Er

               ‘Zo ga jij er nooit geraken,’ zei de leraar. Dertien was ik toen.
               ‘Waar moet ik zijn dan,’ vroeg ik oprecht verwonderd. Leraren houden niet van vragen waarop het antwoord niet in hun handleiding staat. Ook deze mijnheer voelde zich door mijn vraag in zijn autoriteit bedreigd.
               ‘Mijnheer wil zeker weer de slimste zijn? Waar moet ik zijn! Zoek het maar eens uit in een opstel tegen morgen. En laten lezen en handtekenen door je vader.’
               Machtsmisbruik is van alle tijden.

               Ik doopte mijn strafwerk ‘Het land van ER’.
               O Er, schreef ik, Gij mysterie (het waren nog de dagen van de oude spelling, de tijden van ik drink nooit t, gij drinkt altijd t en hij drinkt t als hij tegenwoordig is), waar o waar bevindt gij u? Hoeveel dagreizen ver zijt gij van mij verwijderd? Openbaar u en zeg mij: hoe kom ik nader tot u?
               Ik schreef dat iedereen alsmaar naar er verwees, er staat een paard in de gang, er valt nog zoveel te doen, er ruist wat door het struikgewas, terwijl niemand me zeggen kon waar die er dan wel voor stond. Of zich bevond. Niemand. Dat ik het paters had gevraagd, politici en professoren en dat elkeen het antwoord schuldig bleef. Dat men enkel stellig wist: wie er niet geraakt, gaat als mislukking door het leven.

               De leraar keek niet tevreden. Hij monsterde eerst mijn schrijfsel, dan mijn dertienjarige zelf. Zowel tekst als persoon werkten als een rode lap op zijn ongenoegen.
               ‘Jij betweterige onnozelaar,’ bitste hij, ‘wou je met mijn voeten spelen, ja?’ Dat wilde ik waarlijk niet. Leraren denken altijd dat het over hen gaat terwijl ik, ik wilde enkel weten. De man dreigde met zijn hand, slaan deed hij deze keer echter niet. Wel scheurde hij mijn avondlijk werk in duizend kleine stukjes die hij als sneeuw over mijn hoofd liet dwarrelen.
               ‘Oprapen en onder mijn ogen uit,’ baste hij, zich niet bewust van de onmogelijkheid beide opdrachten tegelijk uit te voeren.

               Het raadsel er bleef me achtervolgen. Wat is het? Waar ligt het? Wat doet het? Tot vorige week, ik zat als een oude man wat hulpeloos en verwezen in de zetel voor me uit te staren, een stem uit de radio als een engel uit de hemel verlossing bracht. ‘Met de trein zou je er al zijn’ was zijn boodschap. Ik voelde me als de heilige maagd toen de aartsengel Gabriël aan haar verscheen. Gezegend, gezalfd, gelukkig.
               Terstond sloeg ik als een Sherlock aan het redeneren. Met de trein dus: er bevond zich voorzeker op een druk bereisde spoorwegader. Antwerpen – Brussel lag het meest voor de hand. Op de ranglijst van Grootste Steden in het Land zet een Sinjoor vanzelf de eigen Metropool op één. Plekken twee tot tien laat hij leeg, Brussel is een aanvaardbare elfde. Tussen die twee steden moest dus er zich bevinden.

               In Kontich-Lint is een klein stationnetje. ’s Morgens in de vroegte staan daar zeven wagentjes netjes op een rij. Komt een machinistje draaien aan een wieltje, enfin, u weet hoe het verder gaat. Zo ging het daar in het stoomtijdperk, zo gaat het er vandaag nog. Met het allergrootste respect, Kontich-Lint vind je ook met een loep niet terug in de top honderd van Grootste Steden. Mijn verbazing was dan ook niet in woorden te vatten toen mijn InterCity op deze plek tot stilstand kwam.  
               ‘Verderop is een bovenlijn geknakt,’ meldde onze machinist, ‘hier eindigt de reis.’ Zijn stem leek in niets op die van de aartsengel. Wat later opende hij de deuren. We mochten de trein verlaten.
               Hier stond ik dan, gans verloren in het midden van niets. IJsberend telde ik de stoeptegels van het kleine perron. Was dit toeval? Of een verdoken hint van de NMBS? Iedereen weet hoe ondoorgrondelijk de Belgische Spoorwegen te werk gaan. Een weg vooruit was er niet, een terugweg evenmin. Als je niet meer vooruit kan en ook niet achteruit, dan ben je er, toch?
               Ik peinsde, speurde en snuffelde, tot ik aan de achterzijde van het kleine stationnetje in de grauwe gevel een grijsblauwe arduinen plaat ontdekte:

 Wie in dit leven niet aldoor het beste uit zichzelf wint
Bereikt voor zijn sterven nooit of nooit dit mooie Kontich-Lint

               ‘Eureka,’ schreeuwde ik, tot verbijstering van mijn gestrande medereizigers. Ik greep een al wat ouder wordende dame bij de heupen en maakte met haar een rondedans op het perron.
               Toen biepte mijn telefoon.
               Ben je er al, las ik.
               Helemaal, stuurde ik terug. Alleen nog achterhalen wat ik hier kom doen.

Gelukkig zijn

               De koffie is warm, niet te heet. Het eitje heeft vier minuten gekookt. Soldaatjes erbij, gesneden uit wit brood. Met een droge tik houw ik het hoedje van mijn ei.
Op dat ogenblik wipt uit het niets een klein mannetje naast mijn dopje. Niet groter dan een duim is hij. Grijze haren pieken warrig onder zijn muts. Een pluizige baard danst op zijn borst. Hij schiet als een springveer op en neer, driftig zwaaiend met een aks. Hij schreeuwt en krijst als een speenvarken aan het spit.

               ‘He, ho, wat is dit,’ reageer ik onthutst.
               ‘Hé Schrijvertje,’ brult de ukkepuk, ‘zeg mij hier en nu, meteen: wat is geluk?’
               ‘Geluk? Hoe zou ik…’ probeer ik. Geduld blijkt niet zijn schoonste deugd.
               ‘Jij bent een schrijver, toch? Schrijvers horen over zulke dingen na te denken. De zin van het leven, het waarom van de schepping, de mysteriën van het bestaan. Dus ik vraag je: wat is geluk?’ Als om zijn bede kracht bij te zetten begint hij als een Canadese houthakker verwoed met zijn aks op mijn ei in te hakken. Dat komt gelukkig uit een gezonde kip met vrije loop en draagt een stevig pantser.
               ‘Zeg het!’ schreeuwt het onderdeurtje stampvoetend, ‘Zeg het. Zeg het. Zeg het!’

               Zonder diep voorafgaandelijk gepeins kan noch de beste schrijver van de wereld, noch de meest belezen filosoof op zulke vraag spontaan een afdoend antwoord uit de mouw schudden.  
               ‘Geluk? Een deur die plots opengaat misschien?’ weifel ik. Een halve eeuw geleden plantte Ann Christy dit idee in mijn gedachten. Haar indringende blik, glanzende lippen en vrijmoedig decolleté blijven voor eeuwig in mijn geest gegrift.
               ‘Is dat zo?’ briest het mannetje. ‘’Als hier zo meteen plots de deur opengaat en er staan drie manspersonen, gans in het zwart en met bivakmutsen op hun hoofd in je keuken, noem jij dat dan gelukkig zijn?’
               Hij heeft gelijk. Ik ben geneigd te denken van niet.

               ‘Geluk is tevreden zijn met wat je hebt,’ doe ik een tweede poging. Woorden van mijn Bomma Stok. Ze hinkte op slechts één been, het tweede sleepte ze als een zoutzak achter zich aan. Ze aanvaardde haar lot, mopperde nooit, toch kon je goed aan haar zien dat dat beengesleep haar met het klimmen van de jaren alsmaar zwaarder viel.
               ‘Bomma Stok was vast erg gelukkig met dat been,’ schampert de lilliputter. Weer moet ik toegeven. Veel geluk ging van Bomma Stok niet uit.
               Koppig zet ik door:
               ‘Kijk in de armste landen. Vaak hebben de mensen er geen dak boven het hoofd, geen water of elektriciteit, ze weten in de ochtend niet of ze die dag wel iets achter de kiezen zullen krijgen. Maar komt de koning op bezoek, dan lachen en dansen ze alsof het nieuwjaar is.’ De woede van de dwerg wordt er alleen maar groter door. Hij kapt en hakt en wipt en briest. Ik vrees het ergste voor mijn ei.
               ‘En als die koning weer weg is,’ brult hij, ‘hoe gelukkig kijken dan die moeders met die uitgemergelde kinderen op hun schoot?’ Hij gaat als een bezetene te keer, de eierschaal kraakt als een houten trap. Ik zie een eerste barst.
               ‘Geluk ligt in de ontmoeting met de ander,’ zet ik nu alle zeilen bij. ‘Geluk kan je niet één twee drie vatten, je moet het herkennen als het je komt aangewaaid.’ Het maakt de minuscule driftkop alleen maar driftiger, elk argument hakt hij furieus aan gruzelementen. De leegloop van mijn ei is nabij.

               ‘Boeddha!’ roep ik uit: ‘Boeddha zegt: geluk zit in jezelf. Je moet het in jezelf zoeken.’
               ‘Nee, nee, nee,’ schreeuwt het aardmannetje, ‘zwijg mij van die pachydermische pad. Kijk naar je binnenkant. Wat zie je daar? Bloed. Slijm. Organen. Dikke en dunne darmen. Dat noem jij geluk?’ Waarlijk, er valt met deze alverman geen redelijk gesprek te voeren.   

               Vraag me niet wat er dan gebeurt, ik weet het niet. Voor mijn ogen wordt het zwart. Mijn hand schiet uit. Voor ik het zelf goed en wel doorheb, bengelt het ettertje op vijf centimeter voor mijn neus, gekneld tussen mijn duim en wijsvinger, zwabberend en zwierend, woest trappelen zijn beentjes gaten in de lege lucht.
               ‘Jij miezerige frutsel! Jij petieterige pruts! Jij schriele schaamluis! Wie denk jij wel dat je bent? Ongevraagd indringen in mijn ontbijt. Mijn koffie koud laten worden. Mijn ei vermassacreren. Mijn ochtend bederven met vragen waar een normaal mens een leven over doet om een antwoord te verzinnen. Ik heb het helemaal gehad met jou!’
               Buiten dump ik het opdringerige opdondertje in de container voor het gft waar hij spartelend wegzinkt in een stank van rotting en een ranzige brij van appel- en bananenschillen, beschimmelde spaghettisaus en de resten van de Quiche Lorraine die de jaarwisseling nog heeft meegemaakt.

               De koffie is warm, niet te heet. Het eitje heeft exact vier minuten gekookt.
               Dat heet dan gelukkig zijn.
 

De eerste sneeuw

               De gelagzaal van De Blauwe Witpen is niet groter dan een fors uitgevallen woonkamer. Enkele tafels, een flipperkast, een vogelpikbord. De klok bleef hier stille staan toen ABBA het Eurovisiesongfestival won. Waterloo prijkt op de jukebox naast Slade en Paul Severs. Elvis Presley ook, Edith Piaf. Enkel de kamerbrede flatscreen stamt uit de huidige eeuw.

               De weerman kijkt sip. Het gaat sneeuwen, en geen beetje ook. Morgen ontwaakt het land onder een winters tapijt, verblindend wit, tien centimeter dik, twintig misschien wel. Hij wordt er niet gelukkig van. Ik wik zijn woorden en warm intussen mijn handen aan mijn gloeiende mok chocolademelk.
               ‘Deze winterprik wordt gevaarlijk, wees toch vooral voorzichtig op de weg,’ waarschuwt de weerman zorgelijk.
               ‘Bedankt voor je goede raad, Armand,’ pikt het nieuwsanker in.  Ze is mooi, blond en schijnbaar heel alleen in de studio. Misschien kijkt ze daarom zo bedrukt.
               ‘De toestand is ernstig,’ leest ze van de autocue. We hebben net ruïnes in Gaza gezien en een verpulverd flatgebouw in Oekraïne. Donald Trump die zich weer onweerstaanbaar naar het presidentschap wrikt. Maar nu wordt het ernst. De eerste sneeuw! Dat is toch meer dan een mens kan hebben! Een expert schuift bij.
               ‘Professor in winterweer, bah. Hoeveel jaar studeert dat op onze kosten?’ schampert de   man aan het tafeltje naast het mijne. Hij lijkt op Simon Carmiggelt, een gezicht als een reliëfkaart van uitgedroogde rivieren, een stem waarin tabak groeven heeft geraspt. Voor hem staan een borrel en een pils van drieëndertig centiliter.
               ‘Wie niet buiten moet zijn, blijft beter binnen,’ raadt de deskundige aan, ‘op straat wordt het levensgevaarlijk, vooral voor fietsers.’
               ‘Jezus,’ zucht de man, ‘léven is gevaarlijk. Je gaat er dood van.’
               ‘Fietsers laten best wat lucht uit de banden,’ adviseert de expert. ‘Verlaag je zadel, voor een betere balans. Fiets traag. Kijk uit voor ijsplekken, die kunnen vervaarlijk glad zijn.’  
               ‘Wordt die daarvoor betaald, denk je?’ vraagt de man. Om zijn blik te ontwijken gaap ik wat dommig in mijn mok.
               ‘Zie ik dat goed? Cécémel? Serieus? Hoe oud ben jij?’ lacht hij. En tot het oude besje achter de toog: ‘Josee, geef die jongen eens iets voor grote mensen. En doe mij ook nog eentje.’  Zwijgend plant de waardin een vingerhoed jenever naast mijn mok. De expert waarschuwt nog voor ellenlange files, het Openbaar Vervoer dat wellicht niet optimaal kan functioneren, sommige scholen zullen dicht blijven omdat de leerlingen er niet geraken.
               ‘Serieus,’ windt de jeneverman zich op. ‘In mijn tijd ploeterde ik met stro in mijn klompen te voet naar school, de sneeuw kwam tot aan mijn knieën.’ Vroeger. Ja, vroeger. Vroeger was er kaarslicht, vandaag is er elektriciteit, placht mijn broer altijd te zeggen. Ook vroeger, hij zwijgt al enkele jaren als een graf.
               ‘Ach, kruip toch allemaal in een boom,’ foetert de man. En tegen mij: ‘Santé jongen.’

               De laatste keer dat iemand mij jongen noemde, speelde ik zelf nog in de sneeuw. Winters waren leuk en goed voor een mens.
               ‘Kou is gezond, hij vriest virussen en bacteriën dood,’ beweerde mijn oma. Op een avond schaatste ik op de stoep voor ons huis een glijbaan bij elkaar. Urenlang holde ik in de sneeuw heen en weer, mijn ijsbaan werd steeds langer. Ze glansde in het gele licht van de straatlantaarn zo fel dat je erin je haar in een zijstreep kon schikken. Dikke vlokken legden er een witte deken overheen. Nietsvermoedende voetgangers en fietsers zouden morgenvroeg slippen, vallen, niet weten wat ze overkwam. Ik zou extra vroeg opstaan en me verstoppen achter het gordijn. Een dag niet gelachen was een dag niet geleefd, ook toen al.

               Met tegenzin nip ik van mijn jenever, algauw krijg ik toch de smaak te pakken.
               ‘Strooidiensten rukken massaal uit,’ meldt de dan toch niet zo eenzame mooie blonde op televisie.
               ‘Laat toch liggen,’ moppert mijn drinkebroer. ‘Laat toch de natuur zijn werk doen, zoals vroeger.’ Hij giet de laatste druppel in zijn mond. ‘Dat heb jij niet meegemaakt zeker, jongen, dat het Albertkanaal dichtgevroren was?’ Demonstratief houdt hij zijn lege glas hoog.
               ‘Josee, nog twee,’ wenk ik dan maar.
               ‘We gooiden godverdomme met sneeuwballen naar de meesters op de speelplaats,’ zegt de man. Buiten mijn wil lokt hij me mee naar een land van jenever en memorie. Vroeger was het heus niet beter, dat weet ik, maar het voelt wel lekker te doen alsof. En ook vroeger al kwam een borrel nooit alleen.

               Het is buiten alweer donker als ik de deur van De Blauwe Witpen achter me toetrek. Dikke vlokken wiegen als dons uit de hemel. Ik laat ze landen op mijn tong. Ze smaken naar oude klare en de tijd van toen. Eindelijk nog eens winter.

Mijn kathedraal

               We eten warme hapjes. We halen herinneringen op. We spelen een quiz: plaats het liedje in het juiste decennium op de tijdlijn: Maggie May, jaren zeventig; Losing my Religion begin jaren negentig. Iemand zet Chuck Berry naast The Cure. Lachen.
               Middernacht. We wensen elkaar alle goeds. Dat het huis dit jaar wordt afgewerkt en dat boek finaal geschreven. Dat we veel goede boeken mogen lezen, leuke films zien, verre reizen maken. En bovenal: veel geluk. De alleenstaanden gunnen we een lief ook als ze daar niet om vragen, wie jonger is dan twintig een goed rapport, een wens die verongelijkte blikken oogst, wie jong is wil meer zijn dan een blinkend cijfer op een schoolrapport.
               In bed bedenk ik dat niemand me een Goede Gezondheid heeft toegewenst, toch de oermoeder der Nieuwjaarswensen. Dat zie ik als een compliment, waarom iemand wensen wat hij al heeft? Men wenst de zee ook geen water, de kerk geen toren, een vis geen vinnen.
               Ik overloop mijn lijstje goede voornemens. Ik maak het elk jaar. De inhoud houd ik liever voor mezelf. Realiseer ik mijn doelen niet, dan kan niemand me op mijn falen wijzen. Veel stelt het ook allemaal niet voor: wat minder kilo’s, wat meer bewegen, minder alcohol ook, u kent dat. Niet altijd een mening willen hebben en die vooral vaker voor mezelf houden. Minder spot en meer respect voor de medemens. Sommige doelen zijn haalbaarder dan andere. Een maximumbreak op de snookertafel gun ik me ook, Europees kampioen honderd meter vlinderslag voor senioren, de Lotto winnen. Dromen houdt de waakvlam van het leven brandend.

               Al meteen de eerste dag van het nieuwe jaar wip ik de racefiets op, laat me door een forse wind richting Noorden blazen, een lauwe winterzon op de rug. Ik zweet. Het is opvallend warm voor de tijd van het jaar, een veeg teken waar ik verder niets aan vermag te doen. De illusie in mijn eentje de planeet te redden heb ik opgegeven.
               Het land slaapt nog. Op de terugweg staat de wind van voren. Als een Flandrien ploeter ik er doorheen, op het asfalt een slijmspoor latend van spuug, zweet en snot. Moe maar voldaan, zoals dat heet, stap ik later onder de douche. Dit voelt goed. 1 januari 2024 is voor mij wat paaszondag was voor Jezus Christus.

               Die avond kijk ik op televisie naar Gladiator. Ik voel enige verwantschap. We zijn allemaal gelijken, maar sommigen zijn gelijker dan anderen, laat ik het daarop houden. De krijger verliest vrouw en kind, lijf en leden en vecht gewoon door, dwars door alle weerstand. Met blote handen gaat hij in de arena een tijger te lijf. Uit zulk hout worden echte mannen gesneden, denk ik genoegzaam.
               Op dat ogenblik gaat mijn lichaam rare dingen doen. Het blaast warm en koud tegelijk. Zweet loopt in beekjes uit mijn poriën. Mijn longen vragen proestend de echtscheiding aan, ze willen mijn lichaam verlaten. Iets of iemand prikt met scherpgepunte messen in mijn onderrug, aan de binnenkant van mijn schedel herneemt een heavy metalband de afspeellijst van gisterenavond, volumeknop op tien. Ik hoor mezelf neen zeggen tegen de halve fles Cava en driekwart liter witte wijn die ik gisteren overliet en besef: hier is wel degelijk iets mis.

               Koortsige dromen in mijn bed. Ik bevind me in het hart van de stad op een pleintje dat Handschoenmarkt heet, naast het beeldhouwwerk van kleine Nello en zijn hondje Patrasche. De Onze-Lieve-Vrouwetoren klimt eerst nog trots tot in de grijze hemel, maar gaat dan huilen. Het is een verbijsterend zicht: langzaam maar onafwendbaar wordt de toren wak als een wassen kaars, het kanteeltje dat ooit een tweede toren had moeten worden zijgt als een lege zoutzak in elkaar, het ganse gebouw verzakt, krimpt, gaat hangen als een verslagen bokser in de touwen. Een onwezenlijk beeld. Die eens zo fiere kathedraal, trots en baken, wegwijzer, anker, verschraalt en verschrompelt tot niets nog rest dan een zielig hoopje vergane glorie, een schim van een schim van wat ooit is geweest.

               Tussen drijvende lakens schiet ik wakker. Met alle Chinezen, denk ik. Als een held die met de blote hand een tijger gaat verslaan, ga ik deze laffe aanval onvervaard te lijf. Ik wapen me met thee, beschuit met platte kaas en lente-ui, Netflix en VRT-Max. Een echte man versaagt niet, ook al is het erop of eronder.

               Vanmiddag was ik in de stad. De kathedraal staat er nog. Dit bestaan kent nog zekerheden, zoals daar zijn: een Goede Gezondheid blijft toch het belangrijkst.
               En voor u hetzelfde.

Voor jou

              

               Was het leven een marathon, dan strompelde ik nu zo ongeveer voorbij kilometerpaal vierendertig. Vlotjes rennen kon ik nooit echt goed. Hardlopen is een sport die pijn doet. Je holt al gauw jezelf voorbij, verzuurt ervan, voelt je krachten zo uit je lichaam vloeien. Bovendien moet het zwaarste nog komen. Vanaf hier gaat het pad alleen nog maar omhoog. Het wordt harken naar de meet, het laatste rondje in de arena is niet altijd een feest.
               Doch Moedig Voorwaarts, zeggen wij. Doe wel en kijk niet om. Of we wel doen weet ik niet zo zeker, omkijken evenwel doen we elk jaar opnieuw, wanneer de aarde weer haar eigen rondje rond de zon heeft volgemaakt. Niet dat we daar veel uit leren, het voelt gewoon goed te doen alsof en onszelf te beloven het vanaf morgen beter te zullen doen.

               Veel bijzonders zie ik niet als ik over mijn schouder kijk. U en ik verschillen niet zoveel, we lopen tenslotte allemaal min of meer dezelfde route. Ook ik heb weleens last van okselgeur of slecht humeur. Ook ik snauw weleens onbehouwen en schaam me daarvoor achteraf dan diep, ook ik maak voor een ander veel te weinig tijd, luister vaak te weinig en drink weleens te veel. En de splinter in uw oog zie ik sneller dan de balk in het mijne. We lijken meer op elkaar dan we denken.
               Verder mag ik echt niet klagen. Ik mag hopen u ook niet. De knoken zeuren wel maar doen het nog. Het leven daagt nog altijd uit, er worden nog steeds meer plannen gemaakt dan verwezenlijkt. Kilometer tweeënveertig is nog een heel eind weg.

               Of ik afgelopen jaar ook wat gelezen heb, wil u graag weten. Drieëndertig boeken tel ik op mijn lijstje want ja, ik houd daarvan een lijstje bij, het hoofd laat weleens een gaatje vallen. Welke lieten de diepste indruk na? Toevallig of in tijden als deze misschien ook niet, twee oorlogsromans: De Fabriek der Klootzakken van Chris Kraus en Wat ons nog rest van Aline Sax. De eerste vertelt de weerzinwekkende geschiedenis van een raszuivere nazi, de tweede is een roman in verzen over de weduwen en dochters die achterblijven als de kanonnen weer zwijgen. Allebei zijn ze op eigen wijze zeer bijzonder. Leg ze om de vrede te vieren onder de boom en maak er iemand blij mee. Mij niet, dank u, ik heb ze al, alsook een lijstje met dertig nieuwe titels, eenvoudig op aanvraag te verkrijgen.
               Wat deed ik verder nog? Ik keek naar Canvas, Netflix, Sports Eleven en een enkele keer ook NPO. Eigentijdse namen, je vermoedt er niet meteen een televisiezender in. Soms denk ik nog weleens aan BRT, Holland 1, Holland 2 en de blote borsten tijdens carnavalsshows op Duitsland 3.
               Ik herbekeek de volledige Peaky Blinders met op mijn hoofd een geruite pet waar in de klep scheermesjes zaten verstopt. Ik zag drie prachtige koninginnen in The Crown en verslond ontelbare Britse detectives. Ik heb stilaan genoeg lijken, folterkelders en gebrouilleerde detectives gezien. Waar het gaat om manieren te verzinnen om een ander pijn te doen, kent de menselijke fantasie geen grenzen. Een bescheiden tip voor scenaristen: de dader hoeft niet per se in aflevering 1 scène 1 opvallend onopvallend in een hoodie door het beeld te joggen.
               Wie per dag twee uur naar televisie kijkt, slijt jaarlijks dertig dagen voor het scherm. Een maand! Dat lijkt tijdverlies maar is het niet. Het is een vlucht uit die alsmaar veeleisender sport die Leven heet.

               Ook de planeet nadert kilometerpaal vijfendertig, is hem misschien zelfs al voorbij. Daar lag ik weleens wakker van, van dat veranderende klimaat. In de nacht van 20 december zat ik om 22 u te zweten op mijn fiets. Weet een kind van tien nog wel hoe koude ruikt? Hoe vrieskou in je velletje prikt als was je een speldenkussen? Hoe verse sneeuw smaakt?
               Ook die onophoudelijke gruwelstroom houdt me uit mijn slaap. Gaza, Odessa, Kivu, Praag. Dat we daar met zijn allen machteloos op staan te kijken. Niks kunnen of willen doen. De wrede verbeelding van wereldleiders en generaals zet de creatiefste scenaristen op ruime achterstand. Was de reële wereld een misdaadserie, ik draaide de knop zo om. Een maand per jaar gewonnen.

               Doch deze loper, hij sloft voort. Tot bij de lauwerkrans. Hij voedt zich onderweg met de mooie dingen op zijn tocht. Het leven zoals het is. Himmelhoch jauchzend zu Tode betrübt, het is mij niet onbekend. Met overgave, passie, emotie. Wie niet voelt, leeft niet echt, dat denk ik ervan. En u en ik, of mag ik voor deze ene keer jij zeggen, jij en ik, we leven nog.

               Dat gaan we nog acht kilometers lang blijven doen. Als de beste versie van onszelf. Rennend naar de glorie wens ik u – jou- een in alle opzichten bruisend 2024. Blijf vooral lekker lopen.

Afscheid van X

               Het spijt me dat ik zeggen moet, tussen mij en X komt het nooit nog goed. Oprecht jammer dat het zo gelopen is.
               Ik was nog een jongen toen ik X leerde kennen. Ik zat op een keukenstoel achter een mok dampende chocolademelk. Uit het grote pak voor me viste ik zesentwintig koekjes. Die rangschikte ik op de tafel netjes van a naar z, een bescheiden letterkoekenexpositie. Algauw maakte ik er originele figuren mee: een buxus, een crucifix, een xylofoon. De kunstenaar in mij is toen geboren.
               X oogde nog onopvallend toen, haar benen zedig gekruist, een beetje weggedrumd tussen de weelderig krullende w en de langbenige y. Ze had iets exclusiefs, vond ik, een mix van exotische mysterie en een zwoele zweem van seks. Dat weerlegde ze meteen, gans ontdaan en geheel perplex. Enig sexappeal was haar dan misschien niet vreemd, voor extreme gedachten diende je bij k en s te zijn. Op dat vlak duldde ze geen excessen. Zo was X toen. Mijn gevoelens voor haar waren exceptioneel. Ik vond haar sexy en bekoorlijk en behaaglijk warm als een saxofoon bij een glas rode wijn en een knapperend haardvuur. Vanzelf werd X een bepalende factor in mijn leven.

               Altijd waren we samen. Toen kwamen onze apenjaren en verloor ik haar uit het oog.
               ‘We gaan op zoek naar X,’ schoot een vriendelijke leraar wiskunde meteen te hulp. We zochten tussen axioma’s, haakjes, maal- en deeltekens, breuken en kwadraten. X liet zich niet altijd zo makkelijk vinden.
               ‘Jaag haar niet op, ‘ adviseerde de leraar, ‘isoleer haar. En bovenal: laat X in haar juiste waarde.’  Ik probeerde, al speelde X vaak hard to get. Soms vond ik haar en soms ook niet. Ook haar juiste waarde kon variëren. De ene keer bleek X 1 te zijn, een andere keer min 3. Ik begreep haar niet. Op een bepaald examen bleek X gewoon nul, had ik me urenlang extra uitgesloofd voor niks.

               Nul is nooit de uitkomst, niemand wil nul zijn, daarvoor was X ook veel te exclusief. Die nulwaarde ging aan haar kleven als Tippex die je niet verwijderd krijgt. Ze sukkelde in een minderwaardigheidscomplex waar enkel een expert en een flinke dosis Xanax haar weer uit konden praten. Ook ik deed mijn best.
               ‘Ik ben niks,’ huilde ze.
               ‘Wel,’ praatte ik op haar in, ‘jij bent X, hoor je. Wie ben jij?’
               ‘Ik Ben X,’ snikte ze.
               ‘Onthoud dat,’ zei ik. Ik ontfermde me over haar. Tienduizend spelletjes OXO speelde ik met haar, bij Scrabble plukte ik X zo vaak ik kon uit mijn lexicon, acht punten extra telkens weer. Luxe, legde ik, mailbox ook. Eén keer zelfs laxeermiddel, wat ons allebei naar een ongekende extase voerde. Excelleren dankzij X verschafte haar en mij een maximaal genoegen.

               Toen bleek X enigszins bipolair. Niet toevallig staat haar ene been helemaal haaks op het andere. Haar hang naar succes nam toxische dimensies aan. Ze ging zich extravert gedragen en steeds vaker te buiten aan extreme excessen. Zo overwoog ze op een dag haar naam te veranderen.
               ‘Prince ging zich plots toch ook TAFKAP noemen,’ stelde ze.
               ‘Prince of TAFKAP, allebei even dood,’ antwoordde ik meedogenloos.
               ‘Ik dacht aan Twitter,’ zei ze.
               ‘ ‘Mijn Lieve X,’ probeerde ik, ‘je kan je toch niet voordoen als een kwetterend vogeltje? Je krijgt niet eens je pootjes naast elkaar.’
               ‘‘Relax nu maar,’ zei ze, ‘dat is exact wat ik ga doen.’

               Haar getweet werd mij allemaal te veel. Onze relatie oxideerde, vroeg of laat zou ze exploderen. Als ijsschotsen dreven we uit elkaar. Ik verweet haar exhibitionisme, zij behandelde me als een appendix die uit haar leven verwijderd moest. Op een nacht vluchtte ik in een taxi in het donker.

               X kreeg nieuwe vrienden, hoorde ik. Een grofgebekt zootje, externe, anonieme lieden met extreme ideeën. Voor exuberante sommen liet ze zich schaamteloos exploiteren. Elke vogel mocht bij haar een ei kwijt, al geurde het naar excrementen. Alles mocht, alles kon, als het maar de kassa spekte. De vulgairste scheldpartijen liet ze expres passeren, ze negeerde de grofste xenofobe schimpscheuten, liet de leugenachtigste complottheorieën ongemoeid. Vrije meningsuiting, noemde ze dat. Het loonde. Na een externe audit liet ze haar waarde, ooit min 3, taxeren op de beurs.

               ‘Mijn lief klein vogeltje,’ vroeg ik wanhopig in een laatste poging tot verzoening, ‘waarom kan je toch niet weer als vroeger zijn?’  
               ‘Voor jou wil ik wel gewoon weer X worden, hoor’ zei ze toegeeflijk. Maar het was te laat. Ze veranderde dan nog wel weer haar naam, haar houding werd alsmaar extremer. Mijn schots dreef onherroepelijk naar de exit.
               Daardoor is nu dus X mijn ex.

Lijden voor de kunst

               Het gebeurt niet al te vaak en het gaat gelukkig ook weer gauw voorbij, maar soms geloof ik werkelijk een soort van kunstenaar te zijn. Kunst is een ambt dat offers vraagt. Voor de kunsten moet men lijden, dat geloof ik dan beslist. Een oor eraf is van het goede wat te veel, maar tot diep in de nacht gans alleen koteren in de krochten van mijn ziel, daar oude wonden doen ontwaken, ze met een krassende kroontjespen op beduimeld perkament in mooie woorden gieten bij het schaarse licht van een kaars, dat beeld zie ik dan. Een knagende honger hoort daarbij en een niet te lessen drankzucht. Als een vogel die een ei gaat leggen, trek ik me terug uit het bestaan.
               Zo zonderde ik me deze week dus weer eens van de wereld af. Ik betrok een kamer in een klein hotel aan zee en noemde mezelf Schrijver in Residentie. Een kunstenaar die lijdt, doet niet aan valse bescheidenheid.

               Ik was hier al eerder geweest. Toen werd ik vriendelijk onthaald door een geblondeerde jongedame die een soort van the emmer is full Engels sprak met Oost-Europees accent. Ze wees me een kleine kamer toe, proper en gerieflijk, voorzien van bed, warm water en een stopcontact voor de laptop. Bovendien serveerde men er al in alle vroegte een copieus ontbijt. Tot mijn grote vreugde. De ochtend immers bestaat uit goede voornemens en sloten koffie. Daar mag ik dan graag een toast of pistolet en een eitje bij hebben.
               Wat me echter ook deze keer finaal weer voor deze plek deed kiezen, was de belachelijk kleine bijdrage die men maar vroeg. Ik beeldde me ietwat overmoedig in dat men het als een eer en gunst beschouwde voor enige dagen een auteur van mijn kaliber te mogen huisvesten.

               Ik had hier oprecht naar uitgekeken. Duizend-en-één ideeën borrelden in de rechterhelft van mijn brein. Ik was hogelijk gemotiveerd, topfit, vastbesloten shiften te draaien als een havenarbeider op zwart zaad.
               Alle tekenen waren gunstig. De zon scheen. Het verkeer stroomde in de goede richting terwijl het stremde aan de andere kant. Nog niet eens ver voorbij Beveren-Waas liep het water me al uit de mond bij de gedachte aan een British Breakfast, toast, tomaat, bruingebakken worstjes, witte bonen in tomatensaus, een spiegelei en de ganse ochtend koffie à volonté. Ik reikhalsde nu al naar een ontspannen avond na noeste arbeid waar ik in een artisanaal eethuisje een krokant gebakken pladijs op een bedje van puree met peterselie zou doorspoelen met een glas gekoelde Chardonnay. Of twee, mocht de puree aan de droge kant uitvallen.

               Waar blijft dan het lijden van de artiest, vraagt u zich af. Welaan dan, hier. U kent de zegswijs: wie pinda’s betaalt zal in de aap logeren. Er wachtte me deze keer niet de sympathieke Oekraïense van weleer, ook geen oude knar of nurkse Basil Fawlty. Er wachtte helemaal niemand. Het onthaal bestond uit een troosteloos, compleet ontoegankelijk, hermetisch met traliewerk afgesloten loket. De bezoeker diende nauwgezet de richtlijnen te volgen die op keurig getypte briefjes op traliehek en muren prijkten.  
               Om bij aankomst uw verblijftaks te betalen, scan de QR-code.
               Als bewijs van betaling ontvangt u een cijfercode op uw telefoon.
               Open met de verkregen cijfers mini-locker nummer zeven die u vindt naast de voordeur.            Opgelet: uw kamersleutel opent ook de buitendeur.

               Praktisch, dat zeker. Harteloos kil en koud nog meer. TL- licht waar ik kaarsen had verwacht. Ik voelde me niet meer de welkome gast van destijds, ik voelde me een kip die gepluimd moest en om wiens welzijn verder niemand taalde. Gedwee volgde ik als een boyscout op sporentocht de opdrachten. Het spoor leidde naar de lift waar zich op de deur het finale eindspel aankondigde, op een wit blad, Times New Roman, lettergrootte 16: ‘Onze excuses voor de hinderlijke situatie, maar het ontbijt komt te vervallen omdat de verwarming niet werkt.’

               Tot diep in de nacht graven tot het pijn doet in de kelders van je ziel is één ding. Een oor eraf een tweede. Bestaan er echter gruwelijker zaken dan een ochtend zonder koffie? Zonder toast? Zonder ei? Ik zeg u: niet in mijn wereld. De grond waarop ik stond werd drijfzand, mijn wereld stortte in, zelfs het lijden van een kunstenaar kent zijn limieten. Teleurstelling en woede worstelden in hart en hoofd om voorrang.
               Ik dacht: ik moet hier als de weerlicht weg.        
               Ik dacht: Reclameren. Protesteren. Fulmineren.
               Ik dacht: Compensatie! Schade! Vergoeding voor geleden leed! Een goedmaakweekend voor twee plus gratis diner in het duurste restaurant in de buurt!
               Toen dacht ik aan dat ziekenhuis in Gaza. Die moeders en hun kinderen.
               Ik trok de deur weer achter me toe en ging op zoek naar een bakker voor een brood voor morgenvroeg

De laatste druppel

            Elke keer als ik voet zet in Antwerpen-Centraal moet ik naar het toilet. Echt elke keer. Vaker plassen hoort bij ouder worden, dat weet ik. Maar waarom precies daar? Die majestueuze inkomhal werkt blijkbaar op mijn blaas als een baby op een moederborst.

            De toiletten in dit overigens prachtige stationsgebouw hoeven niet vermeld op de Wereld Erfgoedlijst. Ze zijn, in drie woorden, kaal, kil en klam. Wel proper. En ook merkwaardig duur: je betaalt een volle euro terwijl je er strikt genomen toch een deel van jezelf achterlaat. Gelukkig onthaalt je voorbij het draaihek een vriendelijke mijnheer die je als een dienstbode de weg wijst. Ik werd er zowaar verlegen van. Ik vermoedde in de man een ex-gevangene die in deze baan een tweede kans zag om de trein van zijn leven alsnog weer op de rails te krijgen. Trein, rails, station, hebt u hem? Jaja, ik ben me er eentje.

            Op het ritme van de natuur nam ik er de tijd voor. Het is niet meer wat het ooit is geweest: voluit voor- en achternaam pissen in de sneeuw, compleet met hoofdletters en een puntje op de i, zit er niet meer in. Geen erg, voor één euro mag het feest best wel wat langer duren. Naast plasdwang komt met de jaren ook Geduld.
            Naast me hoorde ik een man friemelen aan een ceintuur, in minder dan geen tijd klaterde een luidruchtige waterval in het urinoir naast het mijne. Verlegen focuste ik in mijn eigen bakje op de vlieg op het witte email.
            ‘He he,’ zei de man. De vlieg gaf geen krimp. Ik ook niet.
            ‘Wat vindt u daar nu allemaal van,’ vroeg de man plots. Hij was groter dan ik, jonger wel maar kaal, stoppelbaard, azuurblauw pak, bruine schoenen. Ik meende hem al eens eerder te hebben gezien maar zou bij god niet weten waar. Ik had ook geen idee waarop hij doelde.
            ‘Op mijn leeftijd vind je niet meer zoveel,’ mompelde ik tegen de vlieg. Wijsheid, krijg je er met het klimmen der jaren ook zomaar bij. Dat je over alles wat moet vinden, daarmee heb ik het stilaan wel gehad.
            ‘Dat Pietengedoe,’ verduidelijkte de man. Dat gaf deze conversatie tussen twee onbekende mannen in het herentoilet toch een wat curieuze wending. ‘Zwarte Piet. Roetpiet. In Gent hebben ze zelfs een vrouwelijke Sinterklaas.’ Met kracht lanceerde hij een tweede straal. ‘Zwart ook nog,’ zei hij. Even vreesde ik voor springtij in zijn urinoir.
            Van mijn vele gebreken is het onvermogen te kunnen zwijgen als me daartoe de kans geboden wordt, misschien wel de grootste. Ik kan het niet. Ook hier. Ik wilde niet, beet in de koortsblaas op mijn lip, het baatte niet.
            ‘Zie het zo,’ zei ik, ‘De Sint bestaat niet echt. Het is een doen alsof, zoals carnaval. Er lopen gewoon wat meer poppen in de stoet.’
            ‘Dit is wel onze traditie,’ gromde de man, geprikkeld door mijn woke woorden.

            Plasdrang. Geduld. Wijsheid. Voeg daarbij Bedachtzaamheid.
            Ik dacht aan de tijden van niet meer dan één Sint. Die verleende audiëntie op een rode troon in Grand Bazaar. Vandaag tuimelen de Sinten met bosjes tegelijk uit de taxi, elke kind een eigen Sint. Halloween heette nog Allerheiligen toen, die dag herdachten we de doden. Op Aswoensdag moest je een kruisje op je voorhoofd, het begin van veertig dagen zonder snoep. Op kerst kwam eerst de nachtmis en daarna pas de drank. We spraken met twee woorden, zegden u tegen grote mensen, bleven op de tram niet zitten als ouderen moesten staan. Al tradities en gewoonten die zonder veel gedruis verdwenen in het gat van de geschiedenis en vandaag verteerd zijn door de tijd. Enkel over deze blijven we bakkeleien: een oude man in een jurk lokt met snoep en speelgoed argeloze kinderen op zijn schoot en laat zich daarbij hautain bedienen door een zwartgeverfde witte man.

            Dat alles dacht ik dus. Maar ik zei:
            ‘Alles heeft zijn tijd, weet u. Alles gaat voorbij en voor alles komt iets nieuws in de plaats.’ Berusting, zet maar bij op mijn oude mannenlijst.  
            ‘Voor mij is dat de laatste druppel,’ zei de man bits. Een zip van een rits en toen wist ik het. Dat gretige plassen, die raspende stem, de laatste drop. Hij was het, die komiek van the emmer is full!

            Buiten knoopte ik mijn sjaal strak om mijn hals en mijn jas tot het bovenste knoopsgat. Het was koud geworden. De Winter staat voor de deur, dacht ik. En meteen daarbij: Wilders dan dit hoeft het voor mij niet te worden.
            Want ja hoor, ik ben me er nogal eentje.

Het spaghetticonflict

               In het laatste jaar van mijn middelbaar zat ik achteraan in de klas naast een jongen die Alain heette. Alain had lang, sluik haar. Als hij voorover leunde verdwenen zijn ogen, neus en mond onder een onzichtbaarheidsgordijn van haar. Alain was een meesterspieker. Tijdens toetsen van wiskunde lispelde hij me van onder zijn haargordijn de juiste formules voor, in ruil schoof ik hem bij taaltoetsen mijn kladblaadjes met correcte spelling toe. Het leven is een kwestie van geven en nemen, dat leerden wij toen al.  

               Tijdens een les zaten we een beetje te keuvelen.
               ‘Ik heb honger,’ zei ik. In die dagen hongerde ik de hele tijd naar zowat alles.
               ‘Spaghetti van Den Trol,’ fluisterde Alain.
               Ik was niet bepaald dol op spaghetti. Nog altijd niet. Thuis aten we gewone Vlaamse boerenkost: aardappelen, wortelen of bloemkool, rode kool, savooi en worst. Op zondag frikadellen met krieken, soms een keer een feestelijke kip, met aardappelpuree waarin je een kuiltje maakte voor de stroperige kippensaus.
               ‘Waarover zitten jullie daar te konkelfoezen?’ wilde de leraar weten.
               ‘Spaghetti,’ antwoordde ik naar waarheid. Dat vond in de klas iedereen wel geestig, behalve de leraar zelf.
               ‘Zijn we weer grappig vandaag?’ vroeg de leraar, ‘Staan de vuilnisbakken buiten misschien?’ Niemand lachte. Leraren en humor, het is zelden een goed huwelijk.
               ‘Als jij zoveel weet over spaghetti, schrijf daar dan tegen morgen maar eens een opstel over. Vier bladzijden.’ Machtsmisbruik is van alle tijden.

               Gehoorzaam als ik ben, bezorgde ik hem de volgende dag mijn verhaal.

               Tijdens de les esthetica is het verboden te praten over spaghetti of pasta of ander eten uit Italië. Nochtans behoren de eetgewoonten van een volk ook tot hun cultuur, net zoals het bouwen van tempels of het veroveren van andere landen. Men zegt immers: je bent wat je eet.
               Spaghetti komt dus uit Italië, zoals pizza en lasagne, Francesco Moser en de Rode Brigades. Ik vind pasta saai. Als je de spaghetti uit het pakje haalt, is het of je een hoop Mikadostokjes voor je ziet, alleen zijn alle staafjes even lang en hebben ze allemaal dezelfde kleur. Ook daarom houd ik meer van aardappelen; een groente met karakter, geen twee aardappelen zijn hetzelfde. Van de ene maak je frieten, van de andere puree. Gekookte spaghetti is slap en glibberig en slibbert uit je mond. Je moet er hard op zuigen of je bent hem kwijt.
               Door spaghetti kreeg ik onlangs ruzie met kleine San. Het begon op een fuif in de parochiezaal van ’s Gravenwezel. Eerst had ik er tijdens La Bamba gekust met Babette. Nadat haar vader die om middernacht was komen halen, kuste ik met kleine San. San is echt heel klein maar ze kan geweldig kussen. Van al dat kussen kregen we honger.
               ‘Naar Den Trol,’ zei kleine San toen, ‘want in Den Trol hebben ze de beste spaghetti van de hele wereld.’
               ‘Dat weet je niet,’ antwoordde ik toen we onze maaltijd voorgezet kregen, ‘je hebt nog niet in de hele wereld spaghetti gegeten.’ Ik probeerde gewoon een geestig gesprek.
               ‘Hé hé,’ deed kleine San, ‘mijnheertje weet het wel graag beter, hé?’
               ‘Plus,’ deed ik er nog een schepje bovenop, ‘spaghetti smaakt toch overal hetzelfde.’ Ze had kunnen zeggen dat ik nog niet overal spaghetti had gegeten, maar dat deed ze niet. Ze zei:
               ‘Is gewoon niet waar.’ Kort. Hard als spaghetti die net uit het pakje komt. ‘Zo lekker als hier eet je hem nergens. Geef nu gewoon toe.’
               ‘Dat is niet de pasta, dat is de saus. Ze doen er hier andere dingen in. Kijk. Ui. Paprika. Champignons. Andere kruiden ook.’ Ik zag in haar ogen hoe de magie tussen ons verpauperde als gehakt in tomatensaus.
               ‘Jongen, alstublieft,’ smeekte kleine San. Maar ik was nu werkelijk helemaal op dreef.
               ‘Misschien is het wel de olie,’ duwde ik domweg door, ‘de pasta is het zeker niet.’
               ‘Wat kan jij een zeur zijn zeg,’ riep ze. Woedend sprong ze op van haar stoel, greep een handvol slierten uit haar kom, er zat gehakt bij, tomatensaus en kaas, en zwiepte de hele kwak in mijn gezicht. De tomatensaus droop over mijn gouden lokken tot op mijn schouders. Toen ik uiteindelijk de bolognaise uit mijn ogen had, was kleine San Den Trol al lang ontvlucht.

               Ik heb die avond dankzij dat bord spaghetti mijn lesje wel geleerd. Ik weet nu dat kleine San niet alleen geweldig kan kussen maar ook dat zij gevaarlijk explosief kan zijn. Dat ik op een volgende fuif enkel en alleen nog Babette zal kussen en verder niemand. En dat spaghetti gewoon nooit mijn lievelingsmaaltijd zal worden, ook al heeft dat ene bord wel min of meer mijn leven gered.

               Nadat hij mijn verhaal gelezen had, keek de leraar bedachtzaam voor zich uit.
               ‘Elke man kent wel een kleine San,’ zei hij. Eindelijk hadden we iets gevonden dat ons bond.

Onder buren

            De dag waarop we elk jaar de doden gedenken, loopt er een kat door de tuin. Ik ben niet echt een kattenman. Een kat is geen hond. Een hond geeft, een kat neemt. Een kat hoeft niets en mag alles. Muist Miss Poes er stiekem onderuit, men speurt de straten af, kleeft affiches aan lantaarnpalen, betraande kinderen bellen aan de deur. Drie dagen later paradeert mevrouw parmantig door de kamer, bezwangerd en wel. Poes meteen weer op de schoot, kommetje melk erbij, stukje verse haring van de visboer. Moeten jij, je dochter of je hond een keer proberen.
            Het grijze beest lonkt naar de vissen in de vijver. Ik zie vraatzucht in haar ogen, een likkebaardende tong, trillende snorharen. Ogenblikkelijk laat ik het sjalotje op de snijplank voor wat het is, storm pardoes de tuin in, snijmes nog in de hand. Een vergetelheid, fysiek geweld zit niet in mij; ik ben een volbloed pacifist, een mug op mijn arm vraag ik vriendelijk doch met aandrang het zuigen van mijn bloed te staken.

            Gezwind ontvlucht de grijze gluiperd tuin en toorn over het muurtje achteraan; tegelijk gaat aan de voorkant van het huis de bel. Frappant hoe schijnbaar los van elkaar staande gebeurtenissen vaak zoveel gelijkenis vertonen. Een naïeve ziel zou denken dat Een Hogere Macht er de hand in heeft. Voor me staat een zorgvuldig gecoiffeerde man, haren zilverwit, strak in het pak alsof hij dansen gaat, een en al lach. Zijn naam ken ik niet, zijn gezicht evenwel herken ik van propagandafolders in mijn brievenbus.
            ‘Neen,’ zeg ik bot, ‘u niet.’
            ‘Mijnheer, alstublieft, mag ik even?’ bedelt hij.
            ‘Neen,’ bits ik terug, ‘ik moet u niet. U zetelt in de gemeenteraad, voor die partij die haat en verdeeldheid zaait, onverdraagzaamheid predikt, met mijn basiswaarden de vloer aanveegt. Laat mij en ga.’
            Wie mij kent, weet, ik ben de minzaamheid in persoon. Tolerant, geduldig, immer goedlachs, een tikje onhandig misschien. Maar mijn allergie voor bepaalde denkbeelden overtreft ruimschoots nog die voor katten. Al helemaal vandaag gedenk ik ook al die doden die daardoor ooit het leven lieten. En ook nu nog laten.
            ‘We kunnen toch met elkaar praten?’ onderbreekt de man mijn tirade, tot mijn verbijstering nog altijd een en al glimlach. Hij heeft gelijk, ik geef het toe. Men raakt alleen maar uit conflict door dialoog. Ik zuig de kille herfstlucht in mijn longen, de temperatuur van mijn bloed zakt weer naar normale waarden.

            ‘In het belang van onze wijk,’ zegt de man. Hij zwaait met een petitielijst. In stilte vraag ik me af of we voor deze woonwijk allebei dezelfde warmte voelen. Ik vermoed van niet.    
            ‘Een mevrouw wil verderop een kapperszaak beginnen. Dat vinden wij niet goed,’ zegt de man. Die wij, dat zijn zij zonder mij. Zorgt voor overlast, beweert hij, flink op dreef nu, en een ongecontroleerde toestroom van onbekenden, parkeerproblemen, afval op straat, vandalisme wellicht, criminaliteit. Hoe gaan u en uw vrienden naar de kapper, wil ik vragen, als de spionkop van Deurne Noord misschien?
Ik blijf beleefd, zwijg en luister. Dat de buurt een residentieel karakter heeft, orakelt de man, waar handel en neringdoenderij niet zijn toegestaan. Dat daarover een heus charter bestaat, uit 1988, toen op deze plek villa’s en fermettes als paddenstoelen uit de grond schoten. Stilaan oude geschiedenis maar soit, er bestaan ook mensen die gronden claimen waarop drieduizend jaar geleden hun stamvaders woonden.
            ‘Zeg nu zelf, mijnheer,’ vraagt de man, ‘wonen wij niet in een oase van rust?’ Ik denk aan de dagdagelijkse kakafonie van grasmaaiers, boomzagen, bladblazers en te pas en onpas loeiende alarmsystemen. De mijnheer argumenteert, ik riposteer, er groeit iets dat op een gesprek gaat lijken. De man blijft minzaam en geduldig, in ruil verontschuldig ik me tot twee keer toe voor mijn onbehouwen onthaal. Tenslotte is hij ook maar gewoon een man met een wereldbeeld, net als ik.
            ‘Toch’ zeg ik, ‘komt het wel weer hierop neer: een nieuwkomer zoekt een beter leven op de plek waar wij wonen. En u gooit de deur dicht voor zijn neus.’
            ‘In het belang van de wijk,’ houdt de man het been stijf.

            We kunnen kallen tot Kerstmis, het water tussen ons blijft even diep. Uiteindelijk gaan we akkoord om niet akkoord te gaan. Want, besluiten we, gelukkig wonen wij wel nog in een land waar men vrijelijk van mening mag verschillen.
            ‘Over heel wat dingen zijn we het niet met elkaar eens,’ stelt de man vast, ‘maar over andere dingen zeker wel.’ Dromerig kijkt hij in de verte.
            ‘Er zouden geen kinderen mogen doodgaan in Gaza,’ zucht hij.
            In roerende eensgezindheid schudden we elkaar de hand.