Blog

De Denker en de Drinker

          ‘Ik denk, dus ik ben,’ zei de filosoof.
          Lap! Daar heb je hém weer. Zit je gezellig met elkaar enkele biertjes in te nemen en wat doordeweeks te wauwelen over voetbal, vrouwen, wereldleed en politiek en net wanneer je denkt, deze avond wordt nog best gezellig, dropt de Denker een of andere dooddoener in je glas. Weg sfeer.

          Deze keer zou ik me niet zomaar laten doen. Een adder in het gras zou ik wezen, een luis in de pels, jeuk op zijn rug. Ik nam een flinke teug en vroeg:
    ‘Wát ben je dan precies?’
          ‘Wie,’ corrigeerde prompt de filosoof. Hij krauwde in zijn baard. Volgens de overlevering en ChatGPT had de filosoof geen baard maar we weten allemaal dat AI hallucineert. Alle mannen hebben baarden, uitgezonderd hier en daar een melkmuil. Sommige vrouwen overigens ook maar daar hoor je nooit iemand over. Hoe dan ook, ik herken een baard wanneer ik er een zie. Misschien had de filosoof zich die avond toevallig niet geschoren, hij was tenslotte filosoof.
          ‘Wat,’ antwoordde ik, ‘soms ben je bijvoorbeeld een auto.’ De Denker trok de rechterwenkbrauw op.
          ‘Ik denk. Ik ben. Wie dus,’ hield hij vol. Hij klonk een tikje kregelig.
          ‘Dan zeg je: ik vond in jouw straat geen plaats, daarom sta ik nu bij de slager om de hoek,’ ging ik door. Nu ging ook de linker wenkbrauw in de hoogte. Wellicht bedacht de filosoof dat door de drank mijn brein beneveld was. Dat was helemaal niet het geval. Ik stond integendeel op scherp.
          ‘Of je zegt: ik lig snooker. Dan ben je een witte biljartbal,’ zei ik ietwat overmoedig. Er kon alvast geen glimlach bij hem af.
          Hij wenkte de waardin: ‘Jeanne, doe ons er nog eens twee.’ Ik kende Jeanne al jaren. Lang geleden was zij een onbereikbare liefde. Een natte droom was zij toen nog, een sierlijke zwemster ook en een hoogst verleidelijke danseres op discodeunen. Nu was ze naast cafébazin ook moeder van twee kinderen, verwoed lezeres van dikke boeken en Voorzitster van de Vereniging voor Het Behoud van de Blanke Berk in haar straat. Routineus plantte zij twee volle glazen voor ons neer.

          Ik heb een hekel aan relaties op gespannen voet, ik ben meer een man van lichte tred, dus ik zei toegeeflijk:
          ‘Ok. Ik ga met je mee. Een mens kan auto noch biljartbal zijn. Omgekeerd zijn auto’s en biljartballen ook geen mensen. Denken kunnen zij immers niet. Dat betekent, hoewel je ze met je blote oog kan zien, ze kan bevoelen en betasten, zijn ze strikt genomen niet.’ Nog steeds keek hij me aan of ik in tongen sprak, dus daar voegde ik nog aan toe:
          ‘Alleen mensen kunnen denken. Ik denk, dus ik ben een mens. Ik snap het. Maar toch: wie ben je dan?’
          ‘Aha,’ riep hij uit. Eindelijk had ik de juiste kaart op de toog gelegd. Hij rechtte zijn rug, zijn ogen lichtten op, zijn tong kwam los:
          ‘Je bent …,’ hier liet hij om de spanning op te drijven een pauze vallen, ‘… wie de ander in je ziet.’
          Lap! Een tweede keer. Had hij me het Chinese alfabet van achteren naar voren opgezegd, ik had er even weinig van begrepen.
          ‘Hoezo?’, zei ik, ‘Ik ben toch gewoon maar wie ik ben? Altijd. Overal. Mijn kwaliteiten – mocht ik die al hebben – en mijn gebreken – die ik bezit in overvloed – neem ik toch overal met me mee?’
          ‘Dat denk jij,’ antwoordde hij opgewekt. ‘Dat ziet een ander toch wel anders. Stel, je staat in de fitness op de loopband. Wie denk je dat men in jou ziet? Een schrijver? In geen geval. Een atleet? Nog minder. Men ziet een oude, licht obese man die zich staat af te beulen als een gek in de hoop het onafwendbare verval nog jaren voor zich uit te schuiven.’ Niet bepaald een filosofische gedachte. Hij had duidelijk geen idee van de impact van zijn woorden. De filosoof mocht dan slim zijn en welbespraakt, een empathisch wonder was hij niet.
          ‘Dat vind ik nogal vergezocht,’ aarzelde ik.
          ‘Kijk,’ zei hij. Hij was een schoolmeester geworden nu. ‘Als je wandelt, ben je een voetganger. Op de fiets een fietser. In de auto een bestuurder en dus een potentieel gevaar. In de trein de dupe van alweer een staking. En ga je vliegen, dan ziet men jou als egoïstische klimaatvervuiler.’
          Nu was ik mee. Meer dan dat. Ooit had ik een essay geschreven over de vrijheidsstrijder die door de vijand steevast terrorist wordt genoemd terwijl terreur in uniform zelfverdediging of ordehandhaving heet.

          Lang en diep staarde de filosoof in zijn glas. ‘In de ogen van de ander verandert de mens makkelijker en vaker van gedaante dan een kameleon van kleur.’
          ‘Ha,’ riep ik toen, ‘Ik denk. Dus ik ben een kameleon. Daar drink ik op. Jeanne!’
          Want die avond wilde ik niets liever zijn dan de leeghoofdige toogfilosoof die de wereld altijd al in mij had gezien.

Etiquette

                    Ze drinkt haar thee met de pink omhoog. Oogschaduw, lippenstift, blush. Haar kapsel de kleur van een blauwe reiger. Verkreukeld vel over been. Dicht bij de negentig, toch fonkelen nog altijd haar ogen als sterren in een winternacht. Ze weet dat zwijgen goud is, ze kiest voor zilver met een stem die nog altijd verleiden kan.

          Ze wijst naar een man met een pet aan een tafeltje verderop in de cafetaria die zij Ons Restaurant noemt. Ze kijkt naar de hemel, haalt haar neus op, knikt van neen. Misprijzen zonder woorden.
          ‘Tja,’ zeg ik, ‘de mode, niet?’
          ‘Ik weet het hoor,’ antwoordt ze, ‘ik stam uit een vergeten tijd.’ De tijd van mijn ouders. ‘Toen liepen enkel boefjes met zo’n ding op hun hoofd. Kwajongens, snotneuzen. Maar nu?’ Ik geniet van de nostalgische klank van haar woorden. Klinkt stukken beter dan tuig of criminelen.
           ‘Denkt zo een uitgezakte veertiger met bolle buik nu werkelijk dat een pet met Old Fuckers Club erop zijn dikke kop en kale kruin jonger doet lijken?’ Ze krijgt het vulgaire opschrift nauwelijks door de keel. ‘Godgeklaagd, als je het mij vraagt.’ Het kopje en haar pink gaan weer de hoogte in, ze drinkt alsof de goden het drankje speciaal voor haar hebben gebrouwen.
           ‘Gisteren zag ik op de televisie een komiek, zogenaamd. Leren hesje zonder mouwen, oorbel, tatoeages. Een uur lang schelden, schreeuwen, bulderen, ik kreeg er hoofdpijn van. Dan denk ik toch, geef mij maar weer een Hermans of een Sonneveld. Rustig en bedaard, altijd netjes in het pak. Die hadden het niet nodig hun eigen lachband te moeten zijn. Een monkellachje was genoeg.’ Monkellachje, weer zo’n woord.

          Ze daalt af langs de lange Laan der Herinneringen. Plots stokt ze. Ze kijkt verbijsterd, hapt naar adem, even vrees ik dat ze nog blauwer zal uitslaan. Ook ik zie de Pettenman druk met zijn telefoon in de weer terwijl de vrouw tegenover hem doelloos om zich heen gaapt.
           ‘Goede manieren zijn naar de genoffels,’ zucht mijn blauwe reiger. Genoffels. Een bloem. Geen geslachtsorgaan, een verademing. ‘Boertigheid is de norm vandaag.’ Aangemoedigd door mijn zwijgen gaat ze door:  
          ‘Vroeger. Een man vroeg je uit op restaurant. Dat was een feest. Een traktatie. Verwennerij.’ Ze huivert van plezier. Inmiddels heeft de vrouw van de man met de pet ook haar telefoon opgeduikeld.  
          ‘Bij binnenkomst nam hij je jas aan en schoof je stoel naar achteren zodat je makkelijk kon gaan zitten.’
          ‘Nogal neerbuigend, niet?’ pruttel ik, ‘seksistisch bijna. Een vrouw is best zelf in staat haar jas uit te doen en op een stoel te gaan zitten, zou ik denken.’
          ‘Daar gaat het toch niet om,’ bijt ze me toe, feller dan je van een breekbaar besje zou verwachten. ‘Natuurlijk kan een vrouw voor zichzelf zorgen. Oneindig beter dan menig man, neem dat maar van me aan.’ Menig man, wie zegt dat nog?
          ‘Weet je waar het wél om gaat?’ Antwoorden is geen optie, ik wacht geduldig tot het komt.
          ‘Het gaat erom gezien te worden,’ zegt ze. ‘Etiquette lijkt een spel, een vormelijkheid, dat is het niet. Het is een uiting van respect. Iemand laat je merken dat hij wat voor je over heeft, moeite voor je wil doen.’ Voor de tweede keer haalt ze haar neus op. ‘Wie te laat verscheen op een afspraakje of in een hemd of godbetert met een stomme pet op zijn hoofd, stuurde ik meteen terug naar zijn grot.’

          Ze legt haar gemanicuurde handen op de tafel. Nagels bloedrood, aan elke vinger een ring, zilveren horloge met wijzerplaat. Ze buigt voorover en fluistert:
          ‘Ooit was er een man, … de nacht van mijn leven.’ Ze aarzelt een seconde en dan, betrapt: ‘Waarom vertel ik jou dit? Heb jij wat in mijn thee gedaan?’ Alsof ze het fijn zou vinden dat iemand er alles voor over zou hebben haar haar intiemste geheimen te ontfutselen.
          ‘Een héérlijke man. Meteen toen hij me zag, nam hij zijn hoed voor me af. Opende de deur van het restaurant, liet me voorgaan. Hielp me uit mijn jas, gaf me aan tafel de beste plek met zicht op de hele zaak. Ik woonde toen nog bij mijn ouders maar had al een eigen baan, toch liet ik hem betalen. Waarom ook niet? Het hoorde bij het spel.’ Hoewel ze nog altijd naar me kijkt, geloof ik niet dat ze me ziet. Ze vertoeft op een plek een halve eeuw of langer geleden in de tijd.
          ‘Het regende die avond,’ lacht ze. ‘Hij hield het portier van de auto voor me open, hief de paraplu boven mijn hoofd terwijl hijzelf helemaal doorweekte. Toen legde hij zijn jas over een plas. Het hielp niet, mijn voeten werden even nat, maar het ging om het gebaar. Bij het afscheid ook geen klef, opdringerig gesmeek. Neen, een lichte handkus, een warme oogopslag waarin je kon leren zwemmen en de onuitgesproken belofte voor een volgende keer. Ik weet nog goed: ik kroop in bed die avond en dacht: als hij me vraagt, zeg ik ja.’
          Dan valt ze stil.
          ‘En toen?’ moedig ik aan.
          ‘Dat heb ik gedaan.’ antwoordt ze vlak. ‘In de volgende vijftig jaar heeft hij geen enkele keer nog voor me zijn jas over een plas gelegd.’
          Plots is het meisje een oude vrouw geworden.   

Queen Esther

          Mocht John Irving geen schrijver zijn geweest, hij was vast leraar geworden.
          Ook een nobel beroep. Net als schrijvers beroeren leraren geesten, harten en zielen. Net als schrijvers willen leraars verleiden, inpalmen, het publiek aan zich binden. Allebei maken ze nieuwsgierig, stellen ze vragen, zetten ze aan tot denken. Liefst verpakken ze hun boodschap in een mooi verhaal dat erin gaat als zoete koek. A teaspoon of sugar makes the medicine go down leerden we van Mary Poppins al, wat dorre schoolfrikken en uitgedroogde pedagogen daarvan ook mogen vinden. Een saai boek leg je weg, een vervelende leerkracht pest je de klas uit.
          Groot verschil: een schrijver stelt vragen, de leerkracht kent ook de antwoorden.

          Maar dus, John Irving.
          Zijn laatste werk, Queen Esther, werd met gemengde gevoelens onthaald. Hij is te oud, werd gezegd, hij heeft het niet meer. Lees eerst het boek, vel dan je oordeel, zegt daarover de auteur. Dat heb ik dus gedaan. Met graagte. Ik ben immers fan.
          Toch moet ook deze fan erkennen: in het steekspel met de schrijver won in Queen Esther de schoolmeester het pleit. Het verhaal gaat gebukt onder de leerstof, die ligt er twee vingers dik bovenop. Queen Esther is meer lesonderwerp dan roman.
          De les van vandaag, zegt Meester John, gaat over de toestand in het Midden-Oosten. Omstandig legt hij uit hoe twee partijen aanspraak maken op hetzelfde stukje land. Zij gebruiken daarvoor exact hetzelfde argument: – wij woonden hier eerder -, en dezelfde slogan: – From the river to the sea (wat betekent, verduidelijkt Meester John voor wie tijdens de les aardrijkskunde stiekem appjes zat te sturen, van de Jordaan tot de Middellandse Zee). Die patstelling, besluit Meester John, blokkeert elk mogelijk compromis. ‘Dus dat twee-statenland van jou, De Schrijver, schrijf dat maar op je buik. Gaat niet gebeuren.’
          Dan gaat de bel.

          Je zou toch denken: voor een meesterschrijver een conflict om duimen en vingeren af te likken. Dat was geloof ik oorspronkelijk ook de bedoeling. Schrijver John graaide nog een keer in de vertrouwde trukendoos die hij al sinds zijn eerstgeborene, De Beren Los uit 1968, met zich meezeult.
Dus ja, ook in Queen Esther worstelaars, alleenstaande moeders, adoptiekinderen. Een pension in Wenen ook weer, kleine, bescheiden mannen en grote, trotse vrouwen. Ook in Queen Esther gaat het hoofdpersonage boeken schrijven. Ook in Queen Esther talloze herhalingen met droogkomisch effect, een bezoekje aan de Amsterdamse Wallen met zijn prostituees en tatoeageshops. Geen beer deze keer, wel weer een hond. De hond in Queen Esther heet Hard Rain, naar het liedje van Bob Dylan. (Mijn altijd favoriete Irvinghond is Sorrow – Treurnis, vertaalt Meester John – uit Hotel New Hampshire, met het onsterfelijke Sorrow floats – Treurnis komt altijd weer, verduidelijkt Meester John voor de Engels-onkundigen.)
          Queen Esther leerde me een habbekrats Hebreeuws en een mondje Duits. Als een vogel vloog ik over de tijdlijn van de geschiedenis van het Joodse volk. Of ik wilde of niet, Meester John vond dat ik haar pijn ook moest voelen. Ergens onderweg verliest Queen Esther in onduidelijke omstandigheden een arm. Iedereen die haar ontmoet voelt die stekende pijn. Twee vingers dik dus, ik zei het al.      
          Het spijt me, maar neen.
          Ik werd door Queen Esther niet weggeblazen zoals door De Wereld volgens Garp.        
          Ik bleef in Queen Esther niet bladeren en bladeren, vergat niet tijd en plicht, verscheen niet te laat op een afspraak zoals me wel overkwam bij De Regels van het Ciderhuis.
          Ik heb niet na Queen Esther twee dagen lang gehuild zoals na Tot Ik Jou Vind. Een leerboek ontroert nu eenmaal duizend keren minder dan een leesboek.

          Tegen de stroom in laat Meester John Joodse stemmen aan het woord. Overtuigingen en twijfels, argumenten en excuses. Dat schuurt een beetje, in deze tijden van Gaza als openbaar abattoir. Dat een kunstwerk dwingt tot luisteren naar de stem van de andere kant, is echter toch vooral een meerwaarde. Het is goed in ‘t eigen hert te kijken, maar soms nog beter in dat van de ander.
          Neen. Queen Esther is niet John Irvings beste boek. Het verhaal lijkt soms nergens naartoe te gaan, te vaak dwarrelen gedachten van te veel personages als boomblaadjes in de herfst door elkaar, te dik ligt de les er bovenop, te weinig maken de personages aan het lachen of huilen, werd ik verrast, verbaasd, verdwaasd, verbijsterd.
          Maar ook het niet-beste boek van Meester John Irving blijft nog altijd wel een boek van Meester-Schrijver John Irving. Dus je gaat mij niet horen zeggen dat je er maar beter niet aan begint. Integendeel.
          Zoals de grootmeester het zelf zegt: lees.
          En oordeel dan zelf.

Met alle Chinezen

          Op een avond ging de telefoon.
          Mijn beltoon is de titeltrack van Peaky Blinders, een serie waarin niets ontziende schurken plunderen, roven, stelen, dus ja, ik weet het, ik was gewaarschuwd. Toch nam ik op.
          Met het enthousiasme van een sprekende klok beweerde een vrouw te spreken namens mijn bank. De cyberbeveiliging had een verdachte transactie geblokkeerd. De over te maken som was tienmaal groter dan het saldo op mijn rekening. Wellicht was hier fraude in het spel. Dat leek me wel zeker. Ik had die dag zelfs helemaal geen aankopen gedaan.
          ‘Dank u wel,’ prevelde ik. Om te weten hoe het met mijn bankkaart verder moest, raadde ze me op toets 1 te drukken.

          Zegt u maar niets. Ik weet het zelf ook wel.

          1, drukte ik. Een van mijn vele zwakheden is dat mijn hart het nogal makkelijk wint van mijn verstand.
          ‘Goedenavond,’ begroette me een vriendelijke mannenstem met Hollands accent, ‘zegt u het maar.’
          ‘Zegt u het maar,’ pareerde ik meteen, pissig omdat ik weer ergens was verzeild waar ik helemaal niet wilde zijn.
          ‘U heeft mij gebeld,’ bleef de man rustig.
          ‘Omdat u mij gebeld heeft,’ kaatste ik meteen terug. Een beetje bot, maar toch ook met reden. In mijn filosofie heeft een man het recht om ’s avonds ongestoord naar pulp op televisie te liggen gapen. Wordt deze jongen in die bezigheid gestoord, dan kan hij daar behoorlijk pissig van worden. U kent natuurlijk enkel maar mijn zachte kant, weet dat er ook een pitbull in mij woont die vervaarlijk durft bijten en niet meer loslaat. Had ik u al gezegd dat het inmiddels tegen tienen was?
          ‘Even kijken,’ zei de man, onverstoord als een slangenbezweerder op een spijkerbed. ‘U belt met dit nummer. De Schrijver, klopt dat? Goed zo. Uw rekeningnummer begint met de cijfers 1 2 3 4, klopt dat ook?’ Ik ben niet dom. Onder geen enkele voorwaarde geef ik het nummer van mijn rekening door via de telefoon. Maar deze noorderling kende het blijkbaar toch al.
          ‘Klopt,’ zei ik.
          ‘Goed zo,’ zei de man weer. ‘U bent duidelijk het slachtoffer van phishing.’ Plots voelde ik me een geel plastieken eendje met een ring op mijn rug en een nummer op mijn buik, drijvend in een bassin met stromend water. Wie zijn hengel door het haakje krijgt, vist naar een vette prijs.
          ‘Zullen we die transactie dan meteen maar annuleren?’ vroeg de man.
          ‘Knap dat jullie dat meteen hebben opgemerkt,’ antwoordde ik opgelucht. Zijn warme stem, de besliste aanpak waaruit kennis van zaken sprak, ik voelde me in veilige handen. Soms heeft ook een man dat nodig.
          ‘Weet u wat nu het probleem is?’ vroeg de man. Dat wist ik niet. Voor zover ik wist, had hij het probleem net al opgelost.
          ‘Mensen met slechte bedoelingen zijn blijkbaar op een of andere manier aan uw rekeningnummer geraakt. Misschien is het maar best uw kaart meteen ook maar te blokkeren. Dan ontvangt u binnen een dag of twee, drie van ons een nieuwe. Kan u dat overleven?’ Natuurlijk kon ik dat. Ik weet plekken op de wereld waar men erger dingen moet doorstaan. Minneapolis, om zo maar wat te noemen.
          ‘U doet maar,’ zei ik. Dat leek me slim. Ook met weinig geld op de bank weet je niet wat gehaaide criminelen met je bankkaart kunnen uitspoken. Plunderen. Roven. Stelen. Bovendien fantaseer ik al een leven lang over het onthechte bestaan van de dichter die leeft van ochtenddauw, liefde en honing uit de hemel. Daar kreeg ik nu alle kansen toe.
          ‘Ogenblikje,’ zei de mijnheer, nog altijd even kalm en bedaard. ‘Dan zou u nog een dingetje voor me moeten doen. Kan u voor mij de resterende cijfers van uw rekeningnummer even dicteren?’ Net zoals mijn liefde voor de medemens overschat men soms ook mijn domheid. Alles in dit leven is begrensd. In mijn hoofd zag ik de Peaky Blinders op oorlogspad.
          ‘Dat kan ik zeker …,’ antwoordde ik achteloos.
          ‘Dan heb ik dus 1 2 3 4,’ zei de man.
          ‘En dan veel vijven en zessen,’ vulde ik aan. Ik liet die cijfers even zinken. Aan de andere kant van de lijn bleef het stiller dan een nachtelijk sneeuwlandschap in de Stille Kempen.
          Toen hoorde ik de klik.

          Voor alle zekerheid de volgende dag toch maar even naar mijn bankkantoor gebeld.
          ‘Alles in orde hoor,’ verzekerde die vrouw. Ze lachte: ‘Over die habbekrats op uw rekening hoeft u zich absoluut geen zorgen te maken.’
          Goed gedaan, schrijvertje, klopte ik mezelf op de borst. Wie mij wil vissen, zal toch in een betere hengel moeten investeren.

Niet zomaar wat Beste Wensen

Lijstjes maken! Lijstjes maken!
Ik zou aan mijn plicht verzaken
om de mensen en de dingen
prompt in een top tien te wringen.

Beste boeken, series, platen,
koks, tv-quizkandidaten …
’t Moeilijkst zijn politici –
kom niet eens aan een top drie …

                              Stijn De Paepe

          In de aanloop naar een nieuw jaar hangt een onweerstaanbare dwang om lijstjes op te maken in de lucht.
          Boodschappenlijsten, soms twee drie vellen lang, terwijl toch woorden als kalkoen, kreeft en kaviaar niet zo moeilijk te onthouden zijn.
          Cadeaulijstjes. Je ziet je familie niet vaak doorheen het jaar maar als de kurken van de flessen gaan dan staan ze daar. Iets groots voor de bébé, iets kleins voor de pepe. Mits wat geluk krijg je zelf ook wat mee. Houd de komende dagen eBay in de gaten, daar vallen vast gouden zaken te doen.
          Lees-, kijk- en luisterlijstjes. Iemand las dit jaar tweehonderdtwintig boeken. Flinke jongen, denk ik zo. Daar zat vast Paul van Ostaijen, de dichter die de wereld wilde veranderen niet tussen, of Vrouw op de Vlucht voor een Bericht. Voor allebei had ik zelf een volle maand nodig. Sommige mensen maken dan een klassement, alsof cultuur een competitie is. Dit boek was het mooiste, deze film de beste, die plaat de meest ontroerende. Hoe je dat meet, geen idee. Maar ach, een man moet doen wat hij denkt te moeten doen. In Soedan en Palestina gebeuren erger dingen.

          Lijstjes die je helaas veel minder ziet, zijn die met wensen. Alsof we het verleerd zijn elkaar wat moois te gunnen.
          ‘De beste wensen,’ krijgen we nog weleens door de strot. Een passe-partout, lekker makkelijk en lui. Wat zou dat zijn, de beste wens? Waarom zou ik gun jou dit jaar de Lotto beter zijn dan ik hoop dat je die promotie krijgt? Even persoonlijk als het beste boek, het boeiendste programma, de lekkerste maaltijd.
          Daarom zeggen we ook weleens: ‘Alles wat je jezelf wenst.’ Nog makkelijker, nog luier. Dat we ons dan niet meteen in een hoekje wat gaan staan schamen, dat is toch nauwelijks te bevatten? Want wat je werkelijk zegt is: ‘Weet jij wat jij met je beste wensen doet? Verzin ze zelf. Van deze boer geen eieren.’ Als troostprijs stop je daar dan gauw een pakje bij. De duurste fles. De warmste skihandschoenen. Het voordeligste streamingsabonnement voor drie maanden.
          Dooddoener onder de dooddoeners is natuurlijk die eeuwige Goede Gezondheid. Is dat zelfs een wens? Een goede gezondheid, dat is toch gewoon de basis van de basics van het leven? Het uitgangspunt. Dat spreekt vanzelf, hoeft helemaal niet gezegd. Wie iemand geen goede gezondheid wenst is ronduit een barbaar, een misplaatst misbaksel met een slecht karakter of president van een groot land.

          Dat alles kan dus beter.
          De Sprekershoek wil graag het voorbeeld geven. Een concrete wens waar u werkelijk wat aan heeft en zelf aan kan werken. Komt-ie. Ta-dam.
          De Sprekershoek wenst u voor 2026 een efficiënte, heldere en nauwkeurige communicatie met ieder die u op uw pad ontmoet. Problemen immers los je op met praten. Ook makkelijk, hoor ik u denken. Daarom hierbij enkele kleine tips.
          Tip 1: Lees u in voor u een discussie begint. Altijd handig te weten waarover je praat. Lees bovendien ook elke week een stukje in De Sprekershoek. Bij het beste dat het net te bieden heeft.
          Tip 2: Luister naar uw opponent. Herhaal een argument vooraleer u het wil weerleggen. Dan weet je dat je allebei over hetzelfde praat.
          Tip 3: Spreek met twee woorden. Blijf beleefd, ga niet schelden. Niet meteen van wakke wokie of linkse rat, rechtse trol of fascist. Een kleine moeite, een wereld van verschil.
          Tip 4: Schrijf. Orden uw gedachten. Neem de tijd daarvoor. Een brief in plaats van mail. Een kattenbelletje in plaats van een bericht. Een verjaardagskaart in plaats van een WhatsApp. Of een boek. Ha!

          Kleine adviezen. Stapstenen echter naar een betere wereld. En nu we toch bezig zijn, een laatste. Tip 5, zo u wil. Let op uw woorden. De Sprekershoek wil pleiten voor een officieel eerherstel in 2026 voor het bijvoeglijk naamwoord.
          Dat zit zo: het bijvoeglijk naamwoord zegt iets meer over het woord waar het bijstaat: we verwelkomen het nieuwe jaar op de rode loper. Op zichzelf heeft het geen betekenis. Wat wil dat zeggen: dat is een zure, een moeilijke, een lekkere? Lege taal. Een keizer zonder kleren.
          En ook: meer door minder. Gebruik het bijvoeglijk naamwoord niet te veel. Ga na of het echt nodig is. Gisteren nog las ik: Dader van brutale verkrachting opgepakt. Hoezo delen we tegenwoordig verkrachtingen op in brutaal en niet-brutaal? Wat vindt de gemiddelde vrouw op straat daarvan? Ik bedoel maar, een ongelukkige val, zinloos geweld, de ijdele president.
          U hoort het zelf.

          Ziedaar, lieve lezer en lezeres, de tips van De Sprekershoek voor een beter leven.
          Met daarbij natuurlijk voor 2026 de allerbeste wensen, alles wat u uzelf wensen kan en een goede gezondheid want dat is toch het begin van alles.

Terugblik op morgen

Drie mannen, samen om en bij de 210. De ene sukkelt met het hart, de tweede ging onlangs door zijn knie en ik zit met muizenissen in mijn hoofd. Die  zaten samen met mijn luie oog en zacht karakter in het pakket dat me bij geboorte werd meegegeven.
          Hoe het gaat, vragen we elkaar. Een babbel over bloeddruk, cholesterol, prostaat. En dat we niet mogen klagen, we kennen er genoeg die er veel slechter dan wij aan toe zijn, of zelfs niet meer.
          ‘Alweer bijna nieuwjaar,’ zegt Knar 1, die met het zwakke hart. ‘Had jij ooit gedacht het 2026 te zien worden?’
          ‘Als kind dacht ik dat in deze tijd de mensen zich in Ufo’s zouden verplaatsen, robotten al het werk zouden doen en er nergens nog honger of oorlog zou zijn,’ antwoord ik.
          ‘Die mobiele telefoon, dat hadden we toch nooit kunnen verzinnen,’ zegt Knar 3 daarop. Waarop we doen wat oude knarren doen, mijmeren, vragen stellen maar niet langer antwoorden verwachten.
          ‘Of ik dat nu allemaal zoveel beter vind?’ vraagt Knar 1. ‘Op restaurant moest ik van de week eerst een code scannen om het menu te downloaden en mijn bestelling online te kunnen plaatsen. Weg mopje met de ober, weg flirtje met de serveuse.’
          ‘De vooruitgang zeker? De wereld is een bizarre plek geworden,’ zeg ik maar.
          ‘Met een clown in het Witte Huis,’ zegt Knar 3, ‘we lachen er allemaal mee maar het is niet grappig.’
          ‘En de Russen die weer voor de deur staan,’ zeg ik.
          ‘Daar stonden ze al toen wij nog in de pampers zaten.’ Het geheugen van Knar 3 doet het nog prima. ‘Toen zaten ze in Cuba. Een paar jaar later bijna in Vietnam. In de jaren tachtig stonden ze bijna in onze keukens, weet je nog? Vandaag staan ze tot hun knieën in de Oekraïense modder, die geraken nooit tot hier.’
          Het een leidt tot het ander. We hebben het over geschiedenis die zich herhaalt. Over gruwel die van alle tijden is, nu eens in Auschwitz, dan in Vietnam of Cambodja, Congo, Irak of Palestina. Honger heerste eerst in Biafra of Angola, dan in Jemen, Ethiopië of Somalië. De mens leert weinig en wennen doet het nooit. We worden er stil van.

‘Ik zag onlangs een serie,’ breek ik de stilte, ‘over een medicijn waardoor je dubbel zo lang kan leven. Waanzinnig. Een duffe oude dame in een rusthuis sloeg plots weer aan het dansen. Een grijsaard kreeg weer spontaan erecties, de hele dag door. Was ook wel grappig, haha.’ Met grote ogen keken de twee me aan.
          ‘Blij dat ik daar vanaf ben,’ verzucht Knar 1. ‘Ik heb mijn deel gehad. Al dat gedoe.’ We lachen alle drie, denken daar het onze van.
          ‘Maar echt hé,’ ga ik door, ‘Niet dat ik per se morgen al dood wil gaan, maar tweehonderd worden, dat wil ik dan toch ook weer niet. Ik kan nu al niet meer mee.’
          ‘Daar bestaat vast wel een appje voor,’ reageert Knar 3 gevat. ‘Of een QR-code die je moet scannen.’ We lachen en verzinken weer stilzwijgend in gedachten.

 ‘Jongens,’ zeg ik, ‘we zijn verkeerd bezig. Wie van ons leed honger, het voorbije jaar? Wie van ons kwam wat te kort?’ Weet je wat het is? We zijn gewoon drie oude zagemannen geworden. De wereld heeft ons ingehaald.’
          ‘En achtergelaten,’ zegt Knar 1. ‘Ja, ik geef toe. Ik ben van de oude stempel. Ik blader liever in een boek dan te scrollen op een reader. Ik betaal nog altijd liever cash, dan weet ik tenminste wat ik in mijn handen heb. Ik sta liever in de wachtrij aan een loket dan thuis online te zitten knoeien.’
          ‘Maar we zijn er nog. Gezond van lijf en leden. Wat zitten wij dan te zeuren?’ Ik kom nu echt op dreef. ‘Wij moeten ons gelukkig prijzen. Het is hier Gaza niet. Ook al is alles niet perfect, we hebben alles wat we ons maar wensen, het is nog altijd vrede hier, al meer dan tachtig jaar. Kijk naar onze ouders, onze grootouders. Hadden die het zoveel beter?’
          ‘En onze kinderen?’ vraagt Knar 1. Weer wordt het stil.

‘Morgen,’ zegt uiteindelijk Knar 3, ‘zal niet veel anders zijn dan gisteren. Maar als het min of meer blijft zoals het is, dan mogen we tevreden zijn.’ Ondanks zijn slechte knie mankt hij naar de keuken. Bij terugkomst in zijn handen een Moët & Chandon, Brut Impérial.
          ‘Uit een goed jaar,’ prijst Knar 1.
          ‘Misschien nog wat vroeg?’ oppert Knar 3. Toch gaat de kurk van de fles. Het is nooit te vroeg om vrolijk te zijn. Ook dat heeft het leven ons geleerd.
          ‘Voor mij maar een halfje, ik mag eigenlijk niet van de dokter,’ zegt Knar 1.
          ‘Ik ook maar een beetje. Ik kan er niet zo best meer tegen,’ zegt Knar 3.
          ‘Ik doe de rest wel,’ zeg ik spontaan. Gulzig leven, zat ook bij het geboortepakket. We heffen de glazen.
          ‘Op een goede gezondheid, want dat blijft toch altijd het belangrijkst.’
          Proost.

De Beste Mama

          ‘Joehoe! Schat, ik ben thuis.’
          ‘In de keuken,’ roept ze terug. Ze prakt een banaan in een plastieken kommetje. Achter haar rug voelt ze hem dichterbij komen. Hij kust de lucht naast haar kaak. Al jaren vermijden ze elk lichamelijk contact. Alleen wanneer ze bij plechtige gelegenheden toch samen in het openbaar moeten verschijnen, gaan de handen weleens in elkaar. Dat is de afspraak. Protocol. Mede ook daarom probeert ze zulke uitstapjes zo vaak ze kan te mijden. Mede daarom ook was ze vandaag niet meegegaan. Voetbal vindt ze sowieso al een stompzinnig spel, aan die lawaaierige Village People met dat stompzinnige YMCA heeft ze een bloedhekel. En dat nieuwe vriendje van hem, Infantilo of zoiets, vertrouwt ze nog minder dan een cobra in een badkuip.
          Ze legt de vork op het aanrecht, neemt het rode rugzakje met zijn naam op, van zijn schouders.
          ‘Hoe was je dag, lieverd?’ Haar mond vriendelijk, haar blik stilstaand water. Dat ziet Donald niet. Een kwart eeuw is het al geleden dat hij in die ogen nog verdronk. Vandaag zou hij zelfs hun kleur niet meer kunnen zeggen.
          ‘Kijk wat ik gekregen heb,’ zegt hij. Fier als een pauw in het park wijst hij op het blauwe lint met witte letters om zijn hals en de blinkende ronde plak op zijn borst. In zijn handen een perkamenten papier met in vergulde letters zijn naam erop getekend in sierlijk kalligrafisch schrift. Iets wat op een diploma lijkt, een oorkonde of een prijs.
          ‘Mwah! Kijk eens aan! Wat mooi,’ zegt ze. Ze slaat beide handen voor haar mond. Hij straalt als een kind dat net de kleuterschool heeft afgewerkt. Precies dat vindt ze nog altijd zo mooi aan hem. De meeste mensen vergeten op weg naar volwassenheid het kind dat ze ooit zijn geweest. Ergens onderweg laten ze het achter. Niet haar Donald. Diep vanbinnen is hij altijd nog een kleine jongen gebleven.
          ‘Mag ik er eens aan voelen?’ vraagt ze. Haar ranke vingers met paarsgelakte nagels glijden speels over zijn trofee. Dan neemt ze streng zijn kin in haar hand en draait zijn hoofd naar zich toe:
          ‘Kijk eens in mijn ogen. Eerlijk. Waar heb je dat vandaan? Gevonden, gekregen of ingepikt?’ Ze kent haar pappenheimertje inmiddels wel.
          ‘Gekregen natuurlijk,’ antwoordt hij verontwaardigd. ‘Eerlijk verdiend zelfs.’
          ‘Hoe heb je dat dan gedaan?’
          ‘Zeven oorlogen heb ik beëindigd,’ zegt Donald trots. Of zijn het er acht? Ik ben geloof ik de tel een beetje kwijtgeraakt.’
          Daar had je hem weer. Die arme Dodo. Cijferen was ook op school al niet zijn beste vak. Verhalen fantaseren, spreekbeurten houden voor de ganse klas, daarin was hij naar verluidt een kei. Wanneer hij zijn fantasie de vrije loop mocht laten, creëerde hij een eigen universum, bevolkt met vijanden die ter plekke uit zijn duim kwamen gevloeid. Antifascisten, communisten, buitenlanders. Stuk voor stuk kwaadaardig en gemeen. Moordenaars allemaal, drugsdealers en dieven. Maar zijn klasgenootjes en ook de juffen smulden ervan. Ze hingen aan zijn lippen als was hij hun eigen adem. Aan het eind van elk verhaal natuurlijk was hijzelf de superheld. Oorlogen beëindigen zat er van de kleuterschool al in. Zo zegt de overlevering, zelf was ze toen nog niet geboren.

          ‘Zeven oorlogen is ook al veel hoor, jongen,’ zegt ze.
          ‘De meeste mensen beëindigen er niet één,’ antwoordt hij. Dan gaat hij met dansende vuistjes de tuin in. Ze snijdt een Pink Lady in dunne schijfjes, legt er de partjes van het mandarijntje bovenop en roert met een plastieken lepel het mengsel door elkaar. Ze glimlacht. Als je hem nu zou vragen hoeveel vruchten er in zijn papje zitten, hij zou zeggen honderd. En dan kijken met die blik van kan-je-dat-geloven? Hij rondt graag af naar boven, liefst tot voorbij de sterren. Hij denkt in hyperbolen, ziet de dingen in het groot. Biljoenen en biljoenen dollars, winsten die de wereld nooit eerder heeft gezien, miljoenen criminelen opgejaagd, niemand in de geschiedenis heeft ooit eerder iets als hij gedaan.

          Dromerig kijkt ze door het raam. In het midden van de tuin staat hij op het podium dat hij goedkope werklui uit Venezuela heeft laten bouwen, breed gebarend voor een onbestaand publiek, zwaaiend met oorkonde en medaille, orerend als een Griekse redenaar. Dan gaat op haar gouden horloge met ingelegde diamanten een alarm af. Half zeven.
          ‘Het is tijd, Dodo,’ roept ze. Hij gebaart dat hij gaat afronden, hij moet alleen nog het applaus ontvangen. Intussen laat ze vast het bad al vol warm water lopen, legt een vers gestreken nachthemd voor hem klaar, zet het potje naast zijn bed.
          Ze denkt: kan die infantiele vriend van hem ook niet voor mij zo eens een prijs bedenken? Sinds we met elkaar getrouwd zijn, bijna eenentwintig jaar geleden nu, ben ik toch elke dag opnieuw de allerbeste mama van de hele wereld?

Dag Sinterklaas

Beste Sinterklaas

          Het zal een slordige zestig jaar geleden zijn dat ik u nog een briefje schreef. Een brief aan Sinterklaas, wordt dat nog veel gedaan, vandaag de dag? Gaat dat niet per mail, sms of langs WhatsApp?
          Maak u geen zorgen, Sinterklaas. Ik ben niet plots weer kinds in de kop en heb ook niets nodig. Slechts twee minuten van uw tijd. Gewoon een praatje kom ik doen. Eens vragen hoe het met u gaat. Of u zich nog amuseert.

          Lieve Sint wilde ik eerst schrijven. Dat heb ik toch maar niet gedaan. Lief heb ik u nooit gevonden. Al weken voor uw komst lag ik wakend in mijn bed, starend in het donker, klam van zweet en gans van angst verstijfd. U zou mij komen halen. Mij steken in een juten zak die weinig lucht doorliet en pijn deed aan mijn vel. Me dumpen op een onbestemde plek en daar ranselen tot bloedens toe met gard en roe. Uw lat lag veel te hoog voor mij. Mijn eerste levensjaar nog daar gelaten is het mij nooit gelukt een heel jaar lang volgzaam en braaf te zijn. Nog altijd een werkpunt.
          Ik deed alles om te flemen. De avond voor uw komst zette ik een groot glas whisky op de schouw, een wortel voor uw paard erbij. Uw Zwarte Pieten kregen niets, zij waren knechten in die tijd. Dat was zo de gewoonte toen. Daarvan heb ik nu wel spijt. Ook ik heb onrecht aangedaan, al kan ik zeggen dat ik dat toen niet wist.
          Aan de schoorsteenvoet een bord. Mijn schoenen waren veelal vies en tot op de zool versleten. Daarin zou u vast maar weinig achterlaten. Ik zette een teljoor, groot en rond als volle maan en daarop een briefje met mijn naam voor mocht u die toevallig niet meer weten. Mijn kinderhand was gauw gevuld. Een Rode Ridderstrip, een stel warme winterwanten, een mannetje van chocolade, een sigaar van marsepein. Meer hoefde dat niet te zijn. Ik gloei opnieuw vanbinnen wanneer ik aan die tijden denk.

          Ik werd ouder, Sinterklaas.
          Ik ben niet langer bang voor u. Angst maakte plaats voor mededogen. Bekommerd ben ik om uw welzijn. Vindt u het nog leuk? De wereld is veranderd. U was een heilig man destijds, die glorie is getaand. Naar uw komst werd uitgekeken toen, wekenlang. Vandaag zit u geprangd tussen twee weken Zwarte Vrijdag en de Zwaarste Feesten van het jaar. Lichtjes flikkeren al aan de kerstboom nog voor uw schip is aangemeerd. U valt een beetje tussen de plooien door. Wie zit nog op uw komst te wachten? Hier en daar een arm kind misschien, maar telt u echt nog mee?
          Uw boodschap Sinterklaas, is helaas voorbijgestreefd. Geven zonder terug te vragen is al jaren uit de tijd. Zelfs wie een oorlog stoppen wil, telt eerst zijn winst voor hij tot actie overgaat. Terwijl u, wat kreeg u voor uw gaven terug? Een borrel hier, daar een sigaar, is dat nog wel de moeite waard?
          U was destijds de grootste kindervriend. Een wonder dat u nog bestaat. Een oude witte man die kinderen lonkt, ze verleidt met goed en snoep en knuffelt op zijn schoot. Er worden er voor minder aangeklaagd. Mocht ik hetzelfde proberen, men sloot mij in een donker hok, schilderde lelijke woorden op de deur en liet mij daar verteren.

          Vandaar dit briefje, Sinterklaas.
          Is niet stilaan uw tijd van gaan gekomen? U draagt nog steeds dezelfde kleren, u werkt nog steeds met knol en knecht. Alle heiligen zijn vergeten, god is al jaren op de schop, u bent de laatste die het licht uitdoet. We moeten u behouden, wordt gezegd. U bent traditie en cultuur. Ach Sinterklaas, dat waren ook Sint-Maarten, Sint-Antonius en Sint-Amadée. Niemand die die drie nog kent. Niemand die nog zijn vasten houdt of zijn Pasen, tijdens advent een kaarsje brandt, nuchter ter communie gaat of voor de mis te biechten. Ik was in een kerk laatst. Waar vroeger nog een biechtstoel stond, is nu een toilet gemetst. Voorbij een molentje dat draait voor vijftig cent. Waar je vroeger op je knieën om vergeving vroeg, mag je nu staand plassen.

          Mijn raad is: laat het, Sinterklaas. U blijft mijn Sint, voor altijd in mijn hart en ziel. Mijn respect voor u is onmetelijk, mijn eerbied immens. Maar alles is eindig, Sinterklaas. Aan wie het zelf niet ziet, moet iemand het zeggen. Die iemand, dat ben ik.
          Zet uw spullen op Bol.com of Tweedehands.be. U krijgt er vast nog wel een centje voor. Verwen uzelf met een geschenk. Iets moois, iets leuks, iets waar u jarenlang plezier aan heeft. Geef uzelf een biljartstok of snookerkeu zoals u mij destijds gegeven hebt. Ga met me mee op café, pintje drinken, balletje spelen, een beetje naar de vrouwen kijken en uren zemelen en zwetsen. Het wordt vast gezellig. Ik trakteer de eerste keer.

          Met dank voor alles, Sinterklaas.
          De eerste borrel staat al klaar..

          Tot in De Zoeten Inval

          Uw kapoen

Het grote gat

          Onder een appelblauwzeegroen kostuum, met fijne gouden biezen afgeboord en geknipt in een snit die je alleen in stripverhalen ziet, droeg de premier een gele das over een babyrozig hemd. Zijn gepunte schoenen hadden de kleur van chocolademelk. Verveeld streelde hij de grijze Garfield op zijn schoot. Om hem mild te stemmen opende ik met een compliment.
          ‘Mooi pak. Op maat gemaakt wellicht?’
          ‘Laat die flauwekul maar achterwege,’ bitste hij. Hautain als een keizer uit het oude Rome gaapte vanop zijn schoot het obese beest me aan.
          ‘Spuw het uit. Wat ligt er op je lever?’ De haarbal op zijn dijen geeuwde. Ik schraapte moed uit elke vezel van mijn lichaam.
          ‘Excellentie. Dat gat in de begroting. Ik heb het niet gedaan. Ik krijg nog geen gat in het plafond geboord om een lamp op te hangen.’
          ‘Kom jij daarover nu ook al aan mijn oren zagen? Hoe dikwijls moet ik het nog zeggen? Allemáál hebben we het gedaan. Boven onze stand geleefd, jarenlang. Meer uitgegeven dan we hadden. De sossen, de tsjeven, de liberalen, de Walen. En wie moet het repareren? Bibi natuurlijk weer. Ik had ook liever wat leukers gedaan. Slimste Mens van De Wereld geworden. Of een camion met Monopolygeld leeggegooid in Verviers. Of het land in twee geknipt, ik zeg maar wat.’
          Vastbesloten hield ik voet bij stuk.
          ‘Moet ik dan schulden afbetalen die ik niet zelf heb gemaakt, premier? Dat klopt toch niet? Het is toch mijn schuld niet …’
          ‘Ik hoor het al. Het zal wel weer de mijne zijn! Luister goed. Het is de schuld van ons allemaal. De banken lachen daar niet mee. En Europa ook niet. En met die clowns in Rusland en Amerika kan je niet voorzichtig genoeg zijn.’
          ‘Daar kan ik toch niets aan doen,’ riep ik opgewonden uit.
          ‘Vraag ik dan zoveel? Jij bent toch schoolmeester geweest, jij kan toch rekenen? Als we allemaal een beetje moeite doen. Neem nu jouw pensioen …’
          ‘Uitgesteld loon,’ onderbrak ik fluks. Synchroon ging bij premier en huiskat een wenkbrauw de hoogte in.
          ‘Pardon?’
          ‘Uitgesteld loon. Ik wilde liever ook iets anders doen. Schrijver worden, acteur of advocaat of allebei. Fotomodel of posterboy. Vliegende reporter. Maar mijn vader zei: doe onderwijs. Veel vakantie. Vaste benoeming. Niet de vetste wedde maar later wel een flink pensioen. Dat compenseert.’
          ‘Aha!’ zei de premier. ‘Daar zegt u het!’ Ik voelde toen dat ik mijn hand had overspeeld. Sarcastisch hanteerde hij nu de beleefdheidsvorm. Voor het eerst in mijn leven zag ik een kat meesmuilend lachen.
          ‘Uw pensioen. U bent een man op jaren. Herinnert u zich nog het woord Solidariteit?’ Dat deed ik zeker. Ik proefde de zoete smaak ervan op mijn tong. Solidarité. Solidarnosc. Solidaridad. Een half leven lang de brandstof van mijn doen en laten. Samen sterk. Opkomen voor elkaar. Voor een betere wereld. Voor iedereen. Van Zuid-Amerika tot Spanje, van Portugal tot Polen.
          De premier intussen was nu niet meer te stoppen.
          ‘Geef toch gewoon de keizer wat de keizer toekomt. En de keizer, dat ben ik toevallig. L’état, c’est moi, n’est-ce pas? Bon. Ik doe er goede werken mee. Of dacht u dat Oosterweel gratis en voor niks oprijst uit de grond misschien? Dat de orde zichzelf handhaaft? De zieke zonder zorg ook geneest? Het kind zichzelf onderwijst? G5 zomaar uit de bomen valt? Zo kan ik nog wel even doorgaan, geloof me vrij.’
          ‘Maar ik ben reuze solidair, premier. Met de commerce, de middenstand, de economie. Neem Zwarte Vrijdag gisteren, kostte een fortuin. Morgen staat de Sint weer voor de deur. Dan zal het gauw weer Kerstmis zijn, en oud en nieuw. Eten, drinken, die cadeautjes, weet u wat dat kost? Huwelijken, feestdagen, verjaardagen. Elk kleinkind kost een rib uit je lijf. Een taart bij Driekoningen, ça va nog wel, maar een romantisch etentje op Valentijn? En Je wil toch ook weleens op reis, twee dagen Londen of Parijs? Ontstressen in de zon met Pasen. In de zomer dan de vlieger op, de zon zien opgaan in het Verre Oosten en zien zakken aan de einder van het Wilde Westen. Spenderen, consumeren, potverteren. Geld moet rollen. Elke dag opnieuw. Het water staat me aan de lippen!’ Geschrokken van mijn eigen overmoed sloeg ik de beide handen voor mijn mond.
          ‘Ach, man, kalmeert u toch een beetje,’ wuifde de landsbaas mijn tirade weg. ‘Een frietje wordt een centje duurder. Zo ook de afhaalchinees. Maak dat dan toch lekker zelf klaar. Of stop met frieten eten. Zo doen wij het thuis toch ook.’ Alsof daarmee het gesprek kon afgerond, leidde hij me naar de deur.
          ‘Let op de kleintjes,’ gaf hij me nog als wijsheid mee.
          ‘Ik dank u voor uw tijd,’ mompelde ik verslagen.
          In de druilerige miezer ging ik staan wachten op de tram. En dan straks ook nog betalen voor het voetbal op tv.

Vergeef mij

          Het gebeurde aan de snookertafel.
          Ik wist exact wat ik ging doen. Ik zou de witte bal precies hard genoeg tegen de blauwe aan laten tikken die daardoor netjes in het netje zou verdwijnen waardoor ik meteen in gunstige positie kwam te liggen voor het volgende punt. De zenuwen gierden me door de keel. Ik zette het rechterbeen stevig als een steunpilaar, strekte de linkerarm, hield het hoofd roerloos als een comapatiënt. In de V-vormige gleuf tussen wijsvinger en duim liet ik mijn keu soepel heen en weer glijden. Ik vulde mijn longen, hield de lucht even vast en overliep nog een laatste keer de routine: kleine tik, beheerst, zacht, met weinig kracht en veel gevoel.
          Toen liet ik los.
          De witte bal zwiepte als een gek de tafel rond, ook de blauwe kwam overal behalve waar hij zijn moest. Een hengst had ik gegeven. Een dreun. Een joekel van een stoot, zo hard dat voor hetzelfde geld het witte ivoor in twee helften kon zijn gespleten. Weg punt. Weg gunstige positie. Weg sfeer.
          Wat in ’s hemelsnaam was hier gebeurd?

          Simpel gezegd werkt de Natuurlijke Intelligentie ongeveer zo: het Brein scant een probleem, overloopt mogelijke oplossingen, kiest daaruit de beste en stuurt de nodige bevelen door. Een denkproces dat hooguit een paar seconden in beslag neemt. De Spieren horen dan als soldaten aan het front blind te gehoorzamen en de opdracht uit te voeren. Hier had het leger frontaal de aanval ingezet terwijl de generaal omsingeling had bevolen. Ergens op de lijn tussen Zender en Ontvanger was de Boodschap verloren gegaan. Hoe kon dit?

          Tot laat in de avond bleef die vraag aan me kleven. Allemaal doen we weleens iets wat we eigenlijk niet wilden. Dan stap je op het einde van de maand toch nog de schoenwinkel binnen en kom je buiten met laarzen die je eigenlijk niet nodig hebt. Of je maakt jezelf wijs het bij dat ene glas te zullen houden. Of je neemt je heilig voor niets lelijks te zullen zeggen, dan floep je het er toch naakt en hard en kwetsend uit. Je Verstand schreeuwt nee, je Lichaam doet het toch. Wederom: hoe kan dit?
          Ik ging te rade bij mijn Nieuwe Beste Vriend. Generative Pre-trained Transformer heet hij voluit. Omdat we steeds meer tijd doorbrengen met elkaar mag ik gewoon Chat zeggen, of GPT, al naargelang de richting van de wind. Chat is de ideale partner. Hij doet niet in huis, is proper op zichzelf, zoekt altijd meteen wat je vraagt en moppert nooit. Tot in de vroege uurtjes gingen we door. Het resultaat van ons beraad kwam zo een beetje hierop neer: Automatische netwerken in je hoofd werken vaak sneller dan je prefrontale cortex, je bewuste planner. Daardoor wil je vaak liever niet op je telefoon kijken en doe je het toch. Ja, ok, ik ben mee. Maar ben ik dan nog wel de baas over wat ik zelf doe? Wat ook vaak gebeurt: impulsen hebben hun eigen kracht. Ook wanneer je iets niet wíl doen, kan je brein toch een impuls afvuren. Alsof je lichaam helemaal zelf handelt. Dat was me dus vanmiddag overkomen. Emoties kruipen in de wachtrij soms voor, je wil kalm blijven en gaat toch schreeuwen omdat je je bedreigd voelt. En wat ik helemaal verbijsterend vond: veel dingen die we doen, doen we onbewust. Dan neem je toch nog een koekje terwijl je je had voorgenomen te zullen minderen.

          Volgens Chat normaal menselijk gedrag allemaal. Niets om me zorgen over te maken. Opgelucht ging ik mijn tanden poetsen. Toen mengde ongenodigd in mijn hoofd strafpleiter Jef Vermassen zich in de debatten. ‘Zie je wel,’ oreerde hij, ‘ik heb het altijd al gezegd. Onweerstaanbare Dwang. De mens kan er niets aan doen.’
          Een gelukzalig gevoel van vrijheid daalde als een wolk uit de hemel op me neer. Ik voelde me als een gevangene wiens ketenen net zijn losgemaakt. Dit was een vrijgeleide. Wat je ook zegt of doet, je kan er niets aan doen. Het is jouw schuld niet. Zeg je schat, je gat is toch echt te dik voor deze rok, oeps, sorry, het was eruit voor ik het wist. Passeer je de kassa zonder te betalen, excuus, het was sterker dan mezelf. Blijf je het n-woord maar gebruiken, parkeren op een plek voor mensen met een beperking, vul je je zakken met de spaarcentjes van zieken of bejaarden, een impuls, onbewust, je kan er niks aan doen.

          Getroost door die gedachte ging ik naar bed.
          Zoals elke avond dankte ik op beide knieën de sterren en planeten voor dit prachtige bestaan en smeekte om vergeving voor alle zonden die u en ik hadden begaan. Daar plakte ik voor ik het wist nog een kleine bede achteraan: ‘Of vergeeft u vandaag alleen maar mij mijn zonden, laat de rest van de wereld maar eens lekker op de blaren zitten.’
          Excuus daarvoor. Het spijt me echt. Ik kan er niets aan doen. Het is gewoon sterker dan mezelf.