Met een vriend ging ik een hapje eten in de stad. Ik kijk er elke keer naar uit hem weer te zien. Mijn vriend is een aangenaam verteller die vrijwel alles weet.
‘Behalve misschien één ding,’ monkelde ik plagerig. Niemand kan immers werkelijk álles weten. Zijn gelaat betrok.
‘Wat weet ik dan niet?’ vroeg hij.
‘Dat weet ik niet,’ antwoordde ik, ‘ik weet immers oneindig veel minder.’ Ik merkte bij hem licht ongemak, alsof een vlieg op zijn bord was komen zitten.
Ons gesprek bewandelde al gauw vertrouwde paden. We praatten openhartig over onze werken, wanen en angsten en de cirkel van het leven. Nu en dan dropte een van ons de naam van een bekend auteur die hij persoonlijk kende. Ik bekende soms jaloers te zijn op zijn succes terwijl ik hem dat tegelijk van harte gunde, dubbel maar waar, het leven is niet wit of zwart maar morsig grijs. We biechtten op hoe blij je soms kan worden van een hartje of een duimpje op je socials en beseften tegelijk hoe relatief dit alles is in het aanschijn van de eeuwigheid.
Tweeënveertig is mijn vriend.
‘Toen ik zo oud was als jij,’ lachte ik, ‘was heel de wereld bang voor de millenniumbug.’ Hij knikte. Dat wist hij nog. ‘We betaalden nog met Belgisch geld,’ ging ik door, ‘en alleen de happy few die zich belangrijk vonden hadden een mobiele telefoon.’
‘Vertel eens iets wat ik nog niet weet,’ antwoordde hij verveeld.
‘Ik zou niet weten wat,’ mompelde ik naar waarheid, ‘jij weet toch alles al.’ We stapten de deur uit. ‘Behalve misschien één ding.’ Een plagerijtje dat ik niet kon laten, zoiets moet kunnen onder vrienden. Mijn grapje viel even slecht als een onterecht gefloten strafschop in blessuretijd. Zijn hoofd zakte tussen zijn schouders, zijn blik werd dof, zijn voeten sleepten over het trottoir. Eens te meer besefte ik dat je moet voorzichtig zijn met woorden. Woorden doen ertoe. Woorden kunnen pijn doen. Met wapens voert men strijd, het zijn woorden die de oorlog verklaren en woorden die tot vrede leiden.
‘Dat was maar een grapje,’ probeerde ik vergoelijkend maar het kwaad was al geschied. Het knaagde, de gedachte dat er iets was wat hij nog niet wist, leek welhaast ondraaglijk. Somber slenterden we zwijgend in het donker. De sfeer was weg, de avond leek verloren. Wat te doen?
Ik legde hem twee opties voor: of we gingen op zoek naar wat hij nog niet wist, zonder enige notie over wat we zochten en waar we dat dan moesten vinden, of we trokken naar de voorstelling in de schouwburg om de hoek waarvoor hij twee kaartjes in de binnenzak van zijn jas had zitten. Uit gemakzucht opteerden we voor dat laatste.
Op de scène een witte man van middelbare leeftijd en een jong, zwart meisje. In de tijd van de millenniumbug had de man zich als theaterdocent bezondigd aan grensoverschrijdend gedrag. Hij probeerde zoveel jaren later een comeback. Het woord grensoverschrijdend bestond toen nog niet eens, verdedigde hij zich.
‘Het is niet omdat er geen woord voor is, dat het gedrag niet bestaat,’ pareerde het meisje gevat. Zo ging het honderd minuten door, een pingpongspel over macht en vrijpostigheid, over empathie en schuldinzicht, over hoe moeilijk het is geloofwaardig en oprecht te zeggen dat iets je spijt. De voorstelling deed helemaal wat kunst behoort te doen: ze stelde vragen en liet het publiek naar antwoorden zoeken.
‘Poeh, ingewikkeld,’ oordeelde ik achteraf, wat een pleonasme is want oordelen doe je in principe altijd pas achteraf. ‘Toen ik nog lesgaf over liefde en relaties predikte ik mijn leerlingen: als ze neen zegt, zegt ze neen. Daar ligt de grens. Helder.’
‘Alles in de wereld is fluïde geworden vandaag de dag,’ wist mijn vriend, ‘grenzen zijn niet meer altijd bij en voor iedereen even duidelijk.’ Zwijgend stapten we de nacht in, allebei dwalend in het eigen hoofd.
‘Maar hoe kan je dan weten …’ begon ik.
‘Hoor eens,’ zei mijn vriend, ‘dat weet ik ook niet. Ik moet het net als iedereen ook allemaal maar uitzoeken.’ Perplex bleven we staan en keken we elkaar aan in het gouden schijnsel van de maan. Dit was het antwoord. Dit was wat we al de hele avond zochten. Hoe dat allemaal moet in het leven, dat omgaan met elkaar, leven in vrede en harmonie zonder elkaar pijn te doen? Hij wist het ook niet. Eindelijk had hij gevonden wat hij nog niet wist.
Toen kusten we elkaar opgewekt ten afscheid en stapten blijgemoed naar huis. Ik kijk al uit naar de volgende keer.
