zo’n goed idee is, vroeg ik me af toen ik na het zien van Back to Black door de regen richting bedstee trok. Wat heb je aan niets dan goeds? Oom Adolf was een fijne man. Hij at geen vlees, was dol op zijn hond en schilderde lieflijke taferelen in zijn vrije tijd. Een detail te weinig, toch? Mensen zijn zelden alleen maar goed. Ook u, u hoeft zich daar geenszins voor te schamen, hebt uw kleine kantjes. Dat valt overigens toe te juichen. Alleen maar goed is zoals in je huis alle muren grijs. Netjes wel, maar saai.

               Ik weet nog waar ik was toen ik hoorde dat Amy Winehouse haar laatste lied gezongen had. Op een stoeltje naast een tent in Saint-Rémy-de-Provence. Krant op schoot, fles rode wijn in handbereik. Ik was hevig aangedaan. Het zou kunnen dat ik heb gehuild die avond. Het zou kunnen dat ik dronken ben geworden.
               De enkele cd’s die vandaag weleens uit hun doosje mogen, zijn Frank, Back to Black en Lioness: Little Treasures. Naast de Sad 80’s en 90’s Allerbeste is This is Amy Winehouse de vaakst afgespeelde speellijst op mijn Spotify. Het komt weleens voor dat ik op een met alcohol overgoten nacht op You Tube nog eens dat concert bekijk, Amy in Belgrado, haar laatste en meest pijnlijke. Het meisje met de gouden stem zwalkt en wankelt, enkel de bijenkorf op haar hoofd blijft overeind; ze zingt niet, ze wauwelt om hulp; ze danst niet dat naïeve dansje, ze zoekt naar evenwicht. Dan moet ik weleens huilen.  

               ‘Ik wil dat mensen genieten van mijn muziek,’ zijn in de film Amy’s eerste woorden. Het is de liefde die haar drijft. Liefde voor muziek, niet voor geld, eer of roem. Alles aan haar is liefde. Voor de man van haar leven, voor haar vader. Ook als dat pad naar de afgrond leidt. Liefde geeft haar leven kleur, zonder is alles grijs. Zo gaat dat met de liefde, ik weet er alles van. Soms word je er dronken van, soms moet je ervan huilen. Amy doet het allebei. Met overgave.
               Fans, zo lees ik, zouden zeer gebelgd zijn over het portret van de zwalpende nachtbraker die op tijd en stond gal en lever in de toiletpot kotst. Roem en liefde zijn zwaar om dragen, helemaal als je door hongerige hyena’s met camera en balpen in de aanslag van de ochtend tot de avond wordt opgejaagd. Het voelt als een dolk in het hart, zeggen haar aanbidders, ze nemen het woord traumaporno in de mond.
               Fans zijn als verliefden ziende blind. Liever sluiten ze de ogen voor de schaduwzijden van de werkelijkheid. Fans hebben liever alle muren grijs.

               Wat mij betreft, de Amy uit de film is me te lief. Te zacht. Te veel het duupje. Blake Fielder-Civil, haar ontspoorde wederhelft, wordt weleens wakker met een sneetje op zijn wang dat doet vermoeden dat de diva net haar nageltjes had bijgevijld, nooit zie je een getormenteerde Amy smijten met een whiskyglas, bijten in een kwetsbaar orgaan of grijpen naar een schaar. Dat miste ik. Ik miste de pijn, het chagrijn, het vulgaire venijn. Ik zag te weinig van de open wonde op hoge hakken die Amy Winehouse was. Hunkeren naar liefde die niet wordt ingevuld, snijdt als een mes in het hart. Het was me allemaal wat te grijs. Vooraf had ik gedacht dat ik zou huilen. Dat gebeurde niet. Ik dronk nadien geen enkel glas.
               Amy’s vader in de film is een Sinterklaas zonder baard. Een goedheilig man die elke nuk en gril van zijn wonderkind verdraagt. Dat is ook over de levenden alleen maar goeds. De liefde van de échte vader Winehouse ging toch eerder, zo leerde ik enkele jaren geleden al uit het docudrama Amy, langs de kassa dan door het hart.
               Zal ik dan maar niet gaan kijken, vraagt u. Als u wil genieten van haar muziek, ga. Geniet dan meteen ook van de wonderlijke Marisa Abela die zich niet alleen Amy’s looks, tics en danspasjes eigen maakte, maar ook haar stem. Elke hit, het zijn er veel, heeft ze zelf ingezongen. Ik heb het niet gemerkt. U, zeg ik tegen die prestatie.

               Tot slot toch even nog een klein verzoek.
               Mocht u zich staande rond mijn urne of sarcofaag geroepen voelen een woord te spreken, laat dan het portret volledig zijn. Vermeld niet alleen die onweerstaanbare looks en bedwelmende charme, de ontwapenende glimlach en fijne spitsvondigheden, dat betoverende gegoochel met het woord. Zoek ook naar minder fraaie eigenschappen. Makkelijk wordt dat niet, dat begrijp ik. Doch ik geloof in u. U kan dat. Laat mij in uw herinnering alles zijn behalve grijs.
               Na afloop mag u oeverloos huilen en drinken op mijn kosten.