Maar in Amerika

          Toen ik op een ochtend zat te bladeren door mijn krant moest ik plots denken aan Marc Dex. Zomaar, uit het niets. Hoe zou het nog zijn met die charmezanger uit de jaren stillekes, de vader van Barbara, de broer van Juul Kabas, vroeg ik me af.
          Toen wij nog cowboy en indiaantje speelden, vijf kortgeknipte vlaskoppen in korte broek, altijd wel iemand een blauwe plek of een gescheurde lip, zag je Marc Dex zo ongeveer elke zaterdagavond op de televisie. In een of andere pronkerige show waar mijn moeder zo graag naar keek, Canzonissima, Ontdek de Ster of de Muziekkampioen.
          Marc Dex. Leek meer op een verkoper van stofzuigzakken dan op een liedjeszanger. Klein van stuk, vroeg kaal, altijd strak in pak en das. Zo herinner ik het mij althans. Had niet dat David Cassidyachtige van een Willy Sommers, die kwajongensblik van een Joe Harris en helemáál niet dat zelfrelativerende van een Louis Neefs. Nee nee, volgens mij, Marc Dex, die meende het.

          Wij hadden met Het Vlaamse Lichte Lied niet veel vandoen. Waren we alleen thuis, dan zetten we knop op Tienerklanken of TopPop. Maar wilden we op zaterdag langer opblijven, dan moesten we daar wat voor over hebben. In het hele huis was slechts één televisietoestel te vinden, onze moeder bepaalde wat we gingen kijken. Ze controleerde ook je glazen limonade, mat met haar ogen je portie zoute chips en bepaalde wanneer jij moe was en naar bed moest. Pas nadat je op de dag van je Vormsel voor het eerst in het openbaar een sigaret had gerookt en in de haag je eerste pint uitgekotst, verwierf je een beperkt soort zeggenschap over je eigen leven.
          Al vonden we die smartlappen maar niks, toch keken we. De teksten metsten zich als kinderrijmpjes in je hoofd. Om elkaar te pesten zette iemand het in de vroege zondagochtend in de slaapkamer weleens luidkeels op een zingen: Drink Rode Wijn, Laten we Alle Dagen Vrolijk Zijn. Dat onding zeurde dan de ganse dag in ieders hoofd. Zulke pesterijtjes vonden wij grappig.
          Als we al hielden van elkaar, dan toonden we dat op onze eigen wijze.

          Goedemorgen Morgen, zongen wij met Nicole en Hugo.
          Breng die Rozen naar Sandra, met Jimmy Frey.
          Ik ben verliefd op jou, met Paul Severs waarbij we keken alsof we het meenden.
          Met Marc Dex zongen we:

Maar in Amerika Maar in Amerika
Daar vlieg je like a monkey naar de maan
Maar in Amerika Maar in Amerika
is ’t hippy happy hoep en ’t is gedaan

          Lyriek vol mysterie, vonden wij. Als een aap vliegen naar de maan? Hallo? Hoe moeten we ons dat voorstellen? Hippy happy hoep? Hoe oud is die kerel? En dan dat slotakkoord: gedaan! Hoezo, gedaan?

          Tegelijk prikkelde dat Amerika hogelijk onze verbeelding. Wij waren kinderen van het oude continent, beladen met een geschiedenis van bloed en oorlog terwijl Amerika, dat was de nieuwe wereld. De dollars vielen er als hemels manna uit de lucht. Ieder kon er bereiken waar hij van droomde. Het geluk lag er op de straten voor het rapen. Amerika, land van duizend en nog meer mogelijkheden, ons voorbeeld, onze gids, onze redder ook. Dankzij Amerika spraken wij hier nog altijd ons Schoon Vlaams en geen Duits. In Amerika, daar groeide kauwgom aan de bomen, stroomde cola in de rivieren, liep iedereen op straat met een pistool en hadden actrices de grootste borsten. Alles was groter in Amerika. En de president van Amerika was de machtigste man op aarde

          Daarover ging het in mijn krant, over die nieuwe president, uiteraard, al weken heeft men het nergens anders over. Over de zondvloed aan decreten en besluiten die hij over de hoofden van zijn onderdanen had uitgestort. Twee miljoen mensen stuurde hij een mail met een voorstel om hun werk te behouden. Take it or leave it. Ontheemden liet hij in de boeien slaan en gewapenderhand het land uitzetten. Leave! Zijn land, van nature al het mooiste, het grootste, het beste, bewoond door Gods uitverkoren volk, zou onder zijn beleid nog mooier, groter, beter worden.
          Zelf had hij de mantel der beschaving tijden geleden al afgelegd. Zijn leven was gespaard door een eigenhandige interventie van de Here in den Hoge zelf. Dat gaf hem het recht te schimpen en te schelden, te kwetsen en vernederen, rond te banjeren als de bullebak op de speelplaats. Wie zich roert, moet vrezen voor emplooi en vrijheid. In zijn graf draait inmiddels JFK rondjes tot hij er tureluurs van wordt. Niet langer vraagt de leider wat hij kan doen voor het land, hij vraagt wat het land nog kan doen voor hem.

          Aan dat alles moest ik dus denken die ochtend, tijdens het bladeren door mijn krant. En aan het eerste levenslied van Marc Dex:

Kom maar binnen
Kom maar binnen
Het spektakel gaat beginnen
Luid applaus nu voor koning clown

Het spiegelbeeld van
Knechten boeren en magisters
Bazen metsers en ministers
Al hun glorie is maar fantasie
Clown

          Hoe weinig het ook weegt, er zit meer in een liedje dan je denkt.

Zorgen voor jezelf

          ‘Veeg die lach maar van je gezicht,’ zei de directeur die in die dagen nog de tijd had om in de klas de maandrapporten uit te delen. In mijn geval vond hij het nodig elk onvoldoende luidop te lezen, samen met de smalende commentaren die de leerkrachten daar in een boosaardige bui aan hadden toegevoegd. ‘Lui,’ las hij met een stem waar het misprijzen van af droop, ‘stoort voortdurend de lessen, lastpak voor zijn klasgenoten, denkt alles altijd beter te weten, wil steeds het laatste woord, onbeschoft, tegendraads.’ Met uiteraard als uitsmijter: ‘De Schrijver kan het als hij wil, maar hij wil niet.’
          Natuurlijk bleef ik lachen. In die tijd zou ik zelfs het vuurpeloton voor mijn neus met minachting in de ogen hebben gekeken.

          ‘In plaats van hooghartig te staan grijnzen,’ zwaaide de directeur met mijn puntenboekje, ‘vraag je je beter af wat je hieraan gaat doen,’ gevolgd door dat andere bekende deuntje: ‘Wat gaat je vader hierover zeggen?’
          Mijn vader was een gevoelig man. Hij zou in woede ontsteken en naar een borrel grijpen, dan ontgoocheld in zijn vierde telg zich een tweede glas inschenken, roepen, tieren, zichzelf alsmaar driester opwinden en uiteindelijk enkel in de fles nog troost vinden. Zijn stemming zou als een bosbrand uitwaaieren, elke boom in zijn gezin zou branden in zijn vuur, mijn moeder, mijn broers, mijn zus, ikzelf. Omdat ik ook toen al de diepere gevoelens van de ander boven de mijne plaatste wist ik: beter bespaar ik mijn vader deze ellende, dit kruis draag ik liever zelf.
          Die maandag leverde ik mijn rapport weer netjes ondertekend in. De handtekening van mijn vader bestond uit niet meer dan twee verticale streepjes, een horizontale langwerpige krul en een glorieus punt, het kleinste kind kon het.
          ‘En?’ vroeg mijn klassenleraar.
          ‘Hij zei dat ik beter mijn best moet doen,’ antwoordde ik met neergeslagen blik waarop de leerkracht mij grommend weer naar mijn plek helemaal achteraan in de klas verwees waar ik de hele dag probeerde mij in stilte bezig te houden.

          Ik was toen nog de kwaadste niet. De raad van de directeur was welgemeend, ik wilde hem niet zomaar in de wind slaan. Wat aan deze ellende toch te doen? Ik spitte in mijzelf tot op de bodem van mijn ziel maar vond er geen instrumenten om mijn leven te verbeteren. Zoek dan hulp, dacht ik vertwijfeld. Echter, we leefden in andere tijden toen. Internet bestond nog niet. De bib was een doolhof. In mijn familie volgde ieder een eigen spoor, zelden leidde dat ergens naartoe. Vrienden die op school wel goed presteerden had ik niet. Dus restte mij niets anders dan inderdaad, achteraan, in stilte met mezelf bezig te zijn.

          Dat was toen.
          Vandaag zou alles anders gaan. Een welzijnswerker of maatschappelijk assistent zou de hand naar me reiken. Een psycholoog zich bekommeren om mijn innerlijke rust. Een therapeut me oefenen in zelfbeheersing en interne motivatie. Het wereldwijde web en boekhandels puilen uit van zelfhulpboeken waaruit je leert de beste versie van jezelf te worden.
          Blijft nog de vraag: in dat oerwoud van adviezen, waar vind je het best passende antwoord op je vraag?

          In Handleiding voor Gezonde Relaties misschien? Vormt een goed contact met de leerkracht, openhartig en eerlijk, diepgaand en intens, gekruid met wederzijds respect en begrip en badend in een wolk van liefde niet de beste basis voor een vruchtbare samenwerking?
          Dien ik met de hulp van Hoe Ons Brein Werkt te proberen de ingewikkelde denksystemen in mijn hoofd te analyseren om zodoende adequaat te leren hoe mijn prefrontale cortex voorrang te verlenen?
          Of zou Terug Naar de Basis, een lijvig essay over de menselijk psychologie me steviger verankeren in de gevestigde waarden van de maatschappij?
          Misschien zou Afrekenen met Angst me meer van pas komen, een dikke pil over omgaan met je bindings- en verlatingsangst. Of Een Gezonde Geest in Een Gezond Lichaam, het magnum opus van een darmspecialist dat me niet alleen zou verlossen van mijn immer prikkelbare darmen maar tevens mijn dagdagelijks humeur en liefde voor het leven aanzwengelen? Omgaan met Stress zou me kunnen vertellen hoe mijn leven beter te organiseren, Leidraad voor een Holistisch Leven me leren hoe intenser waardevol contact te maken met planten, kruiden en gewassen en hoe een boom te omarmen en met het oor tegen de stam ontroerd te worden door het ruisen van de sappen onder de ruwe schors.

          Uiteindelijk zou ik, zo denk ik vandaag althans, soelaas vinden in Mediteren is Makkelijk, een bijbel uit het Oosten over omgaan met je adem, luisteren naar je hart, afdalen in jezelf, dat alles door elke dag een halfuur je benen te kruisen en je ogen te sluiten, helemaal stil te worden en nergens aan te denken.
          Een beetje zoals ik het vroeger deed: me in stilte bezighouden met mezelf.

Verloren Maandag

          De maandag was niet alleen blauw, in het ochtendjournaal noemde de nieuwslezer hem bovendien ook nog eens verloren. Verloren Maandag. Ik kon me daar wel iets bij voorstellen. Ik voel me ook weleens verloren. Dan vraag ik me vertwijfeld af, wie ben ik, waar kom ik vandaan, wat doe ik hier? Dan voel ik een onweerstaanbare dwang op zoek te gaan naar mezelf.         

          Op de tram koos ik mijn favoriete zitje, voorbij de tweede deur in het midden het eerste stoeltje rechts. Ik had geen specifieke bestemming voor ogen, liet me willekeurig rijden zomaar nergens heen. Een man op zoek, ik zou wel zien waar ik terechtkwam. Dat doe ik wel vaker. Baat het niet, het schaadt ook niet. Niemand heeft er last van, het doodt de tijd en breekt de dwangbuis van mijn gedachten.

          Achter mij zaten twee oude mannen. Wie ouder lijkt dan ik noem ik oud, wie jonger is, jong. Ik zie mezelf graag als het ijkpunt, de tijdloze maat van alle dingen. De mannen praatten ongegeneerd luid. Elke medereiziger kon elk woord verstaan, al droegen de meeste passagiers luidsprekertjes in hun oren en staarden ze verdiept naar het scherm van hun telefoon.
          ‘Worstenbrood of appelbol?’ vroeg de ene man, laten we hem voor de smaak van het verhaal Jules noemen, aan de andere, zeg maar Louis, zo luid dat ik moest denken aan die stokdove mevrouw uit Fawlty Towers die weigerde haar hoorapparaat in te schakelen omdat ze de batterij wilde sparen.
          ‘Eén enkel, één dubbel en één appelbol, elk jaar hetzelfde,’ antwoordde Louis.
          ‘Dat is straf,’ zei Jules, ‘ik neem exact hetzelfde. Verloren Maandag, dat is een enkel, een dubbel, een appelbol. Echt straf.’
          ‘Vanwaar zou dat eigenlijk komen, Verloren Maandag? Weet jij dat?’ vroeg Louis.
          ‘Toevallig weet ik dat, ja,’ antwoordde Jules. Hij klonk als een leerkracht op pensioen. ‘Lang geleden vierde het personeel van de stad nieuwjaar op de eerste maandag na driekoningen. Ze moesten dan de eed afleggen en voor de gelegenheid trakteerde de stad op een knabbeltje. Dat mocht natuurlijk niet te veel kosten, meer dan een broodje met een stukje vlees erin kon er niet af. Omdat er die dag niet werd gewerkt, werd die dag een verloren dag genoemd.’
           ‘Dan kunnen ze aan de stad veel dagen verloren noemen, hard gewerkt wordt daar niet,’ grapte Louis. Jules was de schoolmeester, Louis de nar.

          Ik wilde niet de indruk geven te zitten luistervinken en bladerde nonchalant wat door het boek op mijn schoot. Echt lezen lukte natuurlijk niet.
          ‘Dat kennen ze niet overal, hé. Dat is een typische traditie van bij ons,’ doceerde Jules enthousiast verder, ‘Verloren Maandag is een van de weinige tradities die is overgebleven.’
          ‘Vroeger was alles anders. Weet je nog, Aswoensdag? Dat je de klas niet binnen mocht zonder een kruis op je voorhoofd?’ vroeg Louis.
          ‘Zeker weet ik dat nog. Dat waren andere tijden. Gaan zingen met oudjaar en thuiskomen met een zak vol snoep, dat was een feest?’
          ‘Doen ze dat vandaag nog, denk je?’
          ‘Ik zou denken van niet,’ antwoordde Jules, ‘als een kleine vandaag met een lege zak in zijn handen een winkel binnenstapt en begint te bedelen, sturen ze hem direct naar Mol, schat ik.’
          ‘Ik ken al die liedjes nog,’ zei Louis en alsof hij helemaal alleen in de tram zat, begon hij luid te zingen: ‘Nieuwjaarke Zoete, het varken heeft vier voeten, vier voeten en een staart, is dat dan geen duitje waard?’ Tot mijn verbijstering keek nauwelijks iemand op van zijn telefoon.
          ‘En als ze niet opendeden of ze gaven niets: Hoog huis, laag huis, hier zit een gierige pin in huis,’ viel Jules hem bij. De twee deden me denken aan Slisse en Cesar, ook van alweer heel lang geleden.
           ‘Ik had een kameraad toen,’ begon Jules, ‘de mens is ondertussen al lang dood, die graag ging aanbellen aan de nieuwe appartementsgebouwen, weet je nog, de blokken van Amelinckx noemden wij die …’
          ‘Ah ja, juist, dat weet ik ook nog. Hoogbouw was allemaal nieuw toen.’
          ‘ … dan belde hij bij de zevende of achtste verdieping en als er boven iemand aan de parlofoon kwam dan zei hij: Wilt u een rolletje Wc-papier naar beneden gooien alsjeblieft? Ik heb op de dorpel gescheten. En wij maar lachen. En dan zo rap mogelijk uit de voeten, natuurlijk.’ In hun lachen hoorde ik zoete herinnering en weemoed vechten om voorrang.
          ‘Waar is hij gebleven,’ vroeg Jules. ‘die goede oude tijd. Neen, dat zie ik de jeugd van vandaag toch echt niet meer doen.’
          ‘Dat ze het maar laten ook,’ antwoordde Louis, ‘al die vuiligheid op je stoep. En weet je hoeveel dat kost tegenwoordig, Wc-papier?’
          Het leek me een goed moment om over te stappen op een andere lijn.

Vrolijk zijn Verboden

          Hooguit twee tot drie eieren per week, adviseert het Voedingscentrum. Meer is ongezond naar het schijnt. Iets met cholesterol en verzadigd vet. Dat is wel wat tegen het zere been, sommige dagen eet ik er twee tot drie bij mijn ontbijt.
          De Drugslijn raadt me aan het te houden op maximum tien glazen per week. Ik wil wel. Daarom drink ik mijn wijn nu uit een Duvelglas. Gezondheid boven alles.
          Een wielrenner, lees ik in mijn krant, krijgt een boete wanneer hij gaat juichen als zijn kopman de eindspurt van de wedstrijd wint. Een nieuwe maatregel door de Internationale Wielerunie. Renners die vieren gaan trager fietsen en vormen daardoor groot gevaar voor de rest van het peloton. Daar is lang en diep over nagedacht. Lijkt me toch pittig, dan heb je tweehonderdzeventig kilometer het zweet tussen je bilnaad gekoerst en dan mag je niet eens je armen in de lucht gooien wanneer je arbeid blijkt te lonen. Ook vraag ik me af welke professionele pedaleur nog sneller gaat trappen wanneer de winnaar al over de streep is? Waarschijnlijk snap ik niks van koers.

          Men doet maar. Men verbiedt en regelneeft dat het geen naam heeft. Voetballers die na een doelpunt met hun truitje zwaaien of op reclameborden of dranghekkens springen? Gele kaart. Laat die jongens toch. Ik vind het ook allemaal patserig en stompzinnig maar als zo een getatoeëerde posterboy daar nu voor een schamel ogenblik een heel klein beetje gelukkig door wordt hoeft hij het voor mij niet te laten.
          Een GAS-boete voor wandelen in badpak op de zeedijk. Zoenen op straat valt onder openbare zedenschennis. Vuurwerk op oudjaar is gevaarlijk en dus bij wet verboden. In Dison bij Verviers mag je niet roken in alle drie de straten van het dorpscentrum. Vanaf volgend schooljaar mag de jonge medemens ook niet langer gsm’en op school. Sociale media leiden af. Toen onze mop een mopje was, aardig om te zien en al, bestonden onze sociale media uit het boodschappen kribbelen op papiertjes en daar dan vliegertjes van maken die je naar je vriendjes gooide wanneer de leerkracht met zijn rug naar de klas de stelling van Pythagoras op het bord uittekende. Of het overschrijven van de integrale Bohemian Rhapsody uit de Joepie terwijl de leraar Frans doorzeurde over een foto van een meikever die hij een keer genomen had.
          Er mag zo weinig nog vandaag en dat komt echt niet door die woke groenen, die promoten zelfs kerstboometen.

          Mocht ik een kwaadwillig iemand zijn, ik zou denken dat een of anders schimmige macht probeert alle lol te bannen uit ons leven. De wereld is geen speelplein, alle donders nog aan toe, gelieve de stand van het bestaan ernstig te nemen. We staan voor donkere tijden, zwaar als lood. Besparen moeten we, inleveren, snoeien in lonen en uitkeringen, saneren. Er is alweer of nog altijd dat giga gat in de begroting. Dat gat is mij bekend. Ik ben er mee opgegroeid. Het was er toen ik mijn eerste tandjes kreeg, het is nooit nog weggegaan en altijd groter geweest dan het grootste gat dat ik in mijn hele leven in eender welke rok heb gezien.

          Mocht ik een tikje paranoia zijn, ik zou denken dat men ons de ene kant laat opkijken opdat we niet zouden merken welke goorheid zich afspeelt aan de andere kant. Kijk, spreken wij schande, dat wordt zomaar president terwijl hij toch veroordeeld wordt voor omkoping van een pornoster. Hoe ranzig kan het zijn? Dat diezelfde windbuil verre en dichtbije landen bij zijn territorium wil voegen is daarnaast een fait divers. Lebensraum noemden wij dat op dit oude continent een eeuw geleden. Ach, halen de slimmen en gestudeerden op televisie mak hun schouders op, de soep wordt nooit zo heet gegeten. Dat liedje was een monsterlijke wereldhit in de jaren dertig van de voorbije eeuw.

          Ik ben een oude knar stilaan, zeuren is mijn bijberoep. Of blijven hameren op dezelfde nagels, dat is hoe ik het zie. Zoals op deze: in 2024 steeg de gemiddelde temperatuur op aarde met meer dan anderhalve graad. Ik ben geen klimatoloog of wetenschapper, ik ben integendeel slechts een eenvoudige boerenjongen maar zelfs ik besef: als dit blijft doorgaan garen we binnen een paar jaren onze twee of drie eieren elke dag in open lucht. Het water in de ketel kookt, wij zijn de kikkers in de pot.

          Gelukkig zij de heer geprezen, cynisch of kwaadaardig ben ik niet. Elke ochtend spek met eieren, elke avond een sigaartje en daarbij een borrel. Of twee, als het Duvelglas in de vaatwasser steekt. Gewoon voor de binnenpret schiet ik af en toe weleens stiekem een vuurpijl in de lucht. Als we dan toch met zijn allen als een losgeslagen kudde willen razen richting ravijn kunnen we maar beter een beetje lol beleven onderweg.

Geen lijstje

          Elk jaar stelt zich tussen Sinterklaas en kerst de vraag of ik toch niet zoals zovele anderen een topperslijst publiceren moet van de boeken die de voorbije twaalf maanden door mijn handen gingen, beginnend met het door velen bejubelde maar door mij half gelezen en dan in mijn boekenkast geborgen Bloedzang van Caro van Thuyne en eindigend met een pas aan het einde van dit stukje te onthullen glorieuze nummer één.
          Elk jaar weer is het antwoord neen.

          Leeslijstjes vind ik een beetje raar.
          Eind januari meldde een mij verder onbekend persoon in een leesgroep op Facebook dat hij tijdens de eenendertig eerste dagen van het nieuwe jaar eenendertig boeken had weggewerkt. Knappe jongen, dacht ik toen, ik weet het nog. Daar zullen dan zeker niet De Rustelozen van Olga Tokarczuk of Nirwana van Tommy Wieringa hebben bijgezeten, zelf had ik daar toch meer dan één etmaal voor nodig. Een goed boek is immers als een exquis diner, je moet – je moét natuurlijk just niks – het degusteren, traagzaam de smaken laten inwerken op je gemoed. Lezen is niet een hamburger snacken bij McDonalds. Ik heb me beide werken geweldig laten smaken, al waren ze gans verschillend bereid en gekruid met ver uit elkander lopende smaken. Welke van de twee ik nu het lekkerst vond, durf of kan ik niet zomaar zeggen.

          Ik weet gewoon niet hoe dat moet, leesplezier ordenen in een hitlijst. Verloren van Ingrid Vander Veken vond ik pakkend, Dikke Freddy Forever (Erik Vlaeminck) geestig, Julia (1984) door Sandra Newman pijnlijk actueel. Opnieuw: welke van de drie me het meest bekoren kon, vraag het me niet, ik weet het niet.
          Heeft u daar overigens ook een boodschap aan? Wil u niet eerder weten hoe het gesteld is met de stramheid van mijn knieën, of mijn hart het nog goed doet, of mijn geest nog helder is en mijn ambities nog intact? Of hier wel gezond genoeg gegeten wordt en gedronken alleen met mate? Of er nog dromen zijn en liefde in dit ondermaanse leven, vragen toch van wezenlijker belang dan welk boek ik in nu 2024 werkelijk het aller, allerbeste vond?

          Ik zou natuurlijk kunnen proberen u te imponeren met dure titels van gewichtige werken zodat u denkt: die eenvoudige boerenjongen heeft het toch maar waarlijk tot een groot lezer gebracht, dat zetten we straks zo op zijn graf. Kwansuis titels laten vallen als 1942, Het jaar van de Stilte door Herman van Goethem over collaboratie heel dicht bij huis, Alkibiades door de door mij bijna op haast idolate wijze aanbeden Ilja Pfeijffer of De Kant van Swann, het eerste deel van Marcel Prousts Op Zoek naar de Verloren Tijd. Een zomer lang wandelde ik met de verteller mee en nog altijd zijn we maar halfweg, intussen is er werkelijk niets gebeurd. Misschien gelukkig maar, lezen is toch de activiteit die het niks doen het dichtst benadert al is ook hier weer niets wat het lijkt. Lezen is wel degelijk een daad en bovendien een welkome vluchtweg uit de werkelijke wereld waar een mens toch niet bepaald vrolijk van wordt.

          Zo vluchtte ik in Vader van Karl Over Knausgard waaruit ik leerde: onmachtige vaders lijken overal ter wereld heel erg op elkaar. In Het Achtste Leven (voor Brilka) van Nini Haratischwili, een meesterwerk, waarlijk. Mocht ik een toptien maken van beste boeken, ik zou het wel weten, al zouden ook Lessons door Ian McEwan of Songs of Solomon van Toni Morrison hoog scoren. Lijstjes maken doe ik dus niet, al is er wel een winnaar.

          Bij deze wordt het officieel:
          Op nummer 1: het beste boek van 2024, is het boek dat elk van u geschreven heeft. U te mogen lezen heeft mij op sommige dagen blij gemaakt, doen lachen en gelukkig zijn, op andere dagen maakte u me triest en treurig.  Soms ging er iemand dood, soms werd iemand geboren. Er waren ruzies en verzoeningen, meevallers en pech, driehonderdzesenzestig dagen na elkaar schreven u en ik een wonderlijk verhaal. Laten we het Ons Leven noemen en vandaag beginnen aan deel zoveel.
          Blijf leven, ik zal u heel graag lezen.
          Ik wens u allen voor 2025 alle goeds.

Kerstfalen

          Half december nog maar en in dit huis hebben we het hart van Kerstmis al glorieus gemist. Gerateerd. Ernaast geschoten. Kerstmis is immers toch de dag dat ze niet schieten? Dag van vrede op aarde, liefde en geluk voor iedereen? Van heb uw naaste lief en nodig eens een eenzame aan de dis?

          De kans om kerst te geven wat kerst toekomt lieten wij dus liggen. We hebben hem nochtans gezien, die eenzame, plompverloren op een koude middag in onze tuin, neus nieuwsgierig tegen het keukenraam. Hebben we hem met open armen aan de tafel genodigd? Neen, dat hebben we niet.
          Geen idee vanwaar hij kwam, geen idee wat hij in onze tuin dacht te vinden. Niet dat we ernaar hebben gevraagd, helemaal niet. Als waakzame burgers hebben we meteen gehandeld, spontaan, impulsief, onbezonnen. Opgejaagd hebben we hem als loslopend wild, de handhavers gealarmeerd, in geen mum werd gans de straat spergebied, sirenes, zwaailichten, mannen en vrouwen in uniform met verbeten tred en vastberaden blik. Zonder denken, helemaal zoals het ons samen met de peuterpap is ingelepeld hebben we hem overgedragen aan instanties waarvan we weten hoe hard en koud ze vandaag te werk gaan met zij die van geen hout nog pijlen weten maken.

          Jaren geleden werd ik door een meisje op de vingers getikt toen op een zonnige zomerdag een obese rosse kater hooghartig door de tuin paradeerde. Vanuit de hoogte blikte hij misprijzend op de slaperige goudvissen in de vijver die prompt asiel zochten onder het slaapwiegend blad van een waterlelie.
          ‘Vort, rossige haarbal,’ riep ik naar de Garfield. Het beest keek naar me alsof hij de keizer van Japan was en ikzelf een armlastige rijstplukker op zijn grondgebied.
          ‘Grrr …’ dreigde ik.
          ‘Maar enfin,’ riep het meisje vanop haar ligstoel, ‘zo ga je toch niet met dieren om!’
          ‘Ik wil geen vreemde katten in mijn tuin,’ baste ik. Mijn woorden bleken ijdel. Enkele dagen later lag de rosse veelvraat tevreden spinnend op de jonge meisjesschoot, zich te goed doend aan plukjes malse kip die ik dacht voor mezelf te hebben bewaard. Dieren, waar ze ook vandaan komen, zo leerde ik, genieten privileges die niet elke medemens worden gegund.

          Die man dus, deze week.
          Jaar of dertig, haren zwart als git, getaande huid, bomberjack, rugzakje. U weet hoe dat dan gaat. Iemand schreeuwt, onbekende zoekt een hazenpad en ik, Held op sokken in Pantoffelland, rep me als een hoofdagent van Securitas naar de plek waar hij denkt weg te kunnen vluchten. Minder dan vijf meter scheiden ons. De man steekt beide handen op, hij is niet gewapend, hij is niet gevaarlijk. Hij is alleen maar bang. Althans, na afloop denk ik angst in zijn ogen te hebben gelezen, ik weet niet zeker of ik dat op dat ogenblik ook zo registreer. Wel herken ik treurnis, hij kijkt alsof hij het zo meteen op een huilen zal gaan zetten.
          ‘Wat zoekt gij hier,’ roep ik hem op mijn meest boze wijze toe. Veel indruk maakt dat niet, roepen op boze wijze is niet één van mijn specialiteiten.
          ‘Sorry, sorry,’ murmelt hij, waarop hij mij de rug toekeert en langs een andere weg de vrijheid zoekt. Enfin, telefoon, sirenes, uniformen, ik vertelde het al.

          Wanneer tijdens het avondmaal de gebeurtenissen van de dag langzaam zinken, komen de vragen. Wie is deze man? Waar komt hij vandaan? Vast liggen waar hij verblijft de muizen uitgehongerd in de koelkast, als hij al een koelkast hééft. Hadden wij, zo vraag ik me, niet met wat meer mededogen moeten handelen? Ik weet het, hij bevond zich op een plek waar hij niet hoorde te zijn, maar dan nog? Welke honger dreef hem daar?
          ‘Als hij aan de voordeur had aangebeld, ik had hem te eten gegeven,’ zeg ik hardop. En ook: ‘Waar hij nu zit is het warm, krijgt hij eten, bad en bed voor de nacht misschien erbovenop.’ Het klinkt alsof ik mezelf ergens van probeer te overtuigen. Schrijvers vertellen graag verhaaltjes, het liefst nog aan zichzelf. Zou ik dat werkelijk hebben gedaan? Al was het maar een banaan uit de fruitschaal hebben gegrist om dat knagende gerommel van zijn lege maag te stillen? Zou ik deze verdwaalde man mijn oude jas hebben geschonken tegen de kou? Een warm bed hebben aangeboden?

          Graag, heel graag zou ik zeggen van ja.
          Ik heb het niet gedaan. Veel mensen zijn het vast niet met me eens, maar diep vanbinnen knaagt het gevoel dat ik beter had moeten doen. Misschien, ik weet het niet, moeten luisteren naar zijn verhaal. De man is opgepakt, zo lees ik de volgende dag in de krant, en zonder pardon teruggezonden naar het land van herkomst. Welk land zou dat zijn? Het Afghanistan van de taliban? Het alweer bloedende Syrië? Palestina, of wat daar nog van rest? Had ik als volgevreten Garfield niet moeten delen met wie merkelijk minder heeft? Me als oprechte christen over mijn naaste moeten ontfermen en na afloop wensen: ga heen in vrede?
          Ik weet het niet.
          Iets zegt me dat het me gewis dichter bij de ware geest van Kerstmis had gebracht.

Wat Tommeke deed

          Wie zonder zonde is, werpe de eerste steen, zo reageerde mijn oma zaliger als ik weer eens bij haar ging klagen over geniepige pesterijen van mijn broers. Oma sprak vaak in tegeltjeswijsheden. Die haalde ze veelal uit de Heilige Schrift: Wie liefheeft spaart de roede niet bij een oorveeg of een tik met de achterkant van haar hand op een te grote mond; Hoogmoed komt voor de val wanneer je met je schoolrapport kwam aanwaaien in de hoop een cent uit de zwarte sok onder haar matras los te peuteren waarna ze je wandelen stuurde met een mandarijntje of een appel; Het vlees is zwak telkens ze het over mijn vader had en ook Als iedereen voor eigen deur veegt is gans de straat proper al weet ik niet of die ook in de bijbel staat. Ik gok van niet.

          Ik denk nog vaak aan mijn oma. Zij was voor zover ik me herinner bij mijn geboorte al hoogbejaard en straalde ook toen al de rust en wijsheid uit die samen met de jaren komt. Het is waar, soms zeurde ze je de oren van het hoofd over de kommer tijdens zowel de eerste als de tweede wereldbrand die zij allebei had meegemaakt en die wat mij betrof net zo goed in het Pleistoceen konden hebben plaatsgevonden. Ook is het waar dat ze je tot vervelens toe maande tot voorzichtigheid in alles wat je deed: kijk uit voor dit, pas op voor dat, doe niet zus, doe niet zo. Je hoorde in haar stem angst en zorg om voorrang vechten terwijl zij diep vanbinnen ook wel wist dat al haar lievemoederen niet voorkomen kon dat ook wij ooit zouden verstrikt geraken in de stroppen die Het Lot des Levens nu eenmaal voor de mensen spant. Beter dan wie ook besefte zij dat ook wij ons zouden bezondigen aan dezelfde calamiteiten die zij en haar generatie ons al eerder hadden voorgedaan.

          Zij had gelijk.
          Ook bij ons ging de geschiedenis zich herhalen. Ook mijn broers en ik klommen in een boom tot waar de takken dun en breekbaar waren, ook kwam één van ons weleens met betraande ogen thuis, neus onder het bloed en één oog paarsblauw, ook plukte de politie weleens iemand van ons van straat in kennelijke staat en liet hem gratis overnachten in Hotel Amigo. Oma mocht op ons inpraten en soebatten tot Sint-Juttemis, wij tastten toch liever zelf de grenzen af van lot en leven en gingen er ook weleens een keertje over, een mens leert toch het meest van zijn eigen stommiteiten. Dat laatste staat vast niet in het Schrift, toch hoor ik het haar doorrookte stem zo zeggen.

          De voorbije dagen was mijn oma weer zeer aanwezig in mijn gedachten. Een bekend persoon had in het midden van de nacht zijn bolide tot schroot herleid. Belangrijk nieuws blijkbaar, in een eerste fase nog met mildheid opgediend. Dat sentiment verkleurde sneller dan een kameleon op een zanderige muur toen bleek dat de man menig glaasje had genuttigd. In deze tijden van beeldcultuur ging meteen een filmpje rond waarop de presentator vrolijk een glas bier in het keelgat giet. De anonieme cineast gniffelt smalend: ‘Ongezien. Die staat niet eens recht. Die kan zijn pint nog niet eens drinken.’ De Bekende Vlaming werd hupsakee van held tot schorriemorrie gebombardeerd

          Dit is ons land.
          Tijdens een personeelsfeest enkele jaren geleden waarop aan het eind de helft van de aanwezigen nauwelijks nog zijn (en een enkele haar) naam kon spellen, werd rond middernacht een waarschuwing rondgestrooid: rijd niet langs daar naar huis, daar wordt op alcohol getest, maak best een ommetje. Geen hond die dacht beter de wagen te laten staan en met bus of taxi op het thuisfront af te gaan.
          Dit is ons land.
          Omdat de wegbeheerder zeker wéét dat vroeg of laat bij wegenwerken ongevallen gaan gebeuren, heeft hij op een slimme dag de botsabsorbeerder bedacht om de schade te beperken. Proberen te voorkomen heeft hij al lang geleden opgegeven.
          Dit is ons land.
          In het warenhuis waar ik dagdagelijks mijn fruit en groenten koop, maakte men onlangs ruimte voor de feesten. Thee en koffie, sardineblikjes en pakken havermout ruimden plaats voor een bijkomende voorraad bieren, wijnen en geestrijke dranken. Twee rayons naast elkaar, zelfs ik werd bijna dronken alleen al van ernaar te kijken.
          Dit is ons land.
          Er wordt geschonken en gedronken bij geboortes, lentefeesten en communies, huwelijken en begrafenissen, op vrijdagen, zaterdagen, zondagen, dagen in de week en af en toe een keertje tussendoor. Daar komen ongelukken van, Wie wind zaait, zal storm oogsten. Jongeren sukkelen in het water, ouderen rijden spook, een enkeling knalt op een botsabsorbeerder.   
          Wie zijn gat brandt, zou mijn oma zeggen, moet op de blaren zitten.
          Staat vast ook niet in de bijbel.

Duifdenken

          Elke ochtend landt rond tien uur een duif op een kale tak in de kruin van de boom in de tuin. Die tak gaat daardoor lichtjes wiegen, als drijfhout in open zee. De duif deint dan gelaten mee, duiven weten dat in het universum krachten huizen die zij niet verklaren kunnen en waartegen hier op aarde niets of niemand iets vermag. Peinzend kijk ik dit gebeuren aan. Zo immers vul ik mijn dagen: koffiedrinkend staren door het raam, mijmeren over mensen, het universum en het leven.

          Schichtig draait de duif de kop naar links, naar rechts, pikt met zijn snavel driftig onder zijn rechtervleugel. Waar het jeukt, moet ook een duif krabben. Ik probeer hem na te doen, het lukt me niet, het ziet er bovendien belachelijk uit. Jij kan dingen die ik niet kan, mompel ik. Ik ben een man die tegen duiven praat. Het beest wiegt zwijgend verder op zijn tak.
          Als een oudje achter een raam staart de duif in de leegte onder hem. Hem, zeg ik, al kan ik daar niet stellig over zijn. Bij mensen valt geslacht of gender meestal nog te raden, bij duiven ligt dat anders. Heb je er één gezien, dan heb je ze allemaal gezien.

          Heel alleen zit hij daar terwijl duiven, dat is toch algemeen bekend, liefst in gezelschap verkeren. Ik ben geen duif, zo blijkt maar weer. Sociale dieren zijn het, vriendelijk, zorgzaam, zuiver van hart en ziel. Duiven leggen voor zover wij weten geen plechtige geloften af, hullen zich niet in opzichtig verenkleed, organiseren geen overdadig eetfestijn, toch beloven ook doffer en duivin elkaar liefde en trouw tot de dood hen scheidt. Bouwend aan de toekomst sleept het mannetje bladeren en takjes aan waarmee het vrouwtje een gezellig nestje knutselt. Duiven houden van strak afgelijnde rolpatronen, zij vinden het leven op zich al ingewikkeld genoeg. De eieren broeden zij samen uit, hij overdag, zij ’s nachts. Beiden leveren zij melk aan uit de krop in hun keel, later zorgt zij voor de kinderen en beschermt hij het nest. Mijnheer Den Uil zei het in mijn kinderjaren al, dieren zijn precies als mensen, met dezelfde mensenwensen, dat staat allemaal in de krant.

          Toch zit elke ochtend tegen tienen deze duif in zijn eentje op een kale tak in een boom in mijn tuin. Wat hij daar zoekt? Wellicht denkt hij daar net als ik na over de duiven, het universum en het leven. Of speelt hij stiekem schalks op weduwschap? Honger immers is de beste saus. Erger misschien, er ging wat mis met de liefde van zijn leven. Sliep zij toevallig in de hoek van het portaal waar een onverlaat een handgranaat naar binnen wierp? Duiven hebben net als kinderen tegen granaten geen verweer, zelfs produceren zij, alweer voor zover wij weten, geen moordend wapentuig om soortgenoten van het leven te beroven. Vloog zijn eega stomweg tegen de wentelende wiek van een windmolen? Botste ze, met gesloten ogen dromend over het geluk dat het leven haar geschonken had, tegen de vleugel van een vliegtuig aan?
          Duiven maken dingen mee waar een mens geen weet van heeft. Bitter weinig weten wij over het leven van een ander. Duiven, zegt de volksmond, zijn de ratten van de lucht. Nergens goed voor. Ze schijten op de standbeelden van onze voorvaderen, op de pas gewassen voorruit van je wagen en op je kop. De volksmond doet er vaak beter aan de lippen op elkaar te houden. Zo misprijzend denkt alleen de mensensoort die in iedereen en alles wel een vijand ziet terwijl de duif toch staat voor liefde, vrede en geluk.
          Mij zou het niet verbazen mocht in Duivenland mens een grover scheldwoord zijn dan rat.

          Misschien, kan best, grote geesten denken immers gelijk, kiest deze duif precies deze boom omdat hij en ik verwante zielen zijn. Brengen de geheimzinnige krachten in het universum hem en mij bij elkaar omdat hij daar op zijn tak en ik hier achter het raam hetzelfde denken over dezelfde dingen. Misschien wordt ook hij soms wakker in het midden van de nacht om te staren naar de sterren aan de hemel, zich vragend: Moeder Duif, waarom leven wij? Ook duiven hebben, dat is vast wetenschappelijk bewezen, net als mensen muizenissen in hun hoofd, knopen in hun maag, kroppen in hun keel, al levert dat laatste bij hen tenminste nog wat melk op voor de kleintjes.
          In wat voor wereld leven wij, vraagt deze duif zich af, als iemand zes miljoen betaalt voor een banaan terwijl 45 miljoen kinderen aan ondervoeding lijden. Acht miljard mensen, hoe lang nog voor de planeet bezwijkt onder dat obees gewicht? Hoeveel graden warmer nog voor de natuur meedogenloos finaal de boeken sluit? Ook dat vraagt deze duif zich af.        
          En ook, ik voel het, is dit nu alles? Je gaf je ziel en zaligheid aan je duivin, zocht voor je nest het mooiste blad, de beste tak, beschermde vrouw en kroost tegen tegenslag en onheil, streefde een leven lang naar liefde en geluk en aan het eind zit je alleen met jezelf op een kale tak in een kille, herfstige tuin, aangestaard door een oud mannetje achter een raam.
          Dat allemaal denkt die duif.
          Of het ligt aan mij, kan ook altijd.

Frekkel

          Mijn kinderen hebben geen kinderen en daar kan ik best mee leven. Toch droom ik soms over een kleinzoon op mijn schoot, een schattig knaapje van een jaar of zes, twee druppels zijn opa zestig jaar geleden, op zijn hoofd de tere krulletjes van een engel, hemelsblauwe ogen, zijn vrolijke gezicht bezaaid met fijne sproetjes waardoor ze hem al in het eerste leerjaar Frekkel zijn gaan noemen.
          ‘Zeg eens jongen,’ vraag ik hem, ‘wat wil jij later worden?’ Blijkbaar heeft hij daar al over nagedacht, hij antwoordt binnen de seconde:
          ‘Reporter ter plaatse,’ roept hij luid, hij weet dat de oren van zijn opa hun beste tijd wel hebben gehad.

          Van trots gaan mijn ogen glimmen. Helemaal generatie Alpha is dit kind, geboren in een tijd van FOMO en Kijk-naar-mij. Wat er waar ook in de wereld gaande is, hij wil erbij zijn. Tevens is hij slim genoeg zich voor die ongebreidelde nieuwsgierigheid royaal te laten betalen, ik mag hopen dat hij zich alleen al van de onkostennota’s aandelen kan verwerven in een ethisch verantwoorde onderneming voor wanneer hij zelf met een kleinzoon op de knie zal zitten. Dit kind verstaat nu al de kunst om zich handig in het brandpunt van een gebeuren te posteren en tegelijk toch aan de zijlijn te blijven, als een partijleider die ongestoord kritiek mag geven op een regering waarin zijn eigen team de lakens uitdeelt.
          Veel hoeft hij bovendien niet te kunnen om zijn dromen waar te maken. Marsorders volgen en herhalen wat hem wordt voorgekauwd brengen hem al een eind op weg.
          De orders: download je ticket, pak je koffers, stap op het vliegtuig. Ter plekke zoek je een telegenieke plek, laten we zeggen een heuvel met uitzicht op de puinhopen na het bombardement, een hotelbalkon met panoramisch vergezicht over de kolkende modderstromen, desgevallend met blote voeten in de branding van de oceaan voor het buitenverblijf van de presidentskandidaat. Steek je oortje in en luister naar het anker in de studio, kijk bekommerd in de camera en herhaal:
          ‘Dag Reporter ter Plaatse, op de beelden achter je zien we een en al ellende, is het niet?’
          ‘Zeker Anker. Zoals je ziet is het hier een en al ellende, de slijkerige bruine brij stormt als een vloedgolf door de stad.’
          ‘We zien drijvende auto’s, ontwortelde bomen, huizen die tot de bovenverdieping onder water staan.’
          ‘Het is vreselijk wat hier gebeurt, Anker. Auto’s drijven door de straten, bomen worden losgerukt, huizen staan tot aan het dak onder water.’
          ‘Hoe reageren de mensen? Zijn ze boos? Op de overheid misschien?’
          ‘O ja, de mensen zijn heel boos en verontwaardigd, Anker, met name op de overheid. We vroegen het enkele voorbijgangers op straat, kijk even mee naar de reportage.’
          ‘Dank je wel, Reporter ter Plaatse, en wees alsjeblieft voorzichtig, we willen je heelhuids terugzien.’
          Klaar is kees.

          Trots als een pauw druk ik mijn kleinzoon tegen me aan. Zes nog maar en al helemaal een man van deze wereld. Nu al beseft hij donders goed dat het in deze tijd belangrijker is interessant te lijken dan het echt te zijn. Je hoeft niet per se meerwaarde meer te bieden om status en welstand te verwerven, het volstaat in beeld te komen, deel te worden van de show. Dit kind gaat het vast nog heel ver brengen.
          ‘Het gaat niet zo best met het nieuws vandaag de dag,’ vraag ik hem, ‘er is meer fake dan echt, heb je dan een plan B?’ Even denkt hij na.
          ‘Influencer misschien,’ zegt hij dan. Ik hoor aarzeling in zijn stem, hij is bang dat zijn oude opa zich bij deze roeping niet zoveel kan voorstellen. Hij heeft gelijk.
          ‘Daar zijn er wel al veel van, lees ik overal,’ antwoord ik. Even zwijgen we allebei.
          ‘Weet je? Je zou bijvoorbeeld ook opiniepeiler kunnen worden. Je bouwt vooraf een ruime foutenmarge in en zit je er nadien toch nog mijlen naast, dan komt dat door de kiezer. Die is immers, dat is algemeen geweten, wispelturig als de wind.’
          De jongen gaapt en schikt zich op mijn schoot.
          ‘Federaal formateur, kan ook altijd,’ kom ik nu op dreef. ‘Lukt het niet, dan ligt dat nooit aan jou maar aan de koppige karakters aan de tafel. Of klimaatactivist, altijd werk. Stoelgangspecialist of menopauzewatcher, krijg je een eigen televisieshow. Magazijnbeheerder van bestanden in de cloud zodat een mens makkelijk zijn oude documenten terugvindt, ook heel erg nodig.’ Ik hoor hoe het kind op mijn schoot dieper gaat ademen, aai dromerig de fijne krullen op zijn hoofd.
          ‘Ach, van opa mag je alles worden wat je wil hoor, zolang je maar gelukkig bent.’ Dat laatste heeft hij vast niet meer gehoord.
          Als hij maar geen voetballer wordt, ze schoppen hem misschien halfdood, flitst me nog door het hoofd, al is dat misschien meer een beeld van vroeger. Stilletjes leg ik hem in zijn bedje en teken een kruisje op zijn voorhoofd.

Over de schoonheid en de troost

               Soms staat een mens het water aan de lippen. Al het donker uit de grond wrikt zich langs de scheuren en de kloven onderaan je voeten een weg naar binnen, je lichaam loopt van je tenen tot je kruin vol met zwaarte en zwartgalligheid. Je verstikt in je bestaan, licht heb je nodig, lucht en ruimte, het is de hoogste tijd voor decompressie, ontspanning, ledigheid.
          Wie het kan, boekt een kleine reis naar Dubai voor een dag of tien en laat zich daar exotische luxe welgevallen. Een ander zweet de zwaarte van het leven uit bij eucalyptusgeuren in de buitenmaatse hitte van een warmtecabine en laat zich achteraf onder zachte handen suf masseren. De strijdmacht van dit land, zo lees ik in mijn krant, zuipt zich in een buitenlands hotel de pampus en gaat dan gretig op de vuist.
          Ikzelf daarentegen, immer minzaam en zachtaardig als een pasgeboren kind, zoek vertroosting in de schoonheid in de wereld van de zeven kunsten.

          In een uithoek van het land belandde ik in een zaal die men daar theater noemt. Vijf vrouwen brachten een bewerking voor het voetlicht van een boek over het lange leven van een vrouw. De Jaren heet dat boek, geschreven door Annie Ernaux die ondermeer daarvoor met een Nobelprijs werd bekroond. Dat laatste kan eenieder zomaar overkomen, daarom ook dat ik in een vlaag van overmoed onlangs een werk van eigen makelij verzond naar een befaamde uitgeverij. Wellicht slaapt men daar nog, of is men op vakantie, of liggen de werken tijdelijk stil wegens verbouwingen. Ik houd u op de hoogte.
          Beeldend en beklijvend regen de dames fragmenten en citaten uit het boekwerk aan elkaar. Zij smeten zich ten volle, het podium hun speelterrein, zij lachten en zij dansten doch schuwden ook de bitterste pijnen niet. Zij namen de bezoekers bij de hand of grepen ze krachtig naar de keel. Het schuurde en schampte soms en somtijds deed het pijn, zoals dat in het leven gaat. In het publiek begon een vrouw te huilen, anderen stampvoetten met haast militair vertoon het theater uit.
          Kunst mag dan de blik zijn in haar ogen, kunst krast tevens soms ook nijdig op de ziel.

          Ik bezocht de expositie van Emile Claus, een verfkunstenaar uit vervlogen tijd. Een waterval van kleuren, hoogzomer in november en oer-Vlaamse thematiek. Van nature ben ik niet die fiere Vlaam, toch liet ik me door de schilder voeren naar het platte land van de boeren, twee voeten in Vlaamse klei, kinderen in een dorpsschool, modderige bietenvelden, waterige akkers dooraderd door kronkelige beekjes en omzoomd door bonkige populieren. Het Vlaanderen van Brel en van Gezelle en hier toch ook een beetje van mij.
          In het meisje op het schilderij De Hooister had een man zowaar zijn eigen oma herkend, nauwelijks zestien was ze toen de schilder haar beeltenis aan het canvas toevertrouwde, blote voeten in het veld, op de schouders een bussel hooi, mistroostige blik, gebukt onder de lasten van de tijd. Ook in 1896 zal het leven af en toe wel lijden zijn geweest.
          Dat was het ogenschijnlijk toch voor de weduwe van de schilder. Na zijn dood liet zij zijn lichaam opdelven om het te begraven in haar eigen tuin, enkel en alleen opdat zijn minnares niet langer bloemen kon gaan leggen op zijn graf. Liefde, zo blijkt, overstijgt de dood, zoals muziek dat doet, of beelden en verhalen.

          Tussen de bedrijven door voltooide ik ook een boek, als lezer weliswaar. Het Achtste Leven (voor Brilka), door Nino Haratischwili, over vier generaties van een familie in Georgië, over de revolutie van Lenin, het juk van Stalin, de omwenteling onder Gorbatsjov. Kunst legt verbanden, schept inzicht. Ik prees me gelukkig hier te zijn geboren en niet daar, u zou het ook moeten zijn. In dit ondermaanse je geluk herkennen is ook een kunst. Stop dus met zagen en met zeuren, elders is het heus niet beter. Toen ik het boek dichtklapte stapte Joe de cowboy naar de stembus, u weet hoe dat is afgelopen.
          Gelukkig, zo mocht ik ook besluiten, verschijnt aan het eind altijd weer een leeg wit blad, een nieuwe kans op een nieuw verhaal. Het is nooit voorbij voor de dikke dame stopt met zingen, altijd draait de wereld door. 1272 pagina’s telt dit epos, elk woord doet ertoe, elk leesteken, elke witregel, elk wit blad, (voor Brilka) in de titel staat niet zomaar tussen haakjes. Zelfs de laatste bladzij, nochtans blank en onbeschreven, treft je in je hart.
          Want ook dat doet kunst: voelbaar maken wat het oog niet ziet, wat het oor niet hoort, en je dan daarover aan het denken zetten.

          Ik moest huilen haast, dat deed ik toch maar niet. Elders op de wereld worden bitterder tranen vergoten, met meer recht en reden dan om schoonheid of ontroering.
          Wat mij betreft, ik had gevonden wat ik zocht. Ik kon weer door.
          Met frisse moed begon ik aan dit toen nog onbeschreven blad.