Een mopje gemaakt

          Het was weer eens de hoogste tijd om een stukje te gaan schrijven. Iets luchtigs liefst, een aardigheidje. Zwaarte biedt de wereld al genoeg. Een hardnekkige lenteblues echter onderdrukte mijn aangeboren gevoel voor vrolijkheid. Waar ik ook zocht in de krochten en plooien van mijn hersenpan, de lachkwab bleef zoek. Toen kreeg ik plots een inval. Een clown, dacht ik. Clowns struikelen over hun te grote schoenen, glijden uit over een bananenschil, vinden het hoedje op hun eigen hoofd niet terug. Clowns zijn altijd om te lachen, al toen ik nog een mopsje was en aardig om te zien.

          De grootste clown van gans de wereld, dat weet iedereen, woont in het verre Westen in een groot wit huis met balzaal in de aanbouw. Groter clown heeft de wereld eerder nooit gezien, al zegt hij het zelf. Elke dag een nieuwe grap. Hij en ik huldigen dezelfde levensleus: een dag niet gelachen is een dag niet geleefd. Zoiets schept een band.
          Ik hoorde deze nar een tijdje aan. Helaas, algauw versteende de glimlach op mijn lippen. Hoewel toch mooi oranje als een mandarijntje, de gekste bekken trekkend en elke dag een nieuwe bak bedenkend, wekte de man al snel meer aversie op dan sympathie. Ik moest denken aan de woorden van die vrouw die ik ooit in Polen had ontmoet: ‘We all laugh and it isn’t funny.’

          Dan de blik maar naar het Oosten.
          Meer dan één oogopslag had ik niet vandoen. Kent u een Oosters humorist? Ontwaarde u ooit een glimlach op het gelaat van de tsaar van Rusland, de keizer van China of de despoot van Noord-Korea? Weten doe ik het natuurlijk niet, maar het zou me niet verbazen mocht lachen ginds bij wet verboden zijn. Tien jaar voor een glimlach, een mop op straat bekoop je met de dood. Je moest eens weten hoe gelukkig ik me hier soms voel.
          Ik kwam in de verleiding AI voor mij het werk te laten doen, maar hoe waardeloos is dat? En die mop van Trek Eens Aan Mijn Vinger, die kende u natuurlijk al.

          Het café, dacht ik toen, daar wordt nog weleens gelachen.
          Aan de tapkast zat een man, veel volk om hem heen. Net van kantoor leken ze te komen. Das losgeknoopt, hemdsmouwen opgestroopt, machomannelijk ongeschoren.
          ‘Ja jongens, daar had ik ze toch allemaal stevig bij hun pietje,’ lachte de man met schorre stem. ‘Jeanne, geeft gij ons er eentje? Zes pintjes? Doe mij er maar twee, van lachen krijg je dorst.’ Toen wist ik zeker dat ik goed zat. Glazen klonken, oogjes blonken. Ik kende deze man, alleen zijn naam schoot me niet zo gauw te binnen.
          ‘Eerst Het Laatste Nieuws! En dan de VRT! VTM! Heel die hannekesnest er als een blinde kudde achteraan. Allemaal dezelfde foto. De vetste koppen erbij! Komt dat zien, mensen, komt dat zien! Een heuse drone, eindelijk echt op beeld! Terwijl ik en ik alleen wist, ceci n’est pas un drone. Helemaal los gingen ze. Spionage! Dreiging! Groot Gevaar! De minister zelf heeft het gezegd!’ Plots wist ik wie dit was. Ik herkende hem van een oude foto, dronken plassend in de plantenbakken in de hoofdstad. Was die foto echt geweest of nep, dat herinnerde ik me niet precies.
          ‘Jeanne, nog een rondje!’ In afwachting snoot de minister zijn neus, in een beweging veegde hij met zijn zakdoek ook de tranen van plezier uit zijn ogen. Niemand van de omstaanders die wat zei. Als de minister spreekt, zwijg en luister je. Het humeur van een leider is wispelturig als een espenblad in het voorjaar.
          ‘Maar jongens, luister, de clou moet nog komen. Bart, enfin, Mijnheer de Premier, zegt tegen mij: ‘Theo, hoe serieus is dat spel? Subiet weer heel het land in brand en bibi mag weer gaan blussen.’ Ik kon natuurlijk niet meer terug. Ik kon moeilijk zeggen, Premier, het was maar om te lachen. Hij kan daar niet goed tegen, hij is liever zelf de plezantste thuis. Dus ik gebaar van krommenaas. Ik zeg: ‘Spionage Premier, zeshonderd procent zeker. De Russen, vanzelfsprekend.’ ‘Serieus?’ vraagt hij. ‘Serieus,’ zeg ik, met een gezicht als op een begrafenis. Ogenblikkelijk de Vincent erbij. We weten allemaal hoe die op de centen zit, precies of dat belastinggeld is allemaal van hem. ‘Vince,’ zegt Bart, ‘geef Theo hier eens in de rapte een miljoen of vijftig. Schrijf maar op: Defensie tegen de Russen.’ Het café ontplofte. Gejoel, gejuich, applaus, mensen klommen op de banken en de tafels.
          ‘Dus: laat u maar een keer goed gaan hé mannekes. Het kan ervan af! Jeanne. Tournée generale!’

          Een groot feest ontstond. Iedereen bejubelde de grote leider, mensen kraaiden van de pret, sloegen zich op de dijen, omhelsden elkaar op welhaast ontuchtige wijze.
          Ik stond erbij en keek ernaar en dacht: ze lachen allemaal, terwijl, zo grappig is dit verhaal toch ook weer niet.

Een gedachte over “Een mopje gemaakt”

Geef een reactie op Luc Van haaren Reactie annuleren