‘Ik denk, dus ik ben,’ zei de filosoof.
Lap! Daar heb je hém weer. Zit je gezellig met elkaar enkele biertjes in te nemen en wat doordeweeks te wauwelen over voetbal, vrouwen, wereldleed en politiek en net wanneer je denkt, deze avond wordt nog best gezellig, dropt de Denker een of andere dooddoener in je glas. Weg sfeer.
Deze keer zou ik me niet zomaar laten doen. Een adder in het gras zou ik wezen, een luis in de pels, jeuk op zijn rug. Ik nam een flinke teug en vroeg:
‘Wát ben je dan precies?’
‘Wie,’ corrigeerde prompt de filosoof. Hij krauwde in zijn baard. Volgens de overlevering en ChatGPT had de filosoof geen baard maar we weten allemaal dat AI hallucineert. Alle mannen hebben baarden, uitgezonderd hier en daar een melkmuil. Sommige vrouwen overigens ook maar daar hoor je nooit iemand over. Hoe dan ook, ik herken een baard wanneer ik er een zie. Misschien had de filosoof zich die avond toevallig niet geschoren, hij was tenslotte filosoof.
‘Wat,’ antwoordde ik, ‘soms ben je bijvoorbeeld een auto.’ De Denker trok de rechterwenkbrauw op.
‘Ik denk. Ik ben. Wie dus,’ hield hij vol. Hij klonk een tikje kregelig.
‘Dan zeg je: ik vond in jouw straat geen plaats, daarom sta ik nu bij de slager om de hoek,’ ging ik door. Nu ging ook de linker wenkbrauw in de hoogte. Wellicht bedacht de filosoof dat door de drank mijn brein beneveld was. Dat was helemaal niet het geval. Ik stond integendeel op scherp.
‘Of je zegt: ik lig snooker. Dan ben je een witte biljartbal,’ zei ik ietwat overmoedig. Er kon alvast geen glimlach bij hem af.
Hij wenkte de waardin: ‘Jeanne, doe ons er nog eens twee.’ Ik kende Jeanne al jaren. Lang geleden was zij een onbereikbare liefde. Een natte droom was zij toen nog, een sierlijke zwemster ook en een hoogst verleidelijke danseres op discodeunen. Nu was ze naast cafébazin ook moeder van twee kinderen, verwoed lezeres van dikke boeken en Voorzitster van de Vereniging voor Het Behoud van de Blanke Berk in haar straat. Routineus plantte zij twee volle glazen voor ons neer.
Ik heb een hekel aan relaties op gespannen voet, ik ben meer een man van lichte tred, dus ik zei toegeeflijk:
‘Ok. Ik ga met je mee. Een mens kan auto noch biljartbal zijn. Omgekeerd zijn auto’s en biljartballen ook geen mensen. Denken kunnen zij immers niet. Dat betekent, hoewel je ze met je blote oog kan zien, ze kan bevoelen en betasten, zijn ze strikt genomen niet.’ Nog steeds keek hij me aan of ik in tongen sprak, dus daar voegde ik nog aan toe:
‘Alleen mensen kunnen denken. Ik denk, dus ik ben een mens. Ik snap het. Maar toch: wie ben je dan?’
‘Aha,’ riep hij uit. Eindelijk had ik de juiste kaart op de toog gelegd. Hij rechtte zijn rug, zijn ogen lichtten op, zijn tong kwam los:
‘Je bent …,’ hier liet hij om de spanning op te drijven een pauze vallen, ‘… wie de ander in je ziet.’
Lap! Een tweede keer. Had hij me het Chinese alfabet van achteren naar voren opgezegd, ik had er even weinig van begrepen.
‘Hoezo?’, zei ik, ‘Ik ben toch gewoon maar wie ik ben? Altijd. Overal. Mijn kwaliteiten – mocht ik die al hebben – en mijn gebreken – die ik bezit in overvloed – neem ik toch overal met me mee?’
‘Dat denk jij,’ antwoordde hij opgewekt. ‘Dat ziet een ander toch wel anders. Stel, je staat in de fitness op de loopband. Wie denk je dat men in jou ziet? Een schrijver? In geen geval. Een atleet? Nog minder. Men ziet een oude, licht obese man die zich staat af te beulen als een gek in de hoop het onafwendbare verval nog jaren voor zich uit te schuiven.’ Niet bepaald een filosofische gedachte. Hij had duidelijk geen idee van de impact van zijn woorden. De filosoof mocht dan slim zijn en welbespraakt, een empathisch wonder was hij niet.
‘Dat vind ik nogal vergezocht,’ aarzelde ik.
‘Kijk,’ zei hij. Hij was een schoolmeester geworden nu. ‘Als je wandelt, ben je een voetganger. Op de fiets een fietser. In de auto een bestuurder en dus een potentieel gevaar. In de trein de dupe van alweer een staking. En ga je vliegen, dan ziet men jou als egoïstische klimaatvervuiler.’
Nu was ik mee. Meer dan dat. Ooit had ik een essay geschreven over de vrijheidsstrijder die door de vijand steevast terrorist wordt genoemd terwijl terreur in uniform zelfverdediging of ordehandhaving heet.
Lang en diep staarde de filosoof in zijn glas. ‘In de ogen van de ander verandert de mens makkelijker en vaker van gedaante dan een kameleon van kleur.’
‘Ha,’ riep ik toen, ‘Ik denk. Dus ik ben een kameleon. Daar drink ik op. Jeanne!’
Want die avond wilde ik niets liever zijn dan de leeghoofdige toogfilosoof die de wereld altijd al in mij had gezien.
