Mijn Lieve U

Liefste Lezeressen en Lezers

Aanvaard mijn nederige groet

Dat er gemopperd wordt, hoor ik.
Ongenoegen tiert op sociale media. Fans van het eerste uur, trouwe lezers vanaf dag één, u dus en ook u, zijn misnoegd. Bekocht zou u zich voelen, verwaarloosd, als een uit het nest gevallen vogel in de steek gelaten.
Door mij, uw dienaar.
Dat spijt mij zeer.

Elke zaterdag tegen tienen, laat ik mij vertellen, zoekt u asiel op deze plek. Een kleine vlucht uit de dorre alledaagsheid van de dag, de week, het leven. Vier minuten wil u toeven in de warme haven van de Sprekershoek, u laten betoveren door een feeërieke stroom van mooie woorden. Vier minuten slechts, meer vraagt u niet.

Nog maar een week is het geleden dat u op uw honger bleef. In wanhoop drukte u op refresh, eenmaal, andermaal, duizendmaal. Het baatte niet. De pagina bleef dood en onbewogen. Dat gebeurde ook eerder al, op 11 mei, op 27 april, u weet het nog goed, zoals u ook goed weet dat in periodes van vakantie in deze hoek weinig nieuws te rapen valt. De zomer kondigt zich nu al aan als een gapend gat, een leegte zonder woorden, een woestijn zonder oase van sprankelende zinnen, verfrissende gedachten in poëtische verpakking, zonder bedenking die naar een glimlach leidt. Was het maar al september, verzucht u, in stilte weliswaar, er lopen lui in uw gezin die daar gans anders over denken.

Verweesd zou u zich voelen, vertelt men mij.
Diep ontgoocheld als die supporter van de Rode Duivels die getooid met vlag en pruik het elftal volgt tot in de verste uithoek van het continent, vrouw en kinderen achterlatend, enkel en alleen om een wedstrijd bij te wonen waarin dan wel het beoogde resultaat werd behaald maar niet het spel geleverd waarop was gehoopt. Hij had net als u, lieve lezeressen en lezers, meer verwacht. Zoals hij op de vingers fluiten is u te ordinair en luidkeels boegeroep laat u aan de koe die exact daarvoor en voor haar melk op de aarde werd gezet, doch tevreden bent u niet.
De Schrijver is lui geworden, moppert u. Het is hem naar de kop gestegen. Arrogant is hij geworden, overal veegt hij zijn voeten aan, dat doet zomaar zijn zin. Hij minacht zijn publiek terwijl, wat zou hij zonder ons betekenen? Niets, nada, noppes. Een zanger zonder podium zou hij zijn. Een vijver zonder water. Een zomer zonder zon.

Lieve Lezeressen en Lezers

Als trouwe volger van de Sprekershoek is uw wijsheid bovengemiddeld, uw intelligentie niet te peilen. U bent erudiet en beslagen in vele materies en daarenboven begiftigd met een empathisch vermogen dat zijn gelijke nergens vindt. Beter dan de modale voetbalfan toont u begrip voor het feilen van uw held, zelfs wanneer u dat pijn doet. Alleen al daarom zie ik u graag. Want graag zien, u en ik weten dat, kunnen wij tot ver voorbij onze geschillen.
Geenzins wil ik een parallel trekken tussen u en de man die zichzelf, zijn kinderen en bovenal zijn vrouw wijsmaakt dat hij zijn spaarpot leegschudt uitsluitend om in een ver land zijn favoriete team te steunen terwijl in zijn achterhoofd al wekenlang fantasieën rondwaren over ongestoord baldadig zuipen, losbandig brallen en lallen en zich vergapen aan de etalages van de lokale Reperbahn. Hij gaat voor het voetbal, hij herhaalt het vaak genoeg tot hij uiteindelijk ook zichzelf heeft overtuigd, u en ik weten, de lading onder de nationale driekleur is vaak verrassend en divers van aard. U dacht toch ook wat toen u die vrouwenbenen waarnam op het bed van die reporter?

Bij deze, mijn liefste lezeressen en lezers, vraag ik u om vergeving.
U hebt recht op elke week een stukje. Ter verontschuldiging voor mijn nalatigheid toch ook een klein excuus, dat u niet denkt dat ik me heb gewenteld in ledigheid en nietsdoenerij. Ik zag niet liggend op mijn rug in het gras de dagen als witte schaapjeswolken aan me voorbijdrijven, nippend aan een glas champagne met een blokje Franse kaas erbij. Ik vertoefde elders. In een wereld die ik zelf geschapen had en in eenzaamheid en stilte toevertrouwd aan klavier en papier. 53 733 woorden telt dat universum, het beslaat in Times New Roman, lettergrootte 12, interlinie anderhalf, 148 pagina’s, voorpagina inbegrepen. Eerst heette het nog Spiegelingen, wat later werd het Ook voor een dode vis telt elke seconde, het strandde aan het eind als lekker bekkend Hotél Axél.

Het is af nu. Klaar. Verzonden. Een keur van kenners neemt het onder de loep. In september volgt het laatste oordeel. De komende maanden zal ik leven op fruit, yoghurt en hoop. Ik duim tot de kramp uiteindelijk ook in die dikke vinger schiet.
Ik hoop dat u me daarbij steunt en met me meedoet.

Intussen wens ik u een heerlijke vakantie toe.

Heel veel liefs

Tot dan

Je Eigen Mens te Zijn

            Daar zit je dan, op je stoeltje in de tram. Tas soepel over je schouder, paraplu tussen je benen, je lijkt een oude man uit een film in zwartwit. Niemand van je medereizigers heeft blijkbaar de prognose van de weervrouw opgepikt: wisselvallig, overwegend droog met af en toe een bui. Of denken ze zich straks, als weer maar eens een wolk breekt, droog te kunnen houden onder hun telefoon? Die hebben ze massaal in de aanslag.
            Jij laat de jouwe waar hij zit. Je vergaapt je aan de mensen. In zichzelf gekeerd turen ze gebiologeerd naar het kleine scherm in hun handen. Veel vrolijks lijkt daar niet te zien. Niemand lacht, niemand stoot een ander aan, niemand zegt moet je kijken, hier, hoe geestig. Stil zijn ze. Hoe zouden ze zich voelen, vraag je je af, na al die bagger die in de dagen voor de stembusgang over hun hoofden werd uitgestort?

            Jullie hebben toch ook gestemd, vraag je in stilte aan de twee zwijgende mannen op het bankje voor je, uit Afghanistan, schat je, of Pakistan. Of vonden jullie het net als dat één miljoen Belgen niet de moeite je naar een school of sporthal te begeven, keuvelend over de mooie blauwe dag een kwartiertje aan te schuiven en daarna een bolletje of drie in te kleuren? Burgerplicht, zegt de politiek. Nutteloos, vindt iemand met een pet. Mensenrecht, in jouw beleving. De ene beleving is wellicht de andere niet. Jij bent hier ook de enige met een paraplu en, het valt je nu pas op, vrijwel de enige met een witte huid.

            Een man wrikt zich op het stoeltje naast je. Hij ruikt naar de drank, hoewel de ochtend nog maar nauwelijks halfweg is. Hij zou uit de Balkan kunnen komen. Ongeschoren, zorgelijk kijkende zwarte ogen onder gefronste wenkbrauwen. Ook hij plukt uit het borstzakje van zijn hemd een telefoon. Je doet je best niet stiekem naar het scherm te kijken maar hebt het Facebooklogo meteen herkend. Bent u een van Onze Mensen of hoort u er niet bij, vraag je je af, je bent daar niet trots op, het schiet zomaar door je hoofd zoals dat met gedachten gaat.
            Aan een drukke halte stappen drie vrouwen op mét hoofddoek en vier jonge meisjes zonder. Ze praten in groepjes op basis van leeftijd, de vrouwen in een taal waarin je Berbers vermoedt, de meisjes bezigen een Nederlands met veel wie-jo’s en klemtonen waarin muziek verscholen zit.  Ze praten over elkaars kleren, ze lachen, zonnestralen zijn het op een bewolkte dag. Zouden zij Eigen Mensen zijn, of vormt hun accent daarvoor een barrière? Je weet het niet, dat is het moeilijke met die ongedefinieerde begrippen, het Vlaamse Volk, Onze Eigen Mensen, De Kiezer, Normen en Waarden, iedereen lijkt ze te begrijpen terwijl niemand exact weet uit te leggen wie of wat er precies mee wordt bedoeld. Je dacht dat met de jaren het leven minder ingewikkeld worden zou, ook dat had je fout.

            Een getaande oude man sleept een overladen tas van Action achter zich aan. Een buikige zwarte mijnheer gebruikt zijn telefoon als megafoon, tot ver voorbij Gibraltar is hij nog te horen. Je begrijpt geen woord van wat hij roept. Zevenduizend talen zijn er op de wereld, in dit land spreekt geen kat de zijne. Hij is vast elders wel een Eigen Mens. Een armoedzaaier duwt een plastieken beker onder je neus. Neen, weer je af, niet omdat je hem niets gunt of vindt dat hij op zoek moet naar een baan – bedelen is ook hard werken, vernederend bovendien, je doet het echt niet voor je hobby, – maar omdat je nooit nog cash op zak draagt. Een kaartenman ben je geworden, dat besef voelt nogal middenklasse, pompeus, kijk mij, vier bankkaarten in de beurs, de onderlaag van munten en biljetten ontstegen. Eigen Volk, gewis.

            Een vrouw van om en bij de dertig, huid als room, hoge jukbeenderen, slanke leest, leunt tegen de deur. Het alarm noopt de chauffeur uit zijn cockpit. Hij oogt Oriëntaals, zijn haren zwart als git, hij praat beter Nederlands dan Georges-Louis Bouchez, ook een winnaar zondag maar vast geen Eigen Mens. De vrouw begrijpt het niet, haar vriendin helpt haar uit de nood in wat jij als Oekraïens vermoedt. Ontheemd, voor de oorlog op de vlucht, word je dan ooit nog ergens Eigen Mens?

            Bovengronds slenter je naar het Centraal Station. Het plein baadt in de zon. Mannen roken, praten, jongeren hangen, vrouwen laveren er tussendoor, mensen in alle maten en gewichten, in kleuren en in geuren. Hoe kaal wordt deze stad, vraag je je af, wanneer alleen nog Eigen Volk overblijft?
            Op de trein zoek je een wagon waarin nog niemand zit, een plek voor jou alleen, waar je vrij en vrolijk helemaal je Eigen Zelf kan zijn.

De naaktslak in de kamer

               Het is genoeg geweest.
               Ik kan geen politici meer zien, geen stemtest meer ruiken, geen oneliner aanhoren. De debatfiches komen me de strot uit. Vraag mij ook niet op wie u morgen stemmen moet, ik ben geen adviesbureau en ook geen orakel, wat na morgen komt heeft de Alwetende ook aan mij niet geopenbaard. Al vrees ik wel het ergste nu de zuurtegraad in dit Monaco aan de Noordzee die van een fles azijn ruim overstijgt.

               Kom, ander onderwerp.
               Het leven wordt duurder, valt het u ook op? Het brood, de aardappel, het pintje, drie dingen in je winkelkar en je bent een half maandloon kwijt. Koken kost geld, jaja, ik weet het en ja, oorlogen leiden tot grondstoffentekort, de landbouw heeft het moeilijk, de lonen worden zwaar belast. Iemand zou daar iets aan moeten doen, paal en perk stellen, ingrijpende maatregelen nemen, iemand zou neen, stop, tot hier en verder niet. Dit wordt al gauw weer politiek.

               Iets anders dan. Hebt u nog wat leuks gezien onlangs? Een film, voorstelling, expositie? Wordt u net als ik ook altijd weer diep getroffen door de eigenzinnigheid van een kunstenaar die anders naar de dingen kijkt, daar dan op eigen wijze vorm aan geeft, grenzen oprekt? Tot tranen toe ontroerd kan ik worden als een artiest mijn blik verruimt, mijn zekerheden op de weegschaal legt, mijn hart verwarmt met een beeld, een zin, een klank.
               Ik hoorde stemmen deze week om hier en daar een lijn te trekken, vrijdenken in te perken in naam van goede smaak en zeden, tot meerder eer en glorie van eigen bloed en bodem. Ene mijnheer Lapzwans hoorde ik pleiten voor de opwaardering van de volksdansgroep. Het volk moet dansen naar de pijpen van de orgelman, dat is de toekomst, iemand moet daartegen toch ageren, protesteren, zeggen neen, stop, tot hier en verder niet. Oei, dat is het gladde veld der politiek.

               Laat het ons over liefde hebben, het is toch steeds de liefde die ons drijft. Het kan eenvoudig zijn: wat speelt tussen twee mensen, blijft tussen twee mensen. Liefde tussen man en vrouw, ook al is ze hobbelig soms, ingewikkeld, niet altijd tegen de tijd bestand, het leven blijft een tranendal – is algemeen aanvaard.
               Ik hoor dat men ook in de liefde nu om grenzen vraagt. Liefde kent vele vormen en gedaanten. Wie valt op wie, waarom, wanneer en hoe, het is brandstof voor de dichter en de psycholoog. Wie buiten de normering valt, moet in de toekomst minder mogen, hoor ik zeggen. De aard van je liefde bepaalt of je mag trouwen met elkaar, kinderen krijgen, elkaars eigendommen erven. Men zal toch niet van bovenaf beslissen wie of wat en hoe, iemand moet toch opstaan, op de tafel slaan, zeggen neen, houd op, tot hier en verder niet. O jee, ook dit is het terrein der politiek.

               Iets gans onschuldigs dan. Een fait divers, een niemendal, een ongemak. Vanmorgen bij het inschenken van de koffie trapte ik in de keuken op een naaktslak. Mijn blote voet plette het slijmerig gedrocht tot moes. Naaktslakken kraken niet, ze worden kwallig week en glibberig en blijven kleven aan je huid. Ik zag een slijmspoor dat halfweg het kookfornuis begon en stopte bij het aanrecht. Hoe kwam dat kleffe ding mijn keuken in? Kunnen naaktslakken vliegen?  
               De naaktslak, zo vroeg ik mij, wie is hij, wat drijft hem, waar komt hij vandaan? Hoe heet hij in het Frans? Escargot nu gokte ik verkeerdelijk, limace moet het zijn, le of la is niet geweten, Schnecke in het Duits. Voor zij die tot splitsen willen overgaan, de derde regio staat morgen niet op uw stembiljet, maar ook daar houdt de naaktslak lelijk huis. De krengen zitten overal, in de keuken, op het terras, aan de vuilnisbak, ze vreten stukken uit verkiezingsfolders in de brievenbus. Een gevolg van dat nat dat met bakken uit de hemel valt, zo laat ik me vertellen. De planeet geeft een signaal dat de mens hooghartig naast zich neerlegt. Niemand die er wat van zegt, niemand die er wat aan doet, het is al economie, koopkracht, arbeidsgraad waar het om gaat. Iemand moet hier toch een stopbord plaatsen, de woeste jacht op geldgewin en oorlogsbuit tot stilstand brengen, vragen hoe het beter kan, vriendelijker voor dier, plant en mens. Iemand zou toch neen, wacht, stop, houd op, tot hier en verder niet. Dat is de taak der politiek.

               Als een naaktslak glibbert ook de politiek altijd en overal uw leven in. In uw huis, uw keuken, uw bed. Denk daaraan, morgen. Stem op de goeie.

De kikker en de vlieg

               ‘Ik weet een goed idee,’ zei de ervaren journalist tijdens de brainstorm die maandagochtend.  ‘We laten échte mensen aan het woord. De man in de straat. De ontslagen arbeider die geen nieuwe baan vindt. De onderbetaalde huishoudhulp. De overbelaste zorgverlener.’
               ‘De jeugd van tegenwoordig,’ piepte schuchter een jonge meisjesstem.
               ‘In mijn tijd vroegen we het woord in plaats van het klakkeloos te nemen,’ morde de oude knar. Hij taalde nu al naar de lunch en de Franse brandewijn uit een goed jaar bij de koffie. Wat kon het hem ook allemaal schelen? Verkiezingskoorts, hij had het al zo vaak gezien, na de stembusslag komt toch gewoon de zon weer op.
               ‘Op mijn leeftijd ga ik echt niet een hoop jong grut lopen modereren,’ wimpelde hij de stagiaire af. Die kleurde rood en boog het hoofd.
               ‘Hoeft ook niet,’ schoot het redactiehoofd haar te hulp. ‘Een kanon hebben we nodig. Een kijkcijfermagneet. Vergeet niet, in de eerste plaats is televisie show.’ Mijn koninkrijk voor een cognac, snakte de reporter.
               Vlijtig tekende de stagiaire een format uit. Ze selecteerde scholen, maakte afspraken, legde agenda’s vast en schotelde een acteur die van diepzinnig kijken zijn handelsmerk had gemaakt en nooit iemand voor het hoofd zou stoten een lucratief aanbod onder de neus.

               De camera’s zoemden. Microfoons aan lange stokken zweefden boven de hoofden. In het midden van de kring zat de partijvoorzitter te wiebelen op zijn stoel als een kikker op een waterlelie in de vijver. De leerlingen om hem heen wachtten op het afgesproken teken. Dit is geen debat, had de stagiaire benadrukt. Je wacht je beurt af, stelt beleefd je vraag, laat de voorzitter uitpraten en gaat niet in discussie. Dat er op woensdagmiddag voor balorige leerlingen altijd wel een lokaal beschikbaar was, had de schoolprefect daar nog fijntjes aan toegevoegd. De goede naam van de school was hier in het geding.

               Breedsmoelerig pareerde de kikker elke vraag.
               ‘Ik ben geboren in het lichaam van een meisje maar ik voel me een jongen,’ outte zich een zestienjarige.
               ‘Dat moet moeilijk zijn voor je,’ zei de kikker. Mocht hij wenkbrauwen hebben gehad, hij zou ze hebben gefronst.  ‘Uw probleem echter erken ik niet. En dat er met u al eens gelachen wordt, is toch ook het einde van de wereld niet.’ Dat klonk ingewikkeld: de situatie was moeilijk en wordt als niet bestaand beschouwd maar er mag wel mee gelachen worden. Je wordt vast geen politicus als je je school niet hebt afgemaakt, bedacht ik in mijn luie zetel.
               ‘Ik zou het overigens niet fijn vinden wanneer mijn dochter na een wedstrijd samen met een jongen onder de douche moet,’ kwaakte de kikker nog. Tevreden blies hij de kaken bol, zijn tong flitste hongerig in het luchtledige. Dat was toch niet de vraag, dacht ik een tikje kregelig. Geen leerling startte een discussie, de acteur wandelde ernstig kijkend tussen de rijen door.

               Een meisje met getaande huid vreesde door de kikker en zijn puitjes te worden gediscrimineerd.
               ‘Mijn partij is tegen discriminatie,’ antwoordde de kikker fors. Dat antwoord bokste als de rechtse van een zwaargewicht in mijn onderbuik. Als de neus van Pinoccio groeide er een kroontje op zijn kruin. Soms moet je tegenspreken, riep ik de jongelui toe. Protesteren! Rebelleren!  De scholieren bleven stil. Ach, in mijn tijd, dacht ik nostalgisch. Die demonstraties tegen de dertig miljard van Van den Boeynants. Die pamfletten van RAL of AMADA die mijn maatje Filip en ik bedeelden aan de schoolpoort. Die klasstaking tegen te hoge werkdruk in het laatste jaar. Mijn leerlingen later die naar Brussel trokken als protest tegen het spaghetti-arrest.
               ‘Op uw affiches staan alleen maar witte mensen,’ probeerde het meisje nog. Goed zo, kind, applaudisseerde ik.  
               ‘Ach,’ zei de kikker, ‘louter toeval.’ Stroperig bengelde zijn tong uit de bek. ‘‘Blijkbaar vind niet ik maar u huidskleur erg belangrijk. Ik besluit daaruit dat niet ik maar u discrimineert.’

               Het meisje keek beduusd.
               ‘Zeg dan dat hij liegt,’ schreeuwde ik naar de acteur, ‘zeg hem dat er niets toevalligs is aan alleen maar witte mensen in zijn straatbeeld. Help dat kind. Ze is te jong, te naïef en kwetsbaar. In deze kikker schuilt geen prins, hij is een wolf op een waterlelie.’ Doof ijsbeerde de acteur met diepzinnige blik heen en weer door de klas.
               ‘Gooi met tomaten,’ hitste ik de jongeren op. ‘Draag hem de studio uit! Ga zelf weg en laat hem kwaken!’ Welopgevoed en beleefd hielden de jongeren zich aan de regels van het spel. Met zijn tong likte de kikker zijn lippen, als een dikke vlieg kleefde er een halve natie aan.

               ‘Ik sta toch altijd weer te kijken van de mondigheid van onze jeugd,’ evalueerde de acteur tijdens het praatje achteraf terwijl hij nadenkend in de camera keek.
               ‘Je moet eerlijk tegen ze zijn,’ antwoordde de kikker, ‘ze kijken zo door een leugen heen.’ Hij liet een boertje en sprong voldaan in zijn poel.

Mijn Amy

               Over de doden niets dan goeds, zegt de zegswijs.
               Of dat wel zo’n goed idee is, vroeg ik me af toen ik na het zien van Back to Black door de regen richting bedstee trok. Wat heb je aan niets dan goeds? Oom Adolf was een fijne man. Hij at geen vlees, was dol op zijn hond en schilderde lieflijke taferelen in zijn vrije tijd. Een detail te weinig, toch? Mensen zijn zelden alleen maar goed. Ook u, u hoeft zich daar geenszins voor te schamen, hebt uw kleine kantjes. Dat valt overigens toe te juichen. Alleen maar goed is zoals in je huis alle muren grijs. Netjes wel, maar saai.

               Ik weet nog waar ik was toen ik hoorde dat Amy Winehouse haar laatste lied gezongen had. Op een stoeltje naast een tent in Saint-Rémy-de-Provence. Krant op schoot, fles rode wijn in handbereik. Ik was hevig aangedaan. Het zou kunnen dat ik heb gehuild die avond. Het zou kunnen dat ik dronken ben geworden.
               De enkele cd’s die vandaag weleens uit hun doosje mogen, zijn Frank, Back to Black en Lioness: Little Treasures. Naast de Sad 80’s en 90’s Allerbeste is This is Amy Winehouse de vaakst afgespeelde speellijst op mijn Spotify. Het komt weleens voor dat ik op een met alcohol overgoten nacht op You Tube nog eens dat concert bekijk, Amy in Belgrado, haar laatste en meest pijnlijke. Het meisje met de gouden stem zwalkt en wankelt, enkel de bijenkorf op haar hoofd blijft overeind; ze zingt niet, ze wauwelt om hulp; ze danst niet dat naïeve dansje, ze zoekt naar evenwicht. Dan moet ik weleens huilen.  

               ‘Ik wil dat mensen genieten van mijn muziek,’ zijn in de film Amy’s eerste woorden. Het is de liefde die haar drijft. Liefde voor muziek, niet voor geld, eer of roem. Alles aan haar is liefde. Voor de man van haar leven, voor haar vader. Ook als dat pad naar de afgrond leidt. Liefde geeft haar leven kleur, zonder is alles grijs. Zo gaat dat met de liefde, ik weet er alles van. Soms word je er dronken van, soms moet je ervan huilen. Amy doet het allebei. Met overgave.
               Fans, zo lees ik, zouden zeer gebelgd zijn over het portret van de zwalpende nachtbraker die op tijd en stond gal en lever in de toiletpot kotst. Roem en liefde zijn zwaar om dragen, helemaal als je door hongerige hyena’s met camera en balpen in de aanslag van de ochtend tot de avond wordt opgejaagd. Het voelt als een dolk in het hart, zeggen haar aanbidders, ze nemen het woord traumaporno in de mond.
               Fans zijn als verliefden ziende blind. Liever sluiten ze de ogen voor de schaduwzijden van de werkelijkheid. Fans hebben liever alle muren grijs.

               Wat mij betreft, de Amy uit de film is me te lief. Te zacht. Te veel het duupje. Blake Fielder-Civil, haar ontspoorde wederhelft, wordt weleens wakker met een sneetje op zijn wang dat doet vermoeden dat de diva net haar nageltjes had bijgevijld, nooit zie je een getormenteerde Amy smijten met een whiskyglas, bijten in een kwetsbaar orgaan of grijpen naar een schaar. Dat miste ik. Ik miste de pijn, het chagrijn, het vulgaire venijn. Ik zag te weinig van de open wonde op hoge hakken die Amy Winehouse was. Hunkeren naar liefde die niet wordt ingevuld, snijdt als een mes in het hart. Het was me allemaal wat te grijs. Vooraf had ik gedacht dat ik zou huilen. Dat gebeurde niet. Ik dronk nadien geen enkel glas.
               Amy’s vader in de film is een Sinterklaas zonder baard. Een goedheilig man die elke nuk en gril van zijn wonderkind verdraagt. Dat is ook over de levenden alleen maar goeds. De liefde van de échte vader Winehouse ging toch eerder, zo leerde ik enkele jaren geleden al uit het docudrama Amy, langs de kassa dan door het hart.
               Zal ik dan maar niet gaan kijken, vraagt u. Als u wil genieten van haar muziek, ga. Geniet dan meteen ook van de wonderlijke Marisa Abela die zich niet alleen Amy’s looks, tics en danspasjes eigen maakte, maar ook haar stem. Elke hit, het zijn er veel, heeft ze zelf ingezongen. Ik heb het niet gemerkt. U, zeg ik tegen die prestatie.

               Tot slot toch even nog een klein verzoek.
               Mocht u zich staande rond mijn urne of sarcofaag geroepen voelen een woord te spreken, laat dan het portret volledig zijn. Vermeld niet alleen die onweerstaanbare looks en bedwelmende charme, de ontwapenende glimlach en fijne spitsvondigheden, dat betoverende gegoochel met het woord. Zoek ook naar minder fraaie eigenschappen. Makkelijk wordt dat niet, dat begrijp ik. Doch ik geloof in u. U kan dat. Laat mij in uw herinnering alles zijn behalve grijs.
               Na afloop mag u oeverloos huilen en drinken op mijn kosten.

Zen

               Ach wat is het leven goed, als je je nooit nog ergeren moet. Gisteren was ik nog een tijdbom, heden ben ik rustig. Zo sta ik in het leven: niets of niemand krijgt me nog op mijn paard.
               Niet de regen die blijft plenzen alsof hij jaren droogte goed te maken heeft en ook niet de zon die dag na dag haar taak verzuimt. Een nieuwe aanslag ergens, een zoveelste bloedbad, een president die voor seks betaalt, het laat me ijziger dan de Noordpool. Dat daar nog nauwelijks ijs te vinden is, raakt ook mijn koude kleren niet.

               Kalm blijven, zeg ik tot mezelf als weer eens een politicus op televisie komt vertellen dat hij nooit op televisie mag. Een voorgekauwde woordenbrij gulpt als lauw braaksel uit zijn mond, het doet me niets. Dat hij bot zijn opponent het woord ontneemt, ik kijk er niet van op. Zet toch gewoon die plaat eens af, meer denk ik niet als hij weer eens dat versleten liedje zingt over zijn arme eigen volk. Zijn volk is het mijne niet. Dat we strenger moeten zijn voor wie niets heeft, dat de oudjes te langdurig potverteren, dat niet de sterken maar de zwakken de lasten moeten dragen, bedaard hoor ik deze onzin aan, in elke vezel Zen. Boeddha op zijn yogamatje voelt een steek van jaloezie priemen in zijn hart.

                Zenner dan de Zenne op een bevroren winterdag zal ik zijn als ik dra de straat op ga. In de auto maak ik me niet langer druk om middenvakrijders of wegpiraten die denken slalommend door de file tien seconden tijd te winnen.
               Al grijp ik eerder toch de fiets, wellicht. Ook dan erger ik me niet om weer een opgebroken kruispunt of een vrachtwagen met open laadklep op de rode strook. De voetganger op het fietspad rijd ik niet omver, de fietser in verkeerde richting negeer ik lijdzaam, hooghartig als de leeuw die vanuit zijn kooi slaperig naar bezoekers gaapt en af en toe een poot opheft. Ook die stokstijf staande robotten op een elektrische trottinet, blik gelijmd aan een dood punt in de verte, die mij niets ontziend haast van het fietspad kegelen, brengen mij niet uit mijn hum. Dat hun vehikel na gebruik overdwars als een slagboom over het fietspad slingert, accepteer ik als een zede van de tijd. Leef ermee of sterf.

               Ik stoor me niet meer aan de wachtrij bij de bakker. L’ enfer c’est les autres, nieuws is dat niet. Wrikt zich iemand onbeschaamd in de rij voor mij, ik laat hem/haar/hen. Mijn naam is Zwitserland. Ik weet, niet iedereen kreeg bij geboorte dezelfde galanterieën en fijnbesnaarde omgangsvormen mee. Ik dank de heer voor de wijsheid en het geduld dat hij mij heeft toebedeeld en eer mijn vader en mijn moeder.
               Aan het groentekraam word ik niet boos op het beverige sukkeltje dat elke tomaat met haar rimpelige vingers blijft bepotelen terwijl toch de klok voor ons allen onverdroten verder tikt, twee voor twaalf is het al. Onverschillig haal ik mijn schouders op als het zoveelste half ingeladen winkelwagentje eenzaam en verlaten in het gangpad de doorgang blokkeert, toegeeflijk glimlach ik naar de enigszins bolvormige dame van nauwelijks dertig die verderop hetzelfde doet, zuchtend en zoekend en ziende blind voor het potje ansjovissen dat toch haast bijt in haar mopse neus.

               Gans bevrijd van ergernis, is nog slechts geluk mijn deel.
               Schetterige reclames voor het radionieuws, ik hoor ze nauwelijks nog. Spotjes op de televisie waarin plastieken mensen met een namaakglimlach op de lippen oeverloos gelukkig worden van een peen en aubergine uit een zakje HelloFresh, ik zit de tijd wel uit. Oprecht geluk bestaat, ik weet dat, het wordt niet zomaar op bestelling geleverd aan de voordeur. Ik maak me ook niet langer kwaad op de reporter die tijdens het journaal ter plaatse duiding geeft op een toon alsof ik net vier geworden ben. Wiens brood men eet, diens woord men spreekt, zo gaat het in het leven, deze mijnheer moet ook wat voor de kost. Niet iedereen krijgt het zoals ik zomaar in de schoot geworpen.

               Ronduit heerlijk is het je nergens nog over op te winden. Niet om de wachttijd van drie maanden voor je onder een scan kan, niet om het supplement dat je moet ophoesten als je eerder wil, niet om de brullende grasmaaiers, loeiende bladblazers en snerpende boomzagen op die ene dag dat de zon dan toch wil schijnen en je met een boek van je tuin wil genieten. Zelfs niet in MaaiMeiNiet.               MoeJuniet, zo denk ik erover.

               Eindelijk ken ik rust en vrede in mijn leven.
               Enkel kwelt me nog de vraag, als ik me niet langer erger, wat doe ik dan wel vandaag? Daar word ik toch weer een tikje ongemakkelijk van.

Het werk van de Heer

               Ter gelegenheid van mijn geboortedag plaatste Tom Wouters (https://hetongerijmde.eu/) een nieuwtje op mijn tijdlijn: 7 dagen had God nodig voor de schepping, maar aan de Schrijver was het nog drie dagen extra werk.
               Ik geloof Tom. Hij weet dingen waarover wij alleen maar kunnen gissen. Tom is een ernstig man. Hij praat alleen maar als het echt nodig is en altijd met kennis van zaken. Je kan een huis op hem bouwen. Bovendien verkent zijn geest de hele tijd onvervaard gebieden waar nooit eerder iemand kwam. Dat hij op die reizen af en toe God ontmoet, mag niet verbazen. Overigens, Tom zag God twee dagen geleden nog, op het dorpsplein in Lummen. Hij heeft het me zelf gezegd.

               Dat God zich na zeven dagen hard labeur enige ontspanning toestond, mag niemand Hem kwalijk nemen. God is ook maar een mens. Om Zijn werkstuk op te leuken bedacht Hij dus een aardigheidje. Hij schiep de Schrijver, een schalkse parel aan de kroon van Zijn schepping. God was moe, anders had hij vast en zeker beter gedaan. Een personage verzonnen veel fijner van snit, eleganter en minder plomp, slim en fijngevoelig. Het zij zo. Over smaken en kleuren kan men twisten tot op de dag des oordeels. De mens wikt, God beschikt. Hij maakte de Schrijver. U en ik zullen het ermee moeten doen.

               Tom schrijft Gods naam consequent met hoofdletter. Dat doe ik dus ook. Doch soms, als alsmaar de regen blijft plenzen en het leven zwaar te moede wordt, vraag ik me: verdient God al die eerbied wel? Twijfel overmant mij dan, aan Zijn bestaan, aan de kracht van Zijn werk, aan Zijn onfeilbaarheid. Ik vind dan Zijn schepping niet geheel en al geslaagd. Daarom wil ik Tom, die ik in stilte als een vriend beschouw, verzoeken om, als hij God weer eens in Lummen treft (of waar zulke grote geesten elkaar doorgaans ontmoeten), hij Hem op een bankje in de zon enkele knellende vragen zou willen voorleggen.

               Wil je God eens vragen, Tom, of Hij niet ietwat voorbarig, vadsig en zelfgenoegzaam, als een luie schrijver van het derde knoopsgat Zijn manuscript veel te vroeg heeft losgelaten? Of Hij oprecht meende dat Zijn werk al voltooid was? Volmaakt, niet langer vatbaar voor verbetering? IJdelheid is toch het oorkussen van de duivel? Legde God zich niet veel te vroeg te rusten op de lauweren die Hij zelf had bedacht? Is het daarom misschien, zou ik Tom graag aan God laten vragen, dat de Almachtige toch Zijn werk diende uit te geven in Eigen Beheer? Hoeveel uitgevers verwezen Zijn manuscript voorafgaand weer terug naar schrijftafel, kroontjespen en inktpot?

               Een schepper moet geloven in zijn werk. Als hij er zelf al niet in gelooft, waarom zou iemand anders dan? Tegelijk dient een mens – en dus ook een god, – toch ook zijn beperkingen te erkennen. Teveel geloof in eigen kunnen verwordt al gauw tot hoogheidswaan. Is dat wat God toen overkwam? In den beginne was het donker, toen schiep Hij het licht. Een fraaie demonstratie van vakmanschap en creativiteit. God kan het, als Hij maar wil, zou ik in zijn puntenboekje schrijven. Heeft Hij daarbij Zichzelf niet verblind, vraag ik me nu. Bleven door dat felle licht de mankementen in Zijn manuscript niet als blinde vlekken verborgen voor Zijn dan toch niet alziend oog?
               De eerste versie van een werk is nooit volmaakt, dat weet elke schepper. Jaren kan het duren voor de kiem van een idee tot wasdom komt. Scheppen vergt tijd. Geduld. Afstand nemen. Wikken, wegen. Slopen en opnieuw beginnen. Fouten herkennen, storende defecten corrigeren. Perfectie is niet van deze wereld. Dat zegden destijds de Romeinen al, Errare humanum est, missen is menselijk. Errare Divinum est, durf ik daaraan toe te voegen, ook een God kan fouten maken. De mens is immers niet meer of minder dan Zijn eigen beeld en gelijkenis.

               Tom, dierbare vriend, durf jij God te vragen of Hij die episodes over Auschwitz, Gaza, Soedan, Oost-Congo niet wil schrappen uit Zijn oeuvre? Schimmige personages zoals die Putin, Trump of Theo Francken uit Zijn epos zou willen schrijven? Of God zelf het een goed idee vindt vijftigduizend ontheemde kinderen stilzwijgend doch ongenadig kopje onder te laten gaan? Want die hele plot van God – Tom, ik bid oprecht dat je er god weet waar de moed voor vindt – draait eerder toch om hebzucht, geld, macht en godsdienst, veel meer dan om de Liefde, Tederheid en Verdraagzaamheid, het verleidelijke lekkers waarmee Hij Zijn werk in de etalage heeft gezet?

               Mocht je God weer eens ontmoeten, Tom, vraag Hem in mijn naam Zijn manuscript weer in te trekken. Te herwerken of herschrijven, desnoods van een maagdelijk wit blad weer gans opnieuw te willen beginnen. God kan dat, Hij deed het eerder al. Tot Hij een waar meesterwerk klaar heeft waarin eenieder welzijn en vrede vinden kan.
               Er mag dan van mij gerust een andere parel aan Zijn kroon.

Een dag uit het leven

               Paranoia, twijfel en vooral veel dorst, zeg dat Van het Groenewoud het gezegd heeft, dacht De Schrijver. Voor dorst liet god Den Duvel rijpen, doch ook daarmee krijg je twijfel en onzekerheid niet doorgespoeld.
               ‘Fijn dat je geprobeerd hebt,’ had de schrijfcoach hem gezegd. Ze had daarbij een allerliefste glimlach tevoorschijn getoverd, een dolk in fluwelen foedraal. Doodknuffelaar in bijberoep, noteerde De Schrijver na afloop in het kleine notitieboekje dat hem altijd en overal vergezelt. En bij het derde of vierde glas: zij is toch god niet? Toch lijken haar woorden evangelie. In het evangelie, dat is geweten, slaat men vaker dan men zalft. Dat doet men dan om goed te doen, naar het schijnt.
               De volgende dag schrapte hij de lappen tekst die zij met rood had gemarkeerd. Vaarwel, mooie Ann met twee ennen, de wereld zal je nooit goed leren kennen. Vaarwel, Café Boerenkwartier, ik zoek voortaan wel elders mijn vertier. Vaarwel, vriend Otto ook, ik had je graag een langer leven toegewenst.

               De Schrijver knoopte een plunjezak aan een lange stok en trok op zoek naar Schoonheid en Troost op bedevaart door het Vlaamse land. Kunst kan dan wellicht niet de wereld redden, mij zal het toch eerder baten dan schaden, redeneerde hij. Schrijvers denken wel vaker in kromme zinnen.
               Diezelfde middag landde hij in Het Lijsternest, de hofstee waar Stijn Streuvels zijn leven sleet. Dit huis betreden voelde als teruggaan in de tijd. Een kolenstoof, een waterkan, een pijpenrek. Een imposante bibliotheek. Een bureau met uitzicht op glooiend land. Boven de schrijftafel ontcijferde De Schrijver een Latijns parool: NULLAS DIES SINE LINEA, Geen dag zonder een regel. Hij diepte het notitieboekje op. Zou Stijn Streuvels een schrijfcoach hebben gehad? De Schrijver gokte van niet.
               DISCIPLINE, noteerde hij erbij. In vette hoofdletters.

               En dan nu, koffie.
               In Machelen aan de Leie dobberde idyllisch in het midden van de waterloop een bootje met daarin een paartje dat overduidelijk de Liefde had gevonden. De Schrijver telde drie cafés met de rolluiken naar beneden, een afgeladen restaurant en een ijsjeszaak. Geen koffie. Troost vond hij bij Roger Raveel. De schelle kleuren overweldigden, De Schrijver verwonderde zich over de aparte stijl van de schilder, vage figuurtjes met schijnbaar eenvoudige, ruwe penseelstreken neergezet. Deze Raveel had vast geen schildercoach, dacht De Schrijver, die deed gewoon waar hij zin in had. Moet just niks. EIGENZINNIG, ook in drukletters.
               Wel nog altijd geen koffie, maar reizen wij niet om te leren?

               In Jabbeke vond hij het werk van Constant Permeke bruut, gedurfd, krachtig en even eigengereid. Het zal de West-Vlaamse klei zijn, dacht De Schrijver. Je moet het durven, ingaan tegen de tijdsgeest als een renner tegen de wind, vastberaden en halsstarrig, wars van de weerstand blijven geloven in wat je aan het doen bent. Zijn gedachten dwaalden naar de etsen en aquarellen in het huis van zijn oude oma destijds. Bomma Stok had deze Permeke vast niet kunnen smaken. MOED, kribbelde hij. DURF.  
               Respect voor de dapperen, zij doen de dingen bewegen. Wat als Rosa Parks niet vooraan in de bus was gaan zitten? De eerste vrouw nooit haar korset had afgelegd? Paul van Ostayen niet een nieuwe poëzie had uitgevonden?

               Nog eentje dan, om het af te leren, dacht De Schrijver uit gewoonte. In Sint-Idesbald verwonderde hij zich over de vele naakten van Paul Delvaux en ook hier weer, de gans eigen stijl.  Meer nog dan het werk, trof hem het verhaal van Tam, de Muze van de schilder. Een jonge liefde die nooit ging roesten. Voortijdig afgebroken, jaren later opnieuw ontloken, dieper nog en feller en duurzaam tot de dood. WEEKDIER, schreef De Schrijver, met een smiley erachteraan.
                Ogenschijnlijk ongezien schaarde hij zich in een groep vrouwen achter een gids.
               ‘Schilderde Paul Delvaux voor u?’ vroeg de man schoolmeesterig. Alle vrouwen zwegen, ook voor een oude schrijver een geheel nieuwe ervaring.  ‘Dat deed hij niet,’ beantwoordde de gids zijn eigen vraag.
               ‘Schilderde hij dan voor mij?’ Het klonk te belachelijk voor woorden. ‘Weer neen, dames. En mijnheer,’ voegde hij er streng aan toe. Hij had de verstekeling tussen zijn betalende discipelen ontdekt.
               ‘De schilder, dames, schildert voor zichzelf.’
               VOOR ZICHZELF, noteerde De Schrijver onderaan. Hij sloeg de bladzij om.

               Weer thuis struinde De Schrijver door de prullenbak op zijn laptop. Hij viste enkele documenten op. Op een maagdelijk blad schreef hij met vaste hand: ‘Met dromerige blik nipte Ann met twee ennen op het terras van Café Boerenkwartier aan haar glas gekoelde Cava. Aan de andere kant van het plein zette op hetzelfde ogenblik Otto zijn moto op de standaard.’          
               Het wordt nog een mooie dag, dacht De Schrijver.
               Hij proefde de smaak van geluk in zijn mond.

Een kopje koffie

               Al toen ik nog een kind was, liet ik me graag bedwelmen door de geur van verse koffie die in de vroege ochtend langs de trap tot in de slaapkamers klom. Mijn oma schonk haar koffie in een zilverkleurig Art Decoservies. Ik kon blijven kijken naar hoe de zware, blauwzwarte druppels vanuit het filter het licht bewasemde glas in duikelden. Mijn oma nuttigde haar koffie als een barones: ze legde duim en wijsvinger rond de zilveren houder en dronk met kleine slokjes en haar pink in de lucht. Koffie gaat voor mij hand in hand met stijl, elegantie, welstand.

               Eigenschappen die ik mezelf geenszins toedicht. Ik ben slechts een eenvoudig man met eenvoudige gewoonten. Koffie in de ochtend, Cola Zero na de middag, ’s avonds bier of wijn. Zelden wijk ik hiervan af, en dan slechts onder druk van omstandigheden. Zoals die ene middag, na een natte en kille wandeling. Plots overviel me een dwingende plasdrang en een groot verlangen naar een vers shot cafeïne. Niet dat ik verslaafd ben, ik heb alleen maar nood aan koffie als de dag eindigt op g.
               Ik zocht een ouderwets café, waar men nog bier tapt uit het vat, in het midden een biljart zonder gaten staat en in een hoek een flipperkast. Aan de muur prijken witte tegels met in blauwe letters geschreven kroegwijsheden: ‘Als je hoort hoe thuis het klokje tikt, blijf je liever hier’ of ‘Bier zonder alcohol is als een beha aan de waslijn. Het beste is eruit.’
               Ik liep voorbij protserige brasserieën. Je kan er vingervoedsel delen en roze of grasgroene cocktails nuttigen met exotische namen, Moscow Mule, Limoncello Spritz, Pornstar Martini. Elke tijd zijn gekte, zeg ik maar. In de bruine kroegen met kwalijke reputatie die ik destijds frequenteerde consumeerde langharig tuig toeters vol wiet in de pissijnen terwijl de meisjes zich laafden aan exoten als Pisang Ambon, Campari Orange of Batida de Coco.

               Uiteindelijk zag ik een enorme vitrine met daarop in gouden letters Uw Douwe Egberts. Daar was voorzeker een kop koffie te vinden.
               Op het eerste gezicht leek ik eerder een kantoor binnengestapt. Links zaten aan hoge tafels jonge mensen met een koptelefoon op hun hoofd zwijgend naar hun laptops te staren, rechts keuvelden paartjes op fluistertoon. Ik schoof aan bij de wachtrij in het midden. Tijdens het wachten ontcijferde ik de in witte stift op een zwarte muur handgeschreven suggesties:

met cacao met citroenschil

of met hazelnoot of met kaneel

in een kopje in een beker of in een glas

met een koekje met een taartje

op een schotel of een dienblad of uit jouw hand

               Er was ook een lijst met feestelijke koffies: Heavenly Hazel, Lazy Noon, Mellow Morning, hermetisch gesloten woorden die me niet meteen bekoorden. De theekolom liet ik ongelezen. Thee vind ik niks. Warm water met een smaakje en water, daarin zwemmen vissen, je doet er de vaat in of spoelt er je mond mee.
               ‘Mijnheer?’ onderbrak een meisje in zwart uniform mijn gedachten.
               ‘Een koffie met melk, graag,’ zei ik.
               Ik vind mijzelf geen moeilijk man. Ik zoek echt niet die bijzondere boon uit Costa Rica die na dertien weken rijpen door de lokale boer met blote voeten tot pulp wordt vermalen voor hij kan worden ingescheept. Toch keek het meisje als was ik zonet uit de doden opgestaan. Ik herhaalde dus mijn vraag, erover wakend luid en duidelijk te articuleren.
               ‘Eén kof-fie mét mélk, alstublieft.’
               Zwijgend wees het meisje naar boven. Ristretto, las ik op de muur. Espresso.  Americano. Cortado. Macchiato. Koffie met melk vond ik niet meteen. Flat White. Cappuccino. Latte. Latte Macchiato. Stond het er in het Kantonees, ik begreep er evenveel van.
               ‘Welke is de koffie met melk?’ vroeg ik. Het meisje rolde, eerlijk waar, ik dacht dat zoiets alleen maar in slechte boeken gebeurde, met haar ogen.
               ‘U bedoelt een flat white?’ vroeg ze. Ze klonk ietwat ongeduldig. Ik durfde geen neen.
               ‘Welke melk?’ Ze wees naar de melklijst die ik niet eerder had opgemerkt. Plantaardig, haver, soja, cocos, amandel.
               ‘Van de koe,’ probeerde ik de sfeer wat te verlichten. Het moet vreselijk dom hebben geklonken. Haar hoofd stond duidelijk niet naar een grapje.
               ‘Gestoomd of geklopt?’ vroeg ze, ‘Warm of koud? Melkschuim kan ook.’   
             ‘Warm graag,’ zei ik. Warme melk, dat kende ik, van vroeger, in de winter voor het slapengaan.

               Wat later schuifelde ik voorzichtig met een dienblad met daarop een grote, tot aan de rand gevulde mok, naar een vrije plek met zicht op straat. Op de schuimlaag bovenaan had het meisje toch nog een hartje getekend. Dat vond ik lief van haar.
               Toen ik de mok aan mijn lippen zette, loste het hartje vanzelf op. De koffie smaakte naar medelijden. De tijd, besefte ik, had me niet alleen ingehaald, hij was me meteen ook als een gek voorbijgehold.

12P/Pons-Brooks

               Het is donker en ik sta in mijn eentje in de tuin. Vannacht vliegt een komeet voorbij de aarde, dat doet hij elke eenenzeventig jaar en deze eenmaal-in-je-leven wil ik voor geen goud missen. Ik heb me voorbereid. Toen klein komeetje op de Melkweg kwam, doopten Mama en Papa hem 12P/Pons-Brooks, een behoorlijk lastige naam op je eerste date maar de Dienst Bevolking van het Universum keurde het goed.
               Om hun volwassenheid te vieren, zo rond hun tweehonderddertien, spuwen kometen een feestelijke stofwolk de ruimte in. Dan gaan ze feller flonkeren dan de Poolster. 12P/Pons-Brooks tekende tijdens een heus lichtspel een hoefijzer in de ruimte waarin wakkere wetenschappers twee hoorns meenden te ontwaren. Daarom gingen ze hem Duivelskomeet noemen, nog altijd niet een naam waarvoor harten en deuren spontaan gaan openstaan. Wel ligt hij een pak makkelijker in de mond.

               Terwijl ik daar zo sta te staren, krijg ik geweldig veel zin in een sigaret. Het is achttien jaar geleden al sinds ik mijn laatste sigaar aan Maarten gaf. Op een maandag. Daags voordien had Fabian Cancellara Parijs-Roubaix gewonnen. In de uitslag staat Tom Boonen verdienstelijk tweede, terwijl hij slechts als vijfde de eindstreep overschreed. Drie renners voor hem hadden een gesloten overweg genegeerd en werden uit de uitslag geschrapt. Slagbomen negeren mogen ook coureurs niet, de wet is de wet en geldt voor iedereen. Tijdens een uitgebreid nagesprek in café ’t Diamantje dronk ik te veel Duvel en pafte ik een volledig doosje fijne cigarillo’s van La Paz de lucht in. Toen had ik er voorgoed genoeg van.
               Nu krijg ik dus weer zin. Roken mag niet meer intussen. Niet in cafés of restaurants, niet in stations, bibliotheken of scholen, niet waar kinderen bij zijn. Roken is het grootste kwaad. Laatst hoorde ik vertellen over een feestje in een duur hotel waar de genodigden erop werd gewezen dat wie het waagde in dit heiligdom een sigaret, pijp, sigaar of toeter te consumeren, een boete van tweeduizend vijfhonderd euro diende op te hoesten. Over lijntjes cocaïne in de toiletten werd gezwegen, ook over alcohol viel geen onvertogen woord. Sommige dingen mogen gelukkig nog.

               Wachten op 12P/Pons-Brooks is als wachten op Godot. Wat als hij baldadig wordt, vraag ik me af? In puberale overmoed besluit zijn koers te veranderen en als een kanonskogel op de aarde af te vlammen?’ Tsunami’s van bloed en tranen zie ik voor mijn ogen, overbevolkte steden spoelen als dweilwater in een putje, regenwouden staan in vuur en vlam. Had ik maar wat legaals bij de hand om mezelf te troosten, een lijntje coke, een fikse borrel, iets wat nog toegelaten is.
               Plots moet ik denken aan een scène onlangs bij de afhaalchinees. Een opa bestelde in al zijn honger en onschuld een haaienvinnensoepje, de ogen van zijn kleindochter schoten vuur.
               ‘Opa, dat mag toch helemaal niet,’ riep ze boos, ‘haaien worden van hun vinnen ontdaan terwijl ze nog leven, pure horror. Door die soep te eten, steunt u een gruwelijke massamoord.’ Ik hoorde opa zuchten, voelde zijn vermoeidheid tot in mijn eigen knoken. Net als ik stamt hij nog uit de tijd van aardappelen, vlees en groenten. Aardappelen zijn een koolhydratenbom, vlees eten is nefast voor het milieu, groenten worden bespoten en behandeld en reizen de wereld rond voor ze op je bord belanden. Fruit bevat te veel suikers, hout in je kachel veroorzaakt fijn stof, koppen in het voetbal leidt tot geheugenverlies. Zal allemaal wel. Mijn moeder wist op het laatst haar eigen naam niet meer, toch zag ik ze nooit een bal met het hoofd wegwerken. Maar soit, gezondheid is een hoog goed, een mens kan niet voorzichtig genoeg zijn.

               De nacht wordt koud en miezerig. Komeetje mag gaan komen. Mijn humeur daalt evenredig met de temperatuur, in mij hoopt chagrijn zich op. In Lokeren vloog elk jaar een paaskip uit, tot groot jolijt van het paaseieren rapende grut. Mag niet meer. Te gevaarlijk, oordeelt de overheid. Laten we wielrenners ook maar verbieden bergaf te fietsen, laten we auto’s bannen van de weg, laten we koken op fornuizen zonder vuur, eieren bakken zonder de schaal te breken. Ook alcohol is ongezond. Dat weet ik al een tijdje. Sinds mijn eerste dronkenschap om precies te zijn, op de dag van mijn eerste communie, zestig jaar geleden. Of laten we, denk ik nu bitter, ik geef het toe, het leven zelf maar geheel en al verbieden, je gaat er immers zo verschrikkelijk dood van.

               Al sta ik hier nog tot Sint-Juttemis te wachten, 12P/Pons-Brooks gaat niet meer komen. Waarom zou hij ook? Veel valt hier niet te beleven. Misschien, bedenk ik nu, mag hij van Mama en Papa ook helemaal niet.
               ‘Zo dicht bij de aarde, Duiveltje? Veel te gevaarlijk,’ zeggen ze. ‘Blijf jij maar lekker thuis, gezellig Star Wars spelen in je eigen firmament.’